[{"b":"(Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 oktober 2020 krachtens artikel 33b van de Wet op de Rechtsbijstand, goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 20 november 2020) Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die mediation in de zin van de wet willen verrichten zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De gerechten en het Juridisch Loket verwijzen alleen door naar mediators die staan ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand en die aan de gestelde eisen in de inschrijvingsvoorwaarden voldoen. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: - a. de vakbekwaamheidseisen die aan de mediator worden gesteld; - b. de mate van gebondenheid aan door de beroepsgroep algemeen aanvaarde normen betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening; - c. de wijze waarop schendingen van de algemene norm betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening worden afgehandeld; - d. de medewerking door de mediator aan onderzoek naar de werking van mediation en aan evaluatie; - e. de verslaglegging door de mediator van de door hem verrichte werkzaamheden; - f. de beroepsaansprakelijkheidsverzekering; - g. de organisatie van het kantoor waar de mediator werkzaam is. In het onderstaande zijn deze inschrijvingsvoorwaarden uitgewerkt. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar mediators die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. De Raad en het MfN-register hebben in 2018 een informatieprotocol afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt omtrent het uitwisselen van informatie die van belang kan zijn"},{"b":"(Onder)Mandaatbesluit Politie beheer RST 2021 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Barp:* [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - b. *Bbp:* [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517) - c. *korpschef:* korpschef als bedoeld in [artikel 27 Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - d. *mandaat:* bevoegdheid om namens de korpschef besluiten te nemen; - e. *Mandaatbesluit beheer RST:* [Mandaatbesluit beheer RST 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043778) van de Minister; - f. *Mandaatbesluit politie:* Mandaatbesluit politie januari 2020; - g. *Minister:* minister van Justitie en Veiligheid; - h. *PDC:* Politiedienstencentrum als bedoeld in [artikel 36 Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=36); - i. *politie:* landelijk politiekorps als bedoeld in [artikel 25, eerste lid Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25); - j. *portefeuillehouder Caribisch deel van het Nederlands Koninkrijk:* de functionaris die als zodanig door de korpschef van politie is aangewezen; - k. *Protocol:* Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland; - l. *RST:* een recherchesamenwerkingsteam als bedoeld in [artikel 57a Rijkswet politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=57a) en artikel 6 van het Protocol; - m. *teamchef RST:* hoofd van het RST als bedoeld in artikel 7 van het Protocol; Artikel 2. Wet- en regelgeving Dit besluit heeft betrekking op bevoegdheden en taken die bij of krachtens de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) en in ondermandaat op grond van het Protocol aan de korpschef toekomen. Dit besluit dient uit dien hoofde gelezen te worden in samenhang met het Mandaatbesluit Politie."},{"b":"40.000 banen-regeling 1996 Artikel I *Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995.* Artikel II *Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995.* Artikel III Met betrekking tot arbeidsplaatsen die gerealiseerd zijn op basis van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995, zoals die luidde op 31 december 1995, blijven de artikelen 10 tot en met 12 van die regeling van kracht. Artikel IV Deze regeling treedt, met uitzondering van [artikel I, onder F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007685&artikel=I&z=1996-01-01&g=1996-01-01), ten eerste, onder c, in werking met ingang van 1 januari 1996."},{"b":"Aangepast vervoer gehandicapte leerlingen basisonderwijs (ba), speciaal basisonderwijs (so) en voortgezet onderwijs (vo) Vervoer gehandicapte leerlingen Met ingang van het schooljaar 2002-2003, kunnen ouders voor het vervoer van gehandicapte leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs geen aanspraak meer maken op een vergoeding van de kosten op basis van de [Wet (Re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565) maar valt ook het vervoer van deze leerlingen onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit betekent dat de ouders die voor een vergoeding in aanmerking willen komen zich niet meer tot het GAK (UWV/GAK) maar tot de gemeente moeten wenden. Om de gemeenten in staat te stellen de aanvraag tijdig voor aanvang van het schooljaar afgehandeld te hebben, is het van groot belang dat de desbetreffende ouders zich op zo kort mogelijke termijn tot de gemeente wenden waarin zij wonen. Om die reden verzoek ik u de ouders van de leerlingen waarvan u denkt dat zij op grond van de handicap gebruikmaken van aangepast vervoer, van deze wijziging op de hoogte te stellen. Aangezien het vooral in het speciaal basisonderwijs over vrij grote aantallen leerlingen gaat, is in de bijlage een modelbriefje opgenomen dat u desgewenst aan de leerlingen kunt meegeven (ook oproepbaar via cfi.kennisnet.nl). Verantwoordelijkheid gemeenten Nu de gemeenten de verantwoordelijkheid gaan dragen voor al het leerlingenvervoer zullen zij moeten beslissen ofeen leerling wegens een handicap al dan niet is aangewezen op aangepast vervoer. De gemeente kan zich daarbij laten adviseren. Wegens de bekendheid met de leerling ligt het daarbij voor de hand dat de gemeente zich daarvoor in het algemeen zal richten tot de directeur of rector van de school. Gelet op het belang hiervan voor de leerling verzoek ik u aan een dergelijk adviesverzoek mee te werken. U kunt zich als directeur of rector, afhankelijk van de situatie, laten adviseren door bijvoorbeeld de ambulante"},{"b":"Aanhangsel I: Internationale Arbeidsorganisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the International Labour Organisation the standard clauses shall operate subject to the following provisions: - 1. Article V (other than paragraph (*c*) of section 13) and section 25, paragraphs 1 and 2 (*a*), of Article VII shall extend to the employers' and workers' members and deputy members of the Governing Body of the International Labour Office and their substitutes; except that any waiver of the immunity of any such person member under section 16 shall be by the Governing Body. - 2. The privileges, immunities, exemptions and facilities referred to in section 21 of the standard clauses shall also be accorded to any Deputy Director-General of the International Labour Office and any Assistant Director-General of the International Labour Office. - 3. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organisation shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connection with service on such committees or missions: - (a) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organisation; - (c) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (d) inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organisation."},{"b":"Aanhangsel II (tweede herziening): Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The Food and Agriculture Organization of the United Nations In their application to the Food and Agriculture Organization of the United Nations (hereinafter called “the Organization”) the standard clauses shall operate subject to the following provisions: - 1. Article V and Section 25, paragraphs 1 and 2 (I) of Article VII shall extend to the Chairman of the Council of the Organization and to the representatives of Associate Members, except that any waiver of the immunity of the Chairman under Section 16 shall be by the Council of the Organization. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connection with service on such committees or missions: - (a) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (c) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign governments on temporary official missions; - (d) inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization and, for the purpose of their communications with the Organization, the right to use codes and to receive papers or correspondence by courier or in sealed bags. - (ii) In connection with"},{"b":"Aanhangsel II: Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigd Naties bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the Food and Agriculture Organization of the United Nations (hereinafter called “the Organization”) the standard clauses shall operate subject to the following provisions: - 1. Article V and section 25, paragraphs 1 and 2 (I) of Article VII shall extend to the Chairman of the Council of the Organization, except that any waiver of the immunity of the Chairman under section 16 shall be by the Council of the Organization. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connection with service on such committees or missions: - (a) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for the Organization; - (c) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (d) inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization. - (ii) In connection with (d) of 2 (i) above, the principle contained in the last sentence of section 12 of the standard clauses shall be applicable. - (iii) Privileges and immunities are granted to the experts in the interests of the Organization and not for the personal benefit of the individuals themselves. The Or"},{"b":"Aanhangsel II: Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (herziening) bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde Organisaties In their application to the Food and Agriculture Organization of the United Nations (hereinafter called “the Organization”) the standard clauses shall operate subject to the following provisions: - 1. Article V and section 25, paragraphs 1 and 2 (I) of Article VII shall extend to the Chairman of the Council of the Organization, except that any waiver of the immunity of the Chairman under section 16 shall be by the Council of the Organization. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connection with service on such committees or missions: - (a) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for the Organization; - (c) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (d) inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization. - (ii) In connection with (d) of 2 (i) above, the principle contained in the last sentence of section 12 of the standard clauses shall be applicable. - (iii) Privileges and immunities are granted to the experts in the interests of the Organization and not for the personal benefit of the individuals t"},{"b":"Aanhangsel III: Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The standard clauses shall operate in respect to the International Civil Aviation Organization (hereinafter called “the Organization”) subject to the following provisions: - 1. The privileges, immunities, exemptions and facilities referred to in section 21 of the standard clauses shall also be accorded to the President of the Council of the Organization. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions: - (a) Immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) Immunity from legal process of every kind in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (c) The same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (d) Inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization. - (ii) In connexion with (*d*) of 2 above, the principle contained in the last sentence of section 12 of the standard clauses shall be applicable. - (iii) Privileges and immunities are granted to the experts of the Organization in the interests of the Organization and not for the personal benefit of the individuals themselves. The Organization shall have the right and the duty to waive the immunity of any"},{"b":"Aanhangsel IV: Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The standard clauses shall operate in respect to the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (hereinafter called “the Organization”) subject to the following provisions: - 1. Article V and section 25, paragraphs 1 and 2 (I) of Article VII shall extend to the President of the Conference and members of the Executive Board of the Organization, their substitutes and advisers except that any waiver of the immunity of any such person of the Executive Board under section 16, shall be by the Executive Board. - 2. The Deputy Director-General of the Organization, his spouse and minor children shall also enjoy the privileges and immunities, exemptions and facilities accorded to diplomatic envoys in accordance with international law, which Article VI, section 21, of the Convention ensures to the Executive Head of each Specialized Agency. - 3. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions: - (a) Immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) In respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (c) The same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions."},{"b":"Aanhangsel IX: Internationale Vereniging voor Verreberichtgeving bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The standard clauses shall apply without modification except that the International Telecommunications Union shall not claim for itself the enjoyment of privileges treatment with regard to the “Facilities in respect of communications” provided in Article IV, section 11."},{"b":"Aanhangsel V: Internationale Monetaire Fonds bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In its application to the International Monetary Fund (hereinafter called “the Fund”), the Convention (including this Annex) shall operate subject to the following provisions: - 1. Section 32 of the standard clauses shall only apply to differences arising out of the interpretation or application of privileges and immunities which are derived by the Fund solely from this Convention and are not included in those which it can claim under its Articles of Agreement or otherwise. - 2. The provisions of the Convention (including this Annex) do not modify or amend or require the modification or amendment of the Articles of Agreement of the Fund or impair or limit any of the rights, immunities, privileges or exemptions conferred upon the Fund or any of its members, Governors, Executive Directors, Alternates, officers or employees by the Articles of Agreement of the Fund, or by any statute, law or regulation of any member of the Fund or any political subdivision of any such member, or otherwise."},{"b":"Aanhangsel VI: Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In its application to the International Bank for Reconstruction and Development (hereinafter called the Bank), the Convention (including this Annex) shall operate subject to the following provisions: - 1. The following shall be substituted for section 4: „Actions may be brought against the Bank only in a court of competent jurisdiction in the territories of a member of the Bank in which the Bank has an office, has appointed an agent for the purpose of accepting service or notice of process, or has issued or guaranteed securities. No actions shall, however, be brought by members or persons acting for or deriving claims from members. The property and assets of the Bank shall, wheresoever located and by whomsoever held, be immune from all forms of seizure, attachment or execution before the delivery of final judgment against the Bank.” - 2. Section 32 of the standard clauses shall only apply to differences arising out of the interpretation or application of privileges and immunities which are derived by the Bank solely from this Convention and are not included in those which it can claim under its Articles of Agreement or otherwise. - 3. The provisions of the Convention (including this Annex) do not modify or amend or require the modification or amendment of the Articles of Agreement of the Bank or impair or limit any of the rights, immunities, privileges or exemptions conferred upon the Bank or any of its members, Governors, Executive Directors, Alternates, officers or employees by the Articles of Agreement of the Bank or by any statute, law or regulation of any member of the Bank or any political subdivision of any such member, or otherwise."},{"b":"Aanhangsel VII (derde herziening): Wereldgezondheidsorganisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the World Health Organization (hereinafter called “the Organization”) the standard clauses shall operate subject to the following modifications: - 1. Article V and Section 25, paragraphs 1 and 2 (I), of Article VII shall extend to persons designated to serve on the Executive Board of the Organization, their alternates and advisers, except that any waiver of the immunity of any such persons under Section 16 shall be by the Board. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions: - (a) Immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) In respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity from legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (c) The same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign governments on temporary official missions; - (d) Inviolability for all papers and documents; - (e) For the purpose of their communications with the Organization, the right to use codes and to receive papers or correspondence by courier or in sealed bags. - (ii) The privileges and immunities set forth in paragraphs *(b)* and *(e)* above shall be accorded to persons serving on Expert Advisory Panels of the Organization in the exercise of their functions as such. - (iii"},{"b":"Aanhangsel VII: Wereldgezondheidsorganisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the World Health Organization (hereinafter called “the Organization”) the standard clauses shall operate subject to the following modifications: - 1. Article V and section 25, paragraphs 1 and 2 (I) of article VII shall extend to persons designated to serve on the Executive Board of the Organization, their alternates and advisers, except that any waiver of the immunity of any such persons under section 16 shall be by the Board. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions: - (a) Immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) In respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity of legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (c) The same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (d) Inviolability for all papers and documents; - (e) The right to use codes and to receive documents and correspondence by courier or in sealed dispatch bags for their communications with the World Health Organization. - (ii) Privileges and immunities are granted to the experts of the Organization in the interests of the Organization and not for the personal benefit of the individuals themselves. The Organization shall have the right and the d"},{"b":"Aanhangsel VIII: Algemene Post-Unie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The standard clauses shall apply without modification."},{"b":"Aanhangsel XI: Wereld Meteorologische Organisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties The standard clauses shall apply without modification."},{"b":"Aanhangsel XII (herzien): Internationale Maritieme Organisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties Artikel 1 The privileges and immunities, exemptions and facilities referred to in Article VI, Section 21 of the standard clauses shall be accorded to the Secretary-General of the Organization, to the Deputy Secretary-General and to the Secretary of the Maritime Safety Committee, provided that the provisions of this paragraph shall not require the Member in whose territory the Organization has its Headquarters to apply Article VI, Section 21 of the standard clauses to any person who is its national. Artikel 2 a. Experts (other than officials coming within the scope of Article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions; - (i) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (ii) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity from legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of or employed on missions for the Organization; - (iii) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign governments on temporary official missions; - (iv) inviolability for all papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization; - (v) the right to use codes and to receive documents and correspondence by courier or in sealed dispatch bags for their communications with the Inter-Governmental Maritime Consule Organization. In connexion with Section 2(*a*) (iv) and (v) above, the principle co"},{"b":"Aanhangsel XII (tweede herziening): Internationale Maritieme Organisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties Artikel 1 The privileges and immunities, exemptions and facilities referred to in article VI, section 21 of the standard clauses shall be accorded to the Secretary-General of the Organization, to the Deputy Secretary-General, to the Secretary of the Maritime Safety Committee and to the Directors of the Administrative Division, the Technical Co-operation Division, the Legal Affairs and External Relations Division, the Conference Division and the Marine Environment Division, provided that the provisions of this paragraph shall not require the Member in whose territory the Organization has its Headquarters to apply article VI, section 21 of the standard clauses to any person who is its national. If the Organization changes the titles of any of the Director posts at any time, the holders for the time being of such posts shall continue to be accorded the privileges and immunities, exemptions and facilities referred to in this paragraph. Artikel 2 a). Experts (other than officials coming wihtin the scope of article VI) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including time spent on journeys in connection with service on such committees or missions: - (i) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (ii) in respect to words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity from legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of or employed on missions for the Organization; - (iii) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accord"},{"b":"Aanhangsel XIII: Internationale Financierings Maatschappij bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In its application to the International Finance Corporation (hereinafter called “the Corporation”) the Convention (including this annex) shall operate subject to the following provisions: - 1. The following shall be substituted for Section 4: “Actions may be brought against the Corporation only in a court of competent jurisdiction in the territories of a member in which the Corporation has an office, has appointed an agent for the purpose of accepting service or notice of process, or has issued or guaranteed securities. No actions shall, however, be brought by members or persons acting for or deriving claims from members. The property and assets of the Corporation shall, wheresoever located and by whomsoever held, be immune from all forms of seizure, attachment or execution before the delivery of final judgment against the Corporation.” - 2. Paragraph *(b)* of Section 7 of the standard clauses shall apply to the Corporation subject to Article III, Section 5 of the Articles of Agreement of the Corporation. - 3. The Corporation in its discretion may waive any of the privileges and immunities conferred under Article VI of its Articles of Agreement to such extent and upon such conditions as it may determine. - 4. Section 32 of the standard clauses shall only apply to differences arising out of the interpretation or application of privileges and immunities which are derived by the Corporation from this Convention and are not included in those which it can claim under its Articles of Agreement or otherwise. - 5. The provisions of the Convention (including this annex) do not modify or amend or require the modification or amendment of the Articles of Agreement of the Corporation or impair or limit any of the rights, immunities, privileges or exemptions conferred upon the Corporation or any of its members, Governors, Executive"},{"b":"Aanhangsel XIV: Internationale Ontwikkelingsassociatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In its application to the International Development Association (hereinafter called “the Association”) the Convention, including this annex, shall operate subject to the following provisions: - 1. The following shall be substituted for section 4: “Actions may be brought against the Association only in a court of competent jurisdiction in the territories of a member in which the Association has an office, has appointed an agent for the purpose of accepting service or notice of process, or has issued or guaranteed securities. No actions shall, however, be brought by members or persons acting for or deriving claims from members. The property and assets of the Association shall, wheresoever located and by whomsoever held, be immune from all forms of seizure, attachment or execution before the delivery of final judgement against the Association.” - 2. Section 32 of the standard clauses shall only apply to differences arising out of the interpretation or application of privileges and immunities which are derived by the Association from this Convention and are not included in those which it can claim under its Articles of Agreement or otherwise. - 3. The provisions of the Convention (including this annex) do not modify or amend or require the modification or amendment of the Articles of Agreement of the Association or impair or limit any of the rights, immunities, privileges or exemptions conferred upon the Association or any of its members, governors, executive directors, alternates, officers or employees by the Articles of Agreement of the Association, or by any statute, law or regulation of any member of the Association or any political subdivision of any such member, or otherwise."},{"b":"Aanhangsel XV: Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the World Intellectual Property Organization (hereinafter called “the Organization”), the standard clauses shall operate subject to the following modifications: - 1. The privileges, immunities, exemptions and facilities referred to in [article VI, section 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005536&artikel=VI), of the standard clauses shall also be accorded to the Deputy Directors General of the Organization. - 2. - (a) Experts (other than officials coming within the scope of [article VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005536&artikel=VI)) serving on committees of, or performing missions for, the Organization shall be accorded the following privileges and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys in connexion with service on such committees or missions: In connexion with (iv) and (v) above, the principle contained in the last sentence of section 12 of the standard clauses shall be applicable. - (i) Immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (ii) In respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity from legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Organization; - (iii) The same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign Governments on temporary official missions; - (iv) Inviolability for all papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Organization; - (v) For their communications with the Organization, the right to use codes and to receive documents and correspo"},{"b":"Aanhangsel XVI: Internationaal Fonds voor Agrarische Ontwikkeling bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties In their application to the International Fund for Agricultural Development (hereinafter called “the Fund”) the standard clauses shall operate subject to the following provisions: - 1. The privileges, immunities, exemptions and facilities referred toin section 21 of the standard clauses shall also be accorded to any Vice-President of the Fund. - 2. - (i) Experts (other than officials coming within the scope of article VI) serving on committees of, or performing missions for the Fund shall be accorded the following privileges, and immunities so far as is necessary for the effective exercise of their functions, including the time spent on journeys, in connection with service on such committees or missions: - (a) immunity from personal arrest or seizure of their personal baggage; - (b) in respect of words spoken or written or acts done by them in the performance of their official functions, immunity from legal process of every kind, such immunity to continue notwithstanding that the persons concerned are no longer serving on committees of, or employed on missions for, the Fund; - (c) the same facilities in respect of currency and exchange restrictions and in respect of their personal baggage as are accorded to officials of foreign governments on temporary official missions; - (d) inviolability of their papers and documents relating to the work on which they are engaged for the Fund , for the purpose of their communications with the Fund, the right to use codes and to receive papers or correspondence by courier or in sealed bags. - (ii) In connection with (d) of 2(i) above, the principle contained in the last sentence of section 12 of the standard clauses shall be applicable. - (iii) Privileges and immunities are granted to the experts in the interests of the Fund and not for the personal benefit of the individuals"},{"b":"Aankoop effecten met spaarloon Bij circulaire AD97/U869 van 28 november 1997 deelde ik u onder andere mede, dat mij uit een onderzoek dat ik had doen instellen was gebleken, dat de aankoop van effecten met spaarloon binnen de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) mogelijk was en dat de regeling daarvoor niet hoefde te worden aangepast. Naar aanleiding van de genoemde circulaire berichtte de Inspecteur der Belastingen mij dat hij zich niet in deze benadering kon vinden. Hij stelde zich op het standpunt dat zonder wijziging van de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) het ten laste van deze spaarloonregeling kopen van effecten niet geoorloofd is. Om die reden was ik voornemens de regeling in kwestie op dit punt te doen aanpassen. Inmiddels was mij evenwel gebleken dat banken weigerden te voldoen aan verzoeken van deelnemers aan de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) om effecten te mogen aankopen van hun spaarloon. Besloten werd dan ook dit punt op te nemen met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). De NVB stelde dat de effectentransacties in kwestie gecompliceerd en zeer arbeidsintensief zijn. Voorzover er toch behoefte zou bestaan aan deblokkering voor effectenaankoop, zou ieder ministerie voor elk afzonderlijk geval contact moeten opnemen met de betrokken financiële instelling. Dit met als doel afspraken te maken met deze instelling om hen te vrijwaren van aanspraken die samenhangen met het niet naleven van de geldende regels door de betrokkenen. Voor de ministeries zou dit laatste een extra uitvoeringslast (controle) en risico met zich brengen. De werkgever is en blijft als inhoudingsplichtige namelijk verantwoordelijk voor de afdracht van belasting en premies, ook wanneer mocht blijken dat niet overeenkomstig de vigerende (fiscale) regelgeving is gehandeld. Ik ben van mening dat van de werkgevers binnen de sector Rijk nie"},{"b":"Aanmelding staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) Het staatsexamen Nederlands als tweede taal kent twee programma’s: Programma I en Programma II. Elk programma bestaat uit vier onderdelen; lezen, luisteren, spreken en schrijven. De staatsexamencommissie wil er met klem op wijzen dat maximaal 3500 kandidaten per onderdeel het examen af kunnen leggen. Dit aantal is onder andere gebaseerd op het aantal beschikbaar gestelde talenpractica voor het examen spreken. Kandidaten die zich aanmelden nadat het maximum van 3500 voor een onderdeel is bereikt, zullen worden doorverwezen naar het eerstvolgende moment. Met name bij het examen van 4 en 5 juli 2004 dienen kandidaten met deze mogelijkheid rekening te houden. Om het voor de partijen die betrokken zijn bij de organisatie van het staatsexamen mogelijk te maken om op dit maximum te kunnen sturen, heeft de staatsexamencommissie het noodzakelijk geacht om voor beide programma’s te komen tot een andere spreiding van de examenmomenten. De zomer examens van beide programma’s zijn daarbij als uitgangspunt genomen waarna er telkens na 17 weken een volgend examen plaatsvindt. Belanghebbenden, die in oktober 2003 of in het jaar 2004 wensen deel te nemen aan het examen Nederlands als tweede taal ter verkrijging van het diploma van Programma I of II, kunnen vanaf 16 juni 2003 een aanmeldingsformulier aanvragen door te bellen naar de IB-Groep Infolijn: 050 - 599 77 55 of door het aankiezen van de internetsite van de IB-Groep: www.ib-groep.nl Hieronder worden de examendata en uiterste aanmeldingsdata van de examens voor Programma I en II vermeld. Het examen voor de onderdelen lezen en luisteren vindt altijd plaats op vrijdag, de onderdelen spreken en schrijven worden op de zaterdag afgenomen. De datum waarop de staatsexamencommissie de uitslagen vaststelt, is per examen vermeld. Kandidaten kunnen erop rekenen dat zij de uitslagen uiterlijk één week na deze datum ontvangen. Uiterlijk één dag na vaststelling zullen de uitslagen tev"},{"b":"Aanmelding staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) Het staatsexamen Nederlands als tweede taal kent twee programma’s: - Programma I en - Programma II. Elk programma bestaat uit vier onderdelen: - lezen, - luisteren, - spreken en - schrijven. De staatsexamencommissie wil er met klem op wijzen dat maximaal 3500 kandidaten per onderdeel het examen af kunnen leggen. Dit aantal is onder andere gebaseerd op het aantal beschikbaar gestelde talenpractica voor het examen spreken. Kandidaten die zich aanmelden nadat het maximum van 3500 voor een onderdeel is bereikt, zullen worden doorverwezen naar het eerstvolgende moment. Met name bij het examen van *1 en 2 juli 2005* dienen kandidaten met deze mogelijkheid rekening te houden. De zomer examens voor beide programma’s zijn voor de bepaling van de examendata als uitgangspunt genomen. Belanghebbenden, die in oktober 2004 of in het jaar 2005 wensen deel te nemen aan het examen Nederlands als tweede taal ter verkrijging van het diploma van Programma I of II, kunnen vanaf 26 juli 2004 een aanmeldingsformulier aanvragen door te bellen naar: - de IB-Groep Infolijn tel. 050 - 599 77 55 of door het aankiezen van de *”Kiosk button”* op de internetsite van de IB-Groep: *www.ib-groep.nl* Hieronder worden de examendata en uiterste aanmeldingsdata van de examens voor Programma I en II vermeld. Het examen voor de onderdelen lezen en luisteren vindt altijd plaats op vrijdag, de onderdelen spreken en schrijven worden op de zaterdag afgenomen. De datum waarop de staatsexamencommissie de uitslagen vaststelt, is per examen vermeld. Kandidaten kunnen erop rekenen dat zij de uitslagen uiterlijk één week na deze datum ontvangen. Uiterlijk één dag na vaststelling zullen de uitslagen tevens worden gepubliceerd op de internetsite van de IB-Groep: *www.ib-groep.nl* Gegevens uit deze publicatie kunnen alleen worden verkregen met behulp van het examennummer van de kandidaat. Examendata Programma I | Examen | Aanmelden voor | Vaststelling uitslag |"},{"b":"Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijn voor fiscale- en douane delicten Belastingdienst/Caribisch Nederland 2012 1. Inleiding Na de staatkundige wijzigingen per 10 oktober 2010 is de Belastingdienst/Caribisch Nederland (BCN) competent voor de heffing en inning van de BES-belastingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). Gelet op: - – de staatkundige en bestuurlijke inrichting van de BES eilanden; - – het van Nederland afwijkende fiscale stelsel op de BES eilanden; - – het gegeven dat de FIOD de opsporingsdienst is voor de Belastingdienst/Caribisch Nederland, bestaat er aanleiding voor de BCN en het Openbaar Ministerie BES om een richtlijn te formuleren voor het heffingsgebied van de BCN ter zake van het aanmelden, transigeren en vervolgen van strafzaken (ATV-richtlijn). 1.1. Context en uitgangspunten Deze ATV-richtlijn beschrijft hoe de BCN voor de BES-belastingen de aanmeldingen selecteert van mogelijke delicten die in aanmerking komen voor strafrechtelijk onderzoek en de wijze waarop de aanmeldingen vervolgens in overleg met de FIOD en het Openbaar Ministerie BES worden afgehandeld met het oog op strafrechtelijke afdoening. 1.1.1. Inzet strafrecht Alle handhavingsinspanningen zijn gericht op de naleving van wet- en regelgeving en het bevorderen van compliant gedrag. Hiertoe zijn diverse handhavinginstrumenten beschikbaar, waaronder het strafrecht. De inzet van bestuursrecht of strafrecht wordt bepaald aan de hand van de ernst van het delict en de vraag welk instrument het meest efficiënt en effectief is. Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen waarin sprake is van flagrante schendingen van de rechtsorde, waardoor grote schade aan de belangen van burger en staat kunnen ontstaan. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan uitgaa"},{"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995 (BWS 1995) en Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) Geacht college, geacht bestuur, De stichtingskostengrenzen voor (sociale) nieuwbouwwoningen en de hierop betrekking hebbende regelingen worden jaarlijks geactualiseerd. De aanpassingen komen voort uit [artikel 24 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&artikel=24) en uit [artikel 6 van het Besluit locatiegebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425&artikel=6). Daartoe dienen bijgaande MG en Besluit. De in het [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) genoemde stichtingskostengrens wordt ook in de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674) genoemd als koopprijsgrens ([art. 6, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674&artikel=6)). Aanpassing van de [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) grens heeft derhalve ook consequenties voor de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674). In het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) is de categorie sociale woningen opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan € 96.849,-. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2004 dit bedrag te verhogen. Het nieuwe verhoogde bedrag in het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) wordt verhoogd van € 96.849,- naar € 101.449,-. Bij ministeriële regeling zijn de bedragen in de genoemde besluiten aangepast. Een afschrift van deze regeling is bij deze circulaire gevoegd. Met ingang van 2005 zullen het [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en huidige [BLS](https://wetten.overheid.nl"},{"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995 (BWS 1995), Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) en Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) Stichtingskostengrenzen zijn, ook binnen VROM, onderwerp van discussie. Onderdeel van die discussie is voor mij ook nadrukkelijk de vraag of die grenzen substantieel dienen te worden aangepast dan wel te worden afgeschaft. De uitkomst van deze discussie staat op dit moment nog open. De effecten dienen, door de verwevenheid van grenzen in de diverse VROM regelingen, goed onderzocht te worden. Dit proces loopt op dit moment. Omdat deze discussie zorgvuldig gevoerd wordt, en de verwerking daarvan in de onderhavige AMvB's de nodige tijd kost, heb ik in afwachting hiervan besloten de huidige kostengrenzen ook voor 2002 te indexeren met de bouwkostenstijging. In het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) is de categorie woningen in de sociale bouwsector opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan f 192.000. In het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) is eveneens de categorie woningen in de sociale bouwsector opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen niet hoger zijn dan f 192.000. In het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) is sprake van het bouwen van woningen met een gemiddeld stichtingskostenniveau van maximaal f 300.000. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2002 de verschillende bedragen te verhogen. De nieuwe, verhoogde bedragen zijn tevens omgezet in euro's. De omzetting laat het volgende zien: het bedrag in het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) van f 192.000 wordt: € 91.800 en het bedrag in het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) van f 300.000 wo"},{"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995, Besluit locatiegebonden subsidies en Besluit beheer sociale-huursector In het [Besluit woninggebonden subsidies 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) zijn onder andere de categorie woningen in de sociale-bouwsector en de categorie middeldure woningen opgenomen. Voor deze categorieën geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan f 186.000,-, respectievelijk wel hoger zijn dan f 186.000,-. In het [Besluit locatiegebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) zijn de categorie woningen in de sociale-bouwsector en de categorie woningen in de marktsector opgenomen. Voor deze categorieën geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen niet hoger zijn dan f 186.000,-, respectievelijk wel hoger zijn dan f 186.000,-. In het [Besluit beheer sociale-huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) is sprake van het bouwen van woningen met een gemiddeld stichtingskostenniveau van f 265.000,- door of vanwege één of meer toegelaten instellingen of door of vanwege met haar verbonden rechtspersonen. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2001 de verschillende bedragen te wijzigen van f 186.000,- in f 192.000,- en van f 265.000,- in f 274.000,-. Bij ministeriële regeling worden de bedragen in de genoemde besluiten aangepast. Een afschrift van deze regeling is bij deze circulaire gevoegd. Ik verzoek de gemeentebesturen om de in hun gemeente werkzame toegelaten instellingen en overige belanghebbenden te informeren over de inhoud van deze circulaire. De genoemde ministeriële regeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd."},{"b":"Aanpassing Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BZA) Algemeen Zowel op grond van nationale als van internationale ontwikkelingen is de zienswijze doorgedrongen dat omstandigheden, die in verband staan met de zwangerschap en bevalling, niet meer gelijk gesteld kunnen worden met ziekte. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een aanpassing van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BZA), ingaande 1 december 2001 (datum inwerkingtreding Wet arbeid en zorg). Opschorting ontslagtermijn Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in een aantal uitspraken, die betrekking hebben op de ontslagbescherming van werkneemsters tijdens en na de zwangerschap, aangegeven dat noch de perioden van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschapsperiode en verband houdende met de zwangerschap, noch de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, mogenworden meegeteld bij de vaststelling van de ontslagtermijnen. Naar aanleiding van deze uitspraken wordt het [BZA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800) aangepast in die zin dat de in het [BZA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800) opgenomen ontslagtermijn van twee jaar ([artikel 20, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800&artikel=20)) ingeval van ontslag op grond van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt opgeschort als sprake is van zwangerschaps- of bevallingsverlof of van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschapsperiode verband houdende met de zwangerschap. Uiteraard betekent dit dat ook als die periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met een periode van ziekte die niet wordt veroorzaakt door de zwangerschap of de bevalling, de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag worden meegeteld bij de vaststelling van de ontslagtermijn. Perioden van ar"},{"b":"Aanpassing circulaire ex artikel 24, onder b, Paspoortwet betreffende signaleringsprocedure vermoeden misbruik reisdocumenten 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel uw medewerking te vragen om reisdocumenten van personen die het vertrouwen in het reisdocument schaden ex [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24) te kunnen weigeren dan wel vervallen te verklaren. Dit gebeurt door opname van de persoonsgegevens van betrokkene in het Register paspoortsignalering (hierna RPS). Met uw medewerking levert u, als verstrekkende autoriteit, niet alleen een onmisbare bijdrage aan de bestrijding van misbruik van en met reisdocumenten, maar draagt u eveneens actief bij aan het voorkomen van identiteitsfraude in het algemeen. Deze circulaire begint met de criteria voor een signalering op grond van [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24). Vervolgens wordt ingegaan op de signaleringsprocedures en hoe moet worden gehandeld in geval van weigering of vervallenverklaring van een reisdocument als er al sprake is van een bestaande signalering op grond van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. In overeenstemming met de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) omvat het begrip ‘reisdocument’ zowel de Nederlandse reisdocumenten zoals bedoeld in [artikel 2 lid 1, Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2)1Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn: nationaal paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort, reisdocument voor vluchtelingen, reisdocument voor vreemdelingen, nooddocument: laissez-passer of noodpaspoort en andere reisdocumenten, bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen., als de Nederlandse identiteitskaart (NIK) en de vervangende identiteitskaart.2Hoewel de NIK in de Paspoortwet niet langer formeel als reisdocument is opgenomen, is hetgeen bij of krachtens die wet"},{"b":"Aanpassing kostenvergoedingen Eerste- en Tweede-Kamerleden Aanpassing beroepskosten leden Eerste Kamer Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoeding leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=16), voor het jaar 2002 € 1.992,13 op jaarbasis. Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoeding leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=16), voor het jaar 2002 € 4.150,27 op jaarbasis. Aanpassing beroepskosten leden Tweede Kamer Gelet op [artikel 10 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=10) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9), voor het jaar 2002 € 2.091,90 op jaarbasis. Gelet op [artikel 10 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9), voor het jaar 2002 € 4.358,13 op jaarbasis. Aanpassingen verblijfkosten leden Eerste Kamer Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) luiden de bedragen, bedoeld in [artikel 18, tweede en derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=18) op jaarbasis vanaf 1 januari 2002 als volgt: | Reisafstand | Ingevolge art. 18 lid 2 | Ingevolge art. 18 lid 3 | | --- | --- | --- | | 0 km | € 234,- | € 488,- | | 10 km | € 2.339,- | € 4.873,- | | 75 km | € 4.679,- | € 9.74"},{"b":"Aanpassing legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen Hierbij deel ik u, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Grote Steden- en Integratiebeleid mee, dat in verband met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001, onderdeel 2.4, onder a tot en met d (blz. 3 en 4) van de genoemde circulaire met ingang van 1 april 2001 vervangen wordt door de hierna volgende tekst: Voorts is er aanleiding om een vreemdeling behorende tot een van de hierna onder a, b, c of d genoemde categorieën vrij te stellen van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen legalisatie. De reden hiervoor is dat het in deze gevallen onverantwoord is de betrokkene te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Indien er twijfel bestaat omtrent de vraag of de betrokkene behoort tot een van de hierna genoemde categorieën, dient er contact opgenomen te worden met de desbetreffende vreemdelingendienst. a. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000, hetgeen blijkt uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument IV). Hierbij zij aangetekend dat in het geval van naturalisatie van de betrokkene tot Nederlander er niet van uitgegaan mag worden dat de betrokkene door het enkele feit van de naturalisatie nadien niets meer te vrezen heeft van de autoriteiten van het land waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Per geval zal moeten worden bezien of er nog gronden voor bezwaar tegen legalisatie van stukken aanwezig zijn. b. Verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, hetgeen blijkt uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument III). De betrokkene is vrijgesteld van het paspoortvereiste. c. Verblijfsvergunning re"},{"b":"Aanpassing pensioenen en inhoudingen Appa Van verzending circulaires naar publicatie op internet *Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website* *www.politiekeambtsdragers.nl* *. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site:* *https://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss* *. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.* 1. Inleiding De pensioenen van politieke ambtsdragers zijn gebaseerd op de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) (Appa). In het [Besluit pensioen politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034414) (verder: het besluit) wordt de aanpassing van de pensioenen (indexatie) en de hoogte van de bij de pensioenen en inhoudingen te hanteren franchise en het opbouwpercentage geregeld. In *paragraaf 2*wordt het jaarlijkse advies gegeven over hoe een bestuursorgaan de omvang van de benodigde reservering voor Appa-pensioenen en -waardeoverdracht kan berekenen. In *paragraaf 3* wordt benadrukt dat het doorberekenen van kosten van een waardeoverdracht aan een politieke ambtsdrager wettelijk niet is toegestaan. De indexatie van de Appa-pensioenen vindt plaats in overeenstemming met de aanpassing van ABP-pensioenen. In deze jaarlijkse circulaire wordt de aanpassing bekend gemaakt van al ingegane pensioenen (*paragraaf 3*). De ingangsleeftijd voor de voortgezette uitkering in het komende jaar is opgenomen in *paragraaf 4*. Ook worden de in 2019 in aanmerking te nemen inhoudingpercentages bekend gemaakt (*paragraaf 5*). Aldus kunnen de nodige aanpassingen in de salarisadministraties worden doorgevoerd voor de deelnemers in de [Appa](https://wetten.overheid"},{"b":"Aanpassing rekenregels zorgformatie en extra vergoeding materiële instandhouding speciale scholen voor basisonderwijs 1. Inleiding De aanspraak op zorgformatie van sbo’s is geregeld in artikel 122 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). De aanspraak op een extra vergoeding voor materiële instandhouding (m.i.) is geregeld in artikel 115 van de WPO. Op grond van deze artikelen wordt de gezamenlijke sbo’s in een samenwerkingsverband zorgformatie, respectievelijk extra m.i. toegekend voor 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Deze zorgformatie en extra m.i. wordt over de afzonderlijke sbo’s binnen een samenwerkingsverband verdeeld naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op genoemde datum. Met ingang van het schooljaar 2000-2001 zal de rekenregel voor de vaststelling van de wettelijke aanspraak van sbo’s op zorgformatie worden aangepast. De rekenregel voor de extra m.i. zal met ingang van het jaar 2001 worden aangepast. De aanpassing van de rekenregels heeft betrekking op de afrondingen die moeten worden toegepast en kan ten opzichte van de oude rekenregels alleen verschil maken voor sbo’s die tezamen met één of meer andere sbo’s aan hetzelfde samenwerkingsverband deelnemen. Als zich een verschil voordoet is dat doorgaans beperkt tot enkele fre’s (zorgformatie) of enkele tientallen guldens (m.i.) per sbo meer of minder. Tot deze aanpassingen is besloten omdat de nieuwe rekenregels beter aansluiten bij de wettelijk geregelde aanspraak op zorgformatie en m.i. dan de oude rekenregels. De nieuwe rekenregel voor de zorgformatie zal worden opgenomen in het Formatiebesluit WPO. De nieuwe rekenregel voor m.i. zal worden opgenomen in de Programma’s van eisen basisonderwijs voor het jaar 2001. 2. Aanpassing rekenregels zorgformatie en extra m.i. Rekenregel zorgformatie Met ingang van het schooljaar 2000-2001 zal het aantal fre’s zorgformatie dat een sbo in een samenwerkingsverband ontvangt (H)"},{"b":"Aanpassing toelage onregelmatige dienst personenchauffeurs en vergoeding privé-ruimte telewerken I. Inleiding/managementinformatie In artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst wordt binnenkort een derde lid opgenomen waarin is vermeld dat de in eerste lid vermelde vaste toelage van € 113,45 (f 250,-) voor het werken op onregelmatige uren door personenchauffeurs met een volledige arbeidsduur wordt geïndexeerd. Bij circulaire van 27 augustus 2001, nr. AD2001/ U75809, is de uitkomst van die indexering voor de periode van 1 juli 1998 tot en met 1 januari 2001 reeds daaraan aangepast. Thans wordt het, in de genoemde circulaire, laatst geldende bedrag van € 279 aangepast aan de salarisontwikkeling per 1 oktober 2001 en per 1 juli 2002. Artikel 7, vierde lid, van de Raamregeling Telewerken bevat eveneens een indexatie van het bedrag voor vergoeding van de kosten voor gebruik privé-ruimte van € 60 (f 132,22). Ook dit bedrag dient te worden aangepast aan de salarisontwikkeling per 1 oktober 2001 en per 1 juli 2002. II. Besluit personenchauffeurs rijksdienst De vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren voor personenchauffeurs met een volledige arbeidsduur, als bepaald in artikel 7, eerste lid, van het besluit van f 279,00 (= € 126,60) wordt overeenkomstig de algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel per 1 oktober 2001 en 1 juli 2002 als volgt aangepast: | Datum algemene wijziging | percentage indexering | hoogte toelage per die datum | hoogte nabetaling over de desbetreffende periode | | --- | --- | --- | --- | | 01-10-2001 | 3,6% | € 131,16 (= f 289,04) | 1-10-2001 t/m 30-04-2002 = 7 maal € 4,56 = € 31,92 | | 01-07-2002 | 0,5% | € 131,82 | | Aan de hand van het bovenstaande kunt u de individuele aanspraak van iedere personenchauffeur, die op de ingangsdatum van deze circulaire een aanstelling heeft als personenchauffeur, afzonderlijk vaststellen. U kunt het met deze aanspraak corresponderende bedrag reeds voorafgaand aan de"},{"b":"Aanpassing vergoeding materiële instandhouding (MI) basisscholen als gevolg van groei (2003) 1. Inleiding De vergoeding materiële instandhouding (MI) voor het kalenderjaar 2003 wordt berekend op basis van het aantal leerlingen op de reguliere teldatum 1 oktober 2002. Als een school echter op 1 maart 2003 aanzienlijk meer leerlingen heeft dan op 1 oktober 2002, bestaat het recht om de vergoeding voor de materiële instandhouding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 te laten aanpassen. Hiervoor moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden op 1 maart 2003. Bij het opgeven van de leeftijd vande leerlingen op het telformulier dient te worden uitgegaan van de leeftijd van deze leerlingen op 1 oktober 2002. Het telformulier is ten opzichte van het voorgaande schooljaar niet wezenlijk veranderd. Een voorbeeld van het telformulier is te vinden in dit Gele Katern nummer 2/3 van 5 februari 2003 (kenmerk: CFI/IGEG 2003/19283N). Zoals reeds was aangekondigd in het Gele katern van 26 juni 2002 (kenmerk: PO/A 2002/17095) is onlangs [artikel 14, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=14) aangepast (Staatsblad 2002, 632). Hiermee wordt, na het Koninklijk Besluit tot inwerkingtreding, de groeidrempel voor de 1 maarttelling verlaagd. De berekeningswijze om te beoordelen of uw school voldoet aan de nieuwe groeidrempel is hieronder in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0014620) opgenomen. 2. Doelgroep Deze regeling is bedoeld voor basisscholen waarbij op 1 maart 2003 aanzienlijk meer leerlingen daadwerkelijk schoolgaand en ingeschreven zijn dan op 1 oktober 2002. Vanaf het schooljaar 2000 - 2001 is de voorwaarde vervallen dat u in de periode tussen 1 oktober en 1 maart van het lopende schooljaar aanspraak gemaakt moet hebben op verhoging van de personele formatie. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure geschetst die leidt tot een hernieuwde vaststelling van de vergoeding voor materiële instandho"},{"b":"Aanpassing vergoeding materiële instandhouding (MI) basisscholen als gevolg van groei (2004) 1. Inleiding De vergoeding materiële instandhouding (MI) voor het kalenderjaar 2004 wordt berekend op basis van het aantal leerlingen op de reguliere teldatum 1 oktober 2003. Als een school echter op 1 maart 2004 aanzienlijk meer leerlingen heeft dan op 1 oktober 2003, bestaat het recht om de vergoeding voor de materiële instandhouding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 te laten aanpassen. Hiervoor moet de school middels een telformulier het aantal leerlingen op 1 maart 2004 opgeven. Bij het opgeven van de leeftijd van de leerlingen op het telformulier dient te worden uitgegaan van de leeftijd van deze leerlingen op 1 oktober 2003. Het telformulier is ten opzichte van het voorgaande schooljaar niet veranderd en is vastgesteld in het Gele Katern nummer 2/3 van 5 februari 2003 (kenmerk: CFI/GEG 2003/19283N). Met ingang van schooljaar 2002 - 2003 is de groeidrempel voor de 1 maart-telling verlaagd. De berekeningswijze om te beoordelen of uw school voldoet aan de groeidrempel is hieronder in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0016276) opgenomen. 2. Doelgroep Deze regeling is bedoeld voor basisscholen waarbij op 1 maart 2004 aanzienlijk meer leerlingen daadwerkelijk schoolgaand en ingeschreven zijn dan op 1 oktober 2003. Vanaf het schooljaar 2000 - 2001 is de voorwaarde vervallen dat u in de periode tussen 1 oktober en 1 maart van het lopende schooljaar aanspraak gemaakt moet hebben op verhoging van de personele formatie. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure geschetst die leidt tot een hernieuwde vaststelling van de vergoeding voor materiële instandhouding 2004. 3.1. Indienen telformulier Een school heeft recht op toekenning van extra vergoeding voor de materiële instandhouding als het aantal leerlingen op 1 maart 2004 met tenminste 13 leerlingen is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 oktober 2003 verhoogd met 3 procent, welk getal naa"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (1995) I. Samenvatting In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt. Deze bedragen gaan per 1 juli 1995 gelden. II. Aanpassing verrekeningsbedrag inwoning per 1 juli 1995 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 1995 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2) met 5% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 1995 vastgesteld op f 341,00 (was f 325,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 1995 eveneens met 5% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1994 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 5%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, electriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, electrische energie e.d. genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3) worden, overeenkomstig de gebruikelijke systematiek, aangepast a"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (1996) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 1996 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedrag inwoning per 1 juli 1996 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 1996 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel met 4% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 1996 vastgesteld op f 355,00 (was f 341,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 1996 eveneens met 4% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1995 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 4%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, electriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, electrische energie e.d. genoemd in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (1997) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 1997 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 juli 1997 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 1997 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel met 3,6% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 1997 vastgesteld op f 367,00 (was f 355,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 1997 eveneens met 3,6% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1996 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 3,6%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudings-plichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten b"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (1998) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 1998 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 juli 1998 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 1998 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel met 3,1% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 1998 vastgesteld op f. 379,00 (was f 367,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 1998 eveneens met 3,1% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1997 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 3,1%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten b"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (1999) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 1999 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 juli 1999 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 1999 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel met 2,9% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 1999 vastgesteld op f 390,00 (was f 379,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 1999 eveneens met 2,9% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1998 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 2,9%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten bu"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (2000) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 2000 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 juli 2000 In verband met de aanpassing van huren per 1 juli 2000 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel met 2,5% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning per 1 juli 2000 vastgesteld op f 399,00 (was f 390,00). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 2000 eveneens met 2,5% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 1999 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 2,5%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten bu"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (2001) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 augustus 2001 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 augustus 2001 In verband met de aanpassing van huren per 1 augustus 2001 wordt het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2) met 2,5% verhoogd. Hierdoor wordt het betreffende verrekeningsbedrag voor inwoning van f 399,00 per 1 augustus 2001 vastgesteld op f 409,00 (= € 185,60). De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 augustus 2001 eveneens met 2,5% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 augustus 2000 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 2,5%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (2002) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 2002 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voorzover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen inwoning per 1 juli 2002 Omdat er in de sector Rijk geen ambtenaren meer voorkomen waarvoor een inhouding voor verstrekt genot van kost en inwoning geldt, zal in het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel het artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2) komen te vervallen. Vooruitlopend daarop worden de bedragen voor de inhouding van kost en inwoning en het verschuldigde bedrag voor kost bij afwezigheid bevroren. Het maximale verrekeningsbedrag voor het van rijkswege verstrekte genot van inwoning, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2) dat altijd medio het kalenderjaar wordt aangepast, blijft daarom € 185,60. De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 2002 met 2,7% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 2001 gereed zijn gekomen vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, b"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (2003) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 2003 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen huurwaarde dienstwoning per 1 juli 2003 De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 2003 met 3% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 2002 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 3%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3) worden, overeenkomstig de gebruikelijke systematiek, aangepast aan de hand van de prijsontwikkeling in de periode van april 2002 tot april 2003. Dit leidt ertoe dat bedoelde bedragen per 1 juli 2003 als volgt wijzigen: | Verstrekking | huidig bedrag | nieuw bedrag | | --- | --- | --- | | Verwar"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel (2004) I. Inleiding/managementinformatie In deze circulaire worden de verrekeningsbedragen betreffende inwoning, verwarming, energie en water bekendgemaakt, zoals deze per 1 juli 2004 gaan gelden. Voor de ambtenaar voor wie reeds inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel via het IPA-salarissysteem plaatsvinden, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. II. Aanpassing verrekeningsbedragen huurwaarde dienstwoning per 1 juli 2004 De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel, dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 2004 met 3% te worden verhoogd. Woningen welke op of na 1 juli 2003 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 3%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. III. Maximumverrekeningsbedragen verwarming, elektriciteit e.d. De maximumverrekeningsbedragen voor het van rijkswege verstrekte genot van verwarming, elektrische energie e.d. genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3) worden, overeenkomstig de gebruikelijke systematiek, aangepast aan de hand van de prijsontwikkeling in de periode van april 2003 tot april 2004. Dit leidt ertoe dat bedoelde bedragen per 1 juli 2004 als volgt wijzigen: | Verstrekking | huidig bedrag | nieuw bedrag | | --- | --- | --- | | Verwar"},{"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel v.w.b. de maximum verrekeningsbedragen voor verwarming e.d. Inleiding In deze circulaire worden de maximale verrekeningsbedragen voor verwarming, energie en water bekendgemaakt en de huurwaarde voor dienstwoningen, die per 1 juli 2011 van toepassing zijn. Voor de ambtenaar voor wie al inhoudingen op grond van het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) plaatsvinden, worden de wijzigingen automatisch toegepast. Verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2011 met 1,3% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2010 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 1,3%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Maximale bedragen voor verwarming, energie en water De bedragen, die de ambtenaar maximaal verschuldigd is voor het genot van verwarming, energie en leidingwater genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), wijzigen op de gebruikelijke wijze aan de hand van de consumentenprijsindex over de periode van april 2010 tot en met maart 2011. | Verstrekking | Was 1-7-2010 | Wordt 1-7-2011 | | --- | --- | --- | | Ve"},{"b":"Aanpassing wetgeving inzake gemeenschappelijke bepalingen voor hef- en verladingsapparatuur SZW – Uitvoering EEG-richtlijnen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ‘*Richtlijn*’: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake gemeenschappelijke bepalingen voor hef- en verladingsapparatuur (84/528/EEG, PbEG L 300/72); - b. ‘*bijzondere Richtlijn*’: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake liften met elektrische aandrijving (84/529/EEG, PbEG L 300/86); - c. ‘*Liftonderdelen*’: de in bijlage II van de bijzondere Richtlijn genoemde onderdelen voor liften met elektrische aandrijving als bedoeld in artikel 1 van die Richtlijn; - d. ‘*EEG-typeonderzoek*’ *en* ‘*EEG-controle*’: hetgeen de Richtlijn en de bijzondere Richtlijn daaronder verstaan; - e. ‘*het Liftinstituut*’: De Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut), genoemd in artikel 2. Artikel 2 1. Als instantie, belast met het verrichten van het EEG-typeonderzoek en van de EEG-controle met betrekking tot liftonderdelene alsmede van de daarmee samenhangende werkzaamheden, wordt aangewezen de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut), Buikslotermeerplein 381, 1025 XE Amsterdam. 2. Het Liftinstituut mag proeven, welke een onderdeel vormen van het EEG-typeonderzoek en van de EEG-controle, door anderen laten verrichten, indien deze voldoen aan het bepaalde in de punten 2, 3, 4 en 7 van bijlage II van de Richtlijn. Het Liftinstituut behoeft hiervoor de instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3 1. Het Liftinstituut gaat eerst over tot het verrichten van het EEG-typeonderzoek nadat een aanvraag daartoe bij het Liftinstituut is ingediend door de fabrikant of diens binnen de Europese Economische Gemeenschap, of in een"},{"b":"Aanpassingsregeling Tijdelijke regeling invoering Wet op het financieel toezicht Artikel I *Wijzigt de Tijdelijke regeling invoering Wet op het financieel toezicht.* Artikel II Indien het bij Koninklijke boodschap van 22 december 2005 ingediende voorstel van wet houdende regels tot uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (Kamerstukken II 2005/06, 30 419, nr. 2) tot wet wordt verheven, dient in de definitie van personen waarmee in onderling overleg wordt gehandeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) de zinsnede ‘natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008369&artikel=1) te worden gelezen als: natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen als bedoeld in [artikel 5:33, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007."},{"b":"Aanpassingsregeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van (datum) 2010, nr. 153989 houdende regels ter uitvoering van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES (Regeling uitvoering Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES) Artikel 1 De invoer in het vrije verkeer van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=I&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stoffen of bestrijdingsmiddelen is verboden. Artikel 2 Het is verboden in een openbaar lichaam de in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=II&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stoffen of bestrijdingsmiddelen te kopen of te gebruiken, tenzij daartoe vergunning is verleend door het desbetreffende bestuurscollege van dat openbaar lichaam. Artikel 3 1. Het is verboden een in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=I&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stof of bestrijdingsmiddel aan te prijzen. 2. Het is verboden een in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=II&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stof of bestrijdingsmiddel aan te prijzen zonder daarbij te vermelden dat voor de aankoop en het gebruik van het betrokken bestrijdingsmiddel een vergunning van het bestuurscollege is vereist. Artikel 4 De Rijksdienst Caribisch Nederland wordt aangewezen als bevoegde instantie, bedoeld in [artikel 2 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=2). Artikel 5 De Uitvoeringsregeling Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES wordt ingetrokken. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES. Artikel 7 Deze regeling treedt in werking met ingang van 10 oktober 2010. Indien deze regeling nadien wordt gepubliceerd, treedt zij in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij"},{"b":"Aanvraagprocedure diploma-erkenning derde leerweg voor bekostigde en niet-bekostigde instellingen Deel I. Algemene informatie aanvragen diploma-erkenning derde leerweg (Overig Onderwijs) 1. Algemeen 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van diploma-erkenning derde leerweg voor alle instellingen. Voor de bekostigde instellingen geldt dat de beroepsopleiding in deze leerweg niet voor bekostiging in aanmerking komt. De aanvraag geldt ook als aanmelding van de diploma-erkenning van de betreffende opleiding(en) voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Aanvragen kunnen gedurende het hele jaar worden ingediend. Met ingang van 1 augustus 2013 is [artikel I, onderdeel C, onder 2, van de Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033655&artikel=I) in werking getreden (Koninklijk Besluit van 19 juli 2013, nr. 305). Met dit artikel wordt, naast de beroepsopleidende (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl), in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) (Web) de mogelijkheid opgenomen om een opleiding in een nieuwe variant aan te bieden, de zogenaamde derde leerweg. Voor deze leerweg dient afzonderlijk diploma-erkenning aangevraagd te worden. Concreet houdt voornoemde wetswijziging in dat er een nieuw lid toegevoegd is aan [artikel 1.4.1 van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1), dat als volgt luidt: - 1a. *Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding artikel 7.2.2, tweede lid, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs artikel 7.2.7, eerste lid, niet in acht behoeft te"},{"b":"Aanvraagprocedure exameninstellingen betreffende recht op examinering mbo Deel I. Algemeen 1. Recht op examinering 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding door een exameninstelling. Deze aanvraag geldt ook als aanmelding voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Met het recht op examinering kan een exameninstelling in opdracht van een onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor examinering voor de betreffende beroepsopleiding op zich nemen. Er is dan sprake van uitbesteding, waarbij de onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor de examinering van de opleiding volledig heeft overgedragen aan de exameninstelling. Met ingang van 1 augustus 2012 is de wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) betreffende de beroepsgerichte kwalificatiedossiers in werking getreden en worden opleidingen volgens de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (BKS) verzorgd. Het criterium voor het verlenen van het recht tot examinering is de borging van voldoende examenkwaliteit van die opleidingen. Dit wordt afgemeten aan de vernieuwde standaarden voor examenkwaliteit (zie [Regeling standaarden examenkwaliteit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030427)). De beroepsgerichte kwalificatiedossiers en de indeling van de dossiers in opleidingsdomeinen zijn gepubliceerd in de ‘[Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031310)’, te vinden via de link http://wettenoverheid.nl ). Indien er nieuwe dossiers en/of aanpassingen aan bestaande dossiers zijn, zullen deze bekendgemaakt worden. 1.2. Twee verschillende aanvraagprocedures [Artikel 1.6.1 van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.6.1) stelt de voorwaarde dat de instelling in het geval van het verkrijgen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding voor de desbetreffende ople"},{"b":"Aanvraagprocedure exameninstellingen betreffende recht op examinering mbo 2015 Deel I. Algemeen 1. Recht op examinering 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding door een exameninstelling. Deze aanvraag geldt ook als aanmelding voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Met het recht op examinering kan een exameninstelling in opdracht van een onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor examinering voor de betreffende beroepsopleiding op zich nemen. Er is dan sprake van uitbesteding, waarbij de onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor de examinering van de opleiding volledig heeft overgedragen aan de exameninstelling. De wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de herziening van de kwalificatiestructuur is in voorbereiding. De verwachte inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2016 (onder voorbehoud van aanvaarding van het wetsvoorstel in de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal). Dit houdt in dat met ingang van 1 augustus 2016 opleidingen op basis van de herziene kwalificatiedossiers aangeboden moeten worden, aangevuld met verplichte keuzedelen. De herziene kwalificatiedossiers krijgen zelfstandige crebocodes. De keuzedelen worden pas na inwerkingtreding van de wetswijziging vastgesteld. Vooruitlopend op voornoemde wetswijziging is op 27 februari 2015 de [Regeling vaststelling kwalificatiedossiers 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036352) in de Staatscourant geplaatst, te vinden via de link http://wetten.overheid.nl. Deze kwalificatiedossiers zijn op vrijwillige basis geldig voor de cohorten vanaf 1 augustus 2015. Het criterium voor het verlenen van het recht tot examinering is de borging van voldoende examenkwaliteit van die opleidingen. Dit wordt afgemeten aan de standaarden voor examenkwaliteit (zie [Regeling standaarden examenkwaliteit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"b":"Aanvullend (vrijwillig) pensioen voor leden van het Europees Parlement 1. Inleiding Leden van het Europees Parlement (hierna: EP) hebben de mogelijkheid deel te nemen aan de ‘Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds’ voor leden van het EP. Deze regeling staat los van het pensioenrecht dat Nederlandse leden van het EP reeds hebben op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Regelmatig bereiken mij vragen over de fiscale behandeling van het recht op uitkeringen en van de uitkeringen zelf. Om hierover duidelijkheid te verschaffen en de eenheid van uitvoering te waarborgen, geef ik in dit besluit een overzicht van de fiscale aspecten van de Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds (hierna: de Regeling). Voor de goede orde merk ik nog op dat het beoordelen van de fiscale gevolgen van de Regeling onderscheid moet worden gemaakt tussen het recht op uitkeringen (de aanspraak), uitgewerkt in onderdeel 4.1 en 4.2, en de uitkeringen zelf die in de toekomst zullen gaan vloeien, uitgewerkt in onderdeel 4.3 van dit besluit. 2. Inhoud van de Regeling Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling hebben leden die ten minste drie jaar de vrijwillige pensioenbijdrage hebben betaald na ambtsbeëindiging tot aan hun overlijden recht op pensioen ingaande op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop zij de 60-jarige leeftijd hebben bereikt. De pensioenbijdrage (hierna: premie) komt voor 1/3 deel ten laste van het parlementslid. Ik leid uit deze bepaling af dat gedurende de eerste drie jaren van deelname en premiebetaling een voorwaardelijk recht op uitkering bestaat. Pas als is voldaan aan de voorwaarde van drie jaar premiebetaling, ontstaat een onvoorwaardelijk recht (aanspraak). Tussentijdse beëindiging Europarlementariërs die hun deelname aan de Regeling tijdens hun ambtsperiode beëindigen, hebben recht op terugbetaling van de premies die zij zelf hebben betaald. De premies die het EP voor hen heeft voldaan, vlo"},{"b":"Aanvullend Accoord ter uitvoering van het Verdrag, ondertekend op 7 november 1949, betreffende sociale en medische bijstand verleend door de landen welke Partij zijn bij het Verdrag van Brussel Article 1 *Vervallen* Article 2 *Vervallen* Article 3 *Vervallen* Article 4 *Vervallen* Article 5 *Vervallen* Article 6 *Vervallen* Article 7 *Vervallen* Article 8 *Vervallen* Article 9 *Vervallen* Article 10 *Vervallen* Article 11 *Vervallen* Article 12 *Vervallen* Article 13 *Vervallen* Article 14 *Vervallen* Article 15 *Vervallen* Article 16 *Vervallen* Article 17 *Vervallen* Article 18 *Vervallen* Article 19 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Akkoord bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966 *De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Turkije zijn de onderstaande wijzigingen overeengekomen in de tekst van het op 6 januari 2000 te Ankara ondertekende Verdrag overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966:* Artikel 1 *Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966; Ankara, 6 januari 2000.* Artikel 2 *Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966; Ankara, 6 januari 2000.* Artikel 3 De Partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van hun onderscheiden procedures voor de goedkeuring van dit Aanvullend Akkoord. Artikel 4 Dit Aanvullend Akkoord treedt in werking op dezelfde datum als het op 6 januari 2000 te Ankara ondertekende [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Eur"},{"b":"Aanvullend Akkoord ter toepassing van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid *The member States of the Council of Europe, signatory to the European Convention on Social Security and to this Supplementary Agreement, Considering that by the terms of Article 80, paragraph 1, of the European Convention on Social Security, the application of that Convention is governed by a Supplementary Agreement, Have agreed as follows:* TITLE I. General provisions Article 1 For the purposes of this Supplementary Agreement: - (a) the term “Convention” means the [European Convention on Social Security](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473); - (b) the term “Agreement” means the Supplementary Agreement for the application of the Convention; - (c) the term “Committee” means the Committee of Experts on Social Security of the Council of Europe or such other committee as the Committee of Ministers of the Council of Europe may designate to carry out the duties mentioned in Article 2 of this Agreement; - (d) the term “seasonal worker” means a worker who moves to the territory of a Contracting Party other than that of his residence for the purpose of carrying out, for an undertaking or employer of that Party, work of a seasonal nature for a period not longer than eight months, and who temporarily resides in the territory of that Party for the duration of such work; work of a seasonal nature means work which is dependent on the cycle of the seasons and is automatically repeated each year; the status of a seasonal worker is proved by the production of a contract of employment endorsed by the Employment Service of the Contracting Party whose territory the seasonal worker enters to follow his occupation, or of a document endorsed by that Service, attesting to his seasonal employment in that territory; - (e) the terms defined in [Article 1 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473&artikel=1) have the meanings given them in that Article. Article 2 1. Models o"},{"b":"Aanvullend besluit bij de Organisatieregeling dienstonderdelen OM Artikel 1. (Landelijke dienst) Het bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) is een landelijke dienst, die ressorteert onder het College van procureurs-generaal. Artikel 2. (Bureau verkeershandhaving openbaar ministerie) 1. Het Bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) is gevestigd te Soesterberg. 2. Het BVOM heeft met betrekking tot de verkeershandhaving tot taak: - a) het verlenen van ondersteuning aan de portefeuillehouder van het College van procureurs-generaal; - b) het bieden van expertise aan het openbaar ministerie en politieonderdelen; - c) het uitoefenen van het gezagsmandaat over de divisie Mobiliteit van het Korps Landelijke Politiediensten; - d) het uitvoeren van projectmanagement, in de vorm van het opzetten en coördineren van regionale plannen voor verkeershandhaving; - e) het afhandelen van beroepen inzake de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften, voorzover voortkomend uit de Klimaatnota; - f) overige ter zake door het College op te dragen taken. 3. Aan het hoofd van het BVOM staat een officier van justitie met de titel hoofd van het BVOM, die ondergeschikt is aan het College van procureurs-generaal. 4. Het hoofd van het BVOM is belast met de dagelijkse leiding van het BVOM. 5. Het hoofd van het BVOM maakt schriftelijke afspraken met de directeur arrondissementale stafdienst in het arrondissement Utrecht over de door de arrondissementale stafdienst te verlenen facilitaire ondersteuning. 6. Het hoofd van het BVOM maakt schriftelijke afspraken met het College van procureurs-generaal over de ter beschikking te stellen middelen en het leveren van de daaraan te koppelen prestaties van het BVOM. 7. Het hoofd van het BVOM is verantwoordelijk voor de werkzaamheden die voortvloeien uit de portefeuille Voertuigcriminaliteit. Artikel 3. (Publicatie) Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Artikel 4. (Inwerkingtreding) Dit besluit tr"},{"b":"Aanvullend Protocol betreffende de toetreding van Nederland tot de wijzigingen, welke door het Verdrag van Versailles zijn aangebracht in de Conventie van Mannheim van 1868 *En présence des différences d'opinion sur l'interprétation à donner aux stipulations concernant les Résolutions de la Commission Centrale pour la Navigation du Rhin, et dans le but d'assurer pratiquement le fonctionnement de cette Commission en attendant que l'Acte révisé prévu par l'Art. 354 du Traité de Versailles ait été mis en vigueur, les Délégués des Gouvernements de Belgique, de France, de Grande-Bretagne, d'Italie et des Pays-Bas soussignés se sont mis d'accord pour appliquer lesdites stipulations de la manière suivante:* Les Résolutions de la Commission Centrale pour la Navigation du Rhin sont prises à la majorité des voix. Aucun Etat n'est tenu d'assurer l'exécution de celles de ces Résolutions auxquelles il refuserait son approbation. La présente conclusion sera considérée comme faisant partie intégrante du Protocole signé à Paris le 21 janvier 1921. Fait à Paris, le vingt-neuf mars 1923, en six exemplaires."},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, Verlangende aan het Benelux-Gerechtshof bevoegdheid te verlenen opdat de gelijkheid zal worden verzekerd bij de toepassing van de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij deze Overeenkomst en het Protocol van Ondertekening, ondertekend te Luxemburg op 24 mei 1966, Hebben besloten hiertoe een Aanvullend Protocol bij genoemde Overeenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:* Artikel 1 1. Als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de [Hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=IV) en [V van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=V) worden aangewezen de bepalingen van de [Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/BWBV0004166), van de [Bijlage bij die Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/BWBV0004166) en van het [Protocol van Ondertekening](https://wetten.overheid.nl/BWBV0004166), voor zover, wat betreft de bepalingen van de Bijlage, de inhoud daarvan is opgenomen in de wetgeving van de Staat, waarin de vraag van uitleg is gerezen. 2. Indien een der landen heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot afwijking van een van de [Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/BWBV0004166), kan het Comité van Ministers, in"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie AFDELING I VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN Artikel 1 *Vervallen* HET VERSTRIJKEN VAN HET EGKS-VERDRAG Artikel 2 *Vervallen* AFDELING II LANDBOUWPRODUCTEN Artikel 3 *Vervallen* AFDELING III OORSPRONGSREGELS Artikel 4 *Vervallen* Afdeling IV. ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE Artikel 5 *Vervallen* Afdeling V. OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 6. Bewijs van oorsprong en administratieve samenwerking *Vervallen* Artikel 7. Goederen die onderweg zijn of zich in voorlopige opslag bevinden *Vervallen* Afdeling VI. ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie AFDELING I OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN Artikel 1 *Vervallen* HET VERSTRIJKEN VAN HET EGKS-VERDRAG Artikel 2 *Vervallen* AFDELING II. LANDBOUWPRODUCTEN Artikel 3. Basislandbouwproducten *Vervallen* AFDELING III. OORSPRONGSREGELS Artikel 4 *Vervallen* AFDELING IV. Economische en monetaire unie Artikel 5 *Vervallen* AFDELING V. OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 6. Bewijs van oorsprong en administratieve samenwerking *Vervallen* Artikel 7. Goederen die onderweg zijn of zich in voorlopige opslag bevinden *Vervallen* AFDELING VI. ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten *The Council of Europe member States signatory to this Protocol to the European Outline Convention on Transfrontier Co-operation between Territorial Communities or Authorities (hereinafter referred to as “the Outline Convention”), Affirming the importance of transfrontier co-operation between territorial communities or authorities in border areas; Being resolved to take further measures to secure transfrontier co-operation between territorial communities or authorities; Wishing to facilitate and develop transfrontier co-operation between territorial communities or authorities situated in border areas; Acknowledging the need to adapt the Outline Convention to the actual situation in Europe; Considering that it would be appropriate to supplement the Outline Convention with a view to reinforcing transfrontier co-operation between territorial communities or authorities; Having regard to the European Charter of Local Self-Government; Bearing in mind the Declaration on transfrontier co-operation in Europe which the Committee of Ministers made on the occasion of the 40th anniversary of the Council of Europe and which, among other things, called for continued action in order to gradually remove barriers of any kind — administrative, legal, political or psychological – to curb the development of transfrontier projects, Have agreed the following additional provisions:* Article 1 1. Each Contracting Party shall recognise and respect the right of territorial communities or authorities under its jurisdiction and referred to in [Articles 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011&artikel=1) and [2 of the Outline Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011&artikel=2) to conclude transfrontier co-operation agreements with territorial communities or authorities of other States in equivalent fields of responsibility,"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van geneesmiddelen van menselijke oorsprong *The member States of the Council of Europe, Contracting Parties to the European Agreement of 15 December 1958 on the exchange of therapeutic substances of human origin (hereinafter called \"the Agreement\"), Having regard to the provisions of Article 5, paragraph 1, of the Agreement, according to which \"The Contracting Parties shall take all necessary measures to exempt from all import duties the therapeutic substances of human origin placed at their disposal by the other Parties\"; Considering that so far as the member States of the European Economic Community are concerned, the undertaking to grant this exemption falls within the competence of the Community, which possesses the necessary powers in this respect by virtue of the treaty which instituted it; Considering therefore that for the purpose of the implementation of Article 5, paragraph 1, of the Agreement, it is necessary for the European Economic Community to be able to become a Contracting Party to the Agreement, Have agreed as follows:* Article 1 The European Economic Community may become a Contracting Party to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005318) by signing it. In respect of the Community, the Agreement shall enter into force on the first day of the month following such signature. Article 2 1. This Additional Protocol shall be open for acceptance by the Contracting Parties to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005318). It shall enter into force on the first day of the month following the date on which the last of the Contracting Parties has deposited its instrument of acceptance with the Secretary General of the Council of Europe. 2. However, this Additional Protocol shall enter into force on the expiration of a period of two years from the date on which it has been opened for acceptance, unless one of the Contracting Parties has notified"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van testsera voor bloedgroeponderzoek *The member States of the Council of Europe, Contracting Parties to the European Agreement of 14 May 1962 on the exchanges of blood-grouping reagents (hereinafter called \"the Agreement\"), Having regard to the provisions of Article 5, paragraph 1, of the Agreement, according to which \"The Contracting Parties shall take all necessary measures to exempt from all import duties the blood-grouping reagents placed at their disposal by the other Parties\"; Considering that so far as the member States of the European Economic Community are concerned, the undertaking to grant this exemption falls within the competence of the Community, which possesses the necessary powers in this respect by virtue of the Treaty which instituted it; Considering therefore that for the purpose of the implementation of Article 5, paragraph 1, of the Agreement, it is necessary for the European Economic Community to be able to become a Contracting Party to the Agreement, Have agreed as follows:* Article 1 The European Economic Community may become a Contracting Party to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573) by signing it. In respect of the Community, the Agreement shall enter into force on the first day of the month following such signature. Article 2 1. This Additional Protocol shall be open for acceptance by the Contracting Parties to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573). It shall enter into force on the first day of the month following the date on which the last of the Contracting Parties has deposited its instrument of acceptance with the Secretary General of the Council of Europe. 2. However, this Additional Protocol shall enter into force on the expiration of a period of two years from the date on which it has been opened for acceptance, unless one of the Contracting Parties has notified an objection to the entry into force. I"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer *The member States of the Council of Europe, signatory to this Additional Protocol, Having regard to the European Convention for the protection of animals during international transport, hereinafter called the “Convention”, which was opened to signature in Paris on 13 December 1968 by the member States of the Council of Europe and includes common provisions designed to safeguard animals in transport from suffering; Considering that in view of the competences it possesses in the matters covered by the said Convention, the European Economic Community should be able to be a Contracting Party to this instrument. Have agreed als follows:* Article 1 *Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968.* Article 2 *Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968.* Article 3 *Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968.* Article 4 1. This Additional Protocol is open to signature by the member States of the Council of Europe which have signed the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567), which may become Contracting Parties to this Additional Protocol by: - a. signature without reservation in respect of ratification, acceptance or approval, followed by ratification, acceptance or approval. - b. signature with reservation in respect of ratification, acceptance or approval, followed by ratification, acceptance or approval. 2. States which have acceded to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567) may also accede to this Additional Protocol. 3. Instruments of ratification, acceptance, approval or accession shall be deposited with the Secretary General of the Council of Europe. Article 5 This Additional"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten *The member States of the Council of Europe, signatory to the present Protocol, Having taken note of the European Convention on State Immunity hereinafter referred to as “the Convention” - and in particular Articles 21 and 34 thereof; Desiring to develop the work of harmonisation in the field covered by the Convention by the addition of provisions concerning a European procedure for the settlement of disputes, Have agreed as follows:* PART I Article 1 1. Where a judgment has been given against a State Party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721) and that State does not give effect thereto, the party which seeks to invoke the judgment shall be entitled to have determined the question whether effect should be given to the judgment in conformity with [Article 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=20) or [Article 25 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=25), by instituting proceedings before either: - (a) the competent court of that State in application of [Article 21 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=21); or - (b) the European Tribunal constituted in conformity with the provisions of Part III of the present Protocol, provided that that State is a Party to the present Protocol and has not made the declaration referred to in Part IV thereof. The choice between these two possibilities shall be final. 2. If the State intends to institute proceedings before its court in accordance with the provisions of [paragraph 1 of Article 21 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=21), it must give notice of its intention to do so to the party in whose favour the judgment has been given; the State may thereafter institute such proceedings only if the party has not, within three months of receiving notice, instituted proceedings before the Europ"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de uitwisseling van reagentia voor weefseltypering *The member States of the Council of Europe signatory to the European Agreement on the Exchange of Tissue-typing Reagents (hereafter called the “Agreement”) and to this Additional Protocol, Having regard to the provisions of Article 5, paragraph 1 of the Agreement, according to which “the Contracting Parties shall take all necessary measures to exempt from all import duties the tissue-typing reagents placed at their disposal by the other Parties”; Considering that so far as the member States of the European Economic Community are concerned, the undertaking to grant this exemption falls within the competence of the Community, which possesses the necessary powers in this respect by virtue of the Treaty which instituted it; Considering therefore that for the purpose of the implementation of Article 5, paragraph 1 of the Agreement, it is necessary for the European Economic Community to be able to become a Contracting Party to the Agreement, Have agreed as follows:* Article 1 The European Economic Community may become a Contracting Party to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) by signing it. Article 2 This Additional Protocol shall be open to signature by the States signatory to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016), which may become Parties to the Additional Protocol in accordance with the procedure laid down in [Article 7 of the Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016&artikel=7). Article 3 No State may become a Contracting Party to the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) without at the same time becoming a Contracting Party to this Additional Protocol, which forms an integral part of the Agreement. Article 4 This Additional Protocol shall enter into force on the same date as the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016). Article 5 The Secretary Gen"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht *The member States of the Council of Europe, signatory hereto, Having regard to the provisions of the European Convention on Information on Foreign Law, opened for signature in London on 7 June 1968 (hereinafter referred to as “the Convention”); Considering that it is desirable to extend the system of international mutual assistance established by that Convention in the field of criminal law and procedure, in a multilateral framework open to all the Contracting Parties to the Convention; Considering that, with a view to eliminating economic obstacles to legal proceedings and permitting persons in an economically weak position more easily to exercise their rights in member States, it is also desirable to extend the system established by the Convention to the field of legal aid and advice in civil and commercial matters; Noting that Article 1, paragraph 2, of the Convention provides that two or more Contracting Parties may decide to extend as between themselves the scope of the Convention to fields other than those referred to in the Convention; Noting that Article 3, paragraph 3, of the Convention provides that two or more Contracting Parties may decide to extend as between themselves the Convention to requests from authorities other than judicial authorities, Have agreed as follows:* CHAPTER I Article 1 The Contracting Parties undertake to supply one another, in accordance with the provisions of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004561), with information on their substantive and procedural law and judicial organisation in the criminal field, including prosecuting authorities, as well as on the law concerning the enforcement of penal measures. This undertaking applies to all proceedings in respect of offences the prosecution of which, at the time of the request for information, falls within the jurisdiction of the judicial authoritie"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Handelsovereenkomst ondertekend op 2 juni 1960 te Madrid, tussen de Benelux Economische Unie, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds *Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas, et Le Gouvernement du Royaume de Belgique, tant en son nom, qu'au nom du Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg, en vertu d'accords existants, Ces Gouvernements agissant en commun en vertu du Traité instituant l'Union économique, conclu entre eux le 3 février 1958, d'une part, et Le Gouvernement de l'Etat Espagnol, d'autre part A la suite de la réunion à Bruxelles du 5 au 20 avril 1961 de la Commission Mixte prévue à l'article VI de l'Accord commercial entre l'Union Economique Benelux d'une part et l'Etat Espagnol d'autre part, signé le 2 juin 1960, Sont convenus des dispositions suivantes:* Article I *Wijzigt de Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds; Madrid, 2 juni 1960.* Article II *Wijzigt de Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds; Madrid, 2 juni 1960.* Article III La liste A annexée à l'Accord commercial concernant les exportations de produits espagnols vers les Pays-Bas est supprimée, tous les produits y figurant ayant été libérés à l'exception du contingent numéro 8 (raisins). Les Autorités compétentes du Royaume des Pays-Bas autorisent l'importation de raisins espagnols, à concurrence d'une valeur de $ U.S. 25.000. Article IV Lorsque les obligations découlant du Traité instituant la Communauté Economique Européenne et relatives à l'instauration progressive d'une politique commerciale commune le rendront nécessaire, des négociations seront ouvertes dans le plus bref délai possible afin d'apporter au présent accord toutes modifications utiles. La même procédure sera appliquée lorsque les obligations qui pourraient découler"},{"b":"Aanvullend protocol bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, hierna de „Europese Unie” of de „EU” genoemd, enerzijds, en de Republiek Colombia, hierna „Colombia” genoemd, en de Republiek Peru, hierna „Peru” genoemd, hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende Andeslanden” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Overwegende dat de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, hierna „de Overeenkomst” genoemd, op 26 juni 2012 te Brussel is ondertekend en dat een aantal van haar bepalingen voorlopig zijn toegepast op grond van artikel 330 ervan, tussen de Europese Unie en Peru sinds 1 maart 2013 en tussen de Europese Unie en Colombia sinds 1 augustus 2013; Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië (hierna „Kroatië” genoemd) tot de Europese Unie (hierna het „Toetredingsverdrag” genoemd) op 9 december 201"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Herziene Rijnvaartakte ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868 *De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat, Overwegende: - dat bepaalde moeilijkheden zijn gerezen met betrekking tot de toepassing en de uitlegging van enkele artikelen van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868, zoals deze op 20 november 1963 is gewijzigd (hierna te noemen „de Akte”) - dat het op 18 september 1895 te Mannheim ondertekende Aanvullend Protocol bij de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 niet meer volledig rekening houdt met de ontwikkeling van het stelsel van sancties in de onderscheiden Verdragsluitende Staten en dat het bijgevolg dient te worden aangepast aan de nieuwe omstandigheden, met name door het daarbij mogelijk te maken om door tussenkomst van de administratieve autoriteiten sancties op te leggen terzake van overtredingen van de in gemeen overleg uitgevaardigde politievoorschriften voor de scheepvaart, zijn als volgt overeengekomen:* Artikel I 1. Elke Verdragsluitende Staat draagt er zorg voor dat de sancties terzake van de in [artikel 32 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=32) bedoelde overtredingen worden opgelegd: - a) hetzij middels de in de [artikelen 32 tot en met 40 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=32) voorziene procedure; - b) hetzij middels een bijzondere gerechtelijke procedure of een passende administratieve procedure. 2. De Verdragsluitende Staat die gebruik maakt van de in het eerste lid onder b bedoelde mogelijkheden dient erin te voorzien: - a) dat bevoegd is de autoriteit binnen wier rechtsgebied de overtreding is gepleegd; - b) dat de beslissingen tot afdoening slechts boeten inhouden binnen de in [artikel 32 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=32) vastgestelde grenzen; -"},{"b":"Aanvullend protocol bij de Kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Mongolië, hierna „Mongolië” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna „de partijen” genoemd, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013, Overwegende dat de kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds, hierna „de overeenkomst” genoemd, op 30 april 2013 in Ulaanbaatar is ondertekend, Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd, op 9 december 2011 in Brussel is ondertekend, Overwegende dat overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de toetredingsakte van de Republiek Kroatië, haar toetreding bij de overeenkomst wordt goedgekeurd door de sluiting van een protocol bij de overeenkomst; Zijn het volgende overeengekomen:* Art"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije *Preambule Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en De President van de Republiek Turkije, anderzijds, Overwegende dat de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije na de voorbereidende fase een overgangsfase van de Associatie voorschrijft, Vaststellende dat de voorbereidende fase in hoge mate en in overeenstemming met de doelstellingen van de Associatieovereenkomst heeft bijgedragen tot het versterken van de economische betrekkingen in het algemeen, en tot de uitbreiding van het handelsverkeer in het bijzonder, tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Van oordeel zijnde dat de voorwaarden voor de overgang van de voorbereide2)[Red: Lees: voorbereidende.]fase naar de overgangsfase zijn vervuld, Vastbesloten de bepalingen betreffende de voorwaarden, de wijze en het ritme van de verwezenlijking van deze overgangsfase vast te stellen in de vorm van een Aanvullend Protocol, Overwegende dat gedurende de overgangsfase de Overeenkomstsluitende Partijen op de grondslag van wederkerige en tegen elkaar opwegende verplichtingen zorg dragen voor het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie tussen Turkije en de Gemeenschap alsmede voor het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap, ten einde de goede werking van de Associatie en de ontwikkeling van de hiertoe benodigde gemeenschappelijke maatregelen te verzekeren, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen:"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de op 4 september 1958 te Istanbul ondertekende Overeenkomst inzake internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand *Les Etats signataires du présent Protocole, membres de la Commission Internationale de l'Etat Civil et Parties contractantes à la Convention du 4 septembre 1958 concernant l'échange international d'informations en matière d'état civil, Tenant compte de l'évolution intervenue dans le domaine de l'information internationale en matière d'état civil, et désireux d'y adapter les avis requis en vertu de l'article 1er de la Convention du 4 septembre 1958, Sont convenus des dispositions suivantes:* Article 1er 1. En ce qui concerne la transmission de l'information relative aux actes visés à l'[article 1er de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=1er) du 4 septembre 1958, les Etats pourront utiliser soit les formules prévues à l'[article 2 de cette Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=2) soit les modèles d'extraits plurilingues des Conventions signées à Paris le 27 septembre 1956 et [à Vienne le 8 septembre 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003621), soit un autre modèle élaboré à cet effect par la Commission Internationale de l'Etat Civil. 2. Lors de l'utilisation de la voie postale, les avis sont transmis sous pli cacheté. Article 2 1. Lorsque sont utilisées les formules prévues à l'[article 2 de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=2) du 4 septembre 1958, celles-ci devront être complétées par les traductions en langues anglaise, espagnole, grecque et portugaise des modèles d'avis, telles qu'elles figurent en annexe au présent Protocole. 2. Lorsque sont utilisés les modèles d'extraits plurilingues des Conventions signées à Paris le 27 septembre 1956 et [à Vienne le 8 septembre 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003621), la mention suivante, rédigée dans les langues des énonciations i"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de op 5 december 1947 te Brussel gesloten Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen, ondertekend te Brussel op 3 februari 1949 *Les Gouvernements Signataires du présent Protocole, Désireux d'assurer l'entrée en vigueur de l'Accord sur la Résolution des Conflits portant sur les Avoirs Allemands Ennemis ouvert à la signature à Bruxelles, le 5 décembre 1947, ci-après dénommé Accord de Bruxelles, et désireux à cet effet de proroger du 1er septembre 1948 au 1er septembre 1949 le délai fixé dans le paragraphe premier de l'Article 5 dudit Accord, Sont convenus de ce qui suit:* Article 1 Les dispositions du premier paragraphe de l'Article 5 de l'Accord de Bruxelles sont supprimées et remplacées par les dispositions du présent Protocole. Article 2 Ledit Accord de Bruxelles et le présent Protocole entreront en vigueur, entre les Gouvernements au nom desquels les deux instruments ont été signés (ou ratifiés ou approuvés par les Gouvernements signant sous réserve de ratification ou d'approbation), dès que l'Accord de Bruxelles et le présent Protocole auront été signés, ratifiés ou approuvés, à toute date antérieure au 1er septembre 1949, au nom de Gouvernements qui, au titre de l'article 1 B de la Partie I de l'Accord de Paris sur les Réparations du 24 janvier 1946, bénéficient collectivement, dans la Catégorie A, de quote-parts de réparations représentant au moins 35 pour cent du total général. Article 3 Le présent Protocole pourra être signé par tout Gouvernement remplissant ou qui remplirait ultérieurement les conditions requises pour signer l'Accord de Bruxelles. Article 4 Tout Gouvernement en droit de signer le présent Protocole aura la faculté de notifier simplement son adhésion par écrit au Gouvernement Belge. En pareil cas, la date de la réception de cette notification par le Gouvernement Belge sera considérée comme date de la signature en ce qui concerne ce Gouvernement. Article 5 Le p"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden *De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, - verwijzend naar de resultaten van de op 11 oktober 1988 in Bonn en op 30 november 1989 in Brussel gehouden ministersconferenties over de verontreiniging van de Rijn, - verwijzend naar de Overeenkomst van 3 december 1976 ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden, naar de briefwisselingen van 29 april, 4 en 14 mei 1983 en de verklaring van de delegatieleiders van 11 december 1986 (hierna te noemen „de Overeenkomst”), - geleid door de wens de kwaliteit van het Rijnwater zodanig te verbeteren dat aan de Nederlands-Duitse grens de overschrijdingen van het gehalte van 200 mg/l chloride-ionen zowel qua omvang als qua tijdsduur worden beperkt, - ernaar strevend de winning van drinkwater uit de Rijn en uit het IJsselmeer te vergemakkelijken, - in de overtuiging dat behalve de reeds bereikte verminderingen en de in dit aanvullend protocol voorziene maatregelen andere maatregelen tot vermindering van de chloride-vracht van de Rijn over de gehele loop van de Rijn vanuit een ecologisch oogpunt niet noodzakelijk en op grond van technische en economische overwegingen niet gerechtvaardigd zijn, - en met de bedoeling om tot een definitieve internationale regeling te komen inzake vermindering van de belasting van de Rijn door chloriden, zijn als volgt overeengekomen:* Artikel 1 1. In de perioden gedurende welke de concentratie van chloriden in de Rijn de richtwaarde van 200 mg/l aan de Nederlands-Duitse grens overschrijdt, zal de Franse Regering naast de sinds 5 januari 1987 plaatsvindende vermindering met 20 kg/s chloride-ionen overeenkomstig [artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003698"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, hierna „lidstaten van de Europese Gemeenschap\" genoemd, de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna „Mexico\" genoemd, en de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, hierna „de nieuwe lidstaten\" te noemen, Overwegende dat de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, hierna „de Overeenkomst\" te noemen, op 8 december 1997 te Brussel is ondertekend en op 1 oktober 2000 in werking is getreden; Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (hierna het „Toetredin"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten”, genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, en de Republiek Zuid-Afrika, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, OVERWEGENDE dat de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, op 11 oktober 1999 te Pretoria is ondertekend en op 1 mei 2004 in werking is getreden; OVERWEGENDE dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie op 25 april 2005 in Luxemburg is ondertekend en op 1 januari 2007 in werking is getreden; OVERWEGENDE dat, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005, de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking wordt geregeld door de sluiting van een protocol bij die overeenkomst, Zijn als volgt overeengekomen:* Artikel 1 De Republiek Bulgarije en Roemenië (hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd) worden partij bij"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten\" genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, en de Republiek Zuid-Afrika, hierna gezamenlijk de „overeenkomstsluitende partijen\" genoemd, Gelet op de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, die op 11 oktober 1999 te Pretoria is ondertekend en op 1 mei 2004 in werking is getreden, Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (hierna het „Toetredingsverdrag\" te noemen), dat op 16 april 2003 te Athene is ondertekend en op 1 mei 2004 in"},{"b":"Aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, hierna „Zuid-Afrika” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Overwegende dat de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds (hierna de „Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking” genoemd), op 11 oktober 1999 te Pretoria is ondertekend en op 1 mei 2004 in werking is getreden, Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 9 december 2011 is ondertekend en op 1 juli 2013 in werking is getreden, Zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 De Republiek Kroatië wordt partij bij de [Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwe"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake tijdelijke invoer, vrij van rechten, van medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal in bruikleen afgestaan aan ziekenhuizen en andere medische instellingen ten behoeve van diagnose en behandeling *The member States of the Council of Europe, Contracting Parties to the Agreement of 28 April 1960 on the temporary importation, free of duty, of medical, surgical and laboratory equipment for use on free loan in hospitals and other medical institutions for purposes of diagnosis or treatment (hereinafter called \"the Agreement\"), Having regard to the provisions of Articles 1 and 2 of the Agreement, according to which such equipment shall, under certain conditions, benefit from a system of temporary importation free of duty; Considering that so far as the member States of the European Economic Community are concerned, the granting of such an exemption must in particular take account of the existence of the Common Customs Tariff established by these States and that any derogation from the Common Customs Tariff falls within the competence of the European Economic Community, which possesses the necessary powers in this respect by virtue of the Treaty which instituted it; Considering therefore that for the purposes of the implementation of Articles 1 and 2 of the Agreement, it is necessary for the European Economic Community to be able to become a Contracting Party to the Agreement, Have agreed as follows:* Article 1 The European Economic Community may become a Contracting Party to the Agreement by signing it. In respect of the Community, the Agreement shall enter into force on the first day of the month following such signature. Article 2 1. This Additional Protocol shall be open for acceptance by the Contracting Parties to the Agreement. It shall enter into force on the first day of the month following the date on which the last of the Contracting Parties has deposited its instrument of acceptance with the Secretary General of t"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap *Het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en de Helleense Republiek die toetreedt tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, Gezien de toetreding, op 1 januari 1981, van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschappen, Gelet op de op 14 mei 1973 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Koninkrijk Noorwegen, hierna te noemen „de Overeenkomst”, Hebben besloten om in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen en overgangsmaatregelen met betrekking tot de Overeenkomst in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vast te stellen en dit Protocol te sluiten:* Artikel 1 De Helleense Republiek treedt hierbij toe tot de Overeenkomst. TITEL I. Aanpassingen Artikel 2 Van de Overeenkomst en de slotakte met de daaraan gehechte verklaringen wordt een tekst in de Griekse taal opgesteld, die evenzeer authentiek is als de oorspronkelijke teksten. Het Gemengd Comité keurt de Griekse tekst goed. TITEL II. Overgangsmaatregelen Artikel 3 Voor de onder de Overeenkomst vallende produkten schaft de Helleense Republiek ten opzichte van Noorwegen, en Noorwegen ten opzichte van de Helleense Republiek de invoerrechten geleidelijk af volgens het onderstaande tijdschema: - - op 1 januari 1981 wordt elk recht ve"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Republiek IJsland in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap *Het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en de Helleense Republiek die toetreedt tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en de Republiek IJsland, anderzijds, Gezien de toetreding, op 1 januari 1981, van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschappen, Gelet op de op 22 juli 1972 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Republiek IJsland, hierna te noemen „de Overeenkomst”, Hebben besloten om in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen met betrekking tot de Overeenkomst in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vast te stellen en dit Protocol te sluiten:* Artikel 1 De Helleense Republiek treedt hierbij toe tot de Overeenkomst. TITEL I. Aanpassingen Artikel 2 Van de Overeenkomst, met inbegrip van de bijlage en protocollen die een integrerend deel daarvan vormen en van de slotakte met de daaraan gehechte verklaringen wordt een tekst in de Griekse taal opgesteld, die evenzeer authentiek is als de oorspronkelijke teksten. De Griekse tekst wordt goedgekeurd via een briefwisseling tussen de overeenkomstsluitende partijen. TITEL II. Algemene en slotbepalingen Artikel 3 Alle amendementen die met betrekking tot de regels inzake de oorsprong noodzakelijk kunnen zijn als gevolg van de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschappen, worden goedgekeurd via een briefwisseling tussen de overeenkomstsluitende partijen. Artikel"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap Artikel 1 *Vervallen* TITEL I. Aanpassingen Artikel 2 *Vervallen* TITEL II. Overgangsmaatregelen Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* TITEL III. Algemene en slotbepalingen Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens *Preambule Overwegende dat de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, lerland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk Zweden (hierna „de staten\" genoemd) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna „de Gemeenschap\" genoemd) partij zijn bij een overeenkomst tussen de staten, de Gemeenschap en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna „de organisatie\" genoemd) ter uitvoering van artikel III, de leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (hierna de „veiligheidscontroleovereenkomst\" genoemd), die op 21 februari 1977 in werking is getreden; Zich bewust van de wens van de internationale gemeenschap om de nucleaire non-proliferatie verder uit te breiden door de doelmatigheid en efficiency van het veiligheidscontrolesysteem van de organisatie te verbeteren; Eraan herinnerende dat de organisatie bij de tenuitvoerlegging van de veiligheidscontrole rekening moet houden met de noodzaak om: te vermijden dat de economische en technologische ontwikkeling van de Gemeenschap of de internationale samenwerking op het gebied van vreedzame nucleaire activiteiten worden belemmerd; de vigerende bepalingen inzake gezondheid, veiligheid, fysieke beveiliging en andere veil"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (het IAEA) inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika *WHEREAS the Kingdom of the Netherlands, in respect of its Caribbean parts, (hereinafter referred to as “the Kingdom of the Netherlands”) and the International Atomic Energy Agency (hereinafter referred to as the “Agency”) are parties to an Agreement for the Application of Safeguards with respect to the Netherlands Antilles in Connection with the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons and Additional Protocol I to the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America (hereinafter referred to as the “Safeguards Agreement”), which entered into force on 5 June 1975; AWARE OF the desire of the international community to further enhance nuclear non-proliferation by strengthening the effectiveness and improving the efficiency of the Agency's safeguards system; RECALLING that the Agency must take into account in the implementation of safeguards the need to: avoid hampering the economic and technological development of the Kingdom of the Netherlands or international co-operation in the field of peaceful nuclear activities; respect health, safety, physical protection and other security provisions in force and the rights of individuals; and take every precaution to protect commercial, technological and industrial secrets as well as other confidential information coming to its knowledge; WHEREAS the frequency and intensity of activities described in this Protocol shall be kept to the minimum consistent with the objective of strengthening the effectiveness and improving the efficiency of Agency safeguards; NOW THEREFORE the Kingdom of the Netherlands and the Agency have agreed as follow"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van 16 juni 1959 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, hetVerenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten\" genoemd, de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, en de Republiek Chili, hierna „Chili\" genoemd, Overwegende dat de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, hierna „de Overeenkomst\" genoemd, op 18 november 2002 te Brussel is ondertekend en dat enkele van de bepalingen van de Overeenkomst krachtens artikel 198, lid 3, sinds 1 februari 2003 worden toegepast; Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd) tot de Europese Unie (hierna het „Toetredingsverdrag” te noemen) op 16 apr"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Turkije, hierna „Turkije” genoemd, anderzijds, Overwegende hetgeen volgt: 1. De Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna „overeenkomst van Ankara” genoemd)1)PB 217 van 29.12.1964, blz. 3687. is op 12 september 1963 te Ankara ondertekend en op 1 december 1964 in werking getreden; deze overeenkomst is gewijzigd bij een op 30 juni 1973 ondertekend complementair protocol1)PB L 361 van 31.12.1977, blz. 2. waarbij de overeenkomst van toepassing wordt op Denemarken, Ierland en het verenigd Koninkrijk; 2. De overeenkomst van Ankara is, zoals gewijzigd, van toepassing geworden op de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden na de toetreding van deze landen tot de Europese Gemeenschap; 3. De overeenkomst van Ankara is van toepassing op Turkije en alle lidstaten van de Europese Unie, zoals die is uitgebreid bij het Ver"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de aanvaarding van een aanvullend onderscheidend embleem (Protocol III) *PREAMBLE The High Contracting Parties, (PP1) Reaffirming the provisions of the Geneva Conventions of 12 August 1949 (in particular Articles 26, 38, 42 and 44 of the First Geneva Convention) and, where applicable, their Additional Protocols of 8 June 1977 (in particular Articles 18 and 38 of Additional Protocol I and Article 12 of Additional Protocol II), concerning the use of distinctive emblems, (PP2) Desiring to supplement the aforementioned provisions so as to enhance their protective value and universal character, (PP3) Noting that this Protocol is without prejudice to the recognized right of High Contracting Parties to continue to use the emblems they are using in conformity with their obligations under the Geneva Conventions and, where applicable, the Protocols additional thereto, (PP4) Recalling that the obligation to respect persons and objects protected by the Geneva Conventions and the Protocols additional thereto derives from their protected status under international law and is not dependent on use of the distinctive emblems, sign or signals, (PP5) Stressing that the distinctive emblems are not intended to have any religious, ethnic, racial, regional or political significance, (PP6) Emphasizing the importance of ensuring full respect for the obligations relating to the distinctive emblems recognized in the Geneva Conventions, and, where applicable, the Protocols additional thereto, (PP7) Recalling that Article 44 of the First Geneva Convention makes the distinction between the protective use and the indicative use of the distinctive emblems, (PP8) Recalling further that National Societies undertaking activities on the territory of another State must ensure that the emblems they intend to use within the framework of such activities may be used in the country where the activity takes place and in the cou"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) *PREAMBLE The High Contracting Parties, Proclaiming their earnest wish to see peace prevail among peoples, Recalling that every State has the duty, in conformity with the Charter of the United Nations, to refrain in its international relations from the threat or use of force against the sovereignty, territorial integrity or political independence of any State, or in any other manner inconsistent with the purposes of the United Nations, Believing it necessary nevertheless to reaffirm and develop the provisions protecting the victims of armed conflicts and to supplement measures intended to reinforce their application, Expressing their conviction that nothing in this Protocol or in the Geneva Conventions of 12 August 1949 can be construed as legitimizing or authorizing any act of aggression or any other use of force inconsistent with the Charter of the United Nations, Reaffirming further that the provisions of the Geneva Conventions of 12 August 1949 and of this Protocol must be fully applied in all circumstances to all persons who are protected by those instruments, without any adverse distinction based on the nature or origin of the armed conflict or on the causes espoused by or attributed to the Parties to the conflict, Have agreed on the following:* PART I. GENERAL PROVISIONS Article 1. General principles and scope of application 1. The High Contracting Parties undertake to respect and to ensure respect for this Protocol in all circumstances. 2. In cases not covered by this Protocol or by other international agreements, civilians and combatants remain under the protection and authority of the principles of international law derived from established custom, from the principles of humanity and from the dictates of public conscience. 3. This Protocol, which supplements the Geneva Conventions of 12 Au"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (Protocol II) *PREAMBLE The High Contracting Parties, Recalling that the humanitarian principles enshrined in Article 3 common to the Geneva Conventions of 12 August 1949, constitute the foundation of respect for the human person in cases of armed conflict not of an international character, Recalling furthermore that international instruments relating to human rights offer a basic protection to the human person, Emphasizing the need to ensure a better protection for the victims of those armed conflicts, Recalling that, in cases not covered by the law in force, the human person remains under the protection of the principles of humanity and the dictates of the public conscience, Have agreed on the following:* PART I. SCOPE OF THIS PROTOCOL Article 1. Material field of application 1. This Protocol, which develops and supplements [Article 3 common to the Geneva Conventions of 12 August 1949](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005565&artikel=3) without modifying its existing conditions of application, shall apply to all armed conflicts which are not covered by [Article 1 of the Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, and relating to the Protection of Victims of International Armed Conflicts (Protocol I)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004091&artikel=1) and which take place in the territory of a High Contracting Party between its armed forces and dissident armed forces or other organized armed groups which, under responsible command, exercise such control over a part of its territory as to enable them to carry out sustained and concerted military operations and to implement this Protocol. 2. This Protocol shall not apply to situations of internal disturbances and tensions, such as riots, isolated and sporadic acts of violence and other acts of a similar nature, as not being a"},{"b":"Aanvullend Protocol bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie , hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Korea, hierna „Korea” genoemd, anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, Overwegende dat de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (hierna „de overeenkomst” genoemd), op 6 oktober 2010 te Brussel is ondertekend en sinds 1 juli 2011 voorlopig wordt toegepast. Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië (hierna „Kroatië” genoemd) tot de Europese Unie (hierna het „Toetredingsverdrag” genoemd) op 9 december 2011 te Brussel is ondertekend en op 1 juli 2013 in werking is getreden, Zijn het volgende overeengekomen:* AFDELING I. DE PARTIJEN Artikel 1 Kroatië wordt een partij bij de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005188). Artikel 2 Kroatië wordt toegevoegd aan de lijst van partijen bij de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005188). AFDELING II. OORSPRONGSREGELS Artikel"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa *The Governments signatory to the General Agreement on Privileges and Immunities of the Council of Europe, signed at Paris on the 2nd September 1949 (hereinafter referred to as “the Agreement”), Desirous of extending the provisions of the Agreement, Have agreed as follows:* Article 1 Any present or future Member of the Council of Europe not a signatory of the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) may accede to the latter and to this Protocol by depositing its instrument of accession to them both with the Secretary-General of the Council of Europe, who shall notify the Members of the Council thereof. Article 2 a). The provisions of [Part IV of the Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&deel=IV) shall apply to representatives attending meetings of the Ministers' Deputies. b). The provisions of [Part IV of the Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&deel=IV) shall apply to representatives other than representatives to the Consultative Assembly attending meetings convened by the Council of Europe and held when neither the Committee of Ministers nor the Ministers' Deputies are in session save that representatives attending such meetings shall not be exempt from arrest and prosecution when found committing, attempting to commit, or just having committed an offence. Article 3 The provisions of [Article 15 of the Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&artikel=15) shall apply to representatives to the Assembly, and their substitutes, at any time when they are attending or travelling to and from, meetings of Committees and Sub-Committees of the Consultative Assembly, whether or not the Assembly is itself in session at such time. Article 4 The permanent representatives of Members of the Council of Europe shall, while exercising their functions and during their journey to and from the place of"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Handvest inzake lokale autonomie betreffende het recht op participatie in de aangelegenheden van lokale autoriteiten *Preamble The member States of the Council of Europe, signatories to this Additional Protocol to the European Charter of Local Self-Government (hereinafter referred to as “the Charter”, ETS No.122), Considering that the aim of the Council of Europe is to achieve greater unity between its members for the purpose of safeguarding and realising the ideals and principles which are their common heritage; Considering that the right to participate in the conduct of public affairs is one of the democratic principles that are shared by all member States of the Council of Europe; Considering that the evolution in member States has shown the pre-eminent importance of this principle for local self-government; Considering that it would be appropriate to supplement the Charter with provisions guaranteeing the right to participate in the affairs of a local authority; Bearing in mind the Council of Europe Convention on Access to Official Documents, adopted by the Committee of Ministers on 27 November 2008; Bearing in mind also the Declaration and the Action Plan adopted at the 3rd Summit of Heads of State and Government of the Council of Europe (Warsaw, 16 to 17 May 2005), Have agreed as follows:* Article 1. Right to participate in the affairs of a local authority 1. The States Parties shall secure to everyone within their jurisdiction the right to participate in the affairs of a local authority. 2. The right to participate in the affairs of a local authority denotes the right to seek to determine or to influence the exercise of a local authority’s powers and responsibilities. 3. The law shall provide means of facilitating the exercise of this right. Without unfairly discriminating against any person or group, the law may provide particular measures for different circumstances or categories of persons. In accordance with the consti"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest *Preamble The member States of the Council of Europe signatory hereto, Resolved to take new measures to extend the protection of the social and economic rights guaranteed by the European Social Charter, opened for signature in Turin on 18 October 1961 (hereinafter referred to as “the Charter”), Have agreed as follows:* PART I The Parties accept as the aim of their policy to be pursued by all appropriate means, both national and international in character, the attainment of conditions in which the following rights and principles may be effectively realised: - 1. All workers have the right to equal opportunities and equal treatment in matters of employment and occupation without discrimination on the grounds of sex. - 2. Workers have the right to be informed and to be consulted within the undertaking. - 3. Workers have the right to take part in the determination and improvement of the working conditions and working environment in the undertaking. - 4. Every elderly person has the right to social protection. PART II The Parties undertake, as provided for in Part III, to consider themselves bound by the obligations laid down in the following articles: Article 1. Right to equal opportunities and equal treatment in matters of employment and occupation without discrimination on the grounds of sex 1. With a view to ensuring the effective exercise of the right to equal opportunities and equal treatment in matters of employment and occupation without discrimination on the grounds of sex, the Parties undertake to recognise that right and to take appropriate measures to ensure or promote its application in the following fields: - - access to employment, protection against dismissal and occupational resettlement; - - vocational guidance, training, retraining and rehabilitation; - - terms of employment and working conditions including remuneration; - - career development including promotion. 2. Provisions concerning the protec"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest betreffende een systeem voor collectieve klachten *Preamble The member States of the Council of Europe, signatories to this Protocol to the European Social Charter, opened for signature in Turin on 18 October 1961 (hereinafter referred to as ``the Charter\"); Resolved to take new measures to improve the effective enforcement of the social rights guaranteed by the Charter; Considering that this aim could be achieved in particular by the establishment of a collective complaints procedure, which, inter alia, would strengthen the participation of management and labour and of non-governmental organisations, Have agreed as follows:* Article 1 The Contracting Parties to this Protocol recognise the right of the following organisations to submit complaints alleging unsatisfactory application of the [Charter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021): - a) international organisations of employers and trade unions referred to in [paragraph 2 of Article 27 of the Charter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021&artikel=27); - b) other international non-governmental organisations which have consultative status with the Council of Europe and have been put on a list established for this purpose by the Governmental Committee; - c) representative national organisations of employers and trade unions within the jurisdiction of the Contracting Party against which they have lodged a complaint. Article 2 1. Any Contracting State may also, when it expresses its consent to be bound by this Protocol, in accordance with the provisions of Article 13, or at any moment thereafter, declare that it recognises the right of any other representative national non-governmental organisation within its jurisdiction which has particular competence in the matters governed by the [Charter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021), to lodge complaints against it. 2. Such declarations may be made for a specific period. 3. The declara"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken *The member States of the Council of Europe, signatory to this Protocol, Desirous of facilitating the application of the European Convention on Mutual Assistance in Criminal Matters opened for signature in Strasbourg on 20 April 1959 (hereinafter referred to as “the Convention”) in the field of fiscal offences; Considering it also desirable to supplement the Convention in certain other respects, Have agreed as follows:* CHAPTER I Article 1 The Contracting Parties shall not exercise the right provided for in [Article 2 (a) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009&artikel=2) to refuse assistance solely on the ground that the request concerns an offence which the requested Party considers a fiscal offence. Article 2 1. In the case where a Contracting Party has made the execution of letters rogatory for search or seizure of property dependent on the condition that the offence motivating the letters rogatory is punishable under both the law of the requesting Party and the law of the requested Party, this condition shall be fulfilled, as regards fiscal offences, if the offence is punishable under the law of the requesting Party and corresponds to an offence of the same nature under the law of the requested Party. 2. The request may not be refused on the ground that the law of the requested Party does not impose the same kind of tax or duty or does not contain a tax, duty, customs and exchange regulation of the same kind as the law of the requesting Party. CHAPTER II Article 3 The [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009) shall also apply to: - a. the service of documents concerning the enforcement of a sentence, the recovery of a fine or the payment of costs of proceedings; - b. measures relating to the suspension of pronouncement of a sentence or of its enforcement, to conditional release, to deferment of the commencement of the enf"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering *The member States of the Council of Europe, signatory to this Protocol, Having regard to the provisions of the European Convention on Extradition opened for signature in Paris on 13 December 1957 (hereinafter referred to as “the Convention”) and in particular Articles 3 and 9 thereof; Considering that it is desirable to supplement these Articles with a view to strengthening the protection of humanity and of individuals, Have agreed as follows:* CHAPTER I Article 1 For the application of [Article 3 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=3), political offences shall not be considered to include the following: - a. the crimes against humanity specified in the [Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005551) adopted on 9 December 1948 by the General Assembly of the United Nations; - b. the violations specified in [Article 50 of the 1949 Geneva Convention for the Amelioration of the Condition of the Wounded and Sick in Armed Forces in the Field](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005565&artikel=50), [Article 51 of the 1949 Geneva Convention for the Amelioration of the Condition of Wounded, Sick and Shipwrecked Members of Armed Forces at Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005410&artikel=51), [Article 130 of the 1949 Geneva Convention relative to the Treatment of Prisoners of War](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005584&artikel=130)and [Article 147 of the 1949 Geneva Convention relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005569&artikel=147); - c. any comparable violations of the laws of war having effect at the time when this Protocol enters into force and of customs of war existing at that time, which are not already provided for in the abovementioned provisions of the Geneva Conventions. CHAPTER II Article 2 *Wijz"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het op 25 september 1950 te Bern ondertekende Protocol inzake de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand Article unique *Vervallen*"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het op 8 april 1960 ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) tot regeling van de samenwerking met betrekking tot het waterbeheer en het natuurbeheer in de Eemsmonding (Eems-Dollardmilieuprotocol) *Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland In aanmerking nemende dat er een nauwe samenwerking tussen beide landen bestaat op grond van het op 8 april 1960 ondertekende Grensverdrag, van het op dezelfde dag ondertekende Eems-Dollardverdrag, van de Aanvullende Overeenkomst van 14 mei 1962 alsmede van de Overeenkomst van 17 november 1975 tot wijziging van het Eems-Dollardverdrag; Voorts in aanmerking nemende de samenwerking tussen beide landen in de Nederlands-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening en tussen de provincie Groningen en het Land Nedersaksen met betrekking tot het milieu- en natuurbeheer in het kader van de Overeenkomst Nieuwe Hanze-Interregio van 20 maart 1991; Gelet op de besluiten tot samenwerking inzake de Noordzee en de Waddenzee; Met referte aan de richtlijnen van de Europese Economische Gemeenschap inzake milieu-effectrapportage en inzake water- en natuurbeheer; Onder verwijzing naar het in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties opgestelde en door beide landen op 18 maart 1992 in Helsinki ondertekende Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren; Met het oog op het waterbeheer in de Eemsmonding en het behoud van de natuur; Zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 1. De Verdragsluitende Partijen werken in de Eemsmonding samen op het terrein van water- en natuurbeheer. 2. De Verdragsluitende Partijen laten zich daarbij leiden door de volgende beginselen: - – het principe van goed nabuurschap - – het principe van voorzorg - – het principe van preventie - – het principe „de vervuiler betaalt”"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Protocol van 13 april 1962 nopens de oprichting van Europese scholen *De Regeringen van het Koninkrijk België het Koninkrijk Denemarken de Bondsrepubliek Duitsland de Franse Republiek Ierland de Italiaanse Republiek het Groothertogdom Luxemburg het Koninkrijk der Nederlanden het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Naar behoren vertegenwoordigd door: - de heer J. Deschamps, Ambassadeur van België te Luxemburg - de heer K. V. Skjødt, Directeur, Dienst Octrooien - de heer Peter Hermes, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken - de heer Emile Cazimajou, Gevolmachtigd Minister, plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger - de heer John Bruton, Parlementair Staatssecretaris, Ministerie van Industrie en Handel - de heer F. Cattanei, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken - de heer Marcel Mart, Minister van Economische Zaken, Middenstand en Toerisme - de heer Th. M. Hazekamp, Staatssecretaris van Economische Zaken - Lord Goronwy-Roberts, Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, Vice-Voorzitter van het Hogerhuis Gelet op het Statuut van de Europese school, ondertekend te Luxemburg op 12 april 1957, en de Toegevoegde Overeenkomst bij het Statuut van de Europese school houdende vaststelling van een regeling voor het Europese baccalaureaat, ondertekend te Luxemburg op 15 juli 1957, Gelet op het Protocol nopens de oprichting van Europese scholen, ondertekend te Luxemburg op 13 april 1962, Overwegende dat het wenselijk is voornoemd Protocol uit te breiden tot de Europese Octrooiorganisatie, opgericht bij het Europees Octrooiverdrag van 5 oktober 1973, Zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 Niettegenstaande artikel 1, eerste lid van het Protocol van 13 april 1962 nopens de oprichting van Europese scholen, kan in München een Europese school worden opgericht voor gemeenschappelijke opvoeding en gemeenschappelijk onderwijs van kinderen van het personeel van de Europese Octrooiorganisatie. Andere kinderen die de"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland *Pour écarter tout doute sur la portée de l'article 1 du traité d'amitié, de commerce et d'établissement entre Sa Majesté le Roi des Pays-Bas et la Confédération Suisse, conclu et signé à Berne le 19 Août 1875, les soussignés savoir: monsieur J. G. SUTER VERMEULEN, consul général des Pays-Bas près la Confédération Suisse, chevalier de l'ordre du Lion Néerlandais, et monsieur FRID. ANDERWERT, conseiller fédéral et chef du Département de Justice et Police de la Confédération Suisse; plénipotentiaires des deux Puissances, à cela dûment autorisés par leurs Gouvernements, sont convenus du protocole additionnel qui suit:* Il est entendu que la stipulation de l'article 1er, tout en assurant aux ressortissants respectifs des deux Hautes Parties contractantes l'assimilation complète aux nationaux, même pour tout ce qui regarde le séjour et l'établissement, ne déroge pas cependant, tant dans le Royaume des Pays-Bas et ses colonies qu'en Suisse, au droit d'exiger que tout sujet ou citoyen de l'un des deux États, qui voudra être admis à séjourner ou à s'établir dans l'autre, soit porteur d'un passeport ou d'un autre certificat authentique de nationalité; ni au droit de renvoyer des territoires respectifs les personnes qui manqueraient de moyens, de subsistance, ou qui tomberaient à la charge de la bienfaisance publique; ni au droit d'expulser ou d'interner les individus qui compromettraient la tranquilité et l'ordre publics ou la sûreté intérieure ou extérieure de l'État; ni à la faculté d'extrader les malfaiteurs qui ne sont pas ressortissants du pays même. Le présent protocole additionnel aura la même force et valeur que s'il était textuellement inséré dans le traité signé le 19 Août 1875. En foi de quoi, les plénipotentiaires respectifs ont signé le protocole sous réserve de la ratification des Hautes Parties contractantes. Ainsi fait en duplicata à"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, Gelet op de Aanbeveling van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 15 januari 1965 en het door die Raad op 29 november 1968 uitgebrachte advies, Verlangende rechtsbescherming te verlenen aan de personen in dienst van de Benelux Economische Unie door instelling van een ambtenarenrechtspraak, Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof, en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:* HOOFDSTUK I. Bevoegdheid Artikel 1 Voor de personen in dienst van de Benelux Economische Unie staat administratief-rechtelijk beroep open in de gevallen en op de wijze, voorzien in dit Protocol. Artikel 2 1. Aan het Benelux-Gerechtshof wordt de rechtsmacht toegekend om van het in artikel 1 bedoelde beroep kennis te nemen. 2. Deze rechtsmacht wordt uitgeoefend door een door het Hof uit zijn midden samengestelde Kamer, waarin drie rechters, van elk land één, voor een tijdvak van drie jaar zitting hebben. Het Hof wijst uit hun midden de Voorzitter en zijn plaatsvervanger aan. Het Hof kan voor elk der rechters een of meer plaatsvervangers aanwijzen. Artikel 3 Deze Kamer neemt kennis van het beroep ingesteld door: - a. de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal alsmede de gewezen Secretarissen-Generaal en Adjunct-Secretarissen-Generaal tegen de besluiten, van algemene strekking dan wel betrekking hebbend op afzonderlijke gevallen, van het Comité van Ministers betreffende hun bezoldiging, pensioenen of andere"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van personen in dienst van de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) *Het Koninkrijk België, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te ’s-Gravenhage op 3 februari 1958, hierna genoemd „het Verdrag van 1958”, Gelet op het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, zoals gewijzigd door de Protocollen van 10 juni 1981 en 23 november 1984, hierna genoemd „het Verdrag van 1965”, Gelet op het Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie, ondertekend te ‘s-Gravenhage op 29 april 1969, zoals gewijzigd door het Protocol van 23 november 1984, hierna genoemd „het Protocol van 1969”, Gelet op het Protocol betreffende de rechtsbescherming van de personen in dienst van het Benelux-Merkenbureau en het Benelux Bureau voor tekeningen of modellen, ondertekend te Brussel op 11 mei 1974, hierna genoemd „het Protocol van 1974”, Gelet op het Benelux-verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen), ondertekend te Den Haag op 25 februari 2005 hierna genoemd „het Verdrag van 2005”. Overwegende dat het wenselijk is gebleken, in het kader van de totstandkoming van het Verdrag van 2005, de rechtsbescherming van de personen in dienst van het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor tekeningen of modellen, momenteel geregeld bij de Protocollen van 1969 en 1974, aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van mensenrechten en arbeidsrecht, Verlangende rechtsbescherming aan de personen in dienst van de rechtsopvolger van voornoemde Bureaus, de Benelux-Organisat"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) inzake de digitale vrachtbrief *The Parties to this Protocol, Being Parties to the Convention on the Contract for the International Carriage of Goods by Road (CMR), done at Geneva on 19 May 1956, Desirous of supplementing the Convention in order to facilitate the optional making out of the consignment note by means of procedures used for the electronic recording and handling of data, Have agreed as follows:* Article 1. Definitions For the purposes of this Protocol, “[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177)” means the Convention on the Contract for the International Carriage of Goods by Road (CMR); “Electronic communication” means information generated, sent, received or stored by electronic, optical, digital or similar means with the result that the information communicated is accessible so as to be usable for subsequent reference; “Electronic consignment note” means a consignment note issued by electronic communication by the carrier, the sender or any other party interested in the performance of a contract of carriage to which the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) applies, including particulars logically associated with the electronic communication by attachments or otherwise linked to the electronic communication contemporaneously with or subsequent to its issue, so as to become part of the electronic consignment note; “Electronic signature” means data in electronic form which are attached to or logically associated with other electronic data and which serve as a method of authentication. Article 2. Scope and effect of the electronic consignment note 1. Subject to the provisions of this Protocol, the consignment note referred to in the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177), as well as any demand, declaration, instruction, request, reservation or other communication relati"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van de mens met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde betreffende het verbod van klonen van mensen *The member States of the Council of Europe, the other States and the European Community Signatories to this Additional Protocol to the Convention for the Protection of Human Rights and Dignity of the Human Being with regard to the Application of Biology and Medicine, Noting scientific developments in the field of mammal cloning, particularly through embryo splitting and nuclear transfer; Mindful of the progress that some cloning techniques themselves may bring to scientific knowledge and its medical application; Considering that the cloning of human beings may become a technical possibility; Having noted that embryo splitting may occur naturally and sometimes result in the birth of genetically identical twins; Considering however that the instrumentalisation of human beings through the deliberate creation of genetically identical human beings is contrary to human dignity and thus constitutes a misuse of biology and medicine; Considering also the serious difficulties of a medical, psychological and social nature that such a deliberate biomedical practice might imply for all the individuals involved; Considering the purpose of the Convention on Human Rights and Biomedicine, in particular the principle mentioned in Article 1 aiming to protect the dignity and identity of all human beings, Have agreed as follows:* Article 1 1. Any intervention seeking to create a human being genetically identical to another human being, whether living or dead, is prohibited. 2. For the purpose of this article, the term human being “genetically identical” to another human being means a human being sharing with another the same nuclear gene set. Article 2 No derogation from the provisions of this Protocol shall be made under [Article 26, paragraph 1, of the Convention](ht"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen *The member States of the Council of Europe and the other States Parties to the Convention on Cybercrime, opened for signature in Budapest on 23 November 2001, signatory hereto; Considering that the aim of the Council of Europe is to achieve a greater unity between its members; Recalling that all human beings are born free and equal in dignity and rights; Stressing the need to secure a full and effective implementation of all human rights without any discrimination or distinction, as enshrined in European and other international instruments; Convinced that acts of a racist and xenophobic nature constitute a violation of human rights and a threat to the rule of law and democratic stability; Considering that national and international law need to provide adequate legal responses to propaganda of a racist and xenophobic nature committed through computer systems; Aware of the fact that propaganda to such acts is often subject to criminalisation in national legislation; Having regard to the Convention on Cybercrime, which provides for modern and flexible means of international co-operation and convinced of the need to harmonise substantive law provisions concerning the fight against racist and xenophobic propaganda; Aware that computer systems offer an unprecedented means of facilitating freedom of expression and communication around the globe; Recognising that freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society, and is one of the basic conditions for its progress and for the development of every human being; Concerned, however, by the risk of misuse or abuse of such computer systems to disseminate racist and xenophobic propaganda; Mindful of the need to ensure a proper balance between freedom of expres"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen *Preamble The member States of the Council of Europe, and the other States signatory to this Protocol, Desirous of facilitating the application of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons opened for signature at Strasbourg on 21 March 1983 (hereinafter referred to as “the Convention”) and, in particular, pursuing its acknowledged aims of furthering the ends of justice and the social rehabilitation of sentenced persons; Aware that many States cannot extradite their own nationals; Considering it desirable to supplement the Convention in certain respects, Have agreed as follows:* Article 1. General provisions 1. The words and expressions used in this Protocol shall be interpreted within the meaning of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039). 2. The provisions of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039) shall apply to the extent that they are compatible with the provisions of this Protocol. Article 2. Persons having fled from the sentencing State 1. Where a national of a Party who is the subject of a sentence imposed in the territory of another Party as a part of a final judgment, seeks to avoid the execution or further execution of the sentence in the sentencing State by fleeing to the territory of the former Party before having served the sentence, the sentencing State may request the other Party to take over the execution of the sentence. 2. At the request of the sentencing State, the administering State may, prior to the arrival of the documents supporting the request, or prior to the decision on that request, arrest the sentenced person, or take any other measure to ensure that the sentenced person remains in its territory, pending a decision on the request. Requests for provisional measures shall include the information mentioned in [paragraph 3 of Article 4 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV00010"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde inzake transplantatie van organen en weefsel van menselijke herkomst *Preamble The member States of the Council of Europe, the other States and the European Community signatories to this Additional Protocol to the Convention for the Protection of Human Rights and Dignity of the Human Being with regard to the Application of Biology and Medicine (hereinafter referred to as “Convention on Human Rights and Biomedicine”), Considering that the aim of the Council of Europe is the achievement of greater unity between its members and that one of the methods by which this aim is pursued is the maintenance and further realisation of human rights and fundamental freedoms; Considering that the aim of the Convention on Human Rights and Biomedicine, as defined in Article 1, is to protect the dignity and identity of all human beings and guarantee everyone, without discrimination, respect for their integrity and other rights and fundamental freedoms with regard to the application of biology and medicine; Considering that progress in medical science, in particular in the field of organ and tissue transplantation, contributes to saving lives or greatly improving their quality; Considering that transplantation of organs and tissues is an established part of the health services offered to the population; Considering that, in view of the shortage of organs and tissues, appropriate action should be taken to increase organ and tissue donation, in particular by informing the public of the importance of organ and tissue transplantation and by promoting European co-operation in this field; Considering moreover the ethical, psychological and socio-cultural problems inherent in the transplantation of organs and tissues; Considering that the misuse of organ and tissue transplantation may lead to acts endangering human life, well being or dignity; Considering that organ and tissue transplantation should take pl"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie *The member States of the Council of Europe and the other States signatory hereto, Considering that it is desirable to supplement the Criminal Law Convention on Corruption (ETS No. 173, hereafter ``the Convention\") in order to prevent and fight against corruption; Considering also that the present Protocol will allow the broader implementation of the 1996 Programme of Action against Corruption, Have agreed as follows:* CHAPTER I. USE OF TERMS Article 1. Use of terms For the purpose of this Protocol: - 1. The term *``arbitrator\"* shall be understood by reference to the national law of the States Parties to this Protocol, but shall in any case include a person who by virtue of an arbitration agreement is called upon to render a legally binding decision in a dispute submitted to him/her by the parties to the agreement. - 2. The term *``arbitration agreement\"* means an agreement recognised by the national law whereby the parties agree to submit a dispute for a decision by an arbitrator. - 3. The term *``juror\"* shall be understood by reference to the national law of the States Parties to this Protocol but shall in any case include a lay person acting as a member of a collegial body which has the responsibility of deciding on the guilt of an accused person in the framework of a trial. - 4. In the case of proceedings involving a foreign arbitrator or juror, the prosecuting State may apply the definition of arbitrator or juror only in so far as that definition is compatible with its national law. CHAPTER II. MEASURES TO BE TAKEN AT NATIONAL LEVEL Article 2. Active bribery of domestic arbitrators Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences under its domestic law, when committed intentionally, the promising, offering or giving by any person, directly or indirectly, of any undue advantage to an arbitrator exercising his/"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer, met betrekking tot de invoer van toeristische propagandabescheiden en toeristisch propagandamateriaal *THE CONTRACTING STATES, At the time of the conclusion of a Convention concerning Customs Formalities for Touring by the United Nations Conference on Customs Formalities for the Temporary Importation of Private Road Motor Vehicles and for Tourism, Desiring to facilitate also the circulation of tourist publicity documents and material, Have agreed on the following additional provisions:* Article 1 For the purpose of this Protocol the term “import duties and import taxes” shall mean not only customs duties but also all duties and taxes whatever chargeable by reason of importation. Article 2 Each of the Contracting States shall admit free of import duties and import taxes the following articles provided they are imported from another Contracting State and that there is no reason to fear abuse: - (a) Documents (folders, pamphlets, books, magazines, guides, posters framed or unframed, unframed photographs and photographic enlargements, maps whether illustrated or not, printed window transparencies) for free distribution, the chief purpose of which is to encourage the public to visit foreign countries, *inter alia* to attend cultural, touristic, sporting, religious or professional meetings or demonstrations held in such foreign countries, provided these documents do not contain more than 25 per cent private commercial advertising and are obviously designed for general publicity purposes; - (b) Lists and year-books of foreign hotels published or sponsored by official tourist agencies and time-tables of transport services operating abroad, when such documents are for free distribution and do not contain more than 25 per cent private commercial advertising; - (c) Technical material sent to the accredited representatives or correspondents appointed by national official tourist"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben ARTICLE 1. : ADDITIONAL PROTOCOL The following protocol shall be annexed to the [Convention on Prohibitions or Restrictions on the Use of Certain Conventional Weapons Which May Be Deemed to Be Excessively Injurious or to Have Indiscriminate Effects](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003694) (“the Convention”) as Protocol IV:"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag nopens de oprichting van de “Eurofima”, Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel *Les Gouvernements de la République Fédérale d'Allemagne, de la République d'Autriche, du Royaume de Belgique, du Royaume de Danemark, d'Espagne, de la République Française, de la République Italienne, du Grand Duché de Luxembourg, du Royaume de Norvège, du Royaume des Pays-Bas, de la République Portugaise, de Suède, et de la République Populaire Fédérative de Yougoslavie, d'une part, et le Gouvernement de la Confédération Suisse d'autre part, signataires de la Convention relative à la constitution de la Société européenne pour le financement de matériel ferroviaire (appelée ciaprès „la Convention”), vu le paragraphe c) de l'Article 7 de ladite Convention; constatant que les Statuts de la Société européenne pour le financement de matériel ferroviaire (appelée ci-après „la Société”) annexés à la Convention prévoient que le siège de la Société sera à Bâle (Suisse); constatant que le Gouvernement de la Suisse est prêt à consentir des avantages particuliers en matière fiscale, en vue de la constitution et du fonctionnement de la Société; sont convenus de ce qui suit:* Article 1er La Société bénéficiera en Suisse, aussi longtemps qu'elle y aura son siège, des exonérations fiscales ci-après, sans préjudice de l'application des dispositions de [l'Article 7 a) et b) de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005045&artikel=7): - 1° Exonération des droits de timbre à l'émission des actions de là Société. - 2° Exonération de l'impôt pour la défense nationale sur le revenu et sur le capital et les réserves, et de tout impôt fédéral direct futur qui le remplacerait. - 3° - a) Exonération du droit de timbre à l'émission pour les titres de tout emprunt de la Société émis après le 31 mars 1993; - b) Exonération de l'assujettissement au droit de négociation pour les transactions de titres de la Société effectuées après le 31 mars 1"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens *Preamble The Parties to this Additional Protocol to the Convention for the Protection of Individuals with regard to Automatic Processing of Personal Data, opened for signature in Strasbourg on 28 January 1981 (hereafter referred to as \"the Convention\"); Convinced that supervisory authorities, exercising their functions in complete independence, are an element of the effective protection of individuals with regard to the processing of personal data; Considering the importance of the flow of information between peoples; Considering that, with the increase in exchanges of personal data across national borders, it is necessary to ensure the effective protection of human rights and fundamental freedoms, and in particular the right to privacy, in relation to such exchanges of personal data, Have agreed as follows:* Article 1. Supervisory authorities 1. Each Party shall provide for one or more authorities to be responsible for ensuring compliance with the measures in its domestic law giving effect to the principles stated in [Chapters II and III of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002783&hoofdstuk=II) and in this Protocol. 2. - a) To this end, the said authorities shall have, in particular, powers of investigation and intervention, as well as the power to engage in legal proceedings or bring to the attention of the competent judicial authorities violations of provisions of domestic law giving effect to the principles mentioned in paragraph 1 of Article 1 of this Protocol. - b) Each supervisory authority shall hear claims lodged by any person concerning the protection of his/her rights and fundamental freedoms with regard to the processing of personal data within its competence. 3. The supervisory authorities shall exercise their functi"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen *The States Parties to this Protocol, Deeply concerned about the worldwide escalation of unlawful acts against civil aviation; Recognizing that new types of threats against civil aviation require new concerted efforts and policies of cooperation on the part of States; and Believing that in order to better address these threats, it is necessary to adopt provisions supplementary to those of the Convention for the Suppression of Unlawful Seizure of Aircraft signed at The Hague on 16 December 1970, to suppress unlawful acts of seizure or exercise of control of aircraft and to improve its effectiveness; Have agreed as follows:* Article I This Protocol supplements the [Convention for the Suppression of Unlawful Seizure of Aircraft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004424), signed at The Hague on 16 December 1970 (hereinafter referred to as “the Convention”). Article II *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article III *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article IV *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article V *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article VI *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article VII *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970.* Article VIII *Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuige"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende de immuniteit van Staatsschepen *Les Gouvernements signataires de la Convention Internationale pour l'Unification de certaines Règles concernant les Immunités des Navires d'Etat, ayant reconnu la nécessité de préciser certaines dispositions de cet Acte, ont nommé les plénipotentiaires soussignés, lesquels, après s'être communiqués leurs pleins pouvoirs reconnus en bonne et due forme, sont convenus de ce qui suit:* Artikel I Des doutes s'étant élevés quant au point de savoir si, et dans quelle mesure, les mots „exploités par lui”, à l'article 3 de la Convention, s'appliquent ou pourraient être interprétés comme s'appliquant aux navires affrêtés par un Etat, soit à temps, soit au voyage, la déclaration ci-dessous est faite en vue de dissiper ces doutes: „Les navires affrêtés par les Etats, soit à temps, soit au voyage, pourvu qu'ils soient affectés exclusivement à un service gouvernemental et non commercial, ainsi que les cargaisons que ces navires transportent ne peuvent être l'objet de saisies, d'arrêts ou de détentions quelconques, mais cette immunité ne porte aucun préjudice à tous autres droits ou recours pouvant appartenir aux intéressés. Une attestation délivrée par le représentant diplomatique de l'Etat en cause, de la manière prévue à l'article 5 de la Convention, doit valoir également en ce cas preuve de la nature du service auquel le navire est affecté.” Artikel II Pour l'exception prévue à l'article 3, paragraphe I, il est entendu que la propriété du navire acquise à l'Etat ou l'exploitation du navire effectuée par l'Etat au moment des mesures de saisie, d'arrêt ou de détention sont assimilées à la propriété existant ou à l'exploitation pratiquée au moment de la naissance de la créance. En conséquence, cet article pourra être invoqué par les Etats en faveur des navires leur appartenant, ou exploités par eux, au moment des mesures de saisie, d'arrêt ou de détent"},{"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme *Preambule The member States of the Council of Europe and the other Parties to the Council of Europe Convention on the Prevention of Terrorism (CETS No. 196), signatory to this Protocol, Considering that the aim of the Council of Europe is to achieve greater unity between its members; Desiring to further strengthen the efforts to prevent and suppress terrorism in all its forms, both in Europe and globally, while respecting human rights and the rule of law; Recalling human rights and fundamental freedoms enshrined, in particular, in the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (ETS No. 5) and its protocols, as well as in the International Covenant on Civil and Political Rights; Expressing their grave concern about the threat posed by persons travelling abroad for the purpose of committing, contributing to or participating in terrorist offences, or the providing or receiving of training for terrorism in the territory of another State; Having regard in this respect to Resolution 2178 (2014) adopted by the Security Council of the United Nations at its 7272nd meeting on 24 September 2014, in particular paragraphs 4 to 6 thereof; Considering it desirable to supplement the Council of Europe Convention on the Prevention of Terrorism in certain respects, Have agreed as follows:* Article 1. – Purpose The purpose of this Protocol is to supplement the provisions of the [Council of Europe Convention on the Prevention of Terrorism](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004604), opened for signature in Warsaw on 16 May 2005 (hereinafter referred to as “the Convention”) as regards the criminalisation of the acts described in [Articles 2 to 6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0011837) of this Protocol, thereby enhancing the efforts of Parties in preventing terrorism and its negative effects on the full enjoyment of human rights, in particular the right to life, bot"},{"b":"Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied *The undersigned Plenipotentiaries, furnished with full powers by their respective Governments, Convinced that the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America, negotiated and signed in accordance with the recommendations of the General Assembly of the United Nations in Resolution 1911 (XVIII) of 27 November 1963, represents an important step towards ensuring the non-proliferation of nuclear weapons, Aware that the non-proliferation of nuclear weapons is not an end in itself but, rather, a means of achieving general and complete disarmament at a later stage, and Desiring to contribute, so far as lies in their power, towards ending the armaments race, especially in the field of nuclear weapons, and towards strengthening a world at peace, based on mutual respect and sovereign equality of States, Have agreed as follows:* Article 1 To undertake to apply the statute of denuclearization in respect of warlike purposes as defined in articles 1, 3, 5 and 13 of the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America in territories for which, *de jure* or *de facto,* they are internationally responsible and which lie within the limits of the geographical zone established in that Treaty. Article 2 The duration of this Protocol shall be the same as that of the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America of which this Protocol is an annex, and the provisions regarding ratification and denunciation contained in the Treaty shall be applicable to it. Article 3 This Protocol shall enter into force, for the States which have ratified it, on the date of the deposit of their respective instruments of ratification. IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, having deposited their full powers, found in good and due form, sign this Protocol on behalf of their respective Governments."},{"b":"Aanvullend Protocol II bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied *The undersigned Plenipotentiaries, furnished with full powers by their respective Governments, Convinced that the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America, negotiated and signed in accordance with the recommendations of the General Assembly of the United Nations in Resolution 1911 (XVIII) of 27 November 1963, represents an important step towards ensuring the non-proliferation of nuclear weapons, Aware that the non-proliferation of nuclear weapons is not an end in itself but, rather, a means of achieving general and complete disarmament at a later stage, and Desiring to contribute, so far as lies in their power, towards ending the armaments race, especially in the field of nuclear weapons, and towards promoting and strengthening a world at peace, based on mutual respect and sovereign equality of States, Have agreed as follows:* Article 1 The statute of denuclearization of Latin America in respect of warlike purposes, as defined, delimited and set forth in the [Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343) of which this instrument is an annex shall be fully respected by the Parties to this Protocol in all its express aims and provisions. Article 2 The Governments represented by the undersigned Plenipotentiaries undertake, therefore, not to contribute in any way to the performance of acts involving a violation of the obligations of [article 1 of the Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343&artikel=1) in the territories to which the [Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343) applies in accordance with [article 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343&artikel=4) thereof. Article 3 The Governments represented by the undersigned Plenipotentiaries also undertake not to use or threaten to use nuclear weapons against the Contracting Parties"},{"b":"Aanvullend Protocol inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling van Nagoya-Kuala Lumpur bij het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid *The Parties to this Supplementary Protocol, Being Parties to the Cartagena Protocol on Biosafety to the Convention on Biological Diversity, hereinafter referred to as “the Protocol”, Taking into account Principle 13 of the Rio Declaration on Environment and Development, Reaffirming the precautionary approach contained in Principle 15 of the Rio Declaration on Environment and Development, Recognizing the need to provide for appropriate response measures where there is damage or sufficient likelihood of damage, consistent with the Protocol, Recalling Article 27 of the Protocol, Have agreed as follows:* Article 1. Objective The objective of this Supplementary Protocol is to contribute to the conservation and sustainable use of biological diversity, taking also into account risks to human health, by providing international rules and procedures in the field of liability and redress relating to living modified organisms. Article 2. Use of terms 1. The terms used in [Article 2 of the Convention on Biological Diversity](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=2), hereinafter referred to as “the Convention”, and [Article 3 of the Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513&artikel=3) shall apply to this Supplementary Protocol. 2. In addition, for the purposes of this Supplementary Protocol: - a) “Conference of the Parties serving as the meeting of the Parties to the [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513)” means the Conference of the Parties to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136) serving as the meeting of the Parties to the Protocol; - b) “Damage” means an adverse effect on the conservation and sustainable use of biological diversity, taking also into account risks to human health, that: - (i) Is measurable otherwise observable taking into account, wherev"},{"b":"Aanvullend Protocol No. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte *De Bondsrepubliek Duitsland, Het Koninkrijk België, De Franse Republiek, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Zwitserse Bondsstaat, Overwegende dat er bepaalde moeilijkheden zijn gerezen bij de toepassing en de uitlegging van enkele artikelen van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 in de versie van 20 november 1963, zijn overeengekomen daarin de volgende wijzigingen en aanvullingen aan te brengen:* Artikel I *Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868.* Artikel II *Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868.* Artikel III De bepalingen van de [Herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) en van de later daarin aangebrachte wijzigingen worden afgeschaft, voor zover zij momenteel nog in werking zijn en onverenigbaar zijn met het onderhavige Protocol. Artikel IV Dit Aanvullend Protocol dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij het Secretariaat van de Centrale Commissie teneinde in haar archief te worden bewaard. De Secretaris-Generaal maakt een proces-verbaal van de nederlegging der akten van bekrachtiging op. Hij zendt aan elk der ondertekenende Staten een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de akten van bekrachtiging, alsmede van het proces-verbaal van de nederlegging. Artikel V Dit Aanvullend Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging bij het Secretariaat van de Centrale Commissie. De Secretaris-Generaal stelt de andere ondertekenende Staten hiervan in kennis. Artikel VI Dit Aanvullend Protocol, opgesteld in een enkel exemplaar in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal, wordt bewaard in het archief van de Centrale Commissie; in geval van verschil is de Franse tekst doorslaggevend. Een door de Secretaris-Generaal voor eensluidend gewaarmerkt afschrift word"},{"b":"Aanvullend Protocol op het Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit *The member States of the Council of Europe, signatory to this additional Protocol, Considering the desirability of extending and promoting the application of the Convention on the Reduction of Cases of Multiple Nationality and Military Obligations in cases of Multiple Nationality, signed in Strasbourg on 6 May 1963, hereinafter referred to as “the Convention”; Considering that this Convention will be fully effective only if it is associated with an arrangement for communication between the Contracting Parties about the acquisition of their nationality by the nationals of other Contracting Parties; Have agreed as follows:* Article 1 Each Contracting Party undertakes to communicate to another Contracting Party any acquisition of its nationality by an adult or a minor who is a national of this State, which has taken place according to the conditions contained in [Article 1 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452&artikel=1). Article 2 1. This communication is to be made by means of a form according to the appended model within a delay of not more than six months from the date the acquisition of nationality has become effective. The information printed on the form shall be drafted in all the languages of the member States of the Council of Europe and in the languages of non-member States adhering to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452). The Secretary General of the Council shall produce the necessary translations and communicate them to the governments of the member States of the Council and States acceding to Convention. 2. The authorities of the State issuing the communication may decline to complete the information relating to item 4 of the form. Article 3 Any Contracting Party on signature or on depositing its instrument of ratificatio"},{"b":"Aanvullend Protocol voor procedureregels inzake de ontwikkelingssamenwerking ingevolge artikel 11 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende ontwikkelingssamenwerking | De Minister van Financiën van de Republiek Suriname, | De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van Nederland, | | --- | --- | Overwegende dat het, met verwijzing naar het terzake gestelde in de gemeenschappelijke verklaring naar aanleiding van het Ministersoverleg van juli 1988, gewenst is krachtens artikel 17 van bovengenoemd protocol1)[Red: Bedoeld wordt het Protocol voor procedureregels van 25 november 1975 (tekst in*Trb.* 1976, 8, rubriek J).]voor procedureregels enkele veranderingen daarin en aanvullingen daarop aan te brengen teneinde de voorbereiding, uitvoering en financiële afwikkeling van projecten en programma's te bespoedigen, zijn het volgende overeengekomen. - 1. Beide partijen bevestigen de afspraak zoals gemaakt tijdens het Ministersoverleg in juli 1988, inhoudende dat het overleg van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (CONS) bedoeld in artikel 8 e.v. van de Overeenkomst en in het Protocol voor Procedureregels vervangen wordt door een tenminste twee maal per jaar op hoog ambtelijk niveau te houden BELEIDSOVERLEG, hetwelk zal worden voorbereid door de Stichting Planbureau Suriname en de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Paramaribo, en hetwelk bij voorkeur zal plaatsvinden in de maanden mei en november. - 2. Projecten en programma's kunnen het gehele jaar door de Stichting Planbureau Suriname voor financiering ten laste van de verdragsmiddelen in aanmerking worden gebracht en aan de Regeringen van Suriname en Nederland worden aangeboden, op basis waarvan tijdens het Beleidsoverleg gemeenschappelijk genomen reserverings- en committeringbesluiten genomen kunnen worden over de voorbereiding- en uitvoeringmodaliteiten en de financiering per project en programma. Daarnaast kunnen in gezamenlijk overle"},{"b":"Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken *Preamble The States Parties to the present Convention Considering that freedom is the birthright of every human being; Mindful that the peoples of the United Nations reaffirmed in the Charter their faith in the dignity and worth of the human person; Considering that the Universal Declaration of Human Rights, proclaimed by the General Assembly of the United Nations as a common standard of achievement for all peoples and all nations, states that no one shall be held in slavery or servitude and that slavery and the slave trade shall be prohibited in all their forms; Recognizing that, since the conclusion of the Slavery Convention signed at Geneva on 25 September 1926, which was designed to secure the abolition of slavery and of the slave trade, further progress has been made towards this end; Having regard to the Forced Labour Convention of 1930 and to subsequent action by the International Labour Organisation in regard to forced or compulsory labour; Being aware, however, that slavery, the slave trade and institutions and practices similar to slavery have not yet been eliminated in all parts of the world; Having decided, therefore, that the Convention of 1926, which remains operative, should now be augmented by the conclusion of a supplementary convention designed to intensify national as well as international efforts towards the abolition of slavery, the slave trade and institutions and practices similar to slavery; Have agreed as follows:* SECTION I. Institutions and Practices Similar to Slavery Article 1 Each of the States Parties to this Convention shall take all practicable and necessary legislative and other measures to bring about progressively and as soon as possible the complete abolition or abandonment of the following institutions and practices, where they still exist and whether or not they are covered by the definition"},{"b":"Aanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen *Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van de Commonwealth (hierna te noemen „Hare Britse Majesteit”); De wens koesterende het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk gesloten Verdrag tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen, welk Verdrag op 31 mei 1932 te Londen ondertekend is, aan te vullen; Hebben besloten tot dat doel een aanvullend Verdrag te sluiten en hebben te dien einde tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer H. J. de Koster, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Hare Britse Majesteit: Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: Zijne Excellentie Sir Isham Peter Garran, K. C. M. G., Harer Britse Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage en De Right Honourable Lord Gardiner, Lord High Chancellor van Groot-Brittannië; Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt:* Artikel I. Werkingssfeer van het Verdrag en begripsomschrijvingen 1. Tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald, is dit Verdrag slechts van toepassing op burgerlijke zaken, daaronder begrepen zaken, waarover in oneigenlijke rechtspraak wordt beslist. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a) „gebieden”: - 1) waar het betreft het Verenigd Koninkrijk, Engeland en Wales, Schotland en Noord-Ierland en die gebieden, waar dit Verdrag van kracht is uit hoofde van een uitbreiding ingevolge artikel VII, eerste lid, onder a); en - 2) waar het betreft het Koninkrijk der Nederlanden, het Europese gedeelte van het Koninkrijk en elk ander deel van het Koninkrijk waar dit"},{"b":"Aanvullende Akte bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage van 6 november 1925 betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, herzien te Londen op 2 juni 1934 Article premier *Vervallen* Article 2 *Vervallen* Article 3 *Vervallen* Article 4 *Vervallen* Article 5 *Vervallen* Article 6 *Vervallen* Article 7 *Vervallen* Article 8 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullende Akte van 10 november 1972 houdende wijziging van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten *Les Etats Contractants, Considérant qu'à la lumière de l'expérience acquise depuis l'entrée en vigueur de la Convention internationale pour la protection des obtentions végétales, du 2 décembre 1961, le système de contributions des Etats de l'Union prévu par cette Convention ne permet pas une différenciation suffisante entre les Etats de l'Union en ce qui concerne la part de chacun d'eux dans le total des contributions, Considérant en outre qu'il est souhaitable de modifier les dispositions de cette Convention concernant, d'une part, les contributions des Etats de l'Union et, d'autre part, le droit de vote dans le cas d'un retard dans le paiement de ces contributions, Compte tenu des dispositions de l'article 27 de ladite Convention, Sont convenus de ce qui suit:* Article I *Wijzigt het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; Parijs, 2 december 1961.* Article II *Wijzigt het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; Parijs, 2 december 1961.* Article III Les dispositions du [paragraphe (6) de l'article 26 de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510&artikel=26) ne sont applicables que si tous les Etats de l'Union ont ratifié le présent Acte additionnel ou y ont adhéré. Article IV Les Etats de l'Union sont rangés dans celle des classes prévues dans le présent Acte additionnel comprenant le même nombre d'unités que celle qu'ils ont choisie en application de la [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510), à moins qu'au moment du dépôt de leurs instruments de ratification ou d'adhésion, ils n'expriment le désir d'être rangés dans une autre classe prévue dans le présent Acte additionnel. Article V 1). Le présent Acte additionnel est ouvert jusqu'au premier avril mil neuf cent soixante treize à la signature des Etats de l'Union et des Etats signataires de la [Convention](https:"},{"b":"Aanvullende formatie zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk-leerlingen) in de groepen drie tot en met acht van de basisschool Inleiding Met ingang van 1 augustus 2003 wordt de leerlinggebonden financiering ingevoerd. Op grond van deze regeling hebben basisscholen, die een leerling toelaten die is geïndiceerd voor een leerlinggebonden budget, recht op leerlinggebonden financiering. De procedures voor indicatiestelling zijn geregeld in de Wet op de expertisecentra en het daarop gebaseerde Besluit leerlinggebonden financiering (Stb. 2002, 107). De criteria die gelden bij de indicatiestelling liggen vast in de ministeriële regeling indicatiecriteria lgf. De formatieve omvang van het leerlinggebonden budget is geregeld in het Formatiebesluit WPO. Voor zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk) bedraagt de omvang van de leerlinggebonden financiering volgens dit Formatiebesluit voor een basisschool 35,6 formatierekeneenheden, waarvan 16,6 fre’s dienen te worden herbesteed bij een school voor speciaal onderwijs ten behoeve van ambulante begeleiding (de eerste twee jaar gaan deze her te besteden fre’s direct naar de school voor speciaal onderwijs). De resterende 19 fre’s zijn beschikbaar voor de opvang van de geïndiceerde leerling in de basisschool. Tot 1 augustus 2003 kunnen basisscholen die verstandelijk gehandicapte kinderen hebben ingeschreven een aanvraag indienen voor aanvullende formatie. Het aantal fre’s aanvullende formatie voor deze verstandelijk gehandicaptekinderen bedraagt voor kinderen in de groepen 1 en 2 19 fre’s en voor kinderen in de groepen 3 tot en met 8 39 fre’s. Dit betekent dat de huidige aanvullende formatie voor de kinderen in de groepen 3 tot en met 8 een grotere omvang heeft dan de omvang van het leerlinggebonden budget. Tevens ontvangt de basisschool een hoger bedrag voor de materiële instandhouding (m.i.) dan het bedrag dat hiervoor binnen het leerlinggebonden budget wordt toegekend. Het verschil bedraagt € 253 voor het schooljaar 2003/2004. Bij de beha"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst betreffende de geldigheid voor het Vorstendom Liechtenstein van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen*"},{"b":"Aanvullende overeenkomst bij het op 8 april 1960 voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ondertekende Financiële Verdrag *Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland overwegende dat ten aanzien van de uitleg en betekenis van artikel 10, lid 4, juncto artikel 16 van het op 8 april 1960 door het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ondertekende Verdrag inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag) twijfel is gerezen, in overeenstemming met de bepalingen van het zesde hoofdstuk van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting („Ueberleitungsverdrag” zoals gewijzigd op 23 oktober 1954) juncto de wet no. 63 van de Geallieerde Hoge Commissie („Amtsblatt AHK” 1951, no. 64, blz. 1107), in het belang van de rechtszekerheid en met het doel, de in het zesde hoofdstuk van het „Ueberleitungsvertrag” juncto artikel 16 van het Financiële Verdrag vervatte verplichting van de Bondsrepubliek Duitsland te vervullen en derhalve twijfel aan de werking van de ter fine van herstelbetalingen of restitutie genomen Nederlandse maatregelen met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland, met inbegrip van het Land Berlijn, aanwezige bezittingen van Nederlandse rechtspersonen weg te nemen, zijn overeengekomen als volgt:* Artikel 1 (1). In de gevallen die niet zijn geregeld door de leden 1 tot en met 3 van artikel 10 van het Financiële Verdrag zijn bij Duitse gerechten aanspraken, verweren, vorderingen in conventie en in reconventie en andere procedures niet toelaatbaar voor zover deze daarop zijn gebaseerd, dat de ingevolge Nederlandse maatregelen ter fine van herstelbetalingen of restitutie plaats gehad hebbende eigendomsovergang van aandeelhoudersrechten in Nederlandse naamloze vennootschappen met betrekking tot het vermogen van die naamloze venno"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het op 8 april 1960 voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ondertekende Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) *Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland geleid door de wens de ontginning van de bodemschatten in de ondergrond van de Eemsmonding te bevorderen en met de bedoeling daarbij samen te werken in de geest van artikel 48 van het Eems-Dollardverdrag, zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 In deze Overeenkomst betekent: „grensgebied” het in de bij deze Overeenkomst gevoegde kaart gearceerd aangegeven gebied met zijn ondergrond; „lijn” de lijn die het grensgebied in de lengterichting verdeelt en die op bijgaande kaart met groen is aangegeven; „bodemschatten” alle vaste, vloeibare of gasvormige stoffen in de ondergrond voor de winning waarvan volgens het mijnrecht van een van beide Overeenkomstsluitende Partijen een ontginningsrecht is vereist; „gerechtigde” een persoon die een recht tot opsporing of winning van bodemschatten (hierna te noemen „recht”) heeft. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen bij alle vraagstukken die zich in verband met de opsporing en winning van in de ondergrond van de Eemsmonding voorkomende bodemschatten mochten voordoen en waarbij wederzijdse belangen zijn betrokken in een geest van goede nabuurschap samenwerken. Artikel 3 De artikelen 4 tot en met 10 van deze Overeenkomst hebben betrekking op de in het grensgebied vóór het begin van de winning aanwezige aardolie- en aardgasvoorkomens en andere stoffen die gelijktijdig bij de winning worden verkregen. De Overeenkomstsluitende Partijen zullen in een afzonderlijke overeenkomst de overeenkomstige toepassing van deze bepalingen op andere bodemschatten in het grensgebied regelen, indien een van hen verklaart dat zulks noodzakelijk is. Artikel 4 (1). In het grensgebied vindt, onverminderd het Eems-Dollardverdrag, met betrekking tot - a) de opsporing en winn"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland *Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, verlangende verder uit te breiden de wederkeerige voorregten van scheepvaart, toegestaan aan de schepen der beide landen, respectivelijk bij het tractaat van handel en scheepvaart tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en hare Brittannische Majesteit, hetwelk geteekend is te 's Gravenhage op den 27sten October 1837, hebben tot hunne gevolmagtigden, om ten dien einde eene overeenkomst te sluiten benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Zijne Excellentie Jonkheer Graaf Schimmelpenninck, Minister van Staat, kommandeur der Koninklijke orde van den Nederlandsche Leeuw, ridder van de Koninklijke Frederiksorde van Wurtemberg, buitengewoon gezant en gevolmagtigden Minister van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden bij hare Majesteit de Koningin van Groot-Brittannie; En hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den Hooggeboren Heer Henrij John Burggraaf Palmerston, Baron Temple, Pair van Ierland, Lid van Harer Majesteits meest eervollen Geheimen Raad, Lid van het Parlement, Ridder Grootkruis der zeer eervolle Orde van het Bad, en Harer Brittannische Majesteit's voornaamsten Secretaris van Staat voor Buitenlandsche zaken, en den Hoog Edel Gestrenge Heer Henrij Labouchere, Lid van Harer Brittannische Majesteit's meest eervollen geheimen Raad, Lid van het Parlement, en voorzitter der Commissie van den Geheimen Raad voor de zaken van Handel en Kolonien. Welke, na elkander hunne wederzijdsche volmagten, die in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, te hebben medegedeeld, overeengekomen zijn, dat voor en in plaats van de artikelen II en III van het bovengemeld tractaat, de volgende artikelen zulle"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten *The Kingdom of Belgium, Canada, The French Republic, The Federal Republic of Germany, The Kingdom of the Netherlands, The United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and The United States of America, CONSIDERING that sub-paragraph (b) of paragraph 1 of Article 8 of the Convention on Relations between the Three Powers and the Federal Republic of Germany, as amended by Schedule I to the Protocol on the Termination of the Occupation Regime in the Federal Republic of Germany, signed at Paris on 23 October 1954, provides for the negotiation of new arrangements setting forth the rights and obligations of the forces of the Three Powers and other States having forces in the territory of the Federal Republic of Germany; CONSIDERING that, pursuant to that provision, the new arrangements shall be based on the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces, signed at London on 19 June 1951, supplemented by such provisions as are necessary in view of the special conditions existing in regard to the forces stationed in the Federal Republic of Germany; CONSIDERING that the North Atlantic Council has decided to approve, in accordance with paragraph 3 of Article XVIII of the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces, the accession to that Agreement of the Federal Republic of Germany, provided that such accession shall become effective only after all the States Parties to the new arrangements have ratified or approved them; CONSIDERING that the second paragraph of the Preamble to the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces also provides for separate arrangements supplement"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten *Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Gelet op het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949, Indachtig hun Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997, Ingevolge het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951, In overeenstemming met de Nederlands-Duitse notawisseling van 18 maart 1993, Geleid door de wens voor het verblijf van de Bundeswehr, haar leden en hun gezinsleden in het Koninkrijk der Nederlanden aanvullende regelingen te treffen die vergelijkbaar zijn met die welke voor het Nederlandse militaire personeel, de leden van de civiele dienst van de Nederlandse strijdkrachten en hun gezinsleden in de Bondsrepubliek Duitsland gelden, zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1. Doel van de Overeenkomst Het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951 (hierna te noemen „Navo-Status Verdrag\") wordt wat betreft de rechten en verplichtingen van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst. Artikel 2. Begripsbepalingen 1. Bundeswehr: de „krijgsmacht\" en de „civiele dienst\" van de Bondsrepubliek Duitsland als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder a respectievelijk b, van het NAVO-Status Verdrag. 2. Gezinslid: de echtgeno(o)t(e) van een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst, alsmede een kind van een zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud. Indien een lid v"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst op het Nederlands-Tsjechoslowaakse Handelsverdrag van 20 januari 1923 *Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République Tchécoslovaque ayant signé le Protocol portant application provisoire de l'Accord général sur les tarifs douaniers et le commerce, dont l'authenticité a été établie par l'Acte Final adopté à la fin de la deuxième Session de la Commission préparatoire de la Conférence des Nations Unies sur le Commerce et l'Emploi et signé le 30 octobre 1947 à Genève, sont convenus des dispositions suivantes:* Article I A partir du jour de la mise en vigueur (même provisoire) de l'Accord général sur les tarifs douaniers et le commerce par les deux parties contractantes, les droits conventionnels stipulés à l'Avenant du 9 avril 1934, à la Convention commercial entre le Royaume des Pays-Bas et la République Tchécoslovaque, signé à la Haye le 20 janvier 1923, ne seront plus appliqués. Les deux Gouvernements sont d'accord que le droit d'entrée sur le fromage d'Edam et de Gouda d'origine néerlandaise, stipulé à l'Arrangement additionnel du 1er décembre 1931, sera fixé par rapport à la révalorisation générale du tarif tchécoslovaque, au taux de 500 Kcs les 100 kgs. Article II Dans le cas où l'une des deux parties cesserait d'appliquer l'Accord général sur les tarifs douaniers et le commerce, les deux Gouvernements entreraient en négociations dans un délai de six mois. Les concessions tarifaires prévues par l'Accord Général et négociées à Genève entre la Tchécoslovaquie et les pays dits „Benelux” (Union Economique belgo-luxembourgeoise et Pays-Bas) resteraient applicables entre les deux parties jusqu' à l'entrée en vigueur du nouvel Accord qu'elles viendraient à conclure en s'inspirant des concessions directes et indirectes dont elles bénéficient en vertu de l'Accord Général. Toutefois, les concessions prévues par l'Accord Général et négociées à Genève entre la Tchécoslovaquie et les pays dits „Benelux” pourraient être ret"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van het Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid (Stelsel van Sociale Zekerheid van toepassing op arbeiders in de mijnen en daarmede gelijkgestelde ondernemingen) *Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République française, ayant résolu de conclure un Accord complémentaire en application de l'article 31 de la Convention générale entre les Pays-Bas et la France du 7 janvier 1950. Sont convenus des dispositions suivantes:* TITRE Ier. Dispositions générales Article 1er Le présent Accord définit le régime applicable aux ressortissants néerlandais ou français qui travaillent ou ont travaillé dans les mines ou établissements assimilés de l'un ou l'autre pays, ainsi qu'à leurs ayants-droit. Article 2 Les dispositions de la Convention générale sont applicables aux travailleurs visés à l'article premier et à leurs ayants-droit sous réserve des dispositions spéciales du présent Accord. TITRE II. Assurance vieillesse, invalidité et décès (pensions) CHAPITRE Ier. Dispositions communes Article 3 Paragraphe 1er. Pour les travailleurs qui ont été assujettis, successivement ou alternativement, dans l'un et l'autre pays contractant, à la législation ou règlementation spéciale aux travailleurs des mines, les périodes d'assurances ou de cotisation accomplies sous l'une ou l'autre législation ou règlementation et les périodes reconnues équivalentes à des périodes d'assurance en vertu desdites législations ou règlementations sont totalisées tant en vue de la détermination du droit aux prestations d'assurance vieillesse, invalidité et décès (pensions) qu'en vue du maintien ou du recouvrement de ce droit. Paragraphe 2. Les périodes de travail réputées accomplies au fond sous la législation ou règlementation spéciale aux travailleurs des mines de l'un des pays contractants sont considérées comme périodes de travail au fond, au regard de la législation ou règlementation de l'autre pays. Arti"},{"b":"Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en zijn lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen *het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en ten eerste, de Europese Unie, ten tweede, IJsland, en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen (hierna „Noorwegen”), erop wijzende dat de Europese Commissie namens de Europese Unie en de lidstaten heeft onderhandeld over een overeenkomst inzake luchtvervoer met de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om onderhandelingen te openen, erop wijzende dat de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten (hierna „de luchtvervoersovereenkomst” genoemd) op 2 maart 2007 is geparafeerd, op 25 april 2007 te Brussel en op 30 april 2007 te Washington D.C. is ondertekend en voorlopig wordt toegepast sinds 30 maart 2008, erop wijzende dat de luchtvervoersovereenkomst is ge"},{"b":"Aanvullende regels met betrekking tot het bijstellen van zaaksoorten en bijbehorende bewindvoerdersubsidies in het kader van de Wsnp Artikel 1 De Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad) stelt bij het begin van elke nieuwe Wsnp-zaak de zaaksoort vast en de bijbehorende subsidie ([art 4 Besluit Subsidie Bewindvoerder Schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=4)). De Raad baseert deze uitspraak op de informatie in de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de arrondissementsrechtbanken. De Raad informeert de bewindvoerder over zijn besluit via het rekening-courantoverzicht dat binnen twee maanden na ontvangst van het vonnis tot toepassing van de wettelijke schuldsanering aan de bewindvoerder wordt toegestuurd. Artikel 2 Indien de bewindvoerder tijdens de looptijd van de schuldsanering signaleert dat de werkelijke zaaksoort afwijkt van de aanvankelijk vastgestelde, dient hij de Raad daarover te informeren. Artikel 3 De bewindvoerder verzoekt schriftelijk om aanpassing van de zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidie uiterlijk op de dag van de beëindigingzitting. Het verzoek gaat vergezeld van documentatie aan de hand waarvan de Raad de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. Artikel 4 De Raad kan de bewindvoerder ook actief benaderen met het verzoek informatie beschikbaar te stellen waarmee hij de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. De bewindvoerder dient hieraan medewerking te verlenen. Verleent hij geen medewerking, dan kan de Raad een lagere bewindvoerdersubsidie vaststellen en uitbetalen. Artikel 5 De Raad informeert de bewindvoerder zo spoedig mogelijk en schriftelijk over zijn bevindingen. Artikel 6 De bewindvoerder kan uiterlijk vier weken na verzending van de bevindingen aanvullende informatie naar de Raad sturen. Na afloop van deze termijn beslist de Raad over de zaaksoort en informeert de bewindvoerder daarover. Artikel 7 De toelichting bij dit besluit bevat nadere uitleg over de werkwijzen en ach"},{"b":"Aanvulling circulaire schadevergoedingen Deze circulaire heeft in aanvulling op de circulaire schadevergoedingen van december 1997 tot doel u te informeren over hoe om te gaan met verzoeken om schadevergoeding in situaties waarin sprake is van gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning, indien dit in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen noodzakelijk is. Sinds 1 januari jl. is het ook voor het bevoegd gezag mogelijk een vergunning op grond van de Wet milieubeheer in te trekken, indien dit in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen noodzakelijk is. Intrekken van een vergunning in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen Op grond van artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer wordt een vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen worden verwijderd die van buiten de inrichting afkomstig zijn, dan wel op een inrichting waarin gevaarlijke afvalstoffen die in de inrichting zijn ontstaan, op of in de bodem worden gebracht om deze daar te laten, slechts verleend voor een in de vergunning te stellen termijn van ten hoogste 10 jaar. Indien wordt voorzien dat het beleid op korte termijn een wijziging zal ondergaan wordt geadviseerd een vergunning niet te verlenen voor de maximale termijn van 10 jaar doch voor een kortere periode. Hieraan dient natuurlijk een deugdelijke motivering ten grondslag te liggen. Op deze wijze kunnen verzoeken tot schadevergoeding grotendeels worden voorkomen. Het is evenwel niet ondenkbaar dat het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen vereist dat een reeds verleende vergunning alsnog dient te worden ingetrokken. Een beslissing tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer heeft in de regel financieel-economische gevolgen voor de vergunninghouder. In deze situaties geldt dat degene tot wie de beschikking is gericht op grond van artikel 15.20 van de Wet milieubeheer op verzoek dan wel uit"},{"b":"Aanvulling selectielijst arbeidsomstandigheden 1994-1998 Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde aanvulling voor de periode 1994-1998 op de `selectielijst voor de neerslag van de Handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden (vanaf 1940)' (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nrs. 96.755.RWS/EIB en DAZ/DA/96/3465 d.d. 4 december 1996 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 22 d.d. 31 januari 1997)) wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing 's-Gravenhage als vestigingsplaats voor een casino Artikel 1 's-Gravenhage wordt aangewezen als gemeente waarvoor bij de Organisatiebeschikking casinospelen (Stcrt. 1975, nr. 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003213&artikel=1&z=1979-01-27&g=1979-01-27) bedoelde aanwijzing geldt uitsluitend voor zover het speelcasino in het Kurhaus aldaar wordt gevestigd. Artikel 3 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie Omschrijving Deze aanwijzing bevat regels over de advisering door de Centrale toetsingscommissie (CTC). Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen de advisering van de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal (hierna College) is vereist en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. Ook wordt het toetsingskader voor de CTC beschreven. Daarnaast bevat deze aanwijzing informatie over de samenstelling van de CTC. Voorts wordt de mogelijkheid van collegiale toetsing door de CTC beschreven. In een beperkt aantal gevallen is een collegiale toetsing verplicht. Ten slotte wordt ingegaan op de vertrouwelijkheid van CTC-stukken. 1. Inleiding Het openbaar ministerie heeft op grond van [artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=148) (Sv) het gezag over de opsporing. Dit betekent dat de wettelijk geregelde opsporingsbevoegdheden in de meeste gevallen uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie. Bij een aantal opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist alvorens een bevel kan worden gegeven of een vordering kan worden gedaan. Voor de toepassing van een aantal ingrijpende opsporingsbevoegdheden is de voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. Het College wordt hierover geadviseerd door de CTC. Deze procedure dient ook in een aantal andere specifieke gevallen gevolgd te worden (zie [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052602)). In deze aanwijzing wordt de (verplichte) procedure bij de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal beschreven. 2. Samenstelling CTC De CTC is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie. De CTC is samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en de politie. Voor de advisering over het onderwerp toezeggingen aan getuigen en getuigenbescherming kan de CTC worden a"},{"b":"Aanwijzing afpakken Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten. De aanwijzing benoemt de strafrechtelijke afpakmogelijkheden. Uitgangspunt is dat de effectiviteit bepalend is bij de keuze voor een afpakmogelijkheid of een combinatie van afpakmogelijkheden. Ketensamenwerking staat bij afpakken centraal. De aanwijzing gaat in op de instrumenten die het openbaar ministerie daarbij ter beschikking staan. De aanwijzing geeft regels voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Achtergrond Veel strafbare feiten worden gepleegd vanuit een winstoogmerk; criminaliteit met als doel om daar in materiële zin beter van te worden. Het afpakken van crimineel vermogen is dan ook een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het wordt ingezet als aanvullende interventie bij de bestrijding van High Impact Crime, bij ondermijnende criminaliteit en bij strafbare feiten gepleegd door ‘veelplegers’. Vanuit het besef dat het niet afpakken van crimineel vermogen, hoe gering ook, de onderlinge cohesie in bijvoorbeeld een wijk of een jongerengroep, of de integriteit van een branche kan aantasten, wordt afpakken ingezet om met crimineel geld opgebouwd status af te breken, de daarmee opgebouwde voorbeeldrol te ruïneren en gevoelens van onzekerheid en onveiligheid te verminderen. Afpakken is geen neventaak maar een kerntaak. De overheid staat voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Belangrijke rechtsgoederen worden daarin bewaakt. Voorbeelden daarvan zijn een integer handelsverkeer en een rechtmatige en besteding van gemeenschapsgeld. De overheid kiest daarbij voor een brede en integrale aanpak van misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude. De inzet van het strafrechtelijk instrumentarium om het voordeel af te pakken en witwassen te bestrijden is een belangrijk onderdeel van deze rijksbrede aanpak. Afpakken en het opwerpen van barrières voor het witwassen van criminele gelden zijn"},{"b":"Aanwijzing afstemmingsprotocol onderzoeksraad voor de veiligheid - openbaar ministerie Samenvatting Deze aanwijzing is bestemd voor iedereen binnen het OM die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek te maken krijgt met samenloop van een onderzoek van de Onderzoeksraad naar hetzelfde feitencomplex. In het bijzonder richt de aanwijzing zich op de zaaksofficier van justitie. Deze aanwijzing bevat een beschrijving van de taken van de Onderzoeksraad, alsmede zijn werkwijze bij onderzoeken en, als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023578&bijlage=2&z=2008-03-01&g=2008-03-01), een afstemmingsprotocol tussen OM en Onderzoeksraad. Verder bevat de aanwijzing procedurevoorschriften voor het maken van nadere afspraken tussen OM en Onderzoeksraad in een concreet geval. Achtergrond Op 1 februari 2005 is de [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) (hierna te noemen: Rijkswet OvV) in werking getreden. Bij [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) is de Onderzoeksraad voor veiligheid (hierna te noemen: Onderzoeksraad) ingesteld. De opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie kunnen in de dagelijkse praktijk te maken krijgen met de Onderzoeksraad bij onderzoeken naar voorvallen1Voorval: gebeurtenis die de dood of letsel van een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu veroorzaakt, alsmede een gebeurtenis die gevaar voor een dergelijk gevolg in het leven heeft geroepen (art. 1, lid 1 onder f, Rijkswet OvV).. Ingevolge [art. 24 van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681) (hierna te noemen: Besluit OvV) zijn OM en Onderzoeksraad een afstemmingsprotocol overeengekomen, dat als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023578&bijlage=2&z=2008-03-01&g=2008-03-01) bij deze aanwijzing is gevoegd. Het protocol voorziet in afspraken over de samenwerking en informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de Onderzoeksraad een ond"},{"b":"Aanwijzing als centrale autoriteit Artikel I De Dienst Preventie, Jeugdbescherming en Reclassering, Stafbureau Juridische Zaken, aan te wijzen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europees verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 september 1995. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk 505267/95/HR, van 12 juli 1995."},{"b":"Aanwijzing als opsporingsambtenaren ex artikel 62 WAG 1. Onder intrekking van de desbetreffende beschikking van 25 januari 1954, no. 254/385, 2de afdeling A, worden aangewezen als opsporingsambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet Autovervoer Goederen en de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart: - a. de directeur-generaal van het verkeer; - b. de inspecteur-generaal van het verkeer; - c. de rijks(hoofd)inspecteurs van het verkeer (A), hoofden van de districten der Rijksverkeersinspectie; - d. de aan de sub *c* genoemde rijks(hoofd)inspecteurs van het verkeer (A) toegevoegde rijksinspecteurs van het verkeer (A), rijksinspecteurs van het verkeer 2de klasse en adjunct-rijksinspecteurs van het verkeer; - e. de rijksopzichters van het verkeer; - f. de rijkshoofdcontroleurs van het verkeer; - g. de rijkscontroleurs van het verkeer (A). 2. Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de *Nederlandse Staatscourant* en treedt in werking op de dag harer bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing als speciale beschermingszone EG-Vogelrichtlijn Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Friese IJsselmeerkust’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota en een kaart, welke deel uitmaken van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen Artikel 1 1. Als werkgever ten aanzien van de hulp van een thuiswerker, die doorgaans voor één opdrachtgever arbeid verricht, wordt aangewezen de opdrachtgever van die thuiswerker. 2. Als werkgever wordt niet beschouwd: - a. de natuurlijke persoon met wie of het lichaam met welk het optreden van de artiest is overeengekomen, voor zover het loon wordt betaald aan de persoon aan wie, of het lichaam aan welk door of vanwege de Minister van Financiën een verklaring is afgegeven dat hij ten aanzien van artiesten als inhoudingsplichtige is aangewezen: - b. de persoon aan wie of het lichaam aan welk de in onderdeel a bedoelde verklaring is afgegeven, voor zover het loon wordt betaald aan een ander aan wie zodanige verklaring is afgegeven. 3. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde verklaring kan worden afgegeven aan: - a. de artiest die als leider van een gezelschap optreedt. - b. de leider van een gezelschap die, of het lichaam dat het optreden van artiesten overeenkomt. - c. degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten wordt overeengekomen. Artikel 1a Als werkgever van de topsporter die op grond van het in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde reglement van de stichting Fonds voor de Topsporter een periodieke uitkering als tegemoetkoming in de kosten van zijn levensonderhoud geniet, wordt aangewezen de stichting Fonds voor de Topsporter. Artikel 2 Voor de toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004084&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004084&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004084&artikel=5&z=2011-01-01&g=2011-01-01) van het koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655 wordt buiten beschouwing gelaten de arbeidsverhouding van de persoon, die niet bij wijze van beroep"},{"b":"Aanwijzing ambtelijke testinstelling Artikel 1 Het Bureau Typekeuringen van de Directie Operationele Zaken van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het ministerie van Verkeer en Waterstaat wordt voor de periode van 1 januari 1989 tot 1 januari 1990 aangewezen als testinstelling voor het testen van zendinrichtingen welke zijn bestemd voor landmobiele telecommunicatie en van ontvanginrichtingen als bedoeld in artikel F.4.1. van het Besluit radio-elektrische inrichtingen. Artikel 2 Deze beschikking treedt inwerking op 1 januari 1989 en kan worden aangehaald als: Aanwijzing ambtelijke testinstelling."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met het toezicht naleving sancties tegen Servië en Montenegro Artikel 1 1. Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992 (Stbl. 1993, 64), zoals gewijzigd bij beschikking van 27 april 1993 (Stcrt. 82), en van het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële dienstenverkeer Servië en Montenegro (Stbl. 1993, 65) en de Sanctiebeschikking betalingsverkeer en financiële dienstenverkeer Servië en Montenegro II (Stcrt. 1993, 80), worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst, de ambtenaren invoerrechten en accijnzen en de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst. 2. Tevens worden aangewezen als ambtenaren belast met toezicht op het in het eerste lid genoemde Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992 de commandanten van Nederlandse oorlogsschepen. Artikel 2 De regeling van 24 december 1992 (Stcrt. 251), houdende de aanwijzing van ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de sancties tegen Servië en Montenegro, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met toezicht op naleving Markham-overeenkomst Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de [Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005766) (Stb. 1992, 673) bepaalde, worden aangewezen de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen met de volgende functies: Inspecteur Generaal der Mijnen, plaatsvervangend Inspecteur-Generaal der Mijnen, hoofd Nieuwbouw en Projecten, hoofd onderafdeling Arbeidskwesties, hoofdinspecteur of inspecteur. Artikel 2 Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is bekend gemaakt."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met toezicht op naleving Sanctiebesluiten Zuid-Afrika 1981 Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het Sanctiebesluit wapenvervoer Zuid-Afrika 1981 (Stb. 1981, 459) en van het Sanctiebesluit licenties Zuid-Afrika 1981 (Stb. 1981, 460) worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst. Artikel 2 Deze beschikking wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren bevoegd tot het verlenen van machtiging voor het in het verkeer brengen van aan bederf onderhevige levensmiddelen Artikel 1 Met de uitoefening van de aan de Ministers van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Landbouw en Visserij toegekende bevoegdheid, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=7) worden belast de ambtenaren van de Rijkskeuringsdienst van Waren van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de in [artikel 31, eerste lid, van de Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896&artikel=31) (Stb. 1958, 72) bedoelde ambtenaren en de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij, een ieder van hen op zijn eigen werkterrein. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003319&artikel=1&z=1988-07-28&g=1988-07-28) bedoelde ambtenaren verlenen machtiging tot het in het verkeer brengen van aan bederf onderhevige levensmiddelen, indien aan de bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (Stb. 1935, 793), de [Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896) (Stb. 1958, 72) en de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) (Stb. 1971, 371) gestelde eisen is voldaan. Artikel 3 Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren bevoegd tot vernietiging eet- en drinkwaren Artikel 1 Tot vernietiging van de in [artikel 32m, eerste lid, van Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32m) bedoelde eet- en drinkwaren en andere roerende zaken, zijn bevoegd de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 11 november 1999 (Stb. 502) tot wijziging van de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) in verband met de invoering van de bestuursrechtelijke boeten wegens overtreding van voorschriften bij of krachtens de Warenwetgesteld, in werking treedt."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren ex artikel 6 Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003332&artikel=3&z=1980-07-04&g=1980-07-04), 4, 5 alsmede het bij of krachtens [artikel 12 van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=12) (Stb. 1978, 430) bepaalde zijn belast de ambtenaren van de Algemene inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij alsmede de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen van het Ministerie van Financiën. Artikel 2 De beschikking van 21 mei 1979, nr. J. 1862, houdende [aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003687) A.I.D. ex [artikel 6 Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=6) (Stcrt. 1979, 99) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beschikking wordt geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren toezicht naleving voorschriften Wet op de kansspelen Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van voorschriften gesteld bij of krachtens Titel IVb van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) worden aangewezen: de ambtenaren van de Dienst van het IJkwezen voorzover zij daartoe een schriftelijke opdracht hebben verkregen van de hoofddirecteur van de Dienst van het IJkwezen. Artikel 2 Dit besluit zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag volgend op die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren Uitvoeringswet verdrag biologische wapens Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - 2. de ambtenaren van de Plantenziektenkundige Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - 3. de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing ambtenaren, als Bedoeld in Artikel 72 van de Luchtvaartwet Artikel 1 Als ambtenaren, bedoeld in bovengenoemd artikel, worden aangewezen de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst. Artikel 2 Zijn beschikking van 17 september 1959, nr. PZ/P 6463, Rijksluchtvaartdienst, wordt ingetrokken."},{"b":"Aanwijzing autoriteiten met betrekking tot disciplinaire straffen en beklag Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder ‘wet’: de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386). Artikel 2 Ten aanzien van de erkende gewetensbezwaarden die zijn tewerkgesteld elders dan bij een overheidsdienst uitsluitend of in hoofdzaak voor tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden bestemd, wordt als autoriteit bevoegd tot het opleggen van disciplinaire straffen, genoemd in artikel 33 van de wet, aangewezen: het hoofd van de Afdeling tewerkstelling erkende gewetensbezwaarden militaire dienst van het ministerie van Sociale Zaken, bij diens afwezigheid of ontstentenis het plaatsvervangend hoofd van genoemde afdeling en bij hun beider afwezigheid of ontstentenis, de eerste medewerker van het Bureau Straf-, tucht-en beroepszaken van genoemde afdeling.’ Artikel 3 1. De gestrafte, die zich over de hem opgelegde disciplinaire straf, over de omschrijving van de strafreden of over beide bezwaard acht, is bevoegd schriftelijk zijn beklag te doen. Het beklag wordt door tussenkomst van de strafoplegger ingediend. 2. Als autoriteit, door wie het beklag wordt behandeld, wordt aangewezen: het hoofd van de Stafafdeling Wetgeving en Juridische Aangelegenheden van het Ministerie van Sociale Zaken, en bij diens afwezigheid of ontstentenis het plaatsvervangend hoofd van genoemde stafafdeling. Artikel 4 De beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 30 december 1974, no. 142. 179 (Stcrt. 1974, 253), wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk Z-840692-141563, houdende tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Artikel 1 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1), wordt aan de wettelijke opvolgers van de verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,000 miljoen beschikbaar gesteld voor de kosten die zij moeten maken op grond van een sociaal plan voor medewerkers van wie als gevolg van de invoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) het dienstverband uiterlijk in 2016 wordt beëindigd. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per wettelijke opvolger van het verbindingskantoor vergoed. Artikel 2 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1), wordt aan de wettelijke opvolgers van de verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,400 miljoen beschikbaar gesteld voor kosten die na 2014 worden gemaakt en toe te schrijven zijn aan de afwikkeling van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring door de NZa vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per wettelijke opvolger van het verbindingskantoor vergoed. Artikel 3 Indien de in totaal door de wettelijke opvolgers van de"},{"b":"Aanwijzing bestrijding voetbalvandalisme en voetbalgerelateerd geweld Samenvatting In deze aanwijzing worden de algemene uitgangspunten beschreven die het openbaar ministerie hanteert bij de afhandeling van voetbalgerelateerde zaken. Deze aanwijzing betreft in beginsel delicten gerelateerd aan het betaald voetbal; in voorkomende gevallen kunnen bepalingen uit [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037213) ook van toepassing zijn op delicten gerelateerd aan amateurvoetbal. 1. Achtergrond Al enige jaren eisen de ernst en de omvang van de verstoringen van de openbare orde en geweldplegingen rondom wedstrijden in het Nederlands betaald voetbal onverminderd de aandacht op van de overheid en de voetbalorganisaties. De (gewelds)incidenten die rondom bepaalde wedstrijden plaatsvinden, vinden niet alleen plaats op wedstrijddagen in of rond de stadions, maar ook op andere plaatsen en tijden zoeken voetbalvandalen de confrontatie met rivaliserende hooligans of de politie. Uitgangspunt bij de aanpak van voetbalvandalisme is dan ook een ketenbenadering. In het *Kader voor beleid Voetbal en Veiligheid* van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is de bestrijding van voetbalvandalisme benoemd als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten, politie, openbaar ministerie (OM), Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), voetbalclubs en rijksoverheid (de ‘voetbalketen’). In dit beleidskader is het kader voor de samenwerking geschetst en zijn de taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen voor, tijdens en na afloop van de wedstrijden, evenals gezamenlijke en individuele beleidsdoelstellingen en tolerantiegrenzen benoemd. Op lokaal niveau werken gemeente, de politie, het OM en de Betaald Voetbalorganisatie (BVO) samen in de preventie en aanpak van voetbalvandalisme tijdens en rondom lokale wedstrijden. De burgemeester heeft als verantwoordelijke voor de openbare orde en veiligheid de regierol bij het maken van gerichte ketenafspraken in de lokale driehoek en"},{"b":"Aanwijzing bevelvoerende militairen met bevoegdheden als bedoeld in art. 59 Artikel 1 Als bevelvoerende militairen die de bevoegdheden bedoeld in [artikel 59 van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=59) kunnen uitoefenen worden aangewezen: - de commandant van een oorlogsschip; - de commandant van de Eerste amfibische gevechtsgroep van het Korps mariniers; - de commandant van de Tweede amfibische gevechtsgroep van het Korps mariniers; - de commandant van een bataljon van het Korps mariniers; - de officier-detachementscommandant bij de Koninklijke marine en bij de Koninklijke luchtmacht; - de militaire attachés. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) (Stb. 1990, 370) in werking treedt."},{"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (Bestuur & Management Consultants) Artikel 1 De firma Bestuur & Management Consultants (BMC) wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma Bestuur & Management Consultants (BMC) bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma Bestuur & Management Consultants (BMC) en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010684&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) en de circulaire gegeven voorschiften. Artikel 4 De firma Bestuur & Management Consultants (BMC) verstrekt aan de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid spontaan en op verzoek tijdig de inlichtingen die van belang zijn voor de uitvoering van dit besluit. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1999 en wordt bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (Deloitte & Touche Certification B.V.) Artikel 1 De firma Deloitte & Touche Certification B.V. wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma Deloitte & Touche Certification B.V. bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma Deloitte & Touche Certification B.V. en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010685&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) en de circulaire gegeven voorschiften. Artikel 4 De firma Deloitte & Touche Certification B.V. verstrekt aan de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid spontaan en op verzoek tijdig de inlichtingen die van belang zijn voor de uitvoering van dit besluit. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1999 en wordt bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (PricwaterhouseCoopers NV, OSRM) Artikel 1 De firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010683&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) en de circulaire gegeven voorschiften. Artikel 4 De firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM verstrekt aan de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid spontaan en op verzoek tijdig de inlichtingen die van belang zijn voor de uitvoering van dit besluit. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1999 en wordt bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit inzake afgifte diploma's, certificaten enz. op het gebied van de architectuur Artikel 1 De Stichting bureau architectenregister, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de architectentitel (Stb. 1987, 347), is belast met het afgeven van: - a. getuigschriften als bedoeld in artikel 11, onderdeel h, zevende en achtste streepje, van de richtlijn; - b. attesten als bedoeld in artikel 22, derde lid, tweede en derde streepje, van de richtlijn; - c. attesten als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de richtlijn; - d. verklaringen houdende de in artikel 27 van de richtlijn bedoelde bevestiging van de echtheid van de in Nederland afgegeven getuigschriften en diploma's, bedoeld in artikel 11, onderdeel h, vijfde tot en met achtste streepje, van de richtlijn, en - e. verklaringen houdende de bevestiging dat een Nederlands getuigschrift, genoemd in de ingevolge artikel 7, tweede lid, van de richtlijn in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte lijst, en behaald na een opleiding waarmee met ingang van het studiejaar 1988/89 is begonnen, voldoet aan de criteria van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn. Artikel 2 Voor het verstrekken van een getuigschrift, attest of verklaring als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004506&artikel=1&z=1989-06-01&g=1989-06-01), kan de Stichting bureau architectenregister aan de verzoeker een vergoeding in rekening brengen, waarvan het bedrag door die stichting, onder goedkeuring van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, wordt bepaald. Artikel 3 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. Afschrift van deze beschikking zal worden gezonden aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen, aan de staatssecretaris van Economische Zaken mevrouw mr. Y. M. C. T. van Rooy, aan de Stichting bureau architectenregister en aan de Algemene Rekenkamer."},{"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit Scheepvaartreglement Eemsmonding Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=1) is met ingang van 1 april 1994: de hoofdingenieur-directeur in de directie Noord-Nederland van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2 Van deze beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit Scheepvaartreglement Kanaal van Gent naar Terneuzen Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, 1°, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2), is: voor zover het betreft de vaarweg, de zijkanalen en de objecten waar de zorg voor een veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer en de technische zorg is opgedragen aan het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat: de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland, in de artikelen: [2, eerste lid, onderdelen d en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2); [2, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2); [3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=3); [6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6); [9, vierde lid, vijfde lid, onderdeel b, zesde lid, zevende lid, onderdeel c, en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=9); [13, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=13); [18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=18); [19, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19); [30, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=30); [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=38); [39, eerste, tweede, vierde, vijfde en twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=39); [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=40); [41, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=41); [42, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=42); [43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=43); [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/j"},{"b":"Aanwijzing bewijs van bekwaamheid voor toelating examens akte handenarbeid l.o. Gerekend van 1 januari 1968, zijn aangewezen als bewijs van bekwaamheid, dat toelating verleent tot de examens ter verkrijging van de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak handenarbeid: - 1. de akten van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak tekenen, genoemd in de bijlage, bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van de Overgangswet w.v.o., onder de nrs. 135, 179, 180 en 181; - 2. de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak vrouwelijke handwerken, genoemd in de onder 1 bedoelde bijlage, onder nr. 145; - 3. de akten van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak huishoudkunde, genoemd in de onder 1 bedoelde bijlage, onder de nrs. 146 en 184."},{"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar *In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.* 1. Inleiding De Belastingdienst heeft meer dan 10.000 bezwaarschriften ontvangen die zijn gericht tegen aanslagen inkomstenbelasting 2013. De Belastingdienst verwacht dat nog veel bezwaarschriften zullen volgen nu inmiddels ook aanslagen over 2014 zijn/worden opgelegd. Deze bezwaarschriften hebben alle betrekking op dezelfde rechtsvraag. Deze rechtsvraag luidt als volgt: Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in [artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2), op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last? Het gaat hierbij alleen om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol. De aanleiding tot de bezwaarschriften is een oproep van de Bond voor Belastingbetalers om bezwaar te maken tegen het vermeende te hoog vastgestelde forfaitair rendement in box 3 voor het voordeel uit sparen. De Belastingdienst is op goede gronden van oordeel dat de bezwaren op grond van het geldende recht afgewezen moeten worden en dat de administratieve rechter in belastingzaken redelijkerwijs tot hetzelfde oordeel zal komen. Deze verwachting baseert de Belastingdienst mede op recente arresten van de Hoge Raad1Onder meer HR 3 april 2015 nr. 13/04247, ECLI:"},{"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 als massaal bezwaar *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de in dit besluit nader omschreven bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.* 1. Inleiding Op 26 juni 2015 is het besluit [Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036754) (Stcrt. 2015, 18400) in werking getreden. Het besluit van 26 juni 2015 ziet uitsluitend op bezwaren tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting waarin de vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) op spaarsaldi is berekend op basis van een forfaitair rendement van vier procent. Concreet betreft de aanwijzing dus de belastingjaren tot en met 2016. Met ingang van 1 januari 2017 is namelijk de tekst van [artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (hierna: Wet IB 2001) ingrijpend gewijzigd, waardoor de vaststelling van de hoogte van het forfaitaire rendement op een andere wijze plaatsvindt. De lopende procedures betreffende de jaren tot en met 2016 kunnen dus niet beslissend zijn voor de bezwaren tegen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2017 (en later). De Bond voor Belastingbetalers heeft op 9 mei jl. een oproep gedaan aan belastingplichtigen om bezwaar te maken tegen de vermogensrendementsheffing in de aanslag inkomstenbelasting 2017. De Belastingdienst verwacht mede daardoor dat veel belastingplichtigen (ook) bezwaar zullen maken tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 31 mei 20181Kamerstukken II 2017/18, 34 245, nr. 2. heb ik meegedeeld dat wordt gewerkt aan een aanwijzing massaal bezwaar voor b"},{"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2018 als massaal bezwaar *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de in dit besluit nader omschreven bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2018 waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.* 1. Inleiding Op 26 juni 2015 is het besluit [Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036754) (Stcrt. 2015, 18400) in werking getreden. Het besluit van 26 juni 2015 ziet uitsluitend op bezwaren tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de belastingjaren tot en met 2016. In het [besluit van 7 juli 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041147) zijn bezwaarschriften tegen de forfaitaire elementen van de vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) in definitieve aanslagen inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2017 aangewezen als massaal bezwaar (Stcrt. 2018, 39781). De Belastingdienst verwacht dat veel belastingplichtigen (ook) bezwaar zullen maken tegen de box 3-heffing in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2018. Gezien de nog lopende massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren tot en met 2017, heb ik besloten om ook bezwaarschriften tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2018 aan te wijzen als massaal bezwaar. In dit besluit is deze aanwijzing opgenomen. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik de bezwaarschriften die betrekking hebben op de in [onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042138) vermelde rechtsvraag aan als massaal bezwaar in de zin van [artikel 25c AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c). 2. Aanwijzing als massaal bezwaar Als massaal bezwaar in de zin van [artikel 25c AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c)"},{"b":"Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten 1. Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de wettelijke bepalingen over de bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. 2. Achtergrond Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2013 van de Wet tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280)1Stb. 2013, 85. is het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures uitgebreid. Het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) bevatte reeds bepalingen over de bijstand van tolken en vertalers tijdens het verhoor door de rechter-commissaris ([art. 191 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=191)) en het onderzoek ter terechtzitting ([art. 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=260), [274-276](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=274), [325](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=325), [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=346), [362](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=362) en [391 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391)). Per 1 oktober 2013 is ook de bijstand van tolken en vertalers in de *opsporingsfase*wettelijk geregeld. Bijstand van tolken en vertalers in deze fase van het onderzoek is van groot belang. Een goede weergave van de bij de politie afgelegde verklaring(en) is immers van belang voor de beslissing of en terzake waarvan wordt vervolgd en, indien wordt vervolgd, voor het bezigen van die verklaring voor het bewijs. Een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk. Onder dat recht wordt mede begrepen bijstand van een daartoe geschikte persoon als tolk aan een ve"},{"b":"Aanwijzing binnenvaart Samenvatting Deze aanwijzing bevat regels voor het OM en de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). 1. Achtergrond 1.1. Inleiding De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per binnenwater. Van belang is met name de volgende regelgeving. - – *Scheepvaartverkeerswet (SVW)* In de [SVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) staan algemene regels voor veiligheid voor het scheepvaartverkeer. De SVW vormt eveneens de basis voor het beheer van scheepvaartwegen en het aanbrengen van verkeerstekens; - – *Scheepvaartreglementen* De in de [SVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) neergelegde regels zijn voor de Nederlandse binnenwateren nader uitgewerkt in het *Binnenvaartpolitiereglement (BPR)*. Op de internationale Rijn geldt het *Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR)*. Op andere conventionele (grens)wateren (Eems/Dollard, Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas) geldt het desbetreffende scheepvaartreglement; - – *Binnenvaartwet (BVW)* Deze wet en de onderliggende regelgeving, het [Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631) en de [Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958), hebben onder meer betrekking op technische eisen voor binnenschepen, toegang tot de markt, bemanningsvoorschriften, vaarbewijzen en vaar- en rusttijden. 1.2. Reikwijdte De domeinen *Milieu* (bijvoorbeeld het Scheepsafvalstoffenverdrag en de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458)) en *Zeevaart* vallen buiten de reikwijdte van deze aanwijzing. Deze domeinen liggen bij het Functioneel Parket. Zeeschepen die de binnenwateren bevaren vallen wel onder de aanwijzing. 2. Binnenvaartwet 2.1. Uitgangspunten bestuurlijke handhaving De bestuursrechtelijke handhaving van de [BVW](https://wetten.overheid"},{"b":"Aanwijzing Bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie als rechtspersoon De Stichting Bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie, statutair gevestigd te Utrecht, met ingang van 15 juli 1989 aan te wijzen als de rechtspersoon die tot taak heeft algemene voorlichting te verstrekken aan aspirant-pleegouders die een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming hebben ingediend. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt."},{"b":"Aanwijzing COTG als instantie vaststelling beleidsregels stimulansopbrengsten apotheekhoudenden Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005342) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat de stimulansopbrengsten dekking geven aan de praktijkkosten en/of het inkomen van apotheekhoudenden. Hierbij wordt uitgegaan van een macro-bedrag ad f 39 miljoen (excl. BTW) op jaarbasis, hetgeen overeenkomt met een bedrag van f 23.000 per rekennorm-apotheek. Artikel 2 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het onbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing coördinerende instantie Artikel 1 Als coördinerende instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EEG) nr. 729/70 wordt aangewezen: het Coördinerend Bureau, ressorterend onder de Directie Internationale Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 2 De coördinerende instantie treedt op als enige vertegenwoordiger van de Lid-Staat Nederland tegenover de Europese Commissie voor alle aangelegenheden als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008470&artikel=2&z=1997-01-01&g=1997-01-01) van verodening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie (Pb EG L 158). Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1997."},{"b":"Aanwijzing Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER) als bewaarder inbeslaggenomen voorwerpen Artikel 1 Als bewaarder als bedoeld in de [aanhef van artikel 1 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007823&artikel=1) wordt aangewezen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing directie als centrale autoriteit Artikel I De Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid, stafbureau Juridische Zaken, wordt aangewezen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europese verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit werkt terug tot 1 januari 1998. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk [511387/95/JR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007520), van 23 augustus 1995."},{"b":"Aanwijzing discriminatie Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van discriminatie. Het betreft de strafrechtelijke discriminatiebepalingen ([artikel 137c tot en met 137g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=137c) en [artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=429quater)), in deze aanwijzing aangeduid als specifieke discriminatiefeiten, en strafbare feiten met een discriminatieaspect (omschreven in [artikel 44bis Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44bis)), in deze aanwijzing aangeduid als strafbare feiten met een discriminatieaspect. 1. Achtergrond 1.1. Beschermd belang Discriminatie is een uiting van onverdraagzaamheid tegenover bepaalde mensen en groepen vanwege hun persoonskenmerken. Het komt op verschillende manieren en op allerlei maatschappelijke terreinen tot uiting. In verschillende wetten zijn daarom regels opgenomen om de samenleving tegen discriminatie te beschermen. Het openbaar ministerie (OM) is belast met de aanpak van de vormen van discriminatie die strafbaar zijn gesteld in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854). Discriminatie is niet zonder gevolgen. Mensen kunnen hierdoor ervaren dat zij niet zichzelf kunnen zijn of dat zij vanwege hun persoonskenmerken worden belemmerd in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. Discriminatie kan er ook toe leiden dat groepen door anderen als minderwaardig worden gezien en zelfs dat geweld tegen hen legitiem wordt geacht. Het vormt daarmee een bedreiging van de openbare orde. Discriminatie raakt zodoende niet alleen individuen of groepen mensen met gemeenschappelijke kenmerken, maar de gehele maatschappij. Met de strafbaarstelling van discriminatie heeft de wetgever op het oog gehad individuele personen, het onbelemmerd maatschappelijk functioneren van individuen en groepen, en de openbare orde te beschermen. Gelet op"},{"b":"Aanwijzing Eindhoven vergunninghouder speelcasino Artikel 1 De gemeente Eindhoven wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing elektronische verzendwijzen Salland Zorgkantoor Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Bijlage:* - de bij dit besluit behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051996) inzake verzendwijzen - b. *Officieel bericht:* - een bericht als bedoeld in[artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) - c. *PGB Portaal:* - de online omgeving waar budgethouders van een persoonsgebonden budget (pgb), vertegenwoordigers en zorgverleners snel, makkelijk, overzichtelijk en veilig hun pgb-administratie regelen. Het portaal is te benaderen via de website [www.mijnpgb.nl](http://www.mijnpgb.nl/). - d. *VECOZO notitieverkeer* - Het VECOZO notitieverkeer is een beveiligde manier om informatie uit te wisselen over zorgvragen van cliënten met een Wlz-indicatie. Het notitieverkeer kan gebruikt worden voor contact tussen het zorgkantoor en Wlz-zorgaanbieders. - e. *iWlz* - iWlz is een systematiek van elektronisch berichtenverkeer waarmee de cliënt in alle fasen van de zorgketen kan worden gevolgd. Het elektronisch berichtenverkeer vindt plaats op basis van landelijk vastgestelde berichtenstandaarden en kan gebruikt worden door zorgaanbieders en het zorgkantoor. - f. *Wetgeving:* - de Algemene verordening gegevensbescherming, de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014), het [Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)en de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en de bij of krachtens voornoemde wetten geldende regelgeving. Artikel 2. Verzendwijzen Een officieel bericht, verband houdende met de voor Salland Zorgkantoor relevante wetgeving, kan elektronisch aan Salland Zorgkantoor worden verzonden op de in de [bijlage](https:/"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid voor de orthodontisten Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: het Cotg) stelt ten behoeve van de personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006877&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 4, onderscheidenlijk [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006877&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 32 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen voor zowel voor de ziekenfondspraktijk als de particuliere praktijk zodanige richtlijnen vast dat een neerwaartse aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 17 mln. voor 1994 bewerkstelligt. Uitgaand van ongewijzigd beleid en van het toegestane volume 1992 en een toegestane volumegroei 92–94, zou het totaal in rekening te brengen tarieven voor 1994 f 17 mln. meer bedragen dan het (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen) voorlopige aanvaardbare niveau ad f 225 mln. 2. Tenzij het Cotg op voorstel van representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars anders besluit, neemt het Cotg generieke tariefmaatregelen. 3. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 w.t.g. inzake Tubakorting algemene ziekenhuizen Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007356&artikel=1&z=1996-02-25&g=1996-02-25), nummer 1 (voor zover het de algemene ziekenhuizen betreft), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen per 1 januari 1995 zodanig dat op de aanvaardbare kosten structureel een verlaging wordt gerealiseerd van f 22,5 mln. en incidenteel voor het jaar 1995 een verlaging wordt gerealiseerd van f 45 mln. Artikel 2 - a. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007356&artikel=1&z=1996-02-25&g=1996-02-25) bedoelde structurele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 1,24% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, dialyse en radiotherapie; - door voor het resterende bedrag een verlaging te realiseren van de bedragen, die in de richtlijn ’Functiegerichte budgettering’ zijn vastgesteld voor de parameters gewogen opnamen, verpleegdag, gewogen 1e polikliniekbezoek, dagverpleging, de poliklinische bevallingen (M9) en de poliklinische infuusverstrekkingen cytostatica (M14). Daartoe zullen de maximumbedragen worden verlaagd. Deze verlaging zal niet verder doorwerken dan tot ziekenhuizen met 40 of minder gewogen specialisteneenheden. - b. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007356&artikel=1&z=1996-02-25&g=1996-02-25) bedoelde incidentele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 2,48% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, d"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake budgetkorting 1995 bij ziekenhuizen Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) de nummers 1, 3, 4, 6, 8, 9, 20 en 31 en in artikel 2b van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig dat vanaf 1 januari 1995 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwijzing van 11 november 1993 (brief [VMP/O, 933223](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006247)) voor zover het betreft [Artikel 1, sub 1, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) ‘incidentele verlaging van f 104 mln’, worden omgezet in richtlijnen, die bewerkstelligen dat genoemde verlaging een structureel karakter krijgt. Artikel 2 Het Cotg zal voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) nummer 2 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, - de richtlijnen zodanig wijzigen dat vanaf 1 januari 1995 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwijzing van 11 november 1993 (brief [VMP/O, 933223](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006247)) voor zover het betreft [Artikel 1, sub 2, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) ‘incidentele verlaging van f 21 mln’, worden omgezet in richtlijnen, die bewerkstelligen dat genoemde verlaging een structureel karakter krijgt. - een richtlijn vaststellen zodanig, dat daarenboven ee"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake de vaststelling van de aanvaardbare kosten 1998 ten behoeve van thuiszorg, ouder- en kindzorg en dieetadvisering AWBZ Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van instellingen, die vanaf 1-1-1998 in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009059&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) nummer 16 (instellingen die thuiszorg leveren als bedoeld in [artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=15)), nummer 16a (instellingen voor ouder- en kindzorg), nummer 16b (instellingen voor dieetadvisering) in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, richtlijnen vast met in achtneming van de aanvaardbaar geachte kosten van f 3380,4 mln. Dit bedrag is het saldo van de mutaties de conform tabellen van bijlage B10, de nummers 7.06, 7.07, 7.09 (te verminderen met f 70,3 mln intensieve thuiszorg en coördinatie thuiszorg) en 3.13 van het Jaaroverzicht Zorg 1998, verder genoemd JOZ 1998. Artikel 2 In verband met de overheveling van de indicatiestelling thuiszorg naar de gemeenten worden de aanvaardbare kosten van de voormalige kruiswerkorganisaties generiek verlaagd met f 31,2 mln en de aanvaardbare kosten van de voormalige gezinsverzorgingsinstellingen worden generiek verlaagd met f 31,3 mln, conform tabel 7.09 van bijlage B10 van het JOZ 1998. Artikel 3 1. De kortingsmaatregel 1997 in verband met de overheveling van ziekenhuisgerelateerde thuiszorg naar het tweede verzekeringscompartiment wordt met ingang van 1998 ongedaan gemaakt. 2. De regionale middelen 1997 ad f 20 miljoen worden generiek aan de budgetten toegevoegd van alle thuiszorginstellingen, met uitzondering van de voormalige gezinsverzorgingsinstellingen. 3. De regionale middelen 1997 ad f 37,5"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1993 voor de fysiotherapeuten 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg wordt de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005710) bij dit besluit neergelegde aanwijzing als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) (Stb. 1980, 646), gegeven, betrekking hebbend op de in de vrijgevestigde praktijk werkzame fysiotherapeuten. 2. Dit besluit met bijbehorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005710) wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de fysiotherapeuten Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006244&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 7, onderscheidenlijk onder A, onder nummer 32, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig vast dat, voor zover de prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk, een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 23 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor fysiotherapeutische hulp in de particuliere praktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 369 mln (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1992, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 23 mln meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau ad f 369 mln. 2. Tenzij het Cotg op voorstel van de representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars anders besluit, neemt het Cotg generieke tariefmaatregelen. 3. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de kruisorganisaties Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006240&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 16, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat in 1994 een zodanige korting wordt toegepast dat vanaf dat jaar in totaal een verlaging van f 12 mln ten opzichte van 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). 2. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de tandartsen algemeen practici Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006241&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21), nummer 2 onderscheidenlijk onder A, nummer 25 en 32, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat, - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk, een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 41 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de tandheelkundige hulp geleverd door algemeen practici in de ziekenfondspraktijk, voor het totaal van in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 841 mln (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1992, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 41 mln meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau ad f 841 mln. - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk, een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 55 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de tandheelkundige hulp geleverd door algemeen practici in de particuliere praktijk, voor het totaal van in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 1276 mln (exclusief definitieve loon-en prijsbijstellingen). Verondersteld is dat dit bedrag f 382 mln bevat aan techniekkosten waarop de korting geen betrekking heeft. Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1992, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven exclusief de techniekkosten f 55 mln meer bedragen dan het hiervoor genoemde"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de verstandelijk gehandicapten Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder C, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006242&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 1 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zijnde dagverblijven voor ouderen, de richtlijnen zodanig vast dat op de aanvaardbare kosten 1994 een korting wordt toegepast waardoor vanaf dat jaar in totaal een verlaging van f 10 mln ten opzichte van 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). 2. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de ziekenhuizen Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) zal voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006247&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) de nummers 1, 3, 4, 6, 8, 9, 20 en 31 en in artikel 2b in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, - de richtlijnen zodanig wijzigen dat op de aanvaardbare kosten 1994 vanaf dat jaar een structurele verlaging van f 119 mln - een richtlijn vaststellen zodanig dat daarenboven een incidentele verlaging van f 104 mln ten opzichte van de aanvaardbare kosten 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). 2. Het Cotg zal voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006247&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 2 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, - de richtlijnen zodanig wijzigen dat op de aanvaardbare kosten 1994 vanaf dat jaar een structurele verlaging van f 17 mln - een richtlijn vaststellen zodanig dat daarenboven een incidentele verlaging van f 21 mln ten opzichte van de aanvaardbare kosten 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). 3. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staat"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1995 voor de fysiotherapeuten Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007110&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), nummer 7 respectievelijk onder A, nummer 32, van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig vast dat voorzover de prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk, een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 36 min bewerkstelligt (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1993, zou het totaal in rekening te brengen tarieven voor de particuliere praktijk f 36 mln meer bedragen dan het aanvaardbare niveau van f 377 mln. 2. Tenzij het Cotg op voorstel van de representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars anders besluit, neemt het Cotg generieke tariefsmaatregelen. 3. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1995 voor medisch specialisten Artikel 1 1. Het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007112&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007112&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit Werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat: - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 193 mln. voor 1995 bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1995 maximaal f 953,5 mln (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1993, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 220 mln. meer bedragen dan het aanvaardbare kostenniveau van f 953,5 mln; - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk een aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 204 mln. voor 1995 bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de particuliere praktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1995 maximaal f 1054.5 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzicht van 1993, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 204,5 mln. meer bedragen dan het aanvaardbare kostenniveau van f 1054,5 mln; - c. voor zover die prestaties wor"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid voor de orthodontie Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt richtlijnen vast voor de ziekenfondspraktijk en de particuliere praktijk ten behoeve van de vaststelling van de maximumtarieven van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006243&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21), nummers 2 en 4, onderscheidenlijk [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006243&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21), nummer 32 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen. De aanpassing heeft tot doel een adequate onderbouwing van de tarieven naar inkomens-en kostenbestandelen alsmede de rekennorm voor de hieronder nader aangegeven prestaties te verkrijgen. Het betreft de volgende prestaties: - behandelingen met uitsluitend of voornamelijk uitneembare apparatuur; - behandeling met partieel vaste apparatuur; - behandeling met volledig vaste apparatuur in boven- en onderkaak. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dan na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake korting 1998 op de aanvaardbare kosten van de FB-ziekenhuizen Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009058&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 1 (ziekenhuizen), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, en voorzover het organen betreft waarop de FB-richtlijnen van toepassing zijn, de richtlijnen zodanig dat vanaf 1 januari 1998 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwijzing van 6 december 1996 (brief [VPZ/P-962924](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008385)) voor zover het betreft de in artikel 1, lid 1 van die aanwijzing vastgelegde incidentele verlaging met f 100 mln, worden omgezet in richtlijnen, die bewerkstelligen dat genoemde incidentele verlaging een structureel karakter krijgt. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambsthalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake kortingen-1995 in verband met produktiviteitsverbetering bij instellingen Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007111&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), de nummers 1 t/m 21, 23, en 26 t/m 31, C, de nummers 1 en 2, en D, en in artikel 2b van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 (Stb. 1 991, 732) als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig dat op de aanvaardbare kosten vanaf 1 januari 1995 ten opzichte van de aanvaardbare kosten, zoals die zijn of zullen worden goedgekeurd of vastgesteld per 31 december 1994 een verlaging wordt gerealiseerd van 0.70% van de kosten, verbonden aan het personeelsvolume (exclusief de definitieve loonbijstellingen). Voor zover op genoemde organen van gezondheidszorg geen stelsel van budgettering van toepassing is zal de korting worden toegepast op de in de tarieven ingecalculeerde loonsom. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake kortingen-1995 in verband met produktiviteitsverbetering bij vrije beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van de personen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007114&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), nummer 32, onder B, de nummers 1 t/m 9, en in artikel 2a en 2b van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig dat per 1 januari 1995 de normatieve werkbelasting met 1,05% wordt verhoogd. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake prijsbijstelling materiële kosten van organen voor de gezondheidszorg Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt met het oog op de jaarlijkse aanpassing van de materiële component in de budgetten en de kostenbestanddelen in de tarieven (exclusief de loonkosten) in verband met de prijsontwikkeling, nieuwe richtlijnen vast ten behoeve van organen voor gezondheidszorg aangewezen in het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) met in achtneming van het volgende: - a de prijsbijstelling particuliere consumptie voor het jaar t wordt bepaald door de particuliere consumptie jaar t in prijzen jaar t te delen door de particuliere consumptie jaar t in prijzen jaar t-1 zoals gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan (CEP) t, in de tabel ’middelen en bestedingen’ jaar t, - b in de richtlijnen wordt ten aanzien van de prijsbijstelling materiële kosten het volgende geregeld: - de voorcalculatie voor het jaar t geschiedt conform een in het JOZ ter zake opgenomen voorcalculatorisch percentage, waaromtrent het Cotg zo spoedig mogelijk na de publicatie van het JOZ wordt geïnformeerd; - de eindcalculatie voor het jaar t is het saldo van de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t minus het voorcalculatorische percentage; - een eventueel verschil tussen de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t bepaald op grond van het CEP t+1 en de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t bepaald op grond van het CEP t wordt in jaar t+1 structureel verwerkt. - c de verwerking van eventuele verschillen tussen de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t zoals bepaald op grond van het CEP t+1 en de prijsbijstelling particuliere concumptie zoals bepaald op grond van het CEP t+2 en volgende jaren blijft achterwege. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009061&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) bedoelde richtlijnen tre"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1993 voor de medisch specialisten 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg wordt de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005713) bij dit besluit neergelegde aanwijzing als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 1991, 584) gegeven, betrekking hebbend op de medische specialisten. 2. Dit besluit met bijbehorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005713) wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1993 voor de personen en instellingen die farmaceutische hulp leveren zoals bedoeld in artikel 7 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (apothekers en apotheekhoudende huisartsen) 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg wordt de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005712) bij dit besluit neergelegde aanwijzing als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 1991, 584) gegeven, betrekking hebbend op de personen en instellingen die farmaceutische hulp leveren (apothekers en apotheekhoudende huisartsen). 2. Dit besluit met bijbehorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005712) wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1998 voor de tandartsen Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009060&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 22 (gezondheidscentra) en onder B, nummer 2 (tandartsen), respectievelijk in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009060&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 32 voor zover het betreft beroepsbeoefenaren als bedoeld onder B, nummer 2, van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat voor de prestaties die worden geleverd in het kader van het cluster preventief onderhoud volwassen ziekenfondsverzekerden een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 9 miljoen bewerkstelligt. Het aanvaardbare kostenniveau voor het preventief cluster volwassen ziekenfondsverzekerden van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is voor 1998 maximaal f 234 miljoen (exclusief effecten vanaf 1997 met betrekking tot loon- en prijsbijstellingen en toegestane volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid zou in 1998 ten opzichte van 1996 het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 14,5 miljoen meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau. Voor een bedrag van f 5,5 miljoen zullen tariefmaatregelen achterwege blijven. 2. Het Cotg kan op voorstel van de representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars besluiten om deze korting anders in te vullen binnen het totaal van de tot het tweede compartiment behorende tandheelkunde. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van ta"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzaken het aanvullend tarievenbeleid 1994 voor de medisch specialisten Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006879&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006879&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat: - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 35 mln. bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 aanvullend bijgesteld tot inbeginsel maximaal f 942 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen, autonome volumegroei en het sub 2 gestelde). - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 53 mln. bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de particuliere praktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 aanvullend bijgesteld tot inbeginsel maximaal f 1043 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen, autonome volumegroei en het sub 2 gestelde). - c. voor zover die prestaties worden geleverd in de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)-praktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 19 mln. bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialisten in de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)-praktijk van het totaal van d"},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 wtg inzake het tarieven-/budgetbeleid 1993 voor de kruisorganisaties 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg wordt de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005709) bij dit besluit neergelegde aanwijzing als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 1991, 584) gegeven betrekking hebbend op de kruisorganisaties. 2. Dit besluit met bijbehorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005709) wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 14 wtg inzake het tarievenbudgetbeleid 1993 voor de algemene, categorale en academische ziekenhuizen 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg worden de in de bijlagen bij dit besluit neergelegde aanwijzingen als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 1991, 584) gegeven, betrekking hebbend op de algemene en de categorale, respectievelijk de academische ziekenhuizen. 2. Dit besluit met bijbehorende bijlagen wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing ex artikel 4 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de medisch specialisten Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006246&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006246&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 158 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 942 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1992, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 193 mln meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau ad f 942 mln. Het verschil tussen de opbrengst van de neerwaartse aanpassing en de bij ongewijzigd beleid verwachte overschrijding, wordt geacht opgelost te worden in 1994 met andere maatregelen dan neerwaartse aanpassing van de tarieven; - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 151 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de particuliere praktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 1043 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid"},{"b":"Aanwijzing exameneenheden centrale examens vmbo-groen examenjaar 2008, 2009 en eventueel 2010 Artikel 1. Aanwijzing exameneenheden 2008, 2009 en, indien van toepassing, 2010 Voor het afdelingsprogramma landbouw en het intrasectorale programma landbouw-breed zijn de exameneenheden die in de examenjaren 2008, 2009 en, indien van toepassing, 2010 centraal worden geëxamineerd, opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0024712) bij deze regeling. Artikel 2. Bekendmaking De regeling zal met de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarnaast is de regeling te raadplegen via www.cfi.nl van CFI, Agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De bijlagen kunnen ook worden geraadpleegd op Examenblad.nl (www.examenblad.nl). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling is bekendgemaakt, en werkt terug tot 1 augustus 2007. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzing exameneenheden centrale examens vmbo-groen examenjaar 2008, 2009 en eventueel 2010."},{"b":"Aanwijzing feitenonderzoek / strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken Achtergrond Het Openbaar Ministerie (OM) kan een strafrechtelijk onderzoek instellen in een medische zaak en zo nodig overgaan tot een strafrechtelijke vervolging. Gelet op de afbakening tussen het strafrecht, het tuchtrecht en bestuurlijke handhaving is de rol van het strafrecht in beginsel beperkt tot zaken met (kans op) letsel of zaken waarin de patiënt is overleden als gevolg van binnen de gezondheidszorg gemaakte (mogelijke) fouten. Veelal zal hierbij sprake zijn van opzet of schuld in de zin van grove nalatigheid. De betreffende artikelen in het [Wetboek van strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854)1Dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 / 308 /309 Sr) en/of mishandeling (artikel 300 e.v. Sr) en/of het brengen of laten in een hulpeloze toestand (artikel 255 Sr) en/of artikel 96 Wet BIG. kennen de delictsbestanddelen ‘schuld’ of ‘opzet’. Binnen de medische wereld bestaat behoefte aan verduidelijking van de criteria die het OM bij de beslissing omtrent strafrechtelijk onderzoek en vervolging hanteert. Deze aanwijzing beschrijft de werkwijze van het OM in medische zaken en dient als leidraad voor de behandeling van medische zaken door het OM. De beschreven procedure en de uitgangspunten van deze aanwijzing zijn een codificatie van de bestaande praktijk. Ook is de interne procedure beschreven met betrekking tot het vorderen van gegevens uit het ‘Veilig Incident Melden’. De zorginstellingen hebben in samenwerking met de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het Veilig Incident Melden (VIM) geïmplementeerd. De doelstelling van dit systeem is dat zorgverleners alle (bijna)incidenten melden. Op de melding volgt een intern onderzoek en worden zo mogelijk verbeteringen doorgevoerd. De term ‘veilig’ wijst erop dat de melder niet bevreesd hoeft te zijn"},{"b":"Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften en de feitgecodeerde afdoening van overige feitgecodeerde misdrijven en overtredingen, uitgezonderd de feitgecodeerde zaken waarin een bestuurlijke strafbeschikking ex [art. 257ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba) wordt uitgevaardigd. Voor die feitgecodeerde zaken is de Richtlijn bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten van toepassing, dit gelet op de specifieke voorwaarden die gelden bij het toepassen van deze modaliteit. Achtergrond Strafbeschikking De [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) is in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) opgenomen en maakt het kort gezegd mogelijk dat de officier van justitie, in plaats van een transactie aan te bieden, op grond van [artikel 257a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a) een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen. Naast de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie, kan op grond van [artikel 257b Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) een strafbeschikking worden uitgevaardigd door de (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Dit wordt ook wel de politiestrafbeschikking genoemd. Hoewel dit buiten de reikwijdte van deze Aanwijzing valt, kan voorts een strafbeschikking worden uitgevaardigd door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van [artikel 257ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba). Tot slot kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door het bestuur van ’s Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van [artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76) of door de inspecteur van Douane (dou"},{"b":"Aanwijzing Fochteloërveen als speciale beschermingszone Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Fochteloërveen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota en een kaart, welke deel uitmaken van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal, met uitzondering van toelichtende nota en de kaart, met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage en de toelichtende nota worden ter inzage gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te ’s-Gravenhage."},{"b":"Aanwijzing gebieden als speciale beschermingszone in kader EG-Vogelrichtlijn Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) worden de volgende gebieden aangewezen: - a. het op bijlage A van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Biesbosch’; - b. het op bijlage B van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Dwingelderveld’; - c. het op bijlage C van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Kil van Hurwenen en omstreken’; - d. het op bijlage D van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Nederlandse Zwingebied’. 2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toelichtende nota, welke deel uitmaakt van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing gemeente Enschede als vestigingsplaats casino Artikel 1 De gemeente Enschede wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing gemeente Haarlemmermeer als vestigingsplaats casino Artikel 1 1. De gemeente Haarlemmermeer wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. 2. Aan deze aanwijzing wordt de voorwaarde verbonden dat het speelcasino wordt gevestigd op het gedeelte van het terrein van de N.V. Luchthaven Schiphol, dat wordt aangemerkt als douanegebied in de zin van de Wet inzake de Douane (Stb. 1992, 54) en de daarop gebaseerde regelingen. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing gemeente Utrecht als vestigingsplaats speelcasino Artikel 1 De gemeente Utrecht wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing geneeskundigen herkeuringscommissie Artikel 1 In de commissie die als taak heeft het beroep te behandelen dat kan worden ingesteld tegen de beslissing van de geneeskundigen en geneeskundige instanties, voor keuringen die verband houden met het verkrijgen of behouden van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor de burgerluchtvaart met uitzondering van zweefvliegbewijzen, worden met ingang van heden tot 1 maart 1998 benoemd tot: lid en voorzitter: J. A. Dorst, arts-psycholoog te Halsteren en tot lid: - H. S. Bartlema, arts te Oegstgeest - H. S. Dambrink, arts te Franeker - W. A. L. Godefroy, bedrijfsarts vliegend personeel KLM te Heemstede - H. J. M. Groenhout, arts te Renkum - A. M. Slager, arts te 's-Gravenhage - J. Th. Versteeg, vliegerarts, commodore arts KLu b.d. te Houten. Artikel 2 De beschikkingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 april 1986, nr. LI/2452 en van 1 maart 1990, nr. LI/1413 worden ingetrokken. Deze beschikking zal worden toegezonden aan de direct betrokkenen en in afschrift aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartgeneeskundig Centrum, de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij en de Algemene Rekenkamer."},{"b":"Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar Samenvatting Opsporingsambtenaren zijn bevoegd om – in overeenstemming met de geweldsinstructie1De geweldsinstructie is gedefinieerd in artikel 90novies Sr. – geweld te gebruiken indien een situatie dit vereist. Geweldgebruik moet worden toegepast binnen de grenzen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. Bij de toepassing van geweld wordt inbreuk gemaakt op grondrechten van burgers. In alle gevallen waarin geweldstoepassing ernstige gevolgen heeft gehad, wordt daarom effectief, onafhankelijk en voortvarend onderzoek gedaan naar de toedracht onder gezag van het OM. Deze aanwijzing bevat regels voor het onderzoek naar en de beoordeling van functiegerelateerd geweldgebruik door opsporingsambtenaren en voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden in dergelijke zaken. 1. Achtergrond Met de inwerkingtreding van de *Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar* (hierna: de wet)2*Stb.* 2021, 233. en de wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: *Ambtsinstructie*)3*Stb*. 2021, 46. tweede tranche op 1 juli 2022 is de stelselherziening geweldsaanwending opsporingsambtenaar voltooid. De gedachte achter de stelselherziening is dat geweldgebruik door opsporingsambtenaren langs de juiste meetlat moet worden gelegd. Indien een opsporingsambtenaar zich in de uitoefening van zijn functie genoodzaakt ziet geweld te gebruiken, kan daardoor de delictsomschrijving van een algemeen geweldsdelict zoals mishandeling of doodslag worden vervuld. Opsporingsambtenaren zijn echter niet alleen bevoegd om (gepast) geweld te gebruiken; in voorkomende gevallen wordt dit juist van hen verwacht. Waar burgers zich uit een gevaarlijke situatie kunnen terugtrekken, wordt van opsporingsambtenaren juist verwacht dat zij actief optreden om de situatie te beëindigen. Dit betekent dat zij zich in een kwetsbare positie bevinden. Aan die positie wordt onvo"},{"b":"Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer Achtergrond Noodweer is verdediging in een situatie, waarin men onverhoeds wordt aangevallen en waarin alleen zelfverdediging agressie kan afweren. De aangevallen burger die zijn aanvaller weet te weerstaan, wordt niet gestraft. De burger heeft het recht zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. In de gevallen dat de burger van dit recht gebruik maakt, moet achteraf getoetst worden of hij dat heeft gedaan volgens de wettelijke en jurisprudentiële regels. In het geval er inderdaad sprake is van een situatie waarin de burger zich genoodzaakt ziet zich te moeten verdedigen, dient het openbaar ministerie recht te doen aan de bijzondere omstandigheden waarin betrokkene zich bevindt. Immers, deze burger ziet zich ongevraagd geconfronteerd met een aanranding of dreigend gevaar. Dat doet zich het meest pregnant gevoelen indien de burger wordt geconfronteerd met een aanranding in zijn meest persoonlijke omgeving zoals de woning, het bedrijf of het daarbij behorend erf. Van noodweerexces is sprake op het moment dat bij de afweer de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden als gevolg van de hevige gemoedstoestand die door de aanranding wordt veroorzaakt. Van noodweerexces is bijvoorbeeld sprake als harder wordt teruggeslagen dan nodig is om de aanval af te weren, een wapen wordt gebruikt waar met minder had kunnen worden volstaan of de situatie waarin langer wordt doorgeslagen dan strikt noodzakelijk is. Er kan alleen van noodweerexces worden gesproken, indien er een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgehad. Voorts kan een beroep op noodweerexces alleen slagen indien er sprake was van een noodweersituatie. In deze gevallen wordt het door de burger wie het overkomt als onrechtvaardig en grievend ervaren dat hij als verdachte wordt aangemerkt, terwijl hij feitelijk slachtoffer is of zich dat tenminste voelt. Het is d"},{"b":"Aanwijzing handhaving Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet Samenvatting De aanwijzing stelt regels voor de vervolging van verdachten die de strafrechtelijke bepalingen van de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) (hierna: Arbowet), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) (hierna: Atw) en/of het [Besluit risico zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791) (hierna: Brzo) hebben overtreden. De aanwijzing geeft aan dat in bepaalde gevallen altijd stafrechtelijk onderzoek is aangewezen. Bij de te handhaven overtredingen van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) is in andere gevallen de inzet van strafrechtelijke middelen afhankelijk van enerzijds het gedrag van de overtreder en anderzijds de (mogelijke) gevolgen van de overtreding. 1. Wijzigingen Behalve de handhaving van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) (alsmede de [Atw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671)) betreft de aanwijzing nu ook de handhaving van de Arbowet in relatie tot het [Brzo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791). Uitgangspunt hierbij blijft dat de inzet van strafrechtelijke middelen bij de strafrechtelijk te handhaven overtredingen van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) in geval van ernstige arbeidsongevallen zowel aan de ernst van de gevolgen wordt gerelateerd als aan het (verwijtbare) gedrag van de overtreder. Ook blootstellings- en beroepsziekten zijn binnen het bereik van de aanwijzing gebracht. Anders dan voorheen kan het strafrecht nu eveneens worden ingezet: - – na constatering van (hoog)risicovolle (arbeids)omstandigheden waarbij de gezondheid van werknemers ernstig benadeeld kan worden en/of die de dood tot gevolg kunnen hebben, en - – indien sprake blijkt te zijn van ernstige gevaren voor de gezondheid van werknemers door blootstelling aan gevaarlijke stoffen waarbij de gezondheid van werkne"},{"b":"Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet (hoofdstukken 3 en 10) Samenvatting De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) (Tw) kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Deze aanwijzing beschrijft in welke gevallen en op welke wijze een overtreding van de Tw strafrechtelijk wordt gehandhaafd. De aanwijzing onderstreept het belang van een integrale aanpak voor een effectieve handhaving van de Tw en geeft aan wat dit concreet betekent. Deze aanwijzing geeft regels voor de opsporing en vervolging bij de overtreding van de strafrechtelijk te handhaven bepalingen in de [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=3) en [10 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=10). De aanwijzing schetst hoe wordt opgetreden bij geconstateerd gebruik van *jammers* (blokkeerzenders van onder meer mobiele-telefonie- en GPS-signalen). Daarnaast geeft de aanwijzing regels voor de strafrechtelijke aanpak bij een verstoring van frequentieruimte. De aanwijzing maakt hierbij onderscheid tussen illegaal gebruik van omroepfrequenties en illegaal gebruik van overige frequenties (bijvoorbeeld door gebruikers van een marifoon, mobilofoon, portofoon zonder registratie of vergunning). Ten slotte bespreekt de aanwijzing wanneer strafrechtelijk wordt opgetreden bij het aantreffen van uitrusting1Uitrusting is in artikel 1.1 Tw gedefinieerd als: elk apparaat of vaste installatie. Een vaste installatie is een specifieke combinatie van verschillende soorten apparaten en eventuele andere inrichtingen, die samengebouwd, geïnstalleerd en bestemd zijn voor permanent gebruik op een van te voren vastgestelde locatie. of (radio)apparaten2Een radioapparaat wordt in artikel 1.1 Tw gedefinieerd als: een elektrisch of elektronisch product data.doelbewust radiogolven uitzendt of ontvangt ten behoeve van radiocommunicatie of radiodeterminatie, ofb.moet worden aangevuld met een accessoire om doelbewust radio"},{"b":"Aanwijzing herziening ten nadele Samenvatting Met deze aanwijzing geeft het College van procureurs-generaal aan in welke gevallen herziening ten nadele van de gewezen verdachte kan worden aangevraagd. Achtergrond Nadat een verdachte is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging kunnen gegevens bekend worden die de rol van de gewezen verdachte in een nieuw daglicht stellen. Dat kan het geval zijn wanneer, bijvoorbeeld door de toegenomen mogelijkheden op het gebied van DNA-onderzoek, nieuw forensisch bewijsmateriaal ten nadele van de gewezen verdachte naar voren is gekomen. Een ander voorbeeld is het bekend worden dat door een getuige of deskundige meineed is gepleegd. Als het ernstig vermoeden bestaat dat de verdachte wel zou zijn veroordeeld als die gegevens tijdens het onderzoek op de terechtzitting wel bij de rechter bekend zouden zijn geweest, is wenselijk dat de zaak opnieuw aan de rechter kan worden voorgelegd. Per 1 oktober 2013 is de [Wet herziening ten nadele](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033284) in werking getreden.1Wet van 11 april 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van de gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele), Stb. 138 (Kamerstukken ). Deze wet maakt herziening ten nadele van de gewezen verdachte na een eerdere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging mogelijk. Het is een ingrijpend rechtsmiddel en om die reden is het aantal gronden waarop herziening kan plaatsvinden beperkt. Om diezelfde reden is herziening ten nadele enkel mogelijk op aanvraag van het College van procureurs-generaal en is een tegen de gewezen verdachte gericht opsporingsonderzoek enkel toegestaan onder strenge voorwaarden en omkleed met procedurele waarborgen. In welke gevallen is herziening ten nadele mogelijk Op grond van [artikel 482a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=482a) kan de Hoge Raad op aanvr"},{"b":"Aanwijzing hoge transacties Samenvatting Deze aanwijzing schetst de kaders voor het aanbieden van hoge transacties. Het begrip ‘hoge transactie’ is nader afgebakend en omvat alle transacties waarbij betaling van een geldsom aan de Staat met een boetecomponent van € 200.000 of meer aan de orde is én transacties met een totale transactiewaarde van € 1.000.000 of meer. De aanwijzing benoemt de uitgangspunten voor het aanbieden van dergelijke transacties en geeft procedurele regels. Onderdeel hiervan is de verplichte adviserende rol van de onafhankelijke Toetsingscommissie hoge transacties. Indien is besloten tot een hoge transactie maakt het OM dat in beginsel bekend via een persbericht. De aanwijzing geeft algemene uitgangspunten voor de informatie die in een persbericht moet worden opgenomen. 1. Inleiding Strafzaken kunnen op verschillende manieren worden afgedaan. Als de officier van justitie de zaak bewijsbaar acht, kan deze de verdachte dagvaarden om de zaak ter beoordeling aan de rechter voor te leggen, een strafbeschikking uitvaardigen of de strafzaak al dan niet voorwaardelijk seponeren. Daarnaast kan de officier van justitie ervoor kiezen de verdachte een transactie aan te bieden om strafvervolging te voorkomen door te voldoen aan één of meer voorwaarden. De te stellen voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn in [artikel 74 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [artikel 36 WED](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) limitatief omschreven. Deze aanwijzing heeft betrekking op hoge transacties, dat wil zeggen transacties waarbij de voorwaarde ex [artikel 74, tweede lid sub a Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) (betaling aan de Staat van een geldsom) een bedrag van € 200.000 of meer betreft én transacties met een totale transactiewaarde van € 1.000.000 of meer (inclusief ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de waarde van voor verbeurverklaring vatbare voorwerpen w"},{"b":"Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. ‘Huiselijk geweld en kindermishandeling’ wordt in deze aanwijzing als verzamelbegrip gehanteerd. Soms wordt kortweg gerefereerd aan ‘huiselijk geweld’ of ‘geweld in de privésfeer’. Met deze termen wordt steeds hetzelfde bedoeld. Deze aanwijzing bevat niet het kader voor de strafrechtelijke aanpak van *seksueel* geweld in de privésfeer; dat is beschreven in de Aanwijzing zeden. De uitgangspunten zijn: - • Het schenden van in het strafrecht neergelegde normen vraagt in beginsel om correctie, afkeuring en herstel van de geleden schade. Het strafrecht is in beginsel repressief van aard, het kan – gecombineerd met andere interventies en op voldoende selectieve wijze ingezet – bijdragen aan veiligheid en het voorkomen van herhaling. - • De belangen van slachtoffers wegen zwaar mee bij de afweging of en zo ja, hoe in zaken van huiselijk geweld en kindermishandeling strafrechtelijk opgetreden moet worden door of onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. De veiligheid van slachtoffers en de risico’s op herhaald slachtofferschap en herhaald daderschap worden hierbij steeds goed voor ogen gehouden. Veiligheids- en risicotaxatie vormen derhalve in alle stadia van opsporing en vervolging een belangrijke leidraad voor de prioritering van handelen. - • Waar het belang van waarheidsvinding botst met het belang van behoud en versterking van veerkracht van slachtoffers worden deze belangen steeds zorgvuldig tegen elkaar afgewogen om te voorkomen dat het strafrechtelijk onderzoek leidt tot schade bij slachtoffers en anderen. - • Het openbaar ministerie handelt in samenwerking en samenhang met de relevante netwerkpartners. Ook in het netwerkverband houdt het openbaar ministerie de belangen van slachtoffers, met name de waarborg van veiligheid en het behoud en versterken van veerkracht nadrukkel"},{"b":"Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.) 1. Samenvatting Deze Aanwijzing beschrijft de bevoegdheidsverdeling tussen de politie1Dit geldt evenzeer voor de Koninklijke Marechaussee in het kader van artikel 6 lid 1 van de Politiewet. In dit lid is een aantal politietaken aan de KMar opgedragen. en het Openbaar Ministerie (OM) voor wat betreft het behandelen van inkomende internationale rechtshulpverzoeken. Zo kan de politie in beginsel het (politiële) verzoek uit het buitenland zelfstandig afhandelen, als het buitenland verzoekt om politiegegevens die beschikbaar zijn in de nationale politiebestanden. Als het buitenland echter verzoekt om (het verkrijgen van) informatie waarvoor dwangmiddelen moeten worden toegepast, moet het verzoek worden doorgeleid naar het OM. Doorgeleiding naar het OM moet o.a. ook plaatsvinden, wanneer bijzondere opsporingsbevoegdheden nodig zijn om de informatie te verkrijgen of wanneer de gevraagde informatie nodig is als bewijsmiddel in het buitenland. 2. Achtergrond Inleiding, doel en juridisch kader De basis voor deze Aanwijzing is gelegen in [artikel 552i lid 4 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552i) (Sv).2Artikel 552i lid 4 Sv bepaalt: ‘Bij de afdoening van een verzoek neemt de krachtens het tweede lid bevoegde autoriteit de door de officier van justitie gegeven algemene en bijzondere aanwijzingen in acht.’ In [artikel 552i Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552i) is de bevoegdheidsverdeling beschreven tussen de officier van justitie en de politie bij de behandeling van rechtshulpverzoeken uit het buitenland. De hoofdregel is dat ieder verzoek om rechtshulp uit het buitenland naar de officier van justitie wordt (door)gezonden. Onder rechtshulpverzoeken valt ook de politiële samenwerking waaronder de internationale informatie-uitwisseling. In de praktijk blijkt bij die laatste vorm van sa"},{"b":"Aanwijzing inzake inkoopkorting zorginstellingen vanaf 2000 Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onderdeel A, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010906&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) (ziekenhuizen), 2 (academische ziekenhuizen), 10 (psychiatrische ziekenhuizen), 12 (verpleeghuizen), 13 (zwakzinnigeninrichtingen), 14 (instellingen voor zintuiglijk gehandicapten), 15 (Het Dorp), 23 (regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg), 28 (regionale instellingen voor beschermd wonen), onderdeel C, onder 1 (dagverblijven voor gehandicapten), 2 (gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten), 4 (instellingen voor zover de werkzaamheden daarvan zijn gericht op sociaal-pedagogische zorg), van het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen de beleidsregels materiële kosten vast met inachtneming van de hierna vermelde neerwaartse bijstellingen voor de onderscheiden sectoren. Ten opzichte van 1999 zijn de mutaties als volgt (mln gld): | | 2000 | 2001 | 2002 | | --- | --- | --- | --- | | Ziekenhuizen met uitzondering van de PAAZ’en | 41,6 | 82,5 | 123,4 | | Academische ziekenhuizen | 10,2 | 21,2 | 32,1 | | Verpleeghuizen met uitzondering van voor- | 15,0 | 30,1 | 45,1 | | zieningencentra voor lichamelijk gehandicapten | | | | | | | | | | Gehandicapten sector | 10,8 | 21,5 | 32,3 | | – zwakzinnigeninrichtingen | bedragen | worden | naar | | – instellingen voor zintuiglijk gehandicapten | rato van | de omvang | van de | | | materiële | kosten | verdeeld | | – verpleeghuizen voor zover het betreft voor- | | | | | zieningencentra voor lichamelijk gehandicapten | | | | | – Het Dorp | | | | | – dagverblijven voor gehandicapten | | | | | – gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten | | | | | – instellingen voor zover de werkzaamheden daar- van gericht zijn op sociaal-pedagogis"},{"b":"Aanwijzing inzake korting 2000 op de aanvaardbare kosten van de algemene ziekenhuizen Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onderdeel A, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010905&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) (ziekenhuizen), van het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, en voor zover het organen betreft waarop FB-beleidsregels van toepassing zijn de beleidsregels vast, zodanig dat op de aanvaardbare kosten exclusief het PAAZ-gedeelte vanaf 1 januari 2000 ten opzichte van de aanvaardbare kosten, zoals die zijn of zullen worden goedgekeurd of vastgesteld per 31 december 1999 een verlaging wordt gerealiseerd van incidenteel in totaal f 46,7 miljoen. 2. Met inachtneming van het eerste lid kan het Cotg de beleidsregels zodanig vorm geven dat deze in het bijzonder betrekking hebben op instellingen waar gedurende een of enkele jaren de gerealiseerde productie is achtergebleven bij de productie-afspraken. Artikel 2 In de in het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010905&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing inzake lokale component verpleging en verzorging Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummer 10 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en die zijn toegelaten voor behandeling en verblijf voor verzekerden met een somatische dan wel psychogeriatrische aandoening of beperking en op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummer 10 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en die op 31 december 2002 in het bezit waren van een toelating als thuiszorginstelling van het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Artikel 2 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016874&artikel=1&z=2004-06-23&g=2004-06-23) bedoelde organen zodanige beleidsregels vast dat voor het jaar 2004 middelen ter beschikking worden gesteld voor een lokale component (zorgvernieuwing) met een maximum van € 40,4 miljoen. Ieder in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016874&artikel=1&z=2004-06-23&g=2004-06-23) bedoeld orgaan krijgt naar rato van de in het jaar 2003 bestede middelen zijn aandeel. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing inzake taakstelling ziekteverzuim Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor de organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 1 tot en met 29b, 30 en 31, D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en in [artikel 2b van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), zodanige beleidsregels vast dat dit resulteert in een korting over de loongevoelige component. Deze korting betreft 0,14% in de tweede helft van 2004 (per 1 juli 2004). Voor het hele jaar 2005 0,14%. Voor 2006 wordt dit percentage verhoogd naar 0,21% en vanaf 2007 structureel verhoogd naar 0,28%. De beleidsregel dient in te gaan per 1 juli 2004. De maatregel wordt niet toegepast op de in 2004 daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in het kader van de beleidsregels I-672 en I-673 en vanaf 2005 voor de daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in segment B. Artikel 2 In de in het eerste artikel bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het College tarieven gezondheidszorg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing inzake tarievenbeleid 2000 en volgende jaren farmaceutische zorg Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005342) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat de inkoopvergoeding structureel met ingang van 1 januari 2000 neerwaarts wordt aangepast met 6,82% teneinde een opbrengst in de jaren 2000, 2001 respectievelijk 2002 van tenminste f 350 mln, f 385 mln respectievelijk f 425 mln (excl. btw) te genereren. De in de receptregelvergoeding en het abonnementstarief voor farmaceutische hulp opgenomen forfaitaire aftrek voor het realiseren van kortingen en bonussen komt te vervallen. Artikel 2 Met het oog op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010860&artikel=1&z=1999-11-19&g=1999-11-19) genoemde aanpassing neemt het Cotg generieke maatregelen. Het Cotg treft een voorziening waardoor onevenredig nadeel bij individuele apotheekhoudenden als gevolg van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010860&artikel=1&z=1999-11-19&g=1999-11-19) bedoelde verlaging van de inkoopvergoeding wordt bestreden. Daartoe maximeert het Cotg de hoogte van de korting op de inkoopvergoeding tot ten hoogste f 15,- (excl. btw) per receptregel. Artikel 3 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing inzake tussenbalanskorting algemene ziekenhuizen Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007358&artikel=1&z=1995-05-11&g=1995-05-11), nummer 1 (voor zover het de algemene ziekenhuizen betreft), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen per 1 januari 1995 zodanig dat op de aanvaardbare kosten structureel een verlaging wordt gerealiseerd van f 22,5 mln. en incidenteel voor het jaar 1995 een verlaging wordt gerealiseerd van f 45 mln. Artikel 2 a. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007358&artikel=1&z=1995-05-11&g=1995-05-11) bedoelde structurele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 1,24% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, dialyse en radiotherapie; - door voor het resterende bedrag een verlaging te realiseren van de bedragen, die in de richtlijn ’Functiegerichte budgettering’ zijn vastgesteld voor de parameters gewogen opnamen, verpleegdag, gewogen 1e polikliniekbezoek, dagverpleging, de poliklinische bevallingen (M9) en de poliklinische infuusverstrekkingen cytostatica (M14). Daartoe zullen de maximumbedragen worden verlaagd. Deze verlaging zal niet verder doorwerken dan tot ziekenhuizen met 40 of minder gewogen specialisteneenheden. b. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007358&artikel=1&z=1995-05-11&g=1995-05-11) bedoelde incidentele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 2,48% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, dialyse en radioth"},{"b":"Aanwijzing inzake vaststelling totale aanvaardbare kosten AWBZ-instellingen 1998 Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)-instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009062&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) de nummers 10 (psychiatrische ziekenhuizen), 11 (instellingen voor psychiatrische deeltijdbehandeling), 12 (verpleeghuizen), 13 (zwakzinnigeninrichtingen), 14 (instellingen voor zintuiglijk gehandicapten), 15 (’Het Dorp’), 23 (regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg), 28 (regionale instellingen voor beschermd wonen) en in [artikel 1, onder C, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009062&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) de nummers 1 (dagverblijven voor gehandicapten) en 2 (gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat de hierna vermelde totale aanvaardbare kosten niet worden overschreden. Voor de opbouw van de aanvaardbare kosten 1998 gelden de tabellen (bijlage B10: de nummers 5.01, 5.02, 5.03, 5.05, 5.07, 5.09, 6.01, 6.02, 6.03, 6.05, 6.06,6.07 en 7.01) zoals die voor de betreffende sectoren in de bijlagen bij het Jaaroverzicht Zorg 1998, JOZ 1998, zijn vermeld. De in deze tabellen vermelde mutaties dienen te worden toegepast; daarbij dienen de intensiveringsmiddelen conform de in het JOZ 1998 vermelde beleidsuitgangspunten te worden vertaald in richtlijnen. De totale aanvaardbare kosten 1998 zijn: - 1. Psychiatrische ziekenhuizen f 3271,5 mln (inclusief kinder- en jeugdklinieken, herstellingsoorden en zelfstandige verslavingsklinieken). - 2. Verpleeghuizen f 6078,2 mln. - 3. Zwakzinnigeninrichtingen f 3538,0 mln. - 4. Instellingen voor zintuiglijk gehandicapten f 144,0 mln. -"},{"b":"Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen 1. Achtergrond Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en andere bij de wet vastgestelde taken1Zie art. 124 Wet op de rechterlijke organisatie. Met de inwerkingtreding van de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) kan het OM in bepaalde gevallen zelf straffen opleggen door middel van een strafbeschikking2De OM-afdoening van strafzaken middels een (voorwaardelijk) sepot valt buiten het bereik van deze aanwijzing. Zie daarvoor de aanwijzing gebruik sepotgronden.. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een verdachte in de gelegenheid te stellen vervolging te voorkomen door bijvoorbeeld het betalen van een transactiebedrag of het uitvoeren van een taakstraf. In zaken die voor de rechter worden gebracht, formuleert de officier van justitie een strafeis, indien hij het strafbare feit bewezen acht en de dader strafbaar. In al deze gevallen zal het OM een goede afweging maken bij het bepalen van de sanctie die in het concrete geval passend is3De regels voor wat betreft de te hanteren straftoemeting bij OM-strafbeschikking staan vermeld in de Aanwijzing OM-strafbeschikking.. Bij sommige zaken is die afweging betrekkelijk eenvoudig. Bij andere zaken ingewikkeld, omdat veel verschillende factoren moeten worden meegewogen. SAMENVATTING In deze aanwijzing worden de algemene uitgangspunten beschreven die het Openbaar Ministerie (OM) hanteert in het gebruik van de strafvorderingsrichtlijnen bij de vervolging van plegers van misdrijven waarop het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast.4Het kader is ook van toepassing op enkele aanverwante overtredingen, zoals art. 11, lid 1 of 6 Opiumwet, 5 Wegenverkeerswet 1994 en 54 Wet Wapens en Munitie. Het accent in deze beleidsregel ligt op de commune misdrijven. Voor het jeugdstrafrecht en het toepassen van het jeugdstrafrecht op adolescenten (18 tot 23 jarigen) wordt verwezen naar de richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en"},{"b":"Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging Samenvatting Met de inwerkingtreding van de *Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen* (hierna: [Wet USB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039301)) op 1 januari 2020 is de algehele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging verschoven van het openbaar ministerie naar de minister van Justitie en Veiligheid. Het OM heeft echter een aantal verantwoordelijkheden en taken in de executiefase behouden. Deze aanwijzing geeft een algemeen kader en algemene regels voor de uitoefening van die taken. De aanwijzing is tevens van toepassing op minderjarigen, tenzij anders is bepaald of tenzij dit uit de context van de aanwijzing voortvloeit. 1. Achtergrond Het sluitstuk van de strafrechtsketen wordt gevormd door de tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straffen en maatregelen of door of namens de officier van justitie getroffen schikkingen en uitgevaardigde strafbeschikkingen. Met ingang van 1 januari 2020 is de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging neergelegd bij de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: minister).1Art. 6:1:1 jo 127a Sv. Bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is onder verantwoordelijkheid van de minister een *administratie- en informatiecentrum voor de executieketen* (AICE) ingericht dat de operationele regie op de tenuitvoerlegging voert en er zorg voor draagt dat de organisaties die betrokken zijn bij de feitelijke tenuitvoerlegging kunnen beschikken over de benodigde gegevens.2Zoals die gegevens bekend zijn bij het CJIB. Het CJIB/AICE zorgt ervoor dat deze organisaties – zoals het CJIB, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Justitiële informatiedienst, Raad voor de Kinderbescherming, de reclassering en de politie – tijdig vernemen dat een bepaalde beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Het CJIB/AICE geeft namens de minister een last tot tenuitvoerlegging of aanhouding ([artt. 6:1:4 tot en met 6:1:6 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen Samenvatting Deze aanwijzing voorziet in een algemeen kader voor de toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen in het strafproces. Ondanks de verschillen zijn op deze voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, van bepaaldheid en van uitvoerbaarheid van toepassing. Deze aanwijzing gaat in op de toepassing van deze algemene uitgangspunten. Verder geeft deze aanwijzing concrete handvatten met betrekking tot de gedragsaanwijzing ex [art. 509hh Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=509hh), de vrijheidsbeperkende maatregel ex [art. 38v Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v) en de gratie onder voorwaarden ex [art. 13 Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=13). 1. Inleiding Het Openbaar Ministerie (OM) heeft verschillende mogelijkheden om in de diverse fasen van het strafproces het gedrag van verdachten of veroordeelden te beïnvloeden en/of hun vrijheid te beperken, middels het stellen of vorderen van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen. Dat brede arsenaal is van groot belang om maatwerk te kunnen leveren en recht te doen aan de specifieke kenmerken van de zaak of aan de verdachte/veroordeelde. De keerzijde van die veelheid aan mogelijkheden is dat iedere mogelijkheid min of meer andere juridische kaders kent en hierdoor uitvoeringsproblemen kunnen ontstaan. Daarbij komt dat een deel van de praktijk buiten de klassieke sanctionering op basis van de in [artikel 9 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9) genoemde straffen, niet door de wetgever genormeerd is. Met deze aanwijzing wordt beoogd de praktijk te vergemakkelijken en te voorzien van een duidelijk kader, teneinde de kwaliteit te bevorderen. Hiertoe wordt voorzien in een overzicht van algemene uitgangspunten die gelden naast de juridische kaders die geld"},{"b":"Aanwijzing kentekens als modellen Artikel 1 Als modellen, bedoeld in [artikel 2, zevende lid, tweede volzin, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2), worden aangewezen de kentekens, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers met de cijfergroepen 00–01 tot en met 69–99. Artikel 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 december 1974, nr. A-2/27830, ter uitvoering van [artikel 2, zevende lid, tweede volzin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2) (motorrijtuigen, welke ertoe bestemd zijn Nederland op korte termijn te verlaten), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing keuringsinstelling meetmiddelen Voertuigreglement Artikel 1 Als keuringsinstelling in de zin van [artikel 4aud, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud) wordt aangewezen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi B.V. Artikel 2 De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi B.V. is bevoegd de feitelijke werkzaamheden voortvloeiend uit de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008257&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vervatte aanwijzing onder haar verantwoordelijkheid te doen uitvoeren door: - a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Certin B.V. voor zover deze werkzaamheden verband houden met keuringen en erkenningen; - b. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Inspecties en Kansspeltechniek B.V. voor zover deze werkzaamheden verband houden met toezicht. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing kinderpornografie Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van kinderpornografie (artikel 240b (oud) Sr en [artikel 252 (nieuw) Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252)). Deze aanwijzing is een aanvulling op de Aanwijzing seksuele misdrijven, die onverkort van toepassing is op kinderpornografiezaken. 1. Achtergrond Uitgangspunten bij de aanpak van kinderpornografie zijn: - • Minderjarigen dienen beschermd te worden tegen het seksuele misbruik dat bij de vervaardiging plaatsvindt; - • Minderjarigen dienen beschermd te worden tegen het in omloop brengen van het materiaal waarop ze seksueel misbruikt worden; - • Minderjarigen dienen beschermd te worden tegen materiaal dat misbruik inhoudt of suggereert. Dit materiaal kan dienen om minderjarigen aan te moedigen of te verleiden deel te nemen aan seksueel gedrag. - • De subcultuur die seksueel misbruik van minderjarigen bevordert of als normaal en acceptabel probeert voor te stellen dient als zodanig te worden bestreden. 1.1. Wet seksuele misdrijven In 2024 is de zedentitel in het Wetboek van Strafrecht vervangen door de [titel Seksuele misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV). Waar voorheen gesproken werd van zedendelicten wordt in lijn met de vernieuwde titel gesproken van ‘seksuele misdrijven’. De strafbaarstelling van kinderpornografie is gewijzigd en ondergebracht in [artikel 252 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252). De opvallendste wijzigingen zijn dat de term ‘afbeelding’ is vervangen door ‘visuele weergave’ en de term ‘seksuele gedraging’ door ‘van seksuele aard of met onmiskenbaar seksuele strekking’. Voorts is gelet op de toegenomen risico’s en schade door opkomst van internet en sociale media het strafmaximum voor het delict kinderpornografie verhoogd van vier naar zes jaar gevangenisstraf. Het strafmaximum voor het maken van een beroep of gewoonte is verhoogd naar negen"},{"b":"Aanwijzing loodsplichtige scheepvaartwegen Artikel 1 De scheepvaartwegen, bedoeld in artikel 11, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352), zijn: - a. het Friesche Zeegat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 53° 29'. 2 N 06° 08'. 8 O naar 53° 33'. 0 N 06° 08'. 8 O, vandaar naar 53° 33'. 0 N 05° 57'. 0 O, en vandaar naar 53° 28'. 0 N 05° 57'. 0 O, alsmede het bevaarbare traject vanuit dit gebied over de Waddenzee naar Lauwersoog, alsmede de haven van Lauwersoog; - b. het Stortemelk: de bevaarbare trajecten, binnen het gebied begrensd door een lijn die loopt van de positie 53° 21'. 6 N 05° 12'. 9 O naar 53° 26'. 0 N 05° 12'. 9 O, vandaar naar 53° 24'. 0 N 05° 02'. 4 O, vandaar naar 53° 17'. 8 N 04° 57'. 1 O en vandaar naar 53° 17'. 8 N 05° 03'. 6 O; - c. het Molengat en het Schulpengat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 52° 59'. 2 N 04° 44'. 0 O, langs de Westkust van Texel naar 53° 03'. 4 N 04° 43'. 2 O, vandaar naar 53° 03'. 4 N 04° 39'. 0 O, vandaar naar 52° 52'. 9 N 04° 38'. 0 O, vandaar naar 52° 52'. 9 N 04° 43'. 0 O, en vandaar langs de kust van Noord-Holland naar 53° 57'. 8 N 04° 44'. 0 O; - d. de aanloop van Scheveningen: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 52° 06'. 2 N 04° 15'. 8 O, naar 52° 07'. 9 N 04° 14'. 6 O, vandaar naar 52° 07'. 7 N 04° 13'. 8 O, vandaar naar 52° 07'. 2 N 04° 12'. 8 O, en vandaar naar 52° 05'. 5 N 04° 15'. 0 O, alsmede de haven van Scheveningen; - e. het Slijkgat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 51° 48'. 8 N 03° 51'. 9 O, langs de noordkust van Goeree via de Haringvlietsluizen en lang de kust van Voorne naar 51° 53'. 4 N 04° 01'. 9 O, vandaar naar 51° 54'. 6 N 03° 55'. 5 O, en vandaar naar 51° 52'. 0 N 03° 51'. 5 O, alsmede de haven van Stellendam; - f. het Schelde-Rijnkanaal: aan de noordzijde begrensd door de scheepvaartweg, genoemd in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet onderdeel A, onder punt III, nummer 12 e"},{"b":"Aanwijzing mensenhandel Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft en geeft regels voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel en geeft aan met welke instanties en op welke wijze het openbaar ministerie (OM) samenwerkt bij de aanpak van mensenhandel. Uitgangspunten zijn: - • mensenhandel wordt integraal aangepakt; - • signalen van mensenhandel worden in alle gevallen opgepakt; - • relevante aanknopingspunten voor onderzoek worden, in overleg met de officier van justitie, onderzocht en leiden zo mogelijk tot vervolging; - • een financieel onderzoek maakt een vast onderdeel uit van het opsporingsonderzoek en bij de vervolging wordt ingezet op afnemen van het wederrechtelijk verkregen vermogen; - • bij de aanpak wordt indien mogelijk internationale samenwerking gezocht; - • slachtofferzorg neemt een centrale plaats in. Slachtoffers worden correct bejegend en met aandacht voor hun specifieke situatie. Slachtoffers worden ondersteund tijdens de rechtsgang, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een schadevergoeding. Slachtoffers worden beschermd tegen vervolging ter zake van strafbare feiten waartoe zij als slachtoffer van mensenhandel zijn gedwongen en beschermd tegen secundaire victimisatie. 1. Achtergrond 1.1. Wijzigingen Ten opzichte van de [vorige aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033564) zijn enkel kleine wijzigingen doorgevoerd. Het betreft de verwerking van veranderde regelgeving (de implementatie van Richtlijn 2011/36/EU: PbEU 2011, L 101/1) en van wijzigingen in de werkwijze van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) (in § 1.3.). Daarnaast zijn er kleine redactionele verbeteringen doorgevoerd. 1.2. Mensenhandel is gericht op uitbuiting Mensenhandel is moderne slavernij. ‘Uitbuiting’ is de centrale term waar het gaat om mensenhandel. De bekendste variant is seksuele uitbuiting. Als verzamelnaam voor mensenhandel anders dan in de zin van seksuele uitbuiting wordt de term “overige uitbuiting” gebruikt. Het gaat daarbij vooral om"},{"b":"Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen Samenvatting In deze aanwijzing worden regels gegeven voor de meting van snelheidsovertredingen en de te corrigeren marges. Achtergrond Snelheidsmeters Bij de vaststelling van strafbare feiten en gedragingen zoals snelheidsovertredingen worden meetmiddelen gebruikt. Deze meetmiddelen moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de [Regeling meetmiddelen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008821) zijn vastgesteld en voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. In de regeling zijn meetmiddelen opgenomen die gebruikt worden door de politie en de eisen waaraan deze meetmiddelen moeten voldoen. In deze regeling is de standaard in politievoertuigen ingebouwde boordsnelheidsmeter niet opgenomen. Deze aanwijzing heeft tot doel een uniforme handhaving te bewerkstelligen van snelheidsoverschrijdingen. Opsporing 1. Meting van snelheidsovertredingen Plaats meetlocatie snelheidsmetingen De snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden1Hof Leeuwarden 18 april 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:16, WAHV 00/00267. ‘Mede gelet op de toelichting op art. 19 RVV1990 vloeit uit het bepaalde in art. 5 WVW1994 en art. 19 RVV1990, gelezen in onderling verband en samenhang, voort dat een bestuurder zijn snelheid steeds zodanig dient te regelen, dat hij in staat is borden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen.’. Desalniettemin is staand beleid dat een minimumafstand in acht genomen wordt tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetplaats. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de a"},{"b":"Aanwijzing militaire autoriteit Artikel 1 Als militaire autoriteit, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van het Besluit op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009080&artikel=32) wordt aangewezen: - a. de op grond van [artikel 154, onder b en c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=154) aangewezen hulp-officier van justitie van de Koninklijke marechaussee; - b. de bevelvoerende militairen, bedoeld in [artikel 59, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=59), voor zover geen functionaris als bedoeld in onderdeel a van dit artikel ter plaatse is en diens komst niet kan worden afgewacht. Artikel 2 Het besluit van de Minister van Defensie van 30 januari 1992, nr. C 92/202 92000266 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing Nieuwkoopse Plassen als speciale beschermingszone EG-Vogelrichtlijn Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het in de bijlage van deze beschikking en op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Nieuwkoopse Plassen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota, welke deel uitmaakt van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing OM-Afdoening Samenvatting Achtergrond Invoering Definities Rol van het Openbaar Ministerie Het uitvaardigen van de strafbeschikking door de officier van justitie Beoordeling strafzaak De effectuering van de waarborgen (horen van verdachten) Taakstraf, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend Geldboete, schadevergoedingsmaatregel en andere financiële sancties Telefonisch horen Verslag van het horen Toezicht Toezicht ex artikel 257b Sv Toezicht ex artikel 257ba Sv Buitengewoon opsporingsambtenaren Toezicht op buitengewoon opsporingsambtenaren Het uitreiken en toezenden van de strafbeschikking Verzet Het doen van verzet Herbeoordeling van de zaak Terechtzitting na verzet of mislukte executie Eis ter terechtzitting in zaken waarin de bestrafte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking Eis ter terechtzitting in zaken waarin de executie van de bij strafbeschikking opgelegde sanctie (gedeeltelijk) is mislukt Tenuitvoerlegging Informatieverstrekking Openbaarheid Kennisneming van alle processtukken Pilots om-afdoening Strafvordering Overgangsrecht"},{"b":"Aanwijzing OM-strafbeschikking Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het uitvaardigen van een OM-strafbeschikking, het horen van de verdachte, de te hanteren straftoemeting en hoe te handelen bij verzet en onvoltooide tenuitvoerlegging. Deze aanwijzing geldt zowel voor meerderjarige als jeugdige verdachten. Het uitgangspunt is: wanneer dat wettelijk mogelijk is en de strafzaak zich ervoor leent, wordt de zaak in beginsel afgedaan met een strafbeschikking. Er zijn echter een paar contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Daarnaast blijft de professionele beslissingsruimte bestaan om te kiezen voor een andere afdoeningsmodaliteit. Voorop staat dat een strafbeschikking slechts kan worden opgelegd als er een schuldvaststelling aan vooraf is gegaan. 1. Inleiding en juridisch kader Door de invoering van de Wet OM-afdoening is een regeling in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die het mogelijk maakt dat de officier van justitie misdrijven waarop niet meer dan zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen door het uitvaardigen van een strafbeschikking zelf bestraft ([art. 257a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a)). De wetgever heeft met deze regeling een lichte – niet-rechterlijke – procedure geïntroduceerd voor de buitengerechtelijke afdoening van de genoemde delicten, met het doel de strafrechter te ontlasten. Inzet was het terugdringen van de transactie ex [art. 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) ten faveure van de strafbeschikking. 2. Uitvaardigen van een OM-strafbeschikking Het uitvaardigen van een strafbeschikking is het uitgangspunt bij feiten waarvoor dat wettelijk gezien mogelijk is. Er bestaan wel contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. De contra-indicaties zijn (niet-limitatief) opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046521&bijlage=I&z=2022-04-15&g=2022-04-15) bij deze aanwijzi"},{"b":"Aanwijzing onderwijsinstituten Artikel 1 Voor de toepassing van de Leerplichtwet 1969 worden tot wederopzegging, aangewezen als onderwijsinstituut: - 1e. de proefprojecten deeltijd kort middelbaar beroepsonderwijs; - 2e. de door mij goedgekeurde cursussen in het kader van de samenwerkingsverbanden vormingswerk/beroepsbegeleidend onderwijs verbonden aan: - a. de zelfstandige streekscholen voor beroepsbegeleidend onderwijs en - b. de scholen voor beroepsonderwijs, voorzover daaraan cursussen worden gegeven voor algemeen en op het beroep gericht onderwijs als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen; - 3e. de cursussen algemene vorming en beroepsoriëentering verbonden aan: - a. de streekschool voor werkende jeugd te 's-Gravenhage; - b. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs ‘Jong Leven’ te Nijmegen; - c. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs te 's-Hertogenbosch; - d. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs te Eindhoven. - 4e. de avondscholen en dag-avondscholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor middelbaar economisch en administratief onderwijs; - 5e. de cursus voor partieel leerplichtige minderjarigen die werkzaam zijn in de grote en kleine handelsvaart, dan wel het voornemen daartoe te kennen hebben gegeven, verbonden aan de Outward Bound Zee- en Bergscholen te Ulvenhout; - 6e. de cursus ten behoeve van partieel leerplichtige moeilijk lerende leerlingen, verbonden aan de ‘Vijverhofschool’ voor Christelijk Individueel Onderwijs te Breukelen; - 7e. de dagcursus voor de opleiding tot dokters-assistenten, verbonden aan het Opleidingsinstituut voor beroepen in de gezondheidszorg, uitgaande van de Leidse Onderwijsinstellingen te Leiderdorp; - 8e. de brugcursus, verbonden aan het Nederlands Hippisch Centrum te Deurne. Artikel 2 Met uitzondering van het onderwijsinstituut, genoemd in [artikel 1, onder 7e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003689&artikel=1&z=2022-08-01&g=2"},{"b":"Aanwijzing Opiumwet Samenvatting Deze aanwijzing heeft betrekking op de opsporing en de vervolging van personen die delicten uit de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) begaan. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bestuurlijke en strafrechtelijke aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops en aan de vervolging van voorbereidingshandelingen met betrekking tot lijst II-middelen. Achtergrond 1. Het Nederlandse drugsbeleid Het Nederlandse drugsbeleid richt zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden. De [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) is in de loop der jaren gewijzigd, vooral met betrekking tot de verboden handel en productie. Zo is in 1999 de strafbaarstelling geïntroduceerd van het ‘beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een van de in [artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) (OW) gegeven verboden’, en is in die verboden het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In juni 2006 zijn de maximumstraffen voor enkele Opiumwetdelicten verhoogd en zijn bestanddelen als ‘opzettelijk handelen’ en ‘grote hoeveelheid’ in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=10) en [11 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=11) opgenomen en is aan [artikel 2 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), analoog aan [artikel 3 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3), het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In november 2008 is in [lijst II van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=II) een groot aantal paddenstoelen die een hallucinerende werking hebben, opgenomen en is het zogeheten paddoverbod in werking getreden. Op 12 mei 2012 is"},{"b":"Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft eerst de doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, voor zover die door Nederlandse militairen wordt geschonden. Daarna wordt ingegaan op de prioriteiten bij de opsporing. Verder wordt ingegaan op de verhouding tussen het (militair) strafrecht en het militair tuchtrecht. Vervolgens wordt stilgestaan bij de verhouding tot en afwijkingen van Aanwijzingen ten behoeve van militaire zaken. Tenslotte worden meer praktische aanwijzingen gegeven ten aanzien van de consultatie door de hulpofficier van Justitie van de officier van Justitie, ten aanzien van transigabele feiten c.q. feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan en ten aanzien van inhoud en inzending van processen-verbaal. Achtergrond [Artikel 2 Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=2) (MSr) bepaalt dat het gemene strafrecht toepasselijk is op de niet in dat wetboek omschreven strafbare feiten, behoudens de afwijkingen bij de wet vastgesteld, begaan door Nederlandse militairen of daarmee gelijkgestelde personen. Voor de leesbaarheid van deze Aanwijzing zal verder over militairen worden gesproken. Met [artikel 2 MSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=2) heeft de wetgever geenszins beoogd het militaire strafrecht als *lex specialis* te zien ten opzichte van het commune strafrecht.1HR 23 december 1980, *MRT* 1981, p. 300. Militairen kunnen van feiten verdacht worden waar hun militaire status vanuit strafvorderlijk oogpunt van geen of geringe betekenis is. Dat zal in beginsel het geval zijn als strafbare feiten buiten diensttijd worden gepleegd. Als strafbare feiten tijdens diensttijd worden gepleegd, dan kunnen de militaire status van de verdachte en de ‘militaire omstandigheden’ vanuit strafvorderlijk oogpunt wel degelijk relevant zijn en zowel strafverzwarend als strafverminderend"},{"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in Nederland Samenvatting Deze aanwijzing geeft de kaders waarmee rekening moet worden gehouden bij de opsporing en vervolging van ambtelijke corruptie in Nederland en heeft als doel interne regels te stellen voor de wijze van opsporing en vervolging van ambtelijke corruptie in Nederland. De aanwijzing ziet zowel op de omkopende partij (burgers/bedrijven) als op de omgekochte partij (ambtenaren). 1. Opsporing Onderzoek naar ambtelijke corruptie in Nederland wordt in beginsel door de rijksrecherche1Taken en inzet van de rijksrecherche zijn geregeld in de Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche. uitgevoerd. De rijksrecherche kan op grond van [artikel 60 Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=60) bijstand ontvangen van de nationale politie. De rijksrecherche kan gelet op haar bijzondere expertise bijstand verlenen aan andere opsporingsdiensten en/of deelnemen aan gecombineerde onderzoeksteams. Onderzoeken naar ambtelijke corruptie richten zich zowel op de omkoper als op de omgekochte ambtenaar. Financieel rechercheren is in de regel een vast onderdeel van elk corruptieonderzoek, enerzijds ten behoeve van een eventuele ontnemingsprocedure, anderzijds omdat financieel onderzoek waardevolle gegevens kan opleveren voor de bewijsvoering in de corruptiezaak zelf. 2. Procedure In alle gevallen waarin in een lopend onderzoek of nog te starten onderzoek inzet van de rijksrecherche gewenst is, informeert de (rijks)rechercheofficier van het betreffende OM-onderdeel de landelijk coördinerend officier van justitie rijksrecherche (LOvJ RR). De LOvJ RR neemt – in afstemming met de stuurgroep opsporing, de directie of de piketfunctionaris van de rijksrecherche – een voorlopige beslissing over de inzet van de rijksrecherche. De LOvJ RR informeert de Coördinatiecommissie Rijksrecherche (CCR). De CCR bepaalt of de inzet van de rijksrecherche inderdaad aangewezen is. Het besluit met betrekking tot de eve"},{"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart Samenvatting Deze aanwijzing bevat voorschriften met betrekking tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten bij een voorval in de burgerluchtvaart. 1. Achtergrond Op 15 november 2015 is EU-verordening 376/2014 van toepassing.1Verordening (EU) Nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie, *PbEG*2014 L 122/18. Deze verordening heeft tot doel de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren door ervoor te zorgen dat relevante veiligheidsinformatie met betrekking tot de burgerluchtvaart wordt gemeld, verzameld, opgeslagen, beschermd, uitgewisseld, verspreid en geanalyseerd. De verordening vervangt Richtlijn 2003/42/EG inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart. De verordening heeft grotendeels rechtstreekse werking en is verder in de nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd. De nieuwe regelgeving is in deze aanwijzing verwerkt. Concreet betekent dit dat de aanwijzing, anders dan voorheen, van toepassing is op de gehele luchtvaartsector, uitgaat van een ruimere meldplicht (deze omvat voortaan ook ongevallen en ernstige incidenten), en het beschermingsniveau daarmee in overeenstemming brengt en verder verhoogt door ook bescherming te geven aan vrijwillige meldingen die krachtens de verordening worden gedaan. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de voorwaarden voor strafrechtelijke vrijwaring te verduidelijken. In de kern is het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie is daarmee echter niet veranderd. 2. Wettelijk kader 2.1. Doel: melding van voorvallen De verordening wil bereiken dat eerstelijnsluchtvaartprofessionals en a"},{"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging buitenlandse corruptie Samenvatting Omkoping van een buitenlandse ambtenaar door een Nederlandse burger of onderneming (ook wel: buitenlandse ambtelijke corruptie) tast de integriteit van een overheid ernstig aan en kan tot grote schade leiden. Het onderzoeken van signalen van mogelijke buitenlandse corruptie en de opsporing en vervolging van strafbare feiten die daarmee verband houden hebben dan ook de bijzondere aandacht van het Openbaar Ministerie. In deze aanwijzing wordt aangegeven welke factoren (niet-limitatief) een rol spelen bij het bepalen van de opportuniteit van de vervolging van op zichzelf strafbare gevallen van buitenlandse ambtelijke corruptie. Deze factoren hebben uiteraard ook betekenis voor de beoordeling van de opportuniteit van de aan de vervolging voorafgaande opsporingsactiviteiten. De aanwijzing ziet op zowel de omkopende partij (burgers en bedrijven) als de omgekochte partij (ambtenaren) van buitenlandse corruptie. Gelet op het anti-corruptieverdrag van de OESO staat voorop dat overwegingen van nationaal economisch belang, het mogelijke effect op relaties met een andere Staat of de identiteit van betrokken natuurlijke of rechtspersonen geen rol mogen spelen bij beslissingen over opsporing en vervolging. 1. Achtergrond 1.1. Buitenlandse ambtelijke corruptie Vooropgesteld moet worden dat omkoping een ernstig misdrijf is, dat de integriteit van een overheid ernstig aantast en tot grote schade kan leiden. Het omkopen van een buitenlandse ambtenaar doet afbreuk aan het vertrouwen van burgers in overheden en het vertrouwen tussen Staten. Buitenlandse overheden en samenlevingen worden benadeeld en het leidt tot verstoring van internationale gelijke (markt)kansen, noodzakelijk voor een goed functionerende economie. Nieuwe toetreders maken geen kans op de markt en bonafide bedrijven worden uit de markt gedrukt. Bovendien veroorzaakt buitenlandse omkoping grote maatschappelijke verontwaardiging. De Nederlandse overhe"},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Artikel 1 1. De ambtenaren van de Arbeidsinspectie, aangewezen op grond van artikel 77 van de Arbeidswet 1919 (Stb. 624), worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Rijtijdenwet 1936, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). 2. De ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie, aangewezen bij het Besluit van 12 juni 1936, Stb. 573, tot instelling van een Rijksverkeersinspectie, worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Rijtijdenwet 1936, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 2 Deze regeling die in de Staatscourant wordt geplaatst treedt in werking op 1 mei 1992."},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Artikel 1 De ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw en Visserij worden aangewezen als ambtenaar belast met de opsporing van als economisch delict strafbaar gestelde overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Vestigingswet detailhandel en de Handelsregisterwet. Artikel 2 Dit besluit zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van 24 mei 1986."},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en Volksgezondheid en Milieuhygiëne: - 1. de controleurs van de Economische Controledienst van het Ministerie van Economische Zaken aan te wijzen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356); - 2. te bepalen dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgend op die der bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken: - 1. de ambtenaren van de Economische Controledienst aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002798) (Stb. 1971, 748), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen, dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Artikel 1 Als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 4, vijfde lid, van de Wet van 27 juni 1963 tot uitvoering van de verordening nr. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap (Stb. 1963, 344), bij of krachtens de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=4) en [5, derde lid, van de Wet vrachtprijzen vervoer van kolen en staal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=5) (Stb. 1963, 343) en bij of krachtens de Wet Personenvervoer (Stb. 1987, 175), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) worden aangewezen: - a). de Directeur-Generaal voor het Vervoer; - b). de Inspecteur van het Verkeer; - c). de aan de Inspecteur-Generaal van het Verkeer toegevoegde Rijkshoofdinspecteur van het Verkeer; - d). de bestuursmedewerkers Controle; - e). de unitmanagers Controle; - f). de plaatsvervangend unitmanagers Controle; - g). de Rijkshoofdcontroleurs van het Verkeer; - h). de Rijkscontroleurs van het Verkeer. Artikel 2 De volgende beschikkingen worden ingetrokken: - a). de beschikking betreffende aanwijzing opsporingsambtenaren Wet uitvoering verordening nr. 11 van de Raad van de E.E.G. (Stcrt. 1964, 32); - b). de beschikking betreffende [aanwijzing opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418)[Wet vrachtprijzen vervoer van kolen en staal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418) (Stcrt. 1965, 123); - c). de beschikking betreffende aanwijzing opsporingsambtenaren Wet Personenvervoer (Stcrt. 1975, 229). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van verschijning van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 1992. Deze regeli"},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren volgens Noodwet Geneeskundigen Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758), worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Dit besluit wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant, waarin het is geplaatst."},{"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Wet Ziekenhuisvoorzieningen in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, - 1. de regionale geneeskundige inspecteurs van de Volksgezondheid en de regionale geneeskundige inspecteurs voor de geestelijke volksgezondheid aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet Ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753), voorzover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen, dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"b":"Aanwijzing opsporingsberichtgeving Samenvatting Het openbaar ministerie en de politie maken gebruik van opsporingsberichten om de hulp van het publiek in te roepen bij het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, het voorkomen van strafbare feiten of andere belangen die de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreffen. Deze aanwijzing geeft regels voor de inzet van opsporingsberichtgeving wanneer daardoor een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van identificeerbare personen. 1. Inleiding en juridisch kader 1.1. Opsporingsberichtgeving Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel. Het openbaar ministerie en de politie1De aanwijzing ziet op alle opsporingsinstanties, maar het gros van de gevallen betreft de politie. Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over de politie, worden ook de andere opsporingsinstanties bedoeld. vragen via opsporingsberichten in de media2De term media wordt in deze aanwijzing gebruikt in de ruimst mogelijk betekenis en omvat alle denkbare communicatiemiddelen, waaronder beeld- en geluidsdragers, geschreven en gedrukte berichtgeving. de hulp van het publiek bij waarheidsvinding in strafzaken en het opsporen van verdachten, veroordeelden of getuigen. Een opsporingsbericht geeft informatie over (mogelijke) strafbare feiten en personen die daar wetenschap van kunnen hebben met het doel om informatie te verkrijgen die relevant is voor de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of het voorkomen van strafbare feiten.3Berichtgeving in de media buiten een strafrechtelijke context (zoals bij de vermissing van verwarde personen, minderjarigen of stoffen die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen vormen) valt buiten de context van deze aanwijzing. Daarvoor is het openbaar ministerie niet verantwoordelijk. Ook kunnen burgers in het opsporingsbericht gealerteerd worden op gevaarzetting die voortvloeit uit de context van het strafbare feit o"},{"b":"Aanwijzing opsporingsbevoegdheden Hoofdstuk 1. Algemeen 1.1. Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden Achtergrond Op 1 februari 2000 is de [Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in [Boek I van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste) een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen. Deze [Wet BOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) bevat: - 1. een regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden observatie, infiltratie, pseudokoop, pseudodienstverlening, stelselmatige informatie-inwinning, betreden van een besloten plaats en opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel; - 2. een regeling van verscheidene vormen van bijstand aan opsporing door burgers, zoals de art. 126v Sv-persoon, de burgerinfiltrant en de burgerpseudokoop- of dienstverlening; - 3. een (herziene) regeling van de bevoegdheid van het opnemen van telecommunicatie en het - 4. vorderen van inlichtingen; - 5. een nieuwe grondslag voor de toepassing van opsporingsbevoegdheden, namelijk het vermoeden dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd; en - 6. een regeling van het verkennend onderzoek. Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de [titels IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000190"},{"b":"Aanwijzing pre-opsporing, opsporing en vervolging van maritieme strafbare feiten Samenvatting Deze aanwijzing bevat beleids- en werkafspraken voor pre-opsporing en opsporen en vervolgen van strafbare feiten, die: - 1. opgespoord zijn of worden door de opsporingsambtenaren die vanuit diverse opsporingsdiensten2Waaronder Rijkswaterstaat, Inspectie Verkeer en Waterstaat, Staatstoezicht op de Mijnen, Korps Landelijke Politie Diensten, Koninklijke Marechaussee, Douane, nieuwe Voedsel -en warenautoriteit (voormalige Algemene Inspectiedienst van ministerie van Landbouw).zijn tewerkgesteld bij de Kustwacht (Koa’s), op alle schepen varend in Nederlandse / territoriale wateren, en/of - 2. gepleegd worden aan boord van vaartuigen varend onder de Nederlandse vlag waar ook ter wereld ([artikel 4 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=4)). Achtergrond Op 1 januari 2007 is het [Besluit instelling Kustwacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546) (verder te noemen BiK) van 17 november 2006, Stcr. Nr. 229 d.d. 23 november 2006, in werking getreden. Omdat dit besluit geen duidelijke taakverdeling voor het OM bevat, hetgeen in de praktijk als een gemis wordt ervaren, is besloten om de vervallen Aanwijzing opsporing en vervolging van strafbare feiten op de Noordzee nieuw leven in te blazen. De handhavingsactiviteiten worden uitgevoerd door de Kustwacht Nederland3Kustwacht Nederland, internationaal aangeduid als Netherlands Coastguard. De Kustwacht is beheersmatig ondergebracht te Den Helder bij het Commando Zeestrijdkrachten van het Ministerie van Defensie. De Kustwacht beschikt over een Kustwachtcentrum, op welke plaats de handhavingcoördinatie plaatsvindt.(verder te noemen de Kustwacht) en gecoördineerd door de Permanente Kontaktgroep Handhaving Noordzee (verder te noemen PKHN). De binnen de kustwacht werkzame opsporingsambtenaren – zowel algemene als buitengewone of bijzondere opsporingsambtenaren – worden Koa’s genoemd. Het werkgebied van de Kustwacht"},{"b":"Aanwijzing procesafspraken in strafzaken Samenvatting In zaken waarin dat met het oog op een effectieve afdoening of gestroomlijnde procesgang dienstig is, kan de officier van justitie binnen de kaders van het opportuniteitsbeginsel en de eisen van een eerlijk proces procesafspraken met de verdediging maken over bijvoorbeeld de wijze van procederen, de omvang van het strafrechtelijk geschil dat aan de strafrechter wordt voorgelegd, de proceshouding ter terechtzitting en de afhandeling van het beslag. Deze aanwijzing bevat de randvoorwaarden die de officier van justitie daarbij in acht neemt en voorziet in de procedure voor het maken van procesafspraken. 1. Achtergrond In de afgelopen jaren heeft de wetgever meer betekenis toegekend aan de rol van consensualiteit. In het strafprocesrecht is een geleidelijke verschuiving zichtbaar van de klassieke gerechtelijke procedure naar een model waarin de onafhankelijke strafrechter instaat voor de juiste toepassing van het materiële strafrecht, en consensualiteit een rol kan spelen bij beslissingen die aan de procesrechten van partijen raken. Enkele voorbeelden zijn het voortbouwend appel ([art. 415 lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=415)), de opdracht rekening te houden met de uitkomsten van herstelbemiddeling ([art. 51h lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51h)) en het afzien van oproeping van niet-verschenen getuigen met instemming van OM en verdediging ([art. 288 lid 3 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=288)). Deze bepalingen hebben gemeen dat zij bijdragen aan de kwaliteit en effectiviteit van het onderzoek ter terechtzitting doordat de inhoudelijke behandeling kan worden toegespitst op hetgeen OM en verdediging verdeeld houdt. Dit leidt tot een beter gestroomlijnde procesgang zonder afbreuk te doen aan de daarbij vereiste zorgvuldigheid. Voortbouwend op deze ontwikkeling is het mogelijk consensualiteit tussen OM en verdediging meer struc"},{"b":"Aanwijzing rechtsmachtgeschillen bij strafprocedures Samenvatting In 2009 heeft de Raad van de Europese Unie een kaderbesluit vastgesteld over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures. Dit besluit bevat regels voor de justitiële autoriteiten van de lidstaten voor het voeren van rechtstreeks en gestructureerd overleg en tot nauwere samenwerking, wanneer tijdens een strafrechtelijk onderzoek (zowel opsporingsfase als vervolgingsfase) blijkt dat een parallel onderzoek wordt gevoerd in het buitenland tegen dezelfde persoon en wegens dezelfde feiten. In deze aanwijzing worden de procedures beschreven voor het leggen van contact en voor het voeren van overleg tussen leden van het Nederlandse Openbaar Ministerie en de bevoegde autoriteiten van andere EU lidstaten teneinde vast te stellen of er parallelle strafprocedures lopen wegens dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde personen. Naast het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem’, kan op deze wijze door de Nederlandse officier van justitie, bij voorkeur in een vroegtijdig stadium, een effectieve oplossing wordt bereikt in een strafzaak door samen te werken met partners in het buitenland. Achtergrond Aan deze aanwijzing liggen ten grondslag het Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures en [artikel 552l Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552l). Dit kaderbesluit strekt tevens tot het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem.’1Zie ook artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Het kaderbesluit treedt niet in de plaats van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, ondertekend te Straatsburg op 15 mei 1972 en laat ook andere regelingen betreffende de overdracht van strafvervolging tussen de lidstaten onverlet. Internationale strafrechtelij"},{"b":"Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977 Artikel 1 Als belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [vijfde afdeling van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=5) bepaalde met betrekking tot het financieel verkeer worden aangewezen: - a. De Nederlandsche Bank N.V., voorzover het betreft de naleving door de instellingen bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j, en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10); - b. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het betreft de naleving door de instellingen bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing rechtspersoon belast met inning en verdeling vergoedingen Als rechtspersoon die met uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van de in [artikel 15c van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15c) bedoelde vergoeding, alsmede de in [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=6), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=7a) en [8 van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=8) bedoelde vergoeding, wordt aangewezen de stichting ’Stichting Leenrecht’ te Amstelveen."},{"b":"Aanwijzing resterende projecten uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren Artikel 1 De op bijgevoegde lijsten A en B vermelde projecten komen nog in aanmerking voor een uitkering op grond van artikel 4 van de uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren (UKR). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden."},{"b":"Aanwijzing review (tweede beoordeling) Achtergrond De aanwijzing review vloeit voort uit het `Programma Versterking Opsporing en Vervolging’ dat voorziet in een structurele inbedding van review (tweede beoordeling) bij Openbaar Ministerie en politie. Doel is in uitzonderlijke gevallen waarin het onderzoek vastloopt of dreigt vast te lopen, dan wel de bewijspositie in hoge mate problematisch is (bijvoorbeeld een ingetrokken bekentenis in combinatie met weinig substantieel technisch bewijs), vast te stellen of alle mogelijke opsporingsrichtingen in voldoende mate zijn uitgezocht. Ook benadeelden (slachtoffers/nabestaanden) kunnen belang hebben bij een review als een onderzoek geen duidelijk resultaat heeft opgeleverd. Deze aanwijzing ziet toe op beide groepen aanvragers. Daarmee komt de aanwijzing tweede beoordeling (‘second opinion’) opsporingsonderzoek te vervallen. Samenvatting Wanneer het strafrechtelijk onderzoek naar zware misdrijven die grote maatschappelijke beroering teweeg brengen, geen duidelijk resultaat heeft opgeleverd, is het belangrijk om vast te kunnen stellen of het onderzoek volgens de regelen van de kunst is uitgevoerd en er echt alles is uitgehaald. Dit is voor alle betrokkenen van belang en hoort bij een professionele benadering van opsporing en vervolging. In uitzonderlijke gevallen kan het daarbij noodzakelijk zijn om tot een review (tweede beoordeling) over te gaan. Zowel het Openbaar Ministerie als de politie als een benadeelde kan hierom verzoeken. Bij een review wordt een team samengesteld van deskundigen van Openbaar Ministerie en politie van buiten de politie-eenheid en het parket die het opsporingsonderzoek in de zaak hebben verricht, waar nodig aangevuld met externe deskundigen. Dit team verricht een diepgaande, systematische herbeoordeling van alle onderzoeksinformatie en beslissingen die op basis daarvan zijn genomen. Deze aanwijzing bevat een algemeen kader voor de inzet en uitvoering van een review door Openbaar Ministerie en politi"},{"b":"Aanwijzing Rijkshavenmeester Westerschelde Artikel 1 Met ingang van 16 mei 1994 wordt als Rijkshavenmeester Westerschelde bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005393&artikel=2), aangewezen: de hoofdingenieur-directeur in de directie Zeeland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2 De beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 april 1993/Nr. DGSM/J 30.007/93 Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (Stcrt. 1993, 77), houdende aanwijzing van de Rijkshavenmeester Westerschelde, wordt ingetrokken. Artikel 3 Van deze beschkking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing Schiphol tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein Artikel 1 Het luchtvaartterrein Schiphol wordt aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dag waarop het [Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035) in werking is getreden."},{"b":"Aanwijzing seksuele misdrijven Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van seksuele misdrijven zoals genoemd in [Boek 2 Titel XIV Seksuele misdrijven van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) alsmede van zedenmisdrijven zoals genoemd in Boek 2 Titel XIV Misdrijven tegen de zeden, de regelgeving die tot 1 juli 2024 gold. 1. Achtergrond Uitgangspunten bij de aanpak van seksuele misdrijven respectievelijk zedenmisdrijven zijn: - • Het schenden van in het strafrecht neergelegde normen vraagt in beginsel om correctie, afkeuring en herstel van de geleden schade. Het strafrecht is in beginsel repressief van aard, maar kan – gecombineerd met andere interventies en op voldoende selectieve wijze ingezet – bijdragen aan veiligheid en het voorkómen van herhaling. - • De belangen van slachtoffers wegen zwaar mee bij de afweging of (en zo ja hoe) de vervolging door het openbaar ministerie passend is. De veiligheid van slachtoffers en de risico’s op herhaald slachtofferschap en herhaald daderschap worden hierbij steeds goed voor ogen gehouden. Veiligheids- en risicotaxatie vormen derhalve in alle stadia van opsporing en vervolging een belangrijke leidraad voor (prioritering van) handelen. - • Waar het belang van waarheidsvinding botst met het belang van behoud en versterking van veerkracht van slachtoffers worden deze belangen steeds zorgvuldig tegen elkaar afgewogen om te voorkomen dat het strafrechtelijk onderzoek leidt tot schade bij slachtoffers en anderen. - • Het openbaar ministerie handelt in samenwerking en samenhang met de relevante netwerkpartners. Ook in het netwerkverband houdt het openbaar ministerie de belangen van slachtoffers en anderen (waarborg veiligheid en behoud en versterken veerkracht) nadrukkelijk voor ogen. Daartoe wordt het (sociale) systeem rondom zowel het slachtoffer als de (kwetsbare) verdachte of dader betrokken. 1.1. Seksuele misdrijven In 2024 is de"},{"b":"Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden Samenvatting De officier van justitie kan onder meer op gronden aan het algemeen belang ontleend beslissen om niet of niet verder te vervolgen. De zaak wordt dan geseponeerd. In alle gevallen wordt het motief voor de sepotbeslissing – de sepotgrond – vastgelegd. Deze aanwijzing geeft regels voor de wijze waarop sepotgronden gehanteerd en geregistreerd worden. De [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046770) bevat een opsomming van de sepotgronden, elk voorzien van een cijfercode en een toelichting. 1. Inleiding 1.1. De wijzigingen ten opzichte van de vorige aanwijzing De aanwijzing is redactioneel herzien. Ook is de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046770) aangepast. Sepotcode 04 ‘burgerlijk rechter niet bevoegd’ is na heroverweging geschrapt omdat deze geen toegevoegde waarde heeft naast de andere codes of afdoeningsmogelijkheden. Voor de overdracht van een zaak naar arrondissementsparket Oost-Nederland (om daar als militaire zaak te worden afgedaan) is niet vereist dat het overdragende parket seponeert. Bij sepotcode 58 ‘corporatie wordt vervolgd’ en sepotcode 59 ‘leidinggever wordt vervolgd’ is ter verduidelijking een toelichting opgenomen. 2. Seponeren 2.1. Niet (verder) vervolgen om technische of beleidsmatige redenen Onder *sepot* wordt in deze aanwijzing verstaan: de beslissing om niet of niet verder te vervolgen. Bij het seponeren van een strafzaak wordt onderscheid gemaakt tussen technische sepots en beleidssepots. Indien op grond van het onderzoek geconcludeerd moet worden dat niet vervolgd kan worden of een veroordeling niet haalbaar is, dan wordt geseponeerd met een ‘*technisch sepot*’. Indien een vervolging (technisch) mogelijk is, maar op gronden aan het algemeen belang ontleend onwenselijk is, dan wordt een ‘*beleidssepot*’ toegepast. In [art. 167 lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=167) is aan het OM expliciet de bevoegdheid toegekend om van vervolging af te zien op g"},{"b":"Aanwijzing slachtoffers in het strafproces Samenvatting De aanwijzing bevat een uitwerking van de taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie heeft in relatie tot slachtoffers. In de aanwijzing staan de uitgangspunten over de verhouding tussen het openbaar ministerie en slachtoffers en de wijze waarop recht wordt gedaan aan de belangen van slachtoffers. Meer in het bijzonder bevat de aanwijzing regels over de omgang met het slachtoffer bij aangifte en het verhoor, bij vervolging en bij het onderzoek ter terechtzitting en over informatievoorziening aan slachtoffers, kennisneming van processtukken door slachtoffers, de schadebehandeling en het slachtoffer in relatie tot onderwerpen als bijstand, bemiddeling, beslag en internationale samenwerking. 1. Uitgangspunten 1.1. Recht doen aan belangen vanaf eerste contact Het openbaar ministerie doet recht aan de belangen van het slachtoffer en geeft uitvoering aan de wettelijke rechten van het slachtoffer vanaf het eerste moment dat het slachtoffer contact heeft met de politie en het openbaar ministerie.1Waar in de aanwijzing politie staat, worden ook andere opsporingsdiensten bedoeld. 1.2. Definitie slachtoffer Een slachtoffer van een strafbaar feit kan verschillende hoedanigheden hebben. Het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) kent rechten toe aan een bepaalde hoedanigheid van het slachtoffer. Die hoedanigheden zijn: slachtoffer zoals gedefinieerd in [artikel 51a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a), benadeelde partij, rechtstreeks belanghebbende, spreekgerechtigde, klachtgerechtigde, getuige, nabestaande en familielid. Welke rechten een slachtoffer van een strafbaar feit heeft, hangt af van zijn hoedanigheid. In deze Aanwijzing wordt met slachtoffer bedoeld het slachtoffer zoals gedefinieerd in [artikel 51a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a), tenzij anders aangegeven. Onder artikel 51a lid 1 onder a Sv vallen twee cate"},{"b":"Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude Samenvatting Deze aanwijzing betreft het opsporings- en vervolgingsbeleid aangaande fraude met uitkeringen en voorzieningen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving, gepleegd door uitkeringsgerechtigden en eventuele (mede)verdachten. Voor de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sanctionering neemt de aanwijzing de omvang van het benadelingsbedrag als uitgangspunt. Tot een benadelingsbedrag van € 50.000 wordt in beginsel bestuursrechtelijk gesanctioneerd, bij een bedrag van € 50.000 of meer in beginsel strafrechtelijk. De aanwijzing somt een aantal factoren op die aanleiding kunnen geven om af te wijken van deze uitgangspunten. 1. Uitgangspunten en reikwijdte 1.1. Sociale zekerheidsfraude In deze aanwijzing wordt onder sociale zekerheidsfraude verstaan: een verwijtbare overtreding in de zin van de sociale zekerheidswet- en regelgeving, met name bestaande uit het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van, voor de bepaling van het recht op uitkering en de duur en hoogte van de sociale zekerheidsuitkering relevante gegevens, met als doel misbruik te maken van de sociale zekerheid met als gevolg dat een uitkeringDaar waar uitkering wordt geschreven worden ook voorzieningen bedoeld. geheel of ten dele ten onrechte wordt verstrekt. Deze aanwijzing is van toepassing op de sociale zekerheidswet- en regelgeving, zowel ten aanzien van sociale voorzieningen als ten aanzien van sociale verzekeringen. 1.2. Benadelingsbedrag De omvang van het (vastgestelde of vast te stellen) benadelingsbedrag is van belang voor de keuze tussen bestuurs- en strafrecht. Tot een benadelingsbedrag van € 50.000 wordt in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd, bij een bedrag van € 50.000 of meer in beginsel strafrechtelijk, zie hierna [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048643). Onder het benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat ten onrechte ten laste"},{"b":"Aanwijzing speciale beschermingszone Waddenzee Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen; het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Waddenzee’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; Bargerveen Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Bargerveen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; De Deelen Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘De Deelen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; Deurnese Pelen Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Deurnese Peelgebieden’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing Stichting Denktank in de Autobranche (Stidenda) als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt Artikel 1 1. Als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt, aan welke gegevens uit het kentekenregister kunnen worden verstrekt, wordt aangewezen: de Stichting Denktank in de Autobranche. 2. De verstrekking van de gegevens uit het kentekenregister heeft geen betrekking op: - a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens; - b. overige direct aan de geregistreerde natuurlijke persoon gerelateerde informatie. Artikel 2 De verstrekking van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011948&artikel=1&z=2000-12-21&g=2000-12-21) bedoelde gegevens aan de Stichting Denktank in de Autobranche geschiedt slechts voor zover de Stichting Denktank in de Autobranche deze gegevens behoeft voor de volgende doeleinden: - 1. wetenschappelijk onderzoek en statistiek, en - 2. het beheer van de volgende voertuiginformatiesystemen van de Stichting Denktank in de Autobranche of van derden ten behoeve van de automobielbranche: - a. veiligheids- en milieu-inspecties; - b. systemen voor de controle van kilometerstanden van voertuigen; - c. systemen voor het overschrijven van de motorrijtuigenbelasting; - d. systemen voor het bevragen van gegevens omtrent de belasting van voertuigen; - e. systemen waarin productinformatie, technische gegevens en prijzen van voertuigen zijn opgenomen; - f. systemen die gericht zijn op het aanmelden van uit te voeren onderhoud en reparaties alsmede het monteren van banden aan voertuigen; - g. systemen die gericht zijn op het completeren van voertuiginformatiesystemen; - h. systemen die gericht zijn op het in de bedrijfsvoorraad nemen en uit de bedrijfsvoorraad halen en/of afmelden van voertuigen; - i. systemen die gericht zijn op het vaststellen van de waarde van gebruikte voertuigen (occasions); - j. systemen die gericht zijn op het vaststellen van de juiste uitvoering van gebruikte voertuigen (occasions); - k"},{"b":"Aanwijzing Stichting Waarborgfonds Motorverkeer als rechtspersoon De Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, statutair gevestigd te Rijswijk, met ingang van 1 juni 1989 aan te wijzen als de rechtspersoon die tot taak heeft in de gevallen, in [artikel 25 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=25) (Stb. 1984, 269) genoemd, aan de benadeelden hun schade te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van die wet. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt."},{"b":"Aanwijzing strafvorderingsbeleid overtreding Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding Strafvorderingsbeleid overtreding Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding Met ingang van 1 augustus 2019 is het verboden om in het openbaar vervoer en in gebouwen en op bijbehorende erven van onderwijs-, overheids- en zorginstellingen bepaalde gezichtsbedekkende kleding te dragen, behoudens in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041161) uitgezonderde situaties (Stbl. 2018, 222). Handhaving De verantwoordelijkheid voor de effectuering van dit verbod ligt in eerste instantie bij vervoerders en betrokken instellingen. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat van hen wordt verwacht dat zij overtreders aanspreken, betrokkenen wijzen op het bestaan van het verbod en hen verzoeken de gezichtsbedekking te verwijderen of het vervoermiddel/pand te verlaten. Pas als iemand geen gevolg geeft aan een dergelijk verzoek is het inschakelen van de politie door een vervoerder/instelling aan de orde. Ook de politie zal in de regel eerst aan de overtreder vragen om de overtreding te beëindigen. Als een betrokkene weigert de gezichtsbedekking te verwijderen of de ruimte te verlaten, kan de politie proces-verbaal opmaken. Als sprake is van meerdere strafbare feiten wordt één proces-verbaal opgemaakt. Zo nodig kan de betrokkene worden aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Afdoening - • Bij overtreding van het verbod wordt als uitgangspunt voor de afdoening/strafeis een boetebedrag van € 150 gehanteerd. Omdat op overtreding van het verbod een geldboete van de eerste categorie staat, is een taakstraf niet mogelijk. - • In geval van samenloop met andere strafbare feiten, zoals overtreding van de identificatieplicht en/of het geen gevolg geven aan een verzoek om zich uit de ruimte te verwijderen, is maatwerk geboden in de afdoening. De wijze waarop richtlijnen voor strafvordering worden toegepast, zoals beschreven in de [Aanwijzing kader voor strafvordering m"},{"b":"Aanwijzing strafvorderlijk optreden met betrekking tot journalisten Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft de normen die het openbaar ministerie (OM) of de onder het gezag van het OM opererende opsporingsdiensten in acht moeten nemen bij strafvorderlijk optreden met betrekking tot een journalist of publicist. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze aanwijzing verder alleen gesproken van journalisten en wordt daar steeds de hele groep personen mee bedoeld die recht op bronbescherming of een afgeleid recht op bronbescherming heeft. Verder wordt in deze aanwijzing met het toepassen van dwangmiddelen tevens bedoeld de inzet van opsporingsbevoegdheden. Ook ziet deze aanwijzing op internationale (waaronder Europeesrechtelijke) strafrechtelijke samenwerking, voor zover die betrekking heeft op journalisten. Voorop staat dat het in beginsel ongeoorloofd is om tegen een journalist dwangmiddelen in te zetten om de identiteit van een bron te achterhalen. Dat geldt ook als een dwangmiddel niet wordt ingezet met als doel om de identiteit van de bron te achterhalen, maar wel voorzienbaar is dat bronbescherming in het geding komt. Indien uitzonderlijke omstandigheden de inzet van een dwangmiddel in een dergelijk geval noodzakelijk kunnen maken, dan is vereist dat de hoofdofficier van justitie heeft ingestemd met toepassing van het dwangmiddel in het concrete geval en dat het College van procureurs-generaal tevoren in kennis is gesteld. Sinds de wetswijziging van 1 oktober 2018 is bij de toepassing van bepaalde dwangmiddelen een machtiging vooraf door de rechter-commissaris vereist indien de vordering betrekking heeft op een journalist. Deze aanwijzing schetst het juridisch kader van de journalistieke bronbescherming, geeft de reikwijdte van de begrippen ‘journalist’ en ‘bronbescherming’, gaat in op de uiteenlopende situaties waarin journalistieke bronbescherming aan de orde kan zijn en besteedt aandacht aan een aantal specifieke dwangmiddelen en aan verzoeken en bevelen in het k"},{"b":"Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft met welke zaken de rijksrecherche is of kan worden belast en op welke wijze de besluitvorming betreffende de inzet van de rijksrecherche plaatsvindt. 1. Algemene uitgangspunten bij de inzet van de rijksrecherche De rijksrecherche is van oudsher een opsporingsinstantie met een speciale taak. Zij richt zich op de opsporing van door ambtenaren/overheidsfunctionarissen gepleegde misdrijven. Niet alle door deze functionarissen gepleegde misdrijven worden echter door de rijksrecherche onderzocht. Haar taken en inzet zijn afgebakend. Het doel van deze aanwijzing is dan ook ervoor te zorgen dat de rijksrecherche met name opereert op het terrein van die strafbare feiten die in ernstige mate de integriteit van de rechtspleging en het openbaar bestuur raken. De rijksrecherche wordt in beginsel niet belast met disciplinaire (integriteits)onderzoeken. De rijksrecherche voert oriënterende onderzoeken, feitenonderzoeken als bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) en opsporingsonderzoeken uit. Voor de oriënterende onderzoeken geldt dat het moet gaan om onderzoeken naar gedragingen, feiten en omstandigheden waaraan een strafrechtelijk aspect kleeft. Feitenonderzoeken zoals bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) zijn onderzoeken gericht op de vraag of het door een opsporingsambtenaar toegepaste geweld in overeenstemming is met de geweldsinstructie. Bij een oriënterend onderzoek kunnen geen opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen worden ingezet, bij een feitenonderzoek als bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) kan dat wel. De opsporingsonderzoeken die de rijksrecherche doet richten zich op de opsporing van misdrijven; voor (uitsluitend) overtredingen wordt de rijksrecherche niet in"},{"b":"Aanwijzing tarievenbeleid 1998 voor de farmaceutische hulp Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005342) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat met een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst (incl. BTW) van f 100 miljoen in 1998 wordt bewerkstelligd en vanaf 1999 structureel f 150 miljoen per jaar. Het aanvaardbare kostenniveau van het totaal van de in rekening te brengen tarieven voor farmaceutische hulp is – uitgaande van de raming voor 1998 in het JOZ 1998 – maximaal f 4093,6 miljoen (excl. BTW) minus inkomsten stimulans en minus buiten Wtg-middelen. Artikel 2 Met het oog op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009621&artikel=1&z=1998-05-27&g=1998-05-27) genoemde aanpassing neemt het Cotg generieke maatregelen. In afwijking van de eerste volzin kan het Cotg op voorstel van representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars besluiten om bepaalde geneesmiddelen van de te nemen maatregel uit te zonderen, met dien verstande dat de kortingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009621&artikel=1&z=1998-05-27&g=1998-05-27) zijn gewaarborgd. Artikel 3 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 4 De aanwijzing van 5 december 1997 (VPZ/P-974432) wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing tbs bij vreemdelingen Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het vorderen van tbs bij vreemdelingen, zie hiervoor met name [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044693). Bij vreemdelingen ten aanzien van wie vaststaat of aannemelijk is dat zij niet rechtmatig in Nederland kunnen verblijven na afloop van de maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs) wordt afgezien van het vorderen van tbs, mits dat gelet op het belang van de veiligheid van de samenleving verantwoord is. Als bij deze vreemdelingen toch een tbs-maatregel aangewezen is, dan zal dat in de regel een tbs met verpleging van overheidswege zijn1Zie ook § 2.2 onder Strafvordering hierna. In deze aanwijzing zal verder met ‘tbs’ steeds gedoeld worden op tbs met verpleging van overheidswege.. Tevens geeft deze aanwijzing in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044693) regels voor de executie van de tbs bij vreemdelingen. Uitgangspunt bij de executie van tbs bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf is dat, waar mogelijk, wordt ingezet op een snelle en veilige repatriëring naar het land van herkomst. 1. Achtergrond De tbs heeft primair de beveiliging van de maatschappij tot doel en subsidiair, voor zover mogelijk, de behandeling van de terbeschikkinggestelde (tbs-gestelde), gericht op het wegnemen danwel toereikend verminderen en beheersen van het recidivegevaar. In een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) wordt toegewerkt naar een veilige en verantwoorde terugkeer in de maatschappij. De tbs wordt opgelegd voor de duur van twee jaar en kan worden verlengd zo lang de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid voor personen of goederen dat eist. Door middel van (gecontroleerde) verloven worden stapsgewijs steeds meer vrijheden verleend.2Dit verlof verloopt in opeenvolgende stappen met verschillende gradaties van toezicht en beveiliging:beveiligd en begeleid verlof; onbegeleid verlof; transmuraal verlof (verblijf buiten de kliniek); proefverlof. Daarmee kan worden ge"},{"b":"Aanwijzing tbs met voorwaarden en voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging van overheidswege Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het vorderen van een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden en een voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging en voor de executie van de tbs met voorwaarden en de voorwaardelijke beëindiging. Achtergrond De tbs is primair een beveiligingsmaatregel en kent twee vormen: de tbs met bevel tot verpleging van overheidswege en de – minder ingrijpende – tbs met voorwaarden. De maatregel tbs kan worden gevorderd bij een verdachte bij wie tijdens het begaan van een strafbaar feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts moet er sprake zijn van een ernstig misdrijf (gevangenisstraf van vier jaar of meer of enkele specifiek benoemde delicten) en een gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen ([art. 37a Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)). De wet noch de jurisprudentie stelt als eis dat er sprake moet zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De tbs kan dan ook worden gevorderd zowel bij toerekeningsvatbaren, als bij verminderd toerekeningsvatbaren, als bij volledig ontoerekeningsvatbaren. De tbs kan worden gecombineerd met een tijdelijke gevangenisstraf, behalve wanneer sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Dan is er geen ruimte om naast de maatregel tbs een gevangenisstraf te vorderen. Tbs met bevel tot verpleging Bepalend voor de keuze voor het vorderen van een tbs met verpleging zijn de ernst van het indexdelict1Het delict ter zake waarvan de tbs-maatregel is opgelegd. en de mate van het recidivegevaar. Indien het recidivegevaar onvoldoende afgewend kan worden met behulp van voorwaarden, zal gekozen moeten worden voor een tbs met verpleging. Dat is eveneens het geval wanneer betrokkene zich niet bereid toont tot medewerking aan de voorwaa"},{"b":"Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek Samenvatting De [Wet deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251)1De Wet deskundige in strafzaken wijzigt het Wetboek van Strafvordering ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (*Stb*. 2009, 33). Inwerkingtreding per 01-01-2010, zie besluit van 6 augustus 2009, *Stb. 2009, 351**.* beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken. Met de inwerkingtreding van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251) bestaat de vaste gerechtelijke deskundige niet meer. In plaats daarvan is de geregistreerde deskundige gekomen. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen2De op- en inrichting van dit register is geregeld in het Besluit houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (*Stb*. 2009, 330). (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris. Ook wordt in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251) de positie van de verdediging versterkt: de verdachte c.q. diens raadsman krijgt uitdrukkelijk het recht om te vragen om tegenonderzoek. De wet bepaalt verder dat – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – de (raadsman van de) verdachte door de (hulp)officier van justitie geïnformeerd wordt over het verlenen van een opdracht tot deskundigenonderzoek. Dit om hem in staat te stellen om de omvang en richting van dat onderzoek te beïnvloeden. Gezien deze informatieverplichting is in deze aanwijzing nader gepreciseerd wanneer sprake is van deskundigenonderzoek in de zin van deze wet en wanneer dat niet het geval is. Als dat niet het geval is, gel"},{"b":"Aanwijzing toepassing opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen tegen advocaten Achtergrond De advocatuur behoort van oudsher tot de beperkte groep beroepsbeoefenaren die een beroep kan doen op het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beoogt de relatie tussen advocaat en cliënt te beschermen. Het verschoningsrecht dient echter niet alleen het belang van het individu. Het achterliggende grotere maatschappelijke belang van het verschoningsrecht beschermt ook het vertrouwen dat een ieder mag hebben, dat een advocaat niets zal behoeven te openbaren van hetgeen hem of haar functioneel bekend is geworden. Het verschoningsrecht voor advocaten stelt grenzen aan de reikwijdte van de strafrechtelijke waarheidsvinding. Dat is zowel het geval gedurende het voorbereidend onderzoek als tijdens het onderzoek ter zitting. In het algemeen zal het belang van de waarheidsvinding in strafzaken zelfs moeten wijken voor het door de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat beschermde belang dat een burger vrijelijk met zijn advocaat kan communiceren. De wetgever heeft in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) op verschillende plaatsen het, onder meer aan de advocaat toekomende, verschoningsrecht gewaarborgd. Daarnaast volgen ook uit de jurisprudentie en uit beleidsregels bijzondere normen die het OM en de onder het gezag van het OM opererende opsporingsambtenaren in acht hebben te nemen wanneer bij de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen het verschoningsrecht van een advocaat in beeld komt. Het feit dat het verschoningsrecht van de advocaat binnen onze rechtsorde een zo prominente plaats inneemt, betekent echter niet dat de advocaat daarom nooit in een opsporingsonderzoek betrokken zou kunnen worden. Een voorbeeld is de – overigens zeer zelden voorkomende – situatie dat een advocaat zijn beroep misbruikt voor het verlenen van juridische hand- en spandiensten aan een criminele organisatie. Dan is het niet z"},{"b":"Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken Samenvatting De aanwijzing heeft betrekking op toezeggingen van het openbaar ministerie (OM) aan verdachten dan wel veroordeelden, die strekken tot het vorderen van strafvermindering in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring in een strafzaak tegen een (andere) verdachte. Daarnaast heeft de aanwijzing betrekking op toezeggingen die niet strekken tot het vorderen van strafvermindering, maar wel van betekenis kunnen zijn voor de bereidheid van de getuige tot het afleggen van een verklaring (gunstbetoon). Achtergrond De Aanwijzing Toezeggingen aan getuigen in strafzaken sluit aan op de gelijknamige Wet (Stb. 2005, 254, Kamerstukken ), de Wet van 12 mei 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het niet afleggen van een getuigenverklaring na een daartoe strekkende toezegging (Stb. 2005, 255, Kamerstukken ) en het [Besluit getuigenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019359) van 23 december 2005 (Stb. 2006, 21, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 11 juli 2018, Stb. 2018, 246). 1. Bereik van de aanwijzing - 1.1. De aanwijzing heeft betrekking op de getuige die tevens verdachte of veroordeelde is en aan wie door de officier van justitie een toezegging tot het vorderen van strafvermindering wordt gedaan in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring. Deze getuige wordt ook wel kroongetuige genoemd. - 1.2. De aanwijzing heeft daarnaast betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de kroongetuige tot het afleggen van een verklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering of anderszins verband houden met de beantwoording van de vragen van [348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=348) en [350 Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=350) (Sv). Het gaat hierbij om toezeggingen van relatief geringe omvang."},{"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Noodwet Geneeskundigen Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het inwinnen van gegevens in het belang van de uitvoering van de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758) en met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens die wet bepaalde, worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het is geplaatst."},{"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren sanering loden drinkwaterleidingen 1. het besluit van 24 juni 1999/Nr. COR99176450 (Stcrt. 1999, 121) wordt ingetrokken; 2. personen in dienst van Taxon WOZ consultants BV die daartoe zijn aangewezen te belasten met het toezicht op de naleving van de op grond van de [Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010544) aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen; 3. te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Voedsel en Waren Autoriteit Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gestelde voorschriften zijn belast de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 De regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 1998, nr. DWJZ-U-981444, Stcrt. 1999, 18, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 juli 2002."},{"b":"Aanwijzing toezichthouder naleving Tijdelijke regeling subsidie experimenten open bestel Als toezichthouder aan te wijzen: de inspecteur-generaal van het onderwijs en de onder haar ressorterende inspectieambtenaren."},{"b":"Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister Artikel 1 Met het toezicht als bedoeld in [artikel 45a, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a) zijn belast de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer, Divisie Registratie & Informatie, afdeling Informatieverstrekking en -analyse, unit Informatieverstrekking. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister’."},{"b":"Aanwijzing toezichthouders Scheepvaartverkeerswet Havenbedrijf Rotterdam N.V. Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 34, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=34) worden aangewezen: - − ambtenaren van het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Rotterdam. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als Aanwijzing toezichthouders Scheepvaartverkeerswet Havenbedrijf Rotterdam N.V.."},{"b":"Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Defensie Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *WNT:* de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. *Eenheid toezicht WNT:* de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de WNT 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Defensie in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Defensie inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2019. 2. Tegelijk met inwerkingtreding van dit besluit vervalt het besluit [Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038361) van 20 januari 2015 met nummer 2015000431. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Defensie."},{"b":"Aanwijzing tot observatie-inrichting voor preventief gedetineerden - 1. de afdeling Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam te Rotterdam, wordt aangewezen als inrichting waarheen verdachten, tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen op rechterlijk bevel kunnen worden overgebracht in verband met de noodzaak van een onderzoek naar hun geestvermogens. - 2. Deze beschikking zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing van andere diploma's als bedoeld in artikel 2 tweede lid, van het Examenbesluit accountants-administratie-consulenten Artikel 1 Tot het afleggen van het examen, bedoeld in [artikel 60 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=60) (Stb. 1972, 748), wordt toegelaten degene die in het bezit is van: - a. een certificaat of een ander bewijsstuk, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het controleursexamen, bedoeld in artikel 36 van het Ambtenarenbesluit Belastingdienst; - b. een akte van bekwaamheid van de tweede graad tot het geven van voortgezet onderwijs in de vakken economische wetenschappen I en recht en economische wetenschappen II en recht, uitgereikt door een instituut voor de opleiding van leraren, bekostigd krachtens de [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718) (Stb. 1970, 370), mits uit deze akte of de bijbehorende cijferlijst blijkt dat voor de onderdelen bedrijfseconomie en bedrijfsadministratie een voldoende is behaald; - c. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het examen in de vierjarige voltijdse of deeltijdse studierichting opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in het vak bedrijfseconomie, mits uit dit getuigschrift of de bijbehorende cijferlijst blijkt dat voor de onderdelen bedrijfseconomie en bedrijfsadministratie een voldoende is behaald; - d. een voor 1 januari 1989 door de Stichting Management Opleidingscentrum te Paramaribo uitgereikt diploma, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het examen voor hoger economisch administratief onderwijs (bedrijfseconomische richting). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Justitie van 16 februari 2006, op grond van artikel 8 Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie De Minister van Justitie besluit, gelet op [artikel 8 van de Regeling van de Minister van Economische Zaken, houdende regels ter zake vrijstelling van het toestemmingsvereiste ex artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019509&artikel=8) (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie), het volgende document aan te wijzen: – een verklaring van de Politieacademie waaruit blijkt dat de desbetreffende opsporingsambtenaar voldoende kennis heeft van de juridische, technische en operationele aspecten van het gebruik van de apparatuur waarmee een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden. Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag waarop deze wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 19 mei 2026, 4380551-1098043-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024 en 2025 Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b) *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c) *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - d) *instroomplaats:* subsidiabele opleidingsplaats, uitgedrukt in fte’s en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het betreffende jaar met een vervolgopleiding als bedoeld in het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) beginnen; - e) *OOR:* Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitair medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk; - f) *opleidende zorgaanbieder:* - – zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of - – ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft, gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd, met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling - g) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - h) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel="},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 24 juni 2026, kenmerk 4422260-1100416-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2027 en verder Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b) *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c) *Bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - d) *instroomplaats:* subsidiabele opleidingsplaats, uitgedrukt in fte's en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het betreffende jaar met een vervolgopleiding als bedoeld in het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) beginnen; - e) *OOR:* Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitair medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk; - f) *opleidende zorgaanbieder:* - – zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of - – ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft, gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd, met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling; - g) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - h) *zorgautoriteit:* Nederlandse"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 30 juni 2026, kenmerk 4393759-1099406-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake het terugdraaien van de verwerking van de tariefmaatregel meerjarige contracten met budgetafspraken sectoren gehandicaptenzorg en langdurige ggz (2027) Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *aanwijzing taakstellingen Wlz 2024:* [aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3604293-1049249-PZO, inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323), waarvan mededeling is gedaan in de Staatscourant 2023, nr. 17290; - b) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Geen uitvoering 2027 De zorgautoriteit geeft voor het jaar 2027 geen uitvoering aan de maatregel ‘meerjarige contracten met financiële afspraken en meerjarige contracteerruimte’ zoals beschreven in [artikel 3 ‘Tariefkorting meerjarige contracten met financiële afspraken en meerjarige contracteerruimte’ van de aanwijzing taakstellingen Wlz 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323&artikel=3). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze aanwijzing treedt per 1 juli 2026 in werking."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 31 maart 2026, kenmerk 365935-1095616-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake algemene diensten en activiteiten voor zorgondersteunende digitale patiënteninformatie Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *ADZ:* algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - b) *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c) *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d) *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - e) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - f) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op algemene diensten en activiteiten voor zorgondersteunende digitale patiënteninformatie. Het gaat om het geheel van activiteiten dat leidt tot een platform met landelijk bereik en gericht op gezondheid en ziekte over de volledige breedte van zorg als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). De activiteiten en diensten vallen onder de prestatie voor zover zij bijdragen aan de volgende functies: - – het bieden van een betrouwbare kennisinfrastructuur: technisch goed onderhouden en inhoudelijk up-to-date gehouden voor professionals en organisaties in de zorg; - – het ondersteunen van zorgverleners bij de informatieplicht door actuele, duidelijke en betrouwbare gezondheidsinformatie te ontwikkelen die aansluit bij de richtlijnen en standaarden van de zorgprofessionals; - – het ondersteunen van zorgverleners door het geven van zelfzorgadviezen: adviezen die zorgverleners vaa"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake experiment epilepsie-DBCs Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder een epilepsie-instelling: een instelling voor medisch specialistische zorg die ultimo 2005 in bezit was van een WZV-vergunning als epilepsiecentrum. Artikel 2 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg gerelateerd aan de prestatiebeschrijvingen in de vorm van Diagnose Behandeling Combinaties (DBCs) zoals die zijn opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023137) bij deze aanwijzing. Artikel 3 1. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, op grond van de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57)en [58 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) een experimentbeleidsregel vast. 2. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 en eindigt op 1 januari 2009. Artikel 4 Voor de duur van het experiment zijn de prestatiebeschrijvingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137&artikel=2&z=2007-12-21&g=2007-12-21) alleen van toepassing voor epilepsie-instellingen. Artikel 5 De zorgautoriteit ontwikkelt een experiment met als doel het verkrijgen van aan de DBC onderliggende informatie over zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137&artikel=2&z=2007-12-21&g=2007-12-21) zodat effectieve onderhandelingen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars en daarmee DBC-bekostiging voor die zorg per 1 januari 2009 mogelijk wordt. Artikel 6 De informatie als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137&artikel=5&z=2007-12-21&g=2007-12-21) omvat in ieder geval: - a. zorgpaden; - b. onderbouwde normtijden; - c. kwaliteitsafspraken. Artikel 7 De informatie als bedoeld in [artikelen 5](https://wetten.overhei"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2011, nr. MC-U-3093947, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de maatregel 18.000 plus dbc’s Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *AWBZ:* [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. *instellingsbudget:* door de zorgautoriteit jaarlijks per instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vastgestelde aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters; - g. *dbc:* diagnose behandeling combinatie. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 4. maatregel 18.000 plus dbc’s Voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030746&artikel=2&z=2012-02-01&g=2012-02-01) verlaagt de zorgautoriteit per 1 januari 2012 de tarieven die gelden voor dbc’s van 18.000 minuten en langer tot het tarief van de dbc met dezelfde diagnose van 12.000 tot en met 17.999 minuten. Overeenkomstig deze"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 juni 2026, kenmerk 4387941-1098294 PZo, inzake de invoering van een prestatie voor de activiteiten en diensten van een verloskundig samenwerkingsverband Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *ADZ:* algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - b) *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c) *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d) *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - e) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - f) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op algemene diensten en activiteiten ten behoeve van de geboortezorg. Deze zorg omvat: - ○ Geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - – obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve - – prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren; - – antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - – eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt en - – verloskundige zorg, uitgezonderd preconceptiezorg. - ○ Kraamzorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.11 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). Het gaat hierbij om de volgende activiteiten en diensten ten behoeve van zorg uitgevoerd door een verloskundig"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2007, nr. MC-U-2807691, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake taakstelling ziekenhuizen 2008 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2008 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2008 een taakstelling van structureel € 160 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023042&artikel=2&z=2007-12-18&g=2007-12-18) vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macro taakstellingsbedrag naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van de individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A-segment. - 4. Het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen worden geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s (inclusief schoning voor loonkosten medisch specialisten en agio’s academische component), capaciteit en productieparameters van psychiaters in psychiatrische universiteitsklinieken (PUK’en). Bij epilepsie-inrichtingen wordt daarnaast nog geschoond voor het AWBZ-deel. Artikel"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2010, nr. CZ-IPZ-3030401, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische zorg 2011 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028941&artikel=1&z=2010-11-15&g=2010-11-15) wordt per 1 januari 2011 een korting van structureel € 606 miljoen (prijspeil 2009) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028941&artikel=2&z=2010-11-15&g=2010-11-15) vermelde korting gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die korting stelt de zorgautoriteit de honorariumtarieven met ingang van 2011 neerwaarts bij, voor zover die korting niet al door de [aanwijzing van 7 mei 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028021), met kenmerk CZ/TSZ-3003410, door de zorgautoriteit is verwerkt. De zorgautoriteit bepaalt de wijze waarop de neerwaartse bijstelling van de tarieven wordt vormgegeven. Het uitgangspunt voor het realiseren van de tariefskorting is 2011. Bij de verwerking van de tariefskorting houdt de NZa redelijkerwijs rekening met de consequenties van de differentiatie van de korting per specialis"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2014, met kenmerk 656766-125175-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de afkoop verplichtingen Rijk die verband houden met de overgangsregeling kapitaallasten in relatie tot de curatieve jeugd-ggz Artikel 1. eenmalige verrekening overgangsregeling kapitaallasten De Nederlandse Zorgautoriteit stelt in 2014 overeenkomstig de overgangsregeling als bedoeld in de aanwijzing inzake technische vormgeving verrekening overgangsregeling kapitaallasten tweedelijns curatieve ggz, voor zover deze ziet op zorg verleend aan jeugdigen tot 18 jaar, één bedrag vast voor de jaren 2015 tot en met 2017, dat dient voor een eenmalige verrekening. Artikel 2. berekeningsmethodiek 1. Het bedrag voor de eenmalige verrekening wordt bepaald op basis van de som van het aandeel van het kapitaallastenbudget in een jaar (2015: 50%, 2016: 30%, 2017: 15%) en het aandeel van de omzet normatieve huisvestingscomponent in een jaar (2015: 50%, 2016: 70% en 2017: 85%) minus de omzet normatieve huisvestingscomponent in de betreffende jaren. 2. De omzet normatieve huisvestingscomponent wordt bepaald op basis van de volumes uit een door de Nederlands Zorgautoriteit te bepalen peiljaar rekening houdend met de afspraken over ambulantisering van het Bestuurlijk Akkoord Toekomst GGZ 2013–2014. De Nederlandse Zorgautoriteit baseert het kapitaallastenbudget op hetzelfde peiljaar. Artikel 3. beschikbaarheidbijdrage Indien de berekening als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035536&artikel=2&z=2014-11-01&g=2014-11-01) leidt tot een positief bedrag voor de desbetreffende zorgaanbieder, kent de Nederlandse Zorgautoriteit een beschikbaarheidbijdrage toe. Indien de berekening als bedoeld in artikel 2 leidt tot een negatief bedrag voor de desbetreffende zorgaanbieder, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit het bedrag op € 0 vast."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2025, kenmerk 4315913-1091949-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b) *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c) *Bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - d) *instroomplaats:* subsidiabele opleidingsplaats, uitgedrukt in fte’s en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het betreffende jaar met een vervolgopleiding als bedoeld in het [besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) beginnen; - e) *OOR:* Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitair medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk; - f) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g) *opleidende zorgaanbieder:* - – zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of - – ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling en - h) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2016, kenmerk 979700-151911-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake Model kwaliteitsstatuut ggz – kwaliteit loont Artikel 1. reikwijdte Deze aanwijzing heeft betrekking op de curatieve geestelijke gezondheidszorg. Artikel 2. Model kwaliteitsstatuut De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in haar beleidsregels in de mogelijkheid om, conform de professionele standaard “Model kwaliteitsstatuut GGZ” als ingeschreven in het register van het Zorginstituut, als bedoeld in [artikel 66b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66b), de volgende voorschriften of beperkingen aan de prestatiebeschrijvingen te verbinden: - 1. met ingang van 1 januari 2017 mogen uitsluitend de beroepsgroepen die in aanmerking komen voor het regiebehandelaarschap als vermeld in de professionele standaard het tarief declareren, tenzij partijen gebruik maken van de experimenteerruimte; - 2. met ingang van 1 januari 2018 geldt voor de zorgaanbieder de verplichting een schriftelijke overeenkomst te hebben met de partij(en) als genoemd in de professionele standaard voor de aanlevering van Routine Outcome Monitoring-gegevens. Artikel 3. uitzondering 18-jarige De verplichting van [artikel 2, aanhef en onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038079&artikel=2&z=2016-08-01&g=2016-08-01), geldt niet indien de cliënt tijdens de behandeling de leeftijd van 18 jaar bereikt, tot maximaal 365 dagen nadat de cliënt 18 jaar is geworden."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 september 2007, MC-U- 2794139, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake uitbreiding DBC-segment met vrije tarieven Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg gerelateerd aan aandoeningen, opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022529) bij deze aanwijzing, voor zover daarvoor prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, met ingang van 1 januari 2008 beleidsregels vast. Artikel 2 De beleidsregels houden in dat met betrekking tot het in rekening brengen van zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022529&artikel=1&z=2007-09-19&g=2007-09-19), sprake is van een tarief waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt het kapitaallastenbudget van individuele instellingen neerwaarts bij, rekening houdend met de omvang van het DBC-segment met zorg waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. 2. De beleidsregels betreffende de dekking van het kapitaallastenbudget van individuele instellingen hebben geen betrekking op zorg waarvoor [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. Artikel 4 De zorgautoriteit evalueert op basis van objectieve evaluatiecriteria de ontwikkeling in het DBC-segment met zorg waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is, en brengt mij hier verslag over uit. Artikel 5 1."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3145881, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het macrobeheersinstrument voor tweedelijns geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - e. *bestuurlijk akkoord:* Bestuurlijk Akkoord toekomst GGZ 2013-2014 (Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 183); - f. *aanwijzing nhc’s:* Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 12 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd in de Aanwijzing houdende wijziging van de aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 8 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 16189); - g. *verrekenbedrag:* bedrag als bedoeld in artikel 8 van de Aanwijzing inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van 11 juli 2012 (Stcrt. 2012, 14824); - h. *gebudgetteerde zorgaanbieder:* zorgaanbieder voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waarvoor de zorgautoriteit de aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters heeft vastgesteld. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet]("},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3146470, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de nacalculatie 2013 en de opbrengstverrekening afwikkeling oude bekostigingssysteem geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Zorginstituut:* het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - e. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. *gebudgetteerde instelling:* instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waarvoor de zorgautoriteit de aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters heeft vastgesteld; - g. *aanwijzing opbrengstverrekening:* Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 22 september 2011, MC-U-3082225, inzake opbrengstverrekening cggz-instellingen en enkele andere opbrengstverrekening aangelegenheden (Stcrt. 2011, 17600); - h. *dbc:* diagnose behandeling combinatie; - i. *passend budget:* door de zorgautoriteit nader vast te stellen budget dat zoveel mogelijk aansluit bij de situatie in 2012, voor dbc’s die in 2012 zijn geopend en in 2013 worden gesloten, rekening houdend met de door de zorgautoriteit vast te stellen waarde van het onderhanden werk per 31 december 2012; - j. *opbrengst van overloop dbc’s:"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3146776, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage academische zorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *advies:* advies van de zorgautoriteit aan de minister van 20 juli 2012 inzake kapitaallasten universitair medische centra, kenmerk TURS/djon/TSZ/9039; - e. *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - f. *bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - g. *academische zorg:* zorg als bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 2, van de bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - h. *dienst van algemeen belang:* dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - i. *PBA-middelen:* middelen toegekend in het kader van de systematiek op grond van de regeling Planning Bouwvolume Academische ziekenhuizen; - j. *convenant:* convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen; - k. *bijzondere kapitaallasten:* lasten voortvloeiend uit de afwikkeling van besluiten van de minister inzake kapitaallasten van aanbieders van academische zorg, genomen tijdens de looptijd van de [Subsidieregeling academische functie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023139) en de daaraan voorafgaande periode waarbij de academische functie gefinancierd werd uit het door zorgverzekeraars in 2005 opgerichte fonds, waarin op vrijwillige basis per verzekerde een vaste bijdrage ten behoeve van de academische func"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, nr. MC-U-3146797, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake niet toepassen macrobeheersmodel op zelfstandige trombosediensten Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit draagt er zorg voor dat met ingang van 2013 het macrobeheersmodel als bedoeld in de [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884) (Stcrt. 2011, 23196) niet meer van toepassing is op trombosezorg geleverd door zelfstandige trombosediensten. Artikel 2 In aanvulling op [artikel 5, vierde lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5) (Stcrt. 2011, 23196) bevat het in die bepaling bedoelde bericht tevens de mededeling dat het aandeel van de zelfstandige trombosediensten in het te handhaven bedrag nul bedraagt."},{"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 696543-13073-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake korting beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2015 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *advies:* advies van de zorgautoriteit aan de minister van 20 juli 2012 inzake kapitaallasten universitair medische centra, kenmerk TURS/djon/TSZ/9039; - e. *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - f. *bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - g. *academische zorg:* zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - h. *dienst van algemeen belang:* dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - i. *PBA-middelen:* middelen toegekend in het kader van de systematiek op grond van de regeling Planning Bouwvolume Academische ziekenhuizen; - j. *convenant:* convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen; - k. *bijzondere kapitaallasten:* lasten voortvloeiend uit de afwikkeling van besluiten van de minister inzake kapitaallasten van aanbieders van academische zorg, genomen tijdens de looptijd van de [Subsidieregeling academische functie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023139) en de daaraan voorafgaande periode waarbij de academische functie gefinancierd werd uit het door zorgverzekeraars in 2005 opgerichte fonds, waarin op vrijwillige basis per verzekerde een vaste bijdrage ten behoeve van de"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende aanpassing beschikbaarheidbijdrage traumazorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - e. *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - f. *aanwijzing beschikbaarheidbijdrage curatieve zorg:* [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032584), MC-U-3147126, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage curatieve somatische zorg (Stcrt. 2012, 26978); - g. *rapport LNAZ:* rapport van Landelijk Netwerk Acute Zorg met als titel ‘Bekostiging Acute Zorgnetwerken’ (29 juli 2014) (bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 29 247, nr. 192); - h. *convenant:* Convenant OTO uit 2008, zoals dat in de voorhangbrief van 25 mei 2012 voor de Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage curatieve somatische zorg is vermeld (Kamerstukken II 2011/2012, 32 393, nr.16). Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 5 en 6 van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 4 In aanvulling op de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage curatieve zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032584) wordt de hierna aan te wijzen zorg met ingang van het jaar 2015 als volgt nader afgebakend: -"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *AWBZ:* [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. *bestuurlijk akkoord:* Bestuurlijk Akkoord toekomst GGZ 2013–2014 (Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 183); - g. *dbc:* diagnose behandeling combinatie; - h. *gebudgetteerde instelling:* instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waarvoor de zorgautoriteit de aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters heeft vastgesteld; - i. *gespecialiseerde instelling:* zeer gespecialiseerde gebudgetteerde instelling als omschreven in afspraak xiv van het bestuurlijk akkoord; - j. *zorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2012-09-01&g=2012-09-01). Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. uitvoering van de a"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2016, kenmerk 989379-153044-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment integrale geboortezorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geboortezorg, dit omvat: - a. de geneeskundige zorg zoals geregeld bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), zoals: - – obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg en geavanceerd ultrageluid onderzoek; - – antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - – eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt; - b. Kraamzorg zoals geregeld bij of krachtens [artikel 2.11 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). Artikel 3. Opdracht De zorgautoriteit voorziet per 2017 in een experiment integrale geboortezorg op grond van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58). Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038364&artikel=3&z=2016-09-01&g=2016-09-01) de volgende uitgangspunten in acht: - a. Doel van het experiment is het bevorderen van de samenwerking in de geboortezorg door middel van integrale bekostiging van de geboortezorg; - b. De huidige prestatiestructuur voor geboortezorg wordt omgevormd naar negen prestaties. Hierbij dient de prestatiestructuur zoals weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038364) al"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2012, MC-U-3147126, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage curatieve somatische zorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - e. *bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - f. *dienst van algemeen belang:* dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - g. *dienst van algemeen economisch belang:* dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b en c, van Besluit nr. 2012/21/EU van 20 december 2011 van de Commissie, betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU 2012, L 7); - h. *convenant:* convenant voor de jaren 2013 en volgende tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister en de minister van Defensie, en het Universitair Medisch Centrum Utrecht met betrekking tot de voorziening calamiteitenhospitaal. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 3 tot en met 9, 12 en 13 van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsre"},{"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2011, nr. MC-U-3072372, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. *de AWBZ:* de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - c. *zzp:* zorgzwaartepakket; - d. *nhc:* normatieve huisvestingscomponent in verband met de huisvesting van cliënten, alsmede overige ruimtes van een zorginstelling; - e. *instelling:* een zorginstelling die is toegelaten in de zin van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - f. *bestaande instelling:* een instelling die vóór 1 januari 2012 is toegelaten in de zin van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) én sindsdien feitelijk zorg levert ten laste van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) én voor die datum een budget kapitaallasten heeft toegekend gekregen door de zorgautoriteit; - g. *AWBZ-instelling:* een instelling die zorg of diensten levert als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2014-04-01&g=2014-04-01); - h. *GGZ-instelling:* een instelling die zorg of diensten levert als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2014-04-01&g=2014-04-01); - i. *kinderdagcentrum:* een instelling die zorg of diensten levert als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2014-04-01&g=2014-04-01); - j. *invoeringsperiode:* de periode va"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2012, nr. MC-U-3122855, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake stopzetten experiment vrije tarieven mondzorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2013 maximumtarieven vast als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) voor mondzorg als bedoeld in [artikel 1 van de aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 juli 2011, nr. MC-U-3072981, inzake invoering vrije tarieven mondzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030324&artikel=1), en beëindigt met ingang van diezelfde datum het experiment als bedoeld in die aanwijzing."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 november 2007, nr. MC-U 2805004, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering vrije prijsvorming fysiotherapie Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op paramedische zorg zoals fysiotherapeuten die bieden. Deze aanwijzing is niet van toepassing op zorg geleverd door instellingen als bedoeld in [artikel 1.2, aanhef en onder de nummers 1 tot en met 3, 10 en 12 tot en met 24 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2008 prestatiebeschrijvingen vast voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022894&artikel=1&z=2008-01-16&g=2008-01-16) bedoelde zorg. 2. Met ingang van 1 januari 2008 gelden voor zorg als bedoeld in het eerste lid vrije tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 november 2007, nr. MC-U 2807537, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering vrije prijsvorming oefentherapie Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op paramedische zorg zoals oefentherapeuten die bieden. Deze aanwijzing is niet van toepassing op zorg geleverd door instellingen als bedoeld in [artikel 1.2, aanhef en onder de nummers 1 tot en met 3, 10 en 12 tot en met 24 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2008 prestatiebeschrijvingen vast voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022893&artikel=1&z=2008-01-16&g=2008-01-16) bedoelde zorg. 2. Met ingang van 1 januari 2008 gelden voor zorg als bedoeld in het eerste lid vrije tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2010, nr. MC-U-3039968, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake een experiment voor de DOT-productstructuur Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *DBC:* Diagnose behandeling combinatie, het geheel van prestaties van zorgaanbieders voortvloeiend uit de zorgvraag waarvoor een cliënt de zorgaanbieders consulteert; - e. *DOT:* DBC’s op weg naar transparantie; - f. *FB:* Functiegericht Budget. Artikel 2 1. Deze aanwijzing heeft betrekking op een experiment met de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029155&artikel=4&z=2010-12-21&g=2010-12-21) omschreven doelstelling. 2. Het experiment beperkt zich tot zorg geleverd op één locatie door een instelling voor medisch specialistische zorg bestaande uit orthopedie, reumatologie, anesthesiologie en revalidatiegeneeskunde. Artikel 3 Voor het experiment stelt de zorgautoriteit beleidsregels en regels vast. Artikel 4 Het experiment heeft de volgende doelen: - 1. Inzicht te krijgen in de financiële gevolgen voor de belangrijkste DOT zorgproducten; - 2. Het onderhandelen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders over de nieuwe DOT-zorgproducten te simuleren. Het doel van deze simulatie is om inzicht te krijgen: - – in de informatie die nodig is om over de nieuwe zorgproducten te onderhandelen; - – in de wijze waarop het vertalen van DBC’s naar DOT kan plaatsvinden; - – in de fasering en wijze waarop de onderhandelingen plaatsvinden; - – over hoe om te gaan met belangrijke thema’s als volume, kwaliteit, zorgzwaarte en dure geneesmiddelen; en - – over de wijze waarop monitoring"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2022, kenmerk 1030460-3378059-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de vaststelling van integrale prestatiebeschrijvingen voor de geboortezorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - − *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - − *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geboortezorg. Deze zorg omvat: - a. geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - − obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren; - − antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - − eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt en - − verloskundige zorg, uitgezonderd preconceptiezorg. - b. kraamzorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.11 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2023 integrale prestatiebeschrijvingen met een vrij tarief vast. Deze prestatiebeschrijvingen komen naast de al bestaande reguliere monodisciplinaire prestatiebeschrijvingen voor de geboortezorg. Artikel 4. Financieel kader en macrobeheersbaarheid De uitgaven voor de geboortezorg, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046806&artikel=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01), komen ten laste van de macrokaders medisch-specialistische zorg, verloskunde en kraamzorg. Deze kosten worden verdeeld over deze drie kaders. Voor het kader med"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2024, kenmerk 3843749-1067232-PZO, inzake het terugdraaien van de verwerking van coalitieakkoordmaatregelen inzake het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het meerjarig contracteren voor het jaar 2025 binnen de Wet langdurige zorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit geeft voor het jaar 2025 geen uitvoering aan de maatregelen ‘meerjarige contracten en budgetafspraken’ en ‘doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg’ uit het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ zoals beschreven in de [aanwijzing van 14 juni 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323).1Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, Stcrt. 2023, nr. 17290."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 november 2012, MC-U-3140782, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage continuïteit van zorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - *vangnetaanbieder:* zorgaanbieder die door de minister is opgericht of mede is opgericht ten behoeve van de continuïteit van zorg. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in [artikel 2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), juncto [onderdeel A, onder 2, sub a tot en met e, van de bijlage bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Artikel 4. voorwaarde aan het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit kent de beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in [artikel 2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), juncto [onderdeel A, onder 2, sub b en c van de bijlage bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) toe onder de voorwaarde dat er geen verslechtering in bereikbaarheid optreedt ten opzichte van de thans bestaande landelijke situatie, uitgaande van de bereikbaarheidsnorm als genoemd in onderdeel A, onder 2, sub b en c van de bijlage bij het besluit. Artikel 5. toekennen beschikbaarheidbijdrage 1. De zorgautoriteit verleent en stelt een beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https:/"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2007, nr. MEVA/NBO-2817611, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake budgetopschoning in verband met de 2e tranche opleidingsfonds AWBZ en ‘cure’ Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op: - 1. zorg of dienst waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en voor zover die wordt geleverd door instellingen die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) met uitzondering van regionale instellingen voor beschermd wonen en instellingen die extramurale prestaties leveren waarbij geen behandeling plaatsvindt (‘dagbesteding’); - 2. zorg voor zover die wordt geleverd door een deel van de instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2007 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene ziekenhuizen en academische ziekenhuizen, verder te noemen ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en instellingen voor revalidatie. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 De zorgautoriteit schoont de budgetten van de instellingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023120&artikel=1&z=2007-12-21&g=2007-12-21) structureel in verband met de tweede tranche van de gefaseerde invoering van een nieuw bekostigingssysteem voor zorgopleidingen. Artikel 3 1. De zorgautoriteit hanteert onderstaande tabel in het kader van de budgetopschoning als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023120&artikel=2&z=2007-12-21&g=2007-12-21). 2. De zorgautoriteit gaat bij de opschoning uit van de situatie vóór de overheveling v"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2014, 642422-123511-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging extramurale behandeling van zintuiglijk gehandicapten Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. *zintuiglijk gehandicaptenzorg:* zintuiglijk gehandicaptenzorg als bedoeld in [artikel 2.5a van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a); - c. *aanwijzing mbi ggz:* [Aanwijzing inzake macrobeheersinstrument voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296) van 28 november 2013 (Stcrt. 2013, 34324). Artikel 2. prestaties en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015 prestaties en maximumtarieven vast voor zintuiglijk gehandicaptenzorg. Artikel 3. macrobeheersbaarheid 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2015 voor zorgaanbieders die zintuiglijk gehandicaptenzorg leveren een generiek macrobeheersinstrument in, en hanteert daarbij de systematiek als omschreven in de [artikelen 3 tot en met 5 van de aanwijzing mbi ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296&artikel=3). 2. Het bedrag van de macrogrens wordt jaarlijks door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport per brief aan de zorgautoriteit verstrekt."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2014, 642423-123512-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. Multidisciplinaire zorg betreft zorg, waarvan huisartsenzorg een onderdeel is, die door zorgaanbieders van diverse disciplines in onderlinge samenhang wordt verleend. Artikel 2. prestaties en tarieven 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015: - a. prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven vast voor het segment basis huisartsenzorg; - b. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor het segment multidisciplinaire zorg; - c. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor het segment zorgvernieuwing en resultaatbeloning; - d. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor onderlinge dienstverlening. 2. Voor zorg die nog niet aan één van de in het eerste lid genoemde segmenten toegewezen is, blijven de bestaande tariefsoorten gelden. Artikel 3. macrobeheersing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt jaarlijks voor zowel huisartsenzorg als multidisciplinaire zorg voor alle zorgaanbieders van de betreffende zorg een macrogrens vast als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Deze macrogrenzen worden bepaald op basis van de door de minister per brief te verstrekken bedragen. 2. Op basis van deze macrogrenzen stelt de Nederlandse Zorgautoriteit ambtshalve per individuele zorgaanbieder afzonderlijk een individuele bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast, die indien de macrogrens niet is overschreden, gelijk is aan de door die zorgaanbieder in het b"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3610431-1048165-PZo, inzake de uitbreiding van de beschikbaarheidbijdrage acute zorg met de functies inzicht in capaciteit en patiëntenspreiding Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Acute zorg:* zorg als bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 5, sub a, van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage Acute zorg. Artikel 3. Opdracht 1. Gelet op de uitbreiding, van [onderdeel B, onder 5, sub a, van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), met de functies van inzicht in capaciteit en patiëntenspreiding. 2. Verleent de zorgautoriteit een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor de Acute zorg; 3. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en regels vast. Deze treden in werking met ingang van 1 juli 2023."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2025, kenmerk 4315206-1091945-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment bekostiging van regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *Minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b) *RESV-activiteiten:* de activiteiten van regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden met inbegrip van de activiteiten van hechte wijkverbanden; - c) *uitwerking regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden:* uitwerking zoals opgenomen in de bijlagen 1206455 en 1206456 bij Kamerstukken II, 2024-2025, 33 578, nr. 162; - d) *Visie eerstelijnszorg 2030:* visie eerstelijnszorg 2030 zoals opgenomen in de bijlage 1125526 bij Kamerstukken II, 2023-2024, 33 578, nr. 113; - e) *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - f) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g) *zorgaanbieder:* - i. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - ii. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder i; - h) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op RESV-activiteiten. Deze activiteiten geven invulling aan de RESV-hoofdtaken met inbegrip van de taken van hechte wijkverbanden voor zover deze activiteiten direct ten dienste staan van één"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2025, kenmerk 4315397-1091712-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *spoedeisende hulp:* een gespecialiseerde ziekenhuisafdeling voor de eerste opvang, diagnostiek en, indien nodig, behandeling van patiënten met een vraag naar acute zorg, zoals bedoeld in [artikel 1.1, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=1.1); - b) *vast tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - c) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om zorg geleverd op de spoedeisende hulp. Artikel 3. Afbakening Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd op een spoedeisende hulp (SEH) en daaronder valt: - a. de aanwezigheid gedurende de openingstijden van minimaal één SEH-arts of één arts-assistent of medisch specialist met competenties en training specifiek voor de SEH. - b. de aanwezigheid gedurende de openingstijden van minimaal één SEH-verpleegkundige of medisch hulpverlener acute zorg met specifieke training in de opvang van traumapatiënten en de opvang van ernstig zieke kinderen. - c. de volgende zorgverleners zijn bereikbaar gedurende de avond- nacht- en weekenduren: - • Anesthesioloog, - • Anesthesieassistent, - • Apothekersassist"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 oktober 2007, nr. MC-U-2802732, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake eerstelijns psychologische zorg niet verleend door huisartsen Artikel 1 De aanwijzing is van toepassing op eerstelijns psychologische zorg niet verleend door huisartsen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 prestatiebeschrijvingen in voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022754&artikel=1&z=2007-11-01&g=2007-11-01) bedoelde zorg. 2. Met ingang van 1 januari 2008 gelden voor zorg als bedoeld in het eerste lid tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2010, nr. MC-U-3041144, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de budgetcorrectie ten behoeve van Fonds Ziekenhuis Opleidingen Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg met uitzondering van epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie en long/astmacentra waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: de algemene en academische ziekenhuizen, de radiotherapeutische centra en de dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2011 een neerwaartse macrobudgetcorrectie van structureel € 111,7 miljoen (prijspeil 2010) opgelegd in verband met de overheveling van de kosten voor het opleiden van gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029214&artikel=2&z=2010-12-23&g=2010-12-23) vermelde neerwaartse budgetcorrectie gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macrobedrag van € 111,7 miljoen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A- en B-segment tezamen. Bij de toedeling van het macrobedrag wordt de omvang van het vrije B-segment in de verdeelgrondslag betrokken. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten m"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2011, MC-U-3093364, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake kortingen huisartsenzorg, verloskundige zorg en logopedische zorg Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) zoals huisartsen of verloskundigen die plegen te bieden, alsmede op paramedische zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet zoals logopedisten die plegen te bieden. Artikel 2. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 3. neerwaartse bijstelling structurele taakstelling De structurele taakstellingen per 1 januari 2012 op basis van de [aanwijzing van 21 juli 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030322) (MC-U-3073018) worden verlaagd tot € 98 miljoen (prijspeil 2011) voor huisartsenzorg, € 2 miljoen (prijspeil 2011) voor verloskundige zorg en € 5 miljoen (prijspeil 2011) voor logopedische zorg."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2013, kenmerk 128996-106225-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging eerstelijnsdiagnostiek Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *EDC:* eerstelijns diagnostisch centrum. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op eerstelijnsdiagnostiek voor zover geleverd door EDC’s of zelfstandige trombosediensten. Artikel 3. uitvoering aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit tijdig vóór 1 januari 2014 (beleids)regels vast. Artikel 4. maximumtarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2014 voor eerstelijnsdiagnostiek maximumtarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast. Artikel 5. transitiemodel en afwikkeling oude jaren 1. De zorgautoriteit stelt voor de overgang van begrotingsbekostiging naar prestatiebekostiging voor EDC’s en zelfstandige trombosediensten met ingang van 1 januari 2014 een transitiemodel vast. 2. Bij de vaststelling van het transitiemodel voorziet de zorgautoriteit erin dat de instellingen eigen vermogen kunnen opbouwen. 3. Het transitiemodel heeft een looptijd van één jaar, waarbij geldt dat de zorgautoriteit op verzoek van de minister de looptijd kan verlengen. 4. Indien de toepassing van het transitiemodel leidt tot een negatief bedrag voor de desbetreffende EDC of zelfstandige trombosedienst, stelt de zorgautoriteit een vereffeningbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&art"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2014, kenmerk 378012-121397-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging van verpleging en verzorging Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. *zorgaanbieder:* zorgaanbieder zoals bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - c. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d. *verpleging en verzorging:* zorg omschreven bij of krachtens [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10) en verblijf zoals omschreven in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het intensieve kindzorg betreft; - e. *individueel toewijsbare verpleging en verzorging:* zorg die te koppelen is aan een individueel zorgtraject van een verzekerde; - f. *niet individueel toewijsbare verpleging en verzorging:* zorg die niet te koppelen is aan een individueel zorgtraject van een verzekerde; - g. *complexe wondzorg:* zorg voor wonden met een verstoorde genezingstendens ten gevolge van pathofysiologische factoren. Artikel 2. tariefsoorten De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015: - a. Maximumtarieven vast voor individueel toewijsbare verpleging en verzorging. - b. Een vrij tarief vast voor niet individueel toewijsbare verpleging en verzorging. - c. Een vrij tarief vast voor complexe wondzorg. Artikel 3. declaratievoorwaarde De zorgautoriteit legt in een regel vast dat een zorgaanbieder die niet individueel toewijsbare verpleging en verzorging levert, deze alleen mag declareren onder de voorw"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2014, kenmerk 640237-123257-MC, inzake beschikbaarheidbijdrage voor SEH en afbouwregeling WMG Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van de [onderdeel B, sub 14, van de bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor zorg waarvoor instellingen voor medisch specialistische zorg in 2011 een beschikbaarheidtoeslag voor kleine SEH’s ontvingen. 2. Het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van de [onderdeel B, sub 15, van de bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 4:51 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:51) voor een afbouwregeling van ten hoogste drie jaren een beschikbaarheidbijdrage verlenen, indien zorgaanbieders gedurende drie of meer achtereenvolgende jaren een beschikbaarheidbijdrage is verleend. 2. Het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2014."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2025, kenmerk 4130890-1083737-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de voorbereidingen voor de beoogde invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *spoedeisende hulp:* een gespecialiseerde ziekenhuisafdeling die 24 uur per dag en 7 dagen per week is geopend voor de eerste opvang, diagnostiek en, indien nodig, behandeling van patiënten met een vraag naar acute zorg, zoals bedoeld in [artikel 1.1, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=1.1); - b) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om zorg geleverd op de spoedeisende hulp. Artikel 3. Opdracht Deze aanwijzing strekt tot de voorbereiding door de zorgautoriteit van de beoogde invoering van een bekostiging op basis van budgetten per 1 januari 2027, voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051128&artikel=2&z=2025-06-20&g=2025-06-20). Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 mei 2007, nr. MC-U-2770876, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake overschrijding financiële ruimte ziekenhuizen in 2007 Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en revalidatie instellingen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Deze beleidsregel verstaat onder: - a. Algemene ziekenhuizen: instellingen voor medisch-specialistische zorg die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV-vergunning als ziekenhuis; - b. Academische ziekenhuizen: instellingen voor medisch-specialistische zorg als omschreven in [artikel 1.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.4) en die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV vergunning als ziekenhuis; - c. Epilepsie-inrichtingen: instellingen voor medisch-specialistische zorg die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV vergunning als epilepsiecentrum; - d. Instellingen voor revalidatie: als revalidatie-instellingen worden uitsluitend die inrichtingen aangemerkt waar de personele en materiële faciliteiten bestaan voor multidisciplinaire revalidatie (waaronder mede begrepen inrichtingen voor revalidatiedagbehandeling). Artikel 3 1. Aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021909&artikel=1&z=2007-05-24&g=2007-05-24) bedoelde instellingen wordt een structureel kortingsbedrag van € 145,5 mln. opgelegd. 2. Voor de verdeling van het bedrag van € 145,5 mln. over de sector algemene ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en instellingen voor revalidatie respectievelijk de sector academische ziekenhuizen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de verdelingsgrondslag die is gebruikt ten behoeve van de verdeling van de oorspronkelijke macrokorting uit hoofde van"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2013, kenmerk 132010-106827-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen 2014-2016 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 5 juli 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 29 282, nr. 178); Besluit: 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de [bijlage bij dat besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). 2. Opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt op basis van de verdeelplannen 2014, 2015 en 2016 en van de opleidingsoverzichten 2014, 2015 en 2016, jaarlijks beschikbaarheidbijdragen voor die jaren voor activiteiten als bedoeld in punt 1 door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij berekent de beschikbaarheidbijdragen aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in [punt 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034146). 4. Hoogte vergoedingsbedragen per fte in 2014, 2015 en 2016 4.1. Vervolgopleidingen in academische ziekenhuizen en algemene ziekenhuizen - 4.1."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 september 2012, MC-U-3131142, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. *besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c. *dienst van algemeen belang:* dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - d. *verdeelplan:* overzicht van de verdeling van het maximale aantal opleidingsplaatsen per opleiding per opleidende zorgaanbieder; - e. *opleidingsoverzicht:* overzicht, uitgesplitst naar instroom en doorstroom, van de gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleiding per opleidende zorgaanbieder zoals dat blijkt uit het opleidingsregister van de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie; - f. *instroom:* aantal opleidingsplaatsen, uitgedrukt in fte’s en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het jaar 2013 met een vervolgopleiding beginnen; - g. *doorstroom:* aantal opleidingsplaatsen, uitgedrukt in fte’s, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die voorafgaand aan het jaar 2013 met een vervolgopleiding zijn begonnen; - h. *gerealiseerde opleidingsplaats:* aantal uren, uitgedrukt in fte’s, dat de (medische) beroepsbeoefenaar in opleiding blijkens het relevante opleidingsregister de vervolgopleiding in het jaar 2013 feitelijk heeft gevolgd, tot een maximum overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling; - i. *opleidende zorgaanbieder:* zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante regist"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juni 2009, nr. Z/F-2929111, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de overdekking ziekenhuiszorg 2007 en volgende jaren Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg, die tarieven in rekening hebben gebracht of zouden hebben kunnen brengen voor prestaties, omschreven als diagnose behandelingcombinaties, geleverd in het jaar 2007 of in latere jaren en waarop functiegerichte budgettering of bekostiging van toepassing was, verder te noemen ziekenhuizen. 2. In deze aanwijzing wordt onder ziekenhuis mede begrepen de medisch specialisten die in of ten behoeve van dat ziekenhuis werkzaam zijn. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, stelt voor 2007 en daarna voor ieder volgend jaar, mede op basis van door die ziekenhuizen verstrekte gegevens, per ziekenhuis ambtshalve vast, het verschil tussen het budget en de daadwerkelijke opbrengst die is toe te rekenen aan de in dat jaar geleverde productie, verder te noemen het opbrengstverschil. 2. De zorgautoriteit stelt ambtshalve ter verrekening van het opbrengstverschil per ziekenhuis per jaar een bedrag vast. 3. De zorgautoriteit schort de toepassing op van de reguliere verrekening van opbrengstverschillen, zoals die verrekening in haar beleidsregels was vorm-gegeven op het moment van inwerkingtreding van de aanwijzing inzake de overdekking ziekenhuiszorg 2005 en 2006, voor zover de verrekening van het bedrag als bedoeld in het tweede lid daadwerkelijk plaats vindt. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt voor 2007 en daarna voor ieder volgend jaar, mede op basis van door het Zorginstituut, verder te noemen het CVZ, verstrekte gegevens, per ziekenhuis ambtshalve vast, welk deel van het opbrengstverschil, zoals genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026063&artikel=2&z=2014-04-01&g=2014-"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 mei 2016, kenmerk 954065-149176-MC, inzake vrije tarieven logopedie artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2017 voor logopedie vrije tarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2013, 149009 – 109741-MC, houdende tijdelijke verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2012 Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit; - c. *Aanwijzing macrobeheersmodel:* [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884); - d. *mbi-omzetplafond:* mbi-omzetplafond vastgesteld op basis van [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=4). Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=6): - a. handhaaft de zorgautoriteit het mbi-omzetplafond voor het jaar 2012 niet dan nadat de minister haar uiterlijk 1 december 2014 schriftelijk heeft bericht dat het bedrag van dat plafond is overschreden; - b. stelt de zorgautoriteit voor het jaar 2012 dat de grens voor iedere individuele instelling gelijk is aan de door die instelling gerealiseerde mbi-omzet in het desbetreffende kalenderjaar ambtshalve niet vast dan nadat de minister haar uiterlijk 1 december 2014 schriftelijk heeft bericht dat het mbi-omzetplafond voor het jaar 2012 niet is overschreden."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2014, kenmerk 371987-120847-MC, op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel I.1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *zorg:* medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg, zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering en mondzorg zoals kaakchirurgen die bieden, met uitsluiting van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals bedoeld in de ‘wet tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet’ van 22 november 2006 (Stb. 2006, 630); - e. *zorgaanbieder:* natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - f. *instelling:* instelling als bedoeld in [artikel 1.2, aanhef en onder 1, 2, 3 en 13 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2); - g. *solist:* solistisch werkende zorgaanbieder die, anders dan in dienst of onmiddellijk of middellijk in opdracht van een instelling, zelfstandig beroepsmatig zorg als bedoeld in onderdeel d verleent; - h. *zorgverlener:* instelling of solist; - i. *eigen patiënt:* consument, voor wie de zorgverlener, tot wie de consument zich met een zorgvraag heeft gewend, verantwoordelijk is voor het afhandelen van die zorgvraag, al dan niet met andere mede behandelende zorgaanbieders; - j. *eigen zorgverlener:*"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 november 2008, CZ-U-2.893.230, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake een korting op de begroting voor huisartsenzorg per 2009 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op huisartsenzorg als bedoeld bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Voor huisartsenzorg, zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025411&artikel=1&z=2009-03-12&g=2009-03-12), geldt per 1 januari 2009 een taakstelling van per saldo € 68 mln structureel (prijspeil 2009). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2022, kenmerk 3452903-1038179-PZo, inzake de invoering van een prestatie voor algemene diensten of activiteiten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *ADZ:* algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - – *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ‘algemene diensten of activiteiten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten’. Het gaat om geneeskundige zorg als bedoeld in [artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om de volgende activiteiten of diensten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten: - – Vraagbaak voor deelnemende zorgprofessionals van het netwerk; - – Selectie, certificering en herregistratie van aan het netwerk deelnemende zorgaanbieders in de eerste lijn; - – Ondersteunen van regionale samenwerking, onder andere door middel van ICT, accountmanagers; - – Transparant maken van kwaliteit van zorg aan patiënten met de ziekte van Parkinson; - – Ondersteuning van patiënten met de ziekte van Parkinson: informatievoorziening over de ziekte en over het regionale zorgaanbod, beslissingsondersteuning en bevorderen van zelfmanage"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juli 2009, nr. CZ-FBI-2943834, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake tarieven geneeskundige ggz Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan de zorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet ( Stb. 2006, 630, artikel III). Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 Tarieven binnen het domein van de zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026192&artikel=1&z=2009-07-30&g=2009-07-30) worden per 1-1-2010 verlaagd teneinde een macro taakstellingsbedrag van structureel € 119 mln (prijspeil 2009) te realiseren. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2010, nr. CZ-U-3001512, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake overgangsregeling kapitaallasten algemene en academische ziekenhuizen Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (ZVW) welke wordt geleverd door de categorie instellingen voor medisch specialistische zorg met uitzondering van categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra, dialysecentra, zelfstandige behandelcentra en instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters (ggz-instellingen). 2. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels of regels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voorziet erin dat de in het kader van de huidige overgangsregeling kapitaallasten (beleidsregel NZa, CI-1085) aan het B-segment toe te rekenen immateriële activa in 3 jaar versneld worden afgeschreven. Die overgangsregeling blijft verder onveranderd gehandhaafd. 2. De zorgautoriteit voorziet er met betrekking tot de voor de in het A-segment opgenomen afschrijvingen in dat: - a. de afschrijvingen ten laste van het budget in 2009 en 2010 doorlopen; - b. de immateriële vaste activa die ultimo 2010, met inachtneming van de reguliere afschrijvingen 2010 resteren, volledig ten laste van de budgetten 2010 worden afgeschreven. Artikel 3 1. De zorgautoriteit voorziet erin dat de instellingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027853&artikel=1&z=2010-07-02&g=2010-07-02) bij beëindiging van budgetbekostiging gedurende een periode van 6 jaar (te rekenen vanaf 2011) een in omvang afnemende garantie wordt geboden voor de kapitaallastenvergoeding die zij onder budgetbekostiging zouden hebben geha"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2007, nr. MC-U-2805003, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake modulair tariefsysteem voor farmaceutische hulp Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en die wordt geleverd door zorgaanbieders die geneesmiddelen afleveren zoals bedoeld in [artikel 1, lid 1, sub s van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) of waarop de [Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079) van toepassing is, en op de ziektekostenverzekeraars, als omschreven in [artikel 1, lid 1, sub f van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt beleidsregels vast voor een nieuw tariefsysteem ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022760&artikel=1&z=2007-11-05&g=2007-11-05) bedoelde zorg op basis van prestatiebekostiging. De huidige systematiek met een receptregelvergoeding voor openbare apotheken en het abonnement voor apotheekhoudende huisartsen, inclusief de module ‘scheiden zorg en handel’ wordt beëindigd bij invoering van de nieuwe systematiek. 2. Het nieuwe tariefsysteem beschrijft een basisprestatie en aanvullende prestaties binnen de reguliere farmaceutische zorg, waarvoor maximumtarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). 3. Het nieuwe tariefsysteem beschrijft een prestatie farmaceutisch consult, bedoeld voor zorgaanbieders die op dit moment geen consult kunnen declareren. De Nza stelt hiervoor de prestatiebeschrijving vast. 4. Het nieuwe"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 september 2008, nr. CZ/FBI-2874233, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake taakstelling ziekenhuizen 2009 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2009 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2009 een taakstelling van structureel € 15 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macro taakstellingsbedrag naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A- en B-segment tezamen. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s, inclusief schoning voor loonkosten medisch specialisten en agio’s academische component (waarbij de technische uitwerking van deze schoning mede afhankelijk is van de keuze van het basisjaar) alsmede de capaciteit en productieparameters van psychiaters in psychiatrische universiteitsklinieken (PUK’en). Bij epilepsie-inrichtingen wordt daarnaast nog geschoond voor het AWBZ-deel. Artikel 4 Het op basis van voorgaande per individuele instelling berekende taakstellingsbedrag wordt ver"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 juni 2023, kenmerk 3611583-1049617-PZo, inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *opleidende zorgaanbieder:* een zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten verricht in het kader van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut als bedoeld in [onderdeel B, aanhef, onder 1, sub a, onder 4 van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt jaarlijks beschikbaarheidbijdragen op basis van het vastgestelde verdeelplan en het opleidingsoverzicht die gelden in het desbetreffende subsidiejaar voor activiteiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048330&artikel=2&z=2023-06-30&g=2023-06-30) door daartoe opleidende zorgaanbieders. Hierbij wordt aangesloten bij de wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041), met uitzondering van de in di"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 november 2010, nr. MC-U-3033761, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het opstellen van een prestatiebeschrijving voor een stoppen-met-rokenprogramma Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *stoppen-met-rokenprogramma:* zorg bij stoppen-met-rokenprogramma als omschreven bij besluit van 31 augustus 2009, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met aanpassingen in de te verzekeren prestaties en in de regels voor het eigen risico per 1 januari 2010; - e. *keten-dbc:* multidisciplinaire zorgverlening met betrekking tot chronische aandoeningen diabetes mellitus type 2, cardiovasculair risicomanagement en Chronic Obstructive Pulmonary Disease. Artikel 2 Deze aanwijzing is van toepassing op het stoppen-met-rokenprogramma. Artikel 3 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig beleidsregels en regels vast. Artikel 4 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2011 een prestatiebeschrijving vast voor het stoppen-met-rokenprogramma. 2. De prestatiebeschrijving omvat de geneeskundige en farmacotherapeutische interventies ter ondersteuning van gedragsverandering met als doel te stoppen met roken. 3. Bij de vaststelling van de prestatiebeschrijving hanteert de zorgautoriteit als uitgangspunt dat de prestatie voldoet aan de Zorgmodule stoppen met roken van het Partnership stoppen met roken en de CBO Richtlijn behandeling tabaksverslaving herziening 2009. Artikel 5 Voor het stoppen-met-rokenprogramma geldt een vrij tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de wet](https://wette"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2016, kenmerk 1036209-157521-MC, inzake verlenging termijn en uitbreiding reikwijdte beleidsregel Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties Artikel 1. uitbreiding termijn De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een wijziging van de beleidsregel Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties (AL/BR-0027) (hierna: beleidsregel innovatie) zodat het mogelijk wordt dat een experiment met maximaal twee jaar kan worden verlengd indien uit de evaluatie van het experiment blijkt dat: - a. het experiment nog onvoldoende uitkomsten heeft gegenereerd, of - b. de onderzoeksopzet en het type onderzoek een langere onderzoeksduur vergen. Artikel 2. uitbreiding reikwijdte De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat de beleidsregel innovatie ook van toepassing is op de forensische zorg."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 augustus 2016, kenmerk 942707-148296-MC, inzake regulering ergotherapie artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2017 voor ergotherapie prestaties met een vrij tarief vast als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50)."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2010, nr. MC-U- 3035734, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake overschrijding ziekenhuiskader 2009 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2011 een korting van structureel € 314 miljoen (prijspeil 2009) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029018&artikel=2&z=2010-12-06&g=2010-12-06) vermelde korting over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van de macro kortingsbedragen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben ieder betrekking op het A- en B-segment tezamen. Bij de toedeling van het macro taakstellingsbedrag wordt de omvang van het vrije B-segment in de verdeelgrondslag betrokken. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s, inclusief schoning voor loonkosten medisch specialisten en agio’s academische component (waarbij de technische uitwer"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2020 overeenkomstig het gestelde in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042611) bij deze aanwijzing beschikbaarheidbijdragen vast voor academische zorg als bedoeld in de [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, onderdeel B, subonderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), met dien verstande dat het label wetenschap zoals bedoeld in de bijlage eerst bij de verlening en vaststelling van een beschikbaarheidbijdrage kan worden betrokken in het jaar volgend op het jaar waarop dat label naar het oordeel van de zorgautoriteit voldoende is uitontwikkeld. 2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing voor medisch specialistische zorg. Artikel 2 De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van de [onderdeel B, sub 15, van de bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 4:51 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:51) voor een afbouwregeling van ten hoogste drie jaren een beschikbaarheidbijdrage verlenen, indien zorgaanbieders gedurende drie of meer achtereenvolgende jaren een beschikbaarheidbijdrage is verleend voor academische zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611&artikel=1&z=2019-12-01&g=2019-12-01). Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de overheveling van geriatrische revalidatiezorg van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *specialist ouderengeneeskunde:* arts die als verpleeghuisarts of specialist ouderengeneeskunde is geregistreerd door de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratiecommissie; - d. *geriatrische revalidatiezorg:* revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden; - e. *dbc:* diagnose-behandelingcombinatie; - f. *zzp:* zorgzwaartepakket; - g. *Aanwijzing nhc’s:* [Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 12 juli 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282) (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd bij de Aanwijzing houdende wijziging van de aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 8 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 16189); - h. *nhc:* normatieve huisvestingscomponent in de zin van de [Aanwijzing nhc’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282); - i. *AWBZ:* [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - j. *bestaande zorgaanbieder:* zorgaanbieder die geriatrische revalidatiezorg biedt en die daartoe vóór 1 januari 2012 productieafspraken heeft gemaakt met een zorgkantoor. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geriatrische revalidatiezorg. Artikel 3. uitvoering aanwijzing De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Tevens stelt zij tijdig v"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2011, nr. MC-U- 3070826, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake transparante prestatiebeschrijvingen medisch specialistische zorg 2012 Artikel 1. definities productstructuur In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *instelling:* algemene en categorale ziekenhuizen inclusief long/astmacentra, academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra;trombosediensten, centra voor erfelijkheidsonderzoek, laboratoria, audiologische centra en zelfstandige behandelcentra; - e. *Dbc:* prestatiebeschrijving in termen diagnose behandelcombinatie, zoals deze is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt tot en met 31 december 2011; - f. *DOT:* prestatiebeschrijving in termen van het project ‘Diagnose behandeling combinatie op weg naar transparantie’, zoals deze voor medisch specialistische zorg is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt vanaf 1 januari 2012; - g. *toegevoegde prestatie:* prestatie die in beginsel alleen in combinatie met een andere prestatie in rekening kan worden gebracht; - h. *add-on:* toegevoegde prestatie; - i. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - j. *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. Artikel 2. opdracht"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2022, kenmerk 3381555-1030850-PZO, inzake wijzigingen beschikbaarheidbijdrage academische zorg met betrekking tot wetenschap en compartimenten Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *aanwijzing 2019:* [Aanwijzing inclusief bijlage van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611) (Staatscourant 2019, nr. 53867); - – *academische zorg:* zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor academische zorg. Artikel 3. Opdrachtverlening 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2023 overeenkomstig de [aanwijzing 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611) beschikbaarheidbijdragen vast voor academische zorg, met dien verstande dat het label wetenschap zoals bedoeld in de aanwijzing 2019 onderdeel wordt van het deel van de beschikbaarheidbijdrage die betrekking heeft op het gedeelte ontwikkeling en innovatie (O&I) zoals bedoeld in de aanwijzing 2019. 2. De zorgaut"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 mei 2024, kenmerk 3837852-1066539-PZO, inzake uitvoering van het amendement Dobbe in verband met de herijking van de nhc/nic binnen de Wlz Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *normatieve huisvestingscomponent (nhc):* een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor (vervangende) (nieuw)bouw en instandhouding; - – *normatieve inventariscomponent (nic):* een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor investeringen in inventaris; - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) waarvoor de zorgautoriteit voor 2024 prestatiebeschrijvingen en bijbehorende tarieven heeft vastgesteld inclusief een nhc en of een nic. Artikel 3. Opdracht 1. Ter uitvoering van het amendement Dobbe verhoogt de zorgautoriteit over uitsluitend het jaar 2024 de maximale beleidsregelwaarden van de door haar vastgestelde tarieven voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049754&artikel=2&z=2024-06-04&g=2024-06-04) met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2024. 2. De verhoging van de maximale beleidsregelwaarden is gelijk aan het effect van de verlaging van de nhc en nic die de zorgautoriteit voor 2024 heeft doorgevoerd. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2021, kenmerk 3253869-1015137-PZo, inzake wijziging beschikbaarheidbijdrage coördinatie ROAZ en traumazorg en opleiden, trainen en oefenen bij rampen en crises in verband met de wijziging van het Besluit Beschikbaarheidbijdrage Wmg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage, behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de coördinatie van acute zorg als bedoeld in [onderdeel B, onder 5, van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Opdrachtverlening 1. De zorgautoriteit verleent met ingang van 1 januari 2022 een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor de coördinatie regionaal overleg acute zorgketen en de coördinatie traumazorg, bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 5, sub a, van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2022. 2. De zorgautoriteit verleent met ingang van 1 januari 2022 een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor het opleiden, trainen en oefenen voor rampen en crises, bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 5, sub b, van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2022. 3. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Deze treden in werking met ingang van 1 januari 20"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2013, MC-125996-105636, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdragen voor ziekenhuisopleidingen Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), juncto [onderdeel B, onder 1, sub c, van de bijlage bij dat besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 2. opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. Artikel 3. verstrekken beschikbaarheidbijdrage 1. De zorgautoriteit verleent en stelt een beschikbaarheidbijdrage vast ter compensatie voor het verlenen van een dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033814&artikel=1&z=2013-11-01&g=2013-11-01) door een daartoe erkende zorgaanbieder. 2. De zorgautoriteit stelt de beschikbaarheidbijdrage vast op basis van het aantal feitelijke opgeleide personen. Opgeleide personen zijn personen die hun opleiding met een diploma hebben afgerond, alsmede, voor zover het betreft de opleidingen tot operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist, personen die in de desbetreffende opleiding zijn ingestroomd. 3. De beschikbaarheidbijdrage wordt per kalenderjaar verstrekt. Artikel 4. berekenen beschikbaarheidbijdrage 1. De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage is afhankelijk van het aantal door de zorgaanbieder opgeleide personen en het vergoedingsbedrag per persoon. 2. De zorgautoriteit berekent de beschikbaarheidbijdrage aan de hand van een door mi"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2013, kenmerk 169317-113129-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake macrobeheersinstrument voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Stb. 2006, 630, artikel III); - e. *dyslexiezorg:* zorg zoals zoals omschreven in [artikel 2.5a van het besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a) (Stb. 2012, 512). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de dyslexiezorg. Artikel 3. macrogrens De zorgautoriteit stelt voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296&artikel=2&z=2014-02-01&g=2014-02-01) voor alle zorgaanbieders gezamenlijk jaarlijks, op basis van een door de minister bij brief te verstrekken bedrag, ambtshalve een macrogrens vast, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 4. individuele grenzen 1. De zorgautoriteit stelt ambtshalve per individuele zorgaanbieder van zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296&artikel=2&z=2014-02-01&g=2014-02-01) jaarlijks een individuele bovengrens als bedoeld in"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 oktober 2021, kenmerk 3266624-1017495-PZO, inzake de aanpassing van de afbakening van de beschikbaarheidbijdrage spoedeisende hulp Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *verstrekken:* verlenen en vaststellen; - – *SEH:* spoedeisende hulp; - – *ANW-uren:* avond-, nacht- en weekenduren; Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op spoedeisende hulp als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7 van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Spoedeisende hulp 1. De zorgautoriteit verstrekt een beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) waar: - a. op een in die [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) bedoelde afdeling SEH 7x24 uur minimaal één door de KNMG geregistreerde SEH-arts of één arts SEH en één SEH-verpleegkundige aanwezig is, en - b. de volgende zorgverleners bereikbaar zijn gedurende de avond- nacht- en weekenduren: - • Anesthesioloog, - • Anesthesieassistent, - • Apothekersassistent, - • Cardioloog, - • Orthopedisch chirurg of traumachirurg, - • Vaatchirurg, - • GE-chirurg of oncologisch chirurg, - • Intensivist, - • Internist, - • Kinderarts, - • Klinisch chemicus, - • Klinisch chemisch laborant, - • Klinisch geriater of internist ouderengeneeskunde, - • Longarts, - • Medisch microbioloog, - • Neuroloog, - • Psychiater, - • Radiologie laborant, - • Radioloog, en - • Z"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2015, kenmerk 779862-137775-MC, houdende verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014 Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit; - c. *Aanwijzing macrobeheersmodel:* [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884); - d. *mbi-omzetplafond:* mbi-omzetplafond vastgesteld op basis van [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=4). Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=6): - a. handhaaft de zorgautoriteit het mbi-omzetplafond voor het jaar 2014 niet dan nadat de minister haar uiterlijk voor 31 december 2016 schriftelijk heeft bericht dat het bedrag van dat plafond is overschreden; - b. stelt de zorgautoriteit voor het jaar 2014 dat de grens voor iedere individuele instelling gelijk is aan de door die instelling gerealiseerde mbi-omzet in het desbetreffende kalenderjaar ambtshalve niet vast dan nadat de minister haar uiterlijk voor 31 december 2016 schriftelijk heeft bericht dat het mbi-omzetplafond voor het jaar 2014 niet is overschreden."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2016, kenmerk 1051065-157688-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake tarifering obstetrische high care Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *prestatiebeschrijving:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=30); - – *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *integraal tarief:* tarief waarin alle vergoedingen zijn opgenomen voor kosten die een zorgverlener in rekening mag brengen in verband met het leveren van een prestatie; - – *medisch specialistische zorg:* zorg als bedoeld in [artikel I.1 van de aanwijzing inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035137&artikel=I.1). Artikel 2. integrale prestatiebeschrijvingen De zorgautoriteit stelt een of meer integrale prestatiebeschrijvingen vast voor obstetrische high care. Artikel 3. integrale tarifering Voor prestaties als bedoeld in de prestatiebeschrijvingen onder [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038843&artikel=2&z=2017-02-01&g=2017-02-01) geldt een integraal tarief. Artikel 4. segmentindeling en tariefsoort 1. Obstetrische high care behoort met ingang van het jaar 2017 tot het gere"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2007, nr. MC-U-2808582, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake voorbereiding ziekenhuiszorg 2009 Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, treft voorbereidingen ten behoeve van de wijziging van de bekostiging van zorg als bedoeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023048) bij deze aanwijzing. De zorgautoriteit werkt ten behoeve van die wijziging en voor zover van toepassing het kader zoals geschetst in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023048) uit. De zorgautoriteit werkt voor zover mogelijk de bekostigingsprincipes uit in beleidsregels binnen het kader zoals geschetst in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023048). De zorgautoriteit rapporteert en signaleert de minister over die onderwerpen waarover zij in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023048) expliciet een rapportage of signalement wordt gevraagd. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting en bijbehorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023048) in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2012, MC-U-3138396 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging in de forensische zorg Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Interimbesluit forensische zorg:* [Interimbesluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029333) (Stb. 2010, 875), gewijzigd bij Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Interimbesluit forensische zorg (Stb. 2012, 134); - e. *forensische zorg:* forensische zorg in strafrechtelijk kader als bedoeld in [artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029333&artikel=2); - f. *dbbc:* diagnose behandeling en beveiliging combinatie; - g. *budgetomzet:* door de minister van Veiligheid en Justitie op basis van AWBZ-parameters berekende omzet; - h. *transitieomzet:* de maximaal toelaatbare omzet. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op forensische zorg. Voor wat betreft de inkoop van forensische zorg wordt de minister van Veiligheid en Justitie aangemerkt als een zorgverzekeraar die zich overeenkomstig [artikel 33 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=33) heeft aangemeld voor de uitvoering van die wet. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Hoofdstuk II. Tarieven en prestatieschrijvingen Artikel 4. tarieven en prestaties De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2013 voor forensische zorg maximumt"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 2017, kenmerk MC-1223399-167180, houdende op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake beschikbaarheidbijdrage post mortem orgaanuitname bij donoren 2018 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *beschikbaar:* tijdig aanwezig zijn op de locatie waar de uitname van organen door het uitnameteam plaats moet vinden zodat de organen na uitname voor transplantatiedoeleinden kunnen worden gebruikt; - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *materiaallijst:* meest actuele lijst van materialen bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040059&artikel=4&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - – *materialen:* instrumenten en materialen die benodigd zijn voor uitname; - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *orgaancentrum:* instelling als bedoeld in [artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=24); - – *organen:* nieren, lever, alvleesklier en dunne darm; - – *uitname:* specialistische chirurgische werkzaamheden vanaf de eerste incisie tot en met het transportklaar maken van de postmortale organen; - – *verstrekken:* verlenen en vaststellen; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zelfstandig uitnameteam:* speciaal team als bedoeld in de onderdeel B, onder 3, van de [Bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 december 2013, kenmerk 176506-114151-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake voortzetting van het macrobeheersinstrument voor geriatrische revalidatiezorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *geriatrische revalidatiezorg:* revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden en waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat; - d. *jaar t:* het kalenderjaar waarop een macrogrens en individuele grenzen betrekking hebben, waarbij 2014 het eerste jaar t is. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geriatrische revalidatiezorg. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast, alsmede de grenzen, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034321&artikel=5&z=2014-02-01&g=2014-02-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034321&artikel=6&z=2014-02-01&g=2014-02-01) van deze aanwijzing. Artikel 4. financieel kader Ik deel de zorgautoriteit tijdig schriftelijk voor aanvang van het jaar t het financieel kader mee voor geriatrische revalidatiezorg voor jaar t. Artikel 5. macrogrens 1. De zorgautoriteit stelt voor alle zorgaanbieders gezamenlijk ambtshalve een macrogrens voor jaar t vast, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). 2. De zorgautoriteit stelt de macrogrens, bedoeld in het eerste lid, en de in"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2026, kenmerk 4346820-1093991-WJZ, aan de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd in verband met het niet handhavend optreden tegen een overtreding van de handelsvergunningplicht op grond van de Geneesmiddelenwet Artikel 1 De inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd treedt voor de geneesmiddelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052267&artikel=2&z=2026-02-04&g=2026-02-04), niet handhavend op tegen een overtreding van [artikel 40, eerste of tweede lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=40) jegens een fabrikant, groothandelaar of apotheekhoudende, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. het betreffende geneesmiddel is vergelijkbaar met het geneesmiddel in tekort, wat betekent dat het dezelfde werkzame stof, sterkte en toedieningsvorm heeft, en heeft een handelsvergunning: - 1°. in een andere lidstaat; of - 2°. Indien niet commercieel beschikbaar in een andere lidstaat, in het Verenigd Koninkrijk of een land met een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning, - b. de betrokken fabrikant, groothandelaar of apotheekhoudende houdt een administratie bij waarin de hoeveelheid van het geneesmiddel, de naam van de arts, het aantal patiënten voor wie het geneesmiddel is bestemd, en de geconstateerde bijwerkingen worden vastgelegd. Artikel 2 Dit besluit ziet op de volgende geneesmiddelen: - a. Lithiumcarbonaat Teva 200 milligram tabletten (RVG 52076); - b. Lithiumcarbonaat Teva 300 milligram tabletten (RVG 55991); - c. Lithiumcarbonaat Teva 400 milligram tabletten (RVG 55992); en - d. Promethazine CF 25 milligram omhulde tabletten (RVG 50250). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2023, kenmerk 3712418-1055833-PZo, inzake het experiment zinnig en simpel verantwoorden in de langdurige zorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 3. Opdracht experiment 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2024, met toepassing van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), in regelgeving voor een experiment inzake zinnig en simpel verantwoorden. 2. Op grond van dit experiment krijgt een zorgaanbieder de mogelijkheid om af te wijken van de beleidsregels en nadere regels van de zorgautoriteit ten aanzien van de verantwoording. 3. De zorgautoriteit stelt als voorwaarde dat de aanvraag voor het experiment door de zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder gezamenlijk wordt ingediend. 4. De zorgautoriteit kan het aantal experimenten alsmede de experimentonderwerpen met het oog op de uitvoerbaarheid en beheersbaarheid beperken. Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048871&artikel=3&z=2023-11-13&g=2023-11-13) de volgende uitgangspunten in acht: - a. Doel van het experiment is om de administratieve belasting die ontstaat door het verantwoordingsproces te verlagen en kan zich richten op alternatieve invulling van het nacalculatieproces en van de nacalculatie-opgave, bijvoorbeeld door verantwoording middels de jaarrekening en het steunen op controles die elders in de keten geda"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2017, kenmerk 1223400-167181-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake bekostiging van de postmortale weefselketen 2019 Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *beschikbaar:* landelijke beschikbaarheid van uitnameteams, zodanig dat binnen 24 uur na overlijden van de donor gestart wordt met de uitnameprocedure en de uitgenomen weefsels gereed zijn voor transport naar een weefselbank; - – *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* bijlage behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - – *eigen zorgverlener:* zorgverlener tot wie de consument zich met een zorgvraag heeft gewend en welke zorgverlener verantwoordelijk is jegens die consument voor het afhandelen van die zorgvraag, al dan niet met andere mede behandelende zorgaanbieders; - – *gereguleerd segment:* gereguleerd segment, bedoeld in de [Aanwijzing transparante prestatiebeschrijvingen medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030210)1Staatscourant 2011, 11796; - – *integraal tarief:* tarief waarin alle vergoedingen zijn opgenomen voor kosten die een zorgaanbieder in rekening mag brengen in verband met het leveren van een prestatie; - – *instelling:* instelling voor medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1.2, aanhef en onder 1°, van het Uitvoeringsbesluit Wtzi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2); - – *inventarisatie:* meest actuele inventarisatie, bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040057&hoofds"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2017, kenmerk 1223404-167183-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake tarifering diagnostiek voor zeldzame visuele aandoeningen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *medisch specialistische zorg:* zorg als bedoeld in [artikel I.1 van de aanwijzing inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035137&artikel=I.1)1Staatscourant 2014, 14914; - – *prestatiebeschrijving:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2 1. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. 2. De regels en beleidsregels van de zorgautoriteit die uitvoering geven aan deze aanwijzing treden in werking met ingang van het jaar 2019. Artikel 3. prestatiebeschrijvingen De zorgautoriteit stelt een of meer prestatiebeschrijvingen vast voor diagnostiek voor zeldzame visuele aandoeningen. Artikel 4. segmentindeling en tariefsoort 1. Diagnostiek voor zeldzame visuele aandoeningen behoort met ingang van het jaar 2019 tot het gereguleerde segment in de medisch specialistische zorg. 2. Voor prestaties in het gereguleerde segment gelden maximumtarieven. Artikel 5. citeertitel Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing tarifering diagnostiek voor zeldzame vis"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2011, nr. MC-U-3078436, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake honorariumtarieven medisch specialisten Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *zorgproduct:* prestatiebeschrijving in termen van diagnose behandelcombinatie, ondersteunend product, overig product, overig traject of overige verrichting, zoals deze is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt vanaf 1 januari 2012; - e. *honorariumcomponent:* deel van het zorgproduct dat betrekking heeft op de werkzaamheden van medisch specialisten; - f. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en met uitzondering van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Artikel 3. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 4. maximumtarieven honorariumcomponent De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2012 maximumtarieven voor de honorariumcomponent vast die zijn gebaseerd op de door"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2015, inzake beschikbaarheidbijdrage voor acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter vanaf de Friese Waddeneilanden Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van onderdeel B, sub 16, van de [bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter vanaf de Friese Waddeneilanden. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking op de dag dat het besluit houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere besluiten in verband met medische vervolgopleidingen in werking treedt."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2015, inzake een beschikbaarheidbijdrage voor medische vervolgopleidingen Artikel 1. Beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041) op grond van onderdeel B, sub 1, van de [bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor de medische opleidingen tot sportarts, klinisch neuropsycholoog en arts voor verstandelijk gehandicapten. Artikel 2. Hoogte vergoedingsbedragen De Nederlandse Zorgautoriteit berekent de beschikbaarheidbijdragen bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036817&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) op basis van de bij brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vermelde vergoedingsbedragen. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze aanwijzing treedt in werking op de dag dat het besluit houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere besluiten in verband met medische vervolgopleidingen in werking treedt."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2025, kenmerk 4141183-1084694-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b) *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c) *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - d) *opleidende zorgaanbieder:* - – zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of, - – ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling; - e) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en - f) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten verricht in het kader van de opleidingen als bedoeld in [onderdeel B, aanhef, onder 1, sub a en b van de Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage *Vervallen* Artikel 4. Berekenen beschikbaarheidbijdrage In afwijking van de [aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2012, MC-U-3142049, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostiging longrevalidatie Hoofdstuk I Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *adviesbrief:* brief van de zorgautoriteit aan de minister van 16 augustus 2012 inzake prestatiebekostiging voor epilepsiecentra en longrevalidatie-instellingen, kenmerk EGEs/djon/TDZ 11704; - *longrevalidatie-instellingen:* zelfstandige centra voor longastma als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Aanwijzing transparante prestatiebeschrijvingen medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030210&artikel=1); - *DOT-zorgproduct:* prestatiebeschrijving in termen van het project ‘Diagnose behandeling combinatie op weg naar transparantie’, zoals deze voor medisch specialistische zorg is vastgesteld door de zorgautoriteit; - *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg verleend door zelfstandige longrevalidatiezorg-instellingen. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Artikel 4. transparante prestatiebeschrijvingen De zorgautori"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2012, MC-U-3142052, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostiging epilepsiezorg Hoofdstuk I Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - *Minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *adviesbrief:* brief van de zorgautoriteit aan de minister van 16 augustus 2012 inzake prestatiebekostiging voor epilepsiecentra en longrevalidatie-instellingen, kenmerk EGEs/djon/TDZ 11704; - *epilepsiecentra:* zelfstandige epilepsie-inrichtingen als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Aanwijzing transparante prestatiebeschrijvingen medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030210&artikel=1); - *DOT-zorgproduct:* prestatiebeschrijving in termen van het project ‘Diagnose behandeling combinatie op weg naar transparantie’, zoals deze voor medisch specialistische zorg is vastgesteld door de zorgautoriteit; - *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op epilepsiezorg als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Artikel"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2022, kenmerk 3308642-1023276-PZO, inzake de verlenging van de geldigheidsduur van de prestatiebeschrijving voor meerkosten in verband met het coronavirus tot en met 31 december 2022 Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing coronakosten:* Aanwijzing inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg1Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, met kenmerk 1677978-204496-PZO, inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg.; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *prestatiebeschrijving meerkosten:* de prestatiebeschrijving zoals omschreven in artikel 3, tweede lid, van de Aanwijzing coronakosten. Artikel 2. Opdracht 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van de Aanwijzing coronakosten, gelden de door de zorgautoriteit vast te stellen beleidsregels en regels, voor zo ver deze betrekking hebben op de prestatiebeschrijving meerkosten, uiterlijk tot en met 31 december 2022. 2. Het bepaalde in het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2022."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 juni 2014, kenmerk MC-373618-120989, inzake tarifering sportgeneeskunde WMG Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlands zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Besluit Sportgeneeskunde:* Besluit van 11 september 2013 van de Commissie geneeskundige specialismen houdende opleidings- en erkenningseisen voor het specialisme sportgeneeskunde; - e. *sportgeneeskunde:* sportgeneeskunde als bedoeld in het Besluit Sportgeneeskunde; - f. *erkenningsbesluit:* [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2014, kenmerk 329185-117646-MEVA, houdende de wettelijke erkenning van de specialistentitel sportarts en de instemming met het Besluit Sportgeneeskunde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035067) (Stcrt. 2014, 11817); - g. *sportarts:* degene die gerechtigd is tot het dragen van de titel sportarts als bedoeld in het erkenningsbesluit; - h. *prestatiebeschrijving:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - i. *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - j. *medisch specialistische zorg:* zorg als bedoeld in [artikel I.1 van de aanwijzing inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035137&artikel=I.1). Artikel 2 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door sportartsen. Artikel 3 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar n"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 december 2016, kenmerk 1051669-158542-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg houdende tweede verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014 Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing verdaging mbi msz 2014:* [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2015, kenmerk 779862-137775-MC, houdende verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036816); Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=6) en in afwijking van de [Aanwijzing verdaging mbi msz 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036816): - a. handhaaft de zorgautoriteit het mbi-omzetplafond voor het jaar 2014 niet dan nadat de Minister haar uiterlijk voor 1 mei 2017 schriftelijk heeft bericht dat het bedrag van dat plafond is overschreden; - b. stelt de zorgautoriteit voor het jaar 2014 de grens voor iedere individuele instelling gelijk aan de door die instelling gerealiseerde mbi-omzet in het desbetreffende kalenderjaar ambtshalve niet vast dan nadat de Minister haar uiterlijk voor 1 mei 2017 schriftelijk heeft bericht dat het mbi-omzetplafond voor het jaar 2014 niet is overschreden. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing tweede verdaging mbi msz 2014."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 juli 2019, kenmerk 1546308-192510-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake niet-beïnvloedbare factoren bij verzuim van zorgpersoneel in de verpleeghuiszorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *bandbreedtetarief:* een bedrag dat ligt tussen of gelijk is aan het bedrag dat ten minste en het bedrag dat ten hoogste als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *grondslag component niet-beïnvloedbare factoren:* de loon- en materiële kostencomponent op basis van het meest recente kostenonderzoek voor het betreffende zorgzwaartepakket of volledig pakket thuis; - – *maximumtarieven:* een bedrag dat ten hoogste als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *-niet-beïnvloedbare factoren:* grootstedelijkheid en sociaaleconomische status van de wijk welke samenhangen met bovengemiddeld voorspeld verzuim van zorgpersoneel; - – *postcodelijst:* lijst met daarin de nummers van postcodegebieden waarin niet-beïnvloedbare factoren gelden; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2), voor zover sprake is van zorg met verblijf in een instelling voor cliënten die zijn aangewezen op z"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 oktober 2007, nr. MC-U-2803757, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake tweedelijns geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voorzover die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters en overige zorgaanbieders die zijn toegelaten voor zorg aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of zorgaanbieders van wie de zorg is gericht op verzekerden met een psychiatrische aandoening met uitzondering van eerstelijnspsychologische zorg. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een bekostigingssystematiek in voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022714&artikel=1&z=2007-10-25&g=2007-10-25) bedoelde zorg. De prestatiebeschrijvingen in deze bekostigingssystematiek zijn gebaseerd op diagnose behandeling combinaties (DBCs) voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz). 2. De zorgautoriteit voert met ingang van 2008 voor instellingen, die ultimo 2007 waren toegelaten en die voor 2007 productieafspraken hebben gemaakt met een zorgkantoor, voor de prestaties tarieven in als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Het budget dat deze instellingen met hun zorgverzekeraar afspreken wordt gebaseerd op de in 2007 bestaande NZa-parameters; hierbij hebben de ambulante parameters een maximum karakter net als in het jaar 2007. 3. Het DBC tarief wordt door de instellingen bedoeld in het tweede lid uitsluitend gebruikt voor het in rekening brengen van de geleverde zorg. 4. De zorgautoriteit stelt per instelling bedoeld"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2007, nr. MC-U- 2794140, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake afschaffen lumpsum externe honorering lokale initiatieven Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg en zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden, te onderscheiden naar categorieën van specialismen overeenkomstig het onderscheid zoals dat wordt gemaakt in het specialistenregister van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, zoals dat register luidt op het tijdstip van vaststelling van een tarief of een prestatiebeschrijving door de Nederlandse Zorgautoriteit voor het desbetreffende specialisme. Artikel 2 De zorgautoriteit schaft, ter uitvoering van deze aanwijzing, per 1 januari 2008 de beleidsregels af die betrekking hebben op de lumpsum externe honorering lokale initiatieven vrijgevestigde medisch specialisten en vrijgevestigde psychiaters. Artikel 3 Voor de voorlopige en definitieve verrekening van de lumpsum over de jaren waarvoor VWS de raamovereenkomst heeft goedgekeurd, stelt de zorgautoriteit een afwikkelingstraject vast. Daarbij heeft de zorgautoriteit aandacht voor onderhandenwerk ultimo 2007. Artikel 4 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. CZ-FBI-2940858, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake indexering Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg in de zin van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) voor zover deze wordt geleverd door, of onder verantwoordelijkheid van, personen, die beroeps- of bedrijfsmatige zorg verlenen en zijn ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34), met uitzondering van: - a. zorg als bedoeld in het eerste lid van de [artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=3); - b. zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), - c. huisartsenzorg als bedoeld bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover het betreft de toepassing op die zorg van [artikel 2, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026375&artikel=2&z=2009-09-14&g=2009-09-14), van deze aanwijzing en - d. geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630), voorzover die zorg wordt geleverd door vrijgevestigde psychiaters, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 De in"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. CZ/TSZ-2940850, op grond van artikel 7 van de Wet marktordering gezondheidszorg inzake medisch specialistiche zorg 2010 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078): voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2010 een taakstelling van structureel € 375 miljoen (prijspeil 2008) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het vorige artikel vermelde taakstelling gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die taakstelling stelt de zorgautoriteit de tarieven met ingang van 2010 neerwaarts bij; Indien en voorzover de taakstelling met ingang van 2010 door herijking van de ondersteunerscompensatie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346&artikel=4&z=2009-09-07&g=2009-09-07) en door herijking van de normtijden als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346&artikel=5&z=2009-09-07&g=2009-09-07) wordt gerealiseerd wordt het bedrag als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346&artikel=2&z=2009-09-07&g=200"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2016, kenmerk 984591-152516-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2017–2018 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 mei 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II, 2015–2016, 29 282, nr. 250); Besluit: 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971), en onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) bij dat besluit. 2. Opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna:zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2017 regels of beleidsregels vast. 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt op basis van de verdeelplannen 2017 en 2018 en van de opleidingsoverzichten 2017 en 2018, jaarlijks beschikbaarheidbijdragen voor die jaren voor activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038287) door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij berekent de beschikbaarheidbijdragen aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd onder [4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038287). 4. Hoogte vergoedingsbedragen per fte in 2017 en 2018 4.1. Vervolgopleidingen in academische ziekenhuizen en algemene ziekenhuizen - 4.1.1. Voor de vervolgopleidingen anesthe"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2026, kenmerk 4422465-1100356-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de vaststelling van een prestatiebeschrijving voor inzet van doorbraakmiddelen ten behoeve van impactvolle transformaties Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *doorbraakmiddelen:* middelen als beschreven in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (hierna: AZWA) die worden ingezet voor arbeidsbesparende maatregelen bijvoorbeeld op het vlak van AI, medische technologie en hulpmiddelen. - b) *modelplannen:* landelijk gestandaardiseerde plannen die per gekozen toepassingsgebied als format dienen voor de uitwerking en opschaling van impactvolle transformaties. - c) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of overige diensten als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2027 prestatiebeschrijvingen met een vrij tarief vast voor de inzet van doorbraakmiddelen ten behoeve van transformaties op het gebied van AI, digitale en hybride zorg en medische technologie. De aparte prestatiebeschrijvingen vormen de mijlpalen van een impactvolle transformatie. 2. De zorgautoriteit stelt prestatiebeschrijvingen vast die ten behoeve van de jaren 2027, 2028 en 2029 gedeclareerd kunnen worden. 3. De zorgautoriteit stelt voor de inzet van doorbraakmiddelen ten behoeve van een impactvolle transformatie prestatiebeschrijvingen vast met een bovengrens ter hoogte van de totale (meerjarige) aanvraag. De zorgautoriteit toetst vooraf op"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 maart 2013, MC-U-3156528, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake technische vormgeving verrekening overgangsregeling kapitaallasten tweedelijns curatieve ggz Artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet er met ingang van 2013 in dat de bedragen die zij vaststelt op basis van de overgangsregeling als bedoeld in [artikel 7 van de Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&artikel=7) van 12 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd in de Aanwijzing houdende wijziging van de aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 8 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 16189), voor huisvestingskosten ten behoeve van het verlenen van zorg als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, sub b, van die aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&artikel=2), worden verrekend via een beschikbaarheidbijdrage dan wel een afdracht aan het Zorgverzekeringsfonds."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 januari 2008, nr. CZ/TSZ-2822952, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake hernieuwde vaststelling aanwijzing invoering uurtarief medisch specialisten Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg: - a. zoals door medisch specialisten wordt geleverd; - b. waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties; - c. als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en - d. met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een tarief in voor medisch specialistische zorg die in rekening kan worden gebracht aan ziektekostenverzekeraars en consumenten. Het uurtarief wordt gebaseerd op een normatieve praktijkomvang van € 205.260,– (prijspeil 2006), uitgaande van 1555 declarabele uren op jaarbasis. Het uurtarief is, met verwijzing naar de tabel in de toelichting, bepaald op € 132,– (prijspeil 2006). 2. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een bandbreedtetarief in voor medisch specialistische zorg die in rekening kan worden gebracht aan instellingen voor medisch specialistische zorg. Dit bandbreedtetarief dient te bestaan uit het normatief uurtarief, bedoeld in het vorige lid, met een marge van plus of min € 6,– (prijspeil 2006). 3. De zorgautoriteit neemt in beleidsregels met betrekking t"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2016, kenmerk 984908-152560-MC, inzake het macrobeheersinstrument voor eerstelijns verblijf en geriatrische revalidatiezorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *Minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *geriatrische revalidatiezorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c) - e. *eerstelijns verblijf:* zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is verband met zorg zoals huisartsen die plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg Artikel 2. macrogrens De zorgautoriteit stelt voor geriatrische revalidatiezorg en eerstelijns verblijf voor alle zorgaanbieders gezamenlijk jaarlijks, op basis van een door de Minister bij brief te verstrekken bedrag, ambtshalve een macrogrens vast, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. individuele grenzen 1. De zorgautoriteit stelt ambtshalve per individuele zorgaanbieder jaarlijks een individuele bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast. 2. De individuele grens is, indien de macrogrens niet is overschreden, gelijk aan de door die zorgaanbieder in het betreffende jaar gerealiseerde omzet. 3. De individuele grens is, indien de macrogrens is overschreden, gelijk aan het pro"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 mei 2010, nr. CZ/TSZ-3003410 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische zorg 2010 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078): voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2010 een korting van structureel € 512 miljoen (prijspeil 2008) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het vorige artikel vermelde korting gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die korting stelt de zorgautoriteit de honorariumtarieven met ingang van 2010 neerwaarts bij, voor zover die korting niet al door de [aanwijzing van 6 juli 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346), met kenmerk CZ/TSZ-2940850, is gerealiseerd. De zorgautoriteit bepaalt de wijze waarop de neerwaartse bijstelling van de tarieven wordt vormgegeven. Het uitgangspunt voor het realiseren van de tariefskorting is 2010. Bij de verwerking van de tariefskorting houdt de NZa redelijkerwijs rekening met de consequenties van de differentiatie van de korting per specialisme. Artikel 4 Deze aanwij"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2013, 129679-106375-MC, houdende de generalistische basis geestelijke gezondheidszorg en praktijkondersteuner huisartsenzorg geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *generalistische basis ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) niet zijnde specialistische geestelijke gezondheidszorg; - e. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - f. *POH ggz:* praktijkondersteuners huisartsenzorg geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zijnde zorgaanbieders die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg leveren zoals huisartsen die bieden. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de generalistische basis ggz en poh ggz. Artikel 3. uitvoering van de aanwijzing De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 4. tarieven en prestaties De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2014 maximumtarieven en prestatiebeschrijvingen vast voor de generalistische basis ggz. Artikel 5. POH ggz module De zorgautoriteit draagt er zorg voor dat per 1 januari 2014 de module poh ggz wordt gefunctionaliseerd, zodat ook andere zorgaanbieders dan de huisarts deze module in rekening kunnen brengen. Voor deze module is in 2014 € 25 miljoen extra beschikbaar en in 2015 € 35 miljoen."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2014, kenmerk 377960-121393-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van de langdurige op behandeling gerichte ggz binnen de Zorgverzekeringswet Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *langdurige curatieve ggz:* het tweede en derde jaar intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), zoals gewijzigd bij besluit houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2015 en wijziging van het [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404) in verband met het zorgpakket BES 2015; - d. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - e. *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de langdurige curatieve ggz. Artikel 3. tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015 maximumtarieven vast voor de langdurige curatieve ggz. Voor onderlinge dienstverlening gelden vrije tarieven. Artikel 4. overgangsregeling kapitaallasten De zorgautoriteit voorziet er met ingang van 2015 in dat de bedragen die zij vaststelt op basis van de overgangsregeling, als bedoeld in artikel 7 van de Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intr"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2022, kenmerk 3458392-1038667-PZO op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake een bekostigingsexperiment in de cosmetische mondzorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *cosmetische mondzorg:* niet tandheelkundig-medisch noodzakelijke behandelingen, die het uiterlijk, de kleur, de vorm of de positie van de normale kenmerken van de weefsels in en of rondom de mond herzien of veranderen; - – *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *reguliere mondzorg:* de mondzorg die wordt gedeclareerd via de prestatiebeschrijvingen van de Nederlandse Zorgautoriteit zoals omschreven in de: - – [Beleidsregel tandheelkundige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047300); - – Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer; - – *vrije tarieven:* tarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op cosmetische mondzorg. Artikel 3. Opdracht experiment De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2023 in een experiment voor bekostiging van cosmetische mondzorg. Artikel 4. Uitgangspunten experiment 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2023 waar nodig in regelgeving ter uitvoering van deze aanwijzing. 2. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2023 prestatiebeschrijvingen met een vrij tarief vast voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047486&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) bedoelde zorg. 3. Doel van het experiment is om door middel van cosmetische mondzorgprestaties ruimte te bieden aan consu"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 oktober 2023, kenmerk 3696063-1053658-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de prestatie impactvolle transformaties Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties:* Aanwijzing van 9 oktober 2023, 3696063-1053658-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties; - – *Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wlz:* [Aanwijzing van 13 augustus 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050154), 3871925-1068062-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg; - – *AZWA:* Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord; - – *beoordelingskader:* Beoordelingskader Impactvolle zorgtransformaties en inzet transformatiemiddelen. Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 704; - – *IZA:* Integraal Zorgakkoord; - – *overig ventiel:* het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via zorgverzekeraars of zorgkantoren worden gefinancierd; - – *ventiel:* het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via de zorgverzekeraars worden gefinancierd, maar op een andere manier worden gealloceerd; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of overige diensten als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen, tarieven en bovengrens 1. De zorgautoriteit stelt prestatiebeschrijvingen met een vrij tarief vast voor impactvolle transformaties. 2. De zorgautoriteit kan de prestatiebeschrijvin"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 25 januari 2021, kenmerk 1811415-216967-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van een systeemfunctie voor organisatie en beschikbaarheid van onplanbare avond-, nacht- en weekendzorg en een bekostigingsexperiment met cliëntprofielen in de wijkverpleging Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *wijkverpleging:* verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10); - – *systeemfunctie:* prestatiebeschrijving gericht op het stimuleren van samenwerking en coördinatie van zorg zoals het inrichten en onderhouden van een netwerk, infrastructuur en organisatie in de wijkverpleging om de zorglevering heen. Het betreft geen individueel geleverde zorg; - – *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op wijkverpleging. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2022 in een prestatiebeschrijving voor de systeemfunctie die ziet op de organisatie en beschikbaarheid van onplanbare avond-, nacht- en weekendzorg. Deze prestatiebeschrijving kent een vrij tarief. Artikel 4. Experiment 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2022 in een experiment voor bekostiging op basis van cliëntprofielen in de wijkverpleging. De zorgautoriteit ontwikkelt hiervoor: - • prestatiebeschrijvingen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, week en maand voor de jaren 2022 en 2023. Deze prestatiebeschrijvingen kennen een vrij tarief; - • prestatiebeschrijvingen op basis van cliëntprofielen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uu"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U- 3072825, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *zelfstandig behandelcentrum:* instelling voor medisch specialistische zorg waarop niet de budgetsystematiek van toepassing is; - e. *vrij tarief:* tarief als bedoel in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - f. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste in rekening mag worden gebracht; - g. *Convenant:* afspraken tussen de Orde van Medisch Specialisten, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de minister, ondertekend op 31 mei 2011; - h. *Hoofdlijnenakkoord:* het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012–2015 tussen de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorgverzekeraars Nederland en de minister, ondertekend op 4 juli 2011. Artikel 2. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en regels op. Hoofdstuk II. Transitiemodel Artikel 3. werkingssfeer Dit hoofdstuk is van toepassing op zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) welke wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg met uitzondering"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072981 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering vrije tarieven mondzorg Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op mondzorg, met uitzondering van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard: - a. als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); of - b. verleend door personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) voor zover het betreft handelingen of werkzaamheden die niet zijn begrepen onder a. Artikel 2. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (verder zorgautoriteit genoemd) waar nodig beleidsregels of regels vast. Artikel 3. prestaties en tariefsoort 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2012 prestatiebeschrijvingen vast voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030324&artikel=1&z=2011-07-29&g=2011-07-29) bedoelde zorg. 2. Gedurende de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 gelden voor de zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030324&artikel=2&z=2011-07-29&g=2011-07-29) vrije tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). 3. Uiterlijk 1 juli 2014 besluit ik of de periode bedoeld in het tweede lid al dan niet wordt verlengd. Artikel 4. monitor De zorgautoriteit monitort systematisch de markteffecten van het vrijgeven van de tarieven voor mondzorg op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van die z"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3073582, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering beheersmodel medisch specialisten Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *instelling:* instelling voor medisch specialistische zorg; - e. *zorgproduct:* prestatiebeschrijving in termen van diagnose behandelcombinatie, ondersteunend product, overig product, overig traject of overige verrichting, zoals deze is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt vanaf 1 januari 2012; - f. *honorariumcomponent:* deel van het zorgproduct dat betrekking heeft op de werkzaamheden van medisch specialisten; - g. *vrijgevestigd medisch specialist:* medisch specialist die op toelatingsovereenkomst werkzaam is bij een instelling; - h. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - i. *omzetplafond:* bovengrens voor de som van de tarieven voor de prestaties van de vrijgevestigd medisch specialisten als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - j. *Zorgverzekeringsfonds:* het fonds bedoeld in [artikel 39 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39); - k. *AAN-beheersmodel:* model waarbij de vrijgevestigd medisch specialisten voor hun werkzaamheden aan de instelling declareren, de instelling het integrale zorgproduct aan de patiënt of ziektekostenverzekeraar in rekening brengt en de i"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3081217, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake kapitaallasten transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *aanwijzing transitiemodel:* de [Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072825, van 29 juli 2011 inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 (Stcrt. 2011, 13950)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318); - e. *transitiemodel prestatiebekostiging:* het transitiemodel geschetst in de aanwijzing transitiemodel; - f. *transitiebedrag:* bedrag als bedoeld in [artikel 5 van de aanwijzing transitiemodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318&artikel=5); - g. *verrekenbedrag:* bedrag als bedoeld in [artikel 6 van de aanwijzing transitiemodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318&artikel=6); - h. *aanwijzing overgangsregeling kapitaallasten:* de [Aanwijzing inzake overgangsregeling kapitaallasten algemene en academische ziekenhuizen van 22 juni 2010 (Stcrt. 2010, nr. 10255)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027853); - i. *overgangsregeling kapitaallasten:* de overgangsregeling kapitaallasten als bedoeld in de aanwijzing overgangsregeling kapitaallasten. Artikel 2. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en regels vast. Hoofdstuk II. Kapitaallasten en transitiemodel algemene en academische ziekenhuizen Artikel 3. werkingssfeer Dit hoofdstuk is van toepassing op zorg of diens"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3082225, inzake opbrengstverrekening cggz-instellingen en enkele andere opbrengstverrekening aangelegenheden Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *het Zorginstituut:* het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - e. *zorg:* zorg of diensten omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onder d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - f. *vereveningsbijdrage:* bijdrage, bedoeld in [artikel 32 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32); - g. *gebudgetteerde cggz-instellingen:* instellingen als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 oktober 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022714&artikel=2) (Stcrt. 2007, 207) zijnde instellingen die ultimo 2007 waren toegelaten en die voor 2007 productieafspraken hebben gemaakt met een zorgkantoor voor de prestaties tarieven in als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 2. opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en regels vast. Hoofdstuk II. Opbrengstverrekening gebudgetteerde cggz-instellingen Artikel 3. werkingssfeer 1. Dit hoofdstuk is van toepass"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3107962, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake monitoring maatregelen curatieve GGZ 2012 Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit (verder zorgautoriteit genoemd) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing een regel als bedoeld in [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) vast die erin voorziet dat zorgverzekeraars vóór 14 april en vóór 15 september 2012 een opgave verstrekken van de gecontracteerde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en een inschatting van de ongecontracteerde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Artikel 2 Op basis van de informatie als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031406&artikel=1&z=2012-05-01&g=2012-05-01) informeert de zorgautoriteit de minister over het totaal van de gecontracteerde en ongecontracteerde zorg."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 11 december 2014, 692617-129795-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de beschikbaarheidbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2015: - 1. het transitieregime curatieve geestelijke gezondheidszorg voor gespecialiseerde instellingen, bedoeld in de aanwijzing van 11 juli 2012 inzake [invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) (Stcrt. 2012, 15569) wordt verlengd met dien verstande dat: - a. de transitiebedragen voor 2015 en 2016 worden vastgesteld op basis van het transitiebedrag 2013 plus indexeringen; - b. het transitiebedrag per aanbieder naar rato wordt gecorrigeerd voor de overheveling van zorg naar de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) per 1 januari 2015 op basis van de nacalculatiecijfers 2013; - c. Het gecorrigeerde transitiebedrag stapsgewijs wordt afgebouwd waarbij. - i. in 2015 de verrekenfactor wordt teruggebracht van 0,95 naar 0,7; - ii. in 2016 de verrekenfactor wordt teruggebracht van 0,7 naar 0,3; - iii. in 2017 geen verrekenbedrag meer wordt toegekend. - 2. In afwijking op het bepaalde in lid 1 aanhef en onder c sub i geldt: - a. de verlaging van de verrekenfactor niet voor het deel van het transitiebedrag dat verband houdt met de ontoereikende verdiscontering van afwezigheid voor het tarief voor de diagnose behandelcombinatie voor verblijfsdagen. - b. de verlaging van de verrekenfactor niet voor het deel van het transitiebedrag dat verband houdt met (doventolk-)zorg door instellingen met een bovengemiddeld aantal cliënten met een auditieve beperking. Artikel 2 De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet er met ingang van 1 januari 2015 in dat voor gespecialiseerde en derdelijns psychotraumazorg voor zover het gaat om, en wordt geleverd door, een zorgaanbieder"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 11 oktober 2016, kenmerk 1025212-155823-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg – auditief beperkten Artikel 1. verlenging beschikbaarheidsbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat de uitzondering op de stapsgewijze afbouw genoemd in de [aanwijzing van 11 december 2014 inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036150) (Stcrt. 2014, 36863) voor zorgaanbieders met een bovengemiddeld aantal cliënten met een auditieve beperking wordt gehandhaafd in 2017. Artikel 2. hoogte beschikbaarheidsbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit dient zich bij het bepalen van de beschikbaarheidsbijdrage 2017 te baseren op het in 2013 bij de instellingen uitgevoerde kostenonderzoek, en dient daarbij rekening te houden met de geleverde zorg in 2017."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 februari 2012, nr. MC-U-3102226, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verlenging experiment epilepsie-dbc’s artikel Enig Het experiment bij epilepsie-inrichtingen als bedoeld in de [aanwijzing van 14 december 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137) (Staatscourant 2007, nr. 248) wordt verlengd tot en met 31 december 2012."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 13 december 2011, nr. MC-U-3096073, houdende een macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *zorg:* medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg en zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering, waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat, niet zijnde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg zoals bedoeld in de ‘wet tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet’ van 22 november 2006 (Stb. 2006, 630); - e. *instellingen:* algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra, dialysecentra, trombosediensten, centra voor erfelijkheidsonderzoek, audiologische centra en laboratoria (uitgezonderd huisartsenlaboratoria) voor zover deze laboratoria werkzaamheden verrichten ten behoeve van de hiervoor genoemde instellingen, met uitzondering van instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters (ggz-instellingen); - f. *aanwijzing transitiemodel:* de [Aanwijzing transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030586) van 29 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13950); - g. *transitiemodel prestatiebekost"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 14 oktober 2015, kenmerk 846322-142560-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2016 de uitzonderingen op de stapsgewijze afbouw als bedoeld in [artikel 1 lid 2 van de aanwijzing van 11 december 2014 inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036150&artikel=1) (Stcrt. 2014, 36863) ook gelden ten aanzien van de verrekenfactor in 2016."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 november 2010, nr. MC-U-3032852, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake efficiëntietaakstelling ambulancezorg Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op ziekenvervoer per ambulance als omschreven bij en krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), hierna te noemen: ambulancezorg. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor ambulancezorg wordt per 1 januari 2011 voor drie achtereenvolgende jaren een efficiëntietaakstelling opgelegd die bestaat uit: - a. een bevriezing van het aantal ritten (gewogen/ongewogen) en van het aantal verreden kilometers op het niveau van de realisatie 2010, alsmede - b. de structurele middelen die op grond van het landelijk referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid 2008 ter beschikking zijn gesteld (17 miljoen euro), blijven beschikbaar totdat het landelijk referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid 2008 is herijkt - c. een ex ante korting op de budgetten - inclusief de middelen, bedoeld onder b- van cumulatief 0,5 procentpunt per jaar. Artikel 3 1. De zorgautoriteit hanteert bij de uitvoering van deze aanwijzing de volgende uitgangspunten: - a. de efficiencytaakstelling geldt voor alle betrokken ambulancediensten op eenzelfde wijze; - b. indien het aantal daadwerkelijk gerealiseerde ritten minder bedraagt dan de geprognosticeerde groei van 2,5% per jaar ten opzichte van het jaar daarvoor, dan wordt het verschil in mindering gebracht op de budgetten zoals deze door de zorgautoriteit worden bepaald bij de invoering van een nieuw bekostigingsmodel. - c. bij de ex ante korting op de budgetten wordt het voorlopige cijfer voor de loon- en prijsindexatie gehanteerd; ex post vindt correctie plaats voor het verschil tussen het voorlopige en het definitieve indexatiecijfer. 2."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 17 augustus 2012, MC-U-3125844, op grond van artikel 7 van de Wet markordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische geneesmiddelen 2012 en 2013 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *toegevoegde prestatie:* prestatie die in beginsel alleen in combinatie met een andere prestatie in rekening kan worden gebracht; - e. *add-on:* toegevoegde prestatie; - f. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - g. *schaduwbudget:* in [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318&artikel=4) bedoeld functiegerichte budget zoals dat in 2012 zou zijn opgebouwd bij toepassing van de beleidsregels van de zorgautoriteit zoals die in 2011 golden voor gebudgetteerde instellingen voor medisch specialistische zorg, voor zorg in de zin van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) die in 2011 niet zou hebben behoord tot het vrije segment; - h. *budgetcompensatie:* vergoeding voor kosten van zorg of delen van zorg die wordt opgenomen in het schaduwbudget ten behoeve van de uitwerking van het transitiemodel als bedoeld in de [Aanwijzing transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318). Artikel 2. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig beleidsregels en regel"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 18 december 2008, CZ CGG 2902762 houdende op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake dyslexiezorg Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op dyslexiezorg zoals die is omschreven in het [besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492) d.d. 28 augustus 2008 ( Stb 2008 370). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, (beleids)regels vast. 2. Deze aanwijzing geldt voor zorgaanbieders in de curatieve ggz die binnen het kader van de DBC spelregels benoemd zijn als hoofdbehandelaar. Tevens geldt deze aanwijzing tot en met de evaluatiestudie in 2011 voor Orthopedagoog-Generalisten en Kinder- en Jeugdpsychologen die als zodanig geregistreerd zijn bij hun beroepsvereniging. Artikel 2 De zorgautoriteit hanteert met ingang van 1 januari 2009 voor de prestatie dyslexiezorg de maximumtarieven en spelregels van de DBC GGZ systematiek. Dit betekent dat diagnose en behandeling van ernstige dyslexie valt onder de productgroep ‘overige stoornissen in de kinderleeftijd’. Artikel 3 Tot en met de evaluatiestudie van 2011 zal de zorgautoriteit jaarlijks informatie leveren ten aanzien van de ontwikkeling van vergoedingsregeling voor dyslexiezorg. Artikel 4 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met toelichting geplaatst in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 februari 2016, kenmerk 926944-147689-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verblijfsprestaties en hoofdbehandelaarschap curatieve geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. : reikwijdte Deze aanwijzing heeft betrekking op de curatieve geestelijke gezondheidszorg en geldt met terugwerkende kracht voor de regels van de Nederlandse Zorgautoriteit voor het jaar 2013. Artikel 2. : hoofdbehandelaarschap De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een uitzonderingsbepaling bij de verplichting in de administratie- en declaratievoorschriften dat de hoofdbehandelaar direct cliëntgebonden tijd moet besteden in de diagnosefase. Deze uitzondering houdt in dat deze verplichting in 2013 niet van toepassing is voor de zorgaanbieder bij declaratie indien deze dat uitdrukkelijk met de zorgverzekeraar is overeengekomen. Artikel 3. : verblijfsprestaties De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat in 2013 bij de registratie en declaratievoorschriften voor de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg het kenmerk bedbezetting van de verblijfsprestaties E, F en G zo wordt omschreven dat patiënten doorgaans ten tijde van de behandeling in de kliniek verblijven, en niet per definitie gedurende de gehele behandeling."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2013, 168229-112943-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verlenging beschikbaarheidbijdrage en bijzonder transitiemodel GGZ Artikel 1. Verlenging transitiemodel De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin het transitieregime curatieve geestelijke gezondheidszorg voor gespecialiseerde instellingen, bedoeld in de [aanwijzing van 11 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (Stcrt. 2012, 15569), te verlengen tot en met 31 december 2014, waarbij geldt dat het verrekenbedrag 2014 wordt vastgesteld op basis van het verrekenbedrag uit 2013 plus een indexering. Artikel 2. Verlenging beschikbaarheidbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit draagt er zorg voor de beschikbaarheidbijdrage voor gespecialiseerde psychotraumazorg aan specifieke doelgroepen en zorg aan Joodse oorlogsslachtoffers, bedoeld in de [aanwijzing van 11 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, op overeenkomstige wijze in 2014 toe te kennen. Hierbij geldt dat de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage gelijk is aan 2013 plus een indexering."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 december 2011, nr. MC-3098541, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de beschikbaarheidbijdrage 2012 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *Interimbesluit:* [Interimbesluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030760) (Stb. 2011, 589); - e. *Aanwijzing transitiemodel:* [Aanwijzing transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318) van 29 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13950); - f. *compensatie voor diensten van algemeen economisch belang:* compensatie voor diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Beschikking van de Commissie nr. 2005/842/EG van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel 86, lid 2, van het EG-verdrag op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PbEU L 312); - g. *compensatie voor niet-economische diensten van algemeen belang:* compensatie voor niet-economische diensten van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030760&artikel=2) en [4 van het Interimbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030760&artikel=4). Artikel 3. uitvoering Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 juli 2011, nr. MC-U-3073018, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake kortingen huisartsenzorg, verloskundige zorg en logopedische zorg Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) zoals huisartsen of verloskundigen die plegen te bieden, alsmede op paramedische zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet zoals logopedisten die plegen te bieden. Artikel 2. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit waar nodig regels of beleidsregels vast. Artikel 3. huisartsenzorg Voor huisartsenzorg geldt per 1 januari 2012 een taakstelling van structureel € 132 miljoen (prijspeil 2011). Artikel 4. verloskundige zorg Voor verloskundige zorg geldt per 1 januari 2012 een taakstelling van structureel € 4 miljoen (prijspeil 2011). Artikel 5. logopedie Voor logopedische zorg geldt per 1 januari 2012 een taakstelling van structureel € 6 miljoen (prijspeil 2011) te realiseren door aanpassingen van de tarieven. Artikel 6. inwerkingtreding en publicatie Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 22 juli 2009, nr. MEVA/NBO-2936858, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake opschoning in verband met het opleidingsfonds AWBZ en Zvw Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst: - a. als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters en overige zorgaanbieders die zijn toegelaten voor zorg aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of zorgaanbieders van wie de zorg is gericht op verzekerden met een psychiatrische aandoening met uitzondering van eerstelijnspsychologische zorg; - b. waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en voor zover die wordt geleverd door instellingen in de geestelijke gezondheidszorg die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) met uitzondering van regionale instellingen voor beschermd wonen en instellingen die extramurale prestaties leveren waarbij geen behandeling plaatsvindt. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 De zorgautoriteit past met ingang van 1 januari 2010 een aanvullende opschoning toe van de budgetten van de instellingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026198&artikel=1&z=2009-07-30&g=2009-07-30) voor de opleidingen: - a. tot gezondheidszorgpsycholoog en tot psychotherapeut voor zover zij worden gerealiseerd in de geestelijke gezondheidszorg, in aanvulling op de structurele opschoning op grond van mijn [aanwijzing van 14 december 2007](https://wetten.over"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 29 augustus 2008, nr. CZ/TSZ-2873530, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake uitbreiding segment met vrije prijzen medisch specialistische zorg Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg zoals instellingen voor medisch specialistische zorg die bieden. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, met ingang van 1 januari 2009 beleidsregels vast. Artikel 2 De beleidsregels houden in dat met betrekking tot het in rekening brengen van de volgende zorg sprake is van een tarief waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is: - a. zorg gerelateerd aan diagnosecodes, zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0024503) bij deze aanwijzing, voor zover daarvoor prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld; - b. zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg dan wel medisch specialisten voor zover die niet als onderdeel van een diagnose behandelingscombinatie in rekening wordt gebracht: - 1. eerstelijnspsychologische zorg niet verricht door huisartsen; - 2. paramedische zorg zoals fysiotherapeuten die bieden; - 3. paramedische zorg zoals oefentherapeuten die bieden; - 4. dieetadvisering zoals diëtisten die bieden. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt het (kapitaallasten)budget van individuele instellingen neerwaarts bij, rekening houdend met de omvang van het segment met zorg waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is en die wordt aangeboden in instellingen voor medisch specialistische zorg. 2. De beleidsregels betreffende de dekking van het (kapitaallasten)budget van individuele instellingen hebben geen betrekking op zorg w"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 30 augustus 2011, MC-U-3078388, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake tarief- en budgetkorting curatieve geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *AWBZ:* [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. *instellingsbudget:* door de zorgautoriteit jaarlijks per instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vastgestelde aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters; - g. *dbc:* diagnose behandeling combinatie. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 4. tarief- en budgetkorting Voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030393&artikel=2&z=2011-09-06&g=2011-09-06) geldt per 1 januari 2012 een taakstelling van structureel € 222 miljoen (prijspeil 2011). De zorgautoriteit voert deze taakstelling uit door een generieke afslag op de dbc-tarieven in comb"},{"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn van 14 december 2015, kenmerk MC-U-876908-144681, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake wijziging van de tariefsoort abortushulpverlening aan niet Wlz-verzekerden Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op behandelingen gericht op het afbreken van een zwangerschap als bedoeld in de [Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396) welke worden geleverd door abortusklinieken aan personen die niet verzekerd zijn op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Tariefsoort De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2016 maximumtarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast voor de zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037417&artikel=1&z=2016-02-01&g=2016-02-01)."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 juli 2022, kenmerk 3383563-1031031-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake een bekostigingsexperiment Wlz-zorg in onderwijstijd Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *vast tarief:* een tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat door de zorgautoriteit is vastgesteld en waarvan niet kan worden afgeweken; - – *school:* uit ’s Rijkskas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - – *Wlz-zorg in onderwijstijd:* zorg gedurende onderwijstijd geleverd aan leerlingen met een Wlz-indicatiebesluit als bedoeld in [artikel 3.2.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3) die zijn ingeschreven bij een school; - – *modulair pakket thuis:* zorg geleverd in natura zoals geregeld in [artikel 3.3.2 eerste lid, onderdeel b van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2); - – *Wlz-sluittarief:* een vast tarief voor een geheel van prestaties, dat betrekking heeft op de totale overeengekomen en gerealiseerde productie van een zorgaanbieder en dat door de zorgautoriteit voor elke gebudgetteerde zorgaanbieder in de Wlz afzonderlijk kan worden vastgesteld; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanw"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 november 2023, kenmerk 3703138-1054933-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de verlenging van de geldigheidsduur van de transitieprestatie in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg tot en met 2025 artikel Enig In afwijking van het bepaalde in [artikel 6 van de aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, kenmerk 1795863-215660-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering nieuwe bekostiging voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044560&artikel=6)1Stcrt. 2020, 66990., stelt de zorgautoriteit voor de overgang naar de nieuwe bekostiging een tijdelijke transitieprestatie vast voor een periode van vier jaar: 2022, 2023, 2024 en 2025."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 november 2023, kenmerk 3709686-1054932-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de vaststelling van een tijdelijke prestatie cliëntgebonden coördinatie activiteiten Ketenveldnorm levensloopfunctie ggz/fz Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *cliëntgebonden coördinatie activiteiten Ketenveldnorm levensloopfunctie:* cliëntgebonden coördinatie activiteiten door een zorgaanbieder die voortkomen uit de Ketenveldnorm levensloopfunctie; - – *forensische zorg:* forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - – *ggz:* geestelijke gezondheidszorg; - – *geneeskundige ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - – *Ketenveldnorm levensloopfunctie:* de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg die overeenkomstig [artikel 11a van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11a) is opgenomen in het openbaar Register; - – *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de cliëntgebonden coördinatie activiteiten Ketenveldnorm le"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 11 oktober 2023, kenmerk 3702634-1054857-PZO, inzake het terugdraaien van de verwerking van coalitieakkoordmaatregelen over het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het meerjarig contracteren voor het jaar 2024 in de Wlz artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit geeft voor het jaar 2024 geen uitvoering aan de maatregelen ‘meerjarige contracten en budgetafspraken’ en ‘doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg’ uit het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst’1Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77. zoals beschreven in de aanwijzing van 22 juni 20232Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3604293–1049249-PZO, Stcrt. 2023, nr. 17290.."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3604293-1049249-PZO, inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - 1. *bandbreedtegrens:* bandbreedtegrens als bedoeld in [artikel 50, lid 2 onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - 2. *coalitieakkoord:* coalitieakkoord 2021–2025 ‘Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst’; - 3. *minister:* Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - 4. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 5. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - 6. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Opdracht De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2024 ter uitvoering van deze aanwijzing regels en of beleidsregels vast. Artikel 3. Tariefkorting meerjarige contracten met financiële afspraken en meerjarige contracteerruimte 1. Voor de volgende zzp en vpt-prestatiebeschrijvingen binnen de Wlz contracteerruimte 2024 geldt per 1 januari 2026 een structurele taakstelling van € 52 miljoen voor de gehandicaptenzorg en € 13 miljoen (prijspeil 2025) voor de langdurige geestelijke gezondheidzorg: gehandicaptenzorg: alle zzp- en vpt-prestaties inclusief en exclusief behandeling, inclusief en exclusief dagbesteding voor vg 1 t/m 8 (inclusief vg7+), lvg 1 t/m 5, sglvg 1, lg 1 t/m 7, zg-aud 1 t/m 4, zg-vis 1 t/m 5, de prestaties voor deeltijdverblijf en overbruggingszorg inbegrepen. langdurige geestelijke gezondheidszorg: alle zzp- en vpt-prestaties voor ggz-wonen (1 t/m 5), de prestaties voor deeltijdverblijf inbegrepen en alle zzp-prestaties voor ggz-b (1 t/m 7). 2. De zorgautoriteit voert deze jaarlijkse sect"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 17 juli 2023, kenmerk 3613517-1050013-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *DKDL model:* het Draagkracht Draaglast model; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *wijkverpleging:* verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10); - – *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op wijkverpleging. Artikel 3. Experiment cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2024 in een experiment voor bekostiging op basis van cliëntprofielen in de wijkverpleging. De zorgautoriteit hanteert hierbij: - • prestatiebeschrijvingen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal voor alleen het jaar 2024. Deze prestatiebeschrijvingen kennen een vrij tarief; - • prestatiebeschrijvingen op basis van cliëntprofielen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal. Deze prestatiebeschrijvingen kennen een vrij tarief; - • prestatiebeschrijvingen voor hoogcomplexe technische thuiszorg met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal. Deze prestatiebeschrijvingen kennen een vrij tarief. 2. Op grond van dit experiment krijgt een zorgaanbieder de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst met de zorgverzekeraar af te wijken van de reguliere prestaties en tarieven van wijkverpleging. 3. De zorgautoriteit behoudt expliciet de mogelijkheid"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 18 mei 2022, 3366568-1028982-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing voor het verschijnen ter zitting en zorg tijdens onvrijwillige opname op grond van de Wet Zorg en Dwang Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *minister:* Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wzd:* [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - – Het verschijnen ter zitting bij de rechter ten behoeve van het opleggen of verlengen van onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632): zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet. - – Zorg tijdens onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632): medisch noodzakelijk verblijf in verband met (generalistische) geneeskundige zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) (Bzv) tijdens onvrijwillige opname op grond van de Wzd. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven vast voor: - – het verschijnen ter zitting bij de rechter ten behoeve van het opleggen of verlengen van onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); - – de zorg tijdens onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). Artikel 4. Financieel kad"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 23 juni 2023, kenmerk 3599781-1048828-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing voor de tijdsinzet van diverse functionarissen betrokken bij het stappenplan op grond van de Wet zorg en dwang Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Wzd:* [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *prestatiebeschrijving:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *maximumtarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. - – *stappenplan:* het periodiek beoordelen van de inzet van onvrijwillige zorg bij een patiënt door betrokken functionarissen, zoals beschreven in de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de tijdsinzet van de diverse functionarissen die betrokken zijn bij het stappenplan op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) in de extramurale setting, voor zover dit zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) betreft, geleverd door de Wzd-functionaris, de deskundige van een andere discipline, de bij de zorg betrokken arts, de niet bij de zorg betrokken deskundige en de onafhankelijke deskundige. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 ja"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, van 30 augustus 2023, kenmerk 3636527-1051016-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de vaststelling van een prestatie consultatiefunctie ggz met een vrij tarief in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *consultatiefunctie ggz:* rechtstreekse consultatieve raadpleging tussen een professional uit het sociaal domein en een professional uit de geneeskundige ggz over een inwoner van 18 jaar of ouder die niet onder behandeling is in de geneeskundige ggz en in situaties waarbij geen sprake is van bemoeizorg; - – *ggz:* geestelijke gezondheidszorg; - – *geneeskundige ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - – *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *sociaal domein:* maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de [Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733), jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering als bedoeld in de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), schuldhulpverlening als bedoeld in de [Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331) of op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - – *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel="},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg 19 november 2019, kenmerk 1613272-198762-PZo op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de coördinatiefunctie verblijf Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *coördinatiefunctie verblijf:* functie tenminste bestaande uit: - ○ triage, - ○ 24/7 bereikbaarheid en inzicht in beschikbare capaciteit van verblijfsmogelijkheden, - ○ monitoring en evaluatie van de uitoefening van de functie en - ○ kwaliteit- en effectmeting regionale coördinatiefunctie; - – *eerstelijnsverblijf:* zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met zorg zoals huisartsen plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging en verzorging of paramedische zorg. - – *prestatiebeschrijving:* beschrijving, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *triage:* het sorteren en classificeren (indelen) van de aangemelde patiënt met als doel de aard en de urgentie van de zorgbehoefte en de passende (zorg)setting te bepalen. Het betreft een professionele afweging op grond van de actuele zorgvraag, de prognose en de situatie van de patiënt, waarbij naast gebruikmaking van het triageprotocol en beschikbaarheid van relevante kennis en vaardigheden de coördinatiefunctie zeven dagen in de week minimaal tot 22.00 uur toegang heeft tot een intercollegiaal consult van de specialist ouderengeneeskunde als aanvullende expertise nodig is voor de triage; - – *vrij tarief:* tarief, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit. Artikel 2. opdrachtverlen"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 10 december 2018, kenmerk 1453331-184685-PZo op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake het experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing eerstelijnsverblijf Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met zorg zoals huisartsen plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging en verzorging of paramedische zorg. Artikel 2. Experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2019 in een experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing. 2. Op grond van dit experiment krijgen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst af te wijken van de reguliere bekostiging voor eerstelijnsverblijf. 3. Voor het experiment geldt een vrij tarief. 4. Het bepaalde in [artikel 35, eerste lid, onder c en d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) is niet van toepassing op een prestatiebeschrijving die een zorgaanbieder en zorgverzekeraar die deelnemen aan het experiment zijn overeengekomen. 5. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een regelluwe uitvoering van het experiment door ambtshalve landelijk één algemene prestatiebeschrijving voor de experimentprestatie vast te stellen, die in rekening mag worden gebracht onder de voorwaarde dat er sprake is van een overeenkomst tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. 6. Wanneer de Nederlandse Zorgautoriteit het niet langer verantwoord vindt een experiment onveranderd voort te zetten, laat zij mij dat onmiddellijk weten en zal ik het experiment zo nodig stopzetten. 7. Het experiment eindigt wanneer de nieuwe bekostiging voor eerstelijnsverblijf in werking treedt."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 10 maart 2020, kenmerk 1642169-201362-CZ, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - − *aanwijzing:* [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611) (Staatscourant 2019, nr. 53867); - − *academische zorg:* zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - − *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - − *bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit; - − *convenant:* convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen; - − *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - − *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2 1. De zorgautoriteit verleent een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze ambtshalve vast voor kapitaallasten in verband met academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg van universitair medische centra. 2. De zorgautoriteit dient bij de berekening van de hoogte van de kapitaallasten voor academische zorg voor universitair medische centra en de verlening en vaststelling van een beschikbaarheidbijdrage uit te gaan van de geprognosticeerde investeringen voor kapitaallasten in het kader van het convenant en die aansluiten op de hervorming van de beschikbaarheidbijdrage voor academische zorg voor medische specialistische zorg als bedoeld in mijn [aanwijzing van 25 september 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 13 november 2020, kenmerk 1776599-213723-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing ambulancezorg - Amsterdam Medical Services en de prestatie onderlinge dienstverlening Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *regionale ambulancevoorziening;* Regionale Ambulancevoorziening zoals genoemd in [artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ambulancezorg verleend door of vanwege de Regionale Ambulancevoorziening en door een zorgaanbieder vanaf Schiphol. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2021 de prestatiebeschrijving onderlinge dienstverlening met een vrij tarief vast."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 19 april 2024, kenmerk 3805336-1064180-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment bekostiging van patiëntengroepsgebonden afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *Minister:* de Minister voor Medische Zorg; - b) *patiëntengroepsgebonden afstemming:* afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden, niet zijnde voor individuele verzekerden; - c) *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - e) *zorgaanbieder:* - i. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - ii. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder i; - f) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op samenwerking tussen zorgaanbieders, voor zover het patiëntengroepsgebonden afstemming betreft en direct ten dienste staat van een of meerdere zorgvormen onder de aanspraken van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. Experiment patiëntengroepsgebonden afstemming De zorgautoriteit voorziet op grond van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) met ingang van 1 mei 2024 in een experiment voor"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, kenmerk 1677978-204496-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *coronavirus:* SARS – COV-2 – virus, het severe acute respiratory syndrome coronavirus 2; - – *macrobeheersinstrument:* het systeem van macrogrenzen als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en de daarop ambtshalve per individuele zorgaanbieder afzonderlijk vastgestelde individuele bovengrenzen en de eventueel daarop volgende afdracht aan het Zorgverzekeringsfonds bij gezamenlijke overschrijding van de voor de desbetreffende zorg vastgestelde macrogrens; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), met uitzondering van zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), voor zover tarief- en prestatieregulering van toepassing is op deze zorg. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven 1. De zorgautoriteit stelt een prestatiebeschrijving vast voor een continuïteitsbijdrage. 2. De zorgautoriteit stelt een prestatiebeschrijving vast voor de meerkosten die een zorgaanbieder maakt voor een individuele verzekerde, voor een groep verzekerden, of voor justitiabelen met een forensische zorgtitel als gevolg van het coronavirus. 3. Voor de prestatiebeschrijvingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt een vrij tarief. Artikel 4. Opdracht 1. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van dez"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 25 juni 2020, kenmerk 1662538-203164-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake aanvulling beschikbaarheidbijdrage in verband met perfusie bij orgaanuitname Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *beschikbaar:* tijdig aanwezig zijn op de locatie waar de uitname van organen door het uitnameteam plaats moet vinden zodat de organen na uitname voor transplantatiedoeleinden kunnen worden gebruikt; - – *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *Bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *minister:* minister voor Medische Zorg; - – *verstrekken:* verlenen en vaststellen; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zelfstandig uitnameteam:* speciaal team als bedoeld in onder deel B, onder 3, sub a, van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Deze treden in werking met ingang van 2021. Artikel 3. reikwijdte Deze aanwijzing is van toepassing op het verstrekken van een beschikbaarheidbijdrage voor de inzet van zelfstandig uitnameteams ten behoeve van post mortem orgaanuitname bij donoren als bedoeld in onderdeel B, onder 3, sub a, van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 4. aanvullingen beschikbaarheidbijdrage 1. Tot de kosten voor personeel bedoeld in [artikel 4 van de Aanwijzing post mortem orgaanuitname bij donoren 2018](https://wetten.overhe"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 juni 2018, kenmerk 1342565-176534-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering van prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven voor de Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI) artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2019 voor de Gecombineerde Leefstijl Interventie prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven vast."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 juni 2018, kenmerk 1355023-177350-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2019 en verder Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten, ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en [onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de bijlage bij dat besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 2. verstrekken beschikbaarheidbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit verstrekt jaarlijks beschikbaarheidbijdragen op basis van de verdeelplannen en opleidingsoverzichten die gelden in het desbetreffende jaar vanaf 2019 voor activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116&artikel=1&z=2018-09-01&g=2018-09-01) door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij neemt bij de berekening van de beschikbaarheidbijdragen de bedragen genoemd onder [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116&artikel=3&z=2018-09-01&g=2018-09-01) als uitgangspunt. Artikel 3. hoogte bedragen per fte in 2019 en verder (prijspeil 2017) | Vervolgopleiding | Academische ziekenhuizen | Algemene ziekenhuizen | | | | --- | --- | --- | --- | --- | | Anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, kaakchirurgie, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie in ziekenhuiszorg, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, nucleaire geneeskunde, obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthodontie, orthopedie, pathologie"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 maart 2018, kenmerk 1289880-172830-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering facultatieve prestatie met een vrij tarief voor eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2019 voor de eerstelijnsdiagnostiek binnen de overige zorgproducten in de medisch specialistische zorg, vrije tarieven vast voor de prestatiebeschrijvingen die op gezamenlijk verzoek van de zorgaanbieder en zorgverzekeraar worden aangevraagd."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 oktober 2020, kenmerk 1766434-212847-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van een facultatieve prestatie met een vrij tarief in de medisch specialistische zorg Artikel 1. Definities - *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 2. Werkingssfeer 1. Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), voor zover tarief- en prestatieregulering als bedoeld in de [artikelen 50 tot en met 56 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) van toepassing is op deze zorg. 2. Deze aanwijzing is van toepassing op mondzorg zoals omschreven bij of krachtens [artikel 2.7 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.7), voor zover deze wordt geleverd door kaakchirurgen. 3. Deze aanwijzing is niet van toepassing op gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg, generalistische basis-ggz en forensische zorg. Artikel 3. Opdracht 1. De zorgautoriteit voorziet in haar beleidsregels betreffende de medisch specialistische zorg in de mogelijkheid facultatieve prestaties aan te vragen. 2. De facultatieve prestatie wordt door de zorgautoriteit vastgesteld op gezamenlijk verzoe"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 29 juni 2020, kenmerk 1708250-207156-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de resterende overheveling van de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *eerstelijnsverblijf:* zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, zoals huisartsen en klinisch-psychologen die plegen te bieden en paramedische zorg, al dan niet gepaard gaande met verpleging of verzorging; - – *fysio- en oefentherapie:* paramedische zorg zoals fysiotherapeuten en oefentherapeuten die plegen te bieden; - – *geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen:* generalistische geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen in de eerste lijn als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet; - – *geriatrische revalidatiezorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - – *macrobeheersinstrument:* het systeem van macrogrenzen als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en de daarop ambtshalve per individuele zorgaanbieder afzonderlijk vastgestelde individuele bovengrenzen en de eventueel daarop volgende afdracht aan het Zorgverzekeringsfonds bij gezamenlijke overschrijding van de voor de desbetreffende zorg vastgestelde macrogrens; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *zorg zoals klinisch-psychologen die plegen te bieden:* zorg zoals klinisch-psychologen die plegen te bieden als oms"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 3 juli 2019, kenmerk 1549124-192760-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de gefaseerde overheveling van de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *eerstelijnsverblijf:* zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg; - b. *geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen:* zorg zoals specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten die plegen te bieden bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). - c. *geriatrische revalidatiezorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - d. *maximumtarief:* bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - e. *minister:* minister voor Medische Zorg; - f. *prestatiebeschrijving:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - g. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - h. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - i. *zorg zoals huisartsen die plegen te bieden:* zorg als bedoeld in [artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Artikel 2. Werkingssfee"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 4 juni 2021, kenmerk 2369290-1009887-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de medische verklaring onder de Wet zorg en dwang Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Medische verklaring:* medische verklaring als bedoeld in de [Wet zorg en dwang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). - – *Wet zorg en dwang:* [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De Zorgautoriteit stelt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 een prestatiebeschrijving met een maximumtarief vast voor het opstellen van een medische verklaring. Artikel 4. Financieel kader en macrobeheersbaarheid Vanaf 1 januari 2022 is het macrobeheersinstrument voor eerstelijnsverblijf, geriatrische revalidatiezorg en geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen1Stcrt. 2016, 36919 van toepassing op de uitgaven voor de medische verklaring."},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 6 juli 2020, kenmerk 1713658-207569-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - – *bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *medische vervolgopleiding tot verslavingsarts:* activiteiten, ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en onderdeel B, onderdeel 1, subonderdeel a onder 4, van de [bijlage bij het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – *uitname:* chirurgische werkzaamheden vanaf de eerste incisie tot en met het transporteren van weefsel; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - – opleidingen als bedoeld in onderdeel B, onderdeel 1, subonderdeel a, onder 4 van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – post mortem uitname bij donoren als bedoeld in onderdeel B, onderdeel 3 van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - – zorg door mobiel medische teams als bedoeld in onderdeel B, onderdeel 6 van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Opdrachtverlening Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit waar nodig regels en beleidsregels vast, nadat het besluit houdende wijziging van het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) met betrekking tot opleidingen, post mortem o"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 28 juni 2024, kenmerk 3861777-1067529-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de modulaire bekostiging van ziekenhuisopleidingen via de beschikbaarheidbijdrage Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *beschikbaarheidbijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b) *besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c) *bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - d) *CZO:* College Zorgopleidingen; - e) *EPA:* entrustable professional activity; - f) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten verricht ten behoeve van ziekenhuisopleidingen als bedoeld in onderdeel B, aanhef, onder 1, sub c, en onderdeel C van de [Bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). Artikel 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage 1. De zorgautoriteit verstrekt jaarlijks beschikbaarheidbijdragen voor activiteiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049938&artikel=2&z=2024-07-08&g=2024-07-08) door daartoe erkende zorgaanbieders. 2. De beschikbaarheidbijdrage wordt per kalenderjaar verstrekt, op basis van de EPA’s waarvoor een certificaat in dat kalenderjaar is afgegeven door het CZO. 3. De zorgautoriteit kan bevoorschotting toepassen. Artikel 4. Opdracht 1. De zorgautoriteit stelt ter uitvo"},{"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg, van 12 maart 2019, kenmerk 1493202-187870-PZO op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake het vrijgeven van tarieven van eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg artikel Enig De NZa hanteert per 1 januari 2020 vrije tarieven, als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) voor de eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van 19 december 2008, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. CZ/EKZ-2901559, houdende op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering vrije prijsvorming dieetadvisering Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op extramurale dieetadvisering zoals deze wordt aangeboden door zorgaanbieders die zijn toegelaten voor de functie(s) persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Niet van toepassing is de aanwijzing op zorg voor zover deze bekostigd wordt via zorgzwaartepakketen Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels op. Artikel 2 De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2009 prestatiebeschrijvingen vast voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025143&artikel=1&z=2009-01-08&g=2009-01-08) bedoelde zorg. Met ingang van 1 januari 2009 gelden voor zorg als bedoeld in het eerste lid vrije tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 2013, nr. MC-132621-106922, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake verlengen bekostigingswijze ADL-assistentie artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) voorziet erin dat de bekostiging van ADL-assistentie met ingang van 1 januari 2014 kan blijven plaatsvinden op dezelfde voet als aangegeven in de [Aanwijzing van 25 oktober 2011 inzake de bekostiging van ADL-assistentie 2012-2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030585) (Stcrt. 2011, 19623)."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 januari 2013, kenmerk Z- 3146008, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2013 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2013 € 169,283 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2012, terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 2025, kenmerk 4153676-1085457-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake wijziging van de aanwijzing inzake taakstelling meerjarig contracteren sector gehandicaptenzorg en langdurige ggz in verband met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en terugdraaien voor het jaar 2026 Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing taakstellingen Wlz 2024:* [Aanwijzing van 14 juni 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323), 3604293-1049249-PZO, inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz;1Aanwijzing van de Minister voor langdurige zorg en Sport van 14 juni 2023, Stcrt. 2023, nr. 17290. - – *HLO:* Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg; - – *maximumtarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *vpt:* prestatiebeschrijving volledig pakket thuis; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *zzp:* prestatiebeschrijving zorgzwaartepakket. Artikel 2. Opdracht *Wijzigt de Aanwijzing verwerking taakstellingen coalitieakkoord voor 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz.* Artikel 3. Inwerkingtreding Deze aanwijzing treedt per 1 januari 2026 in werking. Artikel 4. Geen uitvoering 2026 De zorgautoriteit geeft voor het jaar 2026 geen uitvoering aan het eerste lid van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051277&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze aanwijzing. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door p"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2015, 762476-136223-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake vervoer bij intensieve kindzorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 maximumtarieven vast voor ziekenvervoer van kinderen anders dan via een ambulance in het kader van intensieve kindzorg. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2024, kenmerk 3973517-1072562-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het bekostigingsexperiment fysio- en oefentherapie bij COPD Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *COPD in stadium II of hoger van de GOLD Classificatie:* *chronic obstructive pulmonary disease* in stadium II of hoger van de *Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease Classificatie voor spirometry*; - b) *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - c) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d) *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op gesuperviseerde oefentherapie voor patiënten met COPD in stadium II of hoger van de GOLD Classificatieop grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. Opdracht experiment De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2025 in een experiment voor de bekostiging van gesuperviseerde oefentherapie voor patiënten met COPD in stadium II of hoger van de GOLD Classificatie op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 4. Uitgangspunten experiment 1. Doel van het experiment is om door middel van prestatiebeschrijvingen met zorgbundels per patiënt te onderzoeken of bundelbekostiging leidt tot meer passende zorg in termen van betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit. 2. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2025 prestatiebeschrijvingen met een vrij tarief vast voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050320&artikel=2&z=2024-12-01&g=2024-12-01) bedoelde zorg. 3. D"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2017, kenmerk MC-U-165504, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake vereenvoudiging NZa procedures en wijziging tariefsoort van vast naar maximum Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *de Wlz:* de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg zoals geregeld bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), welke wordt geleverd in natura zoals geregeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) en voor zover deze zorg bekostigd wordt uit de contracteerruimte die de Minister van VWS jaarlijks vaststelt op grond van [artikel 49e van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e). Artikel 3. Opdracht Vanaf 1 januari 2018 verlicht de zorgautoriteit de regeldruk voor zorgaanbieders door maximumtarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast te stellen voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039804&artikel=2&z=2017-09-01&g=2017-09-01). Artikel 4. Uitzondering De zorgautoriteit hanteert een prestatiebeschrijving met een vast tarief voor de toeslag voor cliënten met zorgzwaartepakket VV4 tot en met VV10 om een zinvolle dagbesteding te geven en om de deskundigheid van personeel te versterken."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg nr. MC-U-3117725 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *het Experiment regelarme instellingen:* het experiment zoals beschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 december 2011 en de daarbij behorende bijlagen (Kamerstukken II 2011/12, 31 765, nr. 53); - d. *een experiment:* een individueel experiment in het kader van het Experiment regelarme instellingen, zoals nader gedefinieerd door de deelnemende zorgaanbieder en door mij medegedeeld aan de zorgautoriteit. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld bij of krachtens [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt met toepassing van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) in het kader van het Experiment regelarme instellingen waar nodig regels of beleidsregels vast, zo nodig met terugwerkende kracht. Artikel 4. uitgangspunten 1. De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van regels of beleidsregels als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031774&artikel=3&z=2012-09-01&g=2012-09-01) de volgende uitgangspunten in acht: - a. personen aan wie zorg wordt verleend komen door een experiment niet in een nadeliger positie te verkeren, dan wanneer het experiment niet zou plaatsvinden; - b. een zorgaanbieder kan geen beroep doen op extra financiële middelen in verband met deelname aan het Experiment regelarme instellingen. 2. De zorgautorite"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 augustus 2024, kenmerk 3871925-1068062-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg Artikel 1. Definities - – *Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties:* [Aanwijzing van 9 oktober 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048769), 3696063-1053658-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties; - – *Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wlz:* Aanwijzing van 13 augustus 2024, 3871925-1068062-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg; - – *AZWA:* Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord; - – *beoordelingskader:* Beoordelingskader Impactvolle zorgtransformaties en inzet transformatiemiddelen. Bijlage bij *Kamerstukken II* 2022/23, 31 765, nr. 704; - – *overig ventiel:* het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via zorgverzekeraars of zorgkantoren worden gefinancierd; - – *ventiel:* het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via de zorgverzekeraars worden gefinancierd, maar op een andere manier worden gealloceerd; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *Zvw:* [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of overige diensten als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2). Artikel 3. Prestaties voor impactvolle"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2010, nr. Z/F-3037475, houdende tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2010 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010) Artikel 1 Voor het jaar 2010 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 3,371 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren en het CAK leggen in hun jaarrekening over het jaar 2010 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de AWBZ is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2010 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2010. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 12 december 2010, terug tot en met 13 december 2010. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2013, 119252-104109-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake verlenging van het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg artikel Enig In afwijking van [artikel 5 van de Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031774&artikel=5), nr. MC-U-3117725 (Stcrt. 2012, 13948), eindigt een experiment als bedoeld in die aanwijzing uiterlijk met ingang van 1 januari 2015."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2025, kenmerk 4063416-1079243-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostigingsexperiment tijdelijk verblijf en ambulante geriatrische revalidatiezorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *ambulante geriatrische revalidatiezorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c), voor zover niet gepaard gaande met verblijf als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) van dat besluit; - b) *eerstelijnsverblijf:* verblijf als bedoeld in [artikel 2.12 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met de geneeskundige zorg, bedoeld in [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), voor zover het gaat om zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg; - c) *geriatrische revalidatiezorg:* zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - d) *maximumtarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - e) *psychologische zorg binnen het eerstelijnsverblijf:* zorg verleend door gedragsdeskundigen aan patiënten tijdens het verblijf, passende bij de indicatie verblijf, op verzoek van de huisarts, specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten of medisch specialist. Deze zorg valt onder de Zvw-prestatie 'zorg zoals klinisch psychologen die plegen te bieden', en wordt geleverd aan patiënten met (een vermoeden van) gedragsmatige en/of cognitieve problematiek, en niet zijnde (specialistische)"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2010, nr. Z/F-3038646, tot aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2011 € 206,484 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 12 december 2010, terug tot en met 13 december 2010. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, 1795863-215660-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering nieuwe bekostiging voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz) Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *forensische zorg:* forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1., tweede lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - – *geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet (Zvw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - – *maximumtarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening kan worden gebracht; - – *prestatie:* prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - – *staatssecretaris:* staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - – geneeskundige geestelijke gezondheidszorg; - – forensische zorg. De Minister van Veiligheid en Justitie wordt met een ziektekostenverzekeraar gelijkgesteld, voor zover het de inkoop van forensische zorg betreft. Artikel 3. Opdracht De zorgau"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, kenmerk 1713813-207587-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostigingsexperiment vermindering administratieve lasten tijdschrijven ggz/fz Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *Beroepentabel:* tabel waarin beroepsgroepen zijn opgenomen van zorgaanbieders die bevoegd en bekwaam zijn om een rol te vervullen in de behandeling van patiënten in de ggz en fz; - – *directe tijd:* tijd waarin de zorgaanbieder direct contact heeft met de patiënt of diens naasten; - – *forensische zorg:* forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1., tweede lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - – *gespecialiseerde ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet (Zvw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), niet zijnde generalistische basis-ggz; - – *indirecte tijd:* tijd waarin de zorgaanbieder geen direct contact heeft met de patiënt of diens naasten; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - – gespecialiseerde ggz; - – forensische zorg. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit voorziet op zo kort mogelijke termijn in een experiment vermindering administratieve lasten tijdschrijven ggz/fz. Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044556&artikel=3&z=2020-12-22&g=2020-12-22) de volgende uitgangspunten in acht: - a. Doel van het experiment is om administratieve lasten te redu"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2009, nr. Z/F-2964408, tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2009 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009) Artikel 1 Voor het jaar 2009 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 14,639 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2009 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de AWBZ is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening toegevoegd aan de primo stand wettelijke reserve AWBZ 2009 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2009. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 13 december 2009, terug tot en met 14 december 2009. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2009, nr. Z/F-2974504, tot aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2010 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2010 € 207,824 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 13 december 2009, terug tot en met 14 december 2009. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2014, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Artikel 1 Voor het jaar 2014 is voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 45,012 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034697&artikel=1). Artikel 2 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1&z=2014-12-30&g=2014-12-30), wordt aan verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,000 miljoen beschikbaar gesteld voor de kosten die de wettelijke opvolgers van verbindingskantoren moeten maken op grond van een sociaal plan voor medewerkers van wie als gevolg van de invoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) het vaste dienstverband per 1 januari 2015 wordt beëindigd. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per verbindingskantoor vergoed. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1&z=2014-12-30&g=2014-12-30), wordt aan verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,400 miljoen beschikbaar gesteld voor kosten die na 2014 worden gemaakt en toe te schrijven zijn aan de afwikkeling van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). De kosten worden naar werkelijke kosten en na"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 januari 2014, kenmerk 178661-114563-Z, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2014 € 173,875 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2013, terug tot en met 1 januari 2014. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 januari 2014, kenmerk Z-178400-114504, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2013 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013) Artikel 1 Voor het jaar 2013 is voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 2,769 miljoen minder beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032800&artikel=1). Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2013 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2013 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2013. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 8 december 2013, terug tot en met 9 december 2013. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2009, nr. DLZ/SFI-2936670, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, houdende aanvulling van de aanwijzing inzake invoering prestatiebekostiging in de intramurale langdurige zorg op grond van zorgzwaartepakketten, in verband met uitbreiding van SGLVG-verblijfplaatsen artikel Enig Voor het maken van productieafspraken voor 2009 voor zorg met verblijf voor sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten op verblijfplaatsen die ten behoeve van die categorie van gehandicapten na 30 juni 2009 zijn toegelaten op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) zijn extra financiële middelen tot ten hoogste € 47 miljoen beschikbaar. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels op die voor zover nodig terugwerken tot 1 juli 2009."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2024, kenmerk 3968506-1071223-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de wijziging van het experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *Aanwijzing experiment wijkverpleging:* [Aanwijzing experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het DKDLmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443) 1 Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 17 juli 2023, Stcrt. 2023, nr. 20725.; - b) *zorgautoriteit:* Nederlandse zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 2. Opdracht 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 3, eerste lid, van de Aanwijzing experiment wijkverpleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443&artikel=3) hanteert de zorgautoriteit de prestatiebeschrijvingen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal gedurende de gehele looptijd van het experiment. 2. In afwijking van het bepaalde in [artikel 3, eerste lid, van de Aanwijzing experiment wijkverpleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443&artikel=3) hanteert de zorgautoriteit niet langer de prestatiebeschrijvingen op basis van cliëntprofielen met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal of de prestatiebeschrijvingen voor hoog complexe technische thuiszorg met bepaalde tijdseenheden van onder meer een uur, dag, week, maand en kwartaal. 3. In afwijking van het bepaalde in[artikel 4, onder a, van de Aanwijzing experiment wijkverpleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443&artikel=4) geldt als primair doel van het experiment dat"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2007, DLZ-U-2817082, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake Contracteerruimte AWBZ 2008 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop in gevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, waar nodig regels en beleidsregels op. Artikel 2 Voor het jaar 2008 stelt de zorgautoriteit de totale contracteerruimte en een maximale contracteerruimte per zorgkantoorregio vast voor zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023008&artikel=1&z=2007-12-13&g=2007-12-13). De totale contracteerruimte is het bedrag, dat maximaal beschikbaar is voor het maken van de voor toetsing relevante productieafspraken tussen zorgkantoren en zorgaanbieders. De contracteerruimte per zorgkantoorregio is een aan een zorgkantoor toegerekend aandeel in de totale contracteerruimte. De in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023008&artikel=5&z=2007-12-13&g=2007-12-13) van deze aanwijzing geoormerkte gelden behoren niet tot de contracteerruimte. Artikel 3 De zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2008 via eenzelfde systematiek als ook voor de jaren 2005, 2006 en 2007 is toegepast. De totale contracteerruimte voor 2008 berekent de zorgautoriteit als volgt: - 1. Startpunt is de som van de totale gehonoreerde productieafspraken ten laste van de contracteerruimte 2007 exclusief de in 2007 gehonoreerde knelpunten en de niet benutte contracteerruimte over het jaar 2007. De productieafspraken betrekking hebbend op de in de loop van 2007 in gebruik genomen of uitgebreide intramurale capaciteit worden hieraan op jaarbasis toegevoegd. - 2. Het bedrag voorvloeiend uit het startpunt bedoeld in onderdeel 1 wordt verhoogd met de volgende bedr"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2013, kenmerk 171319-113432-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2014 en enkele andere aangelegenheden Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (hierna: AWBZ) aanspraak bestaat. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig voor 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. Paragraaf 2. Contracteerruimte 2014 Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2014 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2013 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2013 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld, waaronder mede begrepen de niet-benutte contracteerruimte 2013. 2. Onder de contracteerruimte 2014 wordt ook begrepen de € 25 miljoen extra middelen in verband met aanpassing van de tarieven vervoer, waarmee de contracteerruimte 2013 incidenteel werd verhoogd. 3. Wat betreft de kapitaallasten vallen de normatieve huisvestingscomponenten (hierna: nhc's), net als in 2013, binnen de contracteerruimte met inachtneming van de door de zorgautoriteit ontworpen overgangsregeling. Het totaal van de nhc’s binnen de contracteerruimte komt hiermee in 2014 op 30 procent van de nhc-bedragen. Artikel 3. verlaging contracteerruimte 2014 De zorgautoriteit verlaagt de met toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034228&paragraaf=2&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) berekende contracteerruimte met de volgende bedragen: - a. € 265 miljoen vanwege het beschikbaar houden van dagbesteding. De korting wordt voor 2014 verdeeld over de zorgkantoorregio’s"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2015, kenmerk 871366-144220-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging en beheersing van meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de uitbreiding van de meerzorg naar verpleging en verzorging en de geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) per 1 januari 2016. Artikel 2. prestaties en tarieven De Nederlandse zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2016 vaste tarieven en prestatiebeschrijvingen vast. Artikel 3. vereffeningbedrag De Nederlandse zorgautoriteit past ambtshalve een vereffeningbedrag toe als bedoeld in [artikel 56b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b). Artikel 4. financiële gevolgen De Nederlandse zorgautoriteit voert de uitbreiding van meerzorg budgettair neutraal uit."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 september 2016, 990524-153134-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake experimenten persoonsvolgende inkoop Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *de Wlz:* de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - c. *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *de regio:* de regio als bedoeld in [artikel 4.2.4 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en [artikel 4.2.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.1). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing heeft betrekking op zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1), voor zover deze zorg niet wordt geleverd op basis van een persoonsgebonden budget zoals bedoeld in [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3. Opdracht 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2017 in regelgeving voor een experiment persoonsvolgende inkoop. 2. Het experiment ziet op de regio Rotterdam voor zover het gaat om bekostigingsprestaties die samenhangen met zorgprofielen voor gehandicaptenzorg en de regio Zuid-Limburg voor zover het gaat om bekostigingsprestaties die samenhangen met zorgprofielen voor verpleging en verzorging. 3. Alle zorgaanbieders en Wlz-uitvoerders in de in het tweede lid genoemde regio’s nemen deel aan het experiment. Artikel 4. Administratieve lasten Het experiment kan ook zien op de bekostigingsprestaties voor consumenten die zijn geïndiceerd met een zorgprofiel uit een andere sector dan genoemd in [artikel 3, tweede lid](h"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 april 2017, kenmerk 1123133-163202-MC houdende wijziging personele eisen beschikbaarheidbijdrage SEH artsen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - d. *bijlage:* [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971); - e. *verstrekken:* verlenen en vaststellen; - f. *SEH:* spoedeisende hulp; - g. *KNMG:* Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op spoedeisende hulp als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), waarbij op een in die bijlage bedoelde afdeling SEH 7x24 uur minimaal één door de KNMG geregistreerde SEH-arts of één arts SEH en één SEH-verpleegkundige aanwezig is. Artikel 3. opdrachtverlening De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels of beleidsregels vast. Artikel 4. spoedeisende hulp De zorgautoriteit verstrekt een beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971), uitsluitend onder de voorwaarde dat die bijdrage tot doel heeft een dreigende verslechtering in de bereikbaarheid te voorkomen ten opzichte van de in 2013 bestaande landelijke situatie, uitgaande van gevoeligheid voor de zogenaamde 45-minuten bereikbaarheidsnorm als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7 van de bijlage. Artikel 5. terugwerkende kracht Deze aanwijzing treedt terstond in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2013."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2013, kenmerk 160023-111761-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake correctie contracteerruimte AWBZ 2013 met betrekking tot geriatrische revalidatiezorg artikel Enig Het bedrag genoemd in [artikel 3, onder a, van de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032244&artikel=3) wordt verlaagd met € 38 miljoen tot € 660 miljoen."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 april 2013, kenmerk 112320-102565-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake aanvulling van de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013 in verband met tariefmaatregel vervoer dagbesteding specifieke groepen artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) verhoogt de op grond van de [Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032244) door haar berekende contracteerruimte voor 2013 met € 25 miljoen ten behoeve van de tarieven voor het in die aanwijzing bedoelde vervoer ten behoeve van de doelgroep kinderen en de doelgroep gehandicapte rolstoelgebonden cliënten. Zij onderzoekt welke eventuele knelpunten zich voordoen bij het vervoer voor deze doelgroepen en rapporteert mij hierover tijdig voor 1 september 2013."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 april 2016, kenmerk 961626-149797-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake proeftuinen meerzorg 2.0 Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - *de zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op meer zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1). Artikel 3. Opdracht en looptijd De zorgautoriteit voorziet, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015, in een experiment proeftuinen meerzorg 2.0 met een looptijd van maximaal drie jaar. Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037906&artikel=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) de volgende uitgangspunten in acht: - a. doel van het experiment is dat Wlz-uitvoerders, zorgaanbieders en het Centrum voor Consultatie en Expertise in gezamenlijkheid en in overleg met cliëntenvertegenwoordigers, streven naar een andere werkwijze bij de meerzorg die per saldo leidt tot een bredere (en daarmee wellicht betere) inzet van de middelen die beschikbaar zijn voor de meerzorg. - b. personen aan wie zorg wordt verleend komen door het experiment niet in een nadeliger positie te verkeren, dan wanneer het experiment niet zou plaatsvinden; - c. een zorgaanbieder kan geen beroep doen op extra financiële middelen in verband met deelname aan het experiment. Artikel 5. Informatie uitwisseling Indien de zorgautoriteit het niet langer verantwoord vindt het experiment onveranderd voort te zetten, laat zij mij dat onmiddellijk weten."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 juni 2020, kenmerk 1706559-206975 PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de vaststelling van prestatiebeschrijvingen en tarieven voor GGZ Wonen Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *ggz:* geestelijke gezondheidszorg; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg in natura als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) zoals deze gelden per 1 januari 2021 en voor zover sprake is van zorg aan cliënten met een indicatiebesluit voor een van de vijf zorgprofielen voor GGZ wonen. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2021 integrale en modulaire prestatiebeschrijvingen met een maximumtarief vast."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 2018, kenmerk 1309558-174219-CZ, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging acute psychiatrische hulpverlening Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *aanbieder:* degene die acute psychiatrische hulpverlening biedt; - – *acute psychiatrische hulpverlening:* hulpverlening die deel uitmaakt van de gespecialiseerde ggz en welke hulpverlening gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben bij wie snel (medisch) ingrijpen noodzakelijk is en de zorg bestaat uit de functies triage, beoordeling, beschikbaarheid (outreachende) ambulante crisisbehandeling tot maximaal 72 uur (inclusief beoordelingsruimte) en beschikbaarheid crisisbedden en opname tot maximaal 72 uur; - – *Generieke module Acute psychiatrie:* module waarin de inhoud en organisatie van hulpverlening wordt beschreven voor personen in een crisissituatie, waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben bij wie snel (medisch) ingrijpen noodzakelijk is, zoals die in maart 2017 is vastgesteld door het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz; - – *gespecialiseerde ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz; - – *vaste grens:* grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de acute psychiatrische hulpverlening. Artike"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2011, nr. Z/F-3091666, houdende tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Artikel 1 Voor het jaar 2011 zijn voor de beheerskosten[AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 2,049 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren en het CAK leggen in hun jaarrekening over het jaar 2011 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2011 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2011. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 4 december 2011, terug tot en met 5 december 2011. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2012, kenmerk Z-3141453, houdende tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2012 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012) Artikel 1 Voor het jaar 2012 zijn voor de beheerskosten [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), minder middelen besteedbaar ter grootte van € 4,130 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2012 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2012 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2012. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 25 november 2012, terug tot en met 26 november 2012. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2009, nr. DLZ/SFI-U-2968419, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake Contracteerruimte AWBZ 2010 Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. werkingssfeer 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. 2. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit waar nodig regels en beleidsregels vast. Hoofdstuk II. Financiële middelen Artikel 2. totale contracteerruimte De zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2010 via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2009 is toegepast. De zorgautoriteit berekent de totale contracteerruimte voor 2010 met inachtneming van de volgende onderdelen: - 1 *startpunt* Startpunt voor het bepalen van de totale contracteerruimte voor het jaar 2010 is 100% van de totale contracteerruimte voor het jaar 2009 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld, waaronder mede begrepen de niet-benutte contracteerruimte 2009. De extra middelen in verband met de doelmatige uitvoering AWBZ 2009, te weten 0,5% van de totale contracteerruimte anticiperend op de jaarlijkse onderuitputting, worden niet opgenomen in de contracteerruimte 2010. De productieafspraken betrekking hebbend op de in de loop van in 2009 nieuw in gebruik genomen of uitgebreide intramurale capaciteit worden aan het startpunt op jaarbasis toegevoegd. - 2 *verhoging contracteerruimte 2010* Het bedrag voorvloeiend uit het startpunt bedoeld in onderdeel 1 wordt *verhoogd* met de volgende bedragen: - a. € 30 miljoen, voor het verbeteren van de kwaliteit van de gehandicaptenzorg, te verrekenen in zorgzwaartepakket ZZP-5 tot en met ZZP-7 voor lichamelijk gehandicapten en in de ZZP-5 tot en met ZZP-7 voor verstandelijk gehandicapten; - b. € 235 miljoen, zijnde het restant van groeimiddelen als bedoeld in [artikel 3]("},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2008, nr. DLZ/SFI-2890287, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging in de intramurale langdurige zorg op grond van zorgzwaartepakketten Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit; - c. *intramurale zorgaanbieder:* instelling die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) is toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149); - d. *extramurale zorgaanbieder:* instelling die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) is toegelaten voor een of meer van de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149); - e. *MFC:* op grond van de [Wet zorginstellingen toegelaten instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) als Multifunctionele centra (MFC’s), die als samenwerkingsverband zorg bieden met verblijf en behandeling op het raakvlak van gehandicaptenzorg en kinder/ en jeugdpsychiatrie; - f. *KIB:* Klinieken voor Intensieve Behandeling in de geestelijke gezondheidszorg; - g. *budgetverzoek:* tariefverzoek van een intra- of extramurale zorgaanbieder of zorgkantoor op grond van het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 4.4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) ter vaststelling van de aanvaardba"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 november 2007, nr. DLZ/SFI-2817774, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake voorbereiding invoering zorgzwaartepakketten AWBZ 2009 Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en die wordt geleverd door instellingen die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Artikel 2 Deze aanwijzing strekt tot voorbereiding van de invoering van een bekostigingswijze op grond van zorgzwaartepakketten voor zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023018&artikel=1&z=2007-12-14&g=2007-12-14). De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, werkt voor zover mogelijk de bekostigingsprincipes uit in ontwerpen voor beleidsregels. Waar nodig stelt de zorgautoriteit regels vast. Artikel 3 De zorgautoriteit: - a. stelt ontwerp-prestatiebeschrijvingen vast voor te onderscheiden zorgzwaartepakketten; - b. stelt ontwerp-tarieven vast als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), die ten hoogste in rekening zouden mogen worden gebracht voor de prestatiebeschrijvingen als bedoeld onder a, verder te noemen ZZP-tarieven; - c. verplicht instellingen en AWBZ-verzekeraars gezamenlijk, volgens door de zorgautoriteit vastgestelde specificatie en tegelijkertijd met tussen hen gemaakte productieafspraken met betrekking tot het jaar 2008, aan te geven hoe die productieafspraken zouden hebben geluid, indien de prestatiebeschrijvingen en ZZP-tarieven, bedoeld onder a respectievelijk b,"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 maart 2015, kenmerk 702090-131223-Z, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2015 (Aanwijzing besteedbare middelen Wlz 2015) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2015 € 144,421 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036415&artikel=1&z=2015-03-18&g=2015-03-18) genoemde bedrag is € 69,281 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 75,140 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 2009, nr. DLZ/KZ-2974548, op grond van artikel 7 van de Wet Marktordening gezondheidszorg inzake het stimuleren van kleinschalige zorg met verblijf voor mensen met een psychogeriatrische aandoening Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *AWBZ:* de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. *beschermende woonomgeving:* een zelfstandige wooneenheid die - 1°. beschikt over één of meer privévertrekken voor ieder van de bewoners afzonderlijk, een gezamenlijke keuken, alsmede andere ruimte(n) waar men gezamenlijk kan verblijven, en - 2°. huisvesting biedt aan ten hoogste acht personen, en - 3°. gelegen is ‘binnen de muren’ van een instelling of daarbuiten ‘in de wijk’; - f. *locatie:* in de directe omgeving van elkaar gelegen zelfstandige wooneenheden ‘in de wijk’; - g. *kleinschalige zorg:* zorg als omschreven bij of krachtens de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) die wordt verleend aan personen met een psychogeriatrische aandoening met een indicatie voor een zorgzwaartepakket verpleging & verzorging 5 of hoger en die wordt geleverd in een beschermende woonomgeving; - h. *project kleinschalige zorg:* een project van een zorgaanbieder dat - 1°. is gericht op het omvormen van grootschalig georganiseerde zorg tot kleinschalige zorg, dan wel een project dat tot doel heeft nieuw kleinschalig zorgaanbod te creëren, en - 2°. start of is gestart in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011; - i. *Stimuleringsprogramma kleinschalige zorg:* het programm"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2025, kenmerk 4148261-1084926-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake tariefmaatregel samenhangend met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - – *bandbreedtetarief:* een bedrag dat ligt tussen of gelijk is aan het bedrag dat ten minste en het bedrag dat ten hoogste (bovengrens) als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *component voor niet-beïnvloedbare factoren:* prestaties met een component voor niet-beïnvloedbare factoren en een bandbreedtetarief die vallen onder de reikwijdte van de aanwijzing niet-beïnvloedbare factoren verpleeghuiszorg van 5 juli 2019 (Staatscourant 2019, 39108); - – *HLO:* Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg; - – *maximumtarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - – *vpt:* prestatiebeschrijving volledig pakket thuis; - – *V&V:* sector Verpleging en Verzorging; - – *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *zzp:* prestatiebeschrijving zorgzwaartepakket. Artikel 2. Opdracht De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2026 ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en waar nodig regels vast. Artikel 3. Tariefkorting in verband met financiële afspraken HLO 1. Binnen de Wlz contracteerruimte 2026 die de Minister van VWS vaststelt op grond van [artikel 49e van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e), geldt per 1 januari 2026 een tariefmaat"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2011, nr. Z/F-3081722, tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Artikel 1 Voor het jaar 2011 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 2,500 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 26 september 2011, terug tot en met 27 september 2011. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 mei 2008, MC-U-2847325 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake aanvulling procedure en uitbreiding van kortdurende kleinschalige experimenten met AWBZ-zorg Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - 1°. kortdurende kleinschalige experimenten: experimenten die: - a. een looptijd hebben van maximaal drie jaren; - b. gericht zijn op nieuwe of vernieuwde zorglevering met een betere prijs/kwaliteitsverhouding, op efficiënte zorgorganisatie waaronder mede begrepen substitutie van tweedelijnsgezondheidszorg naar eerstelijnsgezondheidszorg of op verbetering van kwaliteit van zorg voor de patiënt; - c. naar gelang hun doelstelling beperkt zijn tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, een of meerdere zorgaanbieders, een of meerdere ziektekostenverzekeraars of een beperkte regio; - d. niet tot gevolg hebben dat zorg waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a en b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening wordt gebracht, zorg wordt waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening kan worden gebracht en - e. per experiment zijn vastgelegd in een overeenkomst als bedoeld onder 2°. - 2°. experiment-overeenkomst: een tussen een of meer zorgaanbieders en een ziektekostenverzekeraar gesloten en door hen ondertekende overeenkomst waarin aard, inhoud en omvang van het door hen te houden kortdurend kleinschalig experiment is beschreven; - 3°. financieel kader: het landelijk financieel kader dat voor het jaar 2008 is vastgesteld in [artikel 5, onder 4, van de aanwijzing inzake Contracteerruimte AWBZ 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023008&artikel=5) (Stcrt. 2007, 249), en de kaders die telkens per jaar voor latere jaren ten behoeve van kortdurende klei"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 2019, kenmerk 1608564-198346-PZo inzake bekostigingsexperiment aanvullende beroepen ggz/fz Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a) *aanvullende beroepsbeoefenaar:* zorgverlener die onder supervisie van een regiebehandelaar gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg levert of onder supervisie forensische zorg levert en die de daarvoor ingezette tijd niet kan afleiden naar een Diagnose Behandelcombinatie, respectievelijk een Diagnose Behandel Beveiligingscombinatie; - b) *DBC:* Diagnose Behandelcombinatie; - c) *DBBC:* Diagnose Behandel Beveiligingscombinatie; - d) *forensische zorg:* zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1) (Wfz); - e) *gespecialiseerde ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz; - f) *wet:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g) *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - – gespecialiseerde ggz; - – forensische zorg. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit voorziet in 2019 in beleidsregels en regels ten behoeve van een bekostigingsexperiment aanvullende beroepen ggz/fz zoals bedoeld in [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58). Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042772&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01) de volgende uitgangspunten in acht: - a. Het bekostigingsex"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2016, kenmerk 1061321-159037-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van het schoonhouden van de woonruimte bij een modulair pakket thuis op grond van de Wet langdurige zorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2017 ook voor het modulair pakket thuis vaste tarieven en prestatiebeschrijvingen gelden voor het schoonhouden van de woonruimte, bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1)."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 februari 2009, nr. DLZ/KZ-U-2909122 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake experimenten in het kader van het Transitie Programma Langdurige Zorg Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. *TPLZ:* het Transitieprogramma Langdurige Zorg voortvloeiend uit het Convenant AWBZ 2005–2007; - e. *TPLZ-experiment:* een experiment te houden in het kader van het Transitieprogramma Langdurige Zorg dat: - 1. een looptijd heeft van maximaal drie jaren en uiterlijk op 31 december 2011 eindigt, - 2. gericht is op het bevorderen van de houdbaarheid van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) of op het helpen voldoen aan de toenemende zorgvraag, op een zodanige wijze dat de hele sector langdurige zorg de daarbij opgedane kennis en ervaring kan toepassen, - 3. naar gelang zijn doelstelling beperkt is tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, een of meerdere zorgaanbieders, een of meerdere ziektekostenverzekeraars dan wel een of meerdere regio’s, - 4. niet tot gevolg heeft dat zorg waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening wordt gebracht, zorg wordt waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening kan worden gebracht, - 5. is vastgelegd in een overeenkomst als bedoeld onder f van dit artikel, en - 6. als TPLZ-experiment is aangewezen door de minister bij besluit op grond v"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2015, kenmerk 776202-137545-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van verpleging en verzorging Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10). Artikel 2. Prestaties en tarieven De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2016 in een prestatie prestatiebeloning en in een prestatie regionale beschikbaarheidfunctie voor onplanbare zorg. Voor deze prestaties geldt een vrij tarief. Artikel 3. Experiment zorgvernieuwing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2016 in een experiment zorgvernieuwing. 2. Op grond van dit experiment krijgen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst af te wijken van de reguliere prestaties en tarieven verpleging en verzorging. 3. Voor het experiment geldt een vrij tarief. 4. Het bepaalde in [artikel 35, eerste lid, onder c en d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) is niet van toepassing op een prestatiebeschrijving die een zorgaanbieder en zorgverzekeraar die deelnemen aan het experiment zijn overeengekomen. 5. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een regelluwe uitvoering van het experiment door ambtshalve één landelijke experimentprestatiebeschikking vast te stellen, die in rekening mag worden gebracht onder de voorwaarde dat er sprake is van een overeenkomst tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. 6. Het experiment eindigt wanneer de nieuwe bekostiging voor verpleging en verzorging inwerking treedt."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2010, nr. DLZ/SFI-U-3030940, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake Contracteerruimte AWBZ 2011 Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Werkingssfeer 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. 2. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, waar nodig regels en beleidsregels vast. Hoofdstuk II. Financiële middelen Artikel 2. Totale contracteerruimte De zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2011 via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2010 is toegepast. De zorgautoriteit berekent de totale contracteerruimte voor 2011 met inachtneming van de volgende onderdelen: - 1. *startpunt* Startpunt voor het bepalen van de totale contracteerruimte voor het jaar 2011 is 100% van de totale contracteerruimte voor het jaar 2010 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld, waaronder mede begrepen de niet-benutte contracteerruimte 2010. De extra middelen in verband met de doelmatige uitvoering [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) 2010, te weten 0,5% van de totale contracteerruimte anticiperend op de jaarlijkse onderuitputting, worden niet opgenomen in de contracteerruimte 2011. De productieafspraken betrekking hebbend op de in de loop van in 2010 nieuw in gebruik genomen of uitgebreide intramurale capaciteit worden aan het startpunt op jaarbasis toegevoegd. - 2. *verhoging contracteerruimte* Het bedrag voorvloeiend uit het startpunt bedoeld in onderdeel 1 wordt *verhoogd* met de volgende bedragen: - a. € 340 miljoen, zijnde het restant van groeimiddelen als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029035&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2010-12-08&g=2010-12-08) dat beschikbaar is voor het maken van extra pr"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 19 januari 2012, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2012 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012) Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2012 € 175,479 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2011, terug tot en met 1 januari 2012. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3088152, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging ADL-assistentie 2012–2013 Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *zorgautoriteit:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *ADL-woning:* woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke sociale huurwoningen die tot stand zijn gekomen met behulp van subsidie uit de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten; - d. *ADL-assistentie:* gedurende het gehele etmaal direct oproepbare persoonlijke assistentie bij algemene dagelijkse levensverrichtingen in en om de ADL-woning; - e. *ADL-subsidieregeling:* [paragraaf 2.9 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.9), zoals die thans luidt. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ADL-assistentie waarop aanspraak bestaat op grond van het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149), zoals dat komt te luiden indien het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het [Uitvoeringsbesluit Wtzi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983) in verband met het treffen van een overgangregeling voor een tijdelijke aanspraak op ADL-assistentie tot besluit is verheven en in werking is getreden. Artikel 3. uitvoering aanwijzing De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing de nodige regels of beleidsregels vast, zo nodig met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012. Artikel 4. macrokader 1. Het macrokader voor ADL-assistentie voor 2012, onderscheidenlijk 2013, bedraagt ten hoogste € 76.884.000 (prijspeil 2011). D"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 december 2014, 699324-130782-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de invoering van de Wet langdurige zorg artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt vanaf de datum van inwerkingtreding van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (beleids)regels vast voor zorg als omschreven bij of krachtens deze wet."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 13 december 2011, nr. MC-U-3097188 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg houdende aanvulling van de aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2012 in verband met contractering zelfstandige zorgverleners Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op extramurale zorg waarop aanspraak bestaat op grond van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), indien en voor zover deze wordt verleend door zelfstandige zorgverleners. Onder een zelfstandige zorgverlener wordt in deze aanwijzing verstaan de natuurlijke persoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, sub 1°, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1), die in persoon buiten dienstbetrekking zorg verleent. Artikel 2. uitvoering De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast, zo nodig met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012. Artikel 3. landelijk kader Voor 2012 is, naast de Contracteerruimte AWBZ 2012, ten hoogste € 20 miljoen beschikbaar voor het inkopen van zorg door zorgkantoren bij zelfstandige zorgverleners. De zorgautoriteit hanteert dit bedrag als een landelijk kader, ten aanzien waarvan zij voor zoveel mogelijk op vergelijkbare wijze handelt als ten aanzien van de middelen bedoeld in [artikel 9 van mijn aanwijzing van 21 november 2011 inzake de contracteerruimte AWBZ 2012 en enkele andere aangelegenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030715&artikel=9) (Stcrt. 2011, 21600). Artikel 4. monitoring De zorgautoriteit informeert mij in ieder geval in mei 2012 over de ontwikkelingen in de contractering van zelfstandige zorgverleners en verder op die momenten dat dit dienstig is."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2012, MC-U-3140368, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2013 en enkele andere aangelegenheden Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (hierna: AWBZ) aanspraak bestaat. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig voor 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Paragraaf 2. Contracteerruimte 2013 Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2013 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2012 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2012 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld. 2. Wat betreft de kapitaallasten vallen de normatieve huisvestingscomponenten (hierna: nhc's), net als in 2012, binnen de contracteerruimte met inachtneming van de door de zorgautoriteit ontworpen overgangsregeling op grond van de [Aanwijzing van 12 juli 2011 inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282) (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd bij [Aanwijzing van 8 augustus 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282) (Stcrt. 2011, 16189). De zorgautoriteit berekent de extra middelen die hiervoor aan de contracteerruimte 2013 worden toegevoegd op basis van de nhc-bedragen per zorgzwaartepakket. In 2013 gaat het op grond van de bedoelde overgangsregeling om 20 procent van de nhc-bedragen. Artikel 3. verlaging contracteerruimte 2013 De zorgautoriteit verlaagt de met toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032244&paragraaf=2&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01)"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 november 2011, nr. MC/U-3092027, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2012 en enkele andere aangelegenheden Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en heeft betrekking op het zorgjaar 2012. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2012 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2011 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2011 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid, neemt de zorgautoriteit de herverdelingsmiddelen 2011, zijnde € 25 miljoen, niet mee in de vaststelling van het startpunt 2012, maar voegt deze toe aan de herverdelingsmiddelen 2012 als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030715&artikel=8&z=2012-02-01&g=2012-02-01). 3. In afwijking van wat tot nu toe gebruikelijk was wordt het jaareffect van de exploitatiekosten op kasbasis die betrekking hebben op de in de loop van 2011 nieuw in gebruik genomen of uitgebreide intramurale capaciteit, niet aan het startpunt toegevoegd. 4. Wat betreft de kapitaallasten worden de normatieve huisvestingscomponenten (nhc’s) vanaf 2012 binnen de contracteerruimte gebracht met inachtneming van de door de zorgautoriteit ontworpen overgangsregeling op grond van de [Aanwijzing van 12 juli 2011 inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282)(Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd bij Aanwijzing va"},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 30 november 2010, nr. DLZ/SFI-U-3036644 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, houdende vervolg op de aanwijzing inzake de Contracteerruimte AWBZ 2011 De Nederlandse Zorgautoriteit geeft geen gevolg aan de opdracht bedoeld in [artikel 2, onderdeel 3, sub g, van de aanwijzing van 9 november 2010 inzake de Contracteerruimte AWBZ 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029035&artikel=2) (DLZ/SFI-U-3030940)."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 december 2014, 699321-130782-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van de langdurige zorg Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als omschreven krachtens of bij de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. prestaties en tarieven De Nederlandse Zorgautoriteit stelt prestatiebeschrijvingen en vaste tarieven vast. Artikel 3. vereffeningbedrag Daarnaast past de Nederlandse zorgautoriteit ambtshalve een vereffeningbedrag toe als bedoeld in [artikel 56b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b)."},{"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid. Welzijn en Sport van 13 november 2008, nr. DLZ/SFI-U-2893681, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake Contracteerruimte AWBZ 2009 en enkele andere aangelegenheden Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. definities De definities als bedoeld in [artikel 1 van de aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2008, DLZ/SFI-2890287, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging in de intramurale langdurige zorg op grond van zorgzwaartepakketten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024676&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing voor deze aanwijzing (Kamerstukken II, 2008/09, 26 631, nr. 280, bijlage). Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit waar nodig regels en beleidsregels op. Hoofdstuk II. Financiële middelen Artikel 3. totale contracteerruimte De zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2009 via eenzelfde systematiek alsook voor de jaren 2005 tot en met 2008 is toegepast. De totale contracteerruimte voor 2009 berekent de zorgautoriteit met inachtneming van de volgende onderdelen: - 0. structurele taakstelling De taakstelling 2008 inzake de korting van 3,5% van de maximale beleidsregelwaarden van het basisgedeelte van de prestaties persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding exclusief ondersteunende begeleiding op somatische grondslag, wordt gecontinueerd. De verlaging van de maximale beleidsregelwaarde van de prestatie ondersteunende begeleiding op basis van de somatische grondslag met € 10,– per uur in 2008, wordt eveneens gecontinueerd. De verlaging van de maximale beleidsregelwaarde met € 10,– per uur van de prestatie ondersteunende b"},{"b":"Aanwijzing van in buitenland gevestigde werkgever Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3), [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) en [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) wordt als werkgever aangewezen de werkgever die zich ingevolge [artikel 6, tweede lid, onderdeel b van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) als zodanig bij de inspecteur heeft gemeld. Artikel 2 Het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 1991 nr. SZ/SV/W/91/4533 wordt met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit met de daarbij behorende toelichting wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt op 1 januari 1997 in werking."},{"b":"Aanwijzing verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2012–2013 Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *zorgautoriteit:* Nederlandse Zorgautoriteit; - c. *Aanwijzing macrobeheersmodel:* [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884); - d. *Aanwijzing verdaging macrobeheersmodel:* [Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033929) van 20 september 2013, Staatscourant 2013, nr. 26846); - e. *mbi-omzetplafond:* mbi-omzetplafond vastgesteld op basis van [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=4). Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=6) en in afwijking van de [Aanwijzing verdaging beheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033929): - a. handhaaft de zorgautoriteit het mbi-omzetplafond voor de jaren 2012 en 2013 niet dan nadat de minister haar uiterlijk voor 1 april 2015 schriftelijk heeft bericht dat het bedrag van dat plafond is overschreden; - b. stelt de zorgautoriteit voor de jaren 2012 en 2013 dat de grens voor iedere individuele instelling gelijk is aan de door die instelling gerealiseerde mbi-omzet in het desbetreffende kalenderjaar ambtshalve niet vast dan nadat de minister haar uiterlijk voor 1 april 2015 schriftelijk heeft bericht dat het mbi-omzetplafond voor het jaar 2012 respectievelijk 2013 niet is overschreden."},{"b":"Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) I. Samenvatting Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. De aanwijzing is een uitwerking van [titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&titeldeel=2A) (Wjsg) met uitsluiting van het beheer van strafvorderlijke gegevens zoals bedoeld in [artikel 39a lid 2 Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39a). Voor de verstrekking binnen de strafrechtspleging geldt onverminderd hetgeen hierover is bepaald in onder andere [artikel 39e Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39e) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). II. Bevoegdheid en mandaatverlening Het College van procureurs-generaal is de ‘verantwoordelijke’ voor de verwerking van strafvorderlijke gegevens ([art. 39a lid 1 Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39a)). Dat betekent dat het College verantwoordelijk en beslissingsbevoegd is voor alle verstrekkingen. Mandaat hoofden OM-onderdelen Het College mandateert de bevoegdheden zoals gegeven in [titel 2A van de Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&titeldeel=2A) tot het verwerken van strafvorderlijke en justitiële gegevens aan de hoofden van de parketten, het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal, de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie en de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Mandaat voor de beslissing op bezwaarschriften wordt enkel verleend aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Mandaat tot het behandelen van beroepschriften wordt verleend aan de med"},{"b":"Aanwijzing Vervoerdocumenten en Nadere Administratievoorschriften inzake Uitvoering Verordening nr. 11 van de raad van de E.E.G. Artikel 1. definities In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. verordening: de Verordening nr. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 16 augustus 1960); - b. besluit: het Koninklijk besluit van 14 februari 1964, *Stb.* 35; - c. eigen vervoer: eigen vervoer, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *j*, van de Wet Autovervoer Goederen en als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *i*, van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart. Artikel 2. E.E.G. discriminatie-controledocument 1. Behoudens het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002437&artikel=3&z=1964-03-01&g=1964-03-01), wordt als vervoerdocument, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit, aangewezen een E.E.G.-discriminatie-controledocument, hetwelk overeenstemt met het model, opgenomen in de hij deze beschikking behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0002437). 2. Bij gebruik van het E.E.G.-discriminatie-controledocument is de ondernemer verplicht ervoor zorg te dragen, dat, onverminderd de reeds ingevolge het besluit geldende voorschriften, nog de volgende voorschriften in acht worden genomen: - a. Op het exemplaar van het document, dat wordt bewaard, worden de definitieve vrachtprijs, de overige kosten, eventueel de kortingen en alle andere voorwaarden, welke van invloed zijn op de vrachtprijs en vervoervoorwaarden, vermeld. - b. De te bewaren exemplaren worden volgens nummer gerangschikt. Artikel 3. Andere vervoerdocumenten 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002437&artikel=2&z=1964-03-01&g=1964-03-01), kan: - a. de ondernemer, die vervoer per spoor of vervoer in aansluiting op een spoorwegdienst verricht, volstaan met het gebruik van een vrachtbrief overeenkomstig het bepaalde ingevolge de [Spoorwegwet](htt"},{"b":"Aanwijzing vervolgbeslissing inzake levensbeëndiging op verzoek Achtergrond Per 10-10-2012 zal de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) in werking treden op Bonaire, St. Eustatius en Saba. Onder de werking van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) is het bieden van hulp bij zelfdoding en het uitvoeren van euthanasie strafbaar, tenzij de betrokken arts een beroep kan doen op de in het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) opgenomen bijzondere strafuitsluitingsgronden. Samenvatting Deze aanwijzing regelt de wijze waarop het openbaar ministerie onder [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) omgaat met gevallen van levensbeëindiging op verzoek (hulp bij zelfdoding en euthanasie). De officier van justitie is gehouden om, óók in gevallen van levensbeëindiging op verzoek, als bevoegde autoriteit te beslissen over het al dan niet afgeven van een verlof tot begraven/verbranding. Alleen die zaken waarin de regionale toetsingscommissie Groningen (aangewezen voor de BES) voor euthanasie tot het oordeel is gekomen dat de arts niet in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, worden ter beoordeling gezonden aan het parket van de Procureur-Generaal van Curaçao, St. Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In alle gevallen waarin de toetsingscommissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, geldt dat als een eindoordeel, wat betekent dat deze niet (meer) ter kennis worden gebracht aan het openbaar ministerie. De [WTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) heeft betrekking op artsen die levensbeëindiging toepassen èn hiervan melding doen. De in de [artikelen 306, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=306), en [307, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=307) genoemde bijzondere strafuitsluitings"},{"b":"Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding) Samenvatting Deze aanwijzing geeft inzicht in de wijze waarop de beslissingen van het College van procureurs-generaal (College) tot stand komen ten aanzien van artsen die het leven van een patiënt op diens uitdrukkelijk verzoek actief hebben beëindigd door het uitvoeren van euthanasie of verlenen van hulp bij zelfdoding. De grondslag van deze beslissingen ligt in toepassing van de [artikelen 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) (Sr) en de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) (WTL). 1. Wettelijke regeling Bijzondere strafuitsluitingsgrond In de [artikelen 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) is euthanasie en hulp bij zelfdoding uitgevoerd door een arts straffeloos geworden, mits de arts de levensbeëindiging heeft gemeld en hij daarbij aan de voorwaarden heeft voldaan die zijn genoemd in [artikel 2 van de WTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=2). Rol Openbaar Ministerie Beslissingen om artsen al dan niet te vervolgen in verband met [artikel 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) zijn aan te merken als gevoelige zaken die het College meldt aan de minister van Veiligheid en Justitie. Gelet op de hiervoor genoemde bijzondere strafuitsluitingsgrond beoordeelt het College slechts die zaken waarin de regionale toetsingscommissie voor euthanasie (hierna: de toetsingscommissie) tot het oordeel is gekomen dat de arts *niet* in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld ([artikel 9, tweede lid, onder a WTL](https://wetten.ov"},{"b":"Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen Samenvatting Deze aanwijzing geeft inzicht in de wijze waarop vervolgingsbeslissingen van het College van procureurs-generaal (verder: het College) tot stand komen ten aanzien van artsen die een zwangerschap van meer dan 24 weken afbreken, een zwangerschap afbreken in verband met de behandeling van de gezondheid van de moeder (maternale indicatie) of het leven van een pasgeborene beëindigen. 1. Wettelijk kader 1.1. Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen 1 Stcrt. 2016, 3145 . Op 1 februari 2016 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de [Regeling centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking in een categorie 2-geval en levensbeëindiging bij pasgeborenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021481)2Stcrt. 2007, 51. ingetrokken en een nieuwe regeling getroffen voor de beoordeling van gemelde gevallen van late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen. Tegelijk met de nieuwe [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570) (verder: de Regeling) is een commissie ingesteld voor de beoordeling van dergelijke gevallen (verder: de Beoordelingscommissie) en is de Centrale deskundigencommissie ontheven van haar taken in deze. In de Regeling zijn de geldende zorgvuldigheidseisen op onderdelen nader geformuleerd en enkele medische en juridische aspecten zijn verhelderd. Aan de Regeling is toegevoegd de beoordeling van late zwangerschapsafbreking in het geval redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ongeborene niet in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven (zogenaamde categorie 1 gevallen, zie [art. 2 van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570&artikel=2)). 1.2. Niet-natuurlijk overlijden De [Wet op de Lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009) is van toepas"},{"b":"Aanwijzing vestigingsplaatsen casino's Breda, Groningen, Nijmegen en Rotterdam Artikel 1 De gemeenten Breda, Groningen, Nijmegen en Rotterdam worden aangewezen als gemeenten waarvoor ingevolge de Organisatiebeschikking Casinospelen (Stcrt. 1975, 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking"},{"b":"Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de bevoegdheid tot het op afstand en heimelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk met het oog op het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen ([artt. 126nba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nba), [126uba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126uba), en [126zpa, eerste lid Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zpa)). Omdat het internet niet gebonden is aan landsgrenzen zullen bij de uitvoering van de bevoegdheid gegevens en geautomatiseerde werken kunnen worden benaderd die zich in het buitenland bevinden. Deze aanwijzing geeft regels voor het handelen in deze internationale context. 1. Uitgangspunten 1.1. Soevereiniteit en het internet Met behulp van het internet kunnen gegevens eenvoudig en vliegensvlug over grote afstanden worden verzonden. De technische architectuur van het internet volgt de traditionele landsgrenzen niet. De infrastructuur van het internet, in het bijzonder de opslag van consumenten- en bedrijfsgegevens in de ‘cloud’, is daarnaast in eigendom van talloze internationale bedrijven. Deze bedrijven gebruiken in toenemende mate kunstmatige intelligentie om het beheer en de verwerking van klantgegevens in een onophoudelijk proces te optimaliseren. De locatie van de door hen opgeslagen gegevens is daardoor zeer vluchtig en steeds vaker ook voor het bedrijf onbekend. Om computercriminaliteit en gedigitaliseerde criminaliteit toch te kunnen blijven opsporen is het noodzakelijk dat er zorgvuldig wordt gehandeld in gevallen waar de locatie van gegevens niet op voorhand vastgesteld is of onbekend blijft. 1.2. Rechtshulp algemeen Op grond van de wet en de jurisprudentie bestaat er voor politie en OM ruimte om buiten de grenzen van het Nederlandse grondgebied op te treden.1Kamerstukken II 2015/16,"},{"b":"Aanwijzing voor de opsporing Achtergrond Opsporingsinstanties en OM worden geconfronteerd met een veelheid aan strafbare feiten. Tegelijkertijd is de beschikbare opsporingscapaciteit beperkt en dwingt tot het maken van keuzes. Dat betekent dat steeds afgewogen moet worden of in een zaak tot opsporing wordt overgegaan, en zo ja, met welke inzet (in tijd en in capaciteit). Gegeven de beperkte opsporingscapaciteit zal er altijd sprake zijn van selectieve opsporing. Aan deze selectiviteit wordt invulling gegeven door beleidsmatige en juridische criteria, vastgelegd in verscheidene documenten1Visiedocumenten, jaarplannen, beleidsregels, handhavingsarrangementen, projectplannen etc. en strategische, tactische en operationele beslissingen in de toepasselijke beslisstructuren. Deze aanwijzing ziet op de opsporing en vervolging van misdrijven en beschrijft het afwegingskader waarbinnen de keuzes worden gemaakt. In de uitwerking is dit kader grotendeels gericht op de politie. De uitgangspunten en de kaders gelden niet alleen voor de politie, maar ook voor de inzet van opsporingscapaciteit en de gezamenlijke sturing daarop bij de andere (bijzondere) opsporingsdiensten en de KMar. 1. Doelstelling De aanwijzing voor de opsporing vormt het kader voor de reactie van de opsporingsdiensten en OM op gepleegde strafbare feiten (misdrijven). Met deze aanwijzing wordt beoogd de volgende doelen te bereiken: - – *Beschikbare capaciteit goed inzetten:* de beperkte opsporingscapaciteit wordt zoveel mogelijk ingezet voor de goede zaken, o.a. door, afhankelijk van de ernst van de zaak, zo snel mogelijk te bepalen of het kansrijk is om een zaak in behandeling te nemen en deze anders direct uit te screenen; - – *Bevorderen rechtsgelijkheid:* door het geven van een inhoudelijk en procedureel kader wordt bevorderd dat (vrijwel) gelijke zaken ook zoveel mogelijk op gelijke wijze worden behandeld; - – *Criteria voor casescreening:* het OM geeft vanuit zijn gezagsrol richting politie aan welke crite"},{"b":"Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging Samenvatting Het openbaar ministerie en de opsporingsinstanties1De aanwijzing ziet op alle opsporingsinstanties: de politie, de rijksrecherche, de KMar en de bijzondere opsporingsdiensten FIOD, ILT/IOD, NVWA-IOD en ISZW-DO. Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over de opsporingsinstanties, worden ook de politie, de rijksrecherche en de KMar bedoeld. geven actief en gericht voorlichting over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de strafrechtspleging. Hiermee informeren zij de samenleving over de manier waarop zij hun taken in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde uitvoeren en leggen zij daarover publiekelijk verantwoording af. Deze aanwijzing geeft regels voor de inzet van voorlichting over opsporing en vervolging. De aanwijzing gaat in op de situatie waarin door voorlichting inbreuk wordt gemaakt op de privacy van identificeerbare personen, benoemt waar de verantwoordelijkheid voor de inzet van voorlichting ligt in de te onderscheiden gevallen en op de verschillende communicatiemomenten, en geeft regels voor medewerking aan mediaproducties. 1. Inleiding en uitgangspunten 1.1. Inleiding Als strafrechtelijke handhavers van de rechtsorde leveren het OM en de opsporingsinstanties een belangrijke bijdrage aan de maatschappelijke veiligheid. Via de media2De term media wordt in deze aanwijzing gebruikt in de ruimst mogelijke betekenis en omvat alle denkbare communicatiemiddelen, waaronder audiovisuele media, printmedia, online media en sociale media. leggen zij publiekelijk verantwoording af door gericht en actief te communiceren over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de ontwikkelingen in (concrete) onderzoeken en strafzaken (de strafrechtspleging). Hiermee voorzien zij de samenleving van de informatie die nodig is voor een goed publiek debat over de strafrechtspleging. Voorlichting wordt behalve ten behoeve van het publiek belang van de openbaarheid in de strafrechtspleg"},{"b":"Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling Samenvatting Deze aanwijzing geeft nadere regels voor de toepassing van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die regeling is ingrijpend gewijzigd met de inwerkingtreding van de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990). De aanwijzing gaat in op de taken die het openbaar ministerie heeft en de verdeling van deze taken binnen het OM. Deze aanwijzing geeft algemene regels voor de toepassing van de huidige ([deel 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045281)) en de vorige v.i.-regeling ([deel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045281)), alsmede voor de situaties waarin sprake is van samenloop ([deel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045281), overgangsrecht [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990)). Algemeen 1. Doel van de regelingen Aan het eind van hun vrijheidsstraf keren veroordeelden terug in de maatschappij. Het is zowel in het belang van de veroordeelde als van de samenleving, dat die terugkeer geleidelijk en verantwoord verloopt, met zo min mogelijk kans op herhaling van een strafbaar feit. Daarom is het verblijf in de penitentiaire inrichting dusdanig ingericht dat gedetineerden vanaf het begin van de detentie werken aan een delictvrije toekomst buiten de gevangenismuren. De tenuitvoerlegging van bepaalde vrijheidsstraffen kan vervolgens met een periode van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) worden afgesloten. Het OM vervult een aantal belangrijke taken in de onderscheidenlijke v.i.-regelingen. Met inachtneming van het wettelijk kader komt het steeds zelfstandig en onafhankelijk tot een afweging van alle in aanmerking komende belangen. 2. Wijzigingen Wet straffen en beschermen Met de op 1 juli 2021 in werking getreden [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (*Stb*. 2020, 2241Gewijzigd met de spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen"},{"b":"Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de taken en verantwoordelijkheden van het openbaar ministerie (OM) bij: - 1. de uitvoering van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling bij meerderjarigen;1Bijzondere voorwaarden kunnen ook worden opgelegd bij een strafbeschikking (in de vorm van een aanwijzing), een gedragsaanwijzing, een tbs-maatregel met voorwaarden, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging bij een tbs-maatregel, de voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorwaardelijke ISD-maatregel, de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, en gratieverlening. Deze vallen buiten het toepassingsbereik van deze aanwijzing. Voor het beleid ten aanzien van jeugdigen geldt een separate aanwijzing. - 2. de toepassing van de bijzondere voorwaarden in de fase van de voorlopige hechtenis en de vordering van de bijzondere voorwaarden; - 3. de tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden en de procedurele regels voor het toezicht op de naleving. Deze aanwijzing beoogt te bevorderen dat bijzondere voorwaarden adequaat worden toegepast met het oog op het terugdringen van recidive en het beschermen van de samenleving en het slachtoffer. Daarnaast beoogt de aanwijzing een goede aansluiting van de verschillende schakels binnen de executieketen te bewerkstelligen. Het vorderen van bijzondere voorwaarden is aan de orde indien: - 1. herstel van geleden schade geboden is; - 2. beperking van de bewegingsvrijheid van verdachte geboden is; - 3. zorg en/of gedragsinterventie geboden is. De in de wet genoemde bijzondere voorwaarden kunnen, op enkele voorwaarden na, onderdeel zijn van zowel de schorsingsbeschikking (voorlopige hechtenis) als het vonnis. Achtergrond Enerzijds bieden bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling of een schorsing van de voorlopige hechtenis ruimte voor een op de persoon toegesneden interventie met als doel gedr"},{"b":"Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldenrekening notaris 1. Samenvatting Met ingang van 1 januari 2012 is in [artikel 25 lid 9 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=25) (Wna) een beperkte informatieplicht voor de notaris opgenomen, die inhoudt dat een notaris onder bepaalde voorwaarden verplicht is om in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de door een opsporingsambtenaar, een officier van justitie of een rechter-commissaris gevorderde gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn derdengeldenrekening. Deze informatieplicht vormt een uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de notaris die is neergelegd in [artikel 22 Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=22). Deze aanwijzing bevat regels voor het verkrijgen van informatie over de derdengeldenrekening van een notaris ten behoeve van de opsporing, zoals bedoeld in artikel 25 lid 9 Wna. De gegevens moeten worden gevorderd met toepassing van de bevoegdheden uit het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv). Daarbij is in alle gevallen de toestemming van de officier van justitie vereist, ook als de wet deze eis niet stelt. De informatieplicht geldt niet voor de onderliggende akten en gegevens die geen verband houden met de betalingen die via de derdengeldenrekening zijn gedaan. Die vallen nog altijd onder de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de notaris. 2. Geheimhoudingsplicht, verschoningsrecht en de uitzonderingen daarop 2.1. Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht De notaris is op grond van [artikel 22 Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=22) verplicht tot geheimhouding ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt. Deze geheimhoudingsplicht strekt zich volgens de Hoge Raad ook uit tot derdengeldenrekening van de notaris.1HR 18 december 1998, *NJ* 2000, 341 (Van Olst/Ontvanger). Dezelfde geheimhoudingsp"},{"b":"Aanwijzing waarborgen professioneel verschoningsrecht Samenvatting Deze aanwijzing schetst het juridisch kader voor de omgang met verschoningsgerechtigd materiaal van geheimhouders als bedoeld in 218 Sv en beschrijft de uitgangspunten die het OM en de onder het gezag van het OM opererende opsporingsinstanties in acht nemen om het professionele verschoningsrecht te waarborgen. 1. Inleiding Op grond van [artikel 218 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=218) kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. De grondslag van dit professionele verschoningsrecht is het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel dat bij dergelijke geheimhouders het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor het maatschappelijke belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Het professionele verschoningsrecht komt slechts toe aan een beperkte groep van personen, zoals advocaten, notarissen, geestelijken en artsen, die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen aan hen in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. Het verschoningsrecht van deze personen strekt zich uit tot de wetenschap die zij hebben verkregen in de uitoefening van hun beroep. Dat betekent dat (bijvoorbeeld) een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. De plicht tot geheimhouding van een professioneel verschoningsgerechtigde geldt niet alleen voor de geheimhouder, maar ook voor het bij de geheimhouder werkzame personeel, dat een afgeleid verschoningsrecht toekomt. Het Openbaar Ministerie (OM) is verantwoordelijk voor"},{"b":"Aanwijzing werkzaamheden veterinaire hoofdinspecteur Artikel 1 De veterinaire hoofdinspecteur neemt bij de vervulling van zijn taak Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving (PbEG L 351) in acht. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 1991. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie 1. Samenvatting Deze aanwijzing geeft richting aan de verwerking van politiegegevens. Hierin komt aan de orde in welke gevallen de officier van justitie concrete bemoeienis heeft bij de verwerking van politiegegevens die zijn of worden verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, op welke wijze dit dient te gebeuren en welke officieren van justitie hierbij in beginsel aanspreekpunt zijn. 2. Inleiding De [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463)1De Wpg is met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 5a van de Wpg, mede op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) van toepassing (art. 36a Wpg). Deze eilanden hebben de status van bijzonder gemeenten van Nederland. In tegenstelling tot de Wpg is de Aanwijzing niet van toepassing op deze gemeenten. De Wpg is bij Wet van 6 oktober 2011, Stbl. 2011, 490, in werking getreden op 1 april 2012 gewijzigd in verband met de implementatie van het kaderbesluit Dataprotectie (2008/977/JBZ) en het kaderbesluit Europol (2009/371/JBZ). Deze wetswijziging is voor zover deze van invloed is op de rol van het OM in deze aanwijzing verwerkt. (Wpg) is op 1 januari 2008 in werking getreden en is in de plaats gekomen van de voormalige [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798). In de Wpg en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur, het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086) (Bpg) en het [Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026117) (Bpgbo), is geregeld hoe de politie (waaronder de Rijksrecherche), de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,/Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW)-directie opsporing, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspect"},{"b":"Aanwijzing zelfmelden, medewerking en zelfonderzoek Samenvatting Deze aanwijzing schetst de kaders en voorwaarden voor zelfmelden van en medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek naar (signalen van) mogelijke strafbare feiten gepleegd binnen de sfeer van een rechtspersoon, met uitzondering van rechtstreekse schendingen van de fysieke integriteit van natuurlijke personen (hierna: mogelijke strafbare feiten). Voor zelfmelden door een rechtspersoon van betrokkenheid bij mogelijke strafbare feiten en/of medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek naar die feiten, kan de officier van justitie een korting geven op de eis ter zitting van een geldboete als bedoeld in [artikel 9 eerste lid onder a sub 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9) juncto [artikel 23 Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23), een geldboetecomponent in een transactie als bedoeld in [artikel 74 tweede lid onder a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) of een geldboete in een strafbeschikking als bedoeld in [artikel 257a tweede onder b Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a) (hierna: geldboete).1De korting die de officier van justitie op grond van deze aanwijzing kan toepassen, ziet uitdrukkelijk niet op andere straffen of maatregelen, zoals de ontneming van wederrechtelijk voordeel en de schadevergoedingsmaatregel. Medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek kan omvatten dat zelfonderzoek wordt uitgevoerd en de (bron)documenten daarvan ter beschikking worden gesteld aan de opsporingsdienst en het Openbaar Ministerie (hierna: OM). 1. Achtergrond Wanneer een rechtspersoon zelf meldt dat er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd, meewerkt aan het strafrechtelijke onderzoek naar die strafbare feiten en/of zelf onderzoek daarnaar doet of laat doen, kan dat van grote waarde zijn bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zelfmelden"},{"b":"Aanwijzing ‘de Deurnese Peelgebieden’ als wetland Artikel 1 1. Voor opneming in de lijst van watergebieden van internationale betekenis als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005801&artikel=2&z=1993-01-01&g=1993-01-01) van de op 2 februari 1971 te Ramsar, Iran, tot stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Trb. 1975, 84 en Trb. 1980, 90), wordt aangemeld het op de als bijlage bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘de Deurnese Peelgebieden’. 2. De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij dit besluit behorende toelichtende nota. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzingen ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de algemeen psychiatrische ziekenhuizen Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006245&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 10 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat op de aanvaardbare kosten 1994 een korting wordt toegepast, waardoor vanaf dat jaar in totaal een verlaging van f 50 mln structureel ten opzichte van 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen) met inachtname van hetgeen is vermeld onder het tweede en het derde lid. 2. De verlaging van de aanvaardbare kosten is niet van toepassing op de zelfstandig in het kader van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) erkende verslavingsklinieken en klinieken voor kinderen en jeugd, op de als zodanig erkende afdelingen voor verslaafdenzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie, alsmede op de poli- en deeltijdactiviteiten van Algemene Psychiatrische Ziekenhuizen. 3. De verlaging van de aanvaardbare kosten wordt generiek toegepast, tenzij betrokken partijen anders voorstellen. 4. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek om goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid tot het vaststellen van de hier bijgevoegde Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, bij de rijksoverheid."},{"b":"Aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen en Aruba Artikel 1 1. De Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk de Gouverneur van Sint Maarten kan over de krijgsmacht beschikken ter handhaving van de onafhankelijkheid en verdediging van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten. 2. De Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk de Gouverneur van Sint Maarten kan aan de regering van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten de krijgsmacht ten behoeve van militaire bijstand ter handhaving van de inwendige veiligheid en de openbare orde ter beschikking stellen. Artikel 2 1. De gouverneurs oefenen de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004185&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) omschreven bevoegdheid niet uit dan met instemming van de Raad van ministers van het Koninkrijk. 2. In door de Raad van ministers van het Koninkrijk aan te wijzen gevallen en met inachtneming van door de Raad te stellen regelen treedt de minister van Defensie in de plaats van de Raad van ministers van het Koninkrijk. Artikel 3 In afwijking van het gestelde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004185&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) zijn de gouverneurs in geval van rampen, ongevallen en storingen in het verkeer of de verbindingen, welke geen samenhang vertonen met andere storingen van de inwendige veiligheid of de openbare orde, bevoegd delen van de krijgsmacht ter beschikking te stellen van de regering van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten. Artikel 4 De koninklijke besluiten van 26 november 1969, nr. 2, en van 26 november 1977, nr. 62, worden ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening."},{"b":"Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies Inleiding In het project Sanering interdepartementale commissies, een deelproject van het project reorganisatie rijksdienst, zijn alle in 1984–1985 bestaande ongeveer 250 ambtelijke interdepartementale commissies doorgelicht. Op grond van de voorstellen die hieruit voortvloeien heeft het kabinet beslissingen genomen over het opheffen of samenvoegen van interdepartementale commissies en over het wijzigen van hun taak, samenstelling en of werkwijze 1Kamerstukken 11, 1984–1985, 17353, nr. 23, en kamerstukken 11, 1986–1987, 17353, nr. 28.. Deze aanwijzingen beogen na deze eenmalige sanering nieuwe wildgroei te voorkomen en interdepartementale commissies in de toekomst zo effectief en efficiënt mogelijk te laten werken. Zij zijn gebaseerd op de uitwerking van de door het kabinet aanvaarde algemene uitgangspunten voor de vormgeving en het functioneren van interdepartementale commissies en het Eindrapport sanering interdepartementale commissies 2Eindrapport sanering interdepartementale commissies uitgave Ministerie van Binnenlandse Zaken 1986. Voor een toelichting op de aanwijzingen wordt verwezen naar het genoemde eindrapport, dat richtlijnen, wenken en tips bevat voor het gebruik van interdepartementale commissies. Voor departementale geheel en overwegend ambtelijke commissies zijn geen afzonderlijke aanwijzingen vastgesteld. Het verdient echter aanbeveling deze aanwijzingen zoveel mogelijk analoog op de instelling van departementale commissies toe te passen. - 1. *Definitie* Onder interdepartementale commissies worden verstaan commissies: - a. waarin meer dan één ministerie is vertegenwoordigd, en - b. waarvan meer dan de helft van de leden ambtenaar bij een ministerie is. - 2. *Instelling nodig?* Alvorens een interdepartementale commissie in te stellen wordt de noodzaak van het instellen van een nieuwe commissie overwogen. Hierbij wordt eerst nagegaan of er geen eenvoudiger alternatief is, zoals oprichting van een info"},{"b":"Aanwijzingsbesluit digitaal berichtenverkeer Justitiële Informatiedienst *Justitiële informatiedienst* *In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn regels opgenomen over het berichtenverkeer tussen burgers en de overheid. De Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) heeft per 1 januari 2026 geleid tot aanpassing van de Awb. Een ieder heeft op basis hiervan het recht om berichten elektronisch (digitaal) bij de overheid in te dienen.* *In dit besluit wordt de weg voor het digitale berichtenverkeer met de Justitiële Informatiedienst aangewezen.* Artikel 1. Definitie Dit besluit verstaat onder berichten: de berichten, als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), alsmede andere berichten, als bedoeld in [artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14). Artikel 2. Aanwijzing Voor het verzenden van berichten aan de Justitiële Informatiedienst via elektronische (digitale) weg, wordt het emailadres < info@justid.nl > aangewezen. Artikel 3. Voorkeur digitale weg Berichten die via de digitale weg worden ontvangen, worden ook digitaal beantwoord, indien en voor zover de geadresseerde heeft aangegeven langs deze weg bereikbaar te zijn. Artikel 4. Ontvangst en behandeling De ontvangst van een bericht wordt langs elektronische (digitale) weg bevestigd. Voor zover van toepassing, volgt na verzending van de ontvangstbevestiging bericht over de verdere behandeling. Anonieme berichten kunnen niet in behandeling worden genomen. Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking na bekendmaking in de Staatscourant en werkt terug vanaf 1 januari 2026. Artikel 6. Titel Dit besluit heet: Aanwijzingsbesluit digitaal berichtenverkeer Justitiële Informatiedienst."},{"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen CAK Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. *Bericht:* een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. *Kanaal:* een aangewezen wijze van verzenden als bedoeld in [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) van elektronische berichten. - c. *Verzender:* burgers, ondernemers en anderen die bij het CAK iets (aan)vragen of indienen. - d. *Digitaal verkeer:* digitale berichtenuitwisseling (communicatie) tussen burgers, ondernemers en andere (overheids)organen met het CAK. - e. *MijnCAK:* beveiligde digitale omgeving waar verzender kan inloggen met DigiD. - f. *Website:* [http://www.hetcak.nl](http://www.hetcak.nl/). Artikel 2. Aanwijzen kanalen generiek Voor (officiële) berichten die de verzender uit eigen beweging indient, worden de volgende kanalen aangewezen: - a. Voor klachten als bedoeld in [titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) geldt het daarvoor bestemde webformulier op de website als kanaal. - b. Voor berichten in het kader van een bezwaar als bedoeld in [artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5) geldt het daarvoor bestemde webformulier op de website als kanaal. - c. Voor berichten in het kader van een besluit als bedoeld in [artikel 34 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=34) geldt het daarvoor bestemde formulier op de website als kanaal. - d. Voor het indienen van een bericht in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) geldt het daarvoor bestemde webformulier op de website als kanaal. - e. Voor gebruikers van de beveiligde omgeving MijnCAK, geldt hetzelfde webformulie"},{"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van JenV Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *bericht:* een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. *kanaal:* een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces De Minister van Justitie en Veiligheid wijst voor ieder afzonderlijk proces en de daarbijhorende berichten processpecifieke kanalen aan, zoals vermeld in [bijlagen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052270&bijlage=1&z=2026-02-06&g=2026-02-06) bij dit besluit. Elk toegewezen kanaal heeft slechts betrekking op de daarbij genoemde kernomschrijving. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit aanwijzingsbesluit treedt in werking een dag na bekendmaking. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van JenV."},{"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBR 2026 Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. *bericht:* een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. *kanaal:* een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing kanalen 1. Voor berichten binnen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen processen die de verzender uit eigen beweging indient, wordt het daarin aangewezen specifieke kanaal aangewezen ter ontvangst van die berichten. 2. Voor berichten binnen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen processen die de verzender op verzoek van het CBR indient, wordt de in de uitnodiging aangewezen elektronische wijze van verzenden als kanaal gebruikt. Artikel 3. Algemeen kanaal Voor berichten buiten de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen subprocessen of handelingen, die de verzender uit eigen beweging indient, wordt als kanaal aangewezen: - a. generiek e-formulier ‘contactformulier’ voor alle formele berichten waar geen specifiek kanaal voor is aangewezen, alsmede overige vragen. Dit formulier is vindbaar via: [https://www.cbr.nl/nl/service/nl/contact/contactformulier-voor-niet-anonieme-vragen](https://www.cbr.nl/nl/service/nl/contact/contactformulier-voor-niet-anonieme-vragen) Artikel 4. Inwerkingtreding besluit Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBR 2026."},{"b":"Aanwijzingsbesluit en Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 Inleiding Het college van de Onafhankelijke Post- en Telecommunicatieautoriteit maakt hierbij het Aanwijzingsbesluit en Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 (hierna: beleidsregels nummerportabiliteit 2008) bekend. Nummerportabliteit betreft het behoud van het nummer als de afnemer van een telefoondienst er voor kiest hetzelfde nummer te blijven gebruiken als hij zijn overeenkomst tegen andere voorwaarden, op een andere locatie of met een andere aanbieder voortzet. Nummerportabiliteit wordt ook wel aangeduid als nummerbehoud. De beleidsregels nummerportabiliteit 2008 zijn op 7 november 2007 in conceptvorm ter consultatie aan de betrokken marktpartijen voorgelegd. De consultatie heeft geleid tot beperkte aanpassingen van de beleidsregels. Een samenvatting van de reacties is te vinden in de Nota van Bevindingen (OPTA/ACNB/2008/200372). De beleidsregels nummerportabiliteit 2008 richten zich op de positie van de afnemer van de dienst die de wens te kennen heeft gegeven om zijn nummer te behouden bij de voortzetting van het contract tegen andere voorwaarden bij dezelfde aanbieder of bij de wisseling van aanbieder of locatie. Kwesties rond de vergoedingen die aanbieders aan elkaar betalen blijven buiten beschouwing. Hierna treft u de het Aanwijzingsbesluit en de Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 aan. Aanwijzingsbesluit Nummerportabiliteit 2008 1. De Autoriteit Consument en Markt wijst op grond van [artikel 4.10, vierde lid, Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.10) (hierna: Tw) geografische nummers, nummers voor mobiele telefonie en nummers met de dienstcodes 084, 085, 087 en 091 aan als nummers waarvoor geldt dat, in het geval dat een nummer uit die categorie na een overgang op grond van het derde lid van dat wetsartikel niet langer in gebruik is, de toekenning van het nummer teruggaat naar de aanbieder aan wie het nummer op basis van een aanvraag was toegekend. Be"},{"b":"Aanwijzingsbesluit gemeente Gouda experiment nieuw stembiljet artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van de gemeenteraad met als dag van stemming 18 maart 2026 wordt in de gemeente Gouda een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2). De gemeente Gouda voegt zich daarmee bij de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Leiden, Meierijstad, Midden-Delfland, Nijmegen, Noordoostpolder, ’s-Hertogenbosch, Soest en Tynaarlo (Stcrt. 2025, 42094)."},{"b":"Aanwijzingsbesluit gemeenten experiment nieuw stembiljet bij Europees Parlementsverkiezing artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van het Europees Parlement met als dag van stemming 6 juni 2024 wordt in de gemeenten Alphen aan de Rijn, Boekel, Borne, Midden-Delfland en Tynaarlo een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2)."},{"b":"Aanwijzingsbesluit kanalen officiële berichten Kadaster Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - *Dienst:* de Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - *officieel bericht:* een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - *kanaal:* een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces 1. Voor ieder afzonderlijk proces waarin officiële berichten aan de Dienst kunnen worden verzonden, worden de kanalen aangewezen als vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052288) bij dit besluit. 2. Indien de Dienst verzoekt om een officieel bericht in te dienen, wordt aangegeven welk aangewezen kanaal voor elektronische indiening kan worden gebruikt. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Intrekking besluit De [Regeling elektronisch indienen bezwaar- en verzoekschriften Kadaster 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023646) wordt ingetrokken. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit kanalen officiële berichten Kadaster."},{"b":"Aanwijzingsbesluit Keuringsdienst van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen van het Korps landelijke politiediensten als keuringsdienst technische hulpmiddelen strafvordering Artikel 1 De keuringsdienst van de Dienst specialistische operaties van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie wordt aangewezen als instantie voor de uitvoering van de keuring, bedoeld in [artikel 22 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=22). Artikel 2 Dit besluit kan worden aangehaald als Aanwijzingsbesluit keuringsdienst technische hulpmiddelen strafvordering. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007."},{"b":"Aanwijzingsbesluit ligplaatsen ‘gemengd afmeren’ Rotterdam 2025 Artikel 1. Aanwijzing ligplaatsen alle categorieën Een binnenschip als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Regeling gemengd afmeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051061&artikel=2), mag op de hiernavolgende ligplaatsen afmeren: - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 5, 6 en 7 in de Prins Johan Frisohaven ter hoogte van oeverfrontnummers 2704, 2701 en 2694; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 2 in de 2e Petroleumhaven ter hoogte van oeverfrontnummer 3008; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 23 oostzijde in de Botlek ter hoogte van oeverfrontnummer 4212; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 3, 4, 7 en 8 in het Hartelkanaal ter hoogte van oeverfrontnummers 5022, 5023, 6081 en 6079; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger A in de Mississippihaven ter hoogte van oeverfrontnummer 7062; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger A, B, en C in de Hartelhaven ter hoogte van oeverfrontnummers 7124, 7123 en 7122; - − de ligplaatsen gelegen aan de kade 1 en 2 in de Amazonehaven ter hoogte van oeverfrontnummers 8050 en 8048; - − de ligplaatsen gelegen aan de Antarcticakade tussen de bolders 17 tot en met 32 ter hoogte van de oeverfrontnummers 8246 en 8249; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 1 en 2 in de Prinses Margriethaven ter hoogte van oeverfrontnummers 8364 en 8363; - − de ligplaatsen gelegen aan steiger 1, 2, 3, 4, 5, 10 en 13 in het Calandkanaal, ter hoogte van oeverfrontnummers 5390, 5389, 5387, 5385, 5384, 5365 en 5323. Artikel 2. Aanwijzing ligplaatsen voor specifieke categorieën 1. Op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Regeling gemengd afmeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051061&artikel=2), mogen op de ligplaatsen gelegen aan steiger 1, 2, 3 en 4 in de Waalhaven 4 noordzijde ter hoogte van oeverfrontnummer 2211, 2212, 2214 en 2215 de categorieën van binnenschepen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling gemengd afmeren, afmeren met uitzondering van t"},{"b":"Aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Rotterdam als volledig gecoördineerd luchtvaartterrein Artikel 1 Het luchtvaartterrein Rotterdam wordt aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzingsbesluit politieholster Artikel 1 Als holster, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18) wordt goedgekeurd de holster van het merk Safariland, type 6280-87-61-2 voor rechtshandigen en type 6280-87-62-2 voor linkshandigen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzingsbesluit secretaris commissie bezwaarschriften dekens Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt verstaan onder: - *medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur:* medewerkers in dienst van de Nederlandse orde van advocaten, die uitsluitend werkzaamheden verrichten voor de dekens van de orden van advocaten in de arrondissementen. Artikel 2. Aanwijzing secretaris en plaatsvervangend secretaris van de commissie bezwaarschriften 1. Als secretaris van de commissie bezwaarschriften worden aangewezen: medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur met de functietitel jurist bestuursrecht. 2. Als plaatsvervangend secretaris van de commissie bezwaarschriften worden aangewezen: medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur met de functietitel beleidsadviseur. Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit secretaris commissie bezwaarschriften dekens."},{"b":"Aanwijzingsbesluit Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten Artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van de gemeenteraad met als dag van stemming 18 maart 2026 wordt in de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Leiden, Meierijstad, Midden-Delfland, Nijmegen, Noordoostpolder, ’s-Hertogenbosch, Soest en Tynaarlo een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2)."},{"b":"Aanwijzingsbesluit Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten artikel Enig Bij de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer met als dag van stemming 29 oktober 2025 wordt in de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Borne, Midden-Delfland en Tynaarlo een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2)."},{"b":"Aanwijzingsbesluit toezichthouders Wet buitenlandse schepen Artikel 1 Als ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet buitenlandse schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016993) bepaalde worden aangewezen de ambtenaren die op grond van [artikel 1, onderdeel k, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=1) j° [artikel 2 van de Regeling havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009630&artikel=2) zijn aangewezen, alsmede de ambtenaren, die ingevolge [artikel 5 van de Regeling onderzoeken ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013384&artikel=5) zijn aangewezen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden."},{"b":"Aanwijzingsbesluit toezichthouders zorgverzekeringen Artikel 1 1. Als medewerkers die belast zijn met het uitvoeren van het toezicht worden aangewezen: - a. de algemeen directeur en de andere directeur of directeuren, bedoeld in [artikel 6 van het Bestuursreglement CTZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012391&artikel=6); - b. R.M. Pfeiffer, geboren op 6 juli 1943, woonachtig te Wilnis; - c. F.W. Westerveld, geboren op 16 oktober 1945, woonachtig te Amsterdam; - d. de personen in dienst van het College van toezicht op de zorgverzekeringen en werkzaam in de sector Rechtmatigheidsonderzoek onderscheidenlijk de sector Doelmatigheid en Thematisch Onderzoek onderscheidenlijk de Sector Productontwikkeling onderscheidenlijk de Sector Strategische Beleidsontwikkeling. 2. De aanwijzing vervalt bij ontslag door het College van toezicht op de zorgverzekeringen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden en werkt terug tot 1 april 2001."},{"b":"Aanwijzingsbesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 september 2025, nr. 2025-000504184, tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (Tijdelijk Aanwijzingsbesluit uitvoering verordening transparantie en gerichte politieke reclame) Artikel 1. Begripsbepalingen - – Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - – Autoriteit persoonsgegevens: Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - – Commissariaat voor de Media: Commissariaat voor de Media als bedoeld in [artikel 7.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - – verordening: Verordening (EU) 2024/900 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame. Artikel 2. Aanwijzing bevoegde autoriteit en coördinator tussenhandeldiensten 1. Het Commissariaat voor de Media is de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, van de verordening. 2. De Autoriteit Consument en Markt is voor uitvoering van dit besluit belast met de coördinatie op nationaal niveau met betrekking tot aanbieders van tussenhandeldiensten, bedoeld in artikel 22, derde lid, van de verordening. Artikel 3. Aanwijzing beheerder register wettelijke vertegenwoordigers en nationaal contactpunt 1. Het Commissariaat voor de Media is de beheerder van het register wettelijke vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 21, vierde lid, van de verordening. 2. Het Commissariaat voor de Media is het nationaal contactpunt, bedoeld in artikel 22, negende lid, van de verordening. Artikel 4. Samenwerking AP, ACM en het Commissariaat 1. De A"},{"b":"Aanwijzingsbesluit Wet Markt en Overheid, Ministerie van Veiligheid en Justitie Artikel 1 De volgende economische activiteiten aan te wijzen als economische activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang als bedoeld in [artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h): - a. het tijdelijk ter beschikking stellen van vastgoed c.q. opvangplaatsen in de Bijlmerbajes door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers ten behoeve van het (doen) realiseren en exploiteren van een pop-up-hotel; - b. economische activiteiten welke direct verband houden met de activiteit als bedoel onder sub a; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag na bekendmaking in de Staatscourant."},{"b":"Aanwijzingsregeling algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee Artikel 1 De officieren en de onderofficieren der Koninklijke marechaussee zijn voor zover zij namens de Commandant der Koninklijke marechaussee geschikt en bekwaam zijn geoordeeld, met de opsporing van strafbare feiten belast. Artikel 2 Met de opsporing van strafbare feiten zijn eveneens belast de militairen van de Koninklijke marechaussee die zijn toegelaten tot de fase beroepspraktijkvorming van de opleiding algemeen opsporingsambtenaar Koninklijke marechaussee in de gevallen waarbij tijdens die fase van de opleiding door hen daadwerkelijk politietaken worden uitgeoefend. Artikel 3 De [Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006569) van 29 maart 1994, nr. 430243/594/GJD, CWW 85/008 (Stcrt. 70) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee."},{"b":"Aanwijzingsregeling ambtenaar kwijtschelding betalingsverplichting geluidsheffing burgerluchtvaart Artikel 1 Als ambtenaar die de bevoegdheid heeft tot het geheel of gedeeltelijk verlenen van kwijtschelding van de geluidsheffing burgerluchtvaart wordt aangewezen: De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzingsregeling ambtenaren toezicht Mijnbouwwet Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht houden op de naleving van het bij of krachtens de Mijnbouwwet bepaalde, met uitzondering van afdeling 5.1.1. en hoofdstuk 9, worden de ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen aangewezen. Artikel 2 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot helikopterdekken als bedoeld in [artikel 51, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51) worden de ambtenaren van de toezichteenheid Luchthavens en Luchtruim van de inspectie Verkeer en Waterstaat mede aangewezen. Artikel 2a Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving worden mede aangewezen ambtenaren van de Kustwacht Nederland, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit instelling Kustwacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546&artikel=2) voor de uitvoering van taken die krachtens [artikel 4 van het Besluit instelling Kustwacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546&artikel=4) aan de Kustwacht Nederland zijn opgedragen Artikel 2b *Vervallen* Artikel 3 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens, elektronische bakens en radarreflectoren als bedoeld in artikel 52, eerste lild, van het Mijnbouwbesluit worden mede aangewezen de ambtenaren belast met het onderzoek en de certificering van belichtingssystemen en geluidapparatuur, van de hoofdafdeling Markeren en Vlootbeheer, afdeling markeertechniek van de Directie Noordzee van Rijkswaterstaat. Artikel 4 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot communicatieapparatuur zoals bedoeld in [artikel 52, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=52) worden mede aangewezen de toezichthouders van de directies Infrastructuur, Apparatuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Mi"},{"b":"Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer Artikel 1 Het hoofd van het Bureau Bestuurlijke Boete van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in [artikel 10:5, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) voorzover het de in [artikel 5:12, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12) onderscheiden categorieën van arbeid betreft. Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II van het koninklijk besluit van 10 september 2004 tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de invoering van de bestuurlijke boete (Stb. 487) in werking treedt. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer."},{"b":"Aanwijzingsregeling centrale autoriteit in gevallen van internationale ontvoeringen van kinderen (3) Artikel I De Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid, stafbureau Juridische Zaken, wordt aangewezen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europese verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit werkt terug tot 1 januari 1998. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk 511387/95/JR, van 23 augustus 1995."},{"b":"Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 60, tweede lid WIV 2002 Artikel 1 Voor de feitelijke uitvoering van en het toezicht op de werkzaamheden ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst worden bij de Koninklijke Marechaussee aangewezen: - a. de Directeur Operaties, - b. het Hoofd van het Cluster Intelligence, - c. het personeel van de Bijzondere Dienst, en - d. het personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten. Artikel 2 De [Aanwijzingsregeling bijzondere dienst Koninklijke marechaussee van 1 november 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012947) (Stcrt. 2001, nr. 218) wordt ingetrokken. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2013. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 60, tweede lid WIV 2002."},{"b":"Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 92, tweede lid, Wiv 2017 Artikel 1 Voor de feitelijke uitvoering van en het toezicht op de werkzaamheden ten behoeve van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst worden bij de Koninklijke Marechaussee aangewezen: - a. de Directeur Operaties, - b. de Commandant van het Landelijk Tactisch Commando, - c. het Hoofd Intelligence, - d. het personeel van de Bijzondere Dienst, en - e. het personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 92, tweede lid, Wiv 2017."},{"b":"Aanwijzingsregeling ombuigingsbijdrage zorgaanbieders Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg (CTG) stelt voor de organen voor gezondheidszorg genoemd in artikel 1, onder A 1 tot en met 29b, 30 tot en met 33, B, D en in artikel 2 van het Besluit werkingssfeer Wet tarieven gezondheidszorg 1992, zodanige beleidsregels vast, dat dit resulteert in budget- ofwel tariefverlagingen van 1,6% in de tweede helft van 2003 en voor de jaren daarna budget- ofwel tariefverlagingen van 0,8%. De beleidsregel dient in te gaan op 1 juli 2003. De maatregel wordt toegepast op de budgetten, lumpsums en tarieven, met uitzondering van: - de vergoedingen voor kapitaallasten, voor zover deze vergoedingen geen directe relatie hebben met de productieomvang; - de in 2003 daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in het kader van de beleidsregels I-603 en I-604. Artikel 2 In de in het eerste artikel bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het CTG bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst."},{"b":"Aanwijzingsregeling regelingen ex artikel 7 en 7a WAO Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); b. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); c. WW: [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); d. ZW: [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); e. wachtgeld: wachtgeld op grond van het [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326), uitkering op grond van het [Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445), wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering op grond van de Algemene militaire pensioenwet, of een met die wachtgelden of die uitkeringen vergelijkbare uitkering op grond van ontslag of werkloosheid, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden. Artikel 2 1. Voor de toepassing van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt, en die een wachtgeld ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking die is geëindigd voor 1 januari 2001. 2. Voor de toepassing van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt eveneens als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt en die een wachtgeld ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking die is geëindigd op of na 1 januari 2001, voorzover het recht op wachtgeld zich uitstrekt over een periode gelegen na het bereiken van de volledige uitkeringsduur van het, in verband met dezelfde werkloosheid ontstane, recht op uitkering op grond van de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), bedoeld in [hoofdstuk I"},{"b":"Aanwijzingsregeling Stichting Waarborgfonds Motorverkeer als Schadevergoedingsorgaan De Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, statutair gevestigd te Rijswijk, met ingang van 15 juli 2003 aan te wijzen als Schadevergoedingsorgaan dat tot taak heeft in de gevallen, genoemd in artikel 27o, eerste lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, schade te vergoeden aan benadeelden. De vergoeding van deze schade wordt bekostigd uit de ingevolge artikel 24 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer betaalde bedragen."},{"b":"Aanwijzingsregeling Technische Voorschriften vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht met militaire luchtvaartuigen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. STANAG 2999: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 2999 USE OF HELICOPTERS IN LAND OPERATIONS DOCTRINE, zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - b. STANAG 4441: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 4441 met de daarbij behorende AMovP-6, Allied Multi-Modal Transportation of Dangerous Goods Directive en de Standards-related documents zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - c. STANAG 7213: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 7213 TACTICS, TECHNIQUES AND PROCEDURES FOR NATO AIR MOVEMENTS zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - d. Technische Voorschriften: Technische Voorschriften als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=1); - e. militair luchtvaartuig: een luchtvaartuig gehouden door de krijgsmacht of de krijgsmacht van een buitenlandse mogendheid. Artikel 2 1. In afwijking van [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=3) behoeven bij het onder laatstgenoemd besluit vallende vervoer van gevaarlijke stoffen met militaire luchtvaartuigen door de krijgsmacht of de krijgsmacht van een buitenlandse mogendheid in militair operationele omstandigheden de volgende gedeelten van de Technische Voorschriften niet in acht te worden genomen: - a. Deel 1, hoofdstuk 4"},{"b":"Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving § 1. Nederlandse Arbeidsinspectie Aanwijzing toezichthouders Artikel 1.1 1. De ambtenaren van de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens: - a. de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346); - b. de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671); - c. de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969); - d. de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616); - e. de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149); - f. de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299); - g. de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638); - h. de [Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698); - i. de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054). 2. Het Hoofd van de Afdeling Boete, Dwangsom en Inning van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de door het Hoofd aangewezen, onder hem ressorterende plaatsvervangers, worden niet belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in het eerste lid. 3. De Directie Opsporing van de Nederlandse Arbeidsinspectie wordt niet belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de afdeling Recherche SZW. Aanwijzing ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken Artikel 1.2 1. De ambtenaren, bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011673&paragraaf=1&artikel=1.1&z=2025-09-04&g=2025-09-04), worden aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in: - a. de [Wet gelijke behandeling van mannen e"},{"b":"Aanwijzingsregeling Vereniging het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars als Informatiecentrum De Vereniging het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars, statutair gevestigd te 's-Gravenhage, met ingang van 15 juli 2003 aan te wijzen als Informatiecentrum dat tot taak heeft informatie te verstrekken aan benadeelden teneinde hen in staat te stellen een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De werkzaamheden ter uitvoering van zijn taak worden bekostigd uit de ingevolge artikel 2, negende lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan hem betaalde bijdragen."},{"b":"Accijns, beleidsregels accijnswetgeving *Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit van 11 april 2023, nr. 2023-7713,* *Stcrt. 2023, 11419* *, dat hiermee wordt ingetrokken.* *De volgende beleidsregels zijn ingetrokken:* - – *Onder 2.4 is een tijdelijke beleidsregel opgenomen voor biermixen.* *In de beleidsregel staat dat met ingang van 1 januari 2024 de grondslag voor de bieraccijns wijzigt van graden Plato naar alcoholpercentage. Het bedrijfsleven mocht tot 1 januari 2024 een beroep doen op deze beleidsregel. Met ingang van 1 januari 2024 is deze beleidsregel vervallen.* - – *Onder 3.1 is een beleidsregel opgenomen voor de rechtstreekse verkoop van accijnsgoederen aan verbruikers vanuit een accijnsgoederenplaats. Deze beleidsregel wordt ingetrokken omdat de verkoop kan plaatsvinden vanuit een ruimte die duidelijk is afgescheiden van de accijnsgoederenplaats.* - – *Onder 3.4 is een beleidsregel opgenomen voor de verkoop van accijnsgoederen aan reizigers aan boord van schepen en vliegtuigen in het verkeer tussen twee lidstaten. Deze beleidsregel ziet met name op de ferry’s naar Engeland. Deze beleidsregel wordt ingetrokken omdat sinds de Brexit deze beleidsregel zijn belang heeft verloren.* - – *Onder 4.6 is een beleidsregel opgenomen voor het zuiveren van met vrijstelling ingeslagen minerale oliën. Deze beleidsregel wordt ingetrokken omdat er geen praktijktoepassing van deze beleidsregel bekend is.* - – *Onder 4.15 is een beleidsregel opgenomen voor de teruggaaf voor vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt in de glastuinbouw. Deze beleidsregel is gebaseerd op artikel 71e van de wet. Op grond van artikel VII Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw vervalt artikel 71e van de wet met ingang van 1 januari 2025. Daarom vervalt deze beleidsregel eveneens per 1 januari 2025.* - – *Onder 5.8 is een beleidsregel opgenomen voor verliesnormen bij vervoer van accijnsgoederen. De verliesnormen zijn met ingang van 1 januari 2025 opgenomen in de Uitvoeringsregeli"},{"b":"Accountantsprotocol gegevensvraag Wlz-gegevens met oplevering vanaf 2019 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op gegevens die nodig zijn voor de risicoverevening [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Deze gegevens hebben betrekking op Wlz-geïndiceerden en worden daarom opgevraagd bij de Wlz-uitvoerders voor de aan hen toegewezen zorgkantoren (per zorgkantoorregio). Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. In het ‘Handboek informatie zorgverzekeringswet’ van Zorginstituut Nederland zijn instructies voor de verantwoording opgenomen. De accountant geeft de bevindingen van zijn onderzoek weer in een rapport van feitelijke bevindingen. 1.2. Inwerkingtreding De raad van bestuur van de NZa heeft op 07 mei 2019 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.3. Leeswijzer [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042243) geeft de uitgangspunten weer van het accountantsprotocol. [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042243) gaat in op de overeengekomen specifieke werkzaamheden. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042243&bijlage=1&z=2019-05-28&g=2019-05-28) is een modeltekst opgenomen voor het rapport van feitelijke bevindingen. 2. Doelstelling en kader 2.1. Inleiding Het doel van dit accountantsprotocol is het verstrekken van duidelijkheid over de reikwijdte en diepgang van het accountantsonderzoek en het in dat kader af te geven rapport van feitelijke bevindingen. De accountant hanteert het accountantsprotocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de Verordening gedrags- en Beroepscode accountants (VGBA), de verordening inzake onafh"},{"b":"Accountantsprotocol Gegevensvraag Wlz-gegevens, vanaf oplevering 2025 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op Wlz-gegevens die nodig zijn voor de risicoverevening [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), zoals bedoeld in de ‘Gegevensuitvraag (voorheen Handboek Informatie Zorgverzekeringswet)’ (hierna: Gegevensuitvraag) van Zorginstituut Nederland. Deze gegevens hebben betrekking op Wlz-geïndiceerden en worden daarom opgevraagd bij de Wlz-uitvoerders voor de aan hen toegewezen zorgkantoren (per zorgkantoorregio). De Wlz-uitvoerder dient de gevraagde Wlz-gegevens, zoals beschreven in de Gegevensuitvraag uiterlijk 1 juni in bij Zorginstituut Nederland en de NZa. Hierbij dient de Wlz-uitvoerder ook een bestuursverklaring en een rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden in. Het doel van dit accountantsprotocol is het verstrekken van aanwijzingen over de reikwijdte en diepgang van het accountantsonderzoek en het in dat kader af te geven rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden ten aanzien van de door de Wlz-uitvoerder opgestelde bestuursverklaring bij het bestand Wlz-gegevens en het onderliggende bestand Wlz-gegevens. Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. Dit protocol is geldig vanaf 1 januari 2024. De accountant voert de opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden uit volgens [standaard 4400](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049711) en geeft de bevindingen weer in een rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden. De accountant voert de werkzaamheden uit op de bestuursverklaring bij het bestand Wlz-gegevens en het onderliggende bestand ‘Wlz-gegevens jaar T’. 1.2. Definities - *Accountant:* de persoon, zoals bedoeld in [artikel 393 lid 1 van Boek 2 afdeling 9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393). - *Pgb:* persoonsgebonden budget. - *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00359"},{"b":"Accountantsprotocol verantwoording kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv buitenland *Geldig voor oplevering vanaf 2020 door het orgaan van de woonplaats* 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding De minister van VWS heeft OWM Centrale Zorgverzekeraars Groep Zorgverzekeraar U.A. (verder: CZ) aangewezen als ‘orgaan van de woonplaats’ voor de toepassing van Verordening (EG) Nr. 883/2004 en de bilaterale verdragen betreffende de sociale zekerheid. Op basis van artikel 4 van de overeenkomst legt CZ financiële verantwoording van de gemaakte kosten van medische zorg af aan het Centraal Administratiekantoor door middel van de kostenstaat ‘kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv het buitenland’. Dit protocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de verantwoording ‘kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv het buitenland’ die het orgaan van de woonplaats jaarlijks moet opstellen en met accountantsproduct wordt uitgevraagd. Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. De raad van bestuur van de NZa heeft op 21 april 2020 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.2. Kader Op grond van [artikel 16 k. van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering door het orgaan de woonplaats van hetgeen is geregeld bij of krachtens [artikel 123 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=123) alsmede, voor zover het zorg betreft, de socialezekerheidsverordening, de toepassingsverordening en de verdragen inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is. Het onderzoek naar de juistheid van de door de orgaan van de woonplaats aangeleverde verantwoording is daar onderdeel van. De NZa kan"},{"b":"Accountantsprotocol Verantwoordingen Zorg- en beheerskosten gemaakt t.b.v. verdragsgerechtigden *Zorg- en beheerskosten gemaakt in Nederland t.b.v. gerechtigden t.l.v. het buitenland.* *Geldig voor oplevering vanaf 2019 door het orgaan van de verblijfsplaats en het bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtigden wonend in het buitenland* 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding De Minister van VWS heeft het Zilveren Kruis aangewezen als “orgaan van de verblijfsplaats” voor de toepassing van Verordening (EG) Nr. 883/2004 en de bilaterale verdragen inzake de sociale zekerheid. Ook is het Zilveren Kruis aangewezen als het bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtigden wonend in het buitenland. Dit protocol heeft betrekking op de jaarlijkse verantwoording die beide organen moeten opstellen en die met een accountantsproduct wordt uitgevraagd: | • Verantwoording “Zorg- en beheerskosten gemaakt t.b.v. verdragsgerechtigden” | Bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtigden wonend in het buitenland | | --- | --- | | • Verantwoording “Zorg- en beheerskosten gemaakt in Nederland t.b.v. gerechtigden t.l.v. het buitenland” | Orgaan van de verblijfsplaats | Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. De raad van bestuur van de NZa heeft op 16 juli 2019 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.2. Kader Op grond van [artikel 16 k. van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering door de organen van de verblijfsplaats, het bevoegd orgaan en het orgaan van de woonplaats van hetgeen is geregeld bij of krachtens [artikel 123 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=123)"},{"b":"Accountantsprotocol vervoerders 2017 *Beleidsregel met betrekking tot de verklaring, bedoeld in artikel 63c, negende lid, van de Wet personenvervoer 2000, van de accountant van vervoerders, bedoeld in artikel 63c, eerste en tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000, die op grond van artikel 63a van de Wet Personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor het verrichten van openbaar vervoer.* De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=16), [63a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63a), [63c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63c), [87, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87), en [124d van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=124d), Besluit: Hoofdstuk 1. Inleiding Paragraaf 1.1. Achtergrond - 1. Op grond van [artikel 87, vijfde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87) (hierna: de Wp2000), houdt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) toezicht op de naleving van, onder meer, hetgeen is bepaald bij of krachtens [artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid van de Wp2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63c). De achtergronden bij die bepalingen uit de Wp2000 laten zich als volgt samenvatten. De Wp2000 kent als basisregel dat concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer in bepaalde regio’s in Nederland, aan openbaarvervoerbedrijven dienen te worden gegund door middel van openbare aanbestedingen. [Artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63a) bevatten een uitzondering op die basisregel: bij uitzondering mogen bepaalde concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer worden gegund zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden. - 2. Volgens [artikel 63a, eerste lid, van de Wp2000](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"b":"ACM Beleidsregel financiële weerbaarheid energieleveranciers Artikel 1. (begrippen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *ACM:* Autoriteit Consument en Markt; - *Afslagen:* verminderingen of vermeerderingen die de vergunninghouder toepast op de verwachte leveringsverplichtingen; - *Energiemarktprijzen:* de prijzen van elektriciteit en gas zoals die tot stand komen op de handels- of groothandelsmarkt, op basis van vraag en aanbod, voor levering in een bepaalde tijdsperiode; - *Energieregeling:* [Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 november 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051774), nr. WJZ/102130805, houdende regels ter uitvoering van de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714) en het [Energiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051745),1Staatscourant 2025, 37730 - *Leveringsverplichtingen:* de verwachte hoeveelheid elektriciteit of gas die een vergunninghouder moet leveren aan haar afnemers op basis van reeds aangegane contractuele verplichtingen; - *Vergunning:* vergunning voor levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting als bedoeld in [artikel 2.17 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.17). Artikel 2. (toepassingsbereik) Bij het toezicht op de naleving van [artikel 2.18 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.18) beoordeelt de ACM onder meer of de vergunninghouder beschikt over de benodigde financiële kwaliteiten voor de levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting. Artikel 3. (liquiditeitsprognoses) 1. De ACM beoordeelt of de vergunninghouder gedurende ten minste de eerstvolgende twaalf kalendermaanden kan voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. De ACM toetst dit aan de hand van liquiditeitsprognoses waarmee de vergunninghouder aantoont dat de stand van de liquide middelen gedurende elk van deze maanden positief is in de hierna beschreven scena"},{"b":"ACM beleidsregel indiening codevoorstel voor gas en elektriciteit Paragraaf 1. – Algemeen Artikel 1. – Definities In deze richtsnoeren wordt verstaan onder: - – *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingwet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - – *Code:* de door ACM goedgekeurde methoden of voorwaarden op grond van [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); - – *Codevoorstel:* een voorstel voor of aanvulling of wijziging van methoden of voorwaarden van de gezamenlijke systeembeheerders als bedoeld in [artikel 3:120, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.120). Paragraaf 2. – Het codevoorstel Artikel 2. – In behandeling nemen codevoorstel 1. Naar het oordeel van ACM bevat een codevoorstel voldoende informatie om in behandeling genomen te worden, indien uit het codevoorstel gemotiveerd en afdoende blijkt: - a. op welke wijze het codevoorstel rekening houdt met belangen genoemd in [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121), - b. met welke representatieve organisaties overleg heeft plaatsgevonden over het codevoorstel, - c. welke representatieve organisaties op het codevoorstel hebben gereageerd, - d. wat de inhoud is van de onder c bedoelde reacties en op welke onderdelen van de code deze reacties betrekking hebben, - e. welke gevolgtrekkingen verbonden zijn aan de reacties die de representatieve organisaties naar voren hebben gebracht en welke overwegingen tot deze gevolgtrekkingen hebben geleid. Indien geen gevolgtrekkingen worden verbonden aan een reactie van een representatieve organisatie, wordt dit in het codevoorstel gemotiveerd, - f. welke onderdelen van de code met het codevoorstel worden gewijzigd, - g. wat de aanleiding is van de indiening van het codevoorstel en wat de re"},{"b":"ACM Beleidsregel ontheffingen codes voor gas en elektriciteit Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - – *Aanvrager:* degene die bij de ACM een aanvraag indient om een ontheffing; - – *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - – *Code:* de door ACM goedgekeurde methoden of voorwaarden op grond van [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); - – *Ontheffing:* een ontheffing van de codes als bedoeld in [artikel 3.124, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.124); - – *Systeembeheerder:* systeembeheerder als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1). Artikel 2. Ontheffing van de codes De ACM verleent op aanvraag alleen een tijdelijke ontheffing, indien naar haar oordeel onverkorte toepassing van de codes in individuele gevallen of onder specifieke omstandigheden een ongewenste uitwerking heeft. Artikel 3. Aanvraag 1. De ACM stelt op haar website een aanvraagformulier ter beschikking voor het indienen van een ontheffingsaanvraag. 2. De ACM neemt de aanvraag in behandeling als de aanvrager het onder het eerste lid genoemde aanvraagformulier volledig ingevuld en ondertekend heeft en heeft voorzien van alle gevraagde informatie en relevante stukken genoemd in het aanvraagformulier. 3. De ACM zendt binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, onder vermelding van de dag van ontvangst. Artikel 4. Procedure De ACM past de in [afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure toe op de voorbereiding van besluiten op de aanvraag van een ontheffing, tenzij gelet op de aard van de ontheffing daarvan wordt"},{"b":"ACM Beleidsregel over afspraken in het kader van de beweging ‘De juiste zorg op de juiste plek’ 1. Inleiding - 1. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is een onafhankelijke toezichthouder. De missie van de ACM is om markten goed te laten werken voor mensen en bedrijven. De ACM ziet toe op de naleving van de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) door ondernemingen, waaronder zorgaanbieders en zorgverzekeraars (hierna: marktpartijen). - 2. De [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) waarborgt effectieve en eerlijke concurrentie. Uitgangspunt is dat marktpartijen hun marktgedrag niet onderling afstemmen, maar zich juist onderscheiden naar hun afnemers toe. Zij worden daardoor gestimuleerd om innovatievere, betere en efficiëntere dienstverlening aan te bieden. Dit komt de samenleving als geheel ten goede. Samenwerking, ook tussen concurrenten, kan eveneens bijdragen aan innovatievere, betere en efficiëntere dienstverlening. Samenwerking en concurrentie zijn geen tegenpolen, en concurrentie is geen doel op zich. - 3. In de zorg is samenwerking veelal noodzakelijk om goed in te kunnen spelen op de wensen en behoeften van patiënten en verzekerden. De [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) staat veel vormen van samenwerking dan ook niet in de weg. Bijvoorbeeld omdat de samenwerking de concurrentie helemaal niet beperkt, of slechts in zeer geringe mate. En ook wanneer de voordelen van die samenwerking worden doorgegeven aan patiënten en verzekerden, en opwegen tegen de nadelen van het beperken van de concurrentie. De Mededingingswet stelt wel grenzen aan samenwerking. Patiënten, verzekerden en marktpartijen in de zorg moeten erop kunnen vertrouwen dat markten in de zorg eerlijk werken. De ACM ziet daarop toe en draagt zo bij aan kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. De juiste zorg op de juiste plek - 4. In 2018 heeft de Taskforce De juiste zorg op de juiste plek in opdracht"},{"b":"ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2024 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. *Instellingswet:* [Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043); - 2. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - 3. *ACM-organisatie:* de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5); - 4. *Afronding van een onderzoek:* de definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek of, indien van toepassing, de definitieve afronding van het onderzoek benodigd voor nacontroles aangekondigd op het moment van definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek; - 5. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 6. *Betrokkene:* - 1: degene die de geadresseerde is bij de inzet van de bevoegdheid van [artikel 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16) en/of [artikel 5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) juncto [artikel 5:20 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), - 2: degene die op grond van [artikel 6b, eerste lid, van de Instellingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6b) wordt verzocht gegevens te verstrekken; - 7. *Gegevens:* analoge of digitale gegevens; - 8. *Claimprocedure:* procedure als bedoeld in [ACM werkwijze voor onderzoek in digitale gegevens 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034802) waarbij de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld aan te geven welke gegevens geprivilegieerd zijn. - 9. *Toezichthoudend ambtenaar:* degene die als zodanig op grond van het [Besluit aanwijzing toezichthouders ACM 202"},{"b":"ACM Werkwijze voor onderzoek in digitale gegevens 2014 Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - 1 *afronding van een onderzoek:* de definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek of, indien van toepassing, de definitieve afronding van het onderzoek benodigd voor nacontroles aangekondigd op het moment van definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek; - 2 *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 3 *betrokkene:* degene die de geadresseerde is bij de inzet van de bevoegdheden van [artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17); - 4 *binnen-de-reikwijdte:* dat wat naar zijn aard en/of inhoud redelijkerwijs binnen het doel en voorwerp van het onderzoek kan vallen; - 5 *binnen-de-reikwijdte dataset:* dataset die tot stand komt na het aan de hand van zoektermen digitaal doorzoeken van de dataset die is veilig gesteld; - 6 *dataset:* een verzameling gegevens; - 7 *gegevens:* digitale gegevens; - 8 *hashwaarde:* een controleerbare wiskundige berekening over de inhoud van een digitaal bestand; - 9 *moment van ter inzage verlening:* moment waarop inzage wordt verleend als bedoeld in [artikel 5:49, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:49); - 10 *onderzoeksdataset:* dataset die binnen-de-reikwijdte is nadat de ‘ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2014’ en het onderstaande [artikel 2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034802&artikel=2.3&z=2024-08-09&g=2024-08-09), is toegepast; - 11 *toezichthoudend ambtenaar:* degene die als zodanig op grond van het ‘[Besluit aanwijzing toezichthouders ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033227)’ is aangewezen; - 12 *veiligstellen:* overzetten van gegevens door een toezichthoudend ambtenaar op een gegevensdrager van een toezichthoudend ambtenaar. Waarborg"},{"b":"Actualisering taken Commissie Ontwikkeling Defensie Materieel (CODEMA) Artikel 1. Doelstelling en taken CODEMA 1. De CODEMA heeft tot doel het stimuleren van ontwikkelingsprojecten op het gebied van defensie-materieel, mede in het licht van het versterken van de concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven. Dit doel wordt verwezenlijkt door middel van een financieringsregeling voor het uitvoeren van c.q. deelnemen aan ontwikkelingsprojecten op basis van verwachtbare defensiebehoeften of in het kader van relevante economische factoren. 2. De CODEMA is belast met de volgende taken met betrekking tot (potentiële) projecten: - a. projectselectie en -goedkeuring; - b. vaststelling van de financiering; - c. het geven van richtlijnen en aanwijzingen aan het krijgsmachtdeel of aan een andere daartoe aangewezen instantie, belast met de contractafsluiting; - d. het formuleren van het beleid inzake ontwikkelingsprojecten en het geven van richtlijnen ten aanzien van de uitvoering van dat beleid. Deze richtlijnen worden bekend gesteld in de vorm van de CODEMA-werkwijze. Artikel 2. Samenstelling CODEMA 1. De CODEMA bestaat uit de volgende leden: - a. de directeur-generaal Materieel, tevens voorzitter; - b. de directeur Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling van het directoraat-generaal Materieel, tevens plaatsvervangend voorzitter; - c. de directeur Financieel Beheer van het directoraat-generaal Economie en Financiën; - d. de chef van de directie Atlantische Samenwerking en Veiligheidsaangelegenheden van het ministerie van Buitenlandse Zaken; - e. het hoofd van de sectie Defensie van de Inspectie der Rijksfinanciën van het ministerie van Financiën; - f. de commissaris voor Militaire Produktie en Overheidsaanschaffingen van het directoraat-generaal voor de Industrie en Regionaalbeleid van het ministerie van Economische Zaken. 2. De leden kunnen zich doen vervangen dan wel laten bijstaan door functionarissen behorend tot hun ressort. 3. Tot - niet stemgerechtigde - ad h"},{"b":"Addendum bij het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland (‘Reglement’) voor High End Series & Single Episodes Artikel a Ten behoeve van aanvragen voor televisieseries worden aan [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043037&artikel=1) de volgende definities toegevoegd: - *animatieserie:* een televisieserie die een kunstmatige techniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat, met een netto duur van tenminste 100 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk tenminste 10 minuten met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 3 minuten in het geval van een serie voor kinderen van zes jaar of jonger; - *documentaireserie:* een non-fictie televisieserie van cinematografische kwaliteit met een netto duur van tenminste 120 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte (seizoen)reeks, die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl; - *dramaserie:* een televisieserie van cinematografische kwaliteit in het genre fictie die door zijn productiewaarde en artistieke kwaliteit het aanbod van series verrijkt en primair bestemd is voor televisie-uitzending met een netto duur van tenminste 120 minuten verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten, met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 10 minuten in het geval van een serie voor kinderen van 12 jaar of jonger; - *minutenprijs:* productiekosten per uitzendminuut; - *single episode* Eén (1) afzonderlijke aflevering die onderdeel uitmaakt van één (1) uit meerdere afleveringen bestaande seizoenreeks van een televisieserie; - *televisieserie:* een high end animatie-, documentaire- of dramaserie, met"},{"b":"Addendum bij het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland (‘Reglement’) voor High End Series & Single Episodes 2022 *Annex to the Netherlands Film Production Incentive Scheme (‘Scheme’) for High End Series & Single Episodes* Artikel a Ten behoeve van aanvragen voor series worden aan [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=1) de volgende definities toegevoegd: - *animatieserie:* een serie die een kunstmatige techniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat, met een netto duur van tenminste 100 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk tenminste 10 minuten met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 3 minuten in het geval van een serie voor kinderen van zes jaar of jonger; - *documentaireserie:* een non-fictie serie van cinematografische kwaliteit met een netto duur van tenminste 120 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte (seizoen)reeks, die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl; - *dramaserie:* een serie van cinematografische kwaliteit in het genre fictie die door zijn productiewaarde en artistieke kwaliteit het aanbod van series verrijkt en primair bestemd is voor televisie-/VOD-uitzending met een netto duur van tenminste 120 minuten verdeeld over minimaal drie afleveringen, met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 10 minuten in het geval van een serie voor kinderen van 12 jaar of jonger; - *minutenprijs:* totale productiekosten per uitzendminuut; - *referentieserie:* een serie van een majoritair (co)producent binnen dezelfde categorie en minutenprijs; - *single episode:* Eén (1) afzonderlijke aflevering die onderdee"},{"b":"Addendum bij Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor High End Series & Single Episodes Artikel a Ten behoeve van aanvragen voor televisieseries worden aan [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122&artikel=1) de volgende definities toegevoegd: - *animatieserie:* een televisieserie die een kunstmatige techniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat, met een netto duur van tenminste 100 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk tenminste 10 minuten met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 3 minuten in het geval van een serie voor kinderen van zes jaar of jonger; - *documentaireserie:* een non-fictie televisieserie van cinematografische kwaliteit met een netto duur van tenminste 120 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte (seizoen)reeks, die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl; - *dramaserie:* een televisieserie van cinematografische kwaliteit in het genre fictie die door zijn productiewaarde en artistieke kwaliteit het aanbod van series verrijkt en primair bestemd is voor televisie-uitzending met een netto duur van tenminste 120 minuten verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten, met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 10 minuten in het geval van een serie voor kinderen van 12 jaar of jonger; - *minutenprijs:* productiekosten per uitzendminuut; - *single episode:* Eén (1) afzonderlijke aflevering die onderdeel uitmaakt van één (1) uit meerdere afleveringen bestaande seizoenreeks van een televisieserie; - *televisieserie:* een high end animatie-, documentaire- of dramaserie, met inbegrip van een"},{"b":"Addendum Model Jaarverslaggeving 2016 CAK 1. Addendum Model Jaarverslaggeving 1.1. Algemeen Dit document is een addendum op het op 20 september 2016 door de raad van bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het op 19 januari 2017 door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), vastgestelde [Model Jaarverslaggeving 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038725). Dit model is gepubliceerd in de Staatscourant en te raadplegen op de website van de NZa (www.nza.nl). 1.2. Waarderingsgrondslagen De hierna opgenomen waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 vervangen de betreffende waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 in het [Model Jaarverslaggeving 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038725). 1.2.1. Jaarrekening De jaarrekening 2016 wordt zoveel mogelijk ingericht conform [Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, die uitgegeven zijn door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Indien het CAK ervoor kiest om af te wijken van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (met andere woorden kiest voor eigen grondslagen) wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in zijn jaarrekening. 1.2.2. Bestuurlijke verantwoording Het in de bestuurlijke verantwoording 2016 opgenomen overzicht van activa en passiva van de geldstromen van de door het CAK uitgevoerde wettelijke taken, de matrix bestuurlijke verantwoording VWS en de matrix bestuurlijke verantwoording NZa worden opgesteld op kasbasis. Indien het CAK ervoor kiest om hiervan af te wijken wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in de bestuurlijke verantwoording."},{"b":"Addendum Protocol Accountantsonderzoek 2016 1. Addendum Protocol Accountantsonderzoek 1.1. Algemeen Dit document is een addendum op het op 20 september 2016 door de raad van bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het op 19 januari 2017 door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), vastgestelde [Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038721). Dit protocol is gepubliceerd in de Staatscourant en te raadplegen op de website van de NZa (www.nza.nl). 1.2. Waarderingsgrondslagen De hierna opgenomen waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 vervangen de betreffende waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 in het [Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038721). 1.2.1. Jaarrekening De jaarrekening 2016 wordt zoveel mogelijk ingericht conform [Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, die uitgegeven zijn door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Indien het CAK ervoor kiest om af te wijken van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (met andere woorden kiest voor eigen grondslagen) wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in zijn jaarrekening. 1.2.2. Bestuurlijke verantwoording Het in de bestuurlijke verantwoording 2016 opgenomen overzicht van activa en passiva van de geldstromen van de door het CAK uitgevoerde wettelijke taken, de matrix bestuurlijke verantwoording VWS en de matrix bestuurlijke verantwoording NZa worden opgesteld op kasbasis. Indien het CAK ervoor kiest om hiervan af te wijken wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in de bestuurlijke verantwoording. 1.3. Controleverklaringen Door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is een nieuw stelsel van controleverklaringen"},{"b":"Addendum Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Defensie) Artikel 1 Dit besluit is een addendum bij het [besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Defensie ter vaststelling van de ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Defensie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017947)’ en de daarbij behorende toelichting d.d. 25 januari 2005 (kenmerk C/S/05/139 (gepubliceerd in de Staatscourant 2005, nr. 62 d.d. 31 maart 2005)). Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Defensie, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Defensie, nr. 98.27.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, nr. 142 d.d. 30 juli 1998)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handeling 303.1 van de Minister van Defensie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Additioneel artikel gevoegd bij de Overeenkomst tussen Nederland en België betreffende de grensscheiding, gesloten te Maastricht op 8 augustus 1843 *Il est entendu, que la franchise de droits, mentionnée à l'article vingt du traité du trois Mai mil huit cent quinze, entre la Russie et l'Autriche, cité à l'article trente sept de la présente convention, s'applique uniquement au cas de transport du lieu de production, vers le siège de l'exploitation agricole des terres coupées par la frontière.* Par *produits de leur fabrication et production industrielles*, mentionnés au même article vingt du traité du trois Mai mil huit cent quinze, ou entend exclusivement ceux de l'industrie agricole, obtenus uniquement pas les produits du sol coupé par la ligne de frontière, et manipulés sur les lieux où ils ont été recoltés. Dans aucun cas, la franchise de droits dont ils jouiront, ne pourra s'étendre aux accises ou droits de consommation qui pèsent sur des produits indigènes de la même espèce, dans le pays où ils seront transportés. Ces droits d'accises ou de consommation seront calculés d'après la base admise, dans l'Etat intéressé, pour la décharge accordée à l'exportation des produits similaires. Les sujets des deux pays jouiront, réciproquement, de toutes les faveurs accordées par les §§ quatre et cinq de l'article cinq de la loi du vingt six Août mil huit cent vingt deux (*Journal Officiel des Pays-Bas*, numéro trente huit) aux habitants des frontières, à l'égard de leurs chevaux, bestiaux, fruits et productions du sol et des arbres, semences, engrais et moyens de transport, pourvu qu'ils remplissent les formalités y prescrites, et qu'ils se conforment aux mesures prises ou à prendre par les gouvernements respectifs, pour prévenir la fraude. Ne participeront toutefois à ces faveurs, que les propriétaires ou possesseurs des terres situées à une distance de moins de cinq mille cinq cents mètres de la ligne de frontière, sans distinction si elles touchent à cette ligne, ou si e"},{"b":"Additioneel Protocol bij het Internationale Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart \"EUROCONTROL\" *De Staten welke partij zijn bij het op 13 december 1960 te Brussel ondertekende Internationale Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL”, hierna genoemd „het Verdrag”, waarbij de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL”, hierna genoemd „de Organisatie” is opgericht, Zijn overeengekomen als volgt:* Artikel 1 1. Onverminderd de in de artikelen 19 en 20 van het Verdrag voorziene vrijstellingen treffen de Regeringen van de Lid-Staten, wanneer de Organisatie in het kader van haar officiële werkzaamheden belangrijke zaken verwerft of gebruik maakt van diensten van belangrijke waarde, terzake waarvan indirecte rechten of belastingen met inbegrip van zodanige bij invoer geheven rechten en belastingen, voor zover zij niet onder art. 20, lid 1, van het Verdrag vallen, geheven zijn of kunnen worden, zo mogelijk, passende maatregelen om de gevolgen van bedoelde rechten en belastingen voor de Organisatie weg te nemen door een aanpassing van de financiële bijdragen welke aan de Organisatie worden verstrekt dan wel door vrijstelling of teruggave aan de Organisatie van het bedrag van de indirecte rechten en belastingen. 2. Met betrekking tot betalingen van de Organisatie aan Lid-Staten wegens investeringen door die Staten verricht, dragen, voor zover de kosten daarvan door de Organisatie moeten worden vergoed, deze Staten zorg dat in hun opgave van de desbetreffende bedragen aan de Organisatie geen rechten of belastingen zijn begrepen waarvan de Organisatie zou zijn vrijgesteld of die zij zou terugontvangen dan wel welke aanleiding tot een aanpassing van de financiële bijdragen aan de Organisatie zouden geven, indien de Organisatie zelf deze investeringen zou hebben gedaan. 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor rechten of belastingen die niet anders zijn dan vergoe"},{"b":"Additionele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België houdende uitbreiding tot de Nederlandse koloniën van het uitleveringsverdrag van 31 mei 1889 *Sa Majesté la Reine des Pays Bas, et en Son nom, Sa Majesté la Reine-Régente du Royaume, et Sa Majesté le Roi des Belges, ayant jugé utile d'étendre la convention pour l'extradition des malfaiteurs, conclue à Bruxelles, le 31 mai 1889, aux colonies Néerlandaises au moyen d'une convention additionnelle, ont nommé à cet effet pour Leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté la Reine-Régente du Royaume des Pays-Bas, Monsieur le Baron Gericke de Herwijnen, Chevalier Grand Croix de l'Ordre du Lion Néerlandais, chevalier de 1e classe de l'Ordre du Lion d'or de la Maison de Nassau, Grand Cordon de l'Ordre de Léopold de Belgique etc. etc., Envoyé Extraordinaire et Ministre Plénipotentiaire de Sa Majesté la Reine des Pays-Bas près Sa Majesté le Roi des Belges; et Sa Majesté le Roi des Belges, Monsieur le Comte de Merode Westerloo, Chevalier de l'Ordre de Léopold, Grand Cordon des Ordres du Saveur de Grèce, de l'Etoile de Roumanie etc. etc., Membre de la chambre des Représentants, son Ministre des Affaires Etrangères; lesquels, après s'être communiqué leurs pleins-pouvoirs, trouvés en bonne et due forme sont convenus de ce qui suit:* Article 1 Les stipulations de la [convention pour l'extradition des malfaiteurs](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006150) conclue à Bruxelles le 31 mai 1889, seront applicables aux colonies et possessions étrangères des Pays Bas, mais, étant basées sur la législation de la mère patrie, ces dispositions ne seront observées que pour autant qu'elles seront compatibles avec les lois en vigueur dans ces colonies et possessions. Par dérogation à [l'article 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006150&artikel=10) de la convention précitée, le délai pour la mise en liberté sera de trois mois. Article 2 La présente convention additionnelle entrera en vigueur trois mois a"},{"b":"Administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit de volgende regeling vastgesteld: Regeling Administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnsproducten. 1. Reikwijdte regeling Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die zorg leveren als bedoeld in de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) voor zover ze de modules samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorg leveren. 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van de navolgende voorschriften met betrekking tot de administratie en declaratie van gegevens met betrekking tot geïntegreerde eerstelijnszorgproducten: - A. Administratievoorschriften zoals genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030690) van deze regeling zijn bedoeld om de volumes en prijzen van deze producten te kunnen monitoren. - B. Declaratievoorschriften, zoals genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030690) van deze regeling, zijn bedoeld om inzichtelijke, rechtmatige declaraties mogelijk te maken en dubbele bekostiging te voorkomen; 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 3.1 *Samenwerkingsverband in het kader van de module geïntegreerde eerstelijnszorg* Een samenwerkingverband is een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren, die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. Deze samenwerking bestaat in ieder geval uit samenwerking tussen een zorgaanbieder die huisartsenzorg verleent met één of meer zorgaanbieders die andere zorg verlenen. Zij leveren gezamenlijk geïntegreerde"},{"b":"Administratie- en declaratievoorschriften ZZP-meerzorg Wlz Ingevolge de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [artikel 38 derde lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de registratie en declaratie van ZZP-meerzorg. 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) zijn toegelaten voor persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). Deze beleidsregel is tevens van toepassing op een natuurlijke persoon, indien en voor zover deze persoon een of meer van de navolgende vormen van zorg levert: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). 2. Doel Deze regeling beoogt dat rekeningen voor verrichte prestaties in het kader van ZZP-meerzorg worden gespecificeerd. Dit om inzichtelijke, rechtmatige declaraties te bevorderen en dubbele declaraties te voorkomen. 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 3.1 *Zorgaanbieder* De zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 3.2 *ZZP-meerzorg* ZZP-meerzorg is een declarabele prestatie voor de bekostiging van zorg zoals bepaald in [artikel 3.1.1, tweede lid, Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1) en [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036"},{"b":"Administratiebesluit I Wedervergeldingswet zeescheepvaart Artikel 1 Voor de toepassing van het bij dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: ‘lijnvervoer’: het vervoer tegen vaste vervoertarieven door scheepvaartondernemingen, die een geregelde dienst onderhouden tussen twee of meer havens; ‘conference’: een groep van twee of meer vervoerders, die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of bepaalde routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook heeft, binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven, en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten. Artikel 2 Een ieder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip: - a. tussen Nederland en Oost-Afrika (de landen Somalië, Kenia, Oeganda, Zambia, Tanzania en Mozambique) - b. tussen Nederland en Midden-Amerika (Oost- en Westkust, vanaf de Zuidmexicaanse grens tot en met Panama, de Caribische eilanden niet meebegrepen) dient voor dat vervoer de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=3&z=1981-02-27&g=1981-02-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=4&z=1981-02-27&g=1981-02-27) van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=2&z=1981-02-27&g=1981-02-27) dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. datum van instelling, wijziging of beëindiging van de lijndienst; - c. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen; - d. nationaliteit van de in de lijndienst gebruikte schepen, en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd; - e. scheepstypen (vrachtschip, containerschip, ro-ro-schip, lash-schip of derg"},{"b":"Administratiebesluit II Wedervergeldingswet zeescheepvaart Artikel 1 Voor de toepassing van het bij dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: ‘lijnvervoer’: het vervoer tegen vaste vervoertarieven door scheepvaartondernemingen, die een geregelde dienst onderhouden tussen twee of meer havens; ‘conference’: een groep van twee of meer vervoerders, die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of bepaalde routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook heeft, binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven, en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten. Artikel 2 Een ieder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip tussen Nederlandse havens en havens in het Verre Oosten (Japan, Taiwan, Hong Kong, Maleisië. Singapore, de Republiek Korea, de Philippijnen en Thailand), dient voor dit vervoer de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003415&artikel=3&z=1981-07-01&g=1981-07-01) van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003415&artikel=2&z=1981-07-01&g=1981-07-01) dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen; - c. omschrijving van het vaargebied in het Verre Oosten; - d. nationaliteit van de in de lijndienst gebruikte schepen, en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd; - e. voor zover van toepassing: lidmaatschap van een lijnvaartconference of deelconference, en de naam van deze conference. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Administratiebesluit II Wedervergeldingswet zeescheepvaart. Artikel 5 Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscoura"},{"b":"Administratiebesluit wet vervoer over zee Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder ‘ lijnvervoer het vervoer tegen vaste vervoertarieven door scheepvaartondernemingen die een geregelde dienst onderhouden tussen twee of meet havens; ‘ conference een groep van twee of meet vervoerders die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of bepaalde routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook, heeft, binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven, en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten. Artikel 2 Een leder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip van of naar Nederland dient voor dat vervoer de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003637&artikel=3&z=1983-12-08&g=1983-12-08) en 4 van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003637&artikel=2&z=1983-12-08&g=1983-12-08), dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. datum van instelling, wijziging of beëindiging van de lijndienst; - c. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen en, voor zover gecharterde schepen worden gebruikt, de naam en de nationaliteit van de eigenaar; - d. de staat waarvan de in de lijndienst gebruikte schepen de vlag voeren; - e. omschrijving van het vaargebied; - f. voor zover van toepassing, lidmaatschap van een lijnvaartconference of deelconference, en de naam van deze conference; - g. scheepstypen (vrachtschip, containerschip of dergelijke); - h. de tonnages zoals die vermeld zijn in de bij het schip behorende meetbrief; - i. ladingcapaciteit en, voor zover van toepassing, de containercapaci"},{"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 28 October 1952 te 's-Gravenhage ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, voor wat betreft de mijnwerkers *En application de l'article 31 de la Convention générale entre le Royaume des Pays-Bas et la République Italienne sur les assurances sociales, signée à La Haye le 28 octobre 1952 (ensuite nommée Convention), les Autorités administratives suprêmes néerlandaise et italienne, représentées par: du côté néerlandais: M. J. G. Suurhoff, Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, du côté italien: M. Ezio Vigorelli, Ministre du Travail et de la Prévoyance Sociale, ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes en ce qui concerne les modalités d'application de ladite Convention aux travailleurs des mines.* TITRE I. Dispositions générales Article 1 Le présent arrangement définit les modalités particulières d'application de la Convention aux ressortissants italiens ou néerlandais qui travaillent ou ont travaillé dans les mines de l'un ou de l'autre pays, ainsi qu'à leurs ayants droit, et aux ressortissants italiens ou néerlandais qui ont travaillé successivement ou alternativement dans les mines de l'un et de l'autre pays, ainsi qu'à leurs ayants droit. Article 2 L'arrangement administratif général du 11 février 1955 relatif aux modalités d'application de la Convention est applicable aux travailleurs visés à l'article 1 et à leurs ayants droit, sous réserve des dispositions contenues dans le présent arrangement. Article 3 Sont considérées comme mines, pour l'application de la Convention, les exploitations italiennes qui seraient assujetties à la régie mentation spéciale néerlandaise sur la retraite des travailleurs des mines, si elles étaient situées aux Pays-Bas, à savoir: - 1) les mines de charbon; - 2) les usines de sous-produits du charbon qui sont annexées aux charbonnages. Article 4 Son"},{"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 7 januari 1950 tussen Nederland en Frankrijk gesloten Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid *En application de l'article 26 de la Convention générale entre les Pays-Bas et la France du 7 janvier 1950, les Autorités administratives suprêmes néerlandaise et française, représentées par: Du côté néerlandais: M. A. M. Joekes, Ministre des Affaires Sociales et de la Santé Publique; Du côté français: M. Pierre Garet, Ministre du Travail et de la Sécurité Sociale; M. Camille Laurens, Ministre de l'Agriculture; ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes en ce qui concerne les modalités d'application de cette Convention.* TITRE 1er. Application de l'article 3 de la Convention générale Article 1er Lorsque les travailleurs salariés ou assimilés sont occupés dans un pays autre que celui de leur résidence habituelle par une entreprise ayant dans le pays de cette résidence un établissement dont les intéressés relèvent normalement et qu'ils demeurent soumis à la législation en vigueur dans le pays de leur lieu de travail habituel en vertu de l'article 3, paragraphe 2, a), de la Convention générale, les dispositions suivantes sont applicables: - 1.) — L'employeur et les intéressés règlent directement toute question concernant leurs cotisations et prestations de sécurité sociale avec l'organisme compétent français, lorsque le pays du lieu de travail habituel est la France et avec l'organisme compétent néerlandais, lorsqu'il s'agit des Pays-Bas. - 2.) — Les organismes compétents du pays du lieu de travail habituel remettent à chacun des intéressés un certificat dont le modèle est fixé par la Commission Technique visée à l'article 48 attestant qu'il reste soumis à la législation de sécurité sociale de ce pays. Ce certificat doit être produit, le cas échéant, par le préposé de l'employeur dans l'autre pays, si un tel préposé existe, sinon par le travailleur lui-même. Lorsqu'un certain nombre"},{"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 8 juli 1950 tussen Nederland en het Groothertogdom Luxemburg gesloten Algemeen Verdrag inzake de sociale zekerheid *En application de l'article 21 de la Convention générale entre le Grand-Duché de Luxembourg et les Pays-Bas du 8 juillet 1950, les autorités administratives suprêmes néerlandaises et luxembourgeoises représentées par: du côté néerlandais: M. J. G. Suurhoff, Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, du côté luxembourgeois: M. N. Biever, Ministre du Travail, de la Sécurité sociale et des Mines, ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes en ce qui concerne les modalités d'application de cette Convention.* TITRE Ier. Application de l'article 3 de la Convention générale Article 1er Lorsque les travailleurs salariés ou assimilés occupés dans un pays autre que celui de leur résidence habituelle demeurent soumis à la législation en vigueur dans le pays de leur lieu de travail habituel en vertu de l'article 3, paragraphe 2, *a*) de la Convention générale, les dispositions suivantes sont applicables: - 1) L'employeur et les intéressés règlent directement toute question concernant leurs cotisations et prestations de sécurité sociale avec les organismes compétents luxembourgeois lorsque le pays du lieu de travail habituel est le Grand-Duché de Luxembourg, et avec les organismes compétents néerlandais, lorsqu'il s'agit des Pays-Bas. - 2) Le Ministère du Travail et de la Sécurité sociale pour le Grand-Duché, et les organismes assureurs compétents pour les Pays-Bas, remettent à chacun des intéressés un certificat attestant qu'il reste soumis à la législation de sécurité sociale de ce pays. Ce certificat doit être produit par le préposé de l'employeur dans l'autre pays, si un tel préposé existe, sinon par le travailleur lui-même, dans le Grand-Duché au Ministère du Travail et de la Sécurité sociale, dans les Pays-Bas aux organismes assureurs compétents. Lorsqu'un"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië *En application des articles 17, paragraphe 2, 35, paragraphe premier, et 36 de la Convention de Sécurité Sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République socialiste fédérative de Yougoslavie, signée à Beograd, le 11 mai 1977 (ci-après désignée par le terme „Convention”), les autorités compétentes néerlandaises et yougoslave, à savoir: le Ministre néerlandais des Affaires Sociales et le Ministre de la Santé Publique et de la Protection de l'Environnement et le Président du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi au nom du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à l'article 1 de la Convention ont la signification qui leur est attribuée audit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement sont désignés comme „organismes de liaison”: - 1. du côté néerlandais: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: le „Ziekenfondsraad” (Conseil des caisses de maladie) à Amstelveen; - b) pour les pensions de vieillesse et de survie, ainsi que pour les allocations familiales: le „Sociale Verzekeringsbank” (Banque de l'assurance sociale) à Amsterdam; - c) dans tous les autres cas: le „Gemeenschappelijk Administratiekantoor” (Office commun d'administration) à Amsterdam. - 2. du côté yougoslave: - a) pour les prestations en cas de maladie et de maternité: l'Union des Associations d'assurance maladie de Yougoslavie; - b) pour les prestations de vieillesse, de survie, d'invalidité et de chômage: „l'Union des Associations d'assurance pension-invalidité de Yougoslavie”; - c) pour les allocations familiales: le service commun de l'Un"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië *En application des articles 17, paragraphe 2, 35, paragraphe premier, et 36 de la Convention de Sécurité Sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République socialiste fédérative de Yougoslavie, signée à Beograd, le 11 mai 1977 (ci-après désignée par le terme „Convention”), les autorités compétentes néerlandaises et yougoslave, à savoir: le Ministre néerlandais des Affaires Sociales et le Ministre de la Santé Publique et de la Protection de l'Environnement et le Président du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi au nom du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à l'article 1 de la Convention ont la signification qui leur est attribuée audit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement sont désignés comme „organismes de liaison”: - 1. du côté néerlandais: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: le „Ziekenfondsraad” (Conseil des caisses de maladie) à Amstelveen; - b) pour les pensions de vieillesse et de survie, ainsi que pour les allocations familiales: le „Sociale Verzekeringsbank” (Banque de l'assurance sociale) à Amsterdam; - c) dans tous les autres cas: le „Gemeenschappelijk Administratiekantoor” (Office commun d'administration) à Amsterdam. - 2. du côté yougoslave: - a) pour les prestations en cas de maladie et de maternité: l'Union des Associations d'assurance maladie de Yougoslavie; - b) pour les prestations de vieillesse, de survie, d'invalidité et de chômage: „l'Union des Associations d'assurance pension-invalidité de Yougoslavie; - c) pour les allocations familiales: le service commun de l'Uni"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië TITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article 1 *Vervallen* Article 2 *Vervallen* Article 3 *Vervallen* Article 4 *Vervallen* TITRE II. DISPOSITIONS PARTICULIÈRES CHAPITRE 1. Prestations de maladie et de maternité Article 5 *Vervallen* Article 6 *Vervallen* Article 7 *Vervallen* Article 8 *Vervallen* Article 9 *Vervallen* Article 10 *Vervallen* Article 11 *Vervallen* Article 12 *Vervallen* Article 13 *Vervallen* Article 14 *Vervallen* Article 15 *Vervallen* Article 16 *Vervallen* Article 17 *Vervallen* Article 18 *Vervallen* Article 19 *Vervallen* Article 20 *Vervallen* Article 21 *Vervallen* Article 22 *Vervallen* CHAPITRE 2. Invalidité, vieillesse et décès (pensions) Introduction et instruction des demandes Article 23 *Vervallen* Article 24 *Vervallen* Article 25 *Vervallen* Article 26 *Vervallen* Article 27 *Vervallen* Article 28 *Vervallen* Paiement des prestations Article 29 *Vervallen* Article 30 *Vervallen* Article 31 *Vervallen* CHAPITRE 3. Chômage et allocations familiales Article 32 *Vervallen* Article 33 *Vervallen* Article 34 *Vervallen* TITRE III. DISPOSITIONS DIVERSES Article 35 *Vervallen* Article 36 *Vervallen* Article 37 *Vervallen* Article 38 *Vervallen* Article 39 *Vervallen* Article 40 *Vervallen* Article 41 *Vervallen* Article 42 *Vervallen* Article 43 *Vervallen* Article 44 *Vervallen* Article 45 *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië *En application des articles 17, paragraphe 2, 35, paragraphe premier, et 36 de la Convention de Sécurité Sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République socialiste fédérative de Yougoslavie, signée à Beograd, le 11 mai 1977 (ci-après désignée par le terme „Convention”), les autorités compétentes néerlandaises et yougoslave, à savoir: le Ministre néerlandais des Affaires Sociales et le Ministre de la Santé Publique et de la Protection de l'Environnement et le Président du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi au nom du Comité fédéral du Travail et de l'Emploi ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à l'article 1 de la Convention ont la signification qui leur est attribuée audit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement sont désignés comme „organismes de liaison”: - 1. du côté néerlandais: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: le „Ziekenfondsraad” (Conseil des caisses de maladie) à Amstelveen; - b) pour les pensions de vieillesse et de survie, ainsi que pour les allocations familiales: le „Sociale Verzekeringsbank” (Banque de l'assurance sociale) à Amsterdam; - c) dans tous les autres cas: le „Gemeenschappelijk Administratiekantoor” (Office commun d'administration) à Amsterdam. - 2. du côté yougoslave: - a) pour les prestations en cas de maladie et de maternité: l'Union des Associations d'assurance maladie de Yougoslavie; - b) pour les prestations de vieillesse, de survie, d'invalidité et de chômage: „l'Union des Associations d'assurance pension-invalidité de Yougoslavie; - c) pour les allocations familiales: le service commun de l'Uni"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid *En application des articles 14, paragraphe 2, 23, 26, paragraphe 3 et 28 de la Convention générale de sécurité sociale entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume du Maroc, signée à Rabat le 14 février 1972, ci-après désigné par le terme „Convention”, les autorités compétentes néerlandaise et marocaine, à savoir: le Ministre néerlandais des Affaires Sociales et le Ministre néerlandais de la Santé Publique et de l'Environnement et le Ministre marocain du Travail, des Affaires Sociales, de la Jeunesse et des Sports ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* CHAPITRE 1. Dispositions Générales Article 1 Aux fins de l'application de la [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001011) et du présent arrangement - a. le terme „institution” désigne l'organisme chargé d'appliquer une ou plusieurs des législations visées à l'article 1 de la Convention; - b. le terme „institution compétente” désigne l'institution à laquelle l'assuré est affilié au moment de la demande de prestations ou envers laquelle il a ou continuerait à avoir droit aux prestations, s'il résidait dans le pays où se trouve cette institution; - c. le terme „résidence” ou ,,résider” désigne le séjour habituel ou séjourner habituellement; - d. le terme „membres de la famille” désigne les personnes définies ou admises comme telles par la législation de la Partie Contractante sur le territoire de laquelle elles résident. Article 2 Aux fins de l'application du présent Arrangement sont désignés comme organismes de liaison: - 1. Aux Pays-Bas: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: le «College voor zorgverzekeringen» (Collège pour les assurances soins de santé) à Amstelveen; - b) pour les prestations de vieillesse et de survie, ainsi que"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid *En application des articles 15, paragraphe 2, article 17, paragraphe 6, 31, paragraphe premier, et 32 de la Convention de sécurité sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République du Cap-Vert, signée à La Haye le 18 novembre 1981 (ci-après désignée par le terme «Convention»), les autorités compétentes néerlandaises et capverdiennes ont arrêté d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. Dispositions générales Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à [l'article 1 de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002964&artikel=1) ont la signification qui leur est attribuée audit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement sont désignés comme «organisme de liaison»: - 1. du côté néerlandais: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité : le « Zorginstituut » (L’Institut soins de santé) à Diemen ou son successeur légal ; - b) pour les pensions de vieillesse et de survie, ainsi que pour les prestations familiales et l’assistance sociale: la « Sociale verzekeringsbank » (Banque de l’assurance sociale) à Amstelveen ou son successeur légal ; - c) dans tous les autres cas : « l’UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen » (Institut des assurances pour les travailleurs salariés) à Amsterdam ou son successeur légal. - 2. du côté cap-verdien: Instituto Nacional de Previdência Social (Institut National de la Prévoyance Sociale). Article 3 1. Dans le cas visé à [l'article 7, alinéa a)i) de la Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002964&artikel=7) l'organisme désigné ci-après, du pays dont la législation demeure applicable, remet au travailleur sur demande un certificat de détachement attestant qu'il demeure soumis à la légi"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 19 juli 1979 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid *En application des articles 17, paragraphe 2, 31, paragraphe 3, 36, paragraphe premier, et 37 de la Convention de sécurité sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République Portugaise, signée à la Haye, le 19 juillet 1979 (ci après désignée par le terme «Convention»), les autorités compétentes néerlandaises et portugaises ont arrêté d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GENERALES Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à l'article 1 de la Convention ont la signification qui leur est attribuée audit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement sont désignés comme «organisme de liaison»: - 1. du côté néerlandais: - a) pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: le «Ziekenfondsraad» (Conseil des Caisses de Maladie) à Amstelveen; - b) pour les pensions de vieillesse et de survie, ainsi que pour les allocations familiales: le «Sociale Verzekeringsbank» (Banque de l'assurance sociale) à Amsterdam; - c) dans tous les autres cas: le «Gemeenschappelijk Administratiekantoor» (Office d'administration commune) à Amsterdam. - 2. du côté portugais: la «Caixa Central de Segurança Social dos Trabalhadores Migrantes» (Caisse centrale de sécurité sociale des travailleurs migrants) à Lisbonne. Article 3 1. Dans le cas visé à l'article 8, alinéa a) i) de la Convention l'organisme désigné ci-après, du pays dont la législation demeure applicable, remet au travailleur sur demande un certificat de détachement attestant qu'il demeure soumis à la législation de ce pays. 2. Le certificat est établi: - - aux Pays-Bas: par le «Sociale Verzekeringsraad» (Conseil d'Assurance Sociale) à la Haye; - - au Portugal: par la caisse de prévoyance et d'allocations familiale"},{"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid *En application des articles 18, paragraphe 2, 25, paragraphe 6, 30, 36, 39, paragraphe premier, et 40 de la Convention de Sécurité Sociale entre le Royaume des Pays-Bas et la République Tunisienne, signée à Tunis le 22 septembre 1978 (ci-après désignée par le terme ,,Convention\") les autorités compétentes néerlandaises et tunisiennes: Ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GENERALES Article 1 Aux fins de l'application du présent arrangement les termes définis à l'article 1 de la Convention ont la signification qui leur est attribuée au dit article. Article 2 Aux fins de l'application du présent arrangement, sont désignés comme «organismes de liaison»: - - Du côté néerlandais: - a) - Pour les prestations en nature en cas de maladie et de maternité: Le «Ziekenfondsraad» (Conseil des Caisses de Maladie) à Amstelveen; - b) - Pour les pensions de vieillesse et de survivants et pour les allocations familiales: la «Sociale Verzekeringsbank» (Banque de l'assurance sociale) à Amsterdam; - c) - Dans tous les autres cas: le «Gemeenschappelijk Administratiekantoor» (Office d'Administration Commune) à Amsterdam. - - Du côté tunisien: - a) - La Caisse Nationale de Sécurité Sociale pour ce qui concerne les branches assurance maladie-maternité et décès, prestations familiales, accidents du travail et maladies professionnelles: - b) - La Caisse d'Assurance Vieillesse, Invalidité et Survie pour ce qui concerne les branches assurance invalidité, vieillesse et décès (pensions de survivants) ainsi que les prestations en nature et les prestations familiales servies aux titulaires de pensions. Article 3 1. Dans le cas visé à l'article 8, alinéa a) de la Convention, l'organisme, désigné ci-après, du pays dont la législation demeure applicable, remet au travailleur sur demande un"},{"b":"Administratief Akkoord SNV-programma Bolivia Artikel I. Het Programma *Vervallen* Artikel II. De Uitvoerende Autoriteiten *Vervallen* Artikel III. Uitvoering van het Programma *Vervallen* Artikel IV. Status van het Nederlandse personeel *Vervallen* Artikel V. Status van de Nederlandse apparatuur en materialen *Vervallen* Artikel VI. Rapportage *Vervallen* Artikel VII. Toezicht *Vervallen* Artikel VIII. Beslechting van geschillen *Vervallen* Artikel IX. Inwerkingtreding en duur *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen de bevoegde Nederlandse en Bengalese autoriteiten inzake de uitvoering van het “Kusthia Target Group Project” *The Netherlands Minister for Development Cooperation, being the Competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands party”, represented in this matter by the Charge d'Affaires a.i. of the Kingdom of the Netherlands at Dacca and the Government of the People's Republic of Bangladesh, represented by the Ministry of Finance, External Resources Division, being the Competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the People's Republic of Bangladesh signed at Dacca on 19 May, 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement:* Article I. The Project 1. The two parties shall jointly carry out a project, to be known as “Kushtia Target Group project”, hereinafter referred to as “the project”, 2. The aim of the project is the development of the rural poor in the three thanas of the Kushtia District. 3. The aim will be achieved in a way to be indicated in the Schedule of Operations, referred to in Article VII. Article II. The contribution of the Netherlands Party 1. As its contribution to the project the Netherlands Party undertakes: - – to supply a team of qualified advisers for an assignment in Bangladesh and to bear all expenses incurred by the advisers and their families; - – to provide equipment and bear the cost of its transportation (including insurance) to the most suitable port or airport in Bangladesh; - – to arrange and bear the cost of transport of the advisers within Bangladesh; - – to provide, if necessary, technical support from the Netherlands. 2. The value of the contribution by"},{"b":"Administratief Akkoord tussen de Nederlandse Minister voor Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking en de Afdeling Economische Betrekkingen van het Ministerie van Financiën van de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project \"Char Development and Settlement Project IV (CDSP IV)\" Article I. (The Project) *Vervallen* Article II. (The contribution by the Netherlands Party) *Vervallen* Article III. (The contribution by the Bangladesh Party) *Vervallen* Article IV. (The Executive Authorities) *Vervallen* Article V. (Delegation) *Vervallen* Article VI. (The TL/DTL) *Vervallen* Article VII. (The Schedule of Operations) *Vervallen* Article VIII. (Status of the Netherlands Staff) *Vervallen* Article IX. (Equipment and Materials) *Vervallen* Article X. (Reporting) *Vervallen* Article XI. (Evaluation) *Vervallen* Article XII. (Settlement of disputes) *Vervallen* Article XIII. (Entry into force and duration) *Vervallen*"},{"b":"Administratief akkoord tussen de wederzijdse bevoegde autoriteiten inzake samenwerking tussen de Landbouwhogeschool in Wageningen en de Brawijaya Universiteit te Malang Jakarta, December 3, 1979 No. 17236 Subject: Cooperative relationship between the Brawijaya University and the Agricultural University of Wageningen Your Excellency, I have the honour to inform you that the Cooperative Relationship between the Brawijaya University in Malang and the Agricultural University of Wageningen (hereafter called “the project”) has been approved by the Netherlands Minister for Development Cooperation. The outlines of the Project as well as the respective contributions are laid down in the Letter of Intent (May 1979) entered into by the aforesaid universities. Above-mentioned Letter of Intent includes a description of the activities covered by the Project during the coming three years. The contents of the Letter of Intent including its Plan of Operation has the approval of the Sekretariat Negara (No. 6615/Set. Kab/LN/P/10/1979). The Netherlands personnel to the Project shall enjoy the privileges, immunities and facilities described in Article 4 of the Agreement on Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Indonesia of April 3, 1964. The provisions of Article 5 of the said Agreement shall be applicable to the importation and the exportation of the Netherlands equipment and the materials for the Project. If the foregoing is acceptable to you, I have the honour to propose that this letter and your Excellency's reply concurring therein shall constitute an Administrative Arrangement within the terms of aforesaid Agreement, which shall enter into force on the date of your Excellency's reply and shall expire on the date on which the Project has been completed in conformity with the Project documents. Please accept, Excellency, the assurances of my highest consideration. (sd.) P. A. E. RENARDEL DE LAVALETTE P. A. E. Renardel de Lavalette Ambassado"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bangladesh inzake het project \" Integrated Planning for Sustinable Water Management (IPSWAM)\" Article I. The Project *Vervallen* Article II. The contribution by the Netherlands Party *Vervallen* Article III. The contribution by the Bangladesh Party *Vervallen* Article IV. The Executive Authorities *Vervallen* Article V. Delegation *Vervallen* Article VI. The Team Leader *Vervallen* Article VII. The Plan of Operations *Vervallen* Article VIII. Status of the Netherlands Staff *Vervallen* Article IX. Equipment and Materials *Vervallen* Article X. Reporting *Vervallen* Article XI. Evaluation *Vervallen* Article XII. Settlement of disputes *Vervallen* Article XIII. Entry into force and duration *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bangladesh inzake het project \"Char Development and Settlement Project III (CDSP III)\" Article I. (The Project) *Vervallen* Article II. (The contribution by the Netherlands Party) *Vervallen* Article III. (The contribution by the Bangladesh Party) *Vervallen* Article IV. (The Executive Authorities) *Vervallen* Article V. (Delegation) *Vervallen* Article VI. (The CTA/TL) *Vervallen* Article VII. (The Schedule of Operations) *Vervallen* Article VIII. (Status of the Netherlands Staff) *Vervallen* Article IX. (Equipment and Materials) *Vervallen* Article X. (Reporting) *Vervallen* Article XI. (Evaluation) *Vervallen* Article XII. (Settlement of disputes) *Vervallen* Article XIII. (Entry into force and duration) *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake het project \"Aceh and Nias Sea Defense, Flood Protection, Refuges and Early Warning Systems Consultancy\" *The Netherlands Minister for Development Cooperation, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ‘‘the Netherlands Party’’, represented in this matter by the Ambassador Extraordinary and Plenipotentiary of Her Majesty the Queen of the Netherlands, Dr. N. van Dam, and the Rehabilitation and Reconstruction Executing Agency for Aceh and Nias represented in this matter by Dr. Kuntoro Mangkusubroto, being the competent Indonesian Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as the ‘‘Indonesian Party’’, Having decided to cooperate in the development of an Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy, Having regard to the provisions of Article 3 of the Agreement concerning Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Indonesia signed at The Hague on April 3, 1964, hereinafter referred to as ‘‘the Agreement’’, Have agreed as follows:* Article I. The Project 1. The two Parties shall jointly carry out a project, to be known as the ‘‘Aceh and Nias Sea Defense, Flood Protection, Refuges and Early Warning Systems Consultancy’’, hereinafter referred to as ‘‘the Project’’. 2. The aim of the Project is the development of an Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy. 3. The cooperation between the two Parties is planned to last for a period of 30 months. Article II. The Netherlands Contribution 1. The Netherlands Party shall make the following contribution to the Project: the required funds for the Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy Consultancy. 2. The value of the Netherlands contribution to the implementation of the"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project 'Char Development and Settlement Project – Bridging (Additional Financing)' *The Minister for Foreign Trade and Development Cooperation of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Dhaka, Bangladesh and The Economic Relations Division of the Ministry of Finance, Government of the People's Republic of Bangladesh, being the competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on Technical Co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the People's Republic of Bangladesh, signed at Dhaka on 19 May 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement:* Article I. (The Project) 1. The two Parties shall jointly carry out a Project, entitled “Char Development and Settlement Project – Bridging (Additional Financing)”, hereinafter referred to as “the Project”. 2. The aim of the Project is the preparation of future Char Development and Settlement Programmes, the development of permanent institutional framework for such programmes and the planning, execution, supervision and monitoring of activities in the field of water management, rural infrastructure, institutional development, land-settlement, agricultural value chains, social development and gender-inclusivity. 3. The aforesaid co-operation between the two Parties is planned to last from 1 July 2019 to 30 June 2024, or shall expire on the date on which the Project has been completed in conformity with the provisions of the Administrative Arrangement and of the DPPs of the Project, whichever date is the later."},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project “Bangladesh Deltaplan 2100” Article I. (The Project) *Vervallen* Article II. (The contribution by the Netherlands Party) *Vervallen* Article III. (The contribution by the Bangladesh Party) *Vervallen* Article IV. (The Executive Authorities) *Vervallen* Article V. (Delegation) *Vervallen* Article VI. (The TL/DTL) *Vervallen* Article VII. (The Schedule of Operations) *Vervallen* Article VIII. (Status of the Netherlands Staff) *Vervallen* Article IX. (Equipment and Materials) *Vervallen* Article X. (Reporting) *Vervallen* Article XI. (Evaluation) *Vervallen* Article XII. (Settlement of disputes) *Vervallen* Article XIII. (Entry into force and duration) *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project “Support to the Implementation of the Bangladesh Delta Plan 2100” *The Minister for Foreign Trade and Development Cooperation of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Dhaka, Bangladesh and The Economic Relations Division of the Ministry of Finance, Government of the People’s Republic of Bangladesh, being the competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on Technical Co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the People’s Republic of Bangladesh, signed at Dhaka on 19 May 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement:* Article I. (The Project) 1. The two Parties shall jointly carry out a Project, entitled “Support to the Implementation of the Bangladesh Delta Plan 2100”, hereinafter referred to as “the Project”. 2. The aim of the Project is to support effective implementation of the Bangladesh Delta Plan 2100 (BDP 2100) by strengthening the capacity of the coordination and implementing organisation of the BDP 2100, facilitating the formulation and implementation of fast track projects, the establishment of mid-term investment plans and their integration in the 8th Five Year Plan and reviewing the implementation of the BDP 2100 on an annual basis. 3. The aforesaid co-operation between the two Parties is planned to last from 1 October 2018 to 31 December 2026 or shall expire on the date on which the Project has been completed in conformity with the provisions of the Administrative Arrangement and of the Revised Project Document (Revise"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ecuador inzake het project \"SNV-programma Ecuador\" Artikel I. Het Programma *Vervallen* Artikel II. De Uitvoerende Autoriteiten *Vervallen* Artikel III. Uitvoering van het Programma *Vervallen* Artikel IV. Status van het Nederlandse personeel *Vervallen* Artikel V. Status van de Nederlandse apparatuur en materialen *Vervallen* Artikel VI. Rapportage *Vervallen* Artikel VII. Toezicht *Vervallen* Artikel VIII. Beslechting van geschillen *Vervallen* Artikel IX. Inwerkingtreding en duur *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Fayoum Drinking Water and Sanitation - Phase V\" Article I. The Project *Vervallen* Article II. The Netherlands Contribution *Vervallen* Article III. The Egyptian Contribution *Vervallen* Article IV. The Executive Authorities *Vervallen* Article V. Delegation *Vervallen* Article VI. The Team leader *Vervallen* Article VII. The Schedule of Operations *Vervallen* Article VIII. Reporting *Vervallen* Article IX. Status of the Netherlands Staff *Vervallen* Article X. Status of Netherlands Equipment and Materials *Vervallen* Article XI. Evaluation *Vervallen* Article XII. Settlement of Disputes *Vervallen* Article XIII. Entry into Force and Duration *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Fayoum Farmer Field School\" Article I. (The Project) *Vervallen* Article II. (The Netherlands Contribution) *Vervallen* Article III. (The Egyptian Contribution) *Vervallen* Article IV. (The Executive Authorities) *Vervallen* Article V. (Delegation) *Vervallen* Article VI. (The Team leader) *Vervallen* Article VII. (The Schedule of Operations) *Vervallen* Article VIII. (Reporting) *Vervallen* Article IX. (Status of the Netherlands Staff) *Vervallen* Article X. (Status of Netherlands Equipment and Materials) *Vervallen* Article XI. (Evaluation) *Vervallen* Article XII. (Settlement of Disputes) *Vervallen* Article XIII. (Entry into Force and Duration) *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Fayoum Water Users Organisation Project\" Article I. The Project *Vervallen* Article II. The Netherlands Contribution *Vervallen* Article III. The Egyptian Contribution *Vervallen* Article IV. The Executive Authorities *Vervallen* Article V. Delegation *Vervallen* Article VI. The Team leader *Vervallen* Article VIII. The Schedule of Operations *Vervallen* Article VIII. Reporting *Vervallen* Article IX. Status of the Netherlands Staff *Vervallen* Article X. Status of Netherlands Equipment and Materials *Vervallen* Article XI. Evaluation *Vervallen* Article XII. Settlement of Disputes *Vervallen* Article XIII. Entry into Force and Duration *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Preparatory Activities Component - Integrated Irrigation Improvement and Management Project (PAC-IIIMP) or WaterBoards-IIIMP\" Article I. The Project *Vervallen* Article II. The Netherlands Contribution *Vervallen* Article III. The Egyptian Contribution *Vervallen* Article IV. The Executive Authorities *Vervallen* Article V. Delegation *Vervallen* Article VI. The Consultant *Vervallen* Article VII. The Working Document *Vervallen* Article VIII. Status of Netherlands Staff *Vervallen* Article IX. Status of the Netherlands Equipment and Materials *Vervallen* Article X. Reporting *Vervallen* Article XI. Evaluation *Vervallen* Article XII. Settlement of Disputes *Vervallen* Article XIII. Entry into Force and Duration *Vervallen*"},{"b":"Administratief akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Jemen inzake het project \"Support to the Shabwah government\" *The Netherlands Minister for Development Co-operation, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ``the Netherlands Party\", represented in this matter by the Ambassador of the Royal Netherlands Embassy in the Republic of Yemen, H.E. Mr. B.J. Ronhaar, and the Yemeni Minister of Development and Planning, H.E. Mr. Ahmed Sofan, being the competent Yemeni Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ``the Yemeni Party\", Having decided to co-operate in the programme for support to local governments in Shabwah Governorate, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on technical co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the Yemen Arab Republic, signed at the Hague on 3 October 1978, hereinafter referred to as ``the Agreement\", Have entered into the following administrative arrangement:* Article I. The Programme 1. The two Parties shall jointly execute a programme to be known as ``Support to the Shabwah government\", hereinafter referred to as ``the Programme\". The aim of the Programme is to assist the Government of Shabwah to improve its service delivery and creating an enabling environment directed towards the social and economic development of the Shabwah governorate within the framework of Yemeni Law 4 of 2000 on Local Authorities. 2. The aforesaid co-operation between the two Parties is planned to last six years, retroactively starting from 01 January 2002. Article II. The Netherlands contribution 1. The Netherlands Party shall make the following contribution to the Programme: - a. ``Financial support to Shabwah governorate\", totalling to € 6,900,000 (YE019102) which is mainly to be used by seven (7) departments (agriculture, education, health, water and sanitation, planning, finance and civil s"},{"b":"Administratief Akkoord voor de toepassing van het op 25 april 1984 te Jeruzalem tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid *Pursuant to Article 24 of the Convention on Social Security between the Kingdom of the Netherlands and the State of Israel, signed at Jerusalem on 25 April 1984, the competent authorities of the two Contracting Parties, namely: - for the Netherlands: the Minister for Social Affairs and Employment, - for Israel the Minister of Labour and Social Affairs have agreed on the following provisions for the application of the Convention:* CHAPTER 1. GENERAL PROVISIONS Article 1 For the purposes of the present Arrangement: - a) the term ,,Convention\" means the Convention on Social Security between the Kingdom of the Netherlands and the State of Israel, signed at Jerusalem on 25 april 1984. - b) the terms defined in Article 1 of the Convention have the meaning given to them in that Article. Article 2 1. The liaison bodies in accordance with Article 24 of the Convention are: - A) in Israel the National Insurance Institute, Jerusalem. - B) in the Netherlands - a) for old-age and survivors pensions and for children's allowances: the Sociale Verzekeringsbank (Social Insurance Bank), Amstelveen; - b) in other cases: the Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (National Institute Social Security) c/o Gak Nederland BV, Amsterdam 2. The duties of the liaison bodies are stated in this Arrangement. For the application of the Convention, the liaison bodies may communicate directly with each other as well as with the persons concerned or their representatives. They shall assist each other in the application of the Convention. Article 3 1. In the cases covered by Article 7, paragraph 1, Article 8, paragraph 2 and Article 9 of the Convention the institution designated in paragraph 2 of this Article, of the State whose legislation is applicable shall issue a certificate stating that the employee shall remain"},{"b":"Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954 TITEL I. Begripsbepalingen Artikel 1 *Vervallen* TITEL II. Algemene bepalingen Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* TITEL III. Ziekengeld-, moederschaps- en werkloosheidsuitkeringen Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* TITEL IV. Invaliditeitsrenten Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* TITEL V. Ouderdoms-, weduwen- en wezenrenten Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen* Artikel 13 *Vervallen* Artikel 14 *Vervallen* Artikel 15 *Vervallen* TITEL VI. Bedrijfsongevallen en beroepsziekten Artikel 16 *Vervallen* TITEL VII. Betaling van uitkeringen Artikel 17 *Vervallen* Artikel 18 *Vervallen* Artikel 19 *Vervallen* Artikel 20 *Vervallen* TITEL VIII. Diverse bepalingen Artikel 21 *Vervallen* Artikel 22 *Vervallen*"},{"b":"Administratief Akkoord voor de uitvoering van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus ondertekend te Den Haag op 9 juli 2002 *Ingevolge artikel 34 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus, ondertekend te Den Haag op 9 juli 2002, zijn de bevoegde autoriteiten: voor Nederland, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de Republiek Cyprus, de minister van Arbeid en Sociale Verzekering voor de toepassing van het Verdrag de volgende bepalingen overeengekomen:* DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Administratief Akkoord wordt verstaan onder „Verdrag”: het [Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544), ondertekend te Den Haag op 9 juli 2002. 2. Onder „Verdragsluitende Staten” wordt verstaan: de Verdragsluitende Staten bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544). 3. De overige in dit Akkoord gebruikte termen hebben de betekenis die daaraan in [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544&artikel=1) of in dit Akkoord wordt gegeven. Artikel 2. Verbindingsorganen 1. Voor de toepassing van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544) zijn de verbindingsorganen in overeenstemming met [artikel 34, derde lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544&artikel=34): - a. voor het Koninkrijk der Nederlanden: of een andere instantie die bevoegd is tot uitvoering van taken die thans worden uitgevoerd door voornoemde organen; - i. voor ouderdoms- en nabestaandenpensioenen en voor kinderbijslagen alsmede voor de toepassing van de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544&artikel=8) en [13 van deel II van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001544&artikel=13): de Sociale Verzekerin"},{"b":"Administratief Akkoord voor de uitvoering van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland *For the purpose of applying the Convention on Social Security between the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the Kingdom of the Netherlands in accordance with the provisions of Article 28(1) of the Convention, the competent authorities of the Parties have agreed the following.* PART I. GENERAL PROVISIONS Section 1 1. For the purpose of this Administrative Agreement, “Convention” means the [Convention on Social Security between the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the Kingdom of the Netherlands](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782), signed at The Hague on the 21st of December 2005 2. Other words and expressions used in this Administrative Agreement will have the same meaning as in the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782). Section 2 1. In accordance with [Article 28(3) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=28) the following bodies have been designated liaison offices between the competent authorities or competent institutions of both Parties for the purpose of applying the provisions of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782). - a) in the United Kingdom: - (i) in Great Britain and Northern Ireland For all contingencies including pension claims for Northern Ireland, except [Articles 7 to 13 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=7) and the provision of Great Britain insurance records for Sickness Benefit, Maternity Benefit and Unemployment Benefit, Department for Work and Pensions The Pension Service International Pension Centre Tyneview Park Newcastle upon Tyne England NE98 1BA; For [Articles 7 to 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=7) and to provide Great Britain insurance records"},{"b":"Administratieve Overeenkomst ter uitvoering van artikel 60 van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959, bij het Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten, betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971, 18 mei 1981 en 18 maart 1993 *For the purpose of implementing Article 60 of the Agreement of 3 August 1959, as amended by the Agreements of 21 October 1971, 18 May 1981 and 18 March 1993, to supplement the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces with respect to Foreign Forces stationed in the Federal Republic of Germany (hereinafter referred to as the \"Supplementary Agreement\"), and appreciating that the mission of the Forces requires in some fields of telecommunications treatment deviating from the generally prevailing conditions of the German Telecommunications Administration, the Government of the Kingdom of Belgium, Canada, the French Republic, the Federal Republic of Germany, the Kingdom of the Netherlands, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and the United States of America have agreed as follows:* Article 1. Changes of Regulations The force shall be informed at the earliest possible date if the German Telecommunications Administration intends to amend the regulations on the use of telecommunication facilities referred to in the second sentence of paragraph 1 of Article 60 of the Supplementary Agreement or to introduce new regulations on such use, and a force will be affected thereby. Such information shall in no case be supplied less than two months prior to the entry into force in the regulations in question, in order that any necessary consultations may take place. The force shall be allowed sufficient time to make any changes in telecommunication facilities or administrative procedure required thereby."},{"b":"Administratieve Schikking betreffende de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid *Gelet op het Verdrag dat op 6 december 2010 in Brussel werd gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, hierna „het Verdrag” genoemd; Met het oog op het bepalen van de nadere regels voor de uitvoering van dit Verdrag zoals bepaald in artikel 16 van het Verdrag en om de doeltreffendheid ervan te waarborgen; Beslissen de bevoegde autoriteiten, te weten: voor Nederland: de minister die het aangaat en voor België: de bevoegde Ministers op het federale niveau, en op het niveau van de gedefedereerde entiteiten de bevoegde Ministers van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie in onderlinge overeenstemming het volgende:* Artikel 1. Definities 1. „Verdrag”: het [Verdrag dat op 6 december 2010 in Brussel werd gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005135). 2. „Overdracht”: elke verwerking of elk geheel van verwerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens"},{"b":"Administratieve Schikking ter uitvoering van artikel 13 van het op 9 maart 2026 te Brussel gesloten Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden *Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen”, Gelet op artikel 13, lid 4, en artikel 17 van het Benelux-Verdrag van 9 maart 2026 ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden (hierna genoemd: „het Verdrag”), Overwegende dat het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden uitvoering wensen te geven aan artikel 13 van het Verdrag, teneinde ervoor te zorgen dat het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht administratieve controles kan verrichten door het afnemen van interviews met de aanvrager of rechthebbende in het woon- of verblijfland, Zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking wordt verstaan onder: - a. „Verdrag”: het Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden; - b. „Bevoegde zusterorganen”: bevoegde organen die verantwoordelijk zijn voor het toekennen, voortzetten en beëindigen van vergelijkbare socialezekerheidsuitkeringen, met dien verstande dat een bevoegd orgaan meerdere bevoegde zusterorganen kan hebben in de andere Verdragsluitende Partij"},{"b":"Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking - a) wordt onder „Verdrag” verstaan het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden; - b) wordt onder „Schikking” verstaan de Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden; - c) hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2. Modelformulieren - inlichtingen over de wetgevingen - handleidingen 1. Het model van de formulieren en alle andere documenten welke voor de toepassing van het Verdrag en van deze Schikking nodig zijn worden door het Administratief Centrum vastgesteld in het Duits, het Frans en het Nederlands. 2. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde documenten kunnen door andere documenten, die door het Administratief Centrum als gelijkwaardig zijn erkend, worden vervangen. 3. Op verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij kan het Administratief Centrum inlichtingen verzamelen betreffende de bepalingen van de wetgevingen waarop het Verdrag van toepassing is. 4. Het Administratief Centrum kan handleidingen samenstellen met het doel de belanghebbenden voor te lichten over hun rechten en de administratieve formaliteiten welke zij dienen te vervullen. Artikel 3. Bijlagen 1. Bijlage 1 vermeldt de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij. 2. Bijlage 2 vermeldt de bevoegde organen van elke Verdragsluitende Partij. 3. Bijlage 3 vermeldt de organen van de woonplaats en de organen van de verblijfplaats van elke Verdragsluitende Partij. 4. Bijlage 4 vermeldt de door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen aangewezen verbindingsorganen. 5. Bijlage 5"},{"b":"Adoptie en verkrijging Nederlanderschap Inleiding Op 1 oktober 1998 is artikel 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) gewijzigd (zie Stb. 1998, 303 en 476 ). Vooruitlopend op de verschijning van een nieuwe Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap doe ik u hierbij alvast de toelichting op artikel 5 RWN, zoals deze in de nieuwe Handleiding gaat verschijnen, toekomen. Deze toelichting kan vooralsnog worden opgenomen in de losbladige versie van de Handleiding van augustus 1994 als bldz. 7 tot en met 7 d. Het gewijzigde artikel 5 RWN Artikel 5 - -1 Nederlander wordt het kind dat in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak wordt geadopteerd, indien de adoptief-vader of adoptief-moeder op de dag dat die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen Nederlander is en het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was. - -2 Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan: - a. de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde verdrag tot stand gekomen, en - b. die adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en - c. de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en - d. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig. - -3 Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voo"},{"b":"Adviesprotocol Huis voor klokkenluiders Het bestuur van het Huis voor klokkenluiders heeft op 15 maart 2021 dit adviesprotocol vastgesteld, met de [Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) van 14 april 2016 als basis en in navolging van wat in [artikel 3h van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3h) is bepaald. Inleiding Het Huis voor klokkenluiders (hierna: het Huis) is onder meer bedoeld voor werknemers in Nederland1De Wet Huis voor klokkenluiders geldt niet in Caribisch Nederland (Bonaire Sint Eustatius, Saba); in de Wet Huis voor klokkenluiders is geen expliciete bepaling opgenomen waardoor de wet van toepassing zou zijn in Caribisch Nederland die melding willen doen van (een vermoeden van) een misstand van maatschappelijk belang. Het Huis zorgt voor betere bescherming van werknemers door het geven van advies, het uitvoeren van onderzoek en door organisaties te stimuleren hun integriteit te bewaken. Hiertoe kan het Huis deze werknemers op een onafhankelijke manier adviseren over de mogelijkheden en hun rechten bij het doen van een melding. Het doel daarvan is de melding mogelijk te maken zonder dat dit leidt tot benadeling van de meldende werknemer of verslechtering van de relatie tussen de werknemer en werkgever. Begrippen Het begrip werknemer wordt in de [wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) opgevat als: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht, zoals een uitzendkracht, een zelfstandige zonder personeel, stagiair of vrijwilliger. Het Huis geeft een ruime uitleg aan dit begrip binnen het wettelijk kader. Onder een vermoeden van een misstand van maatschappelijk belang wordt verstaan: het in het geding zijn van het maatschappelijk belang bij een schending van een wettelijk voorschrift en/of een gevaar voor de volksgezondheid, en/of e"},{"b":"Adviesprotocol Huis voor Klokkenluiders Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de [Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) (hierna: wet) is dit protocol aangepast op 19 december 2023. De aanpassingen zien vooral op de personele en materiële reikwijdte van de wet. Inleiding Het Huis voor Klokkenluiders (hierna: het Huis) is opgericht voor personen in Nederland1De Wet bescherming klokkenluiders geldt niet in Caribisch Nederland (Bonaire Sint Eustatius, Saba); in de Wet bescherming klokkenluiders is geen expliciete bepaling opgenomen waardoor de wet van toepassing zou zijn in Caribisch Nederland. die melding willen doen van (een redelijk vermoeden van) een werkgerelateerde misstand. Het Huis draagt bij aan een betere bescherming van melders, degene die een melder bijstaat en de betrokken derde. Dit doet het Huis door het geven van advies, het doen van onderzoek en door organisaties te stimuleren hun integriteit te bewaken. De afdeling advies van het Huis adviseert (potentiële) melders, degene die een melder bijstaat en de betrokken derde vertrouwelijk over de mogelijkheden, de risico’s en hun rechten en plichten bij het doen van een melding. Het doel is het melden mogelijk te maken zonder dat dit leidt tot benadeling van de meldende werknemer of verslechtering van de relatie tussen de melder en de werkgever. Begrippen - – Het begrip melder wordt in de wet als volgt opgevat: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten een vermoeden van een misstand meldt of openbaar maakt. Het Huis geeft een ruime uitleg aan dit begrip binnen het wettelijk kader. Zo valt onder de wet een persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht, zoals een uitzendkracht, een zelfstandige zonder personeel, stagiair of vrijwilliger. Maar ook leveranciers, (onder)aannemers, aandeelhouders en personen"},{"b":"Advocatenwet BES § 1. De inschrijving en de beëdiging van de advocaten Artikel 1 1. Bevoegd om aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken is degene: - a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=24), de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend; - b. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit als bedoeld in artikel [artikel 24, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=24), het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld aan de beroepsvereisten. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. 3. Bij het verzoek worden overgelegd de nodige stukken ten bewijze dat de verzoeker aan de in het eerste of tweede lid gestelde vereisten voldoet. Artikel 2 1. Alvorens op een verzoek als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028204&paragraaf=1&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) bedoeld te beslissen, wint het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gehoord de procureur-generaal, advies in van de raad van"},{"b":"Afgeleide identificatie 1. Inleiding Bij de implementatie van de spaarrenterichtlijn zijn in de artikelen 4g en 4h van de Wet op de internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (WIB) eisen opgenomen met betrekking tot de identificatie van personen uit andere lidstaten van de Europese Unie die rentebetalingen uit Nederland ontvangen. Met ingang van 1 januari 2004 moet een in Nederland gevestigde uitbetalende instantie de identiteit en de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde bepalen op basis van de gegevens die vermeld staan in het paspoort of op de officiële identiteitskaart. De woonplaats kan ook worden vastgesteld op basis van een ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijskrachtig document. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat strekt ter implementatie van de spaarrenterichtlijn heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aandacht gevraagd voor de problemen die zich met betrekking tot de identificatie kunnen voordoen indien personen een bankrekening openen via het Internet. Het is in die situatie niet nodig dat een persoon fysiek aan de balie van de desbetreffende instelling verschijnt. In de nota naar aanleiding van het verslag bij genoemd wetsvoorstel is aangegeven, dat ook in de hier bedoelde situatie een deugdelijke identificatie van de persoon vereist blijft. In dat kader speelt de afgeleide identificatie, bedoeld in artikel 4 van de Wet identificatie bij dienstverlening (WID), een belangrijke rol. Gelet op de gerechtvaardigde belangen van de banken en het uitgangspunt administratieve lasten zoveel mogelijk te voorkomen, is bij de behandeling van het wetsvoorstel goedgekeurd dat voor de vaststelling van de identiteit en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde bij het openen van een internetbankrekening ook de verstrekking van een gewaarmerkte kopie van de in de artikelen 4g en 4h van de WIB genoemde documenten volstaat, mits voor het overige is voldaan aan"},{"b":"Afgifte bewijzen van betrouwbaarheid Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging op het gebied van het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (nr. 73/248/EEG. Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1973, nr. L228/20, van 16 augustus 1973). Artikel 2 De burgemeester wordt aangewezen als de instantie die bevoegd is tot afgifte van een bewijs van betrouwbaarheid als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Richtlijn. Als bewijs van betrouwbaarheid dient de verklaring omtrent het gedrag, die kan worden afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de [Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194). Artikel 3 Ter vervanging van het in het [eerste lid van artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003028&artikel=3&z=2004-04-01&g=2004-04-01) bedoelde document dat dient tot bewijs van het feit dat geen faillissement heeft plaatsgehad, wordt aangewezen een door een notaris afgegeven afschrift van een authentieke akte, waarin het afleggen van een verklaring, als bedoeld in voornoemd artikel, tweede lid, is geconstateerd. Artikel 4 Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Afgifte verklaringen vakbekwaamheid verzekeringstussenpersonen Artikel 1 In deze beschikking wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (nr. 77/92/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1977, nr. L 26/14, van 31 januari 1977). Artikel 2 Het verzoek, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Richtlijn, om in Nederland de in artikel 2 van de Richtlijn bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen en de documenten tot staving van dit verzoek, waaronder de documenten, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Richtlijn, moeten worden ingediend bij de Sociaal-Economische Raad. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 15 juli 1980 en wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt."},{"b":"Afronding belastbaar bedrag vennootschapsbelasting Mij is de volgende vraag gesteld over de afronding van het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag als bedoeld in art. 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Vraag Voorafgaande aan de invoering van de euro werd het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag dat als grondslag dient voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting door de Belastingdienst om uitvoeringstechnische redenen naar beneden afgerond op hele tientallen guldens. Hoe wordt hier met ingang van het jaar 2002 mee omgegaan bij de euro? Antwoord Tot 2002 vond de in de vraagstelling bedoelde afronding plaats in guldens, ook in het geval er in euro’s aangifte werd gedaan. De afronding naar beneden bij de bepaling van de definitieve aanslag vindt met ingang van het jaar 2002 plaats op hele vijftallen euro’s."},{"b":"Afspraken over de harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche Algemeen - – In dit document zijn afspraken over de harmonisatie verwoord over de onderwerpen van de tweede tranche (HAP II) tussen de minister van Veiligheid en Justitie en de vier politievakorganisaties (NPB, ACP, VMHP en de ANVP). De afspraak om tot harmonisatie over te gaan is vastgelegd in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden Politie 2005–2007. - – Op 2 maart 2010 is het Akkoord sector politie tot verlenging en aanvulling van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2008–2010 (hierna: Packagedeal) gesloten. Naar aanleiding van een aantal afspraken uit het Akkoord dienen het [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516) (Barp), het [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517) (Bbp) en het [Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024064) (Brvvp) te worden aangepast. De Packagedeal strekt mede tot verlenging van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2008–2010 tot 1 januari 2012. Een aantal afspraken uit de Packagedeal heeft invloed op HAP II. - – De afspraken uit HAP II zijn vastgesteld in de CGOP-vergadering (Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken) van 9 september 2010. - – De ingangsdatum van de afspraken uit HAP II is 1 november 2010 tenzij bij een onderwerp een andere datum is genoemd. Voor zover afspraken omgezet dienen te worden in officiële regelgeving zal – voor zover mogelijk – hieraan terugwerkende kracht worden gegeven tot en met 1 november 2010, danwel de datum die voor de betreffende afspraak in deze circulaire is opgenomen. - – De voorgenomen wijzigingen van rechtspositionele regelingen die voortvloeien uit HAP II zijn als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029054&bijlage=1&z=2010-12-08&g=2010-12-08) gevoegd. Deze zijn ter formele goedkeuring aan de CGOP voorgelegd op 21 oktober 2010 en daarin geaccordeerd. - – In de circulaire van HAP I, v"},{"b":"Afwijkend besluit ten aanzien van de diensttijdeis voor deelname aan operatie Forensische opsporing ICC Artikel 1 Voor deelname aan de operatie ‘FORENSISCHE OPSPORING ICC’, voor zover deze deelname heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oekraïne, alsmede in Rzeszow, Polen, vanaf 14 mei 2022, wordt afgeweken van de diensttijdeis, genoemd in [artikel 5, eerste lid, Besluit Herinneringsmedaille Internationale Missies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=5), dat deelnemers gedurende ten minste dertig dagen aaneengesloten moeten hebben deelgenomen aan een internationale missie, waarbij geen minimaal aantal dagen diensttijd wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 mei 2022."},{"b":"Akkoord betreffende de produkten die onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal *Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Partijen bij het op 17 april 1951 te Parijs ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en wier Staten hierna Lid-Staten worden genoemd, enerzijds, De President van de Republiek Turkije, anderzijds, Overwegende dat bovengenoemde Lid-Staten onderling het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal hebben gesloten; Overwegende dat zij eveneens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap hebben gesloten, waarvan de bepalingen ingevolge artikel 232 van dit Verdrag geen wijzigingen brengen in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der Lid-Staten; Overwegende dat de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije niet van toepassing is op de produkten die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen; Verlangende niettemin het handelsverkeer in deze produkten tussen de Lid-Staten en Turkije te handhaven en te ontwikkelen, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Pierre Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de heer Walter Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Franse Republiek: de heer Maurice Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: de heer Mario Pedini, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: de heer Gasto"},{"b":"Akkoord betreffende de voorlopige toepassing tussen een aantal Lid-Staten van de Europese Unie van de op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen*"},{"b":"Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien *Preambule De hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Geleid door de wens een eenvormige en zelfstandige werking te geven aan de Europese octrooien die voor hun grondgebieden zijn verleend krachtens het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973, Wensende een Gemeenschapsregeling voor octrooien tot stand te brengen, die bijdraagt tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en in het bijzonder tot het binnen de Gemeenschap opheffen van de concurrentievervalsingen die kunnen voortvloeien uit het territoriaal karakter van de nationale beschermende rechten, Overwegende dat een van de fundamentele doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is de verwijdering van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen; Overwegende dat een van de meest geschikte middelen om deze doelstelling te verwezenlijken voor wat betreft het vrije verkeer van door octrooien beschermde goederen, is het tot stand brengen van een Gemeenschapsregeling voor octrooien; Overwegende dat het tot stand brengen van zulk een Gemeenschapsregeling voor octrooien daarom niet te scheiden is van het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en derhalve verbonden is met de rechtsorde van de Gemeenschap; Overwegende dat het daartoe voor de Hoge Verdragsluitende Partijen noodzakelijk is een Akkoord te sluiten, dat een bijzondere overeenkomst is in de zin van artikel 142 van het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien, een verdrag betreffende regionale octrooien in de zin van artikel 45, eerste lid, van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien van 19 juni 1970 en een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 19 van het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, ond"},{"b":"Akkoord inzake de vaststelling van een gedeelte van het gemeenschappelijk douanetarief met betrekking tot de produkten van lijst G opgenomen in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap *De Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, Wensende, ter uitvoering van artikel 20, alinea 1 en 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, de rechten vast te stellen die van toepassing zijn op de produkten van lijst G, voorkomende in bijlage I van dit Verdrag, Overwegende dat het vaststellen van de rechten de aanduiding veronderstelt van de produkten waarop deze rechten betrekking behoren te hebben en het vaststellen hiertoe van de desbetreffende nomenclatuur, Kennis nemende van de verklaringen van de Commissie der Europese Economische Gemeenschap met betrekking tot het toekennen van bepaalde tariefcontingenten, Hebben omtrent de navolgende bepalingen overeenstemming bereikt:* Artikel 1 Het tarief dat betrekking heeft op de produkten van lijst G welke als bijlage voorkomen in dit Akkoord, wordt vastgesteld zoals is aangegeven in deze bijlage. Deze maakt een wezenlijk bestanddeel uit van het gemeenschappelijke douanetarief zoals bedoeld in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. Artikel 2 De protocollen die aan dit Akkoord zijn gehecht, maken hiervan een wezenlijk bestanddeel uit. Artikel 3 Dit Akkoord zal definitief van kracht worden op de datum waarop alle Lid-Staten de Raad der Europese Economische Gemeenschap ervan in kennis zullen hebben gesteld dat de in de zin van hun onderscheiden nationale recht vereiste formaliteiten zijn vervuld. Artikel 4 Dit Akkoord, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Raad die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der Lid-Staten en aan de Commissie. TEN BLIJKE WAARVAN de onderg"},{"b":"Akkoord inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging, ter uitvoering van het op 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering *De ondergetekenden: De Nederlandse Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne enerzijds, De Belgische Minister van Sociale Voorzorg anderzijds, zijn ter uitvoering van de artikelen 12 en 16, eerste lid, van het 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage tussen Nederland en België ondertekende Verdrag betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering, mede gelet op de Europese Interimovereenkomst betreffende de sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen betreffende ouderdom, invaliditeit en overlijden, het navolgende overeengekomen:* Artikel 1 Op de werknemers en gepensioneerden en hun gezinsleden die rechten op verstrekkingen verwerven bij toepassing van het Verdrag van 29 augustus 1947 tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering worden voor zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze toegepast: - 1. de bepalingen inzake verstrekkingen van Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen en loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (E.E.G.) nr. 574/72; - 2. het Akkoord van 24 december 1980 inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging. Artikel 2 1. Dit Akkoord treedt in werking op het ogenblik van de ondertekening met terugwerkende kracht tot 1 januari 1981. 2. Dit Akkoord wordt gesloten voor de duur van één jaar en wordt van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, behoudens opzegging, waarvan drie maanden vóór het verstrijken van de termijn kennis moet worden gegeven. GEDAAN in tweevoud te Leidschendam en Brussel op 6 april 1981 in de Ned"},{"b":"Akkoord inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Québec *Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement du Québec, désireux d'assurer à leurs ressortissants respectifs les avantages de la coordination des législations de sécurité sociale des Pays-Bas et du Québec, sont convenus des dispositions suivantes:* TITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article 1er. Définitions Dans l'Entente, à moins que le contexte n'indique un sens différent, les expressions suivantes signifient: - a) «autorité compétente»: pour le Québec, le ministre chargé de l'application de la législation visée à l'article 2; et pour les Pays-Bas, le ministre chargé de l'administration de la législation visée à [l'article 2](https://wetten.overheid.nl/BWBV0001609); - b) «institution compétente»: pour le Québec, le ministère ou l'organisme chargé de l'administration de la législation visée à [l'article 2](https://wetten.overheid.nl/BWBV0001609); et pour les Pays-Bas, l'institution responsable de l'administration de la législation visée à [l'article 2](https://wetten.overheid.nl/BWBV0001609); - c) «période d'assurance»: pour le Québec, toute année pour laquelle des cotisations ont été versées ou une rente d'invalidité a été payée en vertu de la Loi sur le régime de rentes du Québec ou toute autre année considérée comme équivalente; et pour les Pays-Bas, toute période de cotisation, d'assurance, d'emploi ou de résidence en vertu de la législation visée à [l'article 2](https://wetten.overheid.nl/BWBV0001609); - d) «prestation»: une pension, une rente, un montant forfaitaire, ou toute autre prestation en espèces prévue par la législation de chaque Partie, incluant tout complément, supplément ou majoration en vertu de la législation visée à [l'article 2](https://wetten.overheid.nl/BWBV0001609); - e) «ressortissant»: pour le Québec, une personne de citoyenneté canadienne qui est ou a été soumise à la législation visée à l'alinéa a) du paragraphe 1 de [l'article 2](https://wetten"},{"b":"Akkoord ter uitvoering van het Europees Verdrag van 9 juli 1956 betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer *En application de l'article 10, paragraphe 1, alinéa a), de la Convention européenne du 9 juillet 1956 concernant la sécurité sociale des travailleurs des transports internationaux — ci-après désignée par le terme „Convention” — les autorités compétentes des Parties Contractantes ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes:* Article 1 1. Aux fins de l'application de la Convention et du présent Arrangement, l'autorité compétente de toute Partie Contractante désigne un ou plusieurs organismes de liaison. 2. Les organismes de liaison et les institutions des Parties Contractantes communiquent directement les uns avec les autres dans leurs langues officielles respectives. 3. Toute institution d'une Partie Contractante ou toute personne résidant ou séjournant sur le territoire d'une Partie Contractante peut s'adresser à l'institution d'une autre Partie Contractante soit directement soit par l'intermédiaire des organismes de liaison. Article 2 1. L'autorité compétente de toute Partie Contractante communiquera, pour sa part, au Directeur général du Bureau international du Travail, au plus tard à la date à laquelle le présent Arrangement entrera en vigueur à son égard, les renseignements concernant: - a) la ou les „autorités compétentes” définies à l'article 1, alinéa *d*), de la Convention; - b) les „institutions compétentes” définies à l'article 1, alinéa *f*), de la Convention; - c) les „institutions du lieu de séjour” définies à l'article 1, alinéa *g*), de la Convention; - d) le ou les „organismes de liaison” désignés en vertu de l'article 1, paragraphe 1, du présent Arrangement. 2. L'autorité compétente de toute Partie Contractante apporte aux renseignements communiqués en vertu des dispositions du paragraphe précédent les modifications qui pourraient devenir nécessaires en ce qui concerne son propre pays"},{"b":"Akkoord tussen de lidstaten van de Europese Unie betreffende de status van de militairen en leden van het burgerpersoneel die bij de instellingen van de Europese Unie gedetacheerd zijn, van de hoofdkwartieren en de strijdkrachten die ter beschikking van de Europese Unie kunnen worden gesteld in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 17, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en van de militairen en leden van het burgerpersoneel van de lidstaten die aan de Europese Unie beschikbaar zijn gesteld om in dit kader op te treden (EU-SOFA) *De vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name op titel V, Overwegende hetgeen volgt: 1. De Europese Raad heeft besloten om met het oog op het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) aan de EU de middelen beschikbaar te stellen die nodig zijn om besluiten te nemen en uit te voeren met betrekking tot alle conflictpreventie-en crisisbeheersingstaken die in het VEU zijn neergelegd. 2. Nationale besluiten om strijdkrachten van lidstaten van de Europese Unie (hierna „lidstaten\" genoemd) van en naar het grondgebied van andere lidstaten te zenden in het kader van de voorbereiding en uitvoering van opdrachten in de zin van artikel 17, lid 2, van het VEU, waaronder oefeningen, zullen worden genomen overeenkomstig titel V van het VEU, met name artikel 23, lid 1, en zullen het voorwerp vormen van afzonderlijke regelingen tussen de lidstaten. 3. Er moeten met de betrokken derde landen specifieke overeenkomsten worden gesloten in het geval van oefeningen of opdrachten buiten het grondgebied van de lidstaten. 4. Dit akkoord laat de rechten en plichten van de partijen uit hoofde van internationale overeenkomsten en van andere internationale rechtsinstrumenten tot instelling van internationale tribunalen, waaronder het Statuut van Rome inzake h"},{"b":"Akkoord tussen de Nederlandse en de Portugese bevoegde autoriteiten betreffende de vergoeding van verstrekkingen bij ziekte en moederschap in het kader van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen *The Secretary of State for Welfare, Health and Culture of the Netherlands and the Minister of Health of Portugal, Having regard to Article 36, paragraph 3 of Regulation (EEC) No. 1408/71 of the Council of 14 June 1971 on the application of social security schemes to workers and self-employed persons, as well as their families, moving within the Community, and to the Articles 93, paragraph 6, 94, paragraph 6, and 95, paragraph 6, of Regulation (EEC) No. 574/72 of 21 March 1972 fixing the procedure for implementing Regulation (EEC) No. 1408/71, Wishing to ease the administrative task of the Dutch and the Portuguese institutions by making use of the possibility offered by Regulations (EEC) Nos. 1408/71 and 574/72 to agree upon other methods of assessing the amounts to be refunded; Have agreed upon the following:* Article 1 In the application of Article 93 of Regulation (EEC) No. 574/72 on each invoice concerning real costs the amount of the costs of benefits in kind granted by the Portuguese institutions shall be raised by a fixed percentage related to the costs of medicines and diagnostical examinations. The above-mentioned percentage shall be communicated every year by the Portuguese liaison body to the Dutch liaison body. Article 2 Contrary to Article 93 of Regulation (EEC) No. 574/72 the Portuguese competent institution shall refund the costs of benefits in kind that have been provided - a) according to Article 19, paragraph 2, of Regulation (EEC) No. 1408/71 to members of the families of boatsmen, who reside in the Netherlands, by a lump-sum which is based on 80% of the average yearly costs pro"},{"b":"Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake ziekengeld-, moederschaps- en invaliditeitsverzekering *De ondergetekenden: enerzijds de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en anderzijds de Belgische Minister van Sociale Voorzorg, Verlangende de verschillende regelingen ter verwezenlijking van de aanspraken op ziekengeld, moederschapsuitkering en invaliditeitsuitkering welke in de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voortvloeien uit Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, dan wel uit het op 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering, te ordenen in een gecoördineerd Akkoord, Gelet op de artikelen 18, lid 9, 26, lid 7, 105, lid 2 en 120, lid 1 van Verordening nr. 574/72, Gehoord het advies van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, Zijn overeengekomen als volgt:* TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord wordt verstaan onder: - a. bevoegd orgaan: de voor België en voor Nederland blijkens bijlage 2 van Verordening (EEG) nr. 574/72 aangewezen organen voor ziekengeld- en invaliditeitsverzekering; - b. orgaan van de woon- of verblijfplaats: de voor België en Nederland blijkens bijlage 3 van Verordening (EEG) nr. 574/72 aangewezen organen voor ziekengeld- en invaliditeitsverzekering; - c. RIZIV: het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering te Brussel; - d. GAK: het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam; - e. districtskantoor: districtskantoor van het GAK; - f. bedrijfsvereniging: bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de verzekerde is aangesloten; - g. BBZ: Stichting Bureau voor Belgische Zaken, de sociale verzekering betreffende te Breda; - h. ziekengeld: - - voor België: de u"},{"b":"Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging *De ondergetekenden: De Nederlandse Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne enerzijds, De Belgische Minister van Sociale Voorzorg anderzijds, Verlangende de verschillende regelingen te ordenen, welke tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België getroffen zijn ter verwezenlijking van het recht op verstrekkingen in natura bij ziekte en moederschap, dat voortvloeit uit Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; Gelet op de artikelen 20 en 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de artikelen 17, lid 9, 93, lid 6, 94, lid 6, 95, lid 6, 99, 102, lid 5 en 120, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, Gehoord het advies van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, Zijn overeengekomen als volgt:* TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord wordt verstaan onder: - a) Verordening: de Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. - b) Toepassingsverordening: de Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de Verordening. - c) Bevoegd orgaan: de voor België en Nederland blijkens bijlage 2 van de Toepassingsverordening terzake van verstrekkingen aangewezen organen voor ziekte en moederschap. - d) Bevoegde staat: de staat op het grondgebied waarvan het be"},{"b":"Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de door de Bondsrepubliek Duitsland te verlenen ondersteuning bij het beheer van onroerend goed te Seedorf Artikel 1. Juridisch kader *Vervallen* Artikel 2. Doel *Vervallen* Artikel 3. Gebruik *Vervallen* Artikel 4. Infrastructuur *Vervallen* Artikel 5. Procedure voor de ondersteunende diensten van de StOV Seedorf *Vervallen* Artikel 6. Normen, marktconformiteit en belastingen *Vervallen* Artikel 7. Aanpassing van het jaarcontract in het realisatiejaar (jaar X) *Vervallen* Artikel 8. Kwartaalcontrole *Vervallen* Artikel 9. Planningshorizon *Vervallen* Artikel 10. Kostenmatiging *Vervallen* Artikel 11. Toeslag administratiekosten *Vervallen* Artikel 12. Betaling *Vervallen* Artikel 13. Beslechting van geschillen *Vervallen* Artikel 14. Evaluatie *Vervallen* Artikel 15. Correspondentie *Vervallen* Artikel 16. Slotbepalingen *Vervallen*"},{"b":"Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de door het Koninkrijk der Nederlanden te verlenen ondersteuning bij het beheer van onroerend goed te Budel Artikel 1. Juridisch kader *Vervallen* Artikel 2. Doel *Vervallen* Artikel 3. Gebruik *Vervallen* Artikel 4. Infrastructuur *Vervallen* Artikel 5. Procedure voor de ondersteunende diensten van het lso-det. NDK *Vervallen* Artikel 6. Normen, marktconformiteit en belastingen *Vervallen* Artikel 7. Aanpassing van het jaarcontract in het realisatiejaar (jaar X *Vervallen* Artikel 8. Kwartaalcontrole *Vervallen* Artikel 9. Planningshorizon *Vervallen* Artikel 10. Kostenmatiging *Vervallen* Artikel 11. Toeslag administratiekosten *Vervallen* Artikel 12. Betaling *Vervallen* Artikel 13. Beslechting van geschillen *Vervallen* Artikel 14. Evaluatie *Vervallen* Artikel 15. Correspondentie *Vervallen* Artikel 16. Slotbepalingen *Vervallen*"},{"b":"Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de organisatie en de activiteiten van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en het Air Operations Coordination Center *De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, Op grond van het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de Algemene Voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps van 6 oktober 1997, hierna te noemen het „Verdrag\", Gelet op de Gemeenschappelijke Verklaring van de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsminister van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de oprichting van een multinationaal legerkorps met initiële Duitse en Nederlandse deelname van 30 maart 1993, Herinnerend aan de Intentieverklaring van de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsminister van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland over de verhoging van de integratie binnen het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps op het gebied van training, oefeningen en logistiek van 6 oktober 1995, zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1. Doel van het Akkoord Het doel van dit Akkoord is de tenuitvoerlegging van het Verdrag en het vastleggen van de onderliggende voorwaarden voor de organisatie en het functioneren van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps, hierna te noemen „het Korps\", en het daaraan toegevoegde Air Operations Coordination Center, hierna te noemen het „AOCC\". Artikel 2. Taken en opdrachten 1. De taken van het Korps zijn vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag. 2. Het Hoofdkwartier van het Korps neemt deel aan de planning en voorbereiding, in het algemeen en in het bijzonder, van de inzet van het Hoofdkwartier van het Korps en de Duitse en/of Nederlandse strijdkrachten overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag; dit omvat de uitvoering van opdrachten door het Hoofdkwartier van he"},{"b":"Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake het medegebruiken van oefenvoorzieningen Artikel 1. Juridisch kader *Vervallen* Artikel 2. Doel *Vervallen* Artikel 3. Gebruik van de Nederlandse terreinen *Vervallen* Artikel 4. Gebruik van de Duitse terreinen *Vervallen* Artikel 5. Voorschriften met betrekking tot gebruik en veiligheid *Vervallen* Artikel 6. Milieubescherming *Vervallen* Artikel 7. Bijzondere gebeurtenissen *Vervallen* Artikel 8. Contact met lokale autoriteiten *Vervallen* Artikel 9. Afwikkeling van schade *Vervallen* Artikel 10. Beslechting van geschillen *Vervallen* Artikel 11. Correspondentie *Vervallen* Artikel 12. Slotbepalingen *Vervallen*"},{"b":"Akkoord tussen de Regeringen der Benelux-Staten en de Regering van Portugal betreffende het gebruik van het zeemansboekje als reisdocument *De Regeringen der Benelux-Staten, tezamen handelende krachtens de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, en de Regering van Portugal, Verlangende het verkeer van zeelieden zoveel mogelijk te vereenvoudigen en aan te passen aan de situatie die is ontstaan door de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, Zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 In dit akkoord wordt verstaan: Onder „de Beneluxlanden”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; Onder „Beneluxgebied”: de gezamenlijke gebieden binnen Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; Onder „Portugal”: het vasteland van Portugal, de Azoren, Madeira en de Kaap-Verdische eilanden. Artikel 2 1. Zeelieden van Portugese nationaliteit, die in het bezit zijn van een geldig Portugees zeemansboekje, mogen met het oog op hun aanmonstering het Beneluxgebied zonder visum binnenkomen mits zij bovendien in het bezit zijn van een verklaring van de betrokken rederij, waaruit blijkt dat zij zich naar het Beneluxgebied moeten begeven teneinde aldaar dienst te nemen aan boord van een bepaald schip dat zich in een bepaalde haven bevindt; in bedoelde verklaring dient de rederij zich bovendien garant te stellen voor betaling der repatriëringskosten indien aanmonstering om welke reden dan ook geen doorgang zou vinden. 2. De duur van het verblijf van zeelieden van Portugese nationaliteit, die houder zijn van een geldig Portugees zeemansboekje en het Beneluxgebied overeenkomstig het in artikel 2, lid 1, bepaalde zijn binnengekomen, mag niet meer dan twee maanden bedra"},{"b":"Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen Artikel 1 1. In alle lidstaten worden de leden van het Europees Parlement volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, hetzij volgens het lijstenstelsel, hetzij volgens het stelsel van één overdraagbare stem, gekozen. 2. De lidstaten kunnen het uitbrengen van voorkeurstemmen toestaan, overeenkomstig de bepalingen die zij vastleggen. 3. De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Artikel 2 Afhankelijk van de specifieke nationale kenmerken kunnen de lidstaten kiesdistricten voor de verkiezing van het Europees Parlement instellen of voorzien in andere kiesindelingen, evenwel zonder dat over het geheel genomen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging. Artikel 3 De lidstaten kunnen bepalen dat er een minimumdrempel voor de verdeling van de zetels wordt vastgesteld. Die drempel mag niet hoger dan 5 % van de op nationaal niveau uitgebrachte stemmen zijn. Artikel 4 Elke lidstaat kan een maximum vaststellen voor de uitgaven van de kandidaten in verband met de verkiezingscampagne. Artikel 5 1. De periode van vijf jaar waarvoor de leden van het Europees Parlement zijn gekozen begint bij de opening van de eerste zitting na iedere verkiezing. Zij wordt uitgebreid of bekort overeenkomstig artikel 11, lid 2, tweede alinea. 2. Het mandaat van ieder lid van het Europees Parlement begint en eindigt tegelijk met de in lid 1 bedoelde periode. Artikel 6 1. De leden van het Europees Parlement brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden. 2. De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen. Ar"},{"b":"Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid INTRODUCTORY PROVISIONS Article 1. Abbreviated Expressions For the purposes of this Act: - (i) “the Hague Agreement” means the Hague Agreement Concerning the International Deposit of Industrial Designs, henceforth renamed the Hague Agreement Concerning the International Registration of Industrial Designs; - (ii) “this Act” means the Hague Agreement as established by the present Act; - (iii) “Regulations” means the [Regulations under this Act](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006367); - (iv) “prescribed” means prescribed in the [Regulations](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006367); - (v) “Paris Convention” means the Paris Convention for the Protection of Industrial Property, signed at Paris on March 20, 1883, as revised and amended; - (vi) “international registration” means the international registration of an industrial design effected according to this Act; - (vii) “international application” means an application for international registration; - (viii) “International Register” means the official collection of data concerning international registrations maintained by the International Bureau, which data this Act or the [Regulations](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006367) require or permit to be recorded, regardless of the medium in which such data are stored; - (ix) “person” means a natural person or a legal entity; - (x) “applicant” means the person in whose name an international application is filed; - (xi) “holder” means the person in whose name an international registration is recorded in the International Register; - (xii) “intergovernmental organization” means an intergovernmental organization eligible to become party to this Act in accordance with [Article 27(1)(ii)](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006367); - (xiii) “Contracting Party” means any State or intergovernmental organization party to this Act; - (xiv) “applicant"},{"b":"Akte van Stockholm van 14 juli 1967 ter aanvulling van de Schikking van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen en modellen van nijverheid, van 6 november 1925, herzien te Londen op 2 juni 1934 en te 's-Gravenhage op 28 november 1960 en aangevuld door de Aanvullende Akte van Monaco van 18 november 1961 Article 1 Au sens du présent Acte complémentaire, il faut entendre par: - „Acte de 1934”, l'Acte signé à Londres le 2 juin 1934 de l'Arrangement de La Haye concernant le dépôt international des dessins et modèles industriels; - „Acte de 1960”, [l'Acte signé à La Haye le 28 novembre 1960 de l'Arrangement de La Haye concernant le dépôt international des dessins et modèles industriels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002034); - „Acte additionnel de 1961”, [l'Acte signé à Monaco le 18 novembre 1961, additionnel à l'Acte de 1934](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006584); - „Organisation”, l'Organisation Mondiale de la propriété Intellectuelle; - „Bureau international”, le Bureau international de la propriété intellectuelle; - „Directeur général”, le Directeur général de l'Organisation; - „Union particulière”, l'Union de La Haye, créée par l'Arrangement de la Haye du 6 novembre 1925 concernant le dépôt international des dessins et modèles industriels, et maintenue par les Actes de 1934 et [de 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002034), et par [l'Acte additionnel de 1961](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006584), ainsi que par le présent Acte complémentaire. Article 2 1) a). L'Union particulière a une Assemblée composée des pays qui ont ratifié le présent Acte ou y ont adhéré. b). Le Gouvernement de chaque pays est représenté par un délégué, qui peut être assisté de suppléants, de conseillers et d'experts. c). Les dépenses de chaque délégation sont supportées par le Gouvernement qui l'a désignée. 2) a). L'Assemblée: - i) traite de toutes les questions concernant le maintien et le développement de l'Union particul"},{"b":"Algemeen Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, op 28 October 1952 te 's-Gravenhage ondertekend *En application de l'article 21, paragraphe 1er, de l'article 29, paragraphe 2, et des articles 31 et 36 de la Convention générale entre le Royaume des Pays-Bas et la République Italienne sur les assurances sociales, signée a La Haye le 28 octobre 1952 (ensuite nommée Convention), les Autorités administratives suprêmes néerlandaise et italienne représentées par: du côté néerlandais: M. J. G. Suurhoff, Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, du côté italien: M. Ezio Vigorelli, Ministre du Travail et de la Prévoyance sociale, ont arrêté, d'un commun accord, les dispositions suivantes en ce qui concerne les modalités d'application de ladite Convention.* TITRE I. Dispositions générales Article 1 Pour l'application du présent arrangement on entend: *du côté italien:* - a) par „I.N.A.M.”: l'Istituto nazionale per l'assicurazione contro le malattie; - b) par „I.N.P.S.”: l'Istituto nazionale della previdenza sociale; - c) par „I.N.A.I.L.”: l'Istituto nazionale per l'assicurazione contro gli infortuni sul lavoro; *du cóté nêerlandais:* - a) par „G.A.K.”: le Gemeenschappelijk Administratiekantoor à Amsterdam; - b) par „Z.F.R.”: le Ziekenfondsraad à Amsterdam; - c) par „R.v.A.”: le Raad van Arbeid competent; - d) par „R.V.B.”: la Rijksverzekeringsbank à Amsterdam. Article 2 La Commission technique visée à l'article 36 de la Convention est composée de membres de chacun des deux pays, désignés du côté italien par le Ministre du Travail et de la Prévoyance Sociale et du côté néerlandais par le Ministre des Affaires Sociales et de la Santé Publique. La Commission se réunit chaque fois qu'il est nécessaire, soit en Italie, soit aux Pays-Bas, sous la présidence d'un membre du pays où se tient la réunion. La Commission fixe elle-mê"},{"b":"Algemeen arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken *Sa Majesté la Reine des Pays-Bas et Sa Majesté le Roi de Danemark, S'inspirant des principes de la Convention pour le règlement pacifique des conflits internationaux conclue à La Haye le 29 juillet 1899 et désirant consacrer notamment le principe de l'arbitrage obligatoire dans leurs rapports réciproques par un accord général de la nature visée à l'article 19 de la dite Convention, ont résolu de conclure une Convention à cet effet et ont nommé pour leurs plénipotentiaires savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: Monsieur JACOB DIRK CAREL Baron DE HEECKEREN DE KELL, Son Envoyé extraordinaire et Ministre plénipotentiaire près Sa Majesté le Roi de Danemark, Chevalier de l'Ordre du Lion Néerlandais; Sa Majesté le Roi de Danemark: Monsieur JOHAN HENRIK DEUNTZER, Président du Conseil de Ses Ministres et Son Ministre des Affaires Etrangères, Grand-Croix de l'Ordre du Danebrog et décoré de la Croix d'honneur du même Ordre, etc. lesquels, après s'être communiqué leurs pleins-pouvoirs trouvés en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* Article 1 Les Hautes Parties Contractantes s'engagent à soumettre à la Cour Permanente d'Arbitrage tous les différends et tous les litiges entre Elles, qui n'auront pu être résolus par les voies diplomatiques. Article 2 Dans chaque cas particulier, les Hautes Parties Contractantes, avant de s'adresser à la Cour Permanente d'Arbitrage, signeront un compromis spécial, déterminant nettement l'objet du litige, l'étendue des pouvoirs des arbitres et les délais à observer, en ce qui concerne la constitution du tribunal arbitral et la procédure. Article 3 Il est bien entendu que l'article 1 n'est pas applicable aux différends entre les ressortissants de l'un des Etats Contractants et l'autre Etat Contractant, que les tribunaux de ce dernier Etat seraient, d'après la législation de cet Etat, compétents de juger. Article 4 Les Etats non-s"},{"b":"Algemeen Arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Italië *Sa majesté la Reine des Pays-Bas et sa Majesté le Roi d'Italie, s'inspirant des principes de la Convention pour le règlement pacifique des conflits internationaux conclue à La Haye le 29 juillet 1899, et désirant consacrer notamment le principe de l'arbitrage obligatoire dans leurs rapports réciproques par un accord général de la nature visée à l'article 19 de la dite Convention, ont résolu de conclure un Traité à cet effet et ont nommé pour Leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: M. le Jonkheer HENRI DE WEEDE, Envoyé Extraordinaire et Ministre Plénipotentiaire près Sa Majesté le Roi d'Italie, Sa Majesté le Roi d'ltalie: Son Excellence M. TOMMASO TITTONI, Sénateur du Royaume, Son Ministre Secrétaire d'Etat pour les affaires étrangères, lesquels, après s'être communiqué leurs pleins pouvoirs, trouvés en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* Art 1er Les Hautes Parties Contractantes s'engagent à soumettre à la Cour Permanente d'Arbitrage tous les différends, qui viendraient à s'élever entre Elles, et qui n'auraient pu être résolus par la voie diplomatique, et cela même dans le cas où ces différends auraient leur origine dans des faits antérieurs à la conclusion de la présente Convention. Art. 2 En chaque cas particulier les Hautes Parties Contractantes signent un compromis spécial déterminant nettement l'objet du litige, l'étendue des pouvoirs de l'arbitre ou du tribunal arbitral, le mode de sa désignation, son siège, la langue dont il fera usage et celles dont l'emploi sera autorisé devant lui, le montant de la somme que chacune des Hautes Parties aura à déposer à titre d'avance pour les frais, ainsi que les règles à observer en ce qui concerne les formalités et les délais de la procédure et, généralement, toutes conditions dont Elles seront convenues. Article 3 Si un accord à ce sujet aurait éte vainement essayé, même une seule"},{"b":"Algemeen boetebeleid Kansspelautoriteit Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1. Definities In het kader van dit beleid wordt verstaan onder: - a. *aanbieder van kansspelen:* degene die gelegenheid geeft om mede te dingen naar prijzen of premies, waarbij de aanwijzing van winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen; - b. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. *basisbedrag:* het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050653&paragraaf=2&artikel=4&z=2025-01-03&g=2025-01-03) vastgestelde basisbedrag voor overtredingen van bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën I tot en met V; - d. *Bbbfs:* [Besluit bestuurlijke boetes financiële sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204); - e. *boete:* bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - f. *bruto-omzet:* opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, waaronder bij een aanbieder van kansspelen wordt verstaan het brutospelresultaat; - g. *brutospelresultaat:* de som van ontvangen inzetten en hetgeen anders dan als inzet ontvangen is voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan kansspelen, verminderd met de ter beschikking gestelde prijzen en de wettelijke afdracht; - h. *Kansspelautoriteit:* raad van bestuur van de kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - i. *omvang van de overtreder:* de bruto-omzet van de overtreder; - j. *omzetgerelateerde boete:* boete op basis van een percentage van de bruto-omzet van de overtreder; - k. *recidive:* omstandigheid dat ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder voor eenzelfde overtreding; - l. *standaar"},{"b":"Algemeen boetetoemetingsbeleid DNB De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) heeft het volgende beleid vastgesteld met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes die worden opgelegd wegens overtredingen van voorschriften als bedoeld in [paragraaf 2 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204&paragraaf=2), [artikel 51a van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Bupw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=51a) en het [Besluit EU-verordeningen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049497).1.Hoewel het beleid strikt genomen niet van toepassing is op overtredingen van voorschriften als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Besluit bestuurlijke boetes echtheids- en geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten en euromunten, gaat hier wel een zekere reflexwerking van uit en zal DNB bij het bepalen van boetehoogten voor deze overtredingen aansluiten bij de uitgangspunten van paragraaf 2.1 van dit beleid om te komen tot een passend en evenredig boetebedrag. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In het kader van dit beleid wordt verstaan onder: - a. *basisbedrag:* een bij wet vastgesteld basisbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - b. *maximumbedrag:* een bij wet vastgesteld maximumbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - c. *minimumbedrag:* een bij wet vastgesteld minimumbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - d. *omzetgerelateerde boete:* boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld percentage van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan het boetebesluit; - e. *recidive:* de omstandigheid dat tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - f. *voordeelgerelateerde boete:* boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld aantal malen van het bedrag van het voordeel dat de overtreder d"},{"b":"Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *ministerie:* Ministerie van Defensie; - b. *bewindspersoon:* Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - c. *Secretaris-Generaal:* de Secretaris-Generaal van het ministerie, waaronder mede begrepen de functionaris die door de Secretaris-Generaal schriftelijk is aangewezen om bij afwezigheid van de Secretaris-Generaal diens functie waar te nemen; - d. *mandaat:* de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - e. *volmacht:* de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - f. *machtiging:* de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging aan Secretaris-Generaal; uitgezonderde bevoegdheden 1. Aan de Secretaris-Generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in het [Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746). 2. De verlening van bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, omvat niet: - a. de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaatverlening is voorzien; - b. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien het besluit waartegen het bezwaar zich richt door een bewindspersoon of door de Secretaris-Generaal is genomen; - c. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten of tot het verrichten van andere handelingen, neergelegd in een document, gericht tot: - 1°. de Koning; - 2°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk, in gevallen waarin de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van ve"},{"b":"Algemeen organisatiebesluit Defensie 2025 Artikel 1. De inrichting van het Ministerie van Defensie - 1. Het Ministerie van Defensie kent de volgende verantwoordelijken: - a. De Secretaris-Generaal ([artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=2&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - b. De plaatsvervangend Secretaris-Generaal ([artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=3&z=2025-07-26&g=2025-07-26)) - c. De Commandant der Strijdkrachten ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=4&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - d. De Directeur-Generaal Beleid ([artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=5&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - e. De Hoofddirecteur Financiën en Control ([artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=6&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - f. De Chief Information Officer ([artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=7&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - g. De Directeur Communicatie ([artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=8&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - h. De Directeur Juridische Zaken ([artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=9&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - i. De Directeur Bestuursondersteuning en Advies ([artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=10&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - j. De Directeur Human Resources en Bedrijfsvoering ([artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=11&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - k. De Directeur Financiën & Control Bestuursstaf ([artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=12&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - l. De Commandant Zeestrijdkrachten ([artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=13&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - m. De Commandant Landstrijdkrachten ([artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=14&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - n."},{"b":"Algemeen Postverdrag PREMIÈRE PARTIE. RÈGLES COMMUNES APPLICABLES AU SERVICE POSTAL INTERNATIONAL CHAPITRE UNIQUE. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article premier. Service postal universel *Vervallen* Article 2. Liberté de transit *Vervallen* Article 3. Appartenance des envois postaux *Vervallen* Article 4. Création d'un nouveau service *Vervallen* Article 5. Unité monétaire *Vervallen* Article 6. Timbres-poste *Vervallen* Article 7. Taxes *Vervallen* Article 8. Franchise postale *Vervallen* Article 9. Sécurité postale *Vervallen* DEUXIÈME PARTIE. RÈGLES APPLICABLES À LA POSTE AUX LETTRES ET AUX COLIS POSTAUX CHAPITRE 1. OFFRE DE PRESTATIONS Article 10. Services de base *Vervallen* Article 11. Taxes d'affranchissement et surtaxes aériennes *Vervallen* Article 12. Taxes spéciales *Vervallen* Article 13. Envois recommandés *Vervallen* Article 14. Envois à livraison attestée *Vervallen* Article 15. Envois avec valeur déclarée *Vervallen* Article 16. Envois contre remboursement *Vervallen* Article 17. Envois exprès *Vervallen* Article 18. Avis de réception *Vervallen* Article 19. Remise en main propre *Vervallen* Article 20. Envois francs de taxes et de droits *Vervallen* Article 21. Service de correspondance commerciale-réponse internationale *Vervallen* Article 22. Coupons-réponse internationaux *Vervallen* Article 23. Colis fragiles. Colis encombrants *Vervallen* Article 24. Service de groupage «Consignment» *Vervallen* Article 25. Envois non admis. Interdictions *Vervallen* Article 26. Matières radioactives *Vervallen* Article 27. Réexpédition *Vervallen* Article 28. Envois non distribuables *Vervallen* Article 29. Retrait. Modification ou correction d'adresse à la demande de l'expéditeur *Vervallen* Article 30. Réclamations *Vervallen* Article 31. Contrôle douanier *Vervallen* Article 32. Taxe de dédouanement *Vervallen* Article 33. Droits de douane et autres droits *Vervallen* CHAPITRE 2. RESPONSABILITÉ Article 34. Responsabilité des administrations postales. Indemnités *V"},{"b":"Algemeen Postverdrag PARTIE PREMIÈRE. RÈGLES COMMUNES APPLICABLES AU SERVICE POSTAL INTERNATIONAL CHAPITRE UNIQUE. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article premier. Définitions *Vervallen* Article 2. Désignation de la ou des entités chargées de remplir les obligations découlant de l’adhésion à la Convention *Vervallen* Article 3. Service postal universel *Vervallen* Article 4. Liberté de transit *Vervallen* Article 5. Appartenance des envois postaux. Retrait. Modification ou correction d’adresse. Réexpédition. Renvoi à l’expéditeur des envois non distribuables *Vervallen* Article 6. Taxes *Vervallen* Article 7. Exonération des taxes postales *Vervallen* Article 8. Timbres-poste *Vervallen* Article 9. Sécurité postale *Vervallen* Article 10. Développement durable *Vervallen* Article 11. Infractions *Vervallen* PARTIE DEUXIÈME. RÈGLES APPLICABLES À LA POSTE AUX LETTRES ET AUX COLIS POSTAUX CHAPITRE 1. OFFRE DE PRESTATIONS Article 12. Services de base *Vervallen* Article 13. Services supplémentaires *Vervallen* Article 14. Courrier électronique, EMS, logistique intégrée et nouveaux services *Vervallen* Article 15. Envois non admis. Interdictions *Vervallen* Article 16. Matières radioactives et substances infectieuses admissibles *Vervallen* Article 17. Réclamations *Vervallen* Article 18. Contrôle douanier. Droits de douane et autres droits *Vervallen* Article 19. Echange de dépêches closes avec des unités militaires *Vervallen* Article 20. Normes et objectifs en matière de qualité de service *Vervallen* CHAPITRE 2. RESPONSABILITÉ Article 21. Responsabilité des opérateurs désignés. Indemnités *Vervallen* Article 22. Non-responsabilité des Pays-membres et des opérateurs désignés *Vervallen* Article 23. Responsabilité de l’expéditeur *Vervallen* Article 24. Paiement de l’indemnité *Vervallen* Article 25. Récupération éventuelle de l’indemnité sur l’expéditeur ou sur le destinataire *Vervallen* CHAPITRE 3. DISPOSITIONS PARTICULIÈRES À LA POSTE AUX LETTRES Article 26. Dépôt à l’étra"},{"b":"Algemeen Postverdrag PARTIE PREMIÈRE. RÈGLES COMMUNES APPLICABLES AU SERVICE POSTAL INTERNATIONAL CHAPITRE UNIQUE. DISPOSITIONS GÉNÉRALES Article premier. Définitions *Vervallen* Article 2. Désignation de la ou des entités chargées de remplir les obligations découlant de l’adhésion à la Convention *Vervallen* Article 3. Service postal universel *Vervallen* Article 4. Liberté de transit *Vervallen* Article 5. Appartenance des envois postaux. Retrait. Modification ou correction d’adresse. Réexpédition. Renvoi à l’expéditeur des envois non distribuables *Vervallen* Article 6. Taxes *Vervallen* Article 7. Exonération des taxes postales *Vervallen* Article 8. Timbres-poste *Vervallen* Article 9. Sécurité postale *Vervallen* Article 10. Environnement *Vervallen* Article 11. Infractions *Vervallen* PARTIE DEUXIÈME. RÈGLES APPLICABLES À LA POSTE AUX LETTRES ET AUX COLIS POSTAUX CHAPITRE 1. OFFRE DE PRESTATIONS Article 12. Services de base *Vervallen* Article 13. Services supplémentaires *Vervallen* Article 14. Courrier électronique, EMS, logistique intégrée et nouveaux services *Vervallen* Article 15. Envois non admis. Interdictions *Vervallen* Article 16. Matières radioactives et matières biologiques admissibles *Vervallen* Article 17. Réclamations *Vervallen* Article 18. Contrôle douanier. Droits de douane et autres droits *Vervallen* Article 19. Echange de dépêches closes avec des unités militaires *Vervallen* Article 20. Normes et objectifs en matière de qualité de service *Vervallen* CHAPITRE 2. RESPONSABILITÉ Article 21. Responsabilité des administrations postales. Indemnités *Vervallen* Article 22. Non-responsabilité des administrations postales *Vervallen* Article 23. Responsabilité de l’expéditeur *Vervallen* Article 24. Paiement de l’indemnité *Vervallen* Article 25. Récupération éventuelle de l’indemnité sur l’expéditeur ou sur le destinataire *Vervallen* Article 26. Réciprocité applicable aux réserves concernant la responsabilité *Vervallen* CHAPITRE 3. DISPOSIT"},{"b":"Algemeen Postverdrag PART I. RULES APPLICABLE IN COMMON THROUGHOUT THE INTERNATIONAL POSTAL SERVICE SOLE CHAPTER. GENERAL PROVISIONS Article 1. Definitions *Vervallen* Article 2. Designation of the entity or entities responsible for fulfilling the obligations arising from adherence to the Convention *Vervallen* Article 3. Universal postal service *Vervallen* Article 4. Freedom of transit *Vervallen* Article 5. Ownership of postal items. Withdrawal from the post. Alteration or correction of address. Redirection. Return to sender of undeliverable items *Vervallen* Article 6. Charges *Vervallen* Article 7. Exemption from postal charges *Vervallen* Article 8. Postage stamps *Vervallen* Article 9. Postal security *Vervallen* Article 10. Sustainable development *Vervallen* Article 11. Violations *Vervallen* Article 12. Processing of personal data *Vervallen* PART II. RULES APPLICABLE TO LETTER POST AND POSTAL PARCELS CHAPTER 1. PROVISION OF SERVICES Article 13. Basic services *Vervallen* Article 14. Classification of letter-post items based on their formats *Vervallen* Article 15. Supplementary services *Vervallen* Article 16. EMS and integrated logistics *Vervallen* Article 17. Electronic postal services *Vervallen* Article 18. Items not admitted. Prohibitions *Vervallen* Article 19. Inquiries *Vervallen* Article 20. Customs control. Customs duty and other fees *Vervallen* Article 21. Exchange of closed mails with military units *Vervallen* Article 22. Quality of service standards and targets *Vervallen* CHAPTER 2. LIABILITY Article 23. Liability of designated operators. Indemnities *Vervallen* Article 24. Non-liability of member countries and designated operators *Vervallen* Article 25. Sender’s liability *Vervallen* Article 26. Payment of indemnity *Vervallen* Article 27. Possible recovery of the indemnity from the sender or the addressee *Vervallen* CHAPTER 3. PROVISIONS SPECIFIC TO LETTER POST Article 28. Posting abroad of letter-post items *Vervallen* PART III. REMU"},{"b":"Algemeen Postverdrag *The undersigned, plenipotentiaries of the governments of the member countries of the Universal Postal Union (hereinafter the “Union”), having regard to article 22.3 of the Constitution of the Universal Postal Union concluded at Vienna on 10 July 1964, have by common consent and subject toarticle 25.4 of the Constitution drawn up in this Universal Postal Convention (hereinafter the “Convention”) the rules applicable throughout the international postal service.* SECTION I. RULES APPLICABLE IN COMMON THROUGHOUT THE INTERNATIONAL POSTAL SERVICE Article 1. Definitions 1. For the purposes of the Convention, the following terms shall have the meanings defined below: - 1.1 letter-post item: item described in and conveyed under the conditions of the Convention and Regulations; - 1.2 parcel-post item: item described in and conveyed under the conditions of the Convention and Regulations; - 1.3 EMS item: item described in and conveyed under the conditions of the Convention, Regulations and associated EMS instruments; - 1.4 documents: a letter-post, parcel-post or EMS item consisting of any piece of written, drawn, printed or digital information, excluding objects of merchandise, whose physical specifications lie within the limits specified in the Regulations; - 1.5 goods: a letter-post, parcel-post or EMS item consisting of any tangible and movable object other than money, including objects of merchandise, which does not fall under the definition of “documents” as provided in paragraph 1.4 above and whose physical specifications lie within the limits specified in the Regulations; - 1.6 closed mail: labelled receptacle(s) sealed with or without lead, containing postal items; - 1.7 misrouted mails: receptacles received at an office of exchange other than the one mentioned on the (receptacle) label; - 1.8 personal data: information needed to identify a postal service user; - 1.9 missent items: items received at an office of exchange meant for an office of exc"},{"b":"Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - *bestuur:* de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - *deelregeling:* een op deze regeling gebaseerde regeling waarin nadere regels zijn opgenomen over de verstrekking van subsidies; - *Fonds Podiumkunsten:* de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - *Nederland:* het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; Artikel 2. Doel 1. Het bestuur verstrekt, in overeenstemming met artikel 3 van de statuten van het Fonds Podiumkunsten, subsidies voor activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van de kwaliteit en diversiteit van het scheppen, produceren en programmeren van de professionele podiumkunsten in Nederland en het opbouwen van een publiek daarvoor. 2. Het bestuur kan een of meer deelregelingen vaststellen waarin nadere bepalingen zijn opgenomen voor het verstrekken van subsidie. Artikel 3. Toepasbaarheid 1. Het bepaalde in deze regeling is van toepassing op alle subsidies die het bestuur verstrekt, tenzij in een deelregeling wordt afgeweken van hetgeen in onderhavige regeling bepaald is. 2. Het bestuur kan bepalingen in de door hem vastgestelde subsidieregelingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen voor subsidieontvangers van de uitbraak van het Coronavirus en de maatregelen ter bestrijding ervan, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 4. Kring van aanvragers 1. Een subsidie aan of ten behoeve van een natuurlijk persoon wordt slechts verstrekt als deze artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. 2. Een subsidie aan een rechtspersoon wordt slechts verstrekt als deze in Nederland gevestigd is. In bijzondere gevallen kan he"},{"b":"Algemeen Reglement Mondriaan Fonds 2021 Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling en de hierop te baseren deelregelingen wordt verstaan onder: - a. *het fonds:* het Mondriaan Fonds, - b. *het bestuur:* de directeur-bestuurder van het fonds, - c. *deelregeling:* een op deze regeling gebaseerde regeling waarin nadere regels zijn opgenomen over de verstrekking van een subsidie, - d. *beeldend kunstenaar:* degene die op professionele wijze werk maakt binnen het kader van de beeldende kunsten, - e. *bemiddelaar:* degene die professioneel werkzaam is zoals een curator, criticus, theoreticus of beschouwer, op het gebied van de beeldende kunsten en/of cultureel erfgoed en die projecten wil uitvoeren die leiden tot kennisverdieping en/of zichtbaarheid en inzichtelijkheid van de hedendaagse beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland, - f. *beeldende kunst:* hedendaagse en actuele vormen van verbeelding die door beeldend kunstenaars worden vervaardigd binnen één of meer van de volgende terreinen: - • teken-, schilder- en grafische kunsten, - • beeldhouwkunst, (sociale) sculptuur en installatiekunst, - • conceptuele kunst, performancekunst, artistiek onderzoek, - • niet-traditionele vormen van beeldende kunst, - • fotografie, - • audiovisuele, digitale, geluids -en (nieuwe) mediakunst, - • beeldende kunsttoepassingen, - • kunst in de openbare ruimte. - g. *cultureel erfgoed:* alles wat cultuurhistorische waarde heeft en gezamenlijk de materiële en immateriële erfenis vormt van de Nederlandse samenleving. Hiermee worden bijvoorbeeld bedoeld voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven en/of de daarmee verbonden gebruiken, gewoonten en verhalen, waarbij het moet gaan om een object, traditie of ritueel, - h. *Kunstpodium:* een organisatie met rechtspersoonlijkheid gevestigd in Nederland, die een publiekstoegankelijk podium biedt voor de presentatie van vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst, die niet overwegend gericht is op"},{"b":"Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. *aanvraag:* een aanvraag voor een subsidie; - 2. *bestuur:* het bestuur van het Letterenfonds; - 3. *deelregeling:* een op dit Algemeen reglement gebaseerde regeling waarin nadere regels worden gesteld over de aard, omvang en samenstelling van subsidies, alsmede over het aanvragen, beoordelen, verlenen en vaststellen van subsidies; - 4. *het Letterenfonds:* de Stichting Nederlands Letterenfonds; - 5. *Minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - 6. *project:* een activiteit met een incidenteel en in tijd beperkt karakter op het terrein van de literatuur; - 7. *raad van advies:* een raad als bedoeld in het Huishoudelijk reglement van het Letterenfonds; - 8. *subsidie:* een subsidie in de zin van [artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21) (hierna Awb); - 9. *uniform subsidiekader:* [Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027023) van 15 december 2009; - 10. *wet:* de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904). Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Het Algemeen reglement is van toepassing op alle aanvragen die bij het bestuur worden ingediend en de subsidies die het Letterenfonds verstrekt. 2. Het Algemeen reglement is van toepassing naast en in aanvulling op de deelregelingen, tenzij in de betreffende deelregeling anders is bepaald. 3. [Titel 4.2 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) is van toepassing op de verstrekking van subsidie op basis van deze regeling. Artikel 3. Doelstelling Het bestuur kan subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan één of meer doelstellingen van het Letterenfonds zoals genoemd in de statuten van het Letterenfonds. Artikel 4. Kring van aanvragers Het Letterenfonds kan op aanvraag subsidie v"},{"b":"Algemeen Reglement van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - *activiteitenplan:* het plan van de aanvrager tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van filmactiviteiten niet zijnde een filmproductie; - *afwerking:* het voor (bioscoop)vertoning en verdere exploitatie gereed maken van een filmproductie na voltooiing van de werkkopie; - *animatie:* een filmproductie die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat; - *arthouse film:* een speelfilm waarbij de nadruk op de artistieke kwaliteit ligt en het eindresultaat dusdanig bijzonder is dat dit in potentie nationaal of internationaal herkend en gewaardeerd wordt; - *begroting:* de gedetailleerde financiële onderbouwing van de kosten van een filmproductie of filmactiviteit; - *bestuur:* het bestuur van het Fonds; - *bioscoopuitbreng:* de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première -voorafgaand aan de non-theatrical release – in een significant aantal bioscopen of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - *categorie:* een soort filmproductie; - *code diversiteit & inclusie:* de gedragscode gericht op een gelijkwaardige en toegankelijke cultuursector voor makers, producenten, werkenden en publiek, zoals van tijd tot tijd gepubliceerd op de website van het Fonds; - *coproductie:* een filmproductie, waaraan twee of meer coproducenten risicodragend, op basis van een door alle partijen goedgekeurd filmplan of scenario een inhoudelijke en financiële bijdrage leveren; - *documentaire:* een non-fictie filmproductie geschikt voor bioscoopvertoning die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl; - *documentaire script:* de inhoudelijke opzet voor een documentaire met daa"},{"b":"Algemeen Reglement van de Wereldpostunie *(Recast and adopted by the 2012 Doha Congress) The undersigned plenipotentiaries of the Governments of member countries of the Union, having regard to article 22.2 of the Constitution of the Universal Postal Union, concluded at Vienna on 10 July 1964, have, by common consent, and subject to article 25.4 of the Constitution, drawn up in these General Regulations the following provisions securing the application of the Constitution and the functioning of the Union.* CHAPTER I. ORGANIZATION, FUNCTIONS AND OPERATION OF CONGRESSES, THE COUNCIL OF ADMINISTRATION, THE POSTAL OPERATIONS COUNCIL AND THE CONSULTATIVE COMMITTEE SECTION 1. CONGRESS Article 101. Organization and convening of Congresses and Extraordinary Congresses (Const. 14, 15) 1. The representatives of member countries shall meet in Congress not later than four years after the end of the year during which the preceding Congress took place. 2. Each member country shall arrange for its representation at Congress by one or more plenipotentiaries furnished by their Government with the necessary powers. It may, if need be, arrange to be represented by the delegation of another member country. Nevertheless it shall be understood that a delegation may represent only one member country other than its own. 3. In principle, each Congress shall designate the country in which the next Congress will be held. If that designation proves inapplicable, the Council of Administration shall be authorized to designate the country where Congress is to meet, after consultation with the latter country. 4. After consultation with the International Bureau, the host Government shall fix the definitive date and the precise locality of Congress. In principle one year before that date, the host Government shall send an invitation to the Government of each member country of the Union. This invitation may be sent direct or through the intermediary of another Government or through the Director Genera"},{"b":"Algemeen Reglement van de Wereldpostunie CHAPITRE I. FONCTIONNEMENT DES ORGANES DE L’UNION Article 101. Organisation et réunion des Congrès et Congrès extraordinaires (Const. 14, 15) *Vervallen* Article 101bis. Fonctions du Congrès *Vervallen* Article 102. Composition, fonctionnement et réunions du Conseil d’administration (Const. 17) *Vervallen* Article 103. Information sur les activités du Conseil d’administration *Vervallen* Article 104. Composition, fonctionnement et réunions du Conseil d’exploitation postale (Const. 18) *Vervallen* Article 105. Information sur les activités du Conseil d’exploitation postale *Vervallen* Article 106. Composition, fonctionnement et réunions du Comité consultatif *Vervallen* Article 107. Information sur les activités du Comité consultatif *Vervallen* Article 108. Règlement intérieur des Congrès (Const. 14) *Vervallen* Article 109. Langues de travail du Bureau international *Vervallen* Article 110. Langues utilisées pour la documentation, les délibérations et la correspondance de service *Vervallen* CHAPITRE II. BUREAU INTERNATIONAL Article 111. Election du Directeur général et du Vice-Directeur général du Bureau international *Vervallen* Article 112. Fonctions du Directeur général *Vervallen* Article 113. Fonctions du Vice-Directeur général *Vervallen* Article 114. Secrétariat des organes de l’Union (Const. 14, 15, 17, 18) *Vervallen* Article 115. Liste des Pays-membres (Const. 2) *Vervallen* Article 116. Renseignements. Avis. Demandes d’interprétation et de modification des Actes. Enquêtes. Intervention dans la liquidation des comptes (Const. 20, Règl. gén. 124, 125, 126) *Vervallen* Article 117. Coopération technique (Const. 1) *Vervallen* Article 118. Formules fournies par le Bureau international (Const. 20) *Vervallen* Article 119. Actes des Unions restreintes et arrangements spéciaux (Const. 8) *Vervallen* Article 120. Revue de l’Union *Vervallen* Article 121. Rapport biennal sur les activités de l’Union (Const. 20, Règl. gén."},{"b":"Algemeen Reglement van de Wereldpostunie CHAPITRE I. FONCTIONNEMENT DES ORGANES DE LUNION Article 101. Organisation et réunion des Congrès et Congrès extraordinaires *Vervallen* Article 102. Composition, fonctionnement et réunions du Conseil d'administration *Vervallen* Article 103. Documentation sur les activités du Conseil d'administration *Vervallen* Article 104. Composition, fonctionnement et réunions du Conseil d'exploitation postale *Vervallen* Article 105. Documentation sur les activités du Conseil d'exploitation postale *Vervallen* Article 106. Règlement intérieur des Congrès *Vervallen* Article 107. Langues de travail du Bureau international *Vervallen* Article 108. Langues utilisées pour la documentation, les délibérations et la correspondance de service *Vervallen* CHAPITRE II. BUREAU INTERNATIONAL Article 109. Election du Directeur général et du Vice-Directeur général du Bureau international *Vervallen* Article 110. Fonctions du Directeur général *Vervallen* Article 111. Fonctions du Vice-Directeur général *Vervallen* Article 112. Secrétariat des organes de l'Union *Vervallen* Article 113. Liste des Pays-membres *Vervallen* Article 114. Renseignements. Avis. Demandes d'interprétation et de modification des Actes. Enquêtes. Intervention dans la liquidation des comptes *Vervallen* Article 115. Coopération technique *Vervallen* Article 116. Formules fournies par le Bureau international *Vervallen* Article 117. Actes des Unions restreintes et arrangements spéciaux *Vervallen* Article 118. Revue de l'Union *Vervallen* Article 119. Rapport annuel sur les activités de l'Union *Vervallen* CHAPITRE III. PROCÉDURE DINTRODUCTION ET DEXAMEN DES PROPOSITIONS Article 120. Procédure de présentation des propositions au Congrès *Vervallen* Article 121. Procédure de présentation des propositions entre deux Congrès *Vervallen* Article 122. Examen des propositions entre deux Congrès *Vervallen* Article 123. Notification des décisions adoptées entre deux Congrès *Vervallen*"},{"b":"Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021 Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Gebruikte begrippen - a. *Aanvrager:* de organisatie, instelling, natuurlijk persoon of rechtspersoon die subsidie aanvraagt. - b. *Adviescommissie:* een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. *Awb:* de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). - d. *Begrotingstekort:* negatief verschil tussen de inkomsten en uitgaven. - e. *Besluit:* een besluit zoals bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). In dit reglement wordt een beschikking ook een besluit genoemd. - f. *Deelregeling:* een subsidieregeling die is gebaseerd op dit reglement, met nadere regels voor het geven van subsidies. - g. *Fonds:* Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - h. *Huishoudelijk Reglement:* [Huishoudelijk Reglement van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - i. *Koninkrijk der Nederlanden:* Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - j. *Minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. - k. *Rijkscultuurfondsen:* de Fondsen zoals bedoeld in [hoofdstuk IV van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&hoofdstuk=IV). - l. *Schriftelijk:* correspondentie tussen het Fonds en de aanvrager. Per deelregeling wordt bepaald welke wijze van communicatie vereist is. - m. *De wet:* de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904). - n. *Cultuurparticipatie:* het actief in de vrije tijd beoefenen van kunstzinnige of erfgoedactiviteiten. - o. *Cultuureducatie:* het doelbewust leren over en door middel van kunst en erfgoed binnen de school. - p. *Subsidie:*"},{"b":"Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko *Le Royaume des Pays-Bas et le Royaume du Maroc, Animés du désir de régler les rapports en matière de sécurité sociale entre les deux Etats, Sont convenus de ce qui suit:* TITRE I. Dispositions générales Article I 1. La présente Convention s'applique - a) aux Pays-Bas: aux législations concernant l'assurance maladie (prestations en espèces et en nature en cas de maladie et de maternité); l'assurance incapacité de travail (assurance invalidité); l'assurance vieillesse; l'assurance des survivants; l'assurance chômage; les allocations familiales; l'aide sociale et les autres prestations à charge des fonds publics. - b) au Maroc: - – à la législation sur le régime de sécurité sociale; - – à la législation sur les accidents du travail et les maladies professionnelles; - – à la législation sur l’assurance maladie obligatoire pour les salariés du secteur privé et prévue par le code de la couverture médicale de base ; - – aux dispositions législatives, réglementaires ou statutaires agréées par l’autorité publique relatives à des régimes particuliers de sécurité sociale en tant qu’elles couvrent des salariés ou assimilés et qu’elles concernent des risques et prestations courants de la législation sur les régimes de sécurité sociale.» 2. La présente Convention s'appliquera également à tous les actes législatifs ou réglementaires qui modifieront ou compléteront les législations énumérées au paragraphe premier du présent article. Toutefois elle ne s'appliquera: - a) aux actes législatifs ou réglementaires couvrant une branche nouvelle de la sécurité sociale que si un arrangement intervient à cet effet entre les parties contractantes; - b) aux actes législatifs ou réglementaires qui étendront les régimes existants à de nouvelles catégories de bénéficiaires que s'il n'y a pas à cet égard opposition de la partie qui modifie sa législation, notifiée au gouvernement de l'autre p"},{"b":"Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa *The Governments of the Kingdom of Belgium, the Kingdom of Denmark, the French Republic, the Kingdom of Greece, the Irish Republic, the Italian Republic, the Grand Duchy of Luxembourg, the Kingdom of the Netherlands, the Kingdom of Norway, the Kingdom of Sweden, the Turkish Republic and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland; Whereas under the provisions of Article 40, paragraph (a) of the Statute, the Council of Europe, representatives of Members and the Secretariat shall enjoy in the territories of its Members such privileges and immunities as are necessary for the exercise of their duties; Whereas under the provisions of paragraph (b) of the above-mentioned Article, the Members of the Council have undertaken to enter into an agreement for the purpose of fulfilling the provisions of the said paragraph; Whereas in pursuance of the above-mentioned paragraph (b), the Committee of Ministers has recommended to Member Governments the acceptance of the following provisions: Have agreed as follows:* PART I. Personality - Capacity Article 1 The Council of Europe shall possess juridical personality. It shall have the capacity to conclude contracts, to acquire and dispose of movable and immovable property and to institute legal proceedings. In these matters the Secretary General shall act on behalf of the Council of Europe. Article 2 The Secretary General shall co-operate at all times with the competent authorities of the Members to facilitate the proper administration of justice, secure the observance of police regulations and prevent the occurrence of any abuse in connection with the privileges, immunities, exemptions and facilities enumerated in the present Agreement. PART II. Property, Funds and Assets Article 3 The Council, its property and assets, wheresoever located and by whomsoever held, shall enjoy immuntiy from every form of legal process except in so far as in any part"},{"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van met de grens verband houdende vraagstukken en andere tussen beide landen bestaande problemen *Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Bondsrepubliek Duitsland, Verlangend, de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen te bevorderen en zo gunstig mogelijke voorwaarden te scheppen voor de door beide staten gevolgde politiek van westelijke samenwerking en Europese integratie, Zijn overeengekomen, tussen Hun beide landen bestaande meningsverschillen binnen de door het recht geboden mogelijkheden aan een algemene verdragsregeling te onderwerpen, En hebben daartoe tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, en de Heer H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de Heer Heinrich von Brentano, Bondsminister voor Buitenlandse Zaken, en de Heer Rolf Lahr, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur, Die, na uitwisseling van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende zijn overeengekomen:* Artikel 1 Ter regeling van het verloop der gemeenschappelijke landgrens, van de grenswateren, van het grondbezit in de nabijheid van de grens, van het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en van andere met de grens verband houdende vraagstukken wordt het Grensverdrag gesloten. Ter regeling van de samenwerking in de Eemsmonding wordt het Eems-Dollardverdrag gesloten. Inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging wordt het Financiële Verdrag gesloten. Ter beslissing over geschillen inzake de uitlegging of toepassing van de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Akte van Mannheim) wordt een Overeenkomst tot aanvaarding van de verplichte rechtsmacht van het Inter"},{"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering *Sa Majesté la Reine des Pays-Bas et Le Président de la République Italienne, Animés du désir de régler les rapports en matière des assurances sociales entre les deux Etats, ont résolu de conclure une convention en ce propos et, à cet effet, ont nommé leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: Son Excellence M. J. W. Beyen, Son Ministre des Affaires Etrangères; Le Président de la République Italienne: Son Excellence M. Casto Caruso, Envoyé extraordinaire et Ministre plénipotentiaire d'Italie à La Haye; Lesquels, après avoir échangé leurs pleins pouvoirs reconnus en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* Titre Premier. PRINCIPES GENERAUX Article premier Paragraphe 1er. Les travailleurs italiens ou néerlandais, salariés ou assimilés aux salariés par les législations d'assurance sociale énumérées à l'article 2 de la présente Convention (à dénommer ci-après „travailleurs”), sont soumis respectivement auxdites législations applicables aux Pays-Bas et en Italie et en bénéficient, ainsi que leurs ayants droit, dans les mêmes conditions que les ressortissants de chacun de ces pays. Paragraphe 2. Les ressortissants néerlandais ou italiens résidant en Italie ou aux Pays-Bas peuvent bénéficier dés dispositions concernant l'assurance volontaire ou facultative des législations énumérées à l'article 2 dans les mêmes conditions que les ressortissants du pays où ils résident. Article 2 Paragraphe 1er. Les législations auxquelles s'applique la présente Convention sont les suivantes: - 1) *en Italie:* - a. la législation sur l'assurance invalidité, vieillesse et survie; - b. la législation sur l'assurance accidents du travail et maladies professionnelles; - c. la législation sur l'assurance maladie, y compris les soins médicaux; - d. la législation sur l'assurance tuberculose; - e. la législation sur la protection physique et éco"},{"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de sociale zekerheid *Sa Majesté la Reine des Pays-Bas, et Son Altesse Royale Madame la Grande-Duchesse de Luxembourg, animées du désir de garantir le bénéfice des législations sur la Sécurité Sociale en vigueur dans les deux Etats contractants aux personnes auxquelles s'appliquent ou ont été appliquées ces législations, ont résolu de conclure une convention et, à cet effet, ont nommé leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: Son Excellence Monsieur A. M. Joekes, Ministre des Affaires Sociales, Son Excellence le Jonkheer G. L. van der Maesen de Sombreff, Ministre Plénipotentiaire, Chargé d'Affaires a.i. des Pays-Bas; Son Altesse Royale Madame la Grande-Duchesse de Luxembourg: Son Excellence Monsieur Pierre Dupong, Ministre d'Etat, Président du Gouvernement, Ministre du Travail et de la Prévoyance Sociale, Son Excellence Monsieur Eugène Schaus, Ministre de l'Intérieur et de la Justice. Lesquels, après avoir échangé leurs pouvoirs reconnus en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* TITRE Ier. PRINCIPES GÉNÉRAUX Article 1er Les ressortissants néerlandais ou luxembourgeois salariés ou assimilés aux salariés par les législations de sécurité sociale énumérées à l'article 2 de la présente convention, sont soumis respectivement auxdites législations applicables aux Pays-Bas ou au Luxembourg et en bénéficient dans les mêmes conditions que les ressortissants de chacun de ces pays. Article 2 Paragraphe 1er. Les législations de sécurité sociale auxquelles s'applique la présente convention sont: - a) les législations relatives à l'assurance en cas de maladie, y compris les soins médicaux et les allocations de maternité; - b) les législations relatives à l'assurance en vue de la vieillesse, de l'invalidité et du décès prématuré; - c) les législations relatives aux accidents du travail et aux maladies professionnelles; - d) les législations"},{"b":"Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid *Sa Majesté la Reine des Pays-Bas, et Le Président de la République Française, animés du désir de garantir le bénéfice des législations sur la sécurité sociale en vigueur dans les deux Etats contractants aux personnes auxquelles s'appliquent ou ont été appliquées ces législations, ont résolu de conclure une convention et, à cet effet, ont nommé leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: M. D. U. Stikker, Son Ministre des Affaires Etrangères, et M. A. M. Joekes, Son Ministre des Affaires Sociales; Le Président de la République Française: M. Jean-Paul Garnier, Ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire de France à La Haye, et M. Pierre Segelle, Ministre du Travail et de la Sécurité sociale, Lesquels, après avoir échangé leurs pouvoirs reconnus en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* TITRE Ier. Principes généraux Article 1er Paragraphe 1er. Les ressortissants néerlandais ou français salariés ou assimilés aux salariés par les législations de sécurité sociale énumérées à l'article 2 de la présente convention, sont soumis respectivement aux dites législations applicables en France ou aux Pays-Bas et en bénéficient dans les mêmes conditions que les ressortissants de chacun de ces pays. Paragraphe 2. Les ressortissants néerlandais, autres que ceux visés au premier paragraphe du présent article, bénéficient des prestations familiales, conformément aux législations énumérées à l'article 2, applicables en France et dans les mêmes conditions que les ressortissants français. Article 2 Paragraphe 1er. Les législations de sécurité sociale auxquelles s'applique la présente convention sont: - 1º. *En France:* - a) la législation fixant l'organisation de la sécurité sociale; - b) la législation générale fixant le régime des assurances sociales applicables aux assurés des professions non agricoles et concernant l'assurance des risques maladie, invalidité, vi"},{"b":"Algemeen/Formeel recht, ondermandaat De Minister van Economische Zaken heeft het volgende besloten: In dit besluit wordt het door de Minister van Economische Zaken aan de directeur-generaal Belastingdienst verleende mandaat tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren van de Belastingdienst ondergemandateerd aan de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Holland-Midden. 1. Ondermandaatverlening De Minister van Economische Zaken heeft in het [besluit van 14 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020870), Stcrt. 252, aan de directeur-generaal Belastingdienst mandaat verleend om met ingang van 1 januari 2007 namens hem ambtenaren van de Belastingdienst aan te wijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de [Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) en de [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176). Er is voor gekozen de aanwijzing te laten plaatsvinden door de voorzitter van het managementteam Belastingdienst Holland-Midden. Gelet hierop wordt aan de voorzitter Belastingdienst/Holland-Midden ondermandaat verleend om namens de Minister van Economische Zaken ambtenaren van de Belastingdienst aan te wijzen als ambtenaren belast met het toezicht op naleving van de [Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) en de [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176). 2. Toelichting Naar aanleiding van de [regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010656) (Stcrt. 161) tot mandaatverlening aanwijzing toezichthoudende ambtenaren en de [Aanwijzingsregeling buitengewoon opsporingsambtenaren als toezichthouders voor diverse economische wetten van 1 september 1999](https://wetten.overheid.nl/BWBR0010694) (Stcrt. 172) zijn ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD belast met het toezicht op de naleving van diverse ec"},{"b":"Algemene aanwijzingen aangelegenheden ministerraad en onderraden Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [Algemene aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005471) worden vastgesteld. Artikel 2 De [Algemene aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005471) van 16 februari 1983, nr. 328927a worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1992. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Algemene Akte nopens vreedzame regeling van internationale geschillen CHAPTER I. — Conciliation. Article 1 Disputes of every kind between two or more Parties to the present General Act which it has not been possible to settle by diplomacy shall, subject to such reservations as may be made under Article 39, be submitted, under the conditions laid down in the present Chapter, to the procedure of conciliation. Article 2 The disputes referred to in the preceding article shall be submitted to a permanent or special Conciliation Commission constituted by the parties to the dispute. Article 3 On a request to that effect being made by one of the Contracting Parties to another Party, a permanent Conciliation Commission shall be constituted within a period of six months. Article 4 Unless the parties concerned agree otherwise, the Conciliation Commission shall be constituted as follows: - 1. The Commission shall be composed of five members. The parties shall each nominate one commissioner, who may be chosen from among their respective nationals. The three other commissioners shall be appointed by agreement from among the nationals of third Powers. These three commissioners must be of different nationalities and must not be habitually resident in the territory nor be in the service of the parties. The parties shall appoint the President of the Commission from among them. - 2. The commissioners shall be appointed for three years. They shall be re-eligible. The commissioners appointed jointly may be replaced during the course of their mandate by agreement between the parties. Either party may, however, at any time replace a commissioner whom it has appointed. Even if replaced, the commissioners shall continue to exercise their functions until the termination of the work in hand. - 3. Vacancies which may occur as a result of death, resignation or any other cause shall be filled within the shortest possible time in the manner fixed for the nominations. Article 5 If, when a dispute"},{"b":"Algemene bij- en toeslagregeling AOR 2002 Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. AOR: de Algemeene oorlogsongevallenregeling; b. uitkering: een periodieke uitkering krachtens de AOR, krachtens het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118) of een pensioen krachtens de Bijzondere Oorlogsongevallenregeling Dienst- en Reserveplichtigen (Indisch Staatsblad 1947, 154). Artikel 2 1. Per 1 januari 2002 worden de op 31 december 2001 met toepassing van de artikelen 2 tot en met 6 van de Algemene bij- en toeslagbeschikking AOR berekende reeds bestaande uitkeringen vastgesteld op het bedrag van de desbetreffende uitkering in guldens, omgezet in euro's. 2. De uitkeringen, voor zover deze worden genoten buiten het grondgebied van Indonesië, worden aangepast overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) ingevolge [artikel 14 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14) wordt herzien. Artikel 3 Uitkeringen die na 31 december 2001 worden toegekend, dan wel met toepassing van artikel 42 van de AOR met ingang van een voor deze datum gelegen tijdstip worden herzien, worden als volgt berekend: - a. voor de periode tot 1 januari 2002 wordt de uitkering berekend overeenkomstig de [artikelen 2 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013139&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van de tot 1 januari 2002 geldende Algemene bij- en toeslagbeschikking AOR; - b. voor de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2011 wordt de uitkering berekend door het overeenkomstig de onder a genoemde artikelen voor betrokkene berekende bedrag per 31 december 2001, op de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013139&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aangegeven wijze vast te stellen en aa"},{"b":"Algemene contributieverordening Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - – *accountant in business:* accountant in business als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - – *accountantsregister:* accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - – *arbeidsinkomen:* som van het arbeidsinkomen, bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.1) en het aandeel in het resultaat voor belastingen van een rechtspersoon waarin het lid een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in [artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.6), genoten in het kalenderjaar waarvoor de contributie geldt; - – *intern accountant:* intern accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - – *openbaar accountant:* de openbaar accountant, bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - – *overheidsaccountant:* overheidsaccountant als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1). Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2 Ten behoeve van de heffing van contributie wordt ieder lid in een van de volgende vier contributiegroepen ingedeeld: - H. openbaar accountant; - M. intern accountant en overheidsaccountant; - L. accountant in business; - Z. lid zonder arbeidsinkomen. Artikel 3 1. Bij aanvang van ieder kalenderjaar en vervolgens bij iedere tussentijdse wijziging van de aard van de werkzaamheden of de functie die een wijziging van de indeling in contributiegroepen met zich brengt, wordt door het bestuur vastgesteld"},{"b":"Algemene douaneregeling Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Basisdefinities en overige inleidende bepalingen Artikel 1:1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:3), [1:6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:6), [1:19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:19), [1:28, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:28), [1:35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:35), [1:37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:37), [2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=2:1), [3:2, derde lid, aanhef en onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:2), [3:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:5), [6:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:1), [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:2), [6:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:3), [7:1, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:1), [7:6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:6), [7:9, aanhef en onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:9), [9:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:5), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=10:11), [11:13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:13), en [11:14, eerste lid van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:14), de [artikelen 1:5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=1:5), [2:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:1), [2:2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2"},{"b":"Algemene Overeenkomst betreffende de privileges en immuniteiten van de Internationale Politie Organisatie – INTERPOL *The States Parties to this General Agreement: Considering that the International Criminal Police Organization – INTERPOL (“ICPO-INTERPOL”) aims, under the terms of its Constitution, to ensure and promote the widest possible mutual assistance between all criminal police authorities within the limits of the domestic laws of its Member Countries and in the spirit of the Universal Declaration of Human Rights, and to establish and develop all institutions likely to contribute effectively to the prevention and suppression of ordinary law crimes, Reaffirming the principles and purposes set out in the ICPO-INTERPOL’s Constitution, Considering that, in accordance with paragraph 3 of Article 30 of the ICPO-INTERPOL’s Constitution, all the ICPO-INTERPOL’s Member Countries shall do their best to assist the Secretary General and the staff of the ICPO-INTERPOL in the discharge of their functions, Considering that, in accordance with Article 31 of the ICPO-INTERPOL’s Constitution, the ICPO-INTERPOL needs the constant and active cooperation of its Member Countries, who should do all within their power which is compatible with the legislation of their countries to participate diligently in its activities, Considering that the ICPO-INTERPOL’s mandate, activities and operations take place in the territory of all its Member Countries, with the consequent mobility of persons, goods and services required to carry out these activities and operations, Considering also that the Representatives of the Member Countries, the Members of Certain of the ICPO-INTERPOL’s Bodies, and the Officials of the ICPO-INTERPOL must enjoy privileges and immunities in order to discharge their functions on behalf of the ICPO-INTERPOL with complete independence, Considering that the purpose of such privileges and immunities is not to benefit individuals but to ensure the efficient performance of"},{"b":"Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel *The Governments of the Commonwealth of Australia, the Kingdom of Belgium, the United States of Brazil, Burma, Canada, Ceylon, the Republic of Chile, the Republic of China, the Republic of Cuba, the Czechoslovak Republic, the French Republic, India, Lebanon, the Grand-Duchy of Luxemburg, the Kingdom of the Netherlands, New Zealand, the Kingdom of Norway, Pakistan, Southern Rhodesia, Syria, the Union of South Africa, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and the United States of America: Recognizing that their relations in the field of trade and economic endeavour should be conducted with a view to raising standards of living, ensuring full employment and a large and steadily growing volume of real income and effective demand, developing the full use of the resources of the world and expanding the production and exchange of goods; Being desirous of contributing to these objectives by entering into reciprocal and mutually advantageous arrangements directed to the substantial reduction of tariffs and other barriers to trade and to the elimination of discriminatory treatment in international commerce; Have through their Representatives agreed as follows:* PART I Article I. 3) [Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] General Most-Favoured-Nation Treatment 1. With respect to customs duties and charges of any kind imposed on or in connection with importation or exportation or imposed on the international transfer of payments for imports or exports, and with respect to the method of levying such duties and charges, and with respect to all rules and formalities in connection with importation and exportation, and with respect to all matters referred to in [paragraphs 2 and 4 of Article III](https://wetten.overheid.nl/BWBV0006316), any advantage, favour, privilege or immunity granted by any contracting party to"},{"b":"Algemene Overeenkomst inzake technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika *De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, Overwegende, dat de volkeren van de gebieden van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Verenigde Staten van Amerika een gemeenschappelijk belang hebben bij de economische en sociale vooruitgang, en dat de gezamenlijke pogingen tot uitwisseling van technische kennis en bekwaamheid ertoe zullen bijdragen dat dit doel wordt bereikt, en Overwegende, dat de uitwisseling van technische kennis en bekwaamheid de wederzijdse veiligheid van beide volkeren zal versterken en hun hulpbronnen zal ontwikkelen in het belang van het handhaven van hun veiligheid, en Overwegende, dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika zijn overeengekomen mede te werken tot het bevorderen van het internationaal begrip en een goede internationale verstandhouding en tot het handhaven van de wereldvrede, en die stappen te nemen welke zij onderling kunnen overeenkomen teneinde de oorzaken van internationale spanning weg te nemen, Zijn overeengekomen als volgt:* Artikel I. Toepassing Deze Overeenkomst is van toepassing op de gebieden Suriname en de Nederlandse Antillen (hierna te noemen „de Gebieden”) voor welker internationale betrekkingen de Nederlandse Regering verantwoordelijk is. Artikel II. Bijstand en Samenwerking 1. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Nederlandse Regering verbinden zich met elkander samen te werken bij het uitwisselen van technische kennis en bekwaamheid en bij daarmede in verband staande werkzaamheden welke erop gericht zijn bij te dragen tot een evenwichtige en geïntegreerde ontwikkeling van de economische hulpbronnen en de productie-capaciteit van de Gebieden waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Speciale programma's ten aanzien van de te"},{"b":"Algemene salarisverhoging sector Rijk per 1 oktober 1996 Inleiding/Managementinformatie In mijn circulaire van 22 september 1995, kenmerk AD95/U915, kondigde ik onder meer aan dat ik bij afzonderlijke circulaire nog nadere informatie zou verstrekken over de salarisverhoging per 1 oktober 1996 ter grootte van 0,75% en over de wijzigingen in het beloningsbeleid per 1 januari 1997. Bij deze voldoe ik daaraan met betrekking tot de salarisverhoging per 1 oktober aanstaande. Tijdig voor 1 januari 1997 zal ik u nader informeren over de wijzigingen in het beloningsbeleid per 1 januari 1997. De salarisverhoging per 1 oktober 1996 houdt een algemene aanpassing in van de salarisbedragen met de gebruikelijke doorwerking daarvan naar de van het salaris afgeleide of daaraan gerelateerde bedragen. De algemene salarisverhoging wordt centraal in het geautomatiseerde IPA-salaris-systeem aangebracht. Dit betekent dat voor de verwerking van deze maatregel in het algemeen – behoudens ten aanzien van een eventuele aanpassing van bepaalde toelagen: zie daarvoor onder [punt A.2.a](https://wetten.overheid.nl/BWBR0008229) – geen afzonderlijke maatregelen door het management behoeven te worden getroffen. A. Salarisverhoging per 1 oktober 1996 1. Inpassingstabellen per 1 oktober 1996 In verband met de salarisverhoging van 0,75% komen de (schaal-)salarisbedragen voor volwassenen per 1 oktober 1996 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008229&bijlage=I&z=1996-10-01&g=1996-10-01) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008229&bijlage=II&z=1996-10-01&g=1996-10-01) bijgevoegde inpassingstabel vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen; dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de [bijlagen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=A) (BBRA 1984), maar waarvan het niet i"},{"b":"Algemene wet bestuursrecht, Besluit strategische goederen, Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, Verordening (EG) nr. 236/2005, verordeningen op grond van artikel 215 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem; Openstelling elektronisch bestuurlijk verkeer met de Belastingdienst/Centrale Dienst voor In- en Uitvoer met gebruik van de digitale berichtenbox *Met dit besluit wordt kenbaar gemaakt (zie afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht, met name artikel 2:15, eerste lid) dat vanaf 1 januari 2012 voor het elektronisch berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox de elektronische weg tussen belanghebbenden en de Belastingdienst/Centrale Dienst voor In- en Uitvoer is geopend en welke specifieke eisen daarvoor gelden.* 1. Elektronisch berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox 1.1. Beschrijving berichtenbox De berichtenbox is een beveiligde elektronische postbus die deel uitmaakt van de elektronische omgeving van het in de [Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759) omschreven centraal loket. Het centraal loket is een generieke overheidsvoorziening die geschikt is voor elektronische informatie- en berichtenuitwisseling met bevoegde instanties waaronder de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Van een in de berichtenbox ontvangen bericht wordt automatisch een ontvangstbevestiging naar de berichtenbox van de afzender verzonden. Voor het verkrijgen van toegang tot een berichtenbox zijn toeganggegevens nodig. De berichtenbox is te bereiken via Antwoord voor Bedrijven. 1.2. Openstelling elektronisch berichtenverkeer De elektronische weg wordt opengesteld voor het volgende berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox: - • Aanvragen van vergunningen voor de doorvoer, uitvoer en overdracht van militaire goederen en goederen voor tweeërlei gebruik; - • Meldingen voor de doorvoer van militaire goederen; - • Verzoeken om ontheffingen op grond va"},{"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, erfbelasting, tijdelijke maatregel belastingrente *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit beëindigt de tijdelijke maatregel belastingrente van 19 maart 2018 per 1 januari 2021. Voor overlijdens in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 blijft een goedkeuring van kracht.* 1. Inleiding De Belastingdienst is voor overlijdens vanaf 1 januari 2017 overgegaan naar een nieuw systeem van kantoorautomatisering voor de erfbelastingprocessen. Door vertraagde oplevering van dit automatiseringssysteem heeft de Belastingdienst meer tijd nodig gehad voor de verwerking van de aangiften erfbelasting. Om te voorkomen dat erfgenamen hierdoor meer belastingrente moeten betalen dan wanneer alle processystemen op orde zouden zijn geweest, heb ik eerder goedgekeurd dat de Belastingdienst voor overlijdens vanaf 1 januari 2017 tijdelijk geen belastingrente in rekening brengt ([besluit van 19 maart 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040764), nr. 2018-25029, Stcrt. 2018, 17312). Het automatiseringssysteem van de erfbelasting en het uitvoeringsproces zijn inmiddels op orde om de aangiften erfbelasting tijdig te verwerken. Het besluit van 19 maart 2018 wordt daarom ingetrokken. Vanaf 1 januari 2021 zal overeenkomstig de wettelijke systematiek belastingrente worden berekend. De wet hanteert een drempeltijdvak van acht maanden na overlijden. Voor overlijdens vanaf 1 januari 2021 betekent dit dat vanaf 1 september 2021 belastingrente kan spelen. Voor de periode dat het automatiseringssysteem leidde tot vertraging in de verwerking van de aangiften, blijft een tegemoetkoming gewenst. Daarom keur ik in dit besluit goed dat de Belastingdienst geen belastingrente in rekening brengt bij belastingaanslagen erfbelasting voor overlijdens in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020. De goedkeuring geldt ook als de gebeurtenis die heeft geleid tot het opleggen van de volgende twee speci"},{"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorschrift informatie fiscus/banken De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit vervangt het [besluit van 28 januari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029530), nr. BLKB2011/109M. *In de praktijk bleek dat* [§ 7.1 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029530&paragraaf=7.1) *aanleiding gaf tot interpretatieverschillen. Om discussies op dit punt tussen de Belastingdienst en de banken te voorkomen wordt deze paragraaf ingetrokken. Dit houdt in dat het verkrijgen van inzage in het krediet- of cliëntendossier zal plaatsvinden overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Verder zijn er enkele aanpassingen van redactionele aard aangebracht.* 1. Inleiding Banken beschikken over veel informatie die van belang is of kan zijn voor de belastingheffing van derden. Een belangrijk deel van die informatie dienen zij ingevolge [artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53) (hierna AWR), uit eigen beweging te verstrekken aan de inspecteur. Op grond van bepalingen, hierna genoemd onder Reikwijdte, zijn banken ook gehouden om op verzoek informatie te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing van derden. In deze gevallen gaat het om een individuele derde of groepen van derden. Het voorschrift bevat regels om die gegevensverstrekking zo efficiënt mogelijk en op voor de banken minst belastende wijze te effectueren en beoogt op geen enkele wijze de wettelijke bevoegdheden in te perken of te verruimen. Reikwijdte Het Voorschrift informatie fiscus/banken bevat beleidsregels met betrekking tot de toepassing van de [artikelen 53, eerste lid, onder a, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [artikel 62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62), de inlichtingenbepalingen in de Europeesrechtelijke, internationale, interregion"},{"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, wijziging betaalverzuimboete Motorrijtuigenbelasting *Dit besluit betreft een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) door een tijdelijke verlaging van de verzuimboete bij niet, gedeeltelijk niet, of te laat betalen van de verschuldigde Motorrijtuigenbelasting (paragraaf 33 BBBB).* 1. Inleiding [Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=33) (BBBB) bepaalde tot 1 januari 2014 dat in geval van een tweede betalingsverzuim bij de Motorrijtuigenbelasting (MRB) binnen één jaar de inspecteur een boete oplegt van 1 procent van het wettelijke maximum van [artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67c) (AWR). Sindsdien bedraagt de boete 3 procent van dit wettelijk maximum (thans € 158). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 7 juni 2016 dat in het voorliggende geval deze boete niet in een evenredige verhouding stond tot de ernst van de verwijtbare gedraging, zijnde het te laat betalen van een bedrag van € 29 aan MRB. Het Gerechtshof achtte een boete van € 60 passend en geboden. (Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4544). Deze uitspraak, die inmiddels navolging heeft gevonden in een aantal andere gevallen, is aanleiding om het beleid voor het opleggen van betaalverzuimboeten voor de MRB opnieuw te bezien. Mede gelet op de massaliteit van de opgelegde boeten wegens het niet (tijdig) betalen van de MRB, zie ik reden om, vooruitlopend op een definitieve regeling, het desbetreffende beleid tijdelijk aan te passen. 2. Tijdelijke verlaging De betaalverzuimboete, genoemd in [paragraaf 33, tweede lid, van het BBBB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=33) wordt, vooruitlopend op een nieuwe regeling, verlaagd tot 1 procent van het wettelijk maximum van [artikel 67c van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"b":"Alomvattend Kernstopverdrag *Preamble The States Parties to this Treaty (hereinafter referred to as “the States Parties\"), Welcoming the international agreements and other positive measures of recent years in the field of nuclear disarmament, including reductions in arsenals of nuclear weapons, as well as in the field of the prevention of nuclear proliferation in all its aspects, Underlining the importance of the full and prompt implementation of such agreements and measures, Convinced that the present international situation provides an opportunity to take further effective measures towards nuclear disarmament and against the proliferation of nuclear weapons in all its aspects, and declaring their intention to take such measures, Stressing therefore the need for continued systematic and progressive efforts to reduce nuclear weapons globally, with the ultimate goal of eliminating those weapons, and of general and complete disarmament under strict and effective international control, Recognizing that the cessation of all nuclear weapon test explosions and all other nuclear explosions, by constraining the development and qualitative improvement of nuclear weapons and ending the development of advanced new types of nuclear weapons, constitutes an effective measure of nuclear disarmament and non-proliferation in all its aspects, Further recognizing that an end to all such nuclear explosions will thus constitute a meaningful step in the realization of a systematic process to achieve nuclear disarmament, Convinced that the most effective way to achieve an end to nuclear testing is through the conclusion of a universal and internationally and effectively verifiable comprehensive nuclear test-ban treaty, which has long been one of the highest priority objectives of the international community in the field of disarmament and non-proliferation, Noting the aspirations expressed by the Parties to the 1963 Treaty Banning Nuclear Weapon Tests in the Atmosphere, in Outer Space and"},{"b":"Ambtsgebied voedselcommissaris Noord-Brabant Artikel 1 De beschikking van 21 juli 1965, Stcrt. 139, inzake het ambtsgebied van de voedselcommissaris in Noord-Brabant, wordt ingetrokken. Artikel 2 Het ambtsgebied van de voedselcommissaris in Noord-Brabant en dat van de voedselcommissaris in Gelderland omvatten onderscheidenlijk de provinciën Noord-Brabant en Gelderland."},{"b":"Ambtstoelage burgemeesters 1. Ambtstoelage burgemeesters In artikel 16, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 is bepaald dat de ambtstoelage van burgemeesters per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De genoemde consumenteprijsindex voor 2001 is bepaald op 117.6. In 2000 was dat indexcijfer bepaald op 112.3. Dit houdt in dat de bedragen van de ambtstoelage per 1 januari 2002 worden verhoogd met 4.7%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2001. Met ingang van 1 januari 2002 worden de bedragen genoemd in artikel 16, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 als volgt gewijzigd: | Inwonersklasse | ambtstoelage in euro's | | --- | --- | | Klasse 1 en 2 | € 547,32 | | Klasse 3 en 4 | € 575,36 | | Klasse 5 en 6 | € 599,59 | | Klasse 7 t/m 11 | € 619,54 | 2. Algemene informatie over de eurobedragen Bij besluit van 14 september 2001, Staatsblad 2001, 415, zijn de guldenbedragen in de officiële regelingen reeds omgerekend naar eurobedragen. Dit geldt ook voor de guldenbedragen van bovengenoemde ambtstoelage. Om te komen tot de eurobedragen die met ingang van 1 januari 2002 gelden, zijn deze eurobedragen verhoogd met de bovengenoemde indexcijfers (3,6% resp. 4,7%). 3. Ambtstoelage in relatie met het jaarinkomen dat aan het ABP wordt verstrekt De ambtstoelage mag niet worden meegenomen bij de vaststelling van het jaarinkomen dat jaarlijks aan het ABP wordt verstrekt. In dat kader wijs ik u op het volgende. Op grond van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP wordt onder inkomen verstaan het tot een jaarbedrag te herleiden vast salaris dat op 1 januari van het desbetreffende jaar voor de deelnemer geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering over dat salaris. Naast het vaste salaris en de daarbij behorende vakantie-uitkering dienen vaste toelagen eveneens t"},{"b":"Ambulancehulpverlening Ten aanzien van sanering van een negatief vermogen: - 1. een negatief vermogen van een Centrale post voor het ambulancevervoer respectievelijk een ambulancedienst is binnen een Gemeenschappelijke regeling subsidiabel, tenzij in de regeling expliciet is opgenomen dat afdekking van het negatief vermogen door de deelnemers aan de Gemeenschappelijke regeling dient te geschieden. - 2. indien er in de balans van een, zijn vergunning inleverende, ambulancedienst negatieve vermogenscomponenten voorkomen als gevolg van overname van een ambulancedienst in het verleden kan subsidie worden gegeven. Ten aanzien van sanering in zijn algemeenheid: - 1. een Centrale post voor het ambulancevervoer, die niet beschikt over een besluit van de Provincie tot wijziging van de gebiedsindeling, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening. - 2. tijdige aanmelding voor subsidieverlening is noodzakelijk en wel voordat met het saneringsproces is begonnen. Is er geen sprake van tijdige aanmelding dan zal geen subsidie worden verstrekt."},{"b":"Anticumulatieregeling RPU Politie Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. ambtenaar: de ambtenaar van wie de wekelijkse arbeidstijd is verminderd op grond van [artikel 13a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=13a); b. RPU-salaris: het salaris waarop een inhouding op grond van [artikel 13a Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=13a) heeft plaatsgevonden; c. deeltijdsalaris: het salaris, bedoeld in [artikel 11 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=11), dat voor de ambtenaar zou zijn vastgesteld indien voor hem de teruggebrachte werktijd als onvolledige werktijd zou gelden; d. bezoldiging: bezoldiging als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1). Artikel 2 1. Inkomsten die de ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf en aangevangen met ingang van of na de dag waarop de arbeidstijd is teruggebracht, worden in mindering gebracht op het RPU-salaris, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten, dan wel een gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid. 2. Inkomsten uit arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste lid die geacht worden op één maand betrekking te hebben of geacht kunnen worden te hebben, worden in mindering gebracht op het RPU-salaris over die maand. De vermindering bedraagt niet meer dan het verschil tussen het RPU-salaris en het deeltijdsalaris. 3. Inkomsten uit arbeid of bedrijf waarvoor reeds in verband met verleend buitengewoon verlof een inhouding plaatsvindt op de bezoldiging van de ambtenaar of een verlaging van de bezoldiging van de ambtenaar geldt zijn, tot het bedrag van die inhouding of verlaging, geen inkomsten uit arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 3 1. De ambtenaar is verplich"},{"b":"ANVS-Beleidsregel inzake het toezicht op transparante, objectieve en niet-discriminerende vaststelling van tarieven voor de opslag en het beheer van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstoffen (Beleidsregel toezicht COVRA-tarieven) Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *afvalstoffen:* radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstoffen. Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen: - 1. *standaard afval:* aangeboden afvalstoffen die een standaard verwerkingsroute doorlopen en waarvoor het tarief is opgenomen op een vooraf vastgestelde tarievenlijst. Ook de categorieën incourant afval en incourant overig afval uit COVRA’s technische specificaties worden in deze Beleidsregel als standaard afval aangemerkt. - 2. *niet-standaard afval:* andere dan onder 1 genoemde afvalstoffen waarvoor oplossingen op maat worden gemaakt, waarop geen standaard tarief van toepassing is en waarvoor het tarief is opgenomen in een vooraf door de vergunninghouder en afvalaanbieder gesloten overeenkomst. - b. *beheer van afvalstoffen:* alle handelingen die te maken hebben met het hanteren, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag of de eindberging van afvalstoffen, met uitzondering van het vervoer buiten het terrein van de inrichting. - c. *tarief:* De kosten die de vergunninghouder in rekening brengt bij een aanbieder van afvalstoffen voor het in werking houden van een inrichting voor de opslag van afvalstoffen en voor het beheer van die afvalstoffen. Een eventuele marge maakt daar ook deel van uit. - d. *vergunninghouder:* de houder van een vergunning op grond van [artikel 15, onder b, van de Kew](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) die de aangewezen instelling is voor de ontvangst van afvalstoffen, als bedoeld in [artikel 42, derde lid, onderdeel e, van het Bkse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=42) en [artikel 10.6, zevende lid, van het Bbs](https:/"},{"b":"Applicatieopleidingen leraren in het voormalig speciaal voortgezet onderwijs voor leer en opvoedingsmoeilijkheden (svo/lom) en moeilijk lerende kinderen (svo/lmk) 1. Algemeen In OCenW-Regelingen nr. 24 van 14 oktober 1998 met kenmerk VO/BJA-98/41447 (Gele katern nr. 24 van 14 oktober 1998) is de ’Overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs lom en mlk’ gepubliceerd. Hierin zijn alle docenten uit het svo-lom en svo-mlk bevoegd verklaard om onder voorwaarden les te geven aan een school voor voortgezet onderwijs, mits zij in het bezit waren van een bewijs van bekwaamheid, genoemd in artikel 1, onder B, eerste lid, van deze regeling en meer dan 500 uren les hadden gegeven in een van de genoemde vakken. Deze 500 lesuren hadden betrekking op een periode van vijf jaar voordat de betreffende school voor svo-lom of svo-mlk als afdeling leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs opging in een school voor voortgezet onderwijs of werd omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs of was opgegaan in een opdc. Er bleef echter een categorie docenten bestaan die wel onderwijs wenste te geven in het voortgezet onderwijs maar door uiteenlopende omstandigheden niet in staat was om aan de eis van het aantal te geven uren te voldoen. Volgens de toelichting van de genoemde regeling stond gedurende twee jaar de gelegenheid open om na de datumvan samenvoeging of omzetting van de school waaraan men was verbonden, een applicatiecursus te volgen die de bevoegdheid gaf om onder de voorwaarden van genoemde overgangsregeling les te geven in het voortgezet onderwijs. In vervolg hierop is een regeling Belangstellingsregistratie applicatie-opleidingen leraren svo-lom en svo-mlk met kenmerk VO/TAB-2000/6446 van 24 maart 2000 (Gele katern nr. 10 van 5 april 2000) gepubliceerd. De desbetreffende docenten die alsnog voor een bevoegdheid in aanmerking wensten te komen konden zich voor het volgen van een applicatiecursus laten registreren. Deze belangstellingsregistrati"},{"b":"Arbeidsbesluit hotels, restaurants en casino’s 2000 BES Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *hotels:* A-hotels, pensions, appartementen en andere hotels; - *restaurants:* Chinese restaurants, fastfood restaurants, bars, cateringbedrijven, snacks in de vorm van verkoop van etenswaren op straat in stalletjes en truk’i pan. De arbeidsduur voor de werknemer, die werk verricht in de bedrijfstakken respectievelijk bedrijfssectoren hotels, restaurants en casino’s, bedraagt per week maximaal 48 uren, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag maximaal tien uren bedraagt. Betreft het een werkgever in de bedrijfssector casino’s, genoemd in de tweede volzin, die op 1 augustus 2000 beschikte over een goedgekeurde werktijdenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Arbeidsbesluit Casino (P.B. 1977, no. 35), dan bedraagt de arbeidsduur voor de werknemer per week maximaal de in die goedgekeurde werktijdenregeling genoemde arbeidsduur, voor zover dat aantal uren meer is dan het in de tweede volzin genoemde aantal uren, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag maximaal tien uren bedraagt. 2. Het is verboden een werknemer arbeid te laten verrichten, waardoor de arbeidsduur genoemd in het eerste lid, wordt overschreden, anders dan bij wijze van overwerk. 3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste lid worden afgeweken. Artikel 2 1. Ten aanzien van arbeid, verricht in de bedrijfstakken in de bedrijfssectoren hotels en restaurants, geldt in afwijking van de desbetreffende bepalingen van de [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202), het volgende: - a. [Artikel 9, eerste lid, onderdelen a en c, van de Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202&artikel=9) zijn niet van toepassing; - b. [Artikel 9, tweede lid, onderdelen a en c, van de Arbeidswet 2000 BES](https://wette"},{"b":"Arbeidsbesluit jeugdigen BES Artikel 1 [vervallen] Artikel 2 1. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten waarbij: - a. het dragen van beschuttingsmiddelen tegen voor de gezondheid schadelijke invloeden krachtens de [Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228) is voorgeschreven; - b. gevaar bestaat dat schadelijke stoffen bij de verwaarlozing van de persoonlijke hygiëne via de mond in het organisme worden opgenomen; - c. de installatie die gebruikt of de werkwijze die gevolgd moet worden, zodanig is dat gemakkelijk een onjuiste handeling kan worden verricht, die verspreiding van schadelijke stoffen teweeg brengt in een mate dat onmiddellijk gevaar voor het leven of de gezondheid ontstaat; - d. gevaar bestaat tot verspreiding van benzeen of andere stoffen welke op de lichaamscellen een soortgelijke uitwerking hebben als ioniserende stralen. 2. Een jeugdige mag voorts geen arbeid verrichten die kennelijk of naar het oordeel van Onze Minister het gevaar met zich brengt dat schadelijke stoffen in zodanige mate in het organisme worden opgenomen, dat een nadelige invloed op de gezondheid is te duchten. Artikel 3 1. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande uit: - a. werkzaamheden, waarbij gevaar bestaat voor aanraking met reinculturen van pathogene micro-organismen, besmette sputa of andere excreta; - b. het verplegen of verzorgen van patiënten die aan een ernstige infectieziekte lijden. 2. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande uit: - a. het omgaan met besmette voorwerpen of dieren, waarbij gemakkelijk een onjuiste handeling kan worden verricht, waardoor kennelijk of naar het oordeel van Onze Minister het gevaar van een ernstige infectieuze aandoening ontstaat; - b. het vervoeren, bewerken, verwerken, begraven, onschadelijk maken of vernietigen van dode dieren, afvalstoffen van dierlijke herkomst en bedorven vlees, vleeswaren of vis. Artikel 4 Een jeugdige mag geen arbeid verrichten welke het gevaar met zich brengt dat hij"},{"b":"Arbeidsgeschillenwet 1946 BES Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet is er een bemiddelaar tot bevordering van de arbeidsvrede. 2. De Rijksvertegenwoordiger benoemt, schorst en ontslaat de bemiddelaar en stelt diens instructie vast. Artikel 2 In deze wet wordt verstaat onder: - a. *geschil:* ieder geschil tusschen werknemers en een of meer werkgevers over arbeidsaangelegenheden; - b. *rechtsgeschil:* ieder geschil, dat uitsluitend ter kennisneming van de rechterlijke macht staat; - c. *werknemersraad:* een vertegenwoordiging, welke bij vrije en geheime stemming is gekozen uit en door de tot een of meer categorieën van werknemers behorende werknemers van eenzelfde bedrijf ter behartiging van hun arbeidsaangelegenheden, een en ander zoals nader omschreven in een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid goedgekeurd reglement, waarvan een gezamenlijk door of namens het bestuur van het betrokken bedrijf en door de betrokken vertegenwoordiging van werknemers in dat bedrijf gewaarmerkt exemplaar bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gedeponeerd; - d. *de Rijksvertegenwoordiger:* de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in [Hoofdstuk V, afdeling 1, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&afdeling=I). Hoofdstuk II. Van geschillen § 1. Van de tusschenkomst van de bemiddelaar Artikel 3 1. Indien in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba een geschil is ontstaan, dat tot staking of uitsluiting aanleiding dreigt te geven en waarbij vijf en twintig werknemers of meer betrokken zijn, dient onverwijld door bij het geschil betrokken werkgevers en/of werknemers of door bestuurders van hun vakverenigingen de tussenkomst van de bemiddelaar, te worden ingeroepen, welke inroeping onverwijld schriftelijk wordt bevestigd. 2. Betreft het een geschil dat tot staking of uitsluiting aanleiding kan geven en waarbij minder"},{"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit I BES Hoofdstuk I. De dagverlichting Artikel 1 Een werklokaal moet voldoende door daglicht zijn verlicht, tenzij de aard van het werk er zich tegen verzet. Artikel 2 Een werklokaal zal door daglicht onvoldoende verlicht worden geacht, indien daar niet boven het omliggend terrein gelegen lichtopeningen zijn aangebracht welke direct daglicht toelaten en een gezamenlijk oppervlak hebben van tenminste 1/10 van het vloeroppervlak van het werklokaal, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet of bijzondere omstandigheden of inrichtingen een voldoende dagverlichting waarborgen ter plaatse waar gewerkt wordt. Artikel 3 Het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028627&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2022-05-20&g=2022-05-20) geldt niet ten aanzien van projecteercellen van bioscopen en werklokalen van baggermolens, grind- of zandzuigers. Artikel 4 In een werklokaal moet ter plaatse waar arbeid wordt verricht het rechtstreeks invallende zonlicht kunnen worden afgesloten. Artikel 5 Privaten, urinoirs, trappen en gangen moeten zo mogelijk door daglicht zijn verlicht. Hoofdstuk II. Het verkrijgen van voldoende en doelmatige verlichting door kunstlicht Artikel 6 1. Een plaats waar werkzaamheden worden verricht, moet zonodig voldoende en doelmatig door kunstverlichting zijn verlicht. 2. De kunstverlichting moet zijn aangepast aan de aard van het werk. De verlichtingssterkte moet voldoende zijn voor de te verrichten werkzaamheden. 3. Een lichtbron moet zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat het licht de arbeider direct of indirect tijdens de arbeid niet hinderlijk in de ogen schijnt. Artikel 7 Zolang arbeiders, met uitzondering van dezulken die met toezicht of bewaking zijn belast, op het werk aanwezig zijn, moeten de privaten, urinoirs, gangen, trappen, fabrieksterreinen en overige gedeelten zodanig zijn verlicht, dat veilig verkeer en verblijf aldaar voldoende is gewaarborgd. Artikel 8 Waar meer dan 100 arbeiders in één gebou"},{"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit II BES Hoofdstuk 1. Steigerwerk Noodzaak van veilig arbeiden Artikel 1 Het vervoer en het plaatsen van materialen en onderdelen van bouwwerken moet geschieden op zodanige wijze, dat de arbeiders zoveel mogelijk zijn beschermd tegen elk gevaar. Noodzaak van steigerwerk Artikel 2 1. Doelmatig, voldoende en veilig steigerwerk moet voor de arbeiders op het werk beschikbaar zijn voor alle arbeid, welke niet veilig kan worden uitgevoerd met andere hiertoe geëigende middelen. 2. Een steiger mag niet worden opgebouwd, afgebroken of belangrijk gewijzigd dan onder toezicht van een bekwaam en verantwoordelijk persoon en zoveel mogelijk door bekwame arbeiders die voldoende met deze arbeid zijn vertrouwd. Kwaliteit van de materialen Artikel 3 1. Alle steigers met toebehoren en alle ladders moeten zijn vervaardigd van deugdelijke materialen en voldoende sterk zijn in verband met de belasting en spanning waaraan zij zullen worden onderworpen. 2. Het hout dat gebruikt wordt voor steigers, gaanderijen, bordessen, loopplanken en ladders moet van goede kwaliteit zijn, moet rechtdradig zijn, moet de vezels in de langsrichting hebben, moet in goede staat van onderhoud verkeren en mag niet zijn geverfd of behandeld op een wijze die gebreken zou kunnen verbergen. 3. Rondhout dat gebruikt wordt voor steigerwerk moet geheel ontdaan zijn van bast en schors. 4. Waar nodig moeten stellingplanken en stellinghout beschermd worden tegen inscheuren. 5. Metalen delen van steigers mogen geen scheuren vertonen en moeten vrij zijn van corrosie of enig ander gebrek waardoor de sterkte mogelijk wordt aangetast. 6. Gietijzeren spijkers mogen niet worden gebruikt. 7. Stalen buizen moeten over de gehele lengte rond zijn, op het oog recht en niet vervormd. De buizen moeten loodrecht op de lengterichting zijn afgesneden; de einden van de buizen moeten glad en afgebraamd zijn. De buizen moeten vrij zijn van scheuren, indeukingen en andere gebreken; zij mogen niet koud zijn vervormd."},{"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit III BES Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. - b. *de ambtenaar:* de ambtenaar bedoeld in [artikel 2 lid 2 van de Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228&artikel=2) - c. *een reservoir:* een stationair reservoir, dat is een drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 l, die gebruikt wordt voor het opslaan van propaan of butaan. - d. *een installatie:* de op een leidingnet aangesloten verbruikstoestellen en reservoirs zomede alle leidingen, inrichtingen en hulpapparaten, die voor het goed functioneren van de verbruikstoestellen nodig zijn. - e. *butaan:* een tot vloeistof verdicht gas, uitsluitend of in hoofdzaak bestaande uit de stoffen butaan, isobutaan, buteen, waarvan de dampspanning bij 70C ten hoogste 11 kg/cm2 absoluut bedraagt. - f. *propaan:* een tot vloeistof verdicht gas, uitsluitend of in hoofdzaak bestaande uit de stoffen propeen, propaan, butaan en isobutaan, waarvan de dampspanning bij 70C ten hoogste 31 kg/cm2 absoluut bedraagt. Vergunning tot het gebruik van reservoirs Artikel 2 1. Tot het gebruik van een reservoir en toebehoren is vergunning nodig van de Minister of van de door hem daartoe aangewezen ambtenaar. 2. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van een tekening van het reservoir met volledig ingeschreven maten en behelst verder een opgave van: - a. waar en door wie het reservoir vervaardigd is, - b. het doel, waartoe het reservoir in gebruik zal worden gesteld, - c. de waterinhoud, de persdruk en de werkdruk, - d. de grondstoffen, waaruit het reservoir in zijn verschillende onderdelen is vervaardigd, tenzij zulks uit de bovengenoemde tekening blijke, - e. de plaats waar het reservoir is of zal worden opgesteld, - f. het fabrieksnummer, en het nummer, de naam of merk, waarnaar het reservoir door de aanvrager onderscheiden wordt. 3. Op het in het vorig lid bedoeld verzoekschrift wordt niet"},{"b":"Arbeidsveiligheidswet BES Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *arbeid:* alle werkzaamheden in een onderneming; - *arbeider:* een ieder die arbeid verricht. 2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden met een onderneming gelijk gesteld: - a. inrichtingen tot het verplegen van zieken; - b. inrichtingen tot het verzorgen van hulpbehoevenden; - c. alle inrichtingen, bedrijven of takken van dienst onder beheer van de overheid of van publiekrechtelijke lichamen; - d. inrichtingen of bedrijven van verenigingen of van stichtingen; - e. kantoren van personen, die een vrij beroep uitoefenen, van verenigingen en van stichtingen; - f. sociëteiten; - g. het uitvoeren in eigen beheer van de bouw, de aanleg, de verbouwing, de herstelling, het onderhoud of de sloping van gebouwen; - h. het in eigen beheer graven, boren, verbeteren, uitdiepen en onderhouden van putten, alsmede de uitvoering van andere grondwerken; - i. het uitvoeren van werken onder water. Artikel 2 1. Ter beveiliging van de arbeid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven ten aanzien van: - a. het voorkomen van ongevallen; - b. het verschaffen van hulp bij ongevallen; - c. het voorkomen en beperken van brand en van ongevallen bij brand; - d. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten; - e. het verstrekken van drinkwater of andere alcoholvrije dranken; - f. het bevorderen van de zindelijkheid; - g. de aanwezigheid van voldoende zindelijke privaten en urinoirs; - h. het bevorderen van een dragelijke temperatuur; - i. de verlichting; - j. de electrische installaties; - k. het tegengaan van de verspreiding van schadelijke of hinderlijke dampen en van stof en, waar dit niet mogelijk is, de verwijdering daarvan. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar kan nadere voorschriften en aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze van"},{"b":"Arbeidsverdrag tussen België, Luxemburg en Nederland *Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, en Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, In gelijke mate bezield door de wens, te streven naar een gemeenschappelijke arbeidsmarkt voor Hun onderdanen; Verlangend, aan elkaars onderdanen gelijke arbeidsvoorwaarden toe te kennen als waartoe Hun eigen onderdanen gerechtigd zijn; Met het doel, op het grondgebied der drie landen het vrije verkeer van arbeidskrachten en de volledige tewerkstelling te bevorderen, alsmede de produktiebronnen van deze landen tot het uiterste tot ontwikkeling te brengen en te gebruiken; Hebben besloten, te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben gevolmachtigden benoemd, die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen:* Artikel 1 Onder „werknemers” worden in dit Verdrag verstaan onderdanen van de Hoge Verdragsluitende Partijen, die bij een particuliere werkgever arbeid in loondienst verrichten. In de zin van dit Verdrag worden met werknemers gelijkgesteld leerlingen en stagiaires. Artikel 2 Ongeacht de stand van de arbeidsmarkt in het land van de Partij, welke ontvangt en zonder dat een arbeidskaart of een arbeidsvergunning, waaraan eigen onderdanen niet zijn onderworpen, nodig zal zijn, is het aan alle onderdanen van een der Hoge Verdragsluitende Partijen toegestaan op voet van gelijkheid alle arbeid bij een particuliere werkgever op het grondgebied van een der andere Hoge Verdragsluitende Partijen aan te bieden of te aanvaarden. Van de in dit artikel genoemde voorrechten worden uitgesloten personen, die als ongewenst worden beschouwd uit een oogpunt van handhaving der openbare orde en goede zeden, van de openbare veiligheid en gezondheid. Artikel 3 Indien de stand van de arbeidsmarkt niet zou toestaan, dat de werknemers in bepaalde tijdvakken, in bepaalde"},{"b":"Arbeidsverdrag tussen Nederland en Frankrijk *Le Gouvernement de la République Française et le Gouvernement de Sa Majesté la Reine des Pays-Bas, Soucieux de promouvoir et d'organiser les échanges de main-d'oeuvre entre les Pays-Bas et la France et d'établir dans la plus large mesure possible l'égalité de traitement sur leurs territoires respectifs entre leurs ressortissants et ceux de l'autre Etat en ce qui concerne le régime du travail, ont résolu de conclure un traité à cet effet et ont désigné pour leurs plénipotentiaires, savoir: Le Président de la République: Monsieur Georges Bidault, Ministre des Affaires Etrangères; Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: Son Excellence le Jonkheer A. W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, Ambassadeur de Sa Majesté la Reine des Pays-Bas à Paris, lesquels, après avoir échangé leurs pleins pouvoirs reconnus en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* Article 1er Le Gouvernement français et le Gouvernement néerlandais s'engagent à ne pas mettre obstacle à la sortie de leurs ressortissants respectifs désireux de se rendre dans l'un des deux pays pour y trayailler, dans la mesure où cette sortie de travailleurs n'est pas préjudiciable à la situation économique et/ou démographique du pays intéressé et pourvu que l'application de la législation normale et générale, dans des cas individuels, ne s'y oppose pas. Ils leur donneront à cet effet, toutes facilités administratives ainsi qu' à leurs conjoints ou à leurs enfants qui les accompagneraient ou viendraient les rejoindre. Ils leurs délivreront notamment les pièces d'identité et passeports nécessaires. Dans le cas ou les travailleurs de l'un et l'autre pays et leurs familles établis ou séjournant régulièrement sur leurs territoires respectifs désireront retourner dans leur pays d'origine, les deux Gouvernements leur donneront toutes facilités administratives à ce sujet. Article 2 Les demandes numériques, c'est-à-dire les demandes de travailleurs non désignés nomin"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1997-1999 Inleiding/managementinformatie Op 12 mei 1997 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 april 1997 – 1 juni 1999. Een afschrift van de overeenkomst is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=1&z=1997-05-30&g=1997-05-30) bij deze circulaire gevoegd. Bij deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen vermeld voor de overeengekomen maatregelen. I. Wijziging van de salarissen en van de eindejaarsuitkering (onderdeel 2 van de overeenkomst) 1. Salarisverhoging per 1 mei 1997 en per 1 juli 1998 Met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 1997 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 2,8%. Per 1 juli 1998 worden de salarissen met 2,4% structureel verhoogd. Op de salarisverhoging per 1 mei 1997 wordt hierna ingegaan. Met betrekking tot de structurele salarisverhoging per 1 juli 1998 zal ik u op een later tijdstip nader informeren. a. Salarisbedragen per 1 mei 1997 In verband met de salarisverhoging van 2,8% komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 mei 1997 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=2&z=1997-05-30&g=1997-05-30) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=3&z=1997-05-30&g=1997-05-30) bijgevoegde inpassingstabel vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen. Dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de bijlagen van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) (BBRA 1984), maar die binnen de sector Rijk nog sporadisch worden gehanteerd. De"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1999-2000 Inleiding/managementinformatie Op 2 juni 1999 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (SOR) een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 juni 1999 - 1 augustus 2000. Een afschrift van de overeenkomst is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=1&z=1999-06-28&g=1999-06-28) bij deze circulaire gevoegd. De formalisering daarvan is thans ter hand genomen. Bij deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen vermeld voor de overeengekomen maatregelen. I. Wijziging van de salarissen en van de eindejaarsuitkering (Onderdeel 2.1 van de overeenkomst) 1. Salarisverhoging per 1 augustus 1999 Met ingang van 1 augustus 1999 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk verhoogd met 2,9%. a. Salarisbedragen per 1 augustus 1999 In verband met de salarisverhoging van 2,9% komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 augustus 1999 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=2&z=1999-06-28&g=1999-06-28) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=3&z=1999-06-28&g=1999-06-28) bijgevoegde inpassingstabel per 1 augustus 1999 vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen. Dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de bijlagen van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) (BBRA 1984), maar die binnen de sector Rijk nog sporadisch worden gehanteerd. De nieuwe salarisbedragen voor jeugdigen (de zogenaamde ’J-bedragen’), voorkomende in [bijlage B van het BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), zijn vermeld in de i"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 2001-2002 Inleiding/managementinformatie Op 20 november 2001 heb ik met de centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 oktober 2001 tot 1 december 2002. Een afschrift van deze Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2001-2002 is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=1&z=2001-12-14&g=2001-12-14) bijgevoegd. De formalisering daarvan is reeds ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen voor de overeengekomen maatregelen vermeld. Deze circulaire is ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Locatie: www.minbzk.nl\\Overheidspersoneel\\Rijksoverheid\\Arbeidsvoorwaarden\\publicaties. I. Inkomensontwikkeling 1. Salarisverhoging per 1 oktober 2001 Met ingang van 1 oktober 2001 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 3,6%. a. Salarisbedragen per 1 oktober 2001 In verband met de salarisverhoging van 3,6% komen de salarisbedragen per 1 oktober 2001 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=2&z=2001-12-14&g=2001-12-14) bijgevoegde inpassingstabel. Als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=3&z=2001-12-14&g=2001-12-14) is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) per 1 oktober 2001. b. Aanpassing van toelagen, vergoedingen en dergelijke Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) en toelagen die krachtens een [BBRA-overgangsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003631) nog van toepassing zijn, dienen in het algemee"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 2002-2003 Inleiding/managementinformatie Op 29 november 2002 heb ik met twee centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004. Een afschrift van deze Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002-2003 is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=1&z=2002-12-05&g=2002-12-05) bijgevoegd. De formalisering daarvan is reeds ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Deze circulaire is ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Locatie: www.minbzk.nl/Overheidspersoneel/Arbeidsvoorwaarden Rijksoverheid/publicaties. I. Inkomensontwikkeling 1. Salarisverhoging per 1 december 2002 Met ingang van 1 december 2002 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 2,5%. a. Salarisbedragen per 1 december 2002 In verband met de salarisverhoging van 2,5% komen de salarisbedragen per 1 december 2002 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=2&z=2002-12-05&g=2002-12-05) gevoegde inpassingtabel. Als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=3&z=2002-12-05&g=2002-12-05) is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) per 1 december 2002. b. Aanpassing van toelagen, vergoedingen en dergelijke Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) en toelagen die krachtens een [BBRA-overgangsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003631) nog van toepassing zijn, dienen in het algemeen in verband met de algemene salarisverhoging te worden verhoogd met ingang van 1 december 2002. V"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2003 In onderhavige publicatie wil ik u op de hoogte stellen over de volgende zaken: - 1. Aanpassing van de franchisebedragen en percentages voor de verschillende premieberekeningen per 1 januari 2003; - 2. Aanpassing wettelijk minimumloon en aanvangbedrag aanlooptraject I/D-banen; - 3. Ontwikkeling13e maand; - 4. Aanvullende indexering BBWO-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. 1. Aanpassing premies en franchise Met ingang van 1 januari 2003 zijn de diverse premies gewijzigd die van invloed zijn op de berekening van een bruto-netto salaris en/of op de vaststelling van de hoogte van de werkgeverslasten van een salaris. In [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=I&z=2003-02-19&g=2003-02-19) wordt in een overzicht de premies met het eventueel daarbijbehorende franchisebedrag weergegeven van: - Ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP); - Flexibel pensioen en uittreden (FPU); - Bovenwettelijk invaliditeitspensioen (IPbw); - (Pseudo-)Werkloosheid (WW); - [Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (WAO); - [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) (ZFW); - Uitvoeringsfonds voor de Overheid (UFO). 2. Aanpassing wettelijk minimumloon en aanvangbedrag aanlooptraject I/D-banen Bij besluit van 10 oktober 2002 (ASEA/LIV/2002/68439), gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 15 oktober 2002, nr. 198 zijn de bedragen genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag per 1 januari 2003. De aanpassing van het minimumloon is van invloed op de bedragen zoals die in de verschillende besluiten zijn opgenomen. In [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=II&z=2003-02-19&g=2003-02-19) van deze publicatie treft u de bedragen aan zoals die vanaf 1 januari 2003 voor het minimumloon gelden en in [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=I"},{"b":"Arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk 1995-1997 Inleiding Op 14 september 1995 heb ik met de Algemene Centrale van Overheids- personeel en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (SOR) overeenstemming bereikt over het arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid in de contractperiode 1 april 1995 – 1 april 1997. Een afschrift van de gesloten overeenkomst is als bijlage I bijgevoegd. Onder verwijzing naar de inhoud van die overeenkomst, geef ik bij [onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/BWBR0007571) nadere informatie over de overeengekomen verhoging van de salarissen en de – eenmalige – verhoging van de eindejaarsuitkering. Daarna geef ik bij [onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/BWBR0007571) en [onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/BWBR0007571) aanvullende informatie over de maatregelen die zijn overeengekomen ingaande 1 januari 1996 respectievelijk 1 januari 1997. Vervolgens ga ik – voor zoveel nodig – bij [onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/BWBR0007571) nog in op andere onderdelen van de overeenkomst. Tot slot zijn de contactpersonen vermeld behorend bij de diverse maatregelen. A. Wijzigingen van de salarissen en van de eindejaarsuitkering 1. Salarisverhogingen per 1 oktober 1995 en 1 oktober 1996 Met ingang van 1 oktober 1995 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk verhoogd met 0,5%. Voorts is overeengekomen dat met ingang van 1 oktober 1996 deze salarissen zullen worden verhoogd met 0,75%. Op de salarisverhoging van 1 oktober 1995 ga ik hieronder in. Over de maatregel per 1 oktober 1996 zal ik u te zijner tijd nader informeren. Inpassingstabellen per 1 oktober 1995 – In verband met de salarisverhoging van 0,5% komen de (schaal-)salaris-bedragen voor volwassenen per 1 oktober 1995 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007571&bijlage=II&z=19"},{"b":"Arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2017–2018 Hoofdstuk 1. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2017 Artikel 1 *Wijzigt de Inkomstenregeling Militairen.* Artikel 2 *Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie.* Artikel 3 Het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 wordt verlengd tot 1 oktober 2018. Artikel 4 *Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel.* Artikel 5 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Artikel 6 *Wijzigt de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR.* Artikel 7 *Wijzigt de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties.* Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2018 Artikel 8 *Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie.* Artikel 9 *Wijzigt de Inkomstenregeling militairen.* Artikel 10 *Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel.* Artikel 11 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Artikel 12 *Wijzigt de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties.* Hoofdstuk 3. Overige wijzigingen Artikel 13 *Wijzigt de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR.* Artikel 14 Een aanvraag als bedoeld in [artikel 39a van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=39a), wordt vastgesteld op een door Onze Minister te bepalen datum. Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Deze regeling treedt in werking op de datum van ondertekening, met dien verstande dat: - 1. hoofdstuk 1 terugwerkt tot en met 1 januari 2017; - 2. hoofdstuk 2 terugwerkt tot en met 1 januari 2018; - 3. artikel 13 in werking treedt met ingang van 1 januari 2019."},{"b":"Arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2018–2020 Hoofdstuk 1. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2018 Artikel 1.1 Het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 wordt verlengd tot en met 31 december 2020. Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Artikel 2.1 1. De Regeling dubbeltelling pensioengeldige tijd wordt ingetrokken. 2. Bij wijze van overgangsmaatregel blijft dubbeltelling van kracht voor volgens deze regeling dubbeltellende tijd, opgebouwd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Artikel 2 *Wijzigt de Inkomstenregeling militairen.* Artikel 2.3 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Artikel 2.4 *Wijzigt de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR.* Artikel 2.5 *Wijzigt het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel.* Hoofdstuk 3. Wijzigingen met ingang van 1 april 2019 Artikel 3.1 *Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie.* Artikel 3.2 *Wijzigt de Inkomstenregeling militairen.* Artikel 3.3 *Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel.* Artikel 3.4 *Wijzigt de Regeling Toelage Bijzondere Bijstands Eenheden.* Artikel 3.5 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Artikel 3.6 *Wijzigt de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties (VVHO).* Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2019 Artikel 4.1 *Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren Defensie.* Artikel 4.2 *Wijzigt de Inkomstenregeling militairen.* Artikel 4.3 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Artikel 5.1 *Wijzigt de Regeling dienstreizen defensie.* Artikel 5.2 *Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.* Artikel 5.3 *Wijzigt de Verplaatsingskostenregeling Def"},{"b":"Arbeidsvrederegeling BES § 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - *de minister:* de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. § 2. Positie bemiddelaar Artikel 2 De bemiddelaars en de bijzondere bemiddelaars leggen, alvorens hun ambt of taak te aanvaarden, in handen van de Rijksvertegenwoordiger of van een door hem aangewezen ambtenaar de eed of de belofte af, dat zij hun ambt of taak van bemiddelaar, getrouw, nauwgezet en eerlijk zullen vervullen. Artikel 3 De bemiddelaar, die buiten staat is bemiddeling te verlenen, geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de minister. Artikel 4 De bemiddelaar vergadert met de bijzondere bemiddelaars zo dikwijls hij zulks in het belang van de dienst nodig acht en heeft dan de leiding bij deze besprekingen. Artikel 5 Aan de bemiddelaar wordt een secretaris toegevoegd. Artikel 6 1. De bemiddelaar: - a. houdt de minister regelmatig op de hoogte van zijn optreden in geschillen of dreigende geschillen; - b. zendt jaarlijks vóór februari aan de minister een verslag van zijn werkzaamheden; - c. dient de minister desgevraagd van advies inzake arbeidspolitieke aangelegenheden. Artikel 7 1. De schadeloosstelling, bedoeld in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028178&artikel=15), bedraagt voor de bemiddelaar of de bijzondere bemiddelaar: USD 132 per uur. 2. Indien de bemiddelaar of bijzondere bemiddelaar voor zijn optreden genoodzaakt is te reizen naar een ander eiland dan het eiland waar hij woont, worden de reiskosten vergoed. Tevens wordt in verband met de aan de reis bestede uren per enkele reis een vergoeding toegekend over één uur. 3. Tevens worden, indien noodzakelijk, de verblijfkosten die verband houden met de in het tweede lid bedoelde reizen vergoed overeenkomstig [artikel 8 van de Reisregeling Rijksambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041296&artikel=8). 4. Indien uit de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindexc"},{"b":"Arbeidswet 2000 BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op het verrichten en het laten verrichten van arbeid. 2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht: - a. door het hoofd of de bestuurder van de onderneming en zijn echtgenoot of bloedverwant in de eerste graad, dan wel verricht door personen, niet zijnde hoofd of bestuurder, die dezelfde bevoegdheden hebben als het hoofd of de bestuurder; - b. door straatventers, vissers, kleine handelslieden en land- en tuinbouwers, die geen vergunning nodig hebben op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164); - c. met een wetenschappelijk doeleinde; - d. door geneeskundigen en verloskundigen, alsmede door personen die werkzaam zijn in een zieken- of verzorgingsinrichting anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling; - e. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van luchtvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde personen of goederen; - f. door personen van 18 jaar of ouder als bemanning ten behoeve van het luchtvaartuig waarop zij dienst doen; - g. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van scheepvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van schepen en de daarmee vervoerde personen of goederen; - h. door personen van 18 jaar of ouder als opvarende van het schip waarop zij dienst doen; - i. door havenarbeiders van 18 jaar of ouder, waarop de [Stuwadoorswet 1946 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028169) van toepassing is; - j. door personen van 18 jaar of ouder, die ambtenaar zijn in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) of van wie de arbeidsvoorwaarden bij of krachtens wettelijke regeling door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Konin"},{"b":"Arbitrage- en verzoeningsverdrag tussen Nederland en Frankrijk *SA MAJESTE LA REINE DES PAYS-BAS et LE PRESIDENT DE LA REPUBLIQUE FRANÇAISE S'inspirant des relations d'amitié qui unissent heureusement le peuple néerlandais et le peuple français, Considérant la Convention d'arbitrage conclue entre les Pays-Bas et la France le 6 avril 1904, prorogée le 29 décembre 1909, et restée en vigueur jusqu'à ce jour, Désireux d'y substituer des dispositions permettant d'assurer dorénavant, conformément aux progrès du Droit des Gens, le règlement pacifique, dans tous les cas, des différends et conflits, de quelque nature qu'ils soient, qui viendraient à diviser les deux pays, Ont résolu de conclure un Traité à cet effet et ont nommé pour leurs plénipotentiaires respectifs savoir: Sa Majesté la Reine des Pays-Bas: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Son Ministre des Affaires Etrangères; Le Président de la République Française: Monsieur ARISTIDE BRIAND, Député, Ancien Président du Conseil, Ministre des Affaires Etrangères; Monsieur HENRI FROMAGEOT, Jurisconsulte du Ministère des Affaires Etrangères, Commandeur de la Légion d'Honneur; Lesquels, après avoir échangé leurs pleins pouvoirs respectivement reconnus en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:* Article 1er Les Hautes Parties contractantes s'engagent réciproquement à ne rechercher, dans aucun cas, autrement que par voie pacifique le règlement des litiges ou conflits, de quelque nature qu'ils soient, qui viendraient à s'élever entre la France et les Pays-Bas et qui n'auraient pu être résolus, dans un délai raisonnable, par les procédés diplomatiques ordinaires. Article 2 Tous les litiges, de quelque nature qu'ils soient, ayant pour objet un droit allégué par une des Hautes Parties contractantes et contesté par l'autre, et qui n'auraient pu être réglés à l'amiable par les procédés diplomatiques ordinaires, seront soumis pour jugement soit à la Cour Permanente de Justice internationale soit à un Tribuna"},{"b":"Arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika *Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Vereenigde Staten van Amerika; Besloten om, voor zoover het in hunne macht ligt, elke onderbreking in de vreedzame betrekkingen, die altijd tusschen de beide volkeren hebben bestaan, te voorkomen; Wenschende opnieuw tot uiting te brengen, dat zij als richtlijn van hunne staatkunde beschouwen alle geschillen, die vatbaar zijn voor rechterlijke beslissing, welke tusschen hen mochten rijzen, te onderwerpen aan onpartijdige beslissing; en Verlangende door hun voorbeeld niet alleen te doen uitkomen, dat zij oorlog als een werktuig van nationale politiek in hunne wederkeerige betrekkingen veroordeelen, maar ook het tijdstip te verhaasten, waarop internationale overeenkomsten tot vreedzame regeling van internationale geschillen een zoodanigen graad van volkomenheid zullen hebben bereikt, dat voor altijd de mogelijkheid van oorlog tusschen welke mogendheden der wereld ook, zal zijn verdwenen; Hebben besloten een nieuw arbitrageverdrag te sluiten, waardoor het te Washington op 2 Mei 1908 geteekende arbitrageverdrag, dat door tijdsverloop op 25 Maart 1930 afloopt, in strekking en daarin vervatte verplichtingen wordt verruimd, en hebben voor dat doel onderscheidenlijk als hunne gevolmachtigden aangewezen: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Dr. J. H. VAN ROYEN, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister in de Vereenigde Staten van Amerika; De President van de Vereenigde Staten van Amerika: JOSEPH P. COTTON, waarnemend Secretaris van Staat van de Vereenigde Staten; die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld en in goede en behoorlijke orde bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen:* Artikel I Alle geschillen betreffende internationale aangelegenheden, welke tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen mochten rijzen als gevolg van eenen door de eene Partij aan de ander"},{"b":"Archiefbeheersregeling Kamer van Koophandel 2024 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - *archiefbescheiden:* archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1) waarvoor Raad van Bestuur van KVK ingevolge [artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) zorgdrager is; - *archiefbewaarplaats:* een bij of krachtens [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor de blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats; - *auditor:* de medewerker van de afdeling Audit Risk & Compliance die onafhankelijk en objectief zekerheid geeft aan de Raad van Bestuur over de inrichting en effectiviteit van het digitaal informatie- en archiefbeheer bij KVK; - *beheer:* het verrichten dan wel doen verrichten van de feitelijke werkzaamheden (registratie, ordening, selectie, vernietiging, raadpleging en overbrenging) ter aanvulling van de zorg voor archiefbescheiden; - *de Kamer:* de Kamer van Koophandel als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2); - *informatie- en archiefbeheer:* beheer als bedoeld onder sub d, inclusief de processen voor het vastleggen en onderhouden van bewijs van en informatie over bedrijfsactiviteiten en transacties in de vorm van archiefbescheiden, alsmede de systematische controle op deze processen; - *overbrenging:* overbrenging als bedoeld in de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12) en [13 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=13); - *proces:* samenhangend geheel van stappen en procedures in het kader van de uitvoering van een taak; - *proceseigenaar:* de manager die de verantwoordelijkheid heeft om het proces op doelmatige en rechtmatige wijze uit te voeren; - *selectie:* het op basis van een s"},{"b":"Archiefbeheersregeling voor het CAK Hoofdstuk I. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. *Archief* Het geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door het CAK. - 2. *Archiefbescheiden* - a) bescheiden, ongeacht hun vorm, door het CAK ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b) bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het CAK zijn overgegaan; - c) reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de plaats zijn gesteld van de onder a) en b) bedoelde archiefbescheiden. - 3. *Archiefbestanddelen* Archiefbescheiden die vanwege hun oorzakelijk verband als zodanig bijeen zijn opgeslagen (dossiers). - 4. *Archiefbewaarplaats of -ruimte* Ruimte waarin archieven worden opgeslagen en die voldoet aan bij de wet gestelde inrichtingseisen. - 5. *Authenticiteit* Het behoud van de inhoud, structuur en verschijningsvorm van archiefbescheiden in hun oorspronkelijke gedaante, dat wil zeggen de gedaante die ze bij hun ontstaan hadden. - 6. *Beheer* Het in opdracht van de zorgdrager (doen) uitvoeren van de feitelijke werkzaamheden die tot doel hebben de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te houden. - 7. *Beheerder* De werknemer of groep van medewerkers die belast is of zijn met het beheer. - 8. *Bestand* Een geheel van gegevens in een zelfde opslagformaat. - 9. *Besturingsprogramma* De programmatuur die bestemd is ter besturing van een informatiesysteem. - 10. *Conversie* Het om- of overzetten van gegevens in een ander opslagformaat. - 11. *Documentaire activiteiten* Het creëren, identificeren, verzamelen, vastleggen, ontsluiten, opslaan van documenten, de archiefvorming en het archiefbeheer, alsmede van de toegankelijkheid van de archiefbescheiden"},{"b":"Archiefbeheersregeling voor het CAK 2014 1. Inleiding Het CAK valt in zijn hoedanigheid van publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) onder de werking van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) (Stb. 1995, 276). Deze wet is samen met het [Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) in 1995 herzien. Het hoofdbeginsel van de herziende archiefwetgeving is de verplichting voor overheidsorganen de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Deze verplichting geldt voor alle overheidsorganen en voor alle archiefbescheiden, in welke vorm dan ook. Dit geldt ook voor het overbrengen van archiefbescheiden naar de archiefbewaarplaats of het aanbieden voor vernietiging. Van groot belang is dat digitale gegevensverzamelingen volledig onder de bepalingen van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) vallen. De zorgdragers zijn conform [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) (Stb. 1995, 671) verplicht ten aanzien van hun archiefbescheiden nadere beheersregels vast te stellen. In deze regels zijn de verantwoordelijkheden, bevoegdheden, en procedures vastgelegd, welke onmisbaar zijn voor een goed beheer van de archiefbescheiden. De beheersregeling geeft kort en zakelijk de regels weer die gehanteerd moeten worden. De precieze kwaliteitseisen waaraan archiefruimten en archiefbescheiden moeten voldoen zijn niet opgenomen in deze beheersregeling, maar zijn op landelijk niveau gedefinieerd in de [Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041), met latere wijzigingen. De beheersregeling moet gezien worden als een raamwerk van wettelijke voorschriften. Artikelen die een verduidelijking of een aanvulling behoeven, zijn nader toegelicht in de toelichting beh"},{"b":"Archiefbeheersregeling voor het college voor de toelating van bestrijdingsmiddelen 2006 Hoofdstuk I. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Archief: Het totaal van de in systematisch verband opgeslagen archiefbescheiden binnen de organisatie. Archiefbescheiden: - a. bescheiden, ongeacht hun vorm, door het CTB ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het CTB zijn overgegaan; - c. reproducties, ongeacht hun vorm, die bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de plaats zijn gesteld van de onder a) en b) bedoelde archiefbescheiden. Archiefbestanddeel: Deel van het archief dat vanwege het logische verband fysiek een eenheid vormt. Archiefbewaarplaats (Rijksarchiefbewaarplaats): Ruimte waarheen archiefbescheiden (van Rijksoverheidsorganen) ter blijvende bewaring zijn overgebracht en die voldoet aan de eisen als gesteld in de [Regeling bouw en inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012803). Archiefruimte: Ruimte binnen de organisatie waarin blijvend te bewaren archiefbescheiden worden opgeslagen tot het moment van overbrenging naar een archiefbewaarplaats en die voldoet aan de eisen als gesteld in de [Regeling bouw en inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012803). Authenticiteit: Het behoud van de inhoud, vorm en structuur van archiefbescheiden in hun oorspronkelijke gedaante, dat wil zeggen de gedaante die ze bij hun ontstaan hadden. Basisselectiedocument (BSD): Selectielijst (zie onder ‘Selectielijst’) als bedoeld in [artikel 5 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Beheer: Het in opdracht van de zorgdrager (do"},{"b":"Archiefbesluit BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. *wet:* [Archiefwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369); - c. *selectielijst:* lijst als bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&artikel=7). Hoofdstuk 2. Het ontwerpen van selectielijsten, alsmede de vervanging en vervreemding van archiefbescheiden § 1. Selectie en vernietiging Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 1. Bij het ontwerpen en vaststellen van selectielijsten, bij besluiten omtrent de vervanging van archiefbescheiden door reproducties en bij besluiten omtrent de vervreemding van archiefbescheiden wordt rekening gehouden met: - a. de taak van het betreffende overheidsorgaan; - b. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen; - c. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed; en - d. het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- en bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. - e. [vervallen] 2. Selectielijsten worden vastgesteld voor de duur van ten hoogste twintig jaar. Artikel 4 1. De zorgdrager betrekt bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste: - a. de persoon die hij binnen zijn organisatie uit hoofde van diens verantwoordelijkheid voor de informatiehuishouding daartoe heeft aangewezen; - b. indien deze is benoemd de eilandarchivaris die de beheerder is van de archiefbewaarplaats die is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de zorgdrager; - c. een deskundige op het terrein van de relatie tussen burger en overheid en de betekenis van overheidsinformatie voor deze relatie. 2. Indien de bestuurscolleges van twee of alle openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk een selectielijst ontwerpen, kan volstaan worden met de betrokkenheid van een aangewez"},{"b":"Archiefwet BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. *overheidsorgaan:* - 1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; of - 2°. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed; - c. *archiefbescheiden:* - 1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door een overheidsorgaan ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan; - 3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit andere hoofde in de archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4°. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens deze wet in de plaats zijn gesteld van de archiefbescheiden, bedoeld in onderdeel c, sub 1, 2 of 3 of welke op grond van het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn vervaardigd; - d. *zorgdrager:* degene die bij of krachtens deze wet belast is met de zorg voor de archiefbescheiden; - e. *archiefruimte:* een ruimte, bestemd of aangewezen voor de bewaring van archiefbescheiden in afwachting van hun overbrenging ingevolge [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01); - f. *archiefbewaarplaats:* een krachtens deze wet voor blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats. Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder overheidsorganen tevens begrepen overheidsorganen, welke voor of na de inwerkingtreding van deze wet zijn of zullen worden opgeheven. Hoofdstuk II. Archiefbescheiden in het"},{"b":"Arrest Hoge Raad inzake belastbaarheid vergoeding parkeer-, tol- en veergelden In zijn arrest van 28 juni 1995, nr. 30.255, heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Hof Amsterdam van 8 april 1994 betreffende het niet belastbaar zijn van een vergoeding inzake parkeer-, tol- en veergelden vernietigd. Uit dit arrest blijkt onder meer dat indien de parkeer-, tol- en veergelden met een kredietkaart of via voorschotten voor rekening van de werkgever komen, er voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen sprake is van een vergoeding in geld. Dit brengt mee dat een dergelijke vergoeding tot het bedrag waarmee de maximaal onbelast te vergoeden kilometervergoeding wordt overschreden, tot het loon moet worden gerekend. In de nota’s van toelichting van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) en het [Reisbesluit buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006842) is hierover vermeld dat de betaling van de parkeer- en veergelden met een kredietkaart van de werkgever en het verstrekken van een plaatsbewijs voor een pont of een parkeerkaart door de werkgever beide onbelast zijn. Gelet op het arrest van de Hoge Raad is dit wat betreft het betalen met een kredietkaart door de werkgever niet juist. Ik verzoek u in voorkomend geval met het vorenstaande rekening te houden."},{"b":"Aspectgebied Internationaal belastingrecht; dividendbelasting; Belastingregeling voor het Koninkrijk, Aruba; vrijstelling- en teruggaafprocedures Algemeen Artikel 1 Deze regeling neemt over de begrippen van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot deelnemingsdividenden (vrijstellingsprocedure) Artikel 2 1. Een lichaam dat inwoner van Aruba is, en dat ingevolge [artikel 11, derde lid, eerste en tweede volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11), aanspraak heeft op vermindering van dividendbelasting, levert voor het geldend maken van die aanspraak bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn plaats van vestiging een ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier volgens het in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022598) opgenomen model (formulier IB 95(2) ARU). Nadat het lichaam een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, legt het dit over bij het innen van de dividenden. 2. De vennootschap die het dividend verschuldigd is, is bevoegd het dividend uit te betalen onder aftrek van dividendbelasting naar een tarief van 7,5 percent indien de genieter van de opbrengst het van een ondertekende bevestiging omtrent het inwonerschap voorziene exemplaar van de in het eerste lid bedoelde verklaring heeft overgelegd en voorts op het formulier is verklaard dat het dividend in Aruba is onderworpen aan belasting met dien verstande dat de feitelijke gecombineerde belastingdruk van woonstaat en bronstaat tezamen op het dividend ten minste 8,3 percent bedraagt en deze verklaring op het formulier is bevestigd door de aanslagregelende autoriteit in Aruba. 3. De vennootschap die het dividend verschuldigd is, is bevoegd het dividend uit te betalen onder aftrek van dividendbel"},{"b":"Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds *Preambule Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „Euratom” genoemd, enerzijds, en Georgië, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, GEZIEN de sterke banden en de gemeenschappelijke waarden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en Georgië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en, worden ontwikkeld binnen het kader van het Oostelijk Partnerschap als een specifieke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden op een ambitieuze en vernieuwende wijze; MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en de Europese keuze van Georgië; ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat"},{"b":"Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds *Preambule Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie of „de EU” genoemd, en DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „EURATOM” genoemd enerzijds, en DE REPUBLIEK MOLDAVIË anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, GEZIEN de gemeenschappelijke waarden en sterke banden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en worden ontwikkeld binnen het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid en het Oostelijk Partnerschap, en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden; MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en Europese keuze van de Republiek Moldavië; ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat – ook aan de basis van"},{"b":"Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds *Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, de Europese Unie, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „EURATOM” genoemd enerzijds, en Oekraïne anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Rekening houdend met de nauwe historische betrekkingen en de steeds nauwere banden tussen de partijen, en met hun wens om de betrekkingen nog uit te breiden en te versterken op ambitieuze en innoverende wijze; Belang hechtend aan nauwe en duurzame betrekkingen op basis van gemeenschappelijke waarden als eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat, goed bestuur, mensenrechten en fundamentele vrijheden, ook de rechten van personen die behoren tot nationale minderheden, niet-discriminatie van personen die behoren tot minderheden, respect voor diversiteit en menselijke waardigheid en gehechtheid aan de beginselen van de een vrijemarkteconomie, waardoor Oekraïne gemakkelijker kan deelnemen aan Europees beleid; Zich ervan bewust dat Oekraïne als Europees land een gezamenlijke geschiedenis en gemeenschappelijke waard"},{"b":"Assurantiebelasting *Dit besluit actualiseert en vervangt het besluit van 3 februari 2017, nr. BLKB2016/973M en bevat het beleid over de assurantiebelasting.* 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de assurantiebelasting. Op enkele onderdelen wordt de toepassing van dit beleid nader verduidelijkt. In [onderdeel 3.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046657) is verduidelijkt in welke gevallen de vrijstelling voor transportverzekeringen kan worden toegepast. Hierbij is overeenkomstig bestendig beleid aangegeven dat de vrijstelling ook geldt voor verzekeringen van reizigersbagage. De slotalinea van dit onderdeel in het besluit van 3 februari 2017 is verplaatst naar [onderdeel 3.2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046657). Verder wordt in onderdeel 3.2.2 nader ingegaan op de dekking van opslag als onderdeel van de transportverzekering. Hierbij is de periode waarin geacht wordt sprake te zijn van een volstrekt noodzakelijke samenhang tussen transport en opslag gesteld op maximaal drie maanden. [Onderdeel 3.3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046657) is aangepast. Het in het besluit van 3 februari 2017 genoemde voorbeeld over de inhoud van serviceauto’s is niet meer opgenomen omdat dit voorbeeld in de praktijk tot misverstanden leidt over de toepassing van de vrijstelling voor transportverzekeringen. Verder is aangegeven dat in geval bij een samengestelde verzekering de premie niet eenduidig kan worden gesplitst, een verzoek om vooroverleg kan worden ingediend bij de inspecteur van de Belastingdienst. Verder wordt in [onderdeel 3.5](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046657) nader aangegeven dat concrete casusposities over exportkredietverzekeringen ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de inspecteur van de Belastingdienst. In [onderdeel 4.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046657) is de bevoegdheid tot het aanwijzen van een assurantiebemiddelaar als belastingplichtige voor de assurantiebelasting aangepast aan de regelgeving rond mandatering binnen de huidige or"},{"b":"Auteursrechtelijk voorbehoud ontwerp EK 2000-munt Artikel 1 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot het ontwerp van de voor- en de keerzijde van de vijfguldenmunt ter gelegenheid van het Europees kampioenschap voetbal, als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0011329) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Auteurswet BES Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen § 1. De aard van het auteursrecht Artikel 1 Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld. Artikel 2 1. Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht. 2. De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, geschiedt door een daartoe bestemde akte. De overdracht omvat alleen die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit. 3. Het auteursrecht, hetwelk toekomt aan den maker van het werk, zoomede, na het overlijden des makers, het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken, hetwelk toekomt aan dengene, die het als erfgenaam of legataris van den maker verkregen heeft, is niet vatbaar voor beslag. § 2. De maker van het werk Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 1. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor den maker gehouden hij die op of in het werk als zoodanig is aangeduid, of bij gebreke van zulk eene aanduiding, degene, die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan is bekend gemaakt door hem, die het openbaar maakt. 2. Wordt bij het houden van eene niet in druk verschenen mondelinge voordracht of het uitvoeren van een niet in druk verschenen muziekwerk geene mededeeling omtrent den maker gedaan, dan wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, voor den maker gehouden hij die de voordracht houdt of het muziekwerk uitvoert. Artikel 5 1. Van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, hetwelk bestaat uit afzonderlijke werken van twee of meer personen, wordt, onverminderd het auteursrecht op ieder werk afzonderlijk, als de maker aangemerkt degene, onder wiens leiding en toezicht het gansche werk is tot stand gebracht, of bij gebreke van dien, degene, die de verschillende werken verzameld heeft. 2. A"},{"b":"AVWD-2021 Artikel 1 De Algemene voorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden aan zaken van het ministerie van Defensie 2021 (AVWD-2021) worden vastgesteld als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045075) bij dit besluit. Artikel 2 De [AVWD 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007456), vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 21 juni 1995 (Stcrt. 1995, 128) en de Aanvullende voorwaarden voor aanneming van werk op plaatsen onder beheer van het ministerie van Defensie 1999 (AVWD-D 1999), vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 3 augustus 1999, worden ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: AVWD-2021"},{"b":"Bankbedrijf, mutatietarief remisierprovisie Bij de tweede herdruk van de Bijlage bij de aanschrijving van 25 juli 1979, nr. 279-12007, is hierin het mutatietarief opgenomen, zijnde een vergoeding voor mutaties in geadministreerde effectendepots. Vooralsnog wordt deze provisie in rekening gebracht bij de volgende handelingen: - 1. deponeringen respectievelijk lichtingen uit hoofde van aan- en verkoop (inclusief stockdividenden en claims), waaronder begrepen arbitrage en netto-affaires exercises en assignments uit hoofde van optie-affaires. - 2. lichtingen wegens aflosbaarstelling/uitloting. - 3. overboekingen op initiatief van de cliënt: - – van en naar een ander depot bij eenzelfde bank; - – van en naar depots van dezelfde cliënt bij eenzelfde bank; - – van en naar een depot bij een andere bank. Het mutatietarief wordt met ingang van 1 maart 1983 ingevoerd. Voorts zijn in genoemde bijlage opgenomen de prestaties van remisiers. Deze kunnen worden omschreven als het in samenwerking met een effectenhandelaar begeleiden van effectenorders. Ter zake van de samenwerking wordt in het algemeen tussen de effectenhandelaar en de remisier een overeenkomst gesloten overeenkomstig het daartoe door de Vereniging voor de Effectenhandel opgestelde model. Op grond van deze overeenkomst ontvangt de remisier als beloning voor het aanbrengen van cliënten een bepaald percentage van de aan de cliënt berekende provisiën wegens aan- en verkoop van effecten. Geen provisie wordt uitbetaald in gevallen waarin geen overeenkomst van koop- en verkoop van effecten totstandkomt."},{"b":"Basisregeling Archiefbeheer van de stichting Stimuleringsfonds voor Architectuur Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - Beheer: de feitelijke werkzaamheden die nodig zijn om informatie in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren; - Beheerseenheid: afdelingen van het SfA die documenten registreren, ordenen en beheren daarin begrepen de gebruikte en in gebruik zijnde informatiesystemen; - Documentaire informatievoorziening (hierna te noemen DIV): het geheel van activiteiten dat ervoor zorgt dat een organisatie over de informatie beschikt die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de taken. Hieronder valt zowel het archiefbeheer als het documentatiebeheer en het actief opsporen van informatie binnen en buiten de organisatie. Concrete activiteiten hierbinnen zijn: postontvangst en -registratie, voortgangs- en afdoeningsbewaking en dossierbeheer; - Documentaire informatievoorzieningsfunctie, centrale (hierna te noemen DIV-functie): de functionaris, sectie, afdeling of andere organisatorische aanduiding voor het organisatieonderdeel die/dat verantwoordelijk is voor de totale documentaire informatievoorziening en het documentair informatiebeheer, daaronder begrepen het archiefbeheer; - Informatiesysteem: systeem van documentatie, procedures, apparatuur en programmatuur, met behulp waarvan archiefbescheiden e.a. documenten, in analoge of digitale vorm, kunnen worden geproduceerd, bewerkt, opgeslagen, verzonden, ontvangen, geraadpleegd en gecontroleerd; - Selectielijst: het voor het SfA van toepassing zijnde Basisselectiedocument waarin is omschreven welke archiefbescheiden voor blijvende bewaring dan wel vernietiging in aanmerking komen; - Terbeschikkingstelling: het beschikbaar stellen van archiefbescheiden aan rechtspersonen of organen buiten het SfA i.v.m. de overdracht van taken voor een maximale termijn van 20 jaar en voor zover deze niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats; - Uitlening: het beschikbaar stellen"},{"b":"Bedrag B besluit 2025 *Bedrag B van Pijler 1 is een beoogde vereenvoudiging van de verrekenprijsregels voor het vaststellen van de beloning voor routinematige marketing- en distributieactiviteiten.1In dit besluit is als vertaling van ‘baseline’ activiteiten gekozen voor ‘routinematige’ activiteiten. Voor de definiëring van het begrip wordt naar het rapport verwezen. Dit besluit beschrijft de gevolgen van de internationale afspraak van het Inclusive Framework over Bedrag B van Pijler 1 voor de belastingheffing in Nederland.* 1. Achtergrond Bedrag B Binnen het Inclusive Framework2Het OESO/G20 Inclusive Framework on BEPS is in 2016 gevormd met het oog op implementatie van de maatregelen uit het OESO/G20-project om grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan (het BEPS-project) en verdere internationale samenwerking op het gebied van belastingheffing. is in het kader van het ‘OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project’ als onderdeel van de ‘Two-Pillar Solution to the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy’ op 19 februari 2024 door de OESO het rapport ‘Pillar One – Amount B’ gepubliceerd (hierna: het rapport).3OECD (2024), Pillar One – Amount B: Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Paris, [https://doi.org/10.1787/21ea168b-en](https://doi.org/10.1787/21ea168b-en). In het rapport worden richtlijnen en handreikingen gegeven voor de toepassing van Bedrag B. Het rapport is toegevoegd als bijlage bij hoofdstuk 4 van de Richtlijnen voor Verrekenprijzen voor Multinationale Ondernemingen en Belastingdiensten (hierna: OESO-richtlijnen).4OECD (2022), OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations 2022, OECD Publishing, Paris, [https://doi.org/10.1787/0e655865-en](https://doi.org/10.1787/0e655865-en). Het rapport is aangevuld op 17 juni 2024 met de definitie van ‘kwalificerende jurisdicties’ zoals omschreven in sectie 5.2. en 5.3. van het rapport en de aa"},{"b":"Bedrijfsfusiebesluit 2025 *Dit besluit bevat het beleid voor de bedrijfsfusie in de vennootschapsbelasting* *en vervangt het besluit van 12 augustus 2022, nr. 2022-188681, (* *Stcrt. 2022, 22281* *). Met de actualisering van dit besluit is het volgende gewijzigd. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur. De beleidsmatige onderdelen van deze tekstblokken zijn in het huidige besluit verwerkt in de hoofdtekst van het besluit, een inhoudelijke beleidswijziging is niet beoogd. Paragraaf 3.6 verduidelijkt dat met het afgeven van een beschikking op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de inspecteur geen zekerheid verstrekt over de zogenoemde ontgaanstoets van artikel 14, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De toelichting op artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervallen, omdat de kans klein is dat deze met ingang van 2006 vervallen bepaling via het overgangsrecht nog toepassing vindt. In paragraaf 7.2. geldt geen beperking meer voor de algemene toestemming van de inspecteur voor situaties waarbij de overdrager of overnemer de rechtsvorm heeft van een coöperatie. Voor de situatie dat de overnemer valt onder artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de overdrager niet, is in paragraaf 7.3.2. een (aanvullende) voorwaarde opgenomen. Paragraaf 8 over het meegeven van verliezen is zo geherformuleerd dat als voldaan wordt aan de voorwaarden, de goedkeurende regeling direct van toepassing is. Een voorafgaande beslissing door de inspecteur is niet meer vereist. Door deze aanpassing is het beleid voor het meegeven van verliezen bij bedrijfsfusie nu procedureel gelijk aan dit beleid bij de andere reorganisatiefaciliteiten. De inhoudelijke voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring zijn ongewijzigd. Paragraaf 8.5 ‘Andere subjectgebonden aanspraken’ is nieuw toegevoegd. In paragraaf 9.2 is verduidelijkt dat de goedkeuring met betrekking t"},{"b":"Bedrijfshulpverleningsregeling VROM Artikel 1. Algemene bepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. ministerie: ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; c. de dienst: - de Centrale Sector; - het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting; - de Rijksplanologische Dienst; - het Directoraat-Generaal Milieubeheer; - de Rijksgebouwendienst; d. het diensthoofd: - de secretaris-generaal; - de directeur-generaal van de Volkshuisvesting; - de directeur-generaal van de Ruimtelijke Ordening; - de directeur-generaal Milieubeheer; - de directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst; e. bedrijfshulpverlener: ambtenaar werkzaam bij het ministerie die bij besluit is aangewezen om conform [artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=15) hulp in of rond de gebouwen van het ministerie te verlenen met een of meer van de volgende taken: - ontruimer; - basis-bedrijfshulpverlener; - EHBO’er; - brandwacht; - ploegleider; - plaatsvervangend hoofd bedrijfshulpverlening; - hoofd bedrijfshulpverlening; f. BHV: bedrijfshulpverleningsorganisatie van het ministerie. 2. Voor zolang de bedrijfshulpverlener nog in opleiding is, is deze aspirant-bedrijfshulpverlener. 3. Een bedrijfshulpverlener kan tevens met leidinggevende taken worden belast. Artikel 2. Aanwijzing als bedrijfshulpverlener 1. - a. Aanwijzing als bedrijfshulpverlener voor onbepaalde tijd wordt schriftelijk door het diensthoofd van de betreffende dienst, waar de bedrijfshulpverlener werkzaam is, na overleg met de ondernemingsraad, verleend; - b. Aanwijzing als aspirant-bedrijfshulpverlener geschiedt op de onder a bepaalde wijze. 2. In de aanwijzing wordt in ieder geval vermeld: - a. de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, adres en woonplaats van de bedrijfshulpverlener; - b. de betreffende dienst waar de bedrijfshulpverlener werkzaam is; - c. de BH"},{"b":"Begrafeniswet BES Artikel 1 In deze wet verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a Het lijk van een persoon of doodgeboren kind wordt in eene gesloten kist begraven, hetzij in een geheel of gedeeltelijk aarden graf, hetzij in een grafkelder, op eene begraafplaats als zoodanig vanwege het bestuurscollege aangelegd of toegelaten. «Met afwijking in zooverre van het daaromtrent bij deze wet bepaalde, is het op het eiland Saba geoorloofd ook op andere dan de in dit artikel bedoelde plaatsen lijken ter aarde te bestellen en blijkt ten aanzien van zoodanige graven en grafkelders [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=17&z=2011-10-04&g=2011-10-04) buiten toepassing. Ook is het geoorloofd volgens nader bij wet vast te stellen regelen lijken te verbranden. Artikel 2 Lijken, die in een zoodanigen staat verkeeren, dat zij niet naar eene begraafplaats kunnen worden overgebracht, worden ter plaatse, waar zij gevonden zijn of in de onmiddellijke nabijheid, zonder kist, mits ter diepte van 1 Meter, begraven en overdekt, zoo mogelijk met ongebluschte kalk ter hoogte van 2 d.M. en in ieder geval met aangestampte aarde. Is op de plaats, waar een lijk gevonden wordt, een lijkkist aanwezig, dan kan het lijk daarin begraven worden. De begraving geschiedt ter plaatse door de ambtenaren van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam of van de politie aangewezen, zoo mogelijk in domeingrond en anders in particulieren grond. In het laatste geval zijn de eigenaars of gebruikers van den grond verplicht de begraving te gedoogen. De plaats van begraven op particulieren grond zal in overleg met de eigenaars of gebruikers van den grond worden gekozen. De schade, die aan den eigendom mocht worden veroorzaakt, wordt door den Kantonrechter begroot en door het openbaar lichaam vergoed, naar de onderscheiding gemaakt in de [artt. 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=11&z=2011-10-04&g=2011-10-0"},{"b":"Begrip zelfstandige in de zin van artikel 1, onder a van de EEG-verordening nr. 1408/71 Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende. Ingevolge het bepaalde in art. 13, tweede lid, sub b van de EEG-Verordening nr. 1408/71 zie 30.00.00) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Er van uitgaande, dat degene die anders dan in loondienst werkzaamheden uitoefent ‘zelfstandige’ is moet dus eerst worden vastgesteld wie zelfstandig is in de zin van de Verordening, alvorens kan worden bepaald welke wetgeving op grond van artikel 13, tweede lid, sub b van toepassing is. Wat onder zelfstandige moet worden verstaan is vastgelegd in artikel 1, sub a, juncto bijlage I van de EG-Verordening nr. 1408/71. De in deze bijlage voor verscheidene Lid-Staten opgenomen omschrijvingen van het begrip zelfstandige zijn echter verschillend. Zo wordt wat Nederland betreft als zelfstandige aangemerkt degene die anders dan in dienstbetrekking zijn ‘beroepswerkzaamheden’ uitoefent. Wat Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk betreft wordt voor de omschrijving van het begrip zelfstandige verwezen naar een bepaalde wettelijke regeling of een bepaalde tak van verzekering. De vraag is nu volgens de begripsomschrijving van welke Lid-Staat beoordeeld moet worden of een bepaald persoon in een bepaalde situatie zelfstandige is in de zin van de Verordening en of dus de Verordening op hem van toepassing is. In haar vergadering van 23 en 24 februari 1984 heeft de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers besloten dat de begripsomschrijving die geldt ten aanzien van het land waar de werkzaamheden worden uitgeoefend in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling of een bepaald persoon zelfstandige is in de zin van de Verordening. He"},{"b":"Beheerregeling documentaire informatie Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2025 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze Beheersregeling documentaire informatievoorziening Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie wordt verstaan onder: - 1. *Afdelingshoofd:* het hoofd van een afdeling; Het Stimuleringsfonds heeft de volgende afdelingshoofden: - – Hoofd bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor financiën en personeelszaken, IT en informatiebeheer, secretariaat en de juridische zaken rondom HR en AVG; - – Hoofd beleid & communicatie is verantwoordelijk voor strategische processen die ten dienste staan van het hele bedrijf, communicatie en beleid, en coördineert het flankerende beleid; - – Hoofd subsidies is verantwoordelijk voor de uitvoering van het subsidie proces en de juridische zaken rondom subsidies; - 2. *Bestuur:* degene die door de Minister directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is benoemd zoals bedoeld in [artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=12). De directeur-bestuurder is eindverantwoordelijk voor alle subsidiebesluiten van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - 3. *Conversie:* de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - 4. *Documentaire informatie:* - a. Alle documenten, ongeacht hun vorm, door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. Alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op de Stimuleringsfonds Creatieve Industrie zijn overgegaan; - c. Alle documenten, ongeacht hun vorm, welke als gevolg van overeenkomsten met of beschikkingen van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. Reproducties, ongeacht vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats"},{"b":"Beheersregeling documentaire informatieverzorging Infrastructuur en Milieu 2012 Hoofdstuk 1. : Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. *Archief:* geheel van records onder de zorg van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW). - 2. *Archiefbeheer:* het in opdracht van het hoofd van een archiefvormend orgaan, volgens de geldende regelingen, uitvoeren van het dagelijks beheer over records. - 3. *Archiveringssysteem:* het geheel van mensen, methoden, procedures, gegevensverzamelingen, programmatuur, apparatuur, voorzieningen en andere middelen, bestemd tot het beheer van records. - 4. *Archiefbestanddeel:* geheel van records binnen een archief, bijeengebracht met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen, zoals een dossier, een rubriek, een serie, een zaak, een zaaktype. - 5. *Archiefbewaarplaats:* een bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor blijvende bewaring van records aangewezen bewaarplaats. - 6. *Archiefvormend orgaan:* de onderdelen van het ministerie van IenW, genoemd in [artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=2), een ander orgaan (al dan niet van IenW), dat een (deel van een) taak of taken van het ministerie van IenW dan wel opgedragen door de Minister van IenW uitvoert en waarvoor afzonderlijk dient te worden gearchiveerd ingevolge de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376). - 7. *Authenticiteit:* de mate waarin van een document kan worden aangetoond dat: - a) het document is wat het beweert te zijn; - b) het is gemaakt of verzonden door de persoon of organisatie die beweert het te hebben gemaakt of verzonden; - c) het is gemaakt en verzonden op de tijdstip(pen) als aangegeven op het document. - 8. *Beheerder:* degene die in opdracht van het hoofd van een archiefvormend orgaan b"},{"b":"Beheersregeling documentaire informatieverzorging NWO Hoofdstuk 1. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. *Archief:* geheel van records onder de zorg van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO) - 2. *Archiefbeheer:* het in opdracht van het hoofd van een archiefvormend orgaan, volgens de geldende regelingen, uitvoeren van het dagelijks beheer van records - 3. *Archiveringssysteem:* het geheel van mensen, methoden, procedures, gegevensverzamelingen, programmatuur, apparatuur, voorzieningen en andere middelen, bestemd voor het beheer van records - 4. *Archiefbestanddeel:* geheel van records binnen een archief, bijeengebracht met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen, zoals een dossier, een rubriek, een serie, een zaak, een zaaktype - 5. *Archiefbewaarplaats:* een bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor blijvende bewaring van records aangewezen bewaarplaats. Voor NWO is dit het Nationaal Archief. - 6. *Archiefmedewerker:* diegene die in opdracht van de beheerder de feitelijke archivistische werkzaamheden verricht - 7. *Archiefvormend orgaan:* de onderdelen van NWO genoemd in [artikel 4 van de Wet op NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=4), dan wel de organisatieonderdelen genoemd in [artikel 1.2 van het Bestuursreglement NWO 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=1.2), alsmede een ander orgaan, dat een (deel van een) taak of taken van NWO dan wel opgedragen door de Raad van Bestuur uitvoert en waarvoor afzonderlijk dient te worden gearchiveerd ingevolge de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) - 8. *Authenticiteit:* de mate waarin van een document kan worden aangetoond dat: - a. het document is wat het beweert te zijn; - b. het is gemaakt of verzonden door de persoon of organisatie die beweert het te hebben gemaakt"},{"b":"Bekendmaking aan de scheepvaart; Instellen maximum vaarsnelheid op de Waddenzee Artikel 1 Onverminderd het bepaalde in de [Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007331), geldt op de gehele Waddenzee een maximum vaarsnelheid van 20 Km/uur (circa 11 Knopen) voor alle schepen. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009519&artikel=1&z=2005-02-15&g=2005-02-15) genoemde maximum vaarsnelheid geldt niet op de betonde vaargeulen van: zee naar de havens van Den Helder, Oudeschild en Den Oever via respectievelijk het ’Marsdiep, de Texelstroom en Visjagersgaatje’; Den Helder naar de havens van Kornwerderzand en Harlingen via de ’Texelstroom, Doove Balg en Boontjes’; zee naar de havens van Harlingen via de ’Vliestroom en Blauwe Slenk’; zee naar de haven van Lauwersoog via de ’Zoutkamperlaag’ en de veerbootroutes van en naar de Waddeneilanden; zee naar de scheidingston WA 22/MG 1. Artikel 3 Dit besluit treedt inwerking met ingang van 1 mei 1998."},{"b":"Bekendmaking beleid overtredingen Wet ziekenhuisvoorzieningen I. Inleiding Bij circulaire van 12 april 1991, DGVgZ/ZZT/AFEJZ nr. 328928 is u bekend gemaakt welk beleid door mij zal worden gevoerd inzake overtredingen van de verbodsbepalingen van de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) (WZV). Het betreft de verbodsbepalingen weergegeven in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=6), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18) en [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18a) van die wet. Volgens die artikelen is het verboden: - a. een ziekenhuisvoorziening zonder bouwvergunning ex [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) te bouwen danwel te exploiteren ([artikel 6, eerste lid, WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=6)); - b. zonder vergunning bepaalde verrichtingen uit te voeren of te doen uitvoeren, respectievelijk bepaalde apparatuur aan te schaffen of te gebruiken ([artikel 18 WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18), alsmede de sinds 30 december 1994 van kracht zijnde Tijdelijke Wet uitbreiding werkingssfeer artikel 18 WZV); - c. een ziekenhuisvoorziening te (blijven) exploiteren, in strijd met een beschikking waarin is bepaald dat deze moet worden gesloten ([artikel 18a, eerste en vijfde lid WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18a)). De verbodsbepaling als vermeld onder a. ziet ook toe op het aanvangen van de bouw dan wel de exploitatie van een ziekenhuisvoorziening of de bouw ten behoeve van een artikel 18 WZV-functie voordat of nadat daarvoor een verklaring (maar nog geen vergunning) ex [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) is afgegeven. Deze verklaring geeft in de regel immers niet meer aan dan dat door mij de behoefte aan een dergelijke voorziening wordt onderschreven. Het is eveneens verboden anders of meer te bouwen dan wel te exploiteren dan"},{"b":"Bekendmaking beleidswijziging rondvluchtvergunningen ex art. 16b van de Luchtvaartwet Artikel 1 De geldigheidsduur van een rondvluchtenvergunning wordt bepaald op 5 jaar, met uitzondering van de eerste afgifte, welke een geldigheidsduur zal krijgen van 1 jaar. Bij verlenging van deze eerste vergunning zal vervolgens een geldigheidsduur van 5 jaar worden gehanteerd. Op verzoek van de aanvrager kan een kortere geldigheidsduur dan 5 jaar worden aangehouden; Artikel 2 Het vereiste van een verklaring van geen bezwaar van de havenmeester bij de aanvraag van een rondvluchtenvergunning vervalt."},{"b":"Bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto's De constanten voor de in [bijlage 4 bij het Besluit etikettering energieverbruik personenauto's opgenomen regressieformules](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4), en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof, en voor personenauto's met diesel als brandstof, voor het kalenderjaar 2004, als volgt vast te stellen: 1. Constanten voertuiglengte: C1, lengte: -3,968 C2, lengte: 5,185 C3, lengte: -0,246 2. Constanten benzineauto's: C1, benzine: 222,293 C2, benzine: -43,833 C3, benzine: 5,102 3. Constanten dieselauto's: C1, diesel: 228,828 C2, diesel: -49,943 C3, diesel: 5,187 4. Waarden gemiddelde CO2-uitstoot: Gemiddelde CO2-uitstoot benzine: 173,298 Gemiddelde CO2-uitstoot diesel: 164, 101"},{"b":"Bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto's 2010 artikel Enig De constanten voor de in [bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4) opgenomen regressieformules, en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof, en voor personenauto's met diesel als brandstof, voor het kalenderjaar 2010, als volgt vast te stellen: SET 1. Constanten berekend op basis van de huidige wetgeving | C1, lengte: | 3,874 | | --- | --- | | C2, lengte: | –4,396 | | C3, lengte: | 2,619 | | C1, benzine: | 45,809 | | --- | --- | | C2, benzine: | 3,618 | | C3, benzine: | 1,454 | | C1, diesel: | –5,875 | | --- | --- | | C2, diesel: | 11,059 | | C3, diesel: | 0,868 | | Gemiddelde CO2-uitstoot benzine: | 145,3 | | --- | --- | | Gemiddelde CO2-uitstoot diesel: | 148,9 | SET 2. Constanten voor 2010 en 2011, berekend door het Ministerie van VROM op basis van nieuwe concept-regelgeving | C1, lengte: | –1,2412 | | --- | --- | | C2, lengte: | 1,7737 | | C3, lengte: | 0,7693 | | C1, benzine: | 166,3563 | | --- | --- | | C2, benzine: | –29,8404 | | C3, benzine: | 3,9167 | | C1, diesel: | 344,5974 | | --- | --- | | C2, diesel: | –78,3711 | | C3, diesel: | 6,7313 | | Gemiddelde CO2-uitstoot benzine: | 163,2320 | | --- | --- | | Gemiddelde CO2-uitstoot diesel: | 135,7337 |"},{"b":"Bekendmaking en besluit tot inwerkingtreding van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 november 2023 nr. IENW/BSK-2023/338267, van internationale besluiten met betrekking tot de veiligheid van zeeschepen Artikel I Met ingang van 1 januari 2026 gaan de bij resolutie MSC.542(107) vastgestelde wijzigingen van de SPS-Code 1983 en de bij resolutie MSC.543(107) vastgestelde wijzigingen van de SPS-Code 2008 gelden voor de toepassing van de [Regeling veiligheid zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728) en de [Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017726). Artikel II Met ingang van 1 januari 2024 gaan de bij resolutie MSC.545(107) vastgestelde wijzigingen van de MODU-Code 1979, de bij resolutie MSC.546(107) vastgestelde wijzigingen van de MODU-Code 1989 en de bij resolutie MSC.547(107) vastgestelde wijzigingen van de MODU-Code 2009, gelden voor de toepassing van de [Regeling veiligheid zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728) en de[Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017726)."},{"b":"Bekendmaking nieuwe en gewijzigde verkeersscheidingsstelsels De Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), heeft tijdens haar tweeënzeventigste vergadering op 17-26 mei 2000, in overeenstemming met de bepalingen van resolutie A.858(20), een aantal nieuwe en gewijzigde verkeersscheidingsstelsels en daarmee verband houdende routeringsmaatregelen aangenomen, die met ingang van 1 december 2000 om 00.00 uur UTC in werking treden. Het betreft: - 1. `In de aanloop naar Iquique' (gewijzigd stelsel); - 2. `In de aanloop naar Punta Arenas' (gewijzigd stelsel); - 3. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Paita Bay' (nieuw stelsel); - 4. `In de aanloop naar Puerto Callao' (nieuw stelsel); - 5. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Puerto San Martin' (nieuw stelsel); - 6. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Puerto Ilo' (nieuw stelsel); en - 7. `In de wateren bij Chengshan Jiao Promontory' (nieuw stelsel). Deze bekendmaking zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Bekendmaking rijksbijdrage educatie 2004 Op grond van [artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), maakt de minister jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage ten behoeve van educatie voor de gemeenten voor het daaropvolgende jaar wordt verstrekt. Meegedeeld wordt tevens op welke wijze deze is berekend. De bedragen vindt u in onderstaand overzicht; de berekeningswijze van de rijksbijdrage, inclusief de overgangsregeling, is opgenomen in het [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646) (Stb.1999, 368). De gemeenten ontvangen binnenkort de beschikkingen. De rijksbijdrage voor 2004 luidt per gemeente als volgt: | Gemeentenaam | Gemeentecode | Educatie 2004 | | --- | --- | --- | | Aa en Hunze | 1680 | 224,507 | | Aalburg | 738 | 123,798 | | Aalsmeer | 358 | 261,748 | | Aalten | 197 | 202,749 | | Abcoude | 305 | 71,166 | | Achtkarspelen | 59 | 319,439 | | Alblasserdam | 482 | 259,720 | | Albrandswaard | 613 | 201,022 | | Alkemade | 483 | 151,291 | | Alkmaar | 361 | 1,428,760 | | Almelo | 141 | 1,286,634 | | Almere | 34 | 3,170,035 | | Alphen aan den Rijn | 484 | 914,069 | | Alphen-Chaam | 1723 | 91,650 | | Ambt Montfort | 1679 | 116,812 | | Ameland | 60 | 38,679 | | Amerongen | 306 | 87,805 | | Amersfoort | 307 | 1,832,115 | | Amstelveen | 362 | 1,014,654 | | Amsterdam | 363 | 20,045,526 | | Andijk | 364 | 67,946 | | Angerlo | 199 | 52,673 | | Anna Paulowna | 366 | 130,244 | | Apeldoorn | 200 | 1,870,327 | | Appingedam | 3 | 177,674 | | Arcen en Velden | 885 | 83,907 | | Arnhem | 202 | 2,632,206 | | Assen | 106 | 656,517 | | Asten | 743 | 178,857 | | Baarle-Nassau | 744 | 67,879 | | Baarn | 308 | 269,360 | | Barendrecht | 489 | 373,497 | | Barneveld | 203 | 556,308 | | Bathmen | 144 | 41,877 | | Bedum | 5 | 96,375 | | Beek | 888 | 179,268 | | Beemster | 370 | 65,470 | | Beesel | 889 | 173,812 | | Bellingwedde | 7 | 119,064 | | Bennebroek | 372 | 48,620 | | Berga"},{"b":"Bekendmaking statuten NAK Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De stichting draagt de naam: ‘Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen’, bij afkorting ‘NAK’. 2. Zij is statutair gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder. Artikel 2 1. De statuten en de reglementen van de stichting nemen de terminologie van de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften over, tenzij hierna of in een reglement anders wordt bepaald. 2. In deze statuten wordt begrepen onder ‘Minister’: de met zaken van landbouw belaste Minister. Doel Artikel 3 1). De NAK heeft ten doel het verrichten van specifieke taken van openbaar belang, waaronder de wettelijke taken en de taken op basis van een ministerieel mandaat met betrekking tot controle- en inspectiewerkzaamheden op planten en plantaardige producten. 2). Onder de in lid 1 bedoelde werkzaamheden worden in het bijzonder begrepen: - a) het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en [Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075) gestelde voorschriften en de uitvoering van fytosanitaire inspecties en het waarmerken van fytosanitaire en kwaliteitscertificaten - b) door middel van keuringen te bevorderen dat betrouwbaar teeltmateriaal in het verkeer gebracht en verder verhandeld wordt; - c) de bevordering van de voortbrenging en het gebruik van betrouwbaar materiaal, alsmede van de verbetering van teeltmateriaal; - d) de uitvoering van de bij of krachtens wettelijke regelingen vastgestelde voorschriften, voorzover deze aan haar worden opgedragen. 3). De NAK is voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde werkzaamheden als inspectie-instelling aangewezen op grond van de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040), dan wel zijn de daartoe bij de NAK in dienst zijnde nader"},{"b":"Bekendmaking van 20 februari 2019, nr. 2495108 van de gewijzigde inkomensgrenzen, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2018, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Artikel 1 *Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.* Artikel 2 *Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.* Artikel 3 *Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.*. Artikel 4 1. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 842. 2. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 51.800."},{"b":"Bekendmaking van 27 november 2017, nr. 2146626 van de gewijzigde inkomensgrenzen, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2018, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Artikel 1 *Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.* Artikel 2 *Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.* Artikel 3 *Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.* Artikel 4 1. Met ingang van 1 januari 2018 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 830. 2. Met ingang van 1 januari 2018 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 51.000."},{"b":"Bekendmaking van 8 december 2016, nr. 2019628 van de gewijzigde inkomensgrenzen, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2017, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Artikel 1 *Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.* Artikel 2 *Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.* Artikel 3 *Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.* Artikel 4 1. Met ingang van 1 januari 2017 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 815. 2. Met ingang van 1 januari 2017 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 50.100."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2015, nr. MBO-8438914 inzake de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo voor het kalenderjaar 2016 artikel Enig Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2016, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=4) wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari tot 1 februari vastgesteld op € 24 miljoen, en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni tot 1 juli vastgesteld op € 10 miljoen."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 november 2015, nr. MBO- 860341 inzake de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo voor het kalenderjaar 2016 artikel Enig Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2016, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) wordt: - a. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), vastgesteld op € 155,9 miljoen, en - b. voor de het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) vastgesteld op € 24 miljoen."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 december 2014, nr. MBO-694770 inzake vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo voor het kalenderjaar 2015 artikel Enig Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2015, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=4) wordt vastgesteld op € 34 miljoen."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2016, nr. MBO-1105785 inzake de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo voor het kalenderjaar 2017 artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=4) voor het kalenderjaar 2017 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari tot 1 februari vastgesteld op € 19,3 miljoen, en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni tot 1 juli vastgesteld op € 9,4 miljoen."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 november 2016, nr. MBO-1086710 inzake de vaststelling van de subsidieplafonds van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo voor het kalenderjaar 2017 artikel Enig 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), voor het kalenderjaar 2017 wordt: - a. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), vastgesteld op € 159,6 miljoen, en - b. voor de het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) vastgesteld op € 24 miljoen. 2. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget studiewaarde, bedoeld in [artikel 3.3, eerste en tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=3.3) voor het kalenderjaar 2017 wordt vastgesteld op € 105,2 miljoen. 3. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget bpv, bedoeld in [artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=4.3) voor het kalenderjaar 2017 wordt vastgesteld op € 58 miljoen."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2016, 2016-0000255883, inzake de gewijzigde bedragen in de artikelen 7a en 12 van de Algemene Kinderbijslagwet per 1 januari 2017 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Maakt op grond van [artikel 13, tweede, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) bekend dat met ingang van 1 januari 2017 de bedragen in de [artikelen 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7a) en [12 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12) als volgt zijn gewijzigd: A *Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.* B [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12) wordt als volgt gewijzigd: - 1. *Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.* - 2. In het derde lid, onder a, wordt het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan kinderbijslag voor een kind jonger dan 6 jaar vastgesteld op € 198,38. - 3. In het derde lid, onder b, wordt het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan kinderbijslag voor een kind van 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar, vastgesteld op € 240,89. - 4. In het derde lid, onder c, wordt het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan kinderbijslag voor een kind van 12 jaar en ouder, maar jonger is dan 18 jaar, vastgesteld op € 283,40."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2015, 2015-0000306894, tot wijzigingen van de AKW-bedragen per 1 januari 2016 Artikel I *Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.* Artikel II 1. *Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.* 2. De kinderbijslagbedragen, bedoeld in [artikel 12, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), worden met ingang van 1 januari 2016 als volgt vastgesteld: Voor een kind dat - a. jonger is dan 6 jaar: € 191,72 - b. 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar: € 232,81 en - c. 12 jaar en ouder, maar jonger is dan 18 jaar: € 273,89."},{"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000132546, in verband met de aanwijzing van geregistreerde certificaten voor de kinderopvang inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat Artikel 1 De door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=8), [9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=9b), en [10d, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10d) aangewezen bewijsstukken in de vorm van geregistreerde certificaten inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat, zijn opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0039949) bij deze bekendmaking. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 maart 2015 tot aanwijzing van EHBO-certificaten gastouderopvang en opname in het Register EHBO-certificaten gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036448) (Stcrt. 2015, 8353) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze bekendmaking treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, nadat artikel I van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van diverse regelingen in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Stcrt. 2017, 49281) in werking is getreden."},{"b":"Bekendmaking van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 februari 2018, nr. 1286401, houdende wijziging van het subsidieplafond van de Regeling subsidie zij-instroom 2017 voor het kalenderjaar 2017 en vaststelling van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2018 Artikel I Met inachtneming van [artikel 4, zesde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) wordt een bedrag van € 1.830.000 naar evenredigheid verdeeld over de subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2017, bedoeld in artikel 4, eerste lid. Artikel II De subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2018, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) worden vastgesteld op: € 7.200.000 voor zij-instromers in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; € 3.920.000 voor zij-instromers in het voortgezet onderwijs; en € 7.220.000,– voor zij-instromers in het middelbaar beroepsonderwijs."},{"b":"Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2018, 2018-0000108955, over per 1 juli 2018 gewijzigde bedragen in de Algemene Kinderbijslagwet De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op [artikel 13, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13); *Deelt mede:* dat met ingang van 1 juli 2018 in de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) de bedragen zijn gewijzigd en als volgt luiden: - 1. *Wijzigt de de Algemene Kinderbijslagwet.* - 2. De kinderbijslagbedragen, genoemd in [artikel 12, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), bedragen: - a. voor een kind dat jonger is dan 6 jaar: € 202,23; - b. voor een kind dat 6 jaar of ouder is, maar jonger is dan 12 jaar: € 245,57; en - c. voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 18 jaar: € 288,90. Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Bekendmaking van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) van 15 mei 1996, (Stcrt. 1996, nr. 93), houdende bekendmaking beleid NIWO, in werking getreden op 1 juni 1996, zoals laatstelijk gewijzigd bij bekendmaking van 10 juli 2006 (Stcrt. 2006, nr. 131) A. Aanvragen om vergunning Bij een aanvraag om vergunning voor binnenlands beroepsvervoer stelt de NIWO ingevolge [artikel 8 van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443&artikel=8) vast of door de aanvrager wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. Bij een aanvraag om vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer (de communautaire vergunning of Eurovergunning) stelt de NIWO ingevolge [artikel 9 van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443&artikel=9) vast of de aanvrager in bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer en door aanvrager wordt voldaan aan de aanvullende eis van vakbekwaamheid voor grensoverschrijdend beroepsvervoer. Voorts stelt de NIWO de eis dat de onderneming een reële vestiging in Nederland heeft. B. Betrouwbaarheid Door iedere bestuurder, die als zodanig in het Handelsregister is vermeld, moet een verklaring omtrent het gedrag ten dienste van het verkrijgen van een vergunning voor beroepsvervoer worden overgelegd. Deze verklaring moeten worden aangevraagd bij de gemeente waarin de betreffende bestuurder van de onderneming woonachtig is. Op het moment van indiening van de aanvraag om een vergunning mag de verklaring omtrent het gedrag niet ouder zijn dan drie maanden. Een verklaring omtrent het gedrag dient elke vijf jaar opnieuw overgelegd te worden. Een ondernemer of bestuurder wiens land van oorsprong of herkomst een andere Lid-staat is dan Nederland kan ook een document of verklaring overleggen, afgegeven in die andere Lidstaat overeenkomstig artikel 8 van de EG-Richtlijn nr. 96/26/EG (laatstelijk gewijzigd bij Richtli"},{"b":"Bekendmaking wijziging methoden van onderzoek kennisgevingen Wet milieugevaarlijke stoffen Voor de toepassing van [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4) treden ten aanzien van bijlage V van de richtlijn, genoemd in dat artikel, in werking: - a. met ingang van 30 oktober 1993: de wijziging die wordt aangebracht door richtlijn nr. 92/69/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 juli 1992 houdende zeventiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 383); - b. met ingang van 1 juli 1994: de wijziging die wordt aangebracht door richtlijn nr. 93/21/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1993 houdende achttiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 110)."},{"b":"Belangstellingsregistratie applicatieopleidingen leraren svo-lom en svo-mlk Inleiding Met de Overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs lom en mlk (Uitleg OCenW-Regelingen 1998, 24) zijn de zittende leraren uit het voormalige vso-lom en vso-mlk die een zogenaamde Pabo-bevoegdheid bezitten en in de afgelopen vijf jaar na de samenvoeging van een school of afdeling voor svo met een school voor voortgezet onderwijs dan wel omzetting van die school of afdeling in een school of afdeling voor praktijkonderwijs of een orthopedagogisch-didactisch centrum in een vak ten minste vijfhonderd lesuren hebben gegeven, voor dat vak bevoegd geworden in het mavo, vbo, praktijkonderwijs, en in een orthopedagogisch-didactisch centrum. Zijn die vijfhonderd lesuren gegeven aan leerlingen die zich voorbereiden op het eindexamen, dan geldt de bevoegdheid voor alle leerjaren. Zo niet, dan uitsluitend voor de leerjaren 1 en 2, en voor leerjaar 3 voor zover het betreft de basisvorming. De regeling Aanvullingen overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk (Uitleg OCenW-Regelingen 1999, 18b) voorziet in een nadere regeling voor een aantal gebleken praktijksituaties. Met de regeling onderwijsbevoegdheid leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs (Uitleg OCenW-Regelingen 1999, 14) zijn de bezitters van een zogenaamde Pabo-bevoegdheid ook regulier bevoegd geworden voor een aantal vakken in het mavo, vbo, praktijkonderwijs, en in een orthopedagogisch-didactisch centrum, voor zoverdit onderwijs wordt gegeven aan groepen van uitsluitend geïndiceerde leerlingen. Verder wordt nu een regeling getroffen waarmee de zittende leraren afkomstig uit het voormalige vso-lom en vso-mlk die in het bezit zijn van een zogenaamde NLO-akte of van een tweedegraads hbo-getuigschrift van de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs, die volgens de onderwijsbevoegdhedenregeling van de voormalige Wet ISOVSO ook bevoegd zijn voor de zogenaamde groeps"},{"b":"Belarussische voorschriften tot uitvoering van het op 26 maart 1996 tussen Nederland en Belarus gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 26 maart 1996 tussen Nederland en Belarus gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1996, 119), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. algehele vrijstelling van de Belarussische belasting op voordelen ontvangen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, afkomstig uit Belarus en genoten door een onderneming die inwoner is van Nederland en haar werkelijke leiding in Nederland heeft (artikel 8, eerste lid); - b. vermindering tot 15 percent van de Belarussische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Belarus is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - c. vermindering tot 5 percent van de Belarussische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Belarus is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Belarussische lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - d. algehele vrijstelling van de Belarussische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Belarus is aan lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en: - i) het onmiddellijk ten minste 50 percent"},{"b":"Belastingen, internationale administratieve samenwerking; aanwijzing en mandaatverlening *Dit besluit bevat aanwijzingen van, en een mandatering aan de Directeur-generaal Belastingdienst en de Directeur-generaal Douane ten behoeve van de uitvoering van verschillende regelingen op het terrein van de internationale administratieve samenwerking bij de heffing en invordering van belastingen.* 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042464) van 12 juli 2019, nr. 2019-78534 (Stcrt. 2019, 41999). In dit besluit zijn de aanwijzing en mandatering in het kader van enkele bepalingen uit de [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) opgenomen. 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van ‘Onze Minister’ privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en - b. machtiging om in naam van ‘Onze Minister’ handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. 3. Aanwijzing tot bevoegde autoriteit ter uitvoering van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen De Directeur-generaal Belastingdienst is aangewezen om besluiten te nemen namens “Onze Minister” en te handelen als “bevoegde autoriteit” ter uitvoering van de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954). 3a. Bevoegdheid tot het aanwijzen van andere bevoegde autoriteiten De Directeur-generaal Belastingdienst is gemandateerd om andere functionarissen binnen de Belastingdienst aan te wijzen om besluiten te nemen namens “Onze Minister” en te handelen als “bevoegde autoriteit” ter uitvoering van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. 4. Aanwijzing tot bevoegde autoriteit ter uitvoering van int"},{"b":"Belastingen, internationale administratieve samenwerking; aanwijzing en mandaatverlening DG Belastingdienst *Dit besluit bevat op grond van het besluit van de Minister van Financiën van 28 augustus 2025, nr. 2025-20707 de aanwijzing door de Directeur-generaal Belastingdienst van andere functionarissen binnen de Belastingdienst in het kader van de uitvoering van verschillende regelingen op het terrein van de internationale administratieve samenwerking bij de heffing en invordering van belastingen.* 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042465) van 19 juli 2019, nr. 2019-78533 (Stcrt. 2019, 41997). Dit besluit reflecteert de ontvlechting van Douane van de Belastingdienst. Daarnaast bevat dit besluit een explicitering van de mandatering van bevoegdheden teneinde toezicht te houden op de naleving van verplichtingen ten behoeve van de internationale inlichtingenuitwisseling. In dit besluit zijn bovendien bevoegdheden in het kader van de [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) toegevoegd. 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van ‘Onze Minister’ privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en - b. machtiging om in naam van ‘Onze Minister’ handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. 3. Aanwijzing algemeen directeur Midden- en Kleinbedrijf De algemeen directeur Midden- en Kleinbedrijf is aangewezen om besluiten te nemen namens ‘Onze Minister’ en te handelen als ‘bevoegde autoriteit’ ter uitvoering van: - – De [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954). - – Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fr"},{"b":"Belastingen, internationale administratieve samenwerking; aanwijzing RDW als nationaal contactpunt uitwisseling voertuigregistratiegegevens EU en EVA *Dit besluit bevat de aanwijzing van de Dienst Wegverkeer bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (hierna: RDW) als nationaal contactpunt (NCP) voor het verwerken van inkomende en uitgaande verzoeken om voertuigregistratiegegevens voor BTW-doeleinden, zijnde identificatiegegevens met betrekking tot voertuigen en identificatiegegevens met betrekking tot eigenaars of houders van het voertuig op wier naam het voertuig is ingeschreven, overeenkomstig artikel 21 bis van Verordening(EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde. De aanwijzing vindt plaats op grond van artikel 5 ter, vierde lid van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1129 van de Commissie van 2 juli 2019. De uitwisseling van informatie verloopt via het zogenoemde Eucaris systeem met de andere EU-lidstaten en een aantal derde landen, zoals Gibraltar, IJsland, Isle of Man, Jersey, Noorwegen en Zwitserland (lidstaten Europese Vrijhandelsassociatie, EVA).* *Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2020; de datum waarop de wijzigingen van bovenvermelde verordeningen van kracht zijn geworden. Het besluit loopt vooruit op de totstandkoming van wetgeving waarin voor de aanwijzing van de RDW een aparte wettelijke basis wordt gecreëerd en heeft dus tijdelijke werking. Op de datum van inwerkingtreding van bedoelde wettelijke basis vervalt het besluit.* 1. Aanwijzing tot nationaal contactpunt voor de uitwisseling van voertuiggegevens De RDW is op basis van artikel 5 ter, vierde lid van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1129 van de Commissie van 2 juli 2019 tot wijziging van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 79/2012 aangewezen als nationaal contactpunt (NCP) voor het verwerken van inkomende en uitgaande verzoeken om voertuigr"},{"b":"Belastingheffing van EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land Dit besluit dient ter vervanging van het Besluit van 27 april 2001, nr. IFZ2001/429M (in verband met de wijziging van het research en development programma van de EU en actualisering van de toepasselijke verdragen). 1. Inleiding Mij is gebleken, dat er behoefte bestaat aan nadere informatie omtrent de behandeling van vergoedingen/beurzen (‘fellowships’) aan EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten, daaronder begrepen de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land. 2. Eu-fellows De Europese Unie (EU) kent sinds vele jaren een research en development programma ter bevordering van de concurrentiepositie van Europa op de wereldmarkt. Een van de onderdelen van dat programma van de EU richt zich op de ontwikkeling van ‘human resources’ voor Europa. Het aanvankelijke deelprogramma, genaamd ‘Human Capital and Mobility’, is met ingang van 1995 vervangen door het programma ‘Training and Mobility of Researchers’, dat op zijn beurt in 1999 is vervangen door het programma ‘Improving Human Research Potential and the Socio-economic Knowledge Base’. Een onderdeel van dit deelprogramma is het creëren van een Europees stelsel van onderzoeksbeurzen voor postdoctorale wetenschappers. De bedoeling hiervan is om onderzoekers uit een Lid-Staat, geassocieerde staat of aangewezen staat in staat te stellen zich verder te bekwamen door het doen van onderzoek aan een universiteit/onderzoeksinstituut in een andere Lid-Staat, geassocieerde staat of aangewezen staat. Een beurs kan alleen worden toegekend als de onderzoeker voltijds actief aan een bepaald project meewerkt. In het algemeen zal het gaan om een onderzoeksperiode van 3 maanden tot 2 à 3 jaar (soms 4 jaar). In het verleden ontvingen deze bursalen van de EU"},{"b":"Belastingheffing van pensioenen en uitkeringen betaald krachtens het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel onder de werking van de Nederlandse belastingverdragen en de Belastingregeling voor het Koninkrijk Inleiding Mij is gebleken, dat er behoefte bestaat aan nadere informatie omtrent de behandeling van pensioenen en uitkeringen betaald krachtens het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel onder de werking van de Nederlandse belastingverdragen en de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464) (BRK). Het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel kan worden verdeeld in twee groepen: - -de sociale voorzieningen en - -de sociale verzekeringen. Sociale voorzieningen De sociale voorzieningen geven recht op een uitkering indien men geen inkomen heeft en over geen of een besheiden vermogen beschikt. De uitkeringen uit hoofde van de sociale voorzieningen worden volledig gefinancierd uit de algemene middelen. Er vindt geen heffing van premies plaats. Tot de sociale voorzieningen behoren: - - de [Algemene Bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333); - - de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - - de [Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - -de [Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - -de [Wet Sociale Werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903); - -de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (tot 1 januari 1997); - -het [Besluit bijstandverlening zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007335). Tot de sociale voorzieningen kunnen ook worden gerekend de pensioenen en uitkeringen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032), de [Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers](https://wetten"},{"b":"Belastingplicht van sportverenigingen - 1. Bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, letter d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kan het zich voordoen dat binnen het lichaam, waarvan de belastingplicht ter beoordeling staat, verscheidene, naar hun aard verschillende, activiteiten onderkend kunnen worden. In beginsel zal dan de toetsing, of sprake is van het drijven van een onderneming, op elk van die activiteiten afzonderlijk plaats vinden. In het bijzonder zal indien ter zake van een der activiteiten een winststreven geconstateerd kan worden, belastingplicht niet achterwege kunnen blijven uitsluitend op grond van het feit dat het lichaam als geheel niet naar winst streeft. - 2. Er kunnen zich echter gevallen voordoen, waarin de activiteiten weliswaar naar hun aard verschillen, maar overigens zodanig sterk met elkaar verweven zijn, dat een gescheiden beoordeling niet aan de orde is. Dit zal met name het geval kunnen zijn indien het lichaam bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met zijn geheel aan activiteiten als eenheid optreedt. - 3. Sportverenigingen die een kantine exploiteren, richten zich in nagenoeg alle gevallen op het met die exploitatie behalen van een batig saldo dat dan aangewend pleegt te worden ten behoeve van de overige activiteiten van de vereniging. Zou de kantine-exploitatie op zich beschouwd worden, dan zou in veel gevallen voldoende grond bestaan om te spreken van het drijven van een onderneming. - 4. Indien een dergelijke vereniging evenwel als geheel wordt beschouwd zal in de regel van een winststreven, ook feitelijk, niet gesproken kunnen worden. Voorts zal, zolang de vereniging zich beperkt tot de sportieve en de daarmee direct samenhangende activiteiten, van een in concurrentie treden in de zin van artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 evenmin gesproken kunnen worden. - 5. Omtrent de belastingplicht van sportverenigingen met kantine-exploitatie heeft overleg plaatsgevonden met de Nederlandse Sport Fe"},{"b":"Belastingstelsel Caribisch Nederland; nadere invulling *In dit besluit keurt de staatssecretaris goed dat de uitvoering van de Wet inkomstenbelasting BES, de Wet loonbelasting BES, de Douane- en Accijnswet BES en de in de Belastingwet BES opgenomen algemene bestedingsbelasting op enkele punten wordt aangepast.* 1. Aanleiding Per 1 januari 2011 zijn bovengenoemde, voor Caribisch Nederland geldende, wetten in werking getreden. Naar aanleiding van een aantal signalen uit de praktijk en nader onderzoek is naar voren gekomen dat de wetgeving en de uitvoering op enkele punten aanvulling dan wel wijziging behoeft. In dat verband zijn, deels vooruitlopend op aanpassing van de wetgeving, voor de uitvoering van de loonbelasting en de algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB) de volgende richtlijnen vastgesteld1In mijn brief van 1 september 2010 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, kenmerk AFP 2011/0605U, ben ik uitgebreider ingegaan op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de wijzigingen van het fiscale stelsel van Caribisch Nederland.. 2. Loon- en inkomstenbelasting 2.1. Belastingvrije som, kindertoeslag en ouderentoeslag Bij de toepassing van de loon- en inkomstenbelasting wordt een belastingvrije som gehanteerd alsmede, voor belastingplichtigen die daar voor in aanmerking komen, een kindertoeslag en/of een ouderentoeslag. De bedragen van deze belastingvrije som en deze toeslagen zijn vastgelegd in artikel 24 van de [Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281). Gelet op de relatief hoge inflatie in Caribisch Nederland en de inkomenspositie van ouderen keur ik goed dat voor de toepassing van de loonbelasting in de periode vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 mag worden uitgegaan van een hogere belastingvrije som en van hogere toeslagen. In het laatste kwartaal van 2011 mag er voor de toepassing van de loonbelasting van worden uitgegaan dat: - – de belastingvrije som op jaarbasis USD 10.813 bedraagt (was USD 9.750); - – d"},{"b":"Belastingverdrag Nederland – Vietnam, uitleg woorden ,,all or virtually all’’ Mij heeft een aantal vragen bereikt over de betekenis van de woorden \"all or virtually all\" in art. 13, vierde lid, van het op 24 januari 1995 ondertekende belastingverdrag met Vietnam. Ik heb hierop het volgende geantwoord. Art. 13, vierde lid, is op uitdrukkelijk verzoek van Vietnam in het verdrag opgenomen. Vietnam beoogde daarmee te voorkomen dat in Nederland woonachtige of gevestigde beleggers belastbaarheid van vervreemdingswinst op in Vietnam gelegen onroerende zaken zouden weten te vermijden door de onroerende zaken niet rechtstreeks aan te houden, maar via een in Vietnam gevestigd lichaam (niet zijnde een ter beurze genoteerd lichaam), en de aandelen in dat lichaam te vervreemden. Gegeven die doelstelling is aanvankelijk door Nederland voorgesteld om de reikwijdte van de bepaling te beperken tot die situaties waarin alle aandelen van een \"onroerend-goed lichaam\" in handen waren van een inwoner van Nederland. Hoewel de Vietnamezen aangaven dat dat inderdaad de situaties waren die zij op het oog hadden, vonden ze de door Nederland voorgestelde beperking toch te ver gaan, omdat zij meenden dat die bepaling dan te gemakkelijk zou zijn te ontgaan door slechts enkele aandelen bij een derde te plaatsen, of geen toepassing zou kunnen vinden indien bijvoorbeeld een beperkt aantal aandelen verloren zou gaan. Tegen die achtergrond dient de formulering \"all or virtually all\" als een zeer beperkte marge gevende bepaling te worden geïnterpreteerd. In het kader van een overall compromis is uiteindelijk met deze bepaling ingestemd, zonder dat met de Vietnamezen expliciet een bepaald percentage is overeengekomen. In het licht van het voorgaande acht ik vanuit dezerzijdse optiek een marge van 5% verdedigbaar. Dat wil zeggen dat het heffingsrecht over de vervreemdingswinst op aandelen in de in art. 13, vierde lid bedoelde lichamen aan Vietnam toekomt, indien de inwoner van Nederland 95% of meer van"},{"b":"Belastingverdragen, compensatieregeling in het belastingverdrag met België, grensarbeiders *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 juli 2009, nr. CPP2009/1120M. De tijdelijke uitbreiding van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden wordt verlengd tot en met 31 december 2013.* 1. Algemeen In artikel 27, paragraaf 2, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 (Trb. 2001, 136) is de bijzondere compensatieregeling opgenomen. Deze compensatieregeling is van toepassing op inwoners van Nederland die op 31 december 2002 in België werkzaam waren als grensarbeider in de zin van artikel 15, paragraaf 3, van het belastingverdrag van 19 oktober 1970 (Trb. 1970, 192). De bijzondere compensatieregeling eindigt als overgangsregeling zodra de netto inkomensachteruitgang als omschreven in paragraaf 3 van artikel 27 in enig jaar nihil bedraagt of als de grensarbeider van dienstbetrekking verandert. Zowel in de kabinetsreactie op aanbeveling 11 van het rapport van de (eerste) Commissie grensarbeiders van 21 mei 2001 als in de kabinetsreactie op aanbeveling 12 van het rapport van de (tweede) Commissie grensarbeiders van 29 april 2008 is geconcludeerd dat doel en strekking van de bijzondere compensatieregeling meebrengen dat deze regeling voortgezet of wederom toepassing moet kunnen (blijven) vinden in een aantal specifiek omschreven situaties. Dit besluit vormt de uitwerking van die kabinetsstandpunten en van mijn brief van 15 mei 2009, nr. BCPP2009/890, (Kamerstukken II, 26 834, nr. 24) over de tijdelijke uitbreiding van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden. Goedkeuring Ik keur goed dat in de volgende situaties de bijzondere compensatieregeling kan worden voortgezet of weer toepassing kan vinden: - i) ingeval de dienstbetrekking van de grensarbeider, of althans zijn daaraan ten grondslag liggende arbeidsovereenkomst, wijzigt als gevolg van een bedrijfsovername, fusie, reorganisatie, splitsing of soortgelijke transactie; - ii) ingeval d"},{"b":"Belastingverdragen, India De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. *Dit besluit geeft de gevolgen weer van het lidmaatschap van de OESO van Slovenië voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en India als gevolg van de in dit verdrag opgenomen meestbegunstigingsclausule. Voorts is dit besluit een samenvoeging en actualisering van eerdere beleidsbesluiten over de gevolgen van deze meestbegunstigingsclausule.* 1. Inleiding Op 17 februari 2005 is het belastingverdrag tussen India en Slovenië in werking getreden. Op 21 juli 2010 is Slovenië lid geworden van de OESO. In dit besluit geef ik de gevolgen weer die deze gebeurtenissen hebben voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en India. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om tot een samenvoeging en actualisering van eerdere beleidsbesluiten te komen over de gevolgen van de meestbegunstigingsclausule in het belastingverdrag tussen Nederland en India. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen - *het Verdrag:* het Verdrag tussen Nederland en India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen van 30 juli 1988 (*Trb.* 1988, 122) 2. Winst uit onderneming In het Verdrag is een meestbegunstigingsclausule opgenomen met betrekking tot een beperking van de aftrek van hoofdkantoorkosten door een vaste inrichting op grond van de nationale wetgeving van de staat waarin de vaste inrichting is gevestigd (artikel 7, derde lid, onderdeel a). De meestbegunstigingsclausule in artikel 7 bepaalt dat indien één van de verdragsluitende staten een belastingverdrag overeenkomt met een andere staat waarin de beperking van de aftrek van hoofdkantoorkosten wordt versoepeld (of tenietgedaan), toepassing daarvan zich niet eerder uitstrekt tot de relatie India - Nederland, dan nadat de versoepeling van de aftrekbeperking als zodanig is opgenomen in het Verdrag. Aan de meestbegunstigingscla"},{"b":"Belastingverdragen, OESO-commentaar, ontslagvergoedingen in grensoverschrijdende situaties *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 januari 2022, nr. 2022-19850 (* *Stcrt. 2022, 3327* *). Dit besluit geeft een nadere uitleg ten aanzien van de belastingheffing over ontslagvergoedingen in een grensoverschrijdende situatie.* 1. Inleiding In het [besluit van 25 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272) is de wijze waarop rekening moet worden gehouden met de wijziging per 15 juli 2014 van het OESO-commentaar ten aanzien van de belastingheffing over ontslagvergoedingen in een grensoverschrijdende situatie toegelicht. Op 14 oktober 20221HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1436. heeft de Hoge Raad arrest gewezen over het belang van na de totstandkoming van een belastingverdrag gepubliceerd OESO-commentaar. Dergelijk verdragsposterieur commentaar is volgens de Hoge Raad niet altijd van belang bij de uitleg van een belastingverdrag. Het arrest geeft aanleiding tot herziening van het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272). Daarbij ontstaat een verschil in de behandeling van ontslagvergoedingen tussen belastingverdragen die vóór en na 15 juli 2014 zijn gesloten. Met het sluiten van een belastingverdrag wordt in dit kader het moment van ondertekening bedoeld. 1.1. Belangrijkste wijzigingen in dit besluit Dit besluit vervangt het [besluit van 25 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272), nr. 2022-19850. De belangrijkste wijzigingen zijn als volgt: - − Het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272) is aangepast om onderscheid te maken tussen verdragen die vóór en na 15 juli 2014 zijn gesloten. Als uitgangspunt is op verdragen van vóór die datum de 4+ methode van toepassing en op verdragen van na die datum het OESO-commentaar van 15 juli 2014. - − In onderdeel 5 wordt een goedkeuring gegeven voor situaties waarin toepassing van de zogenoemde 4+ methode leidt tot (gedeeltelijke) dubbele hef"},{"b":"Belastingverdragen, OESO-commentaar; uitleg begrip werkgever *Dit besluit is een actualisering van het Besluit van 12 januari 2010, nr. DGB2010/267M (* *Stcrt. 2010, 788* *). In dit besluit is beleid geformuleerd over de uitleg van het begrip werkgever bij toepassing van door Nederland gesloten belastingverdragen. Ook is beleid opgenomen over de fiscale gevolgen die zijn verbonden aan kortdurende grensoverschrijdende tewerkstelling van bepaalde werknemers.* 1. Inleiding Op 14 oktober 2022 heeft de Hoge Raad arrest1HR 14 oktober 2022, nr. 21/00747, ECLI:NL:HR:2022:1436. gewezen over de toepasbaarheid van nieuw OESO-commentaar bij de uitleg van het begrip werkgever in een eerder gesloten belastingverdrag. Dit arrest is van belang voor de toepassing van de verdragsbepaling voor niet-zelfstandige arbeid (hierna: het dienstbetrekkingartikel) van door Nederland gesloten belastingverdragen. Voor belastingverdragen die zijn gesloten na 22 juli 2010 is de versie van het OESO-commentaar zoals dat toen is gewijzigd leidend. Voor eerder gesloten belastingverdragen geldt de maatstaf van de arresten van de Hoge Raad van 1 december 20062HR 1 december 2006, nrs. 38 850 (LJN: AT3920), 38 950 (LJN: AT3918), 39 710 (LJN: AT3932), 39 711 (LJN: AZ3175), 39 535 (LJN: AT3928) en 40 088 (LJN: AZ3169).. Met het sluiten van een belatingverdrag wordt in dit kader het moment van ondertekening bedoeld. Dit besluit gaat in op de uitleg van het begrip werkgever in het dienstbetrekkingartikel in belastingverdragen (hierna: werkgever) die door Nederland zijn gesloten vóór 22 juli 2010 en belastingverdragen die zijn gesloten vanaf die datum. Daarnaast voorziet dit besluit in een bewijsregel voor werknemers die binnen concernverhouding niet langer dan 60 dagen in Nederland werkzaam zijn. Ik merk op dat dit besluit alleen van belang is voor de belastingheffing3Het besluit heeft geen belang voor de premieheffing. en alleen ziet op verdragssituaties. In belastingverdragen kunnen, bijvoorbeeld in protoco"},{"b":"Belastingwet BES; Besluit algemene bestedingsbelasting, vrijstelling bij invoer van drinkwater en kookgas *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 4 april 2011, nr. BLKB 2011/600M. In aanvulling op de vrijstelling van algemene bestedingsbelasting ter zake van de invoer van drinkwater in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius bevat dit besluit een goedkeuring die de invoer van kookgas in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius vrijstelt van algemene bestedingsbelasting.* 1. Aanleiding In [artikel 6.11 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.11) worden prestaties opgesomd die van de algemene bestedingsbelasting zijn vrijgesteld. Naast het verrichten van bepaalde diensten zijn leveringen van bepaalde goederen vrijgesteld. Het gaat daarbij ondermeer om eerste levensbehoeften zoals brood, graan, aardappelen en rijst. In [artikel 6.20, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.20), is ook een vrijstelling ter zake van de invoer van deze goederen opgenomen. De [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) bevat voorts een vrijstelling voor de levering van water, elektriciteit en gas. In [artikel 6.11, eerste lid, onderdeel h, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.11) is de (binnenlandse) levering van water, elektriciteit en gas door waterleiding, elektriciteits- en gasbedrijven, vrijgesteld van algemene bestedingsbelasting. Op dit moment beschikken alleen Bonaire en (voor een deel) Sint Eustatius, over een waterleidingnet dat voor huishoudelijk gebruik bestemd (drink)water levert. Voor de toepassing van deze bepaling is onder een waterleidingbedrijf daarom tevens te verstaan een bedrijf dat water aanmaakt ten behoeve van lokaal gebruik en lokale distributie, ook al wordt voor de levering van het water geen gebruik gemaakt van waterleidingen naar de lokale huishoudens. Door het ontbreken van een"},{"b":"Beleid beoordeling verzoeken notarissen om een ontheffing van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij het indienen van kwartaalcijfers over het eerste tot en met het vierde kwartaal 2018 Paragraaf 1. Inleiding Notarissen zijn op grond van [artikel 2, lid 5 van de Regeling op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032707&artikel=2) (Rna) verplicht kwartaalcijfers bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) in te dienen. De kwartaalcijfers dienen te worden voorzien van een samenstellingsverklaring van een accountant. Op grond van artikel 2, lid 6 van de Rna kan het BFT ontheffing verlenen van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij de kwartaalcijfers. Paragraaf 2. Voorwaarden ontheffing samenstellingsverklaring Om in aanmerking te komen voor een ontheffing voor de periode van het eerste kwartaal 2018 tot en met het vierde kwartaal 2018, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: - 1. Het resultaat voor belasting (plus de managementfee) volgens de jaarcijfers 2016 en 4e kwartaalcijfers 2016 zoals opgenomen in de verslagstaten is aan elkaar gelijk dan wel het verschil bedraagt maximaal € 10.000. Indien er echter sprake is van een verschil van meer dan € 10.000, dan mag dit verschil niet meer bedragen dan 10% van het resultaat voor belasting (plus de managementfee) volgens de jaarcijfers 2016. In dit geval moet voor het verschil bovendien een acceptabele verklaring worden gegeven in de toelichting bij het verzoek om ontheffing. - 2. Bij de jaarrekening over 2016 is een goedkeurende controleverklaring zonder een verplicht toelichtende paragraaf over de continuïteit afgegeven dan wel bij een kleine notarisorganisatie is een goedkeurende beoordelingsverklaring afgegeven zonder een verplicht toelichtende paragraaf over de continuïteit. - 3. Over 2016 zijn alle in te dienen financiële kantoorgegevens tijdig (al dan niet met uitsteltermijn) ingediend. - 4. De financiële positie voldoet ten minste aan d"},{"b":"Beleid CvTA invulling kan-bepaling bestuurderstoets ex artikel 5 Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten 1. Aanleiding en doel van de beleidsnotitie In zijn Toezichtstrategie beschrijft het College van Toezicht Auteursrechten (hierna: CvTA) effectief publiek toezicht te willen houden. Daarbij geeft hij de voorkeur aan risico-gericht toezicht boven incident-gestuurd toezicht en wil daarbij een waardegedreven toezichthouder zijn die robuust, betrouwbaar, integer, onafhankelijk, reflectief, transparant, benaderbaar en kundig is. Deze strategie en waarden wil het CvTA ook toepassen bij het uitvoeren van zijn wettelijke taak om vast te stellen of de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon die bij een collectieve beheersorganisatie (hierna: cbo) is of wordt belast met bestuurlijke of toezichthoudende taken, buiten twijfel staat. Dit wordt beoordeeld in het kader van de bestuurderstoets. 2. Opgedane ervaringen met de bestuurderstoets geven aanleiding om invulling te geven aan de kan-bepaling in de wet Na de invoering van deze bevoegdheid in 2023 heeft het CvTA diverse bestuurderstoetsen uitgevoerd en hiermee ervaring opgedaan. De werkwijze is september 2024 ook met de betreffende cbo’s geëvalueerd. Het CvTA constateert dat de cbo’s inmiddels meer vertrouwd zijn geraakt met deze procedure en dat dit ook al heeft geleid tot meer kwaliteit in het proces van werving, selectie en benoeming van bestuurders en toezichthouders bij de betreffende cbo’s. Dit geeft het CvTA aanleiding om nu ook te kijken onder welke voorwaarden van een bestuurderstoets kan worden afgezien door gebruik te maken van de kan-bepaling hiervoor in [artikel 5aa, eerste lid, van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=5aa) (hierna: Wet toezicht). Hieruit blijkt dat het CvTA kan bepalen in welke gevallen hij wel of niet een bestuurderstoets doet. Door het introduceren van dez"},{"b":"Beleid t.a.v. buitenlandse projecten toegelaten instellingen Inleiding In toenemende mate maar vooralsnog op een bescheiden schaal ondersteunen toegelaten instellingen (t.i's) projecten in het buitenland, alsmede in Aruba en in de Nederlandse Antillen. Deze ontwikkeling is voor mij aanleiding u te informeren over mijn beleid terzake en de wijze waarop ik in de periode tot aan de eventueel uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen voortvloeiende regelgeving daarop toezicht houd. Typering bijdragen In de praktijk blijkt dat de motieven om projecten in het buitenland te ondersteunen voor het merendeel gericht zijn op het verstrekken van noodhulp en op de institutionele versterking van de sociale sector aldaar. Ten aanzien van de gedaante waarin de t.i's bijdragen verlenen aan dergelijke projecten worden twee hoofdvormen onderscheiden: • Bijdragen in natura/schenkingen Gedacht moet daarbij worden aan onder meer opleiding of kennisoverdracht ter plaatste, tijdelijke detachering van personeel, directe financiële bijdrage of een uitnodiging voor een oriëntatiebezoek in Nederland. Het gaat daarbij om betrekkelijk geringe kostenbijdragen, die in redelijkheid het karakter van een schenking hebben. • Investeringsbijdragen Hierbij is sprake van een meer langdurige relatie, waarbij de t.i. vaak in schriftelijk vastgelegde overeenkomsten voorwaarden stelt aan inzet, besteding, terugbetaling en risicobeheersing van de beschikbaar gestelde gelden en (mede)-invloed heeft op het resultaat waarvoor de financiële bijdrage wordt geleverd. Te denken is daarbij aan projectfinanciering, leningen, garanties (rente)subsidies etc. Het verschil in karakter van beide vormen van bijdragen is aanleiding om onderscheid te maken in de wijze van beoordeling en het toezicht daarop. Toezicht De Woningwet en het Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) zijn niet ingericht op het ontwikkelen van buitenlandse activiteiten door t.i's; de regelgeving beperkt het werkgebied van de corporatie tot gemeenten in Nederl"},{"b":"Beleid tijdelijke importprocedure Hoofdstuk 1. Eisen voor deelname Uw bedrijf heeft de Erkenning Bedrijfsvoorraad van de RDW. Daarmee bent u toegelaten tot de tijdelijke importprocedure. De tijdelijke importprocedure houdt in dat u onder voorwaarden online een kenteken kunt aanvragen. Dit beleid is bedoeld voor u als aanvrager van een individuele inschrijving. De [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Regeling erkenning bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089) en het Beleid tijdelijke importprocedure vormen de basis voor de tijdelijke importprocedure. De RDW houdt toezicht op de tijdelijke importprocedure. Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 6, eerste lid, onder a, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089&artikel=6). Hoofdstuk 2. Voorschriften voor gebruik U kunt online een aanvraag voor een inschrijving doen met de online dienst ‘EU/EVA-voertuig registreren’ (EVR). Deze dienst heeft specifieke eisen en voorwaarden. Daarnaast gelden ook algemene voorwaarden. Voldoet u niet aan de eisen en/of voorwaarden dan mag u niet online een inschrijving aanvragen en moet u een afspraak op een van de keuringslocaties van de RDW maken. Hoofdstuk 3. Eisen en Voorwaarden 3.1. Voertuig - • U vraagt alleen een inschrijving aan voor de volgende voertuigcategorieën: - ○ personenauto (M1); - ○ lichte bedrijfsauto (N1); - ○ lichte aanhangwagen (O2); - ○ twee of driewieler (L1e–L7e). - • Het voertuig moet een complete of voltooide Europese typegoedkeuring hebben en daarmee overeenkomen. - • De personen- of bedrijfsauto (M1 of N1) heeft een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km per uur. - • Het voertuig heeft geen schade of herstelde schade. - • Het voertuig moet eerder geregistreerd zijn in een EU/EVA land, anders dan in Nederland. - • U bent in het bezit van het voertuig. 3.2. Kentekenbewijs - •"},{"b":"Beleidsbesluit aanpassing looptijd wegens (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd *Dit besluit is een actualisering van het Besluit van 13 december 2019, nr. 2019-0000024804. Bij de eerdere actualisering van dit besluit op 13 december 2019 is per abuis de opgenomen goedkeuring ten aanzien van de uitkeringsperiode van de overbruggingslijfrente beperkt tot uiterlijk de AOW-leeftijd. Dit is hersteld in dit besluit. Verder is een in de praktijk bestaande onduidelijkheid over het uiterste moment waarop de uitkeringen uit een regeling voor overbruggings- of prepensioen in kunnen gaan verduidelijkt en zijn de goedkeuringen met betrekking tot VUT-regelingen komen te vervallen omdat deze hun belang hebben verloren.* 1. Inleiding Bij de invoering van de [Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018053) is via overgangsrecht een voorziening getroffen voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen als bedoeld in [artikel 18e van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18e) (tekst 2004) en prepensioenen als bedoeld in [artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38a) (tekst 2004). Onder bepaalde voorwaarden zijn de wettelijke fiscale bepalingen voor deze bestaande regelingen van kracht gebleven. De bedoelde regelingen hebben als kenmerk dat ze moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Als de op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen en prepensioenen niet voldoen aan deze laatste voorwaarde kunnen zij worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van [artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32ba) (hierna: RVU), dan wel als een onzuivere pensioenregeling. De inhoudingsplichtige van de uitkering wordt dan een pseudo-ei"},{"b":"Beleidsbesluit belastingplicht en fiscale eenheid omzetbelasting *In dit besluit is het besluit van 28 april 2021, nr. 2021-9403 (* *Stcrt. 2021, 22627* *) over de btw-behandeling van werkzaamheden van toezichthouders en van leden van diverse commissies opgenomen. Daarbij zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht, en wijzingen die verband houden met de invoering van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Verder geeft dit besluit beleidsregels over de fiscale eenheid, zoals genoemd in artikel 7, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968, en over de belastingplicht van holdings, waarmee de zgn. holdingresolutie1Het besluit van 18 februari 1991, nr. VB91/347, inzake heffing van omzetbelasting met betrekking tot zgn. houdstermaatschappijen en het houden van aandelen in het algemeen. komt te vervallen.* 1. Inleiding Het besluit geeft in [onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050685) een invulling aan het begrip ‘zelfstandig’ zoals genoemd in [artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=7) met het oog op de btw-behandeling van de werkzaamheden van natuurlijke personen die optreden als toezichthouder of als lid van een bezwaaradviescommissie of van andere daarmee te vergelijken werkzaamheden zoals genoemd in dit besluit. Daarnaast bevat dit besluit in [onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050685) enkele aanwijzingen met betrekking tot de fiscale eenheid btw. In dat kader komt de belastingplicht van holdings aan de orde en is een goedkeuring getroffen voor opname in de fiscale eenheid van een holding die een sturende en beleidsbepalende functie vervult binnen het concern. Deze goedkeuring is overgenomen uit de holdingresolutie die met de inwerkingtreding van dit besluit zal vervallen. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen | Awr | Algemene wet inzake rijksbelastingen | | --- | --- | | Awb | Algemene wet bestuursrecht | | Wet | Wet op de omzetbelasting 1968 | | BV | Besloten vennoots"},{"b":"Beleidsbesluit doorschuiffaciliteit afschaffing open CV *Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel X, tweede lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in een bijlage en toegelicht in dit besluit.* 1. Inleiding Het overgangsrecht in het kader van de afschaffing van de open commanditaire vennootschap regelt dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 – voor Nederlandse fiscale doeleinden – sprake is van een fictieve vervreemding door de open commanditaire vennootschap van haar vermogensbestanddelen aan de beherende en commanditaire vennoten ([artikel IX, eerste lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=IX)). [Artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=X) biedt een doorschuiffaciliteit op grond waarvan de open commanditaire vennootschap niet hoeft af te rekenen over de fictieve vervreemdingswinst. Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in [artikel X, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=X). De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049147) en toegelicht in dit besluit. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 21 november 2024, nr. 2024-26507, (Stcrt. 2024, 36655). De wijziging betrof de toevoeging van [onderdeel 5A](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049147), waarin een goedkeuring is opgenomen voor een bijzondere situatie waarbij als gevolg van de aandelenfusie van [artikel XII van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=XII) de open commanditaire vennootschap al in 2024 niet langer is onderworpen aan de vennootschapsbelasting op grond van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"b":"Beleidsbesluit doorschuiffaciliteit einde belastingplicht FGR *Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in een bijlage en toegelicht in dit besluit.* 1. Inleiding Het overgangsrecht in het kader van de aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening, regelt dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 – voor Nederlandse fiscale doeleinden – sprake is van een fictieve vervreemding door fondsen voor gemene rekening, die als gevolg van de wet niet langer belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, van haar vermogensbestanddelen aan de deelgerechtigden in dat fonds ([artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=IV)). [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=V) biedt een doorschuiffaciliteit op grond waarvan het fonds voor gemene rekening niet hoeft af te rekenen over de fictieve vervreemdingswinst. Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in [artikel V, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=V). De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049172&bijlage=1&z=2024-09-03&g=2024-09-03) en toegelicht in dit besluit. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 23 augustus 2024, nr. 2024-19230, (Stcrt. 2024, 28426). De wijziging betrof de toevoeging van [onderdeel 5A](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049172), waarin een goedkeuring is opgenomen voor een bijzondere situatie waarbij als gevolg van de aandelenfusie van [artikel VI van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsin"},{"b":"Beleidsbesluit inkoop eigen aandelen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. *Dit besluit bevat beleid voor de inkoop van aandelen. Meest recent is dit beleid gewijzigd door het besluit van 3 oktober 2025, nr. 2025-23168 (* *Stcrt. 2025, 36969* *). Deze wijziging gaf verdere verduidelijking van de reikwijdte van artikel 10c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot derivaten (onderdeel 2).* 1. Inleiding De inkoop van eigen aandelen ter afdekking van werknemersopties is wettelijk geregeld in [artikel 10c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) (hierna Wet Vpb) en [artikel 3, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3) (hierna Wet DivBel). Bij de toepassing van dit wettelijke regime hanteer ik het volgende beleid: - – [Artikel 10c van de Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) wordt door mij niet toegepast op voor 21 februari 2001 ter dekking van werknemersopties ingekochte eigen aandelen. Een eventueel verlies op dergelijke inkopen laat ik onder voorwaarden in aftrek toe. - – [Artikel 10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) geldt ook voor inkoop van opties op eigen aandelen die niet plaatsvindt ter afdekking van werknemersopties. - – [Artikel 3, derde lid, van de Wet DivBel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3) wordt door mij ook toegepast op inkoop van eigen aandelen ter dekking van zogenoemde aandelenplannen. Ik licht dit beleid hieronder nader toe in de [onderdelen 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038075). en [3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038075). 2. Beleid met betrekking tot artikel 10c van de Wet Vpb 1969 2.A. Inkoop van eigen aandelen ter dekking van werknemersopties voor 21 februari 2001 2.A.1. Goedkeuring Voor de inwerkingtreding van [artikel 10c van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"b":"Beleidsbesluit omzetting rechtspersonen *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot artikel 28a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en is een actualisatie van het besluit van 3 april 2017, nr. 2017/116 (* *stcrt. 2017, 38087* *) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 9 oktober 2019, nr. 2019-17461 (* *stcrt. 2019, 58240* *). Dit besluit bevat, naast redactionele wijzigingen nieuw beleid over de Regeling functionele valuta, terugwerking van het omzettingstijdstip en omzettingen waarbij buitenlands recht een rol speelt.* 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot [artikel 28a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28a). Het is een actualisatie van het besluit van 3 april 2017, nr. 2017/116 (stcrt. 2017, 38087) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 9 oktober 2019, nr. 2019-17461 (stcrt. 2019, 58240). Dit besluit bevat redactionele wijzigingen en het volgende nieuwe beleid: - • In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046561&bijlage=1&z=2022-04-14&g=2022-04-14) heb ik twee voorwaarden toegevoegd. Met deze voorwaarden regel ik dat de omgezette rechtspersoon in de plaats treedt van de om te zetten rechtspersoon voor de verrekening van voorheffingen en dat de omgezette rechtspersoon niet opnieuw de [Regeling functionele valuta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008878) hoeft aan te vragen als de om te zetten rechtspersoon van deze regeling gebruik maakte. - • In [onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046561) heb ik toegevoegd dat terugwerking van het omzettingstijdstip alleen wordt verleend indien sprake is van een omzetting als bedoeld in [artikel 28a, derde lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28a). - • Mijn beleid en standpunten met betrekking tot omzettingen waarbij buitenlands recht een rol speelt, heb ik verduidelijkt en uitgebreid in de"},{"b":"Beleidsbesluit samenvoeging gemeenten en vennootschapsbelasting *Dit besluit bevat het beleid in de vennootschapsbelasting voor de samenvoeging van gemeenten door bestuurlijke herindeling.* 1. Inleiding Als gemeenten verdwijnen door samenvoeging met een andere gemeente in het kader van een zogenoemde bestuurlijke herindeling wordt de vermogensovergang die zich hierbij voordoet geacht een overdracht te zijn krachtens [artikel 14ba, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) (hierna: Wet Vpb 1969). In eenvoudige gevallen geldt voor de winst die daardoor wordt behaald een faciliteit direct op grond van de wet (artikel 14ba, tweede lid, Wet Vpb 1969). In andere gevallen kan ik de inspecteur toestaan onder het stellen van voorwaarden een faciliteit te verlenen (artikel 14ba, derde lid, Wet Vpb 1969). Dit besluit bevat mijn beleid voor de toepassing van [artikel 14ba Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) bij de samenvoeging van gemeenten en sluit aan bij mijn beleid voor de fiscale begeleiding van de juridische fusie.1Zoals aangekondigd bij de parlementaire behandeling van artikel 14ba Wet Vpb 1969 (Kamerstukken II 2015/16, 34 305, nr. 3, p. 32). In [paragrafen 2 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050219) wordt onder andere ingegaan op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de toepassing van [artikel 14ba, derde lid, Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) met betrekking tot samenvoeging van gemeenten in het kader van een bestuurlijke herindeling. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050219&bijlage=1&z=2024-09-21&g=2024-09-21) van dit besluit. Met nadruk wordt erop gewezen dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het geval. In [paragraaf 7"},{"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 september 2026, nr. 2026-17016 over de earningsstrippingmaatregel (Beleidsbesluit earningsstrippingmaatregel 2026) De Staatssecretaris van Financiën, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) en [afdeling 2.9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.9a); Besluit: 1. Inleiding Sinds 1 januari 2019 bevat [afdeling 2.9a van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.9a) een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel vloeit voort uit de [Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756) en is gericht op het voorkomen van winstverschuiving en grondslaguitholling door middel van rentebetalingen. Daarnaast wordt een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd.1Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 17. De earningsstrippingmaatregel brengt mee dat het saldo van de rentelasten en de rentebaten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst, niet aftrekbaar is voor zover dat saldo meer bedraagt dan 24,5% van de gecorrigeerde winst, of € 1 miljoen indien dit meer is dan 24,5% van de gecorrigeerde winst. Het percentage van 24,5% is van toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Voor de boekjaren 2019 tot en met 2021 bedroeg het percentage 30%. Voor de boekjaren 2022 tot en met 2024 bedroeg het percentage 20%. Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. De Coördinatiegroep T"},{"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juli 2026 nr. 2026-12123 over hybridemismatches vennootschapsbelasting (Beleidsbesluit hybridemismatches 2026) 1. Inleiding De zogenoemde ‘hybridemismatchmaatregelen’ in [afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.2a) beogen belastingontwijking door gebruik te maken van hybridemismatches tussen zowel de EU-lidstaten onderling als tussen de EU-lidstaten en derde staten te bestrijden. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Hybridemismatches kunnen ertoe leiden dat: - 1) een vergoeding of betaling aftrekbaar is, maar de corresponderende opbrengst nergens wordt belast (aftrek zonder betrekking in de heffing), of - 2) dat één en dezelfde vergoeding, betaling, last of verlies meerdere malen aftrekbaar is (dubbele aftrek). De hybridemismatchmaatregelen hebben tot gevolg dat vergoedingen, betalingen, lasten of verliezen bij het bepalen van de winst onder omstandigheden van aftrek worden uitgesloten of tot de winst worden gerekend. In dit beleidsbesluit zijn beleidsstandpunten opgenomen over de hybridemismatchmaatregelen. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor de eenheid van beleid en uitvoering bij de toepassing van [afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.2a). Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur daarom voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (Instelbesluit CTC 2024). Dit besluit vervangt het [Besluit Hybridemismatches](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047425). De wijzigingen"},{"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 september 2026, nr. 2026-15692 over de toepassing van voorschriften in de Wet minimumbelasting 2024 (Beleidsbesluit minimumbelasting 2024) *De Staatssecretaris van Financiën,* *Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;* *Besluit:* 1. Inleiding De [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111) (WMB 2024) is in werking getreden op 31 december 2023. Met deze wet is een minimumbelasting ingevoerd om te bewerkstelligen dat multinationale en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. De wet voorziet in een bijheffing als in een staat effectief te weinig winstbelasting wordt geheven. De [WMB 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111) strekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing (Richtlijn (EU) 2022/2523). Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels zoals aangenomen door het Inclusive Framework (IF) op 14 december 2021 en komt daarmee in hoofdzaak overeen. Na publicatie van deze modelregels heeft het IF enkele sets administratieve richtsnoeren gepubliceerd in 2023, 2024, en 2025. In de considerans van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing (punt 24) is voorgeschreven dat de OESO-modelregels, de toelichtingen en voorbeelden in het OESO-commentaar bij de OESO-modelregels als bron van illustratie en uitleg bij de implementatie van de richtlijnteksten dienen te worden gebruikt. De wetteksten en de artikelsgewijze toelichting zoals opgenomen in de WMB 2024 zijn daarom mede gebaseerd op de OESO-modelregels en het commentaar daarop. Het OESO-commentaar kan daarom dienen als interpretatiebron indien de wettekst aansluit bij de OESO-modelregels.1Zie o.a. Kamerstukken II 2023/24, 36 369, nr. 6, p. 18-19 en Kamerstukken II 2024/25, 36 609, nr. 3, p. 1-3. Dit besluit bevat het beleid voor de [WMB 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 5 februari 2025, nr. 2024-16277, over de correctiegrenzen die de inspecteur hanteert bij het vaststellen van belastingaanslagen (Besluit correctiebeleid belastingaanslagen) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - *Aanslag:* de aanslag als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11); - *AWR:* [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320); - *Belastbare bedrag:* het belastbare bedrag bij binnenlandse belastingplichtigen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7) of het belastbare bedrag bij buitenlands belastingplichtigen als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=17); - *Bijdrage-inkomen:* het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige is genoten als bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=43); - *Correctie:* de afwijking van een ingediende aangifte bij het vaststellen van de aanslag of een naheffingsaanslag of de afwijking van een eerder vastgestelde aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag; - *Inspecteur:* de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen ([artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2)); - *Loonheffingen:* de loonbelasting, premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - *Naheffingsaanslag:* aanslag die bij wijze van naheffing wordt opgelegd ([artikel 20 van de AWR](https:/"},{"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 augustus 2026, nr. 2026-15551 over de toepassing van bepalingen uit belastingverdragen, het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en de Nederlandse heffingswetten bij de belastingheffing in de winstsfeer (Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026) *De Staatssecretaris van Financiën,* Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); *Besluit:* 1. Inleiding Dit besluit bevat mijn beleid over de uitleg van bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting en dubbele niet-belasting bij de belastingheffing in de winstsfeer. Het gaat daarbij om de toepassing van de door Nederland gesloten belastingverdragen, de in relatie met de andere landen van het Koninkrijk geldende regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en relevante bepalingen die zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving, waaronder het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095). De in dit besluit opgenomen vragen en antwoorden zijn thematisch gerangschikt, met als hoofdindeling: belastingverdragen, alsmede de [Belastingregeling Nederland Curaçao (hoofdstuk 2)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037077&hoofdstuk=II), [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hoofdstuk 3)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095&hoofdstuk=III), [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) en [Wet inkomstenbelasting 2001 (hoofdstuk 4)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4), en [Wet op de dividendbelasting 1965 (hoofdstuk 5)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&hoofdstuk=V). In [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0053045) wordt zoveel mogelijk de volgorde aangehouden van de bepalingen die zijn opgenomen in het door de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) opgestelde modelbelasting"},{"b":"Beleidskader Beperkt Beveiligde Afdeling van het Gevangeniswezen Inleiding Op 17 juni 2018 bood de Minister voor Rechtsbescherming de visie ‘Recht doen, kansen bieden; naar effectievere gevangenisstraffen’ bij de kamer aan. Een visie waarin een effectieve tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen recht moet doen aan vergelding en bij moet dragen aan een veiligere samenleving door herhaald crimineel gedrag te voorkomen. Eén van de middelen om dit te bereiken is een goede re-integratie van (ex-) gedetineerden in de samenleving. Het beleid gaat ervan uit dat de kans op recidive kleiner wordt wanneer overheden en betrokken instanties investeren in een aantal basisvoorwaarden waar gedetineerden al tijdens hun detentie aan werken. Re-integratie-maatregelen voor (ex-)gedetineerden zijn bedoeld om aan vijf basisvoorwaarden voor maatschappelijke (re-)integratie te voldoen; - 1. het hebben van een identiteitsbewijs, - 2. werk/inkomen, - 3. huisvesting, - 4. toegang tot schuld-hulpverlening, - 5. toegang tot zorg. Deze vijf punten worden als schakels gezien naar een succesvolle maatschappelijke re-integratie. In de handreiking Bestuurlijk akkoord, van 19 december 2019, is aan de vijf basisvoorwaarden ook het sociale netwerk toegevoegd. Het gevangeniswezen, de reclassering en de gemeente ondersteunen de gedetineerde bij het op orde krijgen van deze vijf basisvoorwaarden en het sociale netwerk. Dit gebeurt op een herstelgerichte wijze. Alle werkzaamheden en activiteiten door personeel die een bijdrage kunnen leveren aan een of meerdere lagen van herstel worden met de term ‘herstelgericht werken’ aangeduid1Goulding, D., Hall, G., & Steels, B. (2008). Restorative prisons: Towards radical prisonreform. *Current Issues in Criminal Justice*, *20*(2), 231-242.. Ingevolge de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990), welke op 1 juli 2021 is ingegaan, dient verlof gekoppeld te zijn aan een re-integratiedoel. Ten aanzien van de basisvoorwaarden werk en"},{"b":"Beleidskader bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2018 1. Inleiding Sinds 2014 wordt jaarlijks een beleidskader opgesteld voor het stimuleren van gemeenten met betrekking tot het opzetten van trajecten voor begeleiding van ex-gedetineerden. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij.1TK 2014–2015, nr. 33 750 VI. In de afgelopen jaren is gebleken dat de aan (uitsluitend) gemeenten ter beschikbaar gestelde gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex)gedetineerden op te zetten of te financieren. Besloten is om deze gelden voor dezelfde doeleinden ter beschikking te stellen voor 2018. Gelet op het hoge aantal gezamenlijke aanvragen van gemeenten onderling en namens gemeenten voor maatschappelijke instellingen is ervoor gekozen om ook in 2018 eenzelfde inhoudelijk opzet te hanteren als in de voorgaande subsidiebeleidskaders, met als aanvulling dat in 2018 eveneens de niet uitgeputte gelden worden verdeeld onder gemeenten die aangeven dat zij voor een hogere bijdrage in aanmerking willen komen. Voor 2018 worden de bijdragen verdeeld op grond van de uitstroom van gedetineerden in 2016.2De uitstroomgegevens van gedetineerden in 2017 zijn ten tijde van de vaststelling van het Beleidskader 2018 nog niet bekend. Voor het Beleidskader 2018 wordt het toekennen van gelden gebaseerd op de uitstroomgegevens 2016. Hieronder wordt geschetst welke trajecten voor een bijdrage in aanmerking komen en welke spelregels gelden bij de verstrekking van de bijdragen aan gemeenten. In [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0040047) wordt aandacht geschonken aan de doelstelling en de uitgangspunten van het Beleidskader. [Paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0040047) geeft de reikwijdte van het Beleidskader weer aan de hand van de beoordelingscriteria en in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0040047) w"},{"b":"Beleidskader bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2023 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structureel € 2,5 mln. per jaar beschikbaar is voor gemeenten.1Kamerstukken II 2013/14, nr. 33750 VI. Nu is een van de ambities uit het regeerakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ de re-integratie van ex-gedetineerden in de samenleving. Om aan die ambitie invulling te geven is besloten de ‘Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken’ per 2023 structureel te verhogen met € 2,0 mln. tot een totaal van € 4,5 mln. Met die regeling kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. Besloten is om deze gelden voor dezelfde doeleinden ter beschikking te stellen voor 2023. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de kabinetsvisie op gevangenisstraffen2Visie op gevangenisstraffen: ‘Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen‘, Kamerstukken II 2017/18, 29 279 nr. 439.van juni 2018, waarin de samenwerking tussen DJI en verschillende netwerkpartners een belangrijke plaats inneemt. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan een detentie vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimula"},{"b":"Beleidskader bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2025, Dienst Justitiële Inrichtingen 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structureel € 2,5 mln. per jaar beschikbaar is voor gemeenten.1Kamerstukken II 2013/14, nr. 33750 VI. Nu is een van de ambities uit het regeerakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ de re-integratie van ex-gedetineerden in de samenleving. Om aan die ambitie invulling te geven is besloten de ‘Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken’ per 2023 structureel te verhogen met € 2,0 mln. tot een totaal van € 4,5 mln. Met die regeling kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de ketenbrede samenwerking tussen DJI en netwerkpartners. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan een detentie vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimulans voor het realiseren van de ambities uit het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’ uit 2019. In dit akkoord, hebben de VNG, de reclasseringsorganisaties en de DJI, hun gezamenlijke maatschappelijke ambities vastgelegd.2[Bestuurlijk akkoord Kansen bieden voor re-integrat"},{"b":"Beleidskader bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2026, Dienst Justitiële Inrichtingen 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structurele middelen beschikbaar zijn gekomen voor gemeenten,1Kamerstukken II 2013/14, nr. 33750 VI. thans ter hoogte van € 4,4 mln. per jaar. Met de ‘Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken’ kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de ketenbrede samenwerking tussen DJI en netwerkpartners. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan detentie, vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimulans voor het realiseren van de ambities uit het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’ uit 2019. In dit akkoord, hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de reclasseringsorganisaties en de DJI, hun gezamenlijke maatschappelijke ambities vastgelegd.2[Bestuurlijk akkoord Kansen bieden voor re-integratie | Publicatie | dji.nl](https://www.dji.nl/documenten/publicaties/2019/12/23/bestuurlijk-akkoord-kansen-bieden-voor-re-integratie) De kern hiervan is om nauw samen te werken aan een succesvolle re-integratie van gedetineerde"},{"b":"Beleidskader Kortdurend Penitentiair Programma van het Gevangeniswezen Inleiding Met de visie ‘Recht doen, kansen bieden’ en bijbehorende [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (Wet SenB) wordt gestreefd naar een effectievere uitvoering van gevangenisstraffen. De visie gaat over de wijze waarop een gevangenisstraf wordt uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Door de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) zijn de regels voor verlof en het PP veranderd. Vanaf 1 december 2021 vervalt het Penitentiair Programma (PP) voor gedetineerden die in totaal langer dan 1 jaar gevangenisstraf hebben1Er is een PP overgangsrecht voor gedetineerden die op 1-12-2021 een strafrestant (met aftrek van v.i.) van maximaal 3 jaar hebben en een einddatum detentie vóór 01-12-2024. Hiervoor geldt het beleidskader PP overgangsrecht. Alleen gedetineerden met één straf van 6 maanden tot 1 jaar dan wel met straffen met een gezamenlijke duur van 6 maanden tot 1 jaar komen nog in aanmerking voor PP. Het PP duurt 1/6e deel van de straf, minimaal 4 weken en maximaal 2 maanden. Het PP is een programma waaraan gedetineerden kunnen deelnemen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of veroordeling in eerste aanleg in aansluiting op hun verblijf in een inrichting. Evenals elke vorm van re-integratieverlof is ook PP alleen toegestaan als het bijdraagt aan de realisatie van een of meer re-integratiedoelen zoals opgesteld in het persoonlijk D&R-plan van de gedetineerde. Specifiek voor PP geldt dat dit re-integratiedoelen moeten zijn op de basisvoorwaarden werk en inkomen én huisvesting, de thuissituatie en het opbouwen van het sociaal netwerk. De gedetineerde heeft tijdens de detentie aan deze re-integratiedoelen gewerkt en PP is derhalve een logische vervolgstap. Het PP is een maatwerktraject en biedt een voorwaardelijk kader om ge"},{"b":"Beleidskader Penitentiair Programma, Overgangsrecht van het Gevangeniswezen Inleiding Door de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (wet senb) veranderen de regels voor verlof, het penitentiair programma (PP) en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Gelet op het in de wet opgenomen overgangsrecht is een aantal onderdelen van de [wet senb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) niet direct van toepassing op alle gedetineerden. Er komt een overgangsperiode met een maximale duur van 3 jaar. Het overgangsrecht PP geldt voor gedetineerden die op 1-12-2021 een strafrestant (met aftrek van v.i.) van maximaal 3 jaar hebben en een einddatum detentie vóór 01-12-2024 [(art IV PBW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4)1Artikel IV1.Artikel I, onderdeel B, van deze wet heeft geen gevolgen ten aanzien van beslissingen tot deelname aan een penitentiair programma die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing.2.Artikel I, onderdeel B, van deze wet is niet van toepassing op vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de tenuitvoerlegging ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet nog gaande is. Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing.). De doelgroep bestaat uit: - • Gedetineerden die uiterlijk voor 01-12-2021 onherroepelijk veroordeeld zijn en waarbij de detentie voor 01-12-2021 is aangevangen of - • Gedetineerden waarbij de voorlopige hechtenis vóór 01-12-2021 is aangevangen of - • Gedetineerden die op 01-12-2021 beschikken over een besluit tot deelname aan een PP. - • Indien de (fictieve) ontslagdatum tijdens de detentie verandert waardoor de onts"},{"b":"Beleidskader rechtspositie stagiairs bij de sector Rijk 1. Inleiding Sinds 2012 is sprake van een uniforme handelswijze binnen de sector Rijk ten aanzien van de stagiairs. Daarover wordt conform de rijksbrede strategie op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie en werving als één organisatie naar buiten toe opgetreden. In dit beleidskader zijn de afspraken over de rechtspositie van stagiaires opgenomen die voor de inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) per 1 januari 2020 waren opgenomen in circulaires. 2. Reikwijdte beleidskader Dit beleidskader is van toepassing voor alle organisaties binnen de sector Rijk. Dit beleidskader heeft geen betrekking op het in dienst nemen van studenten op een leerwerkplek - zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij een mbo-beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en hbo-duale opleidingstrajecten - waarbij de student van een onderwijsinstelling een aantal dagen per week in dienstverband werkt op een leerwerkplek en een aantal dagen per week naar school gaat. 3. Modellen stageovereenkomst Een uniforme handelswijze van de sector Rijk met betrekking tot de rechtspositie van stagiairs komt onder andere tot uiting door het hanteren van (uniforme) modellen voor de stageovereenkomst. Hiermee wordt ook de herkenbaarheid naar de onderwijsinstellingen en de stagiairs bevorderd. In de praktijk blijkt dat er twee soorten overeenkomsten worden gesloten. Bij één overeenkomst is er sprake van betrokkenheid van drie partijen, namelijk de stageverlener, de onderwijsinstelling en de stagiair. Aangezien niet bij alle onderwijsprogramma’s een stage verplicht is, is er niet altijd een rol voor de onderwijsinstelling weggelegd. In dat geval sluit de stageverlener een overeenkomst met (uitsluitend) de stagiair. Wanneer sprake is van drie partijen, wordt per 1 juni 2024 voor wo-studenten de [overeenkomst](https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/gemeenschappelijke-stag"},{"b":"Beleidskader rechtspositie stagiairs bij de sector Rijk 2025 1. Inleiding Sinds 2012 is sprake van een uniforme handelswijze binnen de sector Rijk ten aanzien van de stagiairs. Daarover wordt conform de rijksbrede strategie op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie en werving als één organisatie naar buiten toe opgetreden. In dit beleidskader zijn de actuele afspraken over de rechtspositie van stagiairs opgenomen die voor de inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) per 1 januari 2020 waren opgenomen in circulaires. 2. Reikwijdte beleidskader Dit beleidskader is van toepassing voor alle organisaties binnen de sector Rijk. Dit beleidskader heeft geen betrekking op het in dienst nemen van studenten op een leerwerkplek – zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij een mbo-beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en hbo-duale opleidingstrajecten – waarbij de student van een onderwijsinstelling een aantal dagen per week in dienstverband werkt op een leerwerkplek en een aantal dagen per week naar school gaat. 3. Modellen stageovereenkomst Een uniforme handelswijze van de sector Rijk met betrekking tot de rechtspositie van stagiairs komt onder andere tot uiting door het hanteren van (uniforme) modellen voor de stageovereenkomst. Hiermee wordt ook de herkenbaarheid naar de onderwijsinstellingen en de stagiairs bevorderd. In de praktijk blijkt dat er twee soorten overeenkomsten worden gesloten. Bij één overeenkomst is er sprake van betrokkenheid van drie partijen, namelijk de stageverlener, de onderwijsinstelling en de stagiair. Aangezien niet bij alle onderwijsprogramma’s een stage verplicht is, is er niet altijd een rol voor de onderwijsinstelling weggelegd. In dat geval sluit de stageverlener een overeenkomst met (uitsluitend) de stagiair. Wanneer sprake is van drie partijen, wordt sinds 1 juni 2024 voor wo-studenten de [overeenkomst](https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/gemeensch"},{"b":"Beleidskader van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 oktober 2023, houdende bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2024 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structureel € 2,5 mln. per jaar beschikbaar is voor gemeenten.1Kamerstukken II 2013/14, nr. . Per 2023 is de ‘[Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047603)’ structureel verhoogd tot in totaal € 4,5 mln. Met die regeling kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de visie op gevangenisstraffen2Visie op gevangenisstraffen: ‘Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen‘, Kamerstukken II 2017/18, 29 279 nr. 439.van juni 2018, waarin de samenwerking tussen DJI en verschillende netwerkpartners een belangrijke plaats inneemt. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan een detentie vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimulans voor het realiseren van de ambities uit het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’. In dit akkoord, dat op 1 juli 2019 is ondertekend door de Minister voor Rechtsbescherming, de VNG, de reclasser"},{"b":"Beleidslijn van de Minister van Financiën inzake de aanvraag of verlening van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een marktexploitant op grond van artikel 5:32d Wft Inleiding Deze beleidslijn vervangt de [Beleidslijn verklaringen van geen bezwaar markten in financiële instrumenten in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020842) (hierna: de oude beleidslijn). De wijzigingen zijn het gevolg van de inwerkingtreding van de [Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022731). Deze wet strekte tot wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft) ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID), de uitvoeringsrichtlijn MiFID en de uitvoeringsverordening MiFID. Artikel 2, onderdeel 8, van de uitvoeringsverordening MiFID definieert een handelsplatform als een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling die in deze hoedanigheid optreedt, en, in voorkomend geval, een systeem van buiten de Europese Gemeenschap met functies die vergelijkbaar zijn met die van een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit. Gelet op deze rechtstreeks werkende definitie van het begrip handelsplatform sluit het begrip markt in financiële instrumenten niet meer aan bij de ingevolge de MiFID gehanteerde terminologie. Daarom is het laatstgenoemde begrip vervallen bij de inwerkingtreding van de [Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022731). Deze beleidslijn heeft een beperktere reikwijdte dan de [oude beleidslijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020842) en geldt alleen met betrekking tot gereglementeerde markten. Algemeen Op grond van [artikel 5:32d van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) is he"},{"b":"Beleidsregel 'Ontheffingsbeleid m.b.t. een bestaand zeegaand schip in gebruik voor bedrijfsmatige recreatie t.b.v. de sportvisserij' Artikel 1 1. Om een bestaand schip waarvan de lengte tussen de loodlijnen ingevolge artikel 2, eerste lid, van Bijlage I, van het Schepenbesluit, 24 meter of meer bedraagt, en welke uitsluitend bestemd wordt voor gebruik als bedrijfsmatig zeegaand recreatie vaartuig ten behoeve van de sportvisserij en welk schip op de dag van de inwerkingtreding van de '[Regeling zeegaande passagiersschepen in nationale vaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011573)' (zijnde op17 augustus 2000) beschikte over een geldig Certificaat van Deugdelijkheid dan wel waarvoor op of voor deze datum aantoonbaar een aanvraag was ingediend teneinde het schip als zodanig te certificeren, ontheffing te verlenen van: - • het gestelde ten aanzien van de lekstabiliteit in Hoofdstuk II-2, Deel B, van de Bijlage bij de Richtlijn 2002/25, onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de eisen voor de intacte stabiliteit als bedoeld in [artikel 39 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=39); - • het gestelde ten aanzien van de constructieve brandbescherming in Hoofdstuk II-2 van de Bijlage bij de Richtlijn 2002/25 onder voorwaarde dat, tenminste voor het accommodatie gedeelte van de passagiers, voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van de constructieve brandbescherming voor vrachtschepen als bedoeld in [artikel 52 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=52) dan wel dat de vluchtwegen vanuit deze ruimten naar het open dek voldoende breed zijn en korter zijn dan 5 meter; met dien verstande dat het schip alleen buitengaats mag varen: - 1. bij een windkracht van 6Bf of minder;. - 2. bij een significante golfhoogte van 2 meter of minder; - 3. binnen een vaargebied behorende bij Klasse B van de Richtlijn zijnde 20 mijl uit de Nederlandse kust; - 4. bij daglicht; - 5. indien het schip van"},{"b":"Beleidsregel 2016 voor de beoordeling van verzoeken van notarissen om een ontheffing van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij het indienen van kwartaalcijfers over het derde kwartaal 2016 tot en met het vierde kwartaal 2017 (Beleidsregel ontheffing samenstellingsverklaring 2016) Paragraaf 1. Inleiding Notarissen zijn op grond van [artikel 2, lid 5 van de Regeling op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032707&artikel=2) (Rna) verplicht kwartaalcijfers bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) in te dienen. De kwartaalcijfers dienen te worden voorzien van een samenstellingsverklaring van een accountant. Op grond van artikel 2, lid 6 van de Rna kan het BFT ontheffing verlenen van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij de kwartaalcijfers. Paragraaf 2. Voorwaarden ontheffing samenstellingsverklaring Om in aanmerking te komen voor een ontheffing voor de periode van het derde kwartaal 2016 tot en met het vierde kwartaal 2017, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: - 1. Het resultaat voor belasting (plus de managementfee) volgens de jaarcijfers 2015 en 4e kwartaalcijfers 2015 zoals opgenomen in de verslagstaten is aan elkaar gelijk dan wel het verschil bedraagt maximaal € 10.000. Indien er echter sprake is van een verschil van meer dan € 10.000, dan mag dit verschil niet meer bedragen dan 10% van het resultaat voor belasting (plus de managementfee) volgens de jaarcijfers 2015. Bovendien moet voor dit verschil bij het verzoek om ontheffing een acceptabele verklaring worden gegeven. - 2. Bij de jaarrekening over 2015 is een goedkeurende controleverklaring zonder een verplicht toelichtende paragraaf over de continuïteit afgegeven dan wel bij een kleine notarisorganisatie is een goedkeurende beoordelingsverklaring afgegeven zonder een verplicht toelichtende paragraaf over de continuïteit. - 3. Over 2015 zijn alle in te dienen financiële kantoorgegevens tijdig (al dan niet met uitsteltermijn"},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zilveren Kruis Zorgkantoor Artikel 1 Zilveren Kruis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051931) en [2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051931) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zilveren Kruis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor Menzis Artikel 1 Zorgkantoor Menzis hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051835) en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor Menzis. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg CZ Zorgkantoor Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051862) en [2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051862) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg CZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Salland Zorgkantoor Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051932) en [2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051932) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Salland Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid Artikel 1 Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051879) en [2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051879) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg VGZ Zorgkantoor Artikel 1 VGZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg VGZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Zorgkantoor DSW Artikel 1 Zorgkantoor DSW hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051760) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor DSW. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Adz:* algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - *Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg:* algemene diensten of activiteiten ten behoeve van Parkinsonzorg; - *Adz-zorgaanbieder:* zorgaanbieder die Adz levert; - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - *tarief:* prijs voor een prestatie of het geheel van prestaties van een zorgaanbieder; - *Vrij tarief:* tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg als bedoeld in [artikel 2.4. van het Besluit zorgvezekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) voorzover het gaat om Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg. Artikel 4. Prestatiebeschrijving Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg zijn algemene diensten of activiteiten geleverd door een Adz-zorgaanbieder en omvat de volgende negen"},{"b":"Beleidsregel AFM en DNB toepassing en uitvoering Wfm BES en Wwft BES 2012 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (definities) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *DNB:* de Nederlandsche Bank N.V.; - b. *AFM:* Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. *CBCS:* Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, alsmede haar rechtsvoorgangster, de Bank van de Nederlandse Antillen (BNA); - d. *de openbare lichamen of Caribisch Nederland:* de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. *de Wfm BES:* de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) (Stb. 2011, 612); - f. *hetBfm BES:* het [Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636) (Stb. 2012, 238); - g. *de Wwft BES:* de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824) (Stb. 2011, 613). Hoofdstuk 2. Gezamenlijke beleidsregels van AFM en DNB § 2.1. Geschiktheid Artikel 2. (geschiktheid van dagelijks beleidsbepalers en commissarissen) 1. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot de uitoefening van het bedrijf van bemiddelaar in schadeverzekeringen of levensverzekeringen, gevolmachtigd agent of ondergevolmachtigd agent, bedoeld in [artikel 3:4 van het Bfm BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:4). 2. Bij toetsingen van de geschiktheid van dagelijks beleidsbepalers of van personen die deel uitmaken van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming, als bedoeld in [artikel 3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:5), [artikel 3:30, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:30), of [artikel 10:5, tweede lid, van de Wfm BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=10:5), passen AFM en DNB de [Beleidsregel geschiktheid 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031740)(Stcrt"},{"b":"Beleidsregel afsluitmiddelen in schotten van vissersvaartuigen Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 Voor schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van deze schotten aan boord van vissersvaartuigen alsmede de bevestiging en de beproeving ervan, dient een veiligheidsniveau aangetoond te worden dat ten minste gelijkwaardig is aan hetgeen is voorgeschreven door het op grond van artikel 1.7, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 gekozen klassebureau, dan wel als beschreven is in relevante ISO-normen op dit gebied. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel afvoersysteem voor werkdekken van vissersvaartuigen Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen. Artikel 2 1. Een afvoersysteem als bedoeld in artikel 2.16, eerste en tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 wordt in elk geval als efficiënt aangemerkt indien het voldoet aan de volgende voorwaarden: - a. aan de achterzijde van de visverwerkingsruimte is een dwarsscheeps geplaatste afvoergoot met aan stuurboord- en bakboordzijde aangebrachte lensputten die geschikt zijn voor het afvoeren van spoelwater en visafval, aan de voorzijde kan worden volstaan met het aan stuurboord- en bakboordzijde aanbrengen van een lensput; - b. op elke aan de achterzijde van de visverwerkingsruimte aangebrachte lensput is een lenspomp van voldoende capaciteit aangesloten die geschikt is voor het overboord pompen van het spoelwater en het visafval en deze lensputten staan met elkaar in verbinding zodat elke lenspomp kan dienen als reserve voor de andere pomp; - c. indien de afvoergoot is aangebracht in een dekgedeelte dat niet de volle breedte van de visverwerkingsruimte beslaat, kan worden volstaan met het aanbrengen van één lensput waarop ten minste twee onafhankelijke lenspompen zijn aangesloten, die ieder geschikt en van voldoende capaciteit zijn voor het overboord pompen van het spoelwater en het visafval; - d. de lensputten aan de voorzijde van de visverwerkingsruimte zijn aangesloten op een afzonderlijke lenspomp; - e. de lensputten aan de voorzijde van een visverwerkingsruimte die is gelegen boven een andere visverwerkingsruimte kunnen worden gelensd op de lensputten van de onderste visverwerkingsruimte, mits hiermee rekening is gehouden bij het bepalen van de capaciteit van de desbetreffende lenspomp of lenspompen; - f. de persleidingen van de afzonderlijke lenspompen worden naar een zo hoog mogelijk boven de hoogst gelegen lastlij"},{"b":"Beleidsregel amateurluchtvaartuigen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *luchtarbeid:* een activiteit waarbij het luchtvaartuig wordt gebruikt voor speciale diensten zoals landbouwspuitvliegen, constructiewerkzaamheden, luchtfotografie, begeleiding, observatie en controle of luchtreclame; - b. *amateurluchtvaartuig:* een luchtvaartuig dat, al dan niet volgens eigen ontwerp, is gebouwd door een amateurbouwer voor privégebruik, zonder commercieel oogmerk; - c. *directeur-generaal:* directeur-generaal van de rijksluchtvaartdienst; - d. *geluidswijziging:* een wijziging aan het luchtvaartuig die invloed kan hebben op de geluidproduktie van het luchtvaartuig; - e. *log-entry:* een verklaring met betrekking tot uitgevoerde werkzaamheden. Artikel 2 Amateurluchtvaartuigen behoeven niet vervaardigd te worden door of onder toezicht van een hiertoe erkend bedrijf als bedoeld in artikel 93 van de Regeling Toezicht Luchtvaart. Artikel 3 1. Voor het verlengen van de termijn van geldigheid van het bewijs van luchtwaardigheid wordt door de eigenaar of houder van een amateurluchtvaartuig een aanvraag ingediend bij de directeur-generaal. 2. In de aanvraag wordt aangegeven: - a. dat het amateurluchtvaartuig nog steeds in luchtwaardige toestand verkeert; - b. dat eventuele wijzigingen zijn goedgekeurd door de ontwerper; - c. dat eventuele geluidswijzigingen en wijzigingen van de verplichte instrumenten, radio en transponder zijn goedgekeurd door de directeur-generaal, onder vermelding van het goedkeuringsnummer van de wijziging; - d. dat het amateurluchtvaartuig is onderhouden conform de aanwijzingen van de ontwerper; - e. het aantal vlieguren tijdens de voorgaande 12 maanden. 3. Bij de aanvraag wordt een log-entry gevoegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde luchtwaardigheidsaanwijzingen (AD), bijzondere luchtwaardigheidsaanwijzingen (BLA) en onderhoudsaanwijzingen voor luchtvaartmaterieel (OAL); Artikel 4 De eigenaar of houder van een am"},{"b":"Beleidsregel behandeling concentratierisico opkomende landen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420) - b. *onderneming:* een bank in de zin van [artikel 23, tweede lid, tweede volzin van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=23); - c. *landenrisico:* het risico waarbij een leningnemer in een staat niet aan zijn kredietverplichtingen kan voldoen wegens transfer- of omzettingsrisico’s en het risico op verliezen gerelateerd aan ontwikkelingen in een specifiek land, waarop de overheid in enige mate invloed kan hebben, maar private bedrijven of individuen zeker niet.1Stijn Claessens en Geert Embrechts (2002), ‘Basel II, Sovereign Ratings and Tranfer Risk: External versus Internal ratings’, gepresenteerd tijdens Basel II Conference: An Economic Assessment, Bank for International Settlements.; - d. *materiële landenconcentratie:* het bedrag van het totaal van de niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling ten aanzien van leningnemers uit dezelfde staat, als dit groter is dan 5% van het totaal van de niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling. Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op materiële landenconcentraties waarvan het landenrisico niet te verwaarlozen is. Artikel 3 Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027921&artikel=4&z=2010-07-17&g=2010-07-17) mag de materiële landenconcentratie worden verminderd met: - a. de waarde van de zekerheden die de onderneming heeft verkregen ter gehele of gedeeltelijke dekking van de vorderingen voor zover deze zekerheden niet zijn blootgesteld aan een vergelijkbaar landenrisico als de vorderingen ter dekking waarvan zij dienen; - b. 70% van de waarde van het te ontvangen bedrag van kortlopende vorderingen uit hoofde van handelsfinanciering ten aanzien van leningnemers in datzelfde land; - c. een perce"},{"b":"Beleidsregel bekostigingscyclus Wlz 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *concern:* concern als bedoeld in [artikelen 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24a), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b) en [406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=406) (BW). Met een concern wordt gelijkgesteld twee of meer rechtspersonen die gelieerd zijn aan elkaar door eenzelfde in de statuten vermeld doel en door een nauw verweven financiële afhankelijkheid ten opzichte van elkaar. - *consolidatieoverzicht:* het overzicht dat door de zorgaanbieder aan de nacalculatie-opgave 2025 moet worden toegevoegd als de op te geven financiële gegevens onderdeel uitmaken van een consolidatie en de zorgaanbieder bij de accountantscontrole in voornoemde opgave van die consolidatie wil uitgaan. Het betreft een overzicht waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: - • NZa-nummers van de desbetreffende zorgaanbieders; - • de namen van de zorgaanbieders die bij deze NZa-nummers behoren; - • de namen van de zorgkantoren die bij deze NZa-nummers behoren; - • de namen van de Wlz-uitvoerders die bij deze NZa-nummers behoren; - • het bedrag per NZa-nummer voor totaal gerealiseerde productie over 2025, alsmede een geconsolideerd totaalbedrag; - • het bedrag per NZa-nummer voor de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2025, alsmede een geconsolideerd totaalbedrag; - • indien van toepassing: toelichting; - • ondertekening door de zorgaanbieder die de nacalculatie-opgave indient. - *gehonoreerde productieafspraak:* de productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de bele"},{"b":"Beleidsregel bekostigingscyclus Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *concern:* concern als bedoeld in [artikelen 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24a), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b) en [406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=406) (BW). Met een concern wordt gelijkgesteld twee of meer rechtspersonen die gelieerd zijn aan elkaar door eenzelfde in de statuten vermeld doel en door een nauw verweven financiële afhankelijkheid ten opzichte van elkaar. - *consolidatieoverzicht:* het overzicht dat door de zorgaanbieder aan de nacalculatie-opgave 2026 moet worden toegevoegd als de op te geven financiële gegevens onderdeel uitmaken van een consolidatie en de zorgaanbieder bij de accountantscontrole in voornoemde opgave van die consolidatie wil uitgaan. Het betreft een overzicht waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: - – NZa-nummers van de desbetreffende zorgaanbieders; - – de namen van de zorgaanbieders die bij deze NZa-nummers behoren; - – de namen van de zorgkantoren die bij deze NZa-nummers behoren; - – de namen van de Wlz-uitvoerders die bij deze NZa-nummers behoren; - – het bedrag per NZa-nummer voor totaal gerealiseerde productie over 2026 alsmede een geconsolideerd totaalbedrag; - – het bedrag per NZa-nummer voor de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2026 alsmede een geconsolideerd totaalbedrag; - – indien van toepassing: toelichting; - – ondertekening door de zorgaanbieder die de nacalculatie-opgave indient. - *gehonoreerde productieafspraak:* de productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleid"},{"b":"Beleidsregel Belastingverdragen Duitsland *De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit regelt de voortzetting onder het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland (2012) van het besluit van 28 mei 2002, nr. IFZ2002/507M, met betrekking tot de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven met grond in de andere staat en de intrekking van de regeling van 27 september 2002, nr. IFZ 2002/715M en de regeling van 14 november 2007, nr. IFZ 2007/754M.* 1. Inleiding Op 1 januari 2016 wordt het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van toepassing. Op basis van artikel 25, derde lid, van dit verdrag, zijn de bevoegde autoriteiten van Nederland en Duitsland op 27 november 2015 overeengekomen dat de bepalingen uit het besluit IFZ2002/507M met betrekking tot de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven van toepassing blijven onder dit verdrag. De Nederlandse en Duitse bevoegde autoriteit zijn ook overeengekomen dat de regelingen betreffende bloemenhandelaren en ontslagvergoedingen, niet worden voortgezet. 2. Winstverdeling Het besluit IFZ2002/507M regelt de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven met grond in de andere verdragsstaat. De hierin bepaalde winstverdeling blijft onverminderd van kracht onder het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012. 3. In te trekken regelingen Met het van toepassing worden van het nieuwe belastingverdrag, is met Duitsland overeengekomen dat, behoudens de algemene overgangsregeling in artikel 33, zesde lid, van het nieuwe belastingverdrag tussen Duitsland en Nederland, de [regeling van 27 september 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014025), nr. IFZ 2002/715M betreffende de bloemenhandelaren en de [regeling van"},{"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: 1.1 (Medische) vervolgopleidingen De (medische) vervolgopleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is, zijn te verdelen in twee categorieën: - • Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist; - • Ziekenhuisopleidingen en/of Entrustable Professional Activities (EPA’s) en/of EPA-overstijgende leeractiviteiten (EOL) als genoemd in artikel 1.3 en/of 1.4. 1.2 Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist De vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn: - a De 28 erkende medisch specialismen: anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, SEH-arts, sportgeneeskunde en urologie; - b De technische zorg specialismen: klinische chemie, klinische fysica en ziekenhuisfarmacie; - c De tandheelkundige specialismen: orthodontie en kaakchirurgie; - d De overige specialismen: arts voor verstandelijk gehandicapten, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en verslavingsarts; - e Gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut; - f Klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog; - g Verpleegkundig specialist in de ggz. 1.3 Ziekenhuisopleidingen De vervolgopleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel zijn: - a Deskundige infectiepreventie, gipsverbandmeester en gespecialiseerd verpleegkundigen, te weten: IC-verpleegkundige, IC-neonatologieverpleegkundige, IC-kinderverpleegkundige, kinderverpleegkundige, dialyseverpleegkundige, oncologieverpleegkundige1Hieronder v"},{"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Academische zorg:* Het uitvoeren van topreferente zorg, innovatieve zorg en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in [onderdeel B van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) (Stb. 2012, 396). - *Academische zorgomzet:* De zorgomzet, inclusief het opleidingsfonds en de beschikbaarheidbijdragen, maar exclusief de beschikbaarheidbijdrage academische zorg, in de enkelvoudige jaarrekening. De werkplaatsfunctie wordt in de academische zorgomzet niet meegenomen. - *Beschikbaarheidbijdrage:* Bijdrage als genoemd in [artikel 56a Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). - *BBAZ:* Beschikbaarheidbijdrage academische zorg. - *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) van 24 augustus 2012. - *Bijlage:* [Bijlage B bij artikel 2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). - *DIS (dbc-Informatiesysteem):* Digitale databank zoals omschreven in de ‘Regeling verplichte aanlevering minimale dataset medisch specialistische zorg (MDS)’. - *Gedeelde dbc-zorgproducten:* Deze zorgproducten worden geleverd door zowel de ontvangers van de BBAZ als de overige instellingen voor medisch specialistische zorg. De tarieven van deze dbc-zorgproducten zijn gebaseerd op kostengegevens van zowel ontvangers als niet ontvangers van de BBAZ. Het gaat om alle dbc-zorgproducten die niet als unieke dbc-zorgproducten zijn gedefinieerd. De unieke dbc-zorgproducten zijn opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051350&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze beleidsregel. - *Minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *NWO-lijst:* Een lijst van kennisinstellingen die door de Nederlandse"},{"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg 2024–2043, Nederlandse Zorgautoriteit Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg geleverd door universitaire medische centra en het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Doel van deze beleidsregel is het bekostigen van kapitaallasten in verband met academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Besluit:* [Besluit Beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) van 24 augustus 2012, Staatsblad 2012, nr. 396. - *Academische zorg:* Hieronder wordt verstaan het uitvoeren van topreferente zorg en innovatieve zorg, en de ontwikkeling van nieuw vormen van diagnostiek en behandeling. De uitgebreide omschrijving van academische zorg is opgenomen in [onderdeel B van de bijlage bij het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). - *DHAZ-convenant:* Het tussen de ministeries van VWS, OC&W en de NFU overeengekomen convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen (DHAZ). Op grond van dit convenant, dat geldt sinds 2004, konden en kunnen de universitaire medische centra beschikken over een jaarlijks investeringskader (voor instandhoudinginvesteringen en vervangende nieuwbouw). - *Beschikbaarheidbijdrage:* Een bijdrage als genoemd in [artikel 56a Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). - *Minister:* De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 4. Algemeen 4.1. *Aangewezen vormen van zorg* Bij of krachtens het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) is door de minister een aantal vormen van zorg aangewezen waarvoor de NZa een beschikbaarheidbijdrage kan vaststellen. Mede op basis van dit Besluit heeft de NZa onderhavig beleid ten aanzien van de verlening van de beschi"},{"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage op aanvraag Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Besluit:* [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971). - *Bijlage:* [Bijlage bij artikel 2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971). - *Beschikbaarheidbijdrage:* Bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). - *dbc-omzet (integrale tarieven) brandwondenzorg:* De in het betreffende jaar gerealiseerde dbc’s en de daarbij gerealiseerde ic add-on’s. - *IGJ:* Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd - *Jaar t:* Jaar t is het betreffende subsidiejaar waarop deze beleidsregel van toepassing is. - *Minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *Orgaancentrum:* Instelling zoals bedoeld in [artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=24). Hiermee wordt gedoeld op de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). - *OTO:* Opleiden, Trainen en Oefenen bij rampen en crises zoals vastgelegd op 16 oktober 2008 in het Convenant inzake Opleiden, trainen en oefenen ter voorbereiding van rampen en crises. - *SEH-consult:* Spoedeisende hulp contact op de seh-afdeling met code 190015 als bedoeld in de Regeling medisch-specialistische zorg. - *Uniform kader:* Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa. - *Wbmv:* [Wet bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Voor een aantal activiteiten en voorzieningen van zorgaanbieders is het niet mogelijk en/of wenselijk om deze rechtstreeks aan zorgproducten voor individuele consumenten toe te rekenen. Het gaat om specifieke functies of kenmerken van de zorgverlening, zoals beschikbaarheid, specifieke deskundigheid of specifieke voorzieningen. Doel van deze beleidsregel betreft het vaststellen van de wijze van bekostiging van deze activiteiten en"},{"b":"Beleidsregel bestuurlijke boete voertuig openbare weg zonder handelaarskenteken Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *erkenninghouder:* Het erkende bedrijf als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=2), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=5), [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=6) of [artikel 8 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=8). - *handelaarskenteken:* kenteken als bedoeld in [artikel 3 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=3). - *overtreding:* het zich op de openbare weg, zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), bevinden van een voertuig dat in de bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad is opgenomen en niet is voorzien van een handelaarskenteken. - *natuurlijk persoon:* eenmanszaak of vennootschap onder firma waarbij firmanten geen rechtspersoon zijn. - *rechtspersoon:* alle rechtsvormen die geen natuurlijk persoon zijn. Artikel 2. Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op de bestuurlijke boete bij constatering van een voertuig dat in de bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad is opgenomen en niet is voorzien van een handelaarskenteken. Artikel 3. Waarschuwing, bestuurlijke boete en recidive 1. Bij constatering van een overtreding van [artikel 10, zesde lid van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=10) (erkenning bedrijfsvoorraad), [artikel 17, tiende lid van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=17) (erkenning inschrijven zonder onderzoek), [artikel 19, zesde lid van de Regeling erkenn"},{"b":"Beleidsregel bestuurlijke boete Wmg 2024 Ingevolge [afdeling 6.4. van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=6.4) (Wmg) is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. In deze beleidsregel geeft de NZa nadere invulling aan deze bevoegdheid. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen waar de NZa bevoegd is om op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) een bestuurlijke boete op te leggen. 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid om boetes op te leggen. In deze beleidsregel zal de NZa met name de wijze van vaststelling van de hoogte van de boete nader invullen. 3. Begripsbepalingen 3.1. Omzet De totale netto jaaromzet1De berekening van de omzet geschiedt in beginsel op de voet van het omzetbegrip van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. van de overtreder (zoals opgenomen in de jaarrekening) in het jaar voorafgaand aan de boetebeschikking, tenzij deze omzet naar het oordeel van de NZa geen passende beboeting toelaat. Onder dit omzetbegrip valt eveneens een schatting van de omzet, bijvoorbeeld indien deze niet op basis van de door de overtreder verstrekte informatie kan worden bepaald. 3.2. Boetegrondslag Percentage van de omzet van onderneming. Dit percentage stelt de NZa vast op grond van de waardering van de overtreding in abstracto. 3.3. Basisboete Voor de beoordeling van de ernst van de overtreding beziet de NZa voorts de context van de overtreding in concreto. Deze toets leidt tot de zogenaamde ernstfactor. Boetegrondslag x ernstfactor resulteert in de basisboete. 3.4. Onderneming Elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. 3.5. Rechtsvorm De rechtsvorm is de juridische vorm van een bedrijf of organisati"},{"b":"Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. *basisbedrag:* het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde categorie voordat toepassing is gegeven aan [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052246&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2026-02-04&g=2026-02-04) van deze beleidsregel; - c. *Bki:* [Besluit kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422); - d. *boete:* bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - e. *boetebandbreedte:* de bandbreedte waarbinnen een bestuurlijke boete wordt vastgesteld; - f. *boetemaximum:* boete van ten hoogste een bij [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) vastgesteld bedrag; - g. *overtreding:* een overtreding van een wettelijke bepaling uit de [Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685), het [Bki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422) en de [Rki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049507); - h. *rechtspersoon:* de personen bedoeld in [artikel 2.1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=1) of een buitenlandse equivalent; - i. *recidive:* de omstandigheid dat binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het opgemaakte rapport, bedoeld in [artikel 5:48 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:48), de Inspectie JenV een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift door die overtreder heeft vastgesteld en hiervoor een (informele) maatregel heeft opgelegd en aan de overtreder heeft bekendgemaakt; - j. *Rki:* [Regeling kwal"},{"b":"Beleidsregel betaling zonder machtiging aan Zorginstituut Nederland en het CAK Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *Het CAK:* het CAK, bedoeld in [artikel 6.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1). - *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [artikel 2 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2). - *Zorginstituut Nederland:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58). Artikel 2 Indien degene, aan wie een uitkering in de zin van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), of [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) is toegekend, een bijdrage verschuldigd is voor verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), betaalt UWV na ontvangst van een daartoe strekkend inhoudingsverzoek, de uitkering tot het bedrag van die bijdrage, in plaats van aan degene aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit aan Zorginstituut Nederland. Artikel 3 Indien degene, aan wie een uitkering in de zin van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.o"},{"b":"Beleidsregel betreffende de erkenning van bedrijven bevoegd tot inbouw, vervanging en de controle van het functioneren van een radarinstallatie, bochtaanwijzer en Automatic Identification System (Beleidsregel erkenning bedrijven radarinstallatie, bochtaanwijzer en Automatic Identification System) Artikel 1 Een erkenning van een bedrijf voor de inbouw of vervanging en controle van radarinstallaties, bochtaanwijzers en AIS (Automatic Identification System) apparatuur zal geschieden op basis van de volgende criteria: - a. het hebben van aantoonbare ervaring met de inbouw, vervanging, reparatie en het onderhoud van bovenomschreven apparatuur; - b. het aantoonbaar beschikken over voor hun taak geschikt personeel; - c. het hanteren van een gangbaar kwaliteitborgingssysteem, vergelijkbaar met de algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren, zoals aangegeven in ISO 17020; - d. het toegang hebben tot actuele technische manuals, servicebulletins en de nieuwste software versies van de fabrikant; - e. het zijn van een rechtspersoon; - f. het hebben van een vestiging in Nederland; - g. het ingeschreven zijn bij de kamer van koophandel en fabrieken; - h. het in staat zijn de uit de erkenning voortkomende werkzaamheden waar dan ook te verrichten; - i. het voeren van een naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat ordentelijke administratie. Artikel 2 Aan een erkenning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024971&artikel=1&z=2008-12-25&g=2008-12-25) zullen in elk geval de volgende voorwaarden worden verbonden: - a. het erkende bedrijf verleent onvoorwaardelijk medewerking aan audits en steekproeven, gehouden door of vanwege de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de kwaliteit van de werkzaamheden; - b. het erkende bedrijf verstrekt onvoorwaardelijk en kosteloos informatie die benodigd is voor het uitoefenen van toezicht door of vanwege de i"},{"b":"Beleidsregel betreffende de uitoefening van de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse zaken tot het afgeven van verklaringen van geen bezwaar, als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens Artikel 1 1. Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4) en [5 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5), in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7), bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met: - a. de aard van de gegevens; - b. de ouderdom van de gegevens; - c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben; - d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen; - e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens; - f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens. 2. Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende: - a. gebruik of handel in harddrugs; - b. handel in grotere hoeveelheden softdrugs; - c. voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens; - d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling; - e. verduistering, oplichting of valsheid in geschriften; - f. misdrijven tegen het leven gericht; - g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling; - h. afpersing of afdreiging; - i. misdrijven tegen de veiligheid van de Staat; - j. deelneming aan een criminele organisatie, of deelneming aan de voortzetting van een verboden en ontbonden rechtspersoon; - k. luchtvaartmisdrijv"},{"b":"Beleidsregel bijzondere tandheelkunde instellingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Instelling voor bijzondere tandheelkunde:* Een instelling voor bijzondere tandheelkunde is een instelling die zich kenmerkt door een samenwerkingsverband van gedifferentieerde mondzorgverleners met specifieke deskundigheden, vaardigheden, kennis en faciliteiten respectievelijk ondersteuning dat consultatie, diagnostiek en behandeling verleent aan patiënten met bijzondere tandheelkundige problematiek. De te behandelen patiënten kennen een zodanige problematiek dat de hulp redelijkerwijs niet (volledig) kan worden geboden in de huis- of eerstelijns verwijspraktijk (horizontale verwijzing waarbij de huistandarts de hoofdbehandelaar blijft). De aard van de specifieke problematiek vereist veelal een multidisciplinaire aanpak en kan zijn gelegen in de tandheelkundig-technische moeilijkheidsgraad en/of in de problemen van lichamelijke en/of verstandelijke aard van de te behandelen patiënt. Een instelling voor bijzondere tandheelkunde moet voldoen aan een aantal vereisten. Hiervoor sluit de NZa onverkort aan bij het door Cobijt/ZN opgestelde document ‘Erkenningscriteria instellingen voor bijzondere tandheelkunde’.1[www.zn.nl/dossier/eerstelijnszorg/mondzorg](http://www.zn.nl/dossier/eerstelijnszorg/mondzorg) De toets of een instelling voldoet aan de gestelde erkenningscriteria wordt door de instelling voor bijzondere tandheelkunde met de betreffende (representerende) zorgverzekeraar(s) vastgesteld. - *Tarieven bijzondere tandheelkunde:* Instellingen voor bijzondere tandheelkunde die voldoen aan de daarvoor gestelde erkenningscriteriakunnen een individueel vast tijdstarief verkrijgen op grond van een verzoek dat is ingediend samen met de twee representerende zorgverzekeraars. De hoogte van dit tarief wordt door de NZa getoetst aan het hiervoor geldende toetsingskader bijzondere tandheelkunde. Instellingen voor bijzondere tandhe"},{"b":"Beleidsregel boete werkgevers ZW Artikel 1. Definities: In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Melding:* een mededeling als bedoeld in [artikel 38, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38), [artikel 38a, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38a), [artikel 38b, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38b), [artikel 38aa, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38aa), en [artikel 63c, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63c). - b. *Digipoort:* een landelijk werkend digitaal systeem voor gegevensverwerking, waarin de onder a bedoelde meldingen worden verwerkt. - c. *Verzuimmelder:* een UWV internetapplicatie die het mogelijk maakt meldingen als bedoeld onder a, te doen. - d. *Storing:* het (tijdelijk) slecht of niet functioneren van het systeem als bedoeld onder b of c, waardoor de digitale aanlevering van meldingen als bedoeld onder a, niet mogelijk is. Algemeen Artikel 2 Een te late melding is verwijtbaar als de oorzaak van de te late melding binnen de invloedssfeer van de werkgever ligt. Artikel 3 De boete die is berekend met toepassing van de [artikelen 2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2b) of [2c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2c), wordt met 50% verlaagd indien de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven. Digitale meldingen Artikel 4 Een te late digitale melding is niet verwijtbaar als de te late melding een gevolg is van een storing die ligt binnen de invloedssfeer van de werkgever, maar zich voordoet in de eerste maand nadat de werkgever is aangesloten op Digipoort. Artikel 5 Een te late digitale melding is niet verwijtbaar als de te late melding een"},{"b":"Beleidsregel Boete werknemer 2010 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *WW:* [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - b. *ZW:* [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - c. *WAO:* [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - d. *WAZ:* [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. *Wet Wajong:* [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - f. *Wet WIA:* [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - g. *Wazo:* [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008); - h. *TW:* [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - i. *Wet IOW:* [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394); - j. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - k. *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - l. *basis boetebedrag:* het boetebedrag vastgesteld volgens [artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2); - m. *afstemming:* de verplichting om in elk individueel geval het boetebedrag vast te stellen in evenredigheid tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, bedoeld in [artikel 5:46, tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46); - n. *inlichtingenverplichting:* de verplichting, genoemd in [artikel 25 van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=25), de [artikelen 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=31), en [49 van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=49), [artikel 80 van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"b":"Beleidsregel boete werknemer 2017 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *TW:* [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - b. *WW:* [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - c. *Wet IOW:* [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394); - d. *ZW:* [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - e. *Wet WIA:* [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - f. *WAO:* [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - g. *WAZ:* [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - h. *Wazo:* [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008); - i. *Wajong:* [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - j. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - k. *WvSr:* [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); - l. *Regeling tenuitvoerlegging:* [Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026017) (Stcrt. 2009, 117); - m. *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - n. *wet:* regeling van de bestuurlijke boete in de [TW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043), [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), [Wet IOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394), [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656"},{"b":"Beleidsregel boetetoemetingsbeleid BFT 2025 Het BFT, Autoriteit voor financieel-juridisch toezicht, heeft besloten om het boetetoemetingsbeleid te actualiseren en hierbij vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes die worden opgelegd wegens overtreding van bepalingen uit de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) (Wwft). Het BFT beschikt sinds juni 2016 over een gepubliceerd boetetoemetingsbeleid aan de hand waarvan de hoogte van boetes voor overtredingen van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) wordt vastgesteld. Dit beleid is laatstelijk aangepast in mei 2021. Boete op basis van een wettelijk basisbedrag Het BFT heeft de bevoegdheid om bestuurlijke boetes op te leggen voor overtredingen van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). De hoogte van deze boetes is gebaseerd op een wettelijk basisbedrag. Overtredingen waarvoor een boete kan worden opgelegd zijn door de wetgever ingedeeld in drie categorieën waarbij, afhankelijk van de zwaarte van de overtreding, het basisbedrag is gesteld op € 10.000,– (categorie 1), € 500.000,– (categorie 2) en € 2.000.000,– (categorie 3). Deze basisbedragen kunnen verlaagd dan wel (met uitzondering van de boete voor een overtreding die valt in categorie 1) verhoogd worden tot een maximumbedrag. De maximumbedragen zijn respectievelijk € 10.000,– voor een overtreding die valt in categorie 1, € 1.000.000 voor een overtreding die valt in categorie 2 en € 4.000.000,– voor een overtreding die valt in categorie 3. Het wettelijke basisbedrag is het uitgangspunt bij de bepaling van de boetehoogte door het BFT. Dit basisbedrag wordt (mede in verband met ernst, duur, verwijtbaarheid en draagkracht) aangepast tot een percentage van 1 tot 5% van de meest recente bekende jaaromzet van de overtreder. Daarbij wordt bij de meest voorkomende overtredingen als uitgangspunt genomen 1% van de omzet bi"},{"b":"Beleidsregel BRMO-uitbraak Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *bij de uitbraak betrokken cliënt(en):* dit betreffen cliënten die verblijven in een Wlz-instelling waaraan één van de volgende prestaties wordt geleverd: Indien een Wlz-zorgaanbieder naast één of meerdere van bovengenoemde prestaties ook aan enkele cliënten geriatrische revalidatiezorg en/of eerstelijnsverblijf levert op dezelfde locatie, gaat het ook om die enkele cliënten die op dezelfde locatie geriatrische revalidatiezorg en/of eerstelijnsverblijf ontvangen. Het gaat om alle cliënten aan wie deze prestaties worden geleverd en niet slechts om die cliënten waarbij een BRMO aanwezig is. - – zzp vv-1 tot en met vv-10 in- of exclusief behandeling; - – zzp vv-4 tot en met vv-10 inclusief nbf en in- of exclusief behandeling; - – zzp vg-1 tot en met vg-8 in- of exclusief behandeling; - – zzp lvg-1 tot en met lvg-5 inclusief behandeling; - – zzp sglvg-1 inclusief behandeling; - – zzp lg-1 tot en met lg-7 in- of exclusief behandeling; - – zzp zg aud-1 tot en met zg aud-4 in- of exclusief behandeling; - – zzp zg vis-1 tot en met zg vis-5 in- of exclusief behandeling; - – zzp ggz-3b tot en met ggz-7b inclusief behandeling; - – logeren vv; - – logeren ghz-vg, -lg, -lvg, -zg; - – logeren ggz wonen; - – logeren ghz- zevmb; - – klinisch intensieve behandeling (KIB); - – crisiszorg vv met behandeling; - – crisiszorg ghz – categorie licht; - – crisiszorg ghz – categorie midden; - – crisiszorg ghz – categorie zwaar; - – crisiszorg lvg. - *BRMO:* Pathogene micro-organismen die ongevoelig zijn voor de meest geëigende (dus eerste keus) antimicrobiële middelen of tegen een combinatie van therapeutisch belangrijke antimicrobiële middelen die zonder aanvullende maatregelen tot verspreiding kunnen leiden. Onder BRMO valt onder andere de bacterie MRSA. - *einddesinfectie:* Het desinfecteren, voorafgegaan door reinigen, van de ruimte (oppervlakken, handcontactpunten"},{"b":"Beleidsregel budgetbekostiging acute psychiatrische hulpverlening Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b, c, d en e van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven, prestatiebeschrijvingen, een grens en een vereffeningsbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b) vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, c en e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 26 april 2018, met kenmerk 1309558-174219-CZ, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 26 april 2018 en heeft als kenmerk 1309558-174219-CZ. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 27141. 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *zorgaanbieder:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig acute psychiatrische hulpverlening biedt; - b. *gebudgetteerde zorgaanbieder:* zorgaanbieder op wie, op grond van een beschikking van de NZa, de budgetsystematiek ten aanzien van de acute psychiatrische hulpverlening binnen budget van toepassing is; - c. *beschikbaarheid:* de tijdsperiode waarin een behandelaar volgens het rooster geen andere zorg verleent dan de acute psychiatrische hulpverlening en aanwezig/oproepbaar is om acute psychiatrische hulpverlening binnen budget te kunnen verlenen; - d. *acu"},{"b":"Beleidsregel budgetbekostiging spoedeisende hulp Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen, doel en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *aanwijzing:* opdracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan de NZa van 15 december 2025 met [kenmerk 4315397-1091712-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052156) inzake invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp; - b. *budget:* jaarlijks door de NZa vastgesteld bedrag voor een deel van de spoedeisende hulp conform afbakening aanwijzing. De NZa stelt dit bedrag per zorgaanbieder vast; - c. *definitief budget:* door de NZa in jaar t+2 vastgestelde definitieve budget voor jaar t; - d. *definitieve opbrengsten:* som van het totaal aan gedeclareerde tarieven op basis van prestaties, zoals genoemd in [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0053037&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2026-08-18&g=2026-08-18) met betrekking tot jaar t; - e. *definitief opbrengstresultaat:* verschil tussen het definitief budget en de som van de opbrengsten afkomstig van de prestaties ter dekking van het budget; - f. *gebudgetteerde zorgaanbieder:* zorgaanbieder voor wie een voorlopig budget is vastgesteld door de NZa; - g. *individueel vast tarief:* vast tarief dat de individuele gebudgetteerde zorgaanbieder hanteert bij een prestatie op basis van een individuele tariefbeschikking. Het gaat hierbij om de prestatie ter dekking van het budget; - h. *jaar t:* jaar waarop het budget betrekking heeft; - i. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - j. *normbudget:* budget voor een seh die gedurende het hele jaar 24/7 geopend is; - k. *overig zorgproduct (ozp):* prestatie binnen de medisch-specialistische zorg, niet zijnde een dbc-zorgproduct; - l. *representerende zorgverzekeraar(s):* zorgverzekeraar(s) die door de leden van Zorgverzekeraars Nederland aangewezen zijn om namens hen een overeenkomst te sluiten als bedoeld in het ‘convenant representatiemo"},{"b":"Beleidsregel budgetbekostiging spoedeisende hulp Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen, doel en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *aanwijzing:* opdracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan de NZa van 15 december 2025 met kenmerk [4315397-1091712-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052156) inzake invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp; - b. *budget:* jaarlijks door de NZa vastgesteld bedrag voor een deel van de spoedeisende hulp conform afbakening aanwijzing. De NZa stelt dit bedrag per zorgaanbieder vast; - c. *definitief budget:* door de NZa in jaar t+2 vastgestelde definitieve budget voor jaar t; - d. *definitieve opbrengsten:* som van het totaal aan gedeclareerde tarieven op basis van prestaties, zoals genoemd in [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052435&hoofdstuk=2&artikel=6.5&z=2026-07-01&g=2026-07-01) met betrekking tot jaar t; - e. *definitief opbrengstresultaat:* verschil tussen het definitief budget en de som van de opbrengsten afkomstig van de prestaties ter dekking van het budget; - f. *gebudgetteerde zorgaanbieder:* zorgaanbieder voor wie een voorlopig budget is vastgesteld door de NZa; - g. *individueel vast tarief:* vast tarief dat de individuele gebudgetteerde zorgaanbieder hanteert bij een prestatie op basis van een individuele tariefbeschikking. Het gaat hierbij om de prestatie ter dekking van het budget; - h. *jaar t:* jaar waarop het budget betrekking heeft; - i. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - j. *normbudget:* budget voor een seh die gedurende het hele jaar 24/7 geopend is; - k. *overig zorgproduct (ozp):* prestatie binnen de medisch-specialistische zorg, niet zijnde een dbc-zorgproduct; - l. *representerende zorgverzekeraar(s):* zorgverzekeraar(s) die door de leden van Zorgverzekeraars Nederland aangewezen zijn om namens hen een overeenkomst te sluiten als bedoeld in het ‘convenant representatie"},{"b":"Beleidsregel budgettair kader Wlz 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *basisbudget:* Wlz-kader, stand kader 2024, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2025 van 26 september 2024 (3969258-1071274-LZ). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2024 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - *bruteringseffect:* het effect dat ontstaat door bij het overhevelen van middelen van zin naar pgb en andersom rekening te houden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond of binnen de contracteerruimte is deze brutering niet van toepassing. - *budgettair kader Wlz:* het totale financiële kader dat beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders/ zorgkantoren. - *contracteerruimte:* het totale financiële kader dat beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zorg in natura te contracteren bij zorgaanbieders of zelfstandige zorgverleners. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051672&artikel=4&z=2025-10-30&g=2025-10-30)) en geoormerkte middelen ([artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051672&artikel=7&z=2025-10-30&g=2025-10-30)). - *gehonoreerde productieafspraak:* De productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleidsregels en regelingen van de NZa. - *maximaal beschikbare bedrag persoonsgebonden budgetten:* het totale financiële kader dat beschikbaar is voor zorgkantoren voor de verlening van persoonsgebonden budgetten. - *netto kader:* financieel beschikbare kader, waarbij gecorrigeerd is voor de bruteringseffecten. De middelen die beschikbaar zij"},{"b":"Beleidsregel budgettair kader Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *basisbudget:* Wlz-kader, stand kader 2025, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 en het indicatieve Wlz-kader voor de jaren 2027–2030 van 16 september 2025 (kenmerk 4208786-1087253-LZ; hierna: Definitieve kaderbrief Wlz 2026). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2025 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - *bruteringseffect:* het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond, binnen de contracteerruimte zin, binnen de overige uitvoeringskosten of van overige uitvoeringskosten naar zin is deze brutering niet van toepassing. - *budgettair kader Wlz:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e). Het kader heeft betrekking op zin als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1), de verstrekking van pgb zoals bedoeld in dat artikel en op de overige uitvoeringskosten, en is beschikbaar is voor Wlz-uitvoerders/zorgkantoren. - *contracteerruimte:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, derde lid, onderdeel a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e), en beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zin te contracteren bij zorgaanbieders. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052956&artikel=4&z=2026-08-04&g=2026-08-04)) en geoormerkte midd"},{"b":"Beleidsregel Budgettair kader Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *basisbudget:* Wlz-kader, stand kader 2025, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 en het indicatieve Wlz-kader voor de jaren 2027-2030 van 16 september 2025 (kenmerk 4208786-1087253-LZ; hierna: Definitieve kaderbrief Wlz 2026). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2025 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - *bruteringseffect:* het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond, binnen de contracteerruimte, binnen de overige uitvoeringskosten of van overige uitvoeringskosten naar zin is deze brutering niet van toepassing. - *budgettair kader Wlz:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e). Het kader heeft betrekking op zin als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1), de verstrekking van pgb zoals bedoeld in dat artikel en op de overige uitvoeringskosten, en is beschikbaar is voor Wlz-uitvoerders/zorgkantoren. - *contracteerruimte:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, derde lid, onderdeel a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e), en beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zin te contracteren bij zorgaanbieders. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051684&artikel=4&z=2025-10-30&g=2025-10-30)) en geoormerkte middelen"},{"b":"Beleidsregel budgettair kader Wlz 2027 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *basisbudget:* Wlz-kader, stand kader 2026, zoals opgenomen in de Voorlopige kaderbrief Wlz 2027van 1 juli 2026 (kenmerk 4393772-1099483-LZ). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2026 worden gedaan, worden hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - *bruteringseffect:* het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond, binnen de contracteerruimte, binnen de overige uitvoeringskosten of van overige uitvoeringskosten naar zin is deze brutering niet van toepassing. - *budgettair kader Wlz:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e). Het kader heeft betrekking op zin als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1), de verstrekking van pgb zoals bedoeld in dat artikel en op de overige uitvoeringskosten, en is beschikbaar is voor Wlz-uitvoerders/zorgkantoren. - *contracteerruimte:* het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van [artikel 49e, derde lid, onderdeel a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e), en beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zin te contracteren bij zorgaanbieders. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052944&artikel=4&z=2026-08-04&g=2026-08-04)) en geoormerkte middelen ([artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052944&artikel=8&z=2026-08-04&g=2026-08-04)"},{"b":"Beleidsregel CAK bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2022 Artikel 1. Invordering ex. artikel 9b en 9c 1. Het CAK geeft de verzekeringsplichtige een termijn van zes weken zoals bedoeld in [artikel 4:87 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:87) om de aan hem op grond van [artikel 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) en [9c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) opgelegde bestuurlijke boete te betalen. 2. In afwijking van het eerste lid kan het CAK met de verzekeringsplichtige een betalingsregeling treffen overeenkomstig het bepaalde in de [Beleidsregel betalingsregelingen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047497). 3. Indien geen toepassing is gegeven aan het tweede lid en de verzekeringsplichtige de boete niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant het CAK de verzekeringsplichtige éénmaal aan om binnen twee weken de boete te betalen. Vindt geen nakoming plaats dan gaat het CAK onverkort over tot de invordering van het gehele openstaande bedrag. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel CAK bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2022 Artikel 3. Inwerkingtreding en publicatie Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2022"},{"b":"Beleidsregel CAK betaling bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2017 Artikel 1 1. Het CAK geeft de verzekeringsplichtige een termijn van zes weken om de aan hem op grond van [artikel 9b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) opgelegde bestuurlijke boete te betalen. 2. In afwijking van het eerste lid kan het CAK de verzekeringsplichtige een betalingsregeling aanbieden. De betalingsregeling houdt in dat de verzekeringsplichtige de bestuurlijke boete in drie gelijke maandelijkse termijnen betaalt. Het CAK brengt geen wettelijke rente in rekening over de termijn waarover de betalingsregeling loopt. 3. Indien de verzekeringsplichtige de boete niet binnen de gestelde termijn betaalt, dan wel indien hij zich niet aan de betalingsregeling houdt, maant het CAK de verzekeringsplichtige één maal aan om binnen twee weken de boete te betalen dan wel de termijnbetalingen te hervatten. Vindt geen nakoming plaats, dan vervalt de betalingsregeling en gaat het CAK onverkort over tot de invordering van het gehele openstaande bedrag. 4. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 is van overeenkomstige toepassing indien het CAK een bestuurlijke boete oplegt op grond van [artikel 9c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c). Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel CAK betaling bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2017 Artikel 3. Inwerkingtreding en publicatie Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017."},{"b":"Beleidsregel CAK inning eigen bijdrage AWBZ en WMO Artikel I. Inleiding De wettelijke taak van het CAK is het vaststellen en innen van de eigen bijdrage ([artikel 49 AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=49) en [artikel 16 Wmo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=16)). Per 1 januari 2013 volgt uit het [Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253) ([Bbz, artt. 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=3a), [11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=11a) en [16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=16c)) en uit het [Besluit maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379) ([Bmo, artt. 4.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379&artikel=4.1b) en [4.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379&artikel=4.4a)), dat indien het CAK de eigen bijdrage vaststelt of herziet binnen 24 maanden nadat de voor die actie benodigde gegevens zijn ontvangen, er geen begrenzing is aan de periode waarover de (herziene) eigen bijdrage kan worden vastgesteld of herzien. Artikel II. Doelstelling van de beleidsregel Het CAK vindt het, in verband met de rechtszekerheid van degene die zorg of ondersteuning ontvangt, onwenselijk dat degene die de eigen bijdrage verschuldigd is, als gevolg van een late aanlevering van gegevens, over een periode langer dan 3 zorgjaren een eigen bijdrage dient te betalen. Daarom wordt er door middel van deze beleidsregel voorzien in een inperking van terugwerkende kracht van de innings- of invorderingtermijn die daarbij door het CAK wordt gehanteerd. Artikel III. Inhoud van de beleidsregel Indien u een eigen bijdrage verschuldigd bent en het CAK deze binnen de wettelijke termijn van 24 maanden na ontvangst van uw gegevens vaststelt of herziet, stelt het CAK de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage moet worden betaald niet op een datum die is gelegen meer dan 36 maanden voor d"},{"b":"Beleidsregel Calamiteitenmeldingen Uitvoeringsbesluit Wkkgz Gelet op het bepaalde in [artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8), [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=25), jo. [artikel 11, eerste lid en onder a, van de Wet kwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11), klachten en geschillen gezondheidszorg (hierna: ‘Wkkgz’) en [artikel 8.7 e.v., van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=8.7); zal de inspectie differentiëren in het onderzoeken en behandelen van meldingen van calamiteiten op basis van de volgende factoren: - a. De melding heeft betrekking op een nader te duiden specifieke doelgroep of (sub)sector; - b. De melding heeft betrekking op nader te duiden thematiek; - c. De zorgaanbieder of het bedrijf geeft zelf aan de gesignaleerde risico’s niet (op korte termijn) te kunnen wegnemen; - d. Eerdere ervaringen van de inspectie met de zorgaanbieder, het bedrijf of een zorgverlener; - e. De ernst van de calamiteit; - f. Andere risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Toelichting Hierna volgt een toelichting op de onder a tot en met f genoemde factoren. - a. Aangesloten kan worden bij de ontwikkelfase van de doelgroep of (sub)sector. In een aantal sectoren is bijvoorbeeld al goede ervaring opgedaan met het melden van calamiteiten en/of het verrichten van calamiteitenonderzoek; - b. Te denken valt aan specifieke thema’s, die bijzondere aandacht behoeven. Er zijn ook thema’s die naar de inschatting van de inspectie minder aandacht nodig hebben. Deze thema’s kunnen periodiek wijzigen; - c. Bijvoorbeeld als door een verandering in het bestuur van een organisatie of bij fusie feiten en omstandigheden aan het licht komen die monitoring behoeven of wanneer sprake is van (dreigende) discontinuïteit van zorg door bijvoorbeeld tekorten aan personeel of financiële middelen; - d. E"},{"b":"Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR De toepassing van automatische kentekenherkenning door de politie Samenvatting Door middel van automatische nummerplaatherkenning, ANPR, kan de politie gescande kentekens op automatische wijze vergelijken met de kentekens die in bestanden zijn opgeslagen waarover zij reeds beschikt. Als sprake is van een ‘hit’ kan de politie vervolgens direct effectief optreden: een auto in beslag nemen of een boete innen. In de uitvoering van de dagelijkse politietaak past de politie ANPR in de praktijk al enige tijd toe, terwijl de juridische aspecten van het middel nog niet zijn uitgekristalliseerd. Tussen korpsen onderling kunnen verschillen in toepassing optreden. Onduidelijkheid over wet- en regelgeving kan ten koste gaan van de bescherming van de gegevens van burgers die door ANPR worden verkregen. Deze publicatie van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) geeft invulling aan de wettelijke normen voor correcte en zorgvuldige omgang met persoonsgegevens die bij de toepassing van ANPR moeten worden nageleefd. Uitgangspunten ANPR-toepassing - • ANPR is een methode om gescande kentekens op automatische wijze te herkennen en te verge-lijken in het kader van de uitvoering van de dagelijkse politietaak. - • Een hit is een signaal dat een gescand kenteken voorkomt in het vergelijkingsbestand. - • Het vergelijkingsbestand bestaat uit een verzameling geselecteerde kentekens, die actueel en juist moeten zijn. - • Voor opname in het vergelijkingsbestand moet een aanwijsbare reden zijn. - • Een hit heeft een directe actie tot gevolg waardoor de effectiviteit van de uitvoering van de dagelijkse politietaak toeneemt. - • Een hit voegt informatie toe aan het kenteken dat in het vergelijkingsbestand is opgenomen. Als een kenteken dat wel is opgenomen in het vergelijkingsbestand niet wordt gescand, komt hieruit ook informatie voort. - • No-hits zijn gescande kentekens die niet hebben geleid tot een positief resultaat na vergelijking met het vergelijki"},{"b":"Beleidsregel CBP richtsnoeren informatieplicht basisscholen onderwijskundig rapport De [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp) bevat regels voor de omgang met persoonsgegevens en hanteert als uitgangspunt dat persoonsgegevens door een verantwoordelijke, zoals een basisschool, in overeenstemming met de wet, behoorlijk en zorgvuldig worden verwerkt. Met ‘wet’ wordt hier niet alleen de Wbp bedoeld maar ook andere wettelijke regelingen die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens waaronder leerlinggegevens. Een belangrijke eis die gesteld wordt aan een rechtmatige verwerking van leerlinggegevens is het naleven van de informatieplicht. Voor basisscholen betekent dit onder meer dat zij verplicht zijn om bepaalde informatie op eigen initiatief te verstrekken aan de ouders of verzorgers (hierna: de ouders) van de basisschoolleerling (de betrokkene). De informatieplicht is geregeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=33) en [34 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=34). De juiste naleving van de informatieplicht stelt de ouders van een leerling in staat om te volgen welke gegevens van de leerling worden verwerkt en op welke wijze. Op basis hiervan kan vervolgens gebruik worden gemaakt van de rechten die de betrokkene op grond van de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) toekomen, bijvoorbeeld het recht op inzage ([artikel 35 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35)). Doel van dit richtsnoer Het College bescherming persoonsgegevens heeft dit richtsnoer opgesteld ter verduidelijking en concretisering voor basisscholen van de wettelijke norm met betrekking tot de informatieplicht in de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468). Informatieplicht met betrekking tot het onderwijskundig rapport De basisschool is volgens [artikel 42 Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"b":"Beleidsregel College tarieven gezondheidszorg Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a, 16b en 17 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1), zodanige beleidsregels vast dat de indieningstermijn voor primaire productieafspraken met betrekking tot het boekjaar 2004 op 5 april 2004 wordt vastgesteld. Artikel 2 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a, 16b en 17 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1), zodanige beleidsregels vast dat verzoeken tot het verwerken van aanvullende productieafspraken in de tarieven met betrekking tot het boekjaar 2004 kunnen worden ingediend en gehonoreerd voorzover het financiële effect daarvan wordt gecompenseerd door bijstelling van het totaal aan productieafspraken van vorenbedoelde organen voor gezondheidszorg. Artikel 3 1. In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016712&artikel=1&z=2004-05-16&g=2004-05-16) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016712&artikel=2&z=2004-05-16&g=2004-05-16), kunnen verzoeken tot het verwerken van productieafspraken in de tarieven met betrekking tot het boekjaar 2004 ten gevolge van bouw op grond van de [Wet Ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) en de [Tijdelijke Verstrekkingenwet Maatschappelijke Dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002957) worden ingediend en gehonoreerd, voorzover sprake is van capaciteitswijziging en levering van de functie genoemd in [artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=9). 2. In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016712&artikel=1&z=2004-05-16&g=2004-05-16) en [artikel 2](https://wetten.ove"},{"b":"Beleidsregel criteria verduurzamingsloket gewasbeschermingsmiddelen Ctgb Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 1 januari 2024, inzake de inrichting van een verduurzamingsloket Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Gelet op de [beleidsregel toelatingsprocedure gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049176), in samenhang gelezen met de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Ctgb:* College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - b. *Feromoon:* een type semiochemical zoals bedoeld in EU-richtsnoer SANTE/12815/2014. - c. *Gebruik:* gebruiksdoeleinden overeenkomstig artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a van Verordening (EG) Nr. 1107/2009; - d. *Gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) Nr. 1107/2009; - e. *Laagrisicostof:* werkzame stof met een laag risico zoals bedoeld in artikel 22 en Bijlage II, punt 5 van Verordening (EG) Nr. 1107/2009 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011, Deel D (Werkzame stoffen met een laag risico); - f. *Micro-organisme:* micro-organisme zoals bedoeld in artikel 3 lid 15 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; - g. *Semiochemical:* stof of mengsel van stoffen dat door planten, dieren en andere organismen wordt afgegeven om te communiceren, zoals bedoeld in EU-richtsnoer SANTE/12815/2014; - h. *Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011:* Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft; - i. *Verordening (EG) nr. 1107/2009:* Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het E"},{"b":"Beleidsregel criteria voor afwijkingen EU Aansluitverordeningen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *EU Aansluitverordeningen:* Verordening (EU) 2016/631, Verordening (EU) 2016/1388 en Verordening (EU) 2016/1447, - b. *afwijkingsverzoek:* een verzoek voor afwijking van één of meerdere eisen van de bepalingen in de EU Aansluitverordeningen, - c. *de ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2. Criteria voor het toestaan van afwijkingen - a. Bij de beoordeling van een afwijkingsverzoek zal de ACM onder andere rekening houden met de volgende eigenschappen van de installaties, systemen of verbruikseenheden zoals bedoeld in de EU-Aansluitverordeningen waarop het afwijkingsverzoek betrekking heeft: - ○ de aard (en het type) van de installaties, systemen of verbruikseenheden, - ○ het spanningsniveau op het aansluitpunt, - ○ de maximumcapaciteit. - b. Bij de beoordeling van een afwijkingsverzoek zal de ACM onder andere de volgende criteria hanteren: - ○ de mogelijke impact op de operationele veiligheid en stabiliteit van het netwerk, - ○ de mogelijke impact op de grensoverschrijdende handel, - ○ de mogelijke negatieve gevolgen en de risico’s voor andere marktdeelnemers, - ○ de mogelijke impact op de belangen van consumenten. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel criteria voor afwijkingen EU Aansluitverordeningen. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel Definities Wlz Artikel 1. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel bepaalt en geeft uitleg aan de begrippen die gebruikt worden in de regelgeving van de NZa. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) die wordt geleverd doorzorgaanbieders. Artikel 3. Begripsbepalingen - *Aanmelding:* Aanmelding van de Wlz-uitvoerder conform [artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1). - *Aanvaardbare kosten:* Het budget van een zorgaanbieder voor enig jaar dat de NZa berekent aan de hand van de voor dat jaar van toepassing zijnde beleidsregels. - *Administratieve organisatie / interne beheersing:* Het geheel van procedures, regels, maatregelen en financieel-administratieve systemen binnen een organisatie met betrekking tot het tot stand brengen en goed laten functioneren van de organisatie, zodat: - ○ de juiste en volledige informatie tijdig beschikbaar is voor het besturen van de organisatie in elke laag; - ○ de financieel-administratieve systemen ondersteunen in het vaststellen van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van het (financiële) beheer en de verantwoording. - *Afwezigheidsdag:* Een kalenderdag die deel uit maakt van een periode van tijdelijke afwezigheid van de cliënt. Deze periode van tijdelijke afwezigheid begint op de eerste dag na vertrek bij de zorgaanbieder en eindigt op de dag voor heropname bij de zorgaanbieder. - *Application controls:* De geautomatiseerde procedures die ingezet worden om te zorgen voor de integriteit van de administratieve vastleggingen in de bedrijfsprocessen van de organisatie. Application controls hebben betrekking op procedures die worden gehanteerd om financiële gegevens of andere gegevens tot stand te brengen, vast te leggen, te verwerken, te valideren en erover te rapporteren. Deze controles kunnen preventief of detect"},{"b":"Beleidsregel Educatieve master en verlenging studiefinanciering Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – WSF 2000: [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) - – WHW: [Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) - – Educatieve masteropleiding: een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in vakken van voortgezet onderwijs als bedoeld in [art. 7.4a, derde lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a). Artikel 2. Doelgroep Deze beleidsregel is van toepassing op de student, die een educatieve masteropleiding volgt en reeds in het bezit is van het afsluitend diploma van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 7.4a WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a). Artikel 3. Het verzoek De student bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018675&artikel=2&z=2005-09-08&g=2005-09-08) kan op verzoek in aanmerking komen voor een verlenging van de prestatiebeurs van maximaal 12 maanden. Artikel 4. Reikwijdte Deze beleidsregel is niet van toepassing op studenten, die reeds een opleiding hebben gevolgd als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), als bedoeld in [artikel 7.4b, tweede lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b) voor zover opleidend tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, dan wel als bedoeld in [16.10 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10) en daarvoor in aanmerking zijn gekomen voor studiefinanciering. Artikel 5. Bekendmaking Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2005."},{"b":"Beleidsregel eerstelijnsverblijf Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *zorgaanbieder:* als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent; - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, - *eerstelijnsverblijf:* Zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg. - *psychologische zorg binnen eerstelijnsverblijf:* Zorg verleend door gedragsdeskundigen aan patiënten tijdens het eerstelijnsverblijf, passende bij de indicatie eerstelijnsverblijf, op verzoek van de huisarts of specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijk gehandicapten. Deze zorg valt onder de Zvw-prestatie ‘zorg zoals klinisch psychologen die plegen te bieden’, en wordt geleverd aan patiënten met (een vermoeden van) gedragsmatige en/of cognitieve problematiek, en niet zijnde (specialistische) geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. De zorgverlener moet bevoegd en bekwaam zijn om de zorg voor patiënten met gedragsmatige en/of cognitieve problematiek te leveren. - *verblijfsdag:* Een verblijfsdag is een kalenderdag die deel uitmaakt van een periode van opname voor eerstelijnsverblijf. De opname omvat minimaal één overnachting. De dag van opname en de dag van ontslag gelden als een te declareren verblijfsdag, waarbij geldt voor de dag van opname dat deze enkel gedeclareerd kan worden"},{"b":"Beleidsregel elektronische communicatie UWV Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wet SUWI:* de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - b. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Elektronisch communiceren met UWV - – 1 Het verkeer tussen burgers en UWV als bedoeld in [artikel 32e van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32e) vindt elektronisch plaats, voor zover dat artikel elektronisch verkeer voorschrijft, en voor zover het verkeer betreft als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031975) bij deze beleidsregel. Deze bijlage is te vinden op de website van UWV of op te vragen bij UWV Telefoon Werknemers, 0900 – 92 94 of een van de vestigingen van het UWV WERKbedrijf. - – 2 In afwijking van het eerste lid vindt het verkeer tussen burgers en UWV niet verplicht elektronisch plaats voor zover: - a. elektronisch verkeer naar het oordeel van UWV onmogelijk of onredelijk bezwarend is voor de burger; - b. het verkeer plaatsvindt in het kader van een klacht-, bezwaar- of gerechtelijke procedure; - c. het verkeer betrekking heeft op het opleggen van een maatregel of bestuurlijke boete door UWV, of op het verrekenen met de uitkering van op grond van een terugvordering of boete te betalen bedragen; - d. betrokkene op grond van de daarvoor geldende voorwaarden geen DigiD kan aanvragen; - e. het verkeer betrekking heeft op arbeidsbemiddeling door UWV WERKbedrijf die is ingegaan vóór 1 juli 2012. Artikel 3. Toestemming om niet-elektronisch te communiceren - – 1 UWV verleent in de gevallen bedoeld in het [tweede lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031975&artikel=2&z=2012-09-15&g=2012-09-15) toestemming om niet-elektronisch te communiceren. Dat kan zowel uit eigen beweging als o"},{"b":"Beleidsregel elektronische communicatie UWV 2026 Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wet SUWI:* de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - b. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. *Burgers:* natuurlijke personen en rechtspersonen ten aanzien van wie UWV de taken uitvoert, die in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5) aan UWV zijn opgedragen. Artikel 2. Elektronisch communiceren met UWV 1. Het verkeer tussen burgers en UWV als bedoeld in [artikel 32e van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32e) vindt uitsluitend elektronisch plaats, voor zover het verkeer betreft als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052961) bij deze beleidsregel. Deze bijlage is te vinden op de website van UWV via [www.uwv.nl/beleidsregel](http://www.uwv.nl/beleidsregel) of op te vragen bij UWV Telefoon Werknemers; 088 898 92 94, Telefoon Werkgevers 088 898 92 95 of de vestigingen van het UWV. 2. In afwijking van het eerste lid vindt het verkeer tussen burgers en UWV niet elektronisch plaats indien: - a. elektronisch verkeer naar het oordeel van UWV onmogelijk of onredelijk bezwarend is voor de burger; - b. betrokkene op grond van de daarvoor geldende voorwaarden niet het voor het elektronische verkeer benodigde digitale authenticatiemiddel kan verkrijgen. Artikel 3. Toestemming om niet-elektronisch te communiceren 1. UWV verleent in de gevallen genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052961&artikel=2&z=2026-08-07&g=2026-08-07), toestemming om niet-elektronisch te communiceren. Dat kan zowel uit eigen beweging als op aanvraag van de burger die het betreft. De aanvraag wordt telefonisch gedaan worden via UWV Telefoon Werknemers, 0"},{"b":"Beleidsregel elektronische tenaamstelling Artikel 1. Wijziging van de tenaamstelling langs elektronische weg 1. De aanvraag van een tenaamstelling langs elektronische weg als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50) kan worden ingediend door een natuurlijke persoon. 2. Degene op wiens naam een motorrijtuig of aanhangwagen in het kentekenregister is ingeschreven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden is, ingeval hij ophoudt eigenaar of houder te zijn van het voertuig waarvoor de inschrijving gold, verplicht terstond de kentekencard ter hand te stellen en de tenaamstellingscode terstond mee te delen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden. 3. Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden is verplicht terstond nadat hij eigenaar of houder van het voertuig is geworden bij de Dienst Wegverkeer om tenaamstelling te verzoeken. 4. De aanvraag wordt ingediend op de internetsite rdw.nl onder opgave van het documentnummer van de kentekencard en de corresponderende tenaamstellingscode. 5. Degene die om tenaamstelling verzoekt, logt in met behulp van zijn DigiD-app, waarvan het inlogniveau is verhoogd middels een controle van de chip in een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. 6. Degene die om tenaamstelling verzoekt voldoet per iDeal-betaling het voor een tenaamstelling verschuldigde tarief. 7. De Dienst Wegverkeer stelt aan degene die aan de verplichtingen van het vierde tot en met zevende lid heeft voldaan een vrijwaringsbewijs, een tenaamstellingsverslag en een nieuwe tenaamstellingscode beschikbaar via een door hem gewenst e-mailadres en desgewenst via zijn persoonlijke Berichtenbox van MijnOverheid. 8. De Dienst Wegverkeer verstrekt een kentekencard door verzending per post naar het adres waar de aanvrager staat ingeschreven in de basisregistratie personen of het bij de Dienst Wegverkeer bekende a"},{"b":"Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen en monitoren van een rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als Persoonlijke Ondersteuning, het Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024, als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050043) bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042550) (Staatscourant nummer 51103 van 18 september 2019) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024."},{"b":"Beleidsregel Exameninstituut IBKI certificering bijscholingen en bijlessen (2026) Artikel 1. Definitiebepaling - a. *Bijscholing:* een theoretische bijscholing (ook wel ‘bijscholingscursus’) zoals bedoeld in de [artikelen 6 tot en met 7 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&artikel=6). - b. *Bijles:* een bijles (ook wel: ‘educatief traject’) als bedoeld in [artikel 8a e.v. van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&artikel=8a). Hoofdstuk 1. Certificering theoretische bijscholing Artikel 2. Aanvraag certificaat theoretische bijscholing 1. Bij het Exameninstituut IBKI kan een aanvraag worden ingediend voor het verkrijgen van een certificaat voor het geven van een theoretische bijscholing. 2. Bij de aanvraag dient de volgende informatie te worden aangeleverd: - a. Gegevens van de aanbieder: een bij IBKI nog onbekende aanbieder dient een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aan te leveren. Exameninstituut IBKI doet daarnaast een onderzoek naar de financiële continuïteit van de aanbieder. - b. De cursusdoelstelling: de cursus moet een theoretische doelstelling hebben, volgend uit de door Exameninstituut IBKI geaccordeerde leerdoelen; de doelstelling moet gekoppeld kunnen worden aan de praktijkrelevantie (‘waarom is het belangrijk dat een instructeur dit weet?’); - c. De leerdoelen: in beginsel heeft een cursus van 1 dagdeel maximaal 12 leerdoelen en hebben cursussen van 2 t/m 4 dagdelen maximaal 25 leerdoelen, eventueel bij relevante leerdoelen met extra aandachtspunten. Elk leerdoel: - i. is een uitwerking conform de taxonomie-indeling van Bloom: onthouden (kennis), begrijpen (inzicht), toepassen, analyseren, evalueren en creëren. Voor de theoretische bijscholing zijn met name de onderdelen onthouden, begrijpen en toepassen van belang; - ii. begint met ‘De rijinstructeur’ en bevat de volgende vier elementen: (1) concr"},{"b":"Beleidsregel experiment COPD Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *COPD-zorg:* Fysiotherapie of oefentherapie omvat voor verzekerden van achttien jaar of ouder tevens gesuperviseerde oefentherapie bij *chronic obstructive pulmonary disease*, indien sprake is van stadium II of hoger van de GOLD Classificatie voor spirometrie als bedoeld in [artikel 2.6 lid 6 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.6) (Bzv) - *Kwartaal:* een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is zorgaanbieders en zorgverzekeraars de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan waarbij kan worden afgeweken van de reguliere bekostiging van de fysiotherapeutische- en oefentherapeutische zorg voor patiënten met COPD. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op COPD-zorg zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050598&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van deze beleidsregel. Artikel 4. Prestatiebeschrijvingen experiment Het experiment kent de volgende prestatiebeschrijvingen: - • Intake en onderzoek bij COPD - • Bundel 1 – Fysio/oefentherapeutisch zorgtraject ten behoeve van COPD - • Bundel 2 – Fysio/oefentherapeutisch zorgtraject ten behoeve van COPD - • Onderlinge dienstverlening Artikel 5. Specifieke bepalingen bij prestatiebeschrijvingen experiment Intake en onderzoek bij COPD Tijdens de intake en onderzoek bij COPD vindt een uitgebreide inventarisatie en analyse plaats van i) de hulpvraag van de patiënt, ii) de therapeutische behandelbare grootheden en iii) persoonlijke en contextuele factoren. Daarnaast wordt belangrijke informatie ten aanzien van onder andere het adembewegingsapparaat (observatie en inspectie in rust en bij inspanning), fysieke capaciteit (6 minuten wandeltest), fysieke activiteit (aantal gezette stappen"},{"b":"Beleidsregel experiment cosmetische mondzorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *cosmetische mondzorg:* niet tandheelkundig-medisch noodzakelijke behandelingen, die het uiterlijk, de kleur, de vorm of de positie van de normale kenmerken van de weefsels in en of rondom de mond herzien of veranderen. - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *reguliere mondzorg:* de mondzorg die wordt gedeclareerd via de NZa-prestatiebeschrijvingen zoals omschreven in de: - – [Beleidsregel tandheelkundige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047300); - – Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer. - *zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is: - – om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van cosmetische mondzorg zoals genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047734&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van deze beleidsregel. - – zorgaanbieders de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan op het gebied van cosmetische mondzorg. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorgaanbieders die cosmetische mondzorg leveren en de cosmetische mondzorgprestaties, die zijn opgenomen in deze (experiment) beleidsregel, in rekening"},{"b":"Beleidsregel experiment deelname ggz aan verkennend gesprek Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - • *geneeskundige ggz:* geneeskundige ggz als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - • *ggz:* geestelijke gezondheidszorg; - • *ggz professional:* beroepen zoals bedoeld in de Veldnorm beroepen in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg; - • *mentale gezondheidsnetwerk:* samenwerkingsverband in een regio tussen sociaal domein, huisartsen en ggz dat actief is voor, tijdens en na zorg- en ondersteuningstrajecten; - • *verkennend gesprek:* de uitgangspunten van het verkennend gesprek zijn vastgelegd in de ‘Werkwijze ontwikkeling Mentale gezondheidsnetwerken Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is zorgaanbieders en zorgverzekeraars in een mentale gezondheidsnetwerk de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan met de bekostiging van het verkennend gesprek waarbij kan worden afgeweken van de reguliere bekostiging van geneeskundige ggz. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige ggz, specifiek het verkennend gesprek waarop aanspraak bestaat op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), zoals geduid door ZIN. Artikel 4. Prestaties In deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: Deelname ggz aan verkennend gesprek Voeren verkennend gesprek door een beroep in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het verkennend gesprek is een gesprek tussen de persoon om wie het gaat, professionals uit ggz en sociaal domein en (doorgaans ook) naaste(n) van de persoon. Artikel 5. Tarief Voor de deelname ggz aan verkennend gesprek geldt een vrij tarief, zoals bedoeld in [art.50, eerste lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 6. Bepalingen e"},{"b":"Beleidsregel experiment integrale prestaties verpleging en verzorging Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *dag:* een dag betreft een kalenderdag. - *declaratie:* het in rekening brengen van de verrichte prestatie(s) door de zorgaanbieder aan de cliënt of de zorgverzekeraar. - *kwartaal:* een kwartaal betreft de periode januari t/m maart, april t/m juni, juli t/m september of oktober t/m december. - *maand:* een maand betreft een kalendermaand. - *tarief:* de prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie of geheel van prestaties van een zorgaanbieder ([artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1)). - *Verpleging en verzorging:* Verpleging en verzorging als bedoeld in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10) (Bzv). - *week:* een week betreft de periode van maandag t/m zondag. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is zorgaanbieders en zorgverzekeraars de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan waarbij kan worden afgeweken van de reguliere bekostiging van verpleging en verzorging. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051205&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze beleidsregel. Artikel 4. Prestatiebeschrijvingen experiment Het experiment kent de volgende prestatiebeschrijvingen: - a. Verpleging en verzorging, integraal uurtarief; - b. Verpleging en verzorging, integraal dagtarief; - c. Verpleging en verzorging, integraal weektarief; - d. Verpleging en verzorging, integraal maandtarief; - e. Verpleging en verzorging, integraal kwarta"},{"b":"Beleidsregel experiment patiëntengroepsgebonden afstemming binnen Zvw-verzekerde zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - 1. *patiëntengroepsgebonden afstemming:* afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden, niet zijnde voor individuele verzekerden; - 2. *Minister:* Minister voor Medische Zorg; - 3. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - 4. *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 5. *zorgaanbieder:* - a. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - b. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder a; Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van patiëntengroepsgebonden afstemming. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op patiëntengroepsgebonden afstemming zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049689&artikel=1&z=2024-05-11&g=2024-05-11) van deze beleidsregel voor zover deze afstemming direct ten dienste staat van een of meerdere zorgvormen onder de aanspraken van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 4. Prestatiebeschrijving De samenwerking door een zorgaanbieder met derden, voor zover het patiëntengroepsgebonden afstemming betreft en het direct ten dienste staat van een of meerdere zorgvormen onder de aanspraken van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). De sam"},{"b":"Beleidsregel experiment zinnig en simpel verantwoorden Artikel 1. Begripsbepalingen - *Experiment:* Een op grond van deze beleidsregel goedgekeurde werkwijze, vastgelegd in een beschikking van de NZa, van een zorgaanbieder en één (of meerdere) Wlz-uitvoerder(s). - *Deelnemer:* Een zorgaanbieder of Wlz-uitvoerder die een beschikking van de NZa heeft ontvangen voor deelname aan het experiment. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Doel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om het experiment zinnig en simpel verantwoorden vorm te geven. Doel van het experiment is om de administratieve belasting die ontstaat door het verantwoordingsproces te verlagen. Een experiment kan zich richten op alternatieve invulling van het nacalculatieproces en van de nacalculatie-opgave, bijvoorbeeld door verantwoording middels de jaarrekening en het steunen op controles die elders in de keten gedaan zijn door bijvoorbeeld zorgaanbieders, hun accountants, of zorgkantoren. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) die in natura wordt geleverd door zorgaanbieders. De zorg en/of dienst als omschreven bij of krachtens de Wlz geleverd en bekostigd met een persoonsgebonden budget, is uitgesloten van het experiment. Artikel 4. Uitgangspunten Bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden, houdt de NZa binnen haar mogelijkheden rekening met het experiment. De NZa hanteert in het kader van het experiment in het bijzonder de volgende uitgangspunten: - a. De administratieve last"},{"b":"Beleidsregel FM-wijzigingen 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In de Beleidsregel FM-wijzigingen 2025 wordt verstaan onder: - a. *aantasting:* het plaatsvinden van storing op frequenties van een vergunning waardoor de groene gebieden en/of de paarse gebieden behorend bij deze vergunning geografisch worden verkleind; - b. *demografisch bereik:* het percentage van het aantal inwoners van Nederland dat de uitzendingen via een (samenstel van) etherfrequentie(s) kan ontvangen in de groene gebieden, berekend via de technische zerobase-norm; - c. *Genève ‘84:* *‘Final Acts of the Regional Administrative Conference for the Planning of VHF Sound Broadcasting (Region 1 and Part of Region 3)’*, tot stand gekomen door de International Telecommunication Union in Genève in 1984; - d. *groene gebieden:* de groene gebieden zoals door de RDI berekend volgens de zerobase-norm en conform de kaarten en database van de RDI; - e. *netgebonden frequentie:* een frequentie die, conform de zero-basenorm, het groene en/of paarse gebied van een vergunde frequentie aantast die onderdeel uitmaakt van dezelfde vergunning van de aanvrager van het wijzigingsverzoek; - f. *netonafhankelijke frequentie:* een frequentie die, conform de zerobase-norm, het groene en/of paarse gebied van een vergunde frequentie niet aantast die onderdeel uitmaakt van dezelfde vergunning van de aanvrager van het wijzigingsverzoek; - g. *Non Interference Base (NIB):* een voorschrift dat, in combinatie met artikel 4.7 Genève ’84, onderdeel kan zijn van de vergunning waardoor een frequentie van een vergunning geen interferentie mag veroorzaken op zenders in het buitenland en interferentie van zenders uit het buitenland moet dulden; - h. *opstelpunt:* het samenstel van zender- en een antenne-installaties die tezamen een uitzending van omroepsignalen vanaf een bepaalde locatie mogelijk maken; - i. *paarse gebieden:* de paarse gebieden zoals door de RDI berekend volgens de zerobase-norm conform de kaarten en database van de RDI"},{"b":"Beleidsregel gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen (GLI):* Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - *Kwartaal:* Een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - *Zorgaanbieder:* Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *Zorgprogramma:* Een gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen wordt in de vorm van een zorgprogramma aangeboden (hetzij individueel, hetzij in een groep). Het zorgprogramma bestaat uit een behandelfase en een onderhoudsfase. De totale doorlooptijd van het zorgprogramma is 24 aaneengesloten maanden. De startdatum van het zorgprogramma is de datum waarop het eerste contact na de intake tussen de patiënt en zorgverlener plaatsvindt. Dit kan fysiek face-to-face contact zijn maar ook contact via een beeldverbinding indien de zorgverlening zowel zorginhoudelijk als qua tijdsbesteding vergelijkbaar is met het fysiek face-to-face contact. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te stellen op het gebied van de gecombineerde leefstijlinterventie voor volwassenen. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen als omschreven bij of krachtens de [Zor"},{"b":"beleidsregel gemengde leerweg aan aoc's na bestuurlijke samenwerking 1999-2002 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: minister: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; aanvrager: het bevoegd gezag van een Agrarisch Opleidingscentrum (AOC); gemengde leerweg: onderwijs bedoeld in artikel 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, in de sector landbouw; vbo-groen vestiging: vestiging van een AOC waar onderwijs wordt gegeven in de vbo-afdeling landbouw en natuurlijke omgeving. Artikel 2. Beoordelingscriteria De minister kan op aanvraag toestemming verlenen aan een AOC, onderwijs in de gemengde leerweg te verzorgen op een of meerdere vbo-groen vestigingen van het aanvragende AOC, indien wordt voldaan aan de artikelen 3 en 4. Artikel 3. Voorwaarden voor bestuurlijke samenwerking De aanvrager voldoet aan de volgende voorwaarden: - 1. De aanvrager is een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst aangegaan met een categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo; - 2. Ten aanzien van een bestuurlijke samenwerking geldt bovendien dat: - a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en - b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: - – uitwisseling van expertise; - – leerlingbegeleiding, en - – toetsing en afsluiting. - 3. Uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager de bevoegde gezagsorganen van de andere dan de in het eerste lid bedoelde scholen en scholengemeenschappen uit het wervingsgebied van de aanvrager in kennis heeft gesteld van de voorgenomen aanvraag en hen tijdi"},{"b":"Beleidsregel geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert:* Zie begripsbepaling ‘poortfunctie’ in de Regeling-medisch specialistische zorg. - *geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (gzsp):* generalistische geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen in de eerstelijn bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). - *dagdeel:* een dagdeel is een periode van minimaal 2 aaneengesloten uren aanwezigheid van de patiënt met een maximum van vier aaneengesloten uren. - *directe tijd:* tijd waarin de zorgaanbieder in direct contact staat met de patiënt, of diens vertegenwoordiger zoals omschreven in [art. 7:465 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=465) (art. 465 van de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst. - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *regiebehandelaar:* een functionaris die verantwoordelijk is voor de samenhang van de behandeling. Een regiebehandelaar ziet erop toe dat: - – de continuïteit en de samenhang van de zorgverlening aan de patiënt wordt bewaakt en waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet; - – er adequate informatie-uitwisseling en voldoende overleg is tussen bij de behandeling betrokken zorgverleners; - – er voor de patiënt of diens verwant(en) één aanspreekpunt is voor het tijdig beantwoorden van vragen over de behandeling. - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - *zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon vo"},{"b":"Beleidsregel geschiktheid Wta Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen met betrekking tot de geschiktheidstoetsing van beleidsbepalers Artikel 1.1. Definities en begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a) *accountantsorganisatie:* een accountantsorganisatie, zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), die beschikt over een vergunning die mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang, zoals bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=6) jo. [artikel 1 van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - b) *belanghebbenden:* personen, ondernemingen en instellingen ten behoeve waarvan accountantsorganisaties financiële verantwoordingen van ondernemingen of instellingen controleren en die gebruikmaken van en vertrouwen op de uitkomsten van die controles, met uitsluiting van de toezichthouder; - c) *beleidsbepaler:* een persoon die bij of krachtens de [Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) moet worden getoetst op geschiktheid: - • De natuurlijke personen die het dagelijks beleid bepalen van een accountantsorganisatie met een vergunning die mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang zijn geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de accountantsorganisatie. ([artikel 16, derde lid, Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16); collectief I); - • Indien een accountantsorganisatie als bedoeld in [artikel 16, derde lid, Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16) onderdeel uitmaakt van een netwerk, zijn de natuurlijke personen die het dagelijks beleid bepalen van het binnen het netwerk hiërarchisch hoogste netwerkonderdeel met zetel in Nederland dat invloed uitoefent op het beleid van de accountantsorganisatie eveneens geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de tot het n"},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde CZ Zorgkantoor Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050254) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde CZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Menzis Zorgkantoor Artikel 1 Menzis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050250) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Menzis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Salland Zorgkantoor Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050256) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Salland Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid Artikel 1 Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050253) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid. Artikel 4 Dit besluit wordt met de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050253) in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde VGZ Zorgkantoor Artikel 1 VGZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050252) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde VGZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Zilveren Kruis Zorgkantoor Artikel 1 Zilveren Kruis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050249) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Zilveren Kruis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Zorgkantoor DSW Artikel 1 Zorgkantoor DSW hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050257) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Zorgkantoor DSW. Artikel 4 Dit besluit wordt met de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050257) in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel goedkeuring besluiten tot sluiten overeenkomst van opdracht ex Boek 7 Burgerlijk Wetboek BES Wettelijke bepalingen Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 168 1. *Het bestuurscollege is in ieder geval bevoegd:* - a. ... - b. ... - c. ... - d. *ambtenaren, niet zijnde de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te bevorderen, te schorsen en te ontslaan.* 2. *Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden genomen op grond van het door het bestuurscollege vastgestelde regels inzake de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van ambtenaren. Deze regels bevatten in ieder geval de gronden voor deze besluiten.* 3. *Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behoeven de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts onthouden worden wegens strijd met het recht of op een grond, die is neergelegd in de regels, bedoeld in het tweede lid.* 4. *Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.* Artikel 204 1. *De Rijksvertegenwoordiger is in ieder geval belast met:* - a. ... - b. ... - c. *het goedkeuren van besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.* Boek 7 Burgerlijk Wetboek BES Artikel 400 1. *De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsover"},{"b":"Beleidsregel goedkeuring wijzigingen van luchtvaartuigen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a. erkend bedrijf: een bedrijf of bedrijfsonderdeel dat met toepassing van [artikel 93, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=93) is erkend; b. JAA: Joint Aviation Authorities; c. STC: supplementair type-certificaat; d. de Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Met het ontwerp van een wijziging van een luchtvaartuig wordt als typewijziging ingestemd, nadat is aangetoond dat het gewijzigde luchtvaartuig voldoet aan de luchtwaardigheidseisen, bedoeld in de [artikelen 72 tot en met 74 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=72). Artikel 3 1. Met het ontwerp van een wijziging van een luchtvaartuig wordt geacht te zijn ingestemd indien: - a. - 1º met het ontwerp van de wijziging is ingestemd als Nederlands STC voor het betreffende type luchtvaartuig, - 2º met het ontwerp van de wijziging is ingestemd als typewijziging voor het betreffende type luchtvaartuig, - 3º met eenzelfde wijziging reeds eerder is ingestemd voor het betreffende type luchtvaartuig, - 4º indien een aldus gewijzigd luchtvaartuig reeds eerder in Nederland is toegelaten, - 5º het de inbouw van een in Nederland toegelaten uitrustingsstuk voor het betreffende type luchtvaartuig betreft; - 6º een STC is afgegeven door een lidstaat van de JAA overeenkomstig de procedures van JAR 21, - 7º een STC is afgegeven door de primair certificerende autoriteit en het betreft een gevalideerd(e) - 1 zweefvliegtuig of motorzweefvliegtuig, - 2 vleugelvliegtuig met een maximaal toegelaten startmassa van 5700 kg of minder, of - 3 helikopter met een maximaal toegelaten startmassa van 2700 kg of minder, of - 8º Service Informatie is verstrekt en de wijziging is goedgekeurd door de primair certificerende autoriteit; - b. - 1º de uitvoerende heeft vastgesteld dat de wijziging geen in"},{"b":"Beleidsregel Handhaving De invulling van het handhavingsbeleid van de NZa november 2021 Managementsamenvatting De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) geeft met dit document inzicht in de wijze waarop zij naleving van wet- en regelgeving in de zorg bevordert. Daarmee geeft de NZa uitvoering aan [artikel 75 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=75) (Wmg). Deze beleidsregel beschrijft het beleid voor de inzet van de instrumenten voor het handhavend optreden bij een overtreding. Indien bijzondere omstandigheden in het concrete geval van een overtreding daartoe aanleiding geven, kan de NZa hiervan afwijken. De NZa wil voor de buitenwereld optreden als een toezichthouder die aantoonbaar inzet op het borgen van toegankelijke en betaalbare zorg voor iedereen in Nederland, nu en in de toekomst. Dit vraagt om een weloverwegen inzet van handhavingsinstrumenten bij de overtreding van normen. Maar ook aandacht voor het voorkomen van overtredingen. Deze beleidsregel geeft daarvoor de uitgangspunten weer. Onder handhaving wordt verstaan: *handhaving is al het handelen van de NZa dat bijdraagt aan normnaleving door zorgaanbieders, zorgverzekeraars, Wlz-uitvoerders en het CAK, door toepassing van activiteiten als onder meer preventie, signalering, oordeelsvorming, sturing en het opleggen van sancties.* De NZa ziet handhaving dus als meer dan alleen het opleggen van bestuursrechtelijke sancties. Het doel van de activiteiten is bepalend. Dit doel is terug te vinden in de missie van de NZa: ‘goede, toegankelijke en betaalbare zorg voor iedereen in Nederland, nu en in de toekomst’. De NZa zet, net als andere markttoezichthouders, haar toezicht risicogebaseerd en probleemoplossend in. Dit betekent concreet dat de NZa investeert in het tijdig zien en begrijpen van gedragingen die afbreuk doen aan toegankelijke en betaalbare zorg (ook wel aangeduid als ‘risico’s’ of ‘problemen’, keuzes maakt in de risico’s of problemen die ze aanpakt"},{"b":"Beleidsregel Handhaving Besluit Eindapparaten (bepaling netwerkaansluitpunt en vrije keuze eindapparaten) Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *Applicatieprogramma-interface;* applicatieprogramma-interface als bedoeld in [artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - c. *Besluit eindapparaten:* [Besluit van 12 december 2016, ten aanzien van regels inzake eindapparaten ter implementatie van richtlijn 2008/63/EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908); - d. *Eindapparaten:* eindapparaten als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit eindapparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908&artikel=1); - e. *Eindgebruiker:* eindgebruiker als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - f. *Netwerkaansluitpunt:* het netwerkaansluitpunt als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - g. *Openbare elektronische communicatiedienst:* openbare elektronische communicatiedienst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - h. *Openbaar elektronisch communicatienetwerk:* openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - i. *TV-diensten:* programmadiensten als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1). Artikel 2. Vaste netwerkaansluitpunt 1. Het netwerkaansluitpunt is het fysieke punt aan het einde van de kabel dat de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk op locatie van de e"},{"b":"Beleidsregel handhaving chartaal toezicht eurobankbiljetten 1. Inleiding De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van [artikel 9c, eerste lid Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9c), en artikel 6, eerste lid van de Verordening Valsemunterij (Vo. Valsemunterij), voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten.1Verordening (EG) 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2001, L 181, laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) 44/2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2009, L 17 Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van: - – [artikel 9a, eerste tot en met derde lid Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9a), - – artikel 6, eerste lid van de Vo. Valsemunterij, voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten, en - – het ECB-Besluit 2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten, De bepalingen waarop de chartaal toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde ([paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0035112)). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen ([paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0035112)) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de chartaal toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid ([paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0035112)). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten ([paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/BWBR0035112)). 2. Chartaal toezichttaak; norm en geadress"},{"b":"Beleidsregel handhaving en invordering jaarverantwoording Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in [artikel 3 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *CJIB:* Centraal Justitieel Incassobureau; - *Convenant NZa-CJIB:* Convenant inzake het Innen en Incasso arrangement dat door het CJIB in opdracht van de NZa wordt ingezet voor de aangeleverde vorderingen; - *CIBG:* uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als bedoeld in [artikel 13 Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=13); - *zorgaanbieder:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - *combinatie-instelling:* zorgaanbieder die tevens - 1) jeugdhulpaanbieder als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel 1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) of gecertificeerde instelling is; - of - 2) Veilig Thuisorganisatie als bedoeld in de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) is; - *IGJ:* Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; - *Regeling:* [Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649); - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - *Ministerie van VWS:* Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Zorgaanbieders moeten op grond van [artikel 40b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b) een jaarverantwoording openbaren. De NZa is op grond"},{"b":"Beleidsregel Handhaving jaarverantwoording over het overgangsjaar 2021 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Andere informatie betreffende de bedrijfsvoering van de zorgaanbieder:* specifieke informatie inzake gegevens betreffende de organisatiestructuur, bestuursstructuur, exploitatiekosten en bedrijfsvoering van de zorgaanbieder, als bedoeld in [artikel 1, sub g, Regeling verslaggeving WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019252&artikel=1). - *Beschikking:* een beschikking in de zin van [artikel 1:3, tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). - *Bub WMG:* [Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326). - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *CIBG:* uitvoeringsorganisatie die valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *CJIB:* Centraal Justitieel Incassobureau. - *Combinatie-instelling:* een zorgaanbieder die tevens - 1) een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling als bedoeld in de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) is of; - 2) een Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) is. - *Grote zorgaanbieder:* een zorgaanbieder die niet voldoet aan de criteria van een micro of kleine zorgaanbieder en derhalve een grote organisatie in de zin van de [Regeling verslaggeving WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019252) is. - *IGJ:* Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. - *Jaarverantwoording:* de jaarverantwoording als bedoeld in [artikel 40b, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b). - *Kleine zorgaanbieder:* een zorgaanbieder wordt, ingevolge [artikel 3, onderdeel g, van de Regeling verslaggeving WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019252&artikel=3) aangemerkt als kleine zorgaanbieder indien d"},{"b":"Beleidsregel handhaving misbruik van slots op gecoördineerde luchthavens Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. *Verordening 95/93:* Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van 'slots' op communautaire luchthavens (PbEG 1993, L14); - c. *slot:* door een coördinator, overeenkomstig Verordening 95/93, gegeven toestemming om op een welbepaalde datum en tijd de gehele voor de uitvoering van een luchtdienst noodzakelijke luchthaveninfrastructuur op een gecoördineerde luchthaven te gebruiken om te landen of op te stijgen, zoals toegewezen door een coördinator overeenkomstig deze verordening; - d. *WASG:* Worldwide Airport Slot Guidelines, zijnde de wereldwijd door de luchtvaartsector opgestelde aanvullende regels en richtsnoeren; - e. *beweging:* aankomende of vertrekkende vlucht; - f. *nachtbeweging:* beweging op de luchthaven Schiphol, in de periode als bedoeld in [artikel 4.2.3a van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=4.2.3a), waarbij het tijdstip geldt dat het luchtvaartuig loskomt van of met de wielen landt op de start- of landingsbaan; - g. *nachtslot:* slot voor vertrek in de periode tussen 22:40 en 06:55 uur, waar het luchtvaartuig van de blokken gaat, dan wel slot voor aankomst in de periode tussen 23:00 en 07:15 uur, waar het luchtvaartuig aan de blokken gaat; - h. *bloktijd:* automatische registratie van de parkeerrem, het registreren van de tijd op de opstelplaats, of de handmatige registratie van het verwijderen of aanbrengen van de blokken voor de wielen, waarbij de meest gunstige tijd voor de luchtvaartmaatschappij wordt toegepast; - i. *baantijd:* het moment van landen of opstijgen waarbij de wielen van het luchtvaartuig contact maken dan wel verliezen met de grond; - j. *luchtdienst:* het uitvoeren van een vlucht; - k. *slotafwijking:* een individuele"},{"b":"Beleidsregel handhaving toezicht recirculatie munten 1. Inleiding De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van [artikel 11, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=11). Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van: - • artikel 6, eerste lid, van de Verordening (EG) 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij1PbEG 2001, L 181, laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) 44/2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2009, L 17., voor zover dat artikel betrekking heeft op munten, - • de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 1210/2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie2PbEG 2010, L 339/1., en - • [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) (Awb) betreffende de verplichting aan een ieder om medewerking te verlenen. Hierna ook gezamenlijk aan te duiden als ‘relevante wettelijke artikelen’. De bepalingen waarop de toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde ([paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036413)). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen ([paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036413)) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid ([paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036413)). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten ([paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/BWBR0"},{"b":"Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht, Rijkswaterstaat De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat heeft op 1 juli 2016 de Landelijke Handhavingsstrategie als beleidsregel vastgesteld. Vanaf 1 januari 2024 zal Rijkswaterstaat conform de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) werken. De inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) is de aanleiding voor het vaststellen van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht als beleidsregel. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid behoren interventies door verschillende bestuursorganen in vergelijkbare situaties op eenzelfde wijze te worden toegepast. Interveniëren is daarbij breder dan het opleggen van sancties; ook aanspreken, waarschuwen en informeren kunnen in een concreet geval passende interventies zijn. De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren. De strategie is door alle handhavingspartners samen tot stand gekomen en wordt nu door de verschillende partijen als eigen beleid vastgesteld. De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat is bevoegd om de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht als beleidsregel vast te stellen op grond van [artikel 18.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.2), [artikel 18.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.3) en [artikel 18.20 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.20) juncto [artikel 4.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.30), [artikel 13.1, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.1), [artikel 13.3, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.3) en [artikel 13.5, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.5), [artikel 40 Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=40), [artikel 158 We"},{"b":"Beleidsregel houdende bepalingen met betrekking tot het aanvragen en behandelen van aanvragen voor nadeelcompensatie in verband met de uitvoering van het ‘spoorse deel’ van de uitvoering van het project Spoorzone Delft (Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft) Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *de NKL 1999:* de [Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010461) (NKL 1999) (Stcrt. 1999, 97); - c. *de Overeenkomst:* de Overeenkomst inzake verleggingen van kabels en leidingen buiten beheersgebied tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat en Energie-Ned, VELIN en VEWIN (Stcrt. 1999, 97); - d. *Spoorzone Delft:* de in het bij besluit van 23 februari 2006 door de gemeenteraad van Delft vastgestelde bestemmingsplan ‘Spoorzone’ voorziene herontwikkeling van een gebied in het centrum van Delft, dat op hoofdlijnen bestaat uit de bouw van een viersporige spoortunnel, ongeveer 1.500 nieuwe woningen, 50.000 m2 kantoorruimte, waaronder een stadskantoor, en een nieuw station; - e. *het ‘spoorse deel’ van het project Spoorzone Delft:* het deel van het project Spoorzone Delft, dat op hoofdlijnen bestaat uit de volgende in het bij besluit van 23 februari 2006 door de gemeenteraad van Delft vastgestelde bestemmingsplan ‘Spoorzone’ voorziene deelprojecten: - A – het deelproject Spoorinfrastructuur: de (gefaseerde) aanleg van de in het bestemmingsplan voorziene tunnel ten behoeve van vier sporen, waarbij twee sporen direct worden aangelegd, inclusief toeritten, kruising Prinses Irenetunnel, DSM, overige kunstwerken en tijdelijke maatregelen, evenals het terugbrengen van de functionaliteit Phoenixstraat, geografisch bepaald tussen spoorlijn Den Haag HS–Schiedam centrum, Geocode 112, km 66.6–72,0; - B – het Spoorse deel OV-knoop: de in het bestemmingsplan voorzi"},{"b":"Beleidsregel houdende vaststelling van regels voor de naleving en toezicht op de veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen (Beleidsregel veiligheidsadviseur) Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *VLG:* [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054); - *VSG:* [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053); - *VBG::* [Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115); - *Veiligheidsadviseur:* veiligheidsadviseur als bedoeld in bijlage 1, sectie 1.8.3 van [Bijlage 1 van de VLG, VSG of VBG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1); - *Jaarverslag:* een jaarverslag dat de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen beschrijft over een periode van 12 maanden; - *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport. Paragraaf 1. Taakuitoefening Artikel 2. Taken van de veiligheidsadviseur De taken van de veiligheidsadviseur zijn de taken die zijn omschreven in subsectie 1.8.3.3 van [bijlage 1, van de VLG, VSG of VBG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). Paragraaf 2. Handhavingbeleid Artikel 3. Handhaving ILT De ILT treedt handhavend op indien: - – een onderneming geen veiligheidsadviseur heeft benoemd als bedoeld in bijlage 1, subsectie 1.8.3.1 van [Bijlage 1 van de VLG, VSG of VBG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). - – geen jaarverslag is opgesteld over de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen als bedoeld in bijlage 1, subsectie 1.8.3.3 van [Bijlage 1 van de VLG, VSG of VBG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). - – het jaarverslag niet de inhoud behelst van de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen. - – de veiligheidsadviseur niet a"},{"b":"Beleidsregel huisartsendienstenstructuur Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van spoedeisende huisartsenzorg in avond, nacht en weekend die wordt geleverd door huisartsendienstenstructuren (HDS). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden (huisartsenzorg) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), die wordt geleverd in een rechtspersoonlijkheid bezittend organisatorisch verband, opgericht ten behoeve van spoedeisende huisartsenzorg in avond, nacht en weekend en op officiële feestdagen (nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, eerste paasdag, tweede paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag, tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag), aangevuld met kerst- en oudjaarsavond. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen 1. In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - – consult; - – visite; - – triageconsult: het beoordelen van de urgentie en ernst van de zorgvraag van de patiënt, en het adviseren over de benodigde vervolgzorg. 2. Bepalingen bij de prestatiebeschrijvingen Consult Het consult is een onafgebroken tijdspanne, waarin de zorgverlener de patiënt één-op-één voor één of meerdere zorgvragen begeleidt, adviseert en/of behandelt, ongeacht de tijdsduur. Visite Een visite is een onafgebroken tijdspanne, waarin de zorgverlener de patiënt thuis één-op-één voor één of meerdere zorgvragen begeleidt, adviseert en/of behandelt, ongeacht de tijdsduur. Triageconsult: het beoordelen van de urgentie en ernst van de zorgvraag van de patiënt, en het adviseren over de benodigde vervolgzorg. Het triageconsult is een onafgebroken tijdspanne, waarin de zorgverlener de zorgvraag inventariseert ("},{"b":"Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *Multidisciplinaire (eerstelijns)zorg:* Zorgverlening waarbij zorgaanbieders van diverse disciplines in samenwerking met de patiënt in onderlinge samenhang zorg verlenen, waarvan huisartsenzorg een onderdeel is. - *Anw-uren:* De avond-, nacht- en weekenduren. Deze uren betreffen de tijdsperiode: - – tussen 18.00 uur en 08.00 uur; - – tussen 08.00 uur en 18.00 uur op zaterdag of zondag; - – tussen 08.00 uur en 18.00 uur op officiële feestdagen (nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, eerste paasdag, tweede paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag, tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag), aangevuld met kerst- en oudjaarsavond. - *Ingeschreven verzekerde:* Verzekerde die zich op naam ingeschreven heeft bij een aanbieder van huisartsenzorg. - *Geïncludeerde patiënt:* Patiënt die voldoet aan de inclusiecriteria van een bepaald zorgprogramma en die zorg ontvangt binnen dat programma. - *Eerstelijnszorg:* Generalistische zorgverlening welke zich in het bijzonder kenmerkt door laagdrempelige toegang, zorg in de buurt, en is gericht op de mens in zijn omgeving, het ambulante karakter en gericht op coördinatie en continuïteit. Eerstelijnszorg wordt in de di"},{"b":"Beleidsregel indexering Ingevolge [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Ingevolge [artikel 52, aanhef en onder e, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden de tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg geleverd door of onder verantwoordelijkheid van beroepsbeoefenaren als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3), dan wel [34, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het vastleggen op welke wijze de NZa jaarlijks de gereguleerde tarieven voor tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg indexeert. Artikel 3. Begripsbepalingen 3.1 Inkomensbestanddeel Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het gereguleerde (maximum)tarief. 3.2 Praktijkkostenbestanddeel Het aandeel van de praktijkkosten in het gereguleerde (m"},{"b":"Beleidsregel Informatieverstrekking Inleiding In de Beleidsregel Informatieverstrekking (hierna: de Beleidsregel) vindt u een bundeling van de interpretaties van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met betrekking tot informatieverstrekking. Deze interpretaties door de AFM zijn in de afgelopen jaren in projecten, formele besluiten en informele normoverdracht tot stand gekomen. De interpretaties zijn gedaan op basis van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft) (met name [Deel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&titeldeel=4)), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) (Pw), de [Wet oneerlijke handelspraktijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&afdeling=3A) (Wohp) en onderliggende regelgeving van de Wft zoals het [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421) (BGfo), de [Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020540) (Nrgfo) en relevante Europese regelgeving, zoals de Prospectusverordening. De beleidsregel moet altijd worden gezien in het licht van de geldende wet- en regelgeving welke leidend is. Deze beleidsregel is openbaar geconsulteerd. Wat bedoelen we met... Als we het in deze Beleidsregel hebben over ‘we/wij’ dan bedoelen we daar de AFM mee. Hebben we het over ‘u’ dan bedoelen we daarmee financiële ondernemingen en uitgevende instellingen of pensioenuitvoerders. Dit kunnen onder toezicht staande en niet onder toezicht staande ondernemingen zijn. Als we het in de Beleidsregel hebben over ‘product’, dan bedoelen we hiermee ook ‘dienst’. Als we het hebben over ‘consument’, dan bedoelen we hiermee ook ‘cliënt’ en ‘klant’. Waarom een Beleidsregel over informatieverstrekking? In de regelgeving zijn door de wetgever open en gesloten normen opgenomen. Open normen zijn normen die een globaal geformuleerd doel bevatten en die aan marktpartijen de ru"},{"b":"Beleidsregel Informatieverstrekking via vergelijkingssites Ingevolge [artikel 40, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot de informatieverstrekking namens ziektekostenverzekeraars. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op ziektekostenverzekeraars als bedoeld in [artikel 1 sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). 2. Doel van de beleidsregel Op grond van [artikel 40 lid 3 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) dragen ziektekostenverzekeraars zorg voor de door of namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie over een product of dienst, waaronder reclame-uitingen. Deze informatie mag geen afbreuk doen aan het bepaalde bij of krachtens [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) en de informatie mag ook niet misleidend zijn. Het doel van deze beleidsregel is om te expliciteren welke verantwoordelijkheden ziektekostenverzekeraars hebben wanneer vergelijkingssites informatie verstrekken namens de verzekeraars. 3. Juistheid informatie Als een ziektekostenverzekeraar een overeenkomst, zoals een bemiddelingsovereenkomst, sluit met de beheerder van een vergelijkingssite, draagt de verzekeraar er zorg voor dat er geen onjuiste informatie verstrekt wordt over het polisaanbod van de verzekeraar op de betreffende vergelijkingssite. 4. Specifieke en algemene informatie Informatie als bedoeld in artikel 4 omvat alle informatie over het polisaanbod van de verzekeraar, waaronder de informatie over de polisvoorwaarden en de uitleg van termen die in de beschrijving van de polis op de vergelijkingssite worden gehanteerd. 5. Inwerkingtreding en citeerregel Deze beleidsregel w"},{"b":"Beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *a) Zorgaanbieder:* een zorgaanbieder zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - *b) Ziektekostenverzekeraar:* een ziektekostenverzekeraar zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - *c) Innovatieve zorgprestatie:* de zorgprestatie waarmee geëxperimenteerd wordt. Deze zorgprestatie is nog niet eerder vastgesteld door de NZa als reguliere zorgprestatie op basis van [artikel 50, eerste lid aanhef en onderdeel d, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - *d) Kortdurend kleinschalig experiment:* Het leveren van een innovatieve zorgprestatie in de praktijk binnen een experimentopzet. Het kortdurend kleinschalig experiment bestrijkt een periode van maximaal drie jaar respectievelijk (in totaal) maximaal vijf jaar bij afgifte van een verlengingsbeschikking. De innovatieve zorgprestatie is naar gelang zijn doelstelling beperkt tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, één of meerdere zorgaanbieders, één of meerdere ziektekostenverzekeraars of een beperkte regio; - *e) Experimentopzet:* de opzet van het kortdurend kleinschalig experiment waarin staat beschreven hoe het experiment wordt uitgevoerd, met welke indicatoren de doelstelling(en) van het experiment worden gemeten en bij welke uitkomst op voorgenoemde indicatoren de doelstelling(en) van het experiment is/zijn behaald; - *f) Experimentovereenkomst:* een tussen één of meerdere zorgaanbieders en één of meerdere ziektekostenverzekeraars gesloten en door hen ondertekende overeenkomst waarin aard, inhoud en omvang van het door hen te houden kortdurend kleinschalig experiment is beschreven; - *g) Experimenteerpartijen:* één of meerdere zorgaanbieders en één of meerdere ziektekostenverzekeraars die een"},{"b":"Beleidsregel inschrijvingskenmerk bedrijfsvoorraad Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *minister* Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *register* Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen. Artikel 2 1. De eigenaar van een luchtvaartuig behorende tot de bedrijfsvoorraad kan bij de minister een inschrijvingskenmerk aanvragen als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.6). 2. De minister geeft een inschrijvingskenmerk als bedoeld in het eerste lid op indien: - a. het luchtvaartuig behoort tot de eigendom en de bedrijfsvoorraad van een rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in [artikel 3.25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25) is verleend; - b. de bij invoer eventueel vereiste douaneformaliteiten zijn vervuld, dan wel hiervoor vrijstelling is verkregen; - c. het luchtvaartuig niet in enig ander luchtvaartuigregister is ingeschreven, en - d. de eigenaar de volgende gegevens heeft verstrekt: - 1° de typeaanduiding van het luchtvaartuig, en - 2° het serienummer van het luchtvaartuig. 3. Het inschrijvingskenmerk wordt op het luchtvaartuig aangebracht op de wijze als bedoeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=16) en [17 van de Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=17). 4. Het inschrijvingskenmerk mag voor ten hoogste 6 maanden op het luchtvaartuig worden aangebracht, welke termijn eenmaal voor ten hoogste dezelfde periode kan worden verlengd. 5. Indien het luchtvaartuig wordt overgedragen aan een andere eigenaar dienen de volgende gegevens door de oude eigenaar aan de minister te worden verstrekt: - a. de typeaanduiding van het luchtvaartuig; - b. het serienummer van het luchtvaartuig; - c. de datum, waarop het inschrijvingskenmerk van het luchtvaartuig is verwijder"},{"b":"Beleidsregel integrale bekostiging geboortezorg BR/REG-23130, Nederlandse Zorgautoriteit Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Cliënt* Zwangere vrouw die zich met haar zorgvraag wendt tot de zorgaanbieder. - *Integrale geboortezorg* In multidisciplinair verband geleverde geboortezorg die bestaat uit de volgende bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) omschreven soorten zorg: - a. geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - • medisch specialistische zorg voor zover deze betreft: - ○ obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren. - ○ antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg, en - ○ eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt. - • verloskundige zorg, uitgezonderd preconceptiezorg en anticonceptiezorg voor zover het niet de voorlichting over anticonceptie betreft. - b. kraamzorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.11 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). - *Kraamzorg* Kraamzorg, zoals omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). - *Monodisciplinaire prestatiebeschrijvingen* De prestatiebeschrijvingen zoals omschreven in de: - – Beleidsregel kraamzorg; - – Beleidsregel verloskunde; en - – Nadere regel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg. - *Natale fase* Fase in het zorgtraject vanaf de aanvang van de actieve fase van de bevalling tot 2 uur na de geboorte van de placenta. - *Postnatale fase* Fase in het zorgtraject vanaf 2 uur na de geboorte van de placenta tot 6 weken hierna. - *Prenatale fase* Fase in het zorgtraject vanaf het eerste zorginhoudelijk"},{"b":"Beleidsregel Integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - b. *zakelijke vastgoedactiviteiten:* - 1°. Projectontwikkeling in de zakelijke vastgoedsector; - 2°. Financiering van beleggingsobjecten of ontwikkelingsprojecten in de zakelijke vastgoedsector; - 3°. Beleggen in de zakelijke vastgoedsector; - c. *instelling:* - 1°. Financiële onderneming, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=10); - 2°. Pensioenuitvoerder, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - 3°. Beroepspensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1). - d. *Wwft-instelling:* instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1) voor zover DNB is belast met het toezicht op naleving door de instelling ingevolge [artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van het Besluit aanwijzing toezichthouders Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024281&artikel=1); - e. *integriteitanalyse:* de analyse als bedoeld in [artikel 19 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=19), [artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=14) respectievelijk [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=10) en [artikel 14, vierde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=14); - f. *integriteitbeleid:* het beleid, bedoeld in [artikel 19 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https:/"},{"b":"Beleidsregel intrekking CV/BV- Besluit en heroverweging Besluit IFZ 1997/204M De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: *Dit besluit is een intrekking van het besluit van 6 juli 2005, nr. IFZ 2005/546M, Stcrt. 2005, 167 , en aankondiging van heroverweging van het besluit van 19 maart 1997, IFZ 1997/204M, infobulletin 1997, 232.* 1. Inleiding In de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking1Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35 241, nr. 3, blz. 45. heb ik het volgende opgemerkt: *‘Parallel aan de implementatie van ATAD2 zal per 1 januari 2020 ook het beleidsbesluit over hybride entiteiten onder het belastingverdrag met de VS2Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2005, IFZ2005/546M (Stcrt. 2005, 167). worden ingetrokken. Andere beleidsbesluiten met een verband met de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zullen worden heroverwogen.’* Door middel van dit besluit wordt hieraan uitvoering gegeven. 2. Intrekking van het CV/BV- Besluit en heroverweging van het besluit IFZ 1997/204M Hierbij wordt het [besluit van 6 juli 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028019), nr. IFZ 2005/546M, Stcrt. 2005, 167 per 1 januari 2020 ingetrokken. Het besluit van 19 maart 1997, IFZ/204M, infobulletin 1997, 232, zal worden heroverwogen. 3. Lopende ingenomen standpunten Voor per 1 januari 2020 nog lopende vaststellingsovereenkomsten waarin een standpunt is ingenomen over de toepassing van artikel 24, vierde lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten geldt het volgende. In het besluit van 6 juli 2005 is goedgekeurd dat, onder de in het besluit beschreven voorwaarden, artikel 24, vierde lid, van genoemd verdrag niet zal worden toegepast op hybride entiteiten die voor Nederlandse fiscale doeleinden als transparant worden beschouwd en voor Amerikaanse fiscale doeleinden als niet-transparant. Omdat dit besluit per 1 januari 2020 niet langer van toepassing"},{"b":"Beleidsregel inzake de verstrekking van een tijdelijk bewijsschrift taxi ten behoeve van het verkorten van de procedure voor het verkrijgen van een chauffeurspas als bedoeld in artikel 75 van het Besluit personenvervoer 2000 (Beleidsregel tijdelijk bewijsschrift taxi) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - b. regeling: [Regeling taxibestuurders 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667); - c. CBR: Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Artikel 2 1. Bij niet-naleving van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 75, eerste tot en met het derde lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=75), zal worden afgezien van toepassing van [artikel 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93), indien de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht in het bezit is van een geldig, behoorlijk leesbaar, tijdelijk bewijsschrift en dit aanwezig houdt in die auto. 2. De bestuurder van een auto die uitsluitend beperkte taxidiensten verricht als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667&artikel=1) kan in plaats van het in het eerste lid bedoelde tijdelijke bewijsschrift volstaan met het in het bezit hebben en het aanwezig houden in die auto van een tijdelijk bewijsschrift onder beperkingen. 3. Het tijdelijk bewijsschrift en het tijdelijk bewijsschrift onder beperkingen zijn geldig voor een periode van vier weken, gerekend vanaf de datum van verstrekking. Artikel 3 1. Een aanvraag voor een chauffeurspas bedoeld in [artikel 76, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76) wordt mede aangemerkt als een aanvraag voor een tijdelijk bewijsschrift. 2. Een melding van het CBR aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat dat de aanvrager recht heeft op het getuigschrift bed"},{"b":"Beleidsregel inzake het uitvoeren van verkeersvluchten door vliegers die 60 jaar of ouder zijn Artikel 1 1. Houders van een vliegbewijs B3, B2 of B1 die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, zijn totdat ze 65 jaar zijn, bevoegd op te treden als bestuurder van een vliegtuig tijdens verkeersvluchten indien - a. de bemanning uit meer dan één vlieger bestaat, en - b. de houder de enige vlieger binnen de bemanning is die 60 jaar of ouder is. 2. De vliegbewijzen, genoemd in het vorige lid, worden bij verlenging voorzien van de aantekening: only valid for public transport flights if the holder is member of a multi-pilot crew and the only pilot in the flight crew who has attained age 60 Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel ITS Artikel 1 De beleidsregels inzake het toezicht op de naleving van de verplichtingen verordening nr. 885/2013 en de verordening nr. 886/2013 zijn opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036729) van deze beleidsregel. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleid ITS"},{"b":"Beleidsregel IZA-transformaties Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - • *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - • *Zorgaanbieder:* Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - • *Zorgverzekeraar:* Een zorgverzekeraar zoals bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). - • *Zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1). - • *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - • *Integraal zorgakkoord:* Het Integraal Zorgakkoord (IZA) gesloten tussen de Minister van VWS en (koepel)organisaties binnen en buiten het zorgveld, zie Kamerstukken II, 2021–2022, 31 765, nr. 655, bijlage. - • *IZA-transformatieproject:* Impactvolle transformatie in de zin van het integraal zorgakkoord. - • *Initieel beschikbare middelen:* Het initieel beschikbare bedrag voor de IZA-transformaties opgenomen in de aanwijzing van de Minister. - • *Resterend beschikbare middelen:* Dit zijn de middelen die resteren van de initieel beschikbare middelen nadat er middelen aan projecten zijn toegekend. - • *Totaal projectbedrag:* Totaal bedrag gemoeid met het IZA-transformatieproject over de hele looptijd van dat project. - • *Zvf-deel van het projectbedrag:* Gedeelte van het totaal projectbedrag dat ten laste van het zorgverzekeringsfonds komt. - • *Flz-deel van het projectbedrag:* Gedeelte van het totaal projectbedrag dat ten laste van het Fonds langdurige zorg komt. - • *IZA-transformatieprestatie:* Een prestatieomschrijving die door de NZa wordt vastgesteld om (kosten voor) een IZA-transformatieproject te declareren en vergoeden. - • *"},{"b":"Beleidsregel jeugdtandverzorging instellingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Instelling voor jeugdtandverzorging* Een instelling voor jeugdtandverzorging kenmerkt zich door mondzorgverleners met specifieke deskundigheden en vaardigheden alsmede faciliteiten ten behoeve van consultatie, diagnostiek en behandeling verleent aan patiënten tot 18 jaar. De gebitsverzorging aan de deelnemende patiënten vindt plaats in een dental-car (tandartsbus) of andere mobiele praktijkruimte bij de (basis)school van de deelnemende kinderen of in het behandelcentrum. Indien de deelnemende kinderen per taxibus worden gehaald van de scholen voor controle en (preventieve) behandeling op een behandelcentrum, is sprake van de zogenaamde haalservice. Indien de kinderen worden gezien voor controle en (preventieve) behandeling op een dental-car of andere mobiele praktijkruimte bij de (basis)school van de deelnemende kinderen betreft dit de zogenaamde brengservice. - *Tarieven instelling voor jeugdtandverzorging* Een instelling voor jeugdtandverzorging die tandheelkundige hulp levert aan patiënten tot 18 jaar kan op grond van deze beleidsregel bovenop de tandheelkundetarieven een toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en daarnaast een instellingstoeslag van maximaal 10% voor de behandeling van risicogroepen in rekening brengen. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om de toeslagtarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar die geleverd wordt door instellingen voor jeugdtandverzorging. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), voor zover deze wordt geleverd door instellin"},{"b":"Beleidsregel kaders medewerking defensie aan (defensie-) schietverenigingen, studentenweerbaarheidsverenigingen en defensieschietteams Artikel 1. algemene begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *defensieschietvereniging:* schietvereniging waarvan het bestuur en leden militaire ambtenaren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1)zijn; - b. *studentenweerbaarheidsvereniging:* studenten schiet- of weerbaarheidsvereniging welke door de Minister van Defensie is erkend ingevolge [artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de weerkorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001992&artikel=9); - c. *KNSA-schietvereniging:* schietvereniging welke is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA), niet zijnde een defensieschietvereniging of studentenweerbaarheidsvereniging; - d. *defensieonderdeel:* de Bestuursstaf, het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, de Koninklijke Marechaussee, het Defensie Ondersteuningscommando onderscheidenlijk de Defensie Materieel Organisatie; - e. *hoofd defensieonderdeel:* de plaatsvervangend Secretaris-Generaal, de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, de Commandant Defensie Ondersteuningscommando, onderscheidenlijk de Directeur van de Defensie Materieel Organisatie; - f. *defensieschietteam:* een door een hoofd defensieonderdeel aangewezen team van militaire sportschutters die zich hebben bekwaamd op een of meer wapens en in dit kader deelnemen aan schietsportwedstrijden. Artikel 2. medewerking aan een defensieschietvereniging 1. Door het Ministerie van Defensie kan medewerking worden verleend aan een defensieschietvereniging om bij het Ministerie van Defensie in gebruik zijnde schietbanen dan wel schietterreinen te gebruik"},{"b":"Beleidsregel kenbaarheid internetsnelheden afdeling Eerste. – Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *Download- en uploadsnelheid:* de download- en uploadsnelheid als bedoeld in de netneutraliteitsverordening; - c. *Aanbieder van een internettoegangsdienst:* een aanbieder van een internettoegangsdienst als bedoeld in de netneutraliteitsverordening; - d. *Netneutraliteitsverordening:* de op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde verordening van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende open internettoegang. afdeling Tweede. – Internetsnelheid op vaste netwerken Artikel 2. Minimale download- en uploadsnelheid op vaste netwerken 1. De ACM verstaat het volgende onder de minimale snelheid: de snelheid die een internettoegangsdienst te allen tijde moet kunnen behalen. 2. Naar het oordeel van de ACM mag de gemeten snelheid nooit onder de minimumsnelheid liggen, behalve als de situatie zoals beschreven in [artikel 7.1a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.1a) zich voordoet. Artikel 3. Normaliter beschikbare download- en uploadsnelheid op vaste netwerken 1. De ACM verstaat het volgende onder de normaliter beschikbare snelheid: de snelheid die een internettoegangsdienst in de praktijk behaalt op een willekeurig moment van de dag. 2. Naar het oordeel van de ACM moet de normaliter beschikbare snelheid ten minste worden gerealiseerd in acht van de tien metingen van een internettoegangsdienst die een eindgebruiker in één week uitvoert. Hierbij oordeelt de ACM dat de metingen gelijkmatig moeten worden verspreid over minimaal drie dagen in deze week en dat de metingen op elk moment van de dag moeten kunnen worden uit"},{"b":"Beleidsregel ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Centrale zorgverlener (CZV)* De centrale zorgverlener begeleidt en coördineert de juiste ondersteuning en zorg op het juiste moment door de juiste professional voor het kind en gezin. De centrale zorgverlener zorgt voor de samenhang in de aanpak, maar behandelt zelf niet. De centrale zorgverlener werkt vanuit een brede blik, domein overstijgend en als spin in het web. Zeker bij multi-problematiek is dat een belangrijke voorwaarde voor succes omdat het kind/gezin met vele verschillende hulp-/zorgverleners te maken kan krijgen. De centrale zorgverlener zet in op het versterken van het zelfmanagement van het kind/gezin zodat het steeds meer zelfstandig in staat is om duurzame gedragsverandering te bereiken. - *Gecombineerde leefstijlinterventie kinderen (GLI):* Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - *Kwartaal:* Een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - *Zorgaanbieder:* Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *Zorgprogramma:* Een gecombineerde leefstijlinterventie kinderen wordt in de vorm van een zorgprogramma aangeboden (hetzij individueel, hetzij in een groep). Het zorgprogramma bestaat uit een behandelfase en een onderhoudsfase. De totale doorlooptijd van het zorgprogramma is 24 aaneengesloten maanden. De startdatum van het z"},{"b":"Beleidsregel keuring en ontheffingverlening LZV § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. *aantekening op het kentekenbewijs dan wel aantekening in het kentekenregister:* bijzonderheidscode op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister waaruit blijkt dat het voertuig na keuring geschikt is bevonden voor gebruik in een LZV; - b. *autonome beslisruimte LZV:* de actuele gegevens waarbij de wegbeheerder een weg of weggedeelte als geschikt voor het berijden met een LZV opgeeft waarvoor de Dienst Wegverkeer zonder toestemming als bedoeld in [artikel 149b, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b) en [artikel 4 van het Besluit ontheffing verlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=4) ontheffing mag verlenen voor LZV’s onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften; - c. *digitale wegenkaart LZV:* elektronische weergave van de actuele autonome beslisruimte LZV die door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffinghouders ter beschikking wordt gesteld; - d. *dieplader:* een open voertuig van de categorie O3 of O4, waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak aansluitend en over de gehele breedte moet zijn uitgevoerd, en zich op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte dan wel lager dan de assen boven het wegdek bevindt, maar niet hoger dan 0,70 m, gemeten van wegdek tot bovenkant laadvlak, uitsluitend of hoofdzakelijk ontworpen, gebouwd of gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading; - e. *LZV:* samenstellen met een laadlengte van tenminste 18 meter en ten hoogste 21,82 m , of een vergelijkbare laadlengte indien de voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van afneembare laadstructuren, bestaande uit ten hoogste drie voertuigen en ingericht voor het vervoer van goederen"},{"b":"Beleidsregel knelpuntenprocedure budgettair kader Wlz Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *beschikbare onderproductie:* productie die een zorgaanbieder beschikbaar stelt omdat zijn totaal financieel gerealiseerde productie kleiner is dan de gehonoreerde productieafspraak. - *dreigend knelpunt:* de verwachting dat binnen vier weken een knelpunt ontstaat. - *gehonoreerde productieafspraak:* de productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleidsregels en regelingen van de NZa. - *knelpunt:* de situatie waarin de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor, volgens de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048521&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze beleidsregel genoemde voorwaarden, kan aantonen dat niet kan worden voldaan aan de zorgplicht. Binnen de regionale contracteerruimte kan onvoldoende zorg worden gecontracteerd. Dit heeft tot gevolg dat cliënten met een geldige Wlz-indicatie in deze regio binnen de Treeknormen geen toegang hebben tot de voor hen geïndiceerde zorg in natura. Daarnaast kan het zo zijn dat het regionale financiële kader voor persoonsgebonden budgetten ontoereikend is, waardoor cliënten met een geldige Wlz-indicatie geen aanspraak (meer) kunnen maken op een persoonsgebonden budget. - *onderproductie:* er is sprake van onderproductie als de totaal financieel gerealiseerde productie, na correcties als bedoeld in artikel 5.3 onderdeel a van Beleidsregel bekostigingscyclus jaar t, en na correcties van de NZa, kleiner is dan de gehonoreerde productieafspraak. - *problematische wachtlijst:* van een problematische wachtlijst is sprake indien (een) zorgaanbieder(s) in een regio geïndiceerde Wlz-zorg in natura niet binnen de Treeknormen aan cliënten (kan) kunnen"},{"b":"Beleidsregel koel- en vriesinstallatie aan boord van vissersvaartuigen met een koudemiddel inhoud van meer dan 3 kg Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 Aan het gestelde in [artikel 4.15, lid 1, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=4.15) wordt voldaan, indien: - a. de installatie is ontworpen en geconstrueerd in overeenstemming met de regels van een erkend klassenbureau; - b. in aanvulling op het gestelde onder a een risico analyse is uitgevoerd; - c. voor de geklasseerde vissersvaartuigen is voorzien in een klasse notatie. Artikel 3 1. De schipper draagt zorg voor het periodiek doen uitvoeren van de noodzakelijke controles en onderhoudswerkzaamheden. 2. De schipper ziet er op toe dat het verlies van koudemiddel zo veel mogelijk wordt voorkomen. 3. Een installatie waaruit door lekkage of ander defect koudemiddel is ontsnapt wordt pas bijgevuld met koudemiddel als de lekkage of het defect is verholpen. 4. Lekkage van koudemiddelen en andere defecten dienen zo spoedig mogelijk te worden verholpen. Artikel 4 Voor controle van de goede werking van de installatie gelden de volgende maatregelen: 1. Controle en lekdetectie - a. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per 12 maanden bij installaties met een inhoud van 3 kilogram koudemiddelinhoud of meer; - b. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per 3 maanden bij installaties met een inhoud van 30 kilogram koudemiddelinhoud of meer; - c. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per maand bij installaties met een inhoud van 300 kilogram koudemiddelinhoud of meer; - d. elke ruimte waarin een installatie met een koudemiddelinhoud van 1000 kilogram of meer is ondergebracht, is voorzien van permanen"},{"b":"Beleidsregel kosteloos beëindigingsrecht artikel 7.2 Telecommunicatiewet De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 7.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.2), [15.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), en [15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), in samenhang gelezen met [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Titel 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *Tw:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. *Abonnee:* natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst, voor de levering van dergelijke diensten, als bedoeld in [artikel 1.1 onder p van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - d. *Aanbieder:* een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst of een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in [artikel 1.1 onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) respectievelijk artikel 1.1 onder h van de Tw, alsmede een aanbieder van een programmadienst als bedoeld in artikel 1.1 onder bbb van de Tw; - e. *Overeenkomst:* de overeenkomst van een aanbieder met een abonnee voor de levering van een of meerdere diensten als bedoeld in [artikel 1.1 onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) en/of artikel 1.1 onder bbb van de Tw; - f. *Beding:* een schriftelijke of mondelinge voorwaarde die in een overeenkomst met een abonnee is opgenomen. Een onderdeel of een eigenschap van een"},{"b":"Beleidsregel kosten aanvraag deskundigenoordeel 2013 Artikel 1 Aan de werkgever of de werknemer die heeft verzocht om het instellen van een onderzoek als bedoeld in [artikel 32, eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32) brengt het UWV kosten in rekening ten bedrage van: - a. € 400 indien de verzoeker de werkgever is; - b. € 100 indien de verzoeker de werknemer is. Artikel 1a In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032639&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) brengt het UWV geen kosten in rekening aan de werkgever wiens verzoek om het instellen van een onderzoek is gedaan ten behoeve van het indienen van een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 671b, vierde en vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671b). Artikel 2 Het Besluit kosten aanvraag deskundigenoordeel 2005 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel kosten aanvraag deskundigenoordeel 2013."},{"b":"Beleidsregel kostenvergoeding uitgifte kavels A7 en A8 Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Economische Zaken; - b. *verzoeker:* de indiener van een verzoek om kostenvergoeding of diens rechtsopvolger; - c. *Tijdelijke regeling:* [Tijdelijke regeling uitgifte kavels A7 en A8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560); - d. *kavel A7:* een kavel zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=1) (ongeclausuleerd kavel); - e. *kavel A8:* een kavel zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=1) (geclausuleerd kavel). Artikel 2 De minister kent desgevraagd een kostenvergoeding toe aan degene die een aanvraag voor een vergunning voor kavel A7, kavel A8 of kavels A7 en A8 heeft gedaan overeenkomstig de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560), tenzij deze aanvraag voor het tijdstip waarop de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560) is ingetrokken is afgewezen op grond van [artikel 3.6, eerste lid, onder f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.6) of buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) juncto [artikel 4 van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=4). Artikel 3 1. Kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien het directe kosten betreffen die de verzoeker noodzakelijkerwijs voor het tijdstip van intrekking van de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560) heeft gemaakt en betaald om een aanvraag voor een vergunning voor kavel A7, kavel A8 of kavels A7 en A8 te doen, voor zover deze kosten redelijk zijn. 2. Kosten als bedoeld in het eerste lid die na"},{"b":"Beleidsregel kostenvergoeding UWV Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *opgeroepene:* de persoon die door UWV is opgeroepen te verschijnen op tijdstip en plaats door UWV bepaald; - c. *woonadres:* het adres waar de opgeroepene woont overeenkomstig de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Artikel 2. Kostenvergoeding 1. De opgeroepene heeft aanspraak op vergoeding van reiskosten, verblijfkosten en gederfde inkomsten door tijdverlies als bepaald in deze beleidsregel. 2. De begeleider van de opgeroepene heeft aanspraak op vergoeding van reiskosten, verblijfkosten en gederfde inkomsten door tijdverlies als bepaald in deze beleidsregel voor zover begeleiding naar het oordeel van UWV noodzakelijk is. 3. Kosten van de begeleider komen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking voor zover deze kosten niet zijn begrepen in de kostenvergoeding voor de opgeroepene. 4. Betaling van een kostenvergoeding geschiedt door bijschrijving op de bankrekening van de opgeroepene of de begeleider. 5. Dit besluit is niet van toepassing voorzover aanspraak bestaat op een kostenvergoeding op grond van een bijzondere vergoedingsregeling. Artikel 3. Vergoeding reiskosten 1. Reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking indien de reisafstand van woonadres naar de plaats van oproeping vijftien kilometer of meer bedraagt. Bij een reisafstand van minder dan vijftien kilometer worden reiskosten niet vergoed. 2. De vergoeding voor reiskosten bij een reisafstand van vijftien kilometer of meer bedraagt € 0,23 per afgelegde kilometer, ongeacht de wijze van vervoer. Het totaal aantal kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt wordt vastgesteld door het aantal kilometers van de reisafstand te vermenigvuldigen met twee en de uitkomst naar boven af te ronden op gehele kilometers. 3. De reisa"},{"b":"Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming april 2007 1. Inleiding Met toepassing van de richtlijnen zoals neergelegd in de beleidsregel kostenverhaal, [artikel 75 Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75)1Stcrt. 2002, 81, p.23. heeft de toenmalige uitvoeringsorganisatie Kostenverhaal van het Directoraat-Generaal Milieubeheer een groot aantal kostenverhaalszaken afgehandeld. Met ingang van 1 januari 2005 houdt Bodem+2Website: www.bodemplus.nl., onderdeel van SenterNovem, zich in opdracht van achtereenvolgens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en thans de Minister, bezig met de wettelijke taak kostenverhaal. Daartoe heeft de staatssecretaris de bevoegdheid tot het behandelen van kostenverhaalszaken formeel gemandateerd aan SenterNovem.3Besluit mandaat, volmacht en machtiging SenterNovem Bodem+, Stcrt. 2004, 243, p. 16. SenterNovem is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. Het Ministerie van VROM heeft in samenwerking met Bodem+ het beleid inzake kostenverhaal opnieuw bezien en waar nodig aangepast. Dit heeft geleid tot de onderhavige beleidsregel die de in 2002 gepubliceerde beleidsregel vervangt. 2. Achtergrond beleidsregel op grond van artikel 75 Wet bodembescherming 2.1. Wettelijke taak kostenverhaal Bij de uitvoering van de wettelijke taak kostenverhaal wordt Bodem+ door provincies en gemeenten voorzien van gegevens, die noodzakelijk zijn voor de onderbouwing van een individuele kostenverhaalzaak. De Staat wordt in rechte vertegenwoordigd door de Landsadvocaat. Kostenverhaal vindt plaats op grond van [artikel 75 Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75) (Wbb). De Staat kan de kosten die zijn gemaakt voor onderzoek en sanering verhalen op de veroorzaker van de bodemverontreiniging op grond van [artikel 75 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75) (onrechtmatige daad) en [artik"},{"b":"Beleidsregel Kostprijsmodel zorgproducten medisch-specialistische zorg – BR/REG-23152, Nederlandse Zorgautoriteit Ingevolge [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Reikwijdte 1. Deze beleidsregel is van toepassing op medisch-specialistische zorg, voor zo ver geleverd door een van de hieronder genoemde categorieën instellingen: - a. algemene ziekenhuizen; - b. universitaire medische centra; - c. zelfstandige behandelcentra; - d. instellingen voor revalidatiezorg; - e. categorale instellingen voor long/astmazorg; - f. huisartsenlaboratoria; - g. trombosediensten; - h. productiesamenwerkingsverbanden; - i. klinisch genetische centra, voor zo ver deze geen deel uitmaken van een universitair medisch centrum; - j. protonentherapiecentra. 2. Deze beleidsregel is niet van toepassing op zorg die wordt geleverd door: - a. categorale instellingen voor epilepsiezorg; - b. radiotherapeutische centra; - c. dialysecentra; - d. audiologische centra; - e. instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren en die niet behoren tot een van de instellingscategorieën genoemd in het eerste lid. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel geeft inzicht in de wijze waarop de NZa informatie over de kostprijzen vergaart en de wijze waarop zij kostprijzen laat berekenen en aanleveren door instellingen. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Academische zorg:* Het uitvoeren van topreferente zorg en innovatieve zorg, en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in [onderdeel B van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031971) (Stb."},{"b":"Beleidsregel kostprijsonderzoek mondzorg (bronjaar 2023), ten behoeve van de tarieven tandheelkundige- en orthodontische zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *bronjaar:* het kalenderjaar waar de opgevraagde gegevens in het informatieverzoek op zien. - *expertgroep:* groep van inhoudelijke experts, aangedragen door de leden van de externe klankbordgroep. - *externe klankbordgroep:* groep van inhoudelijk belanghebbende zijnde branche-/beroepsverenigingen, zorgverzekeraars, patiënten- en consumentenorganisaties. - *externe onderzoeksbureau:* het onderzoeksbureau dat namens de NZa (een deel van) het kostprijsonderzoek zal uitvoeren, in onderhavige kostprijsonderzoek is dat Sira Consulting. - *functiehouderschap:* de verantwoordelijkheden en uitvoerende taken die inherent zijn aan het vervullen van een bepaalde functie, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van Berenschot. - *geselecteerde zorgaanbieder:* een zorgaanbieder aan wie een informatieverzoek als bedoeld in [artikel 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050287&artikel=7&z=2024-10-12&g=2024-10-12) van deze beleidsregel is verzonden. - *inkomensdeel:* dat deel van de kosten van de praktijk dat op basis van de Normatieve Arbeidskosten Component wordt bepaald. - *invulsjabloon:* format waarin de gevraagde gegevens worden ingevuld en aangeleverd. - *kostprijs:* de aan elke afzonderlijke punt toegerekende kosten. - *kostprijsonderzoek:* het proces om onderzoek te doen naar de kosten die ten grondslag liggen aan het leveren van mondzorg, om vervolgens te komen tot herijkte tarieven in de mondzorg. - *mondzorg:* tandheelkundige- en orthodontische zorg. - *Normatieve Arbeidskosten Component (NAC):* de NAC omvat een normatieve integrale vergoeding voor zowel het functiehouderschap als het praktijkhouderschap van een fulltime werkende praktijkhouder. - *onderzoeksrapport van Berenschot:* ‘Onderzoeksrapport Berenschot – Naar functiezwaarte b"},{"b":"Beleidsregel kraamzorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Kraamzorg:* Zorg als omschreven in [artikel 2.11 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). - *Inschrijving:* Onder inschrijving worden de volgende handelingen verstaan: - − het verwerken van de (telefonische) aanmelding; - − het toesturen van informatiemateriaal en het inschrijfformulier; - − het op basis van het ingevulde inschrijfformulier verrichten van diverse administratieve handelingen; - − het plannen van het op termijn in te zetten personeel. - *Intake:* De intake betreft: De intake vindt plaats: - − het verkennen en verduidelijken van de hulpvraag van de cliënt; - − het inventariseren van de zorgbehoefte; en - − het met inachtneming van de volgende criteria: objectief bepalen welke hulp naar inhoud en omvang en kwaliteit nodig is op grond waarvan verantwoorde beslissingen omtrent inzet en financiering van zorg mogelijk zijn, mede ter effectuering van de zorgaanspraken. - − noodzakelijkheidsprincipe; - − aanvullend op eigen mogelijkheden; - − ontbreken van deskundigheid; - − preventie; en - − bijsturing, - − of bij de cliënt thuis; - − of op afstand. - *Assistentie van kraamzorg bij de bevalling:* Het voorbereiden op, het assisteren bij de bevalling en het verzorgen van moeder en kind direct na de bevalling. De assistentie van kraamzorg bij de bevalling (partusassistentie) wordt verricht onder leiding van een verloskundige of huisarts. De locaties waar assistentie van kraamzorg bij de bevalling kan plaatsvinden, zijn: - − thuis bij moeder en kind; - − in een vervangende thuissituatie; of - − in een poliklinische situatie. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van kraamzorg. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel"},{"b":"Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *beslisboom:* het stroomschema opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051067) bij deze beleidsregel; - b. *commerciële media-instelling:* commerciële media-instelling als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - c. *gebruiker:* een natuurlijk persoon of rechtspersoon die gebruikmaakt van een videoplatformdienst, hetzij door media-aanbod hiervoor te creëren en te delen, hetzij door hierop media-aanbod te bekijken. - d. *Herzieningsrichtlijn:* Richtlijn 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van de Richtlijn in het licht van een veranderende marktsituatie; - e. *Richtlijn:* Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (doorgaans aangeduid als: Richtlijn audiovisuele mediadiensten), als gewijzigd door de Herzieningsrichtlijn; - f. *videoplatformdienst:* videoplatformdienst in de zin van [artikel 3a.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3a.1); - g. *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). Artikel 2. Kwalificatie 1. Een mediadienst wordt aangemerkt als een commerciële mediadienst op aanvraag als deze voldoet aan de begripsomschrijving van [artikel 3.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a), in samenhang met de relevante bepalingen van [artikel 1.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1). Deze beleidsregel geeft een verduidelijking van bepaalde vereisten die niet in deze artikelen worden genoemd, maar op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en de"},{"b":"Beleidsregel last onder dwangsom niet verzekerd handelaarskenteken Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *handelaarskenteken:* kenteken als bedoeld in [artikel 3 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=3) - *erkenninghouder:* Het erkende bedrijf als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua) en [artikel 7 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=7). Artikel 2. Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op de last onder dwangsom bij constatering van een overtreding van het bepaalde in [artikel 21, elfde lid van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=21). Artikel 3. Voornemen last onder dwangsom 1. Zodra de Dienst Wegverkeer vaststelt dat er sprake is van een niet verzekerd zijn van een handelaarskenteken voor motorvoertuigen wordt de erkenninghouder ervan in kennis gesteld dat het voornemen bestaat om een last onder dwangsom op te leggen. De erkenninghouder krijgt de gelegenheid om binnen één week zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. 2. In het voornemen wordt vermeld: - a. vanaf welk moment het handelaarskenteken verzekerd had moeten zijn; - b. op welk moment er op basis van het WAM-register geconstateerd is dat er geen sprake is van een in stand zijnde verzekering; - c. dat de erkenninghouder de last krijgt opgelegd om het handelaarskenteken te verzekeren en verzekerd te houden; - d. dat wanneer de erkenninghouder geen verzekeringsovereenkomst kan afsluiten, de aan hem afgegeven handelaarskentekens voor motorvoertuigen ongeldig worden verklaard; - e. de hoogte van de dwangsom die aan de last onder dwangsom zal worden verbonden. 3. De last onder dwangsom wordt opgelegd, tenzij: - a. de erkenninghouder aantoont dat voorafgaand aan het versturen van het voornemen en voortduren"},{"b":"Beleidsregel last onder dwangsom van de NIWO Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *vervoersdocumenten:* de vervallen of ingetrokken communautaire vergunning, vergunning als bedoeld in [artikel 7.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1) of bestuurdersattest, alsmede de bijbehorende gewaarmerkte kopieën, CEMT-vergunning, ritmachtiging en overbruggingsbewijzen; - *overtredende vervoerder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in overtreding van [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6) is of in geval van faillissement, de curator in hoedanigheid van zijn taakuitoefening; - *wet:* [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de procedure waarbij wordt onderzocht of zich feiten en omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6); - b. de last onder dwangsomprocedure bij constatering van een overtreding als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6); - c. de omstandigheden waaronder de last onder dwangsomprocedure beëindigd kan worden. Artikel 3. Voornemen tot oplegging last onder dwangsom 1. De NIWO zal voorafgaand aan de oplegging van een last onder dwangsom de overtredende vervoerder door middel van een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom de gelegenheid bieden om binnen één week de overtreding als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6) te beëindigen. 2. Indien wordt aangetoond dat zich feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot het krijgen van uitstel, kan op verzoek uitstel worden verleend van de termijn als bedoeld in het eerste lid. Artikel 4. Oplegging las"},{"b":"Beleidsregel maatregelen UWV Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. betrokkene: - 1°. de werknemer, bedoeld in de [artikelen 3 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) en [53 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=53), - 2°. de persoon, bedoeld in de [artikelen 3 tot en met 8c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3) en [64 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64), [3 tot en met 7b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) juncto [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=23), en [81 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=81), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=10) en [18 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=18), [3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=3) en [2:68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:68) en [3:39 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:39), - 3°. degene die aanspraak maakt op een toeslag op grond van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043), zijn echtgenoot of zijn wettelijk vertegenwoordiger, en - 4°. de werknemer, de gelijkgestelde en de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in de [artikelen 3:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:6) en [3:17 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:17); - 5°. de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde als bedoeld in [artikel 1 van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"b":"Beleidsregel Macrobeheersinstrument geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vanaf 2023 – BR/REG-23151, Nederlandse Zorgautoriteit Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Doel van deze beleidsregel is vastlegging van de wijze waarop de NZa ontstane overschrijdingen van het budgettair kader zorg (bkz) betrekking hebbend op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg met behulp van een macrobeheersinstrument (mbi) achteraf redresseert. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verleent én de houder is van de algemeen gegevensbeheer code (AGB-code) die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macrobeheersingsinstrument; - c. *Consulten:* Consulten voor zover geneeskundige ggz; zoals omschreven in [hoofdstuk 2 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047033); - d. *Verblijfsdagen:* verblijfsdagen voor zover geneeskundige ggz; zoals omschreven in [hoofdstuk 3 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047033); - e. *Toeslagen:* toeslagen voor zover geneeskundige ggz; zoals omschreven in [hoofdstuk 4 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047033); - f. *Overige prestaties:* Overige Prestaties voor zover geneeskundige ggz; zoals omschreven in [hoofdstuk 5 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven geestelijke gezon"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2024 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties huisartsenzorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 1 en voor zover het huisartsenzorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de [Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047255). - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de minister na afloop van 2024, met daarin het beslu"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties huisartsenzorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 1 en voor zover het huisartsenzorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de [Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048546). - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de minister na afloop van 2025, met daarin het beslu"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid en artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties huisartsenzorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 1 en voor zover het huisartsenzorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de minister na afloop van 2026, met daarin het besluit of het kader is overschreden en, zo ja, welk doelbedrag door de NZa moet worden teruggehaald. - *zorgaanbieder"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2024 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *Algemene begripsbepalingen* - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *macrobeheersinstrument (MBI):* instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB-code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macrobeheersinstrument. - *zorgverzekeraar:* Een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). - *Zorgverzekeringsfonds:* het fonds bedoeld in [artikel 39 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39). - b. *Begripsbepalingen Zvw* - *eerstelijnsverblijf (elv):* verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaand"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *Algemene begripsbepalingen* algemeen gegevensbeheer code (AGB-code): unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. Budgettair kader zorg: door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. macrobeheersinstrument (MBI): instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. macro-omzetgrens: de bovengrens grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB-code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macrobeheersinstrument. zorgverzekeraar: Een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). Zorgverzekeringsfonds: het fonds bedoeld in [artikel 39 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39). - b. *Begripsbepalingen Zvw* eerstelijnsverblijf (elv): Zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medis"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *Algemene begripsbepalingen* - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *macrobeheersinstrument (MBI):* instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in[artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB-code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macrobeheersinstrument. - *zorgverzekeraar:* Een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). - *Zorgverzekeringsfonds:* het fonds bedoeld in [artikel 39 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39). - b. *Begripsbepalingen Zvw* - *eerstelijnsverblijf (elv):* zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor z"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2024 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *Minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties multidisciplinaire zorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 2 en voor zover het multidisciplinaire zorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de Minister na afloop van 2024, met daarin het besluit of"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *Minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties multidisciplinaire zorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 2 en voor zover het multidisciplinaire zorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de Minister na afloop van 2025, met daarin het besluit of"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties multidisciplinaire zorg:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. De prestaties als omschreven in segment 2 en voor zover het multidisciplinaire zorg betreft eveneens de prestaties als omschreven in segment 3 van de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. - *realisatiebrief:* de brief die de NZa ontvangt van de minister na afloop van 2026, met daarin het besluit of"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2024 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *Minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties verpleging en verzorging:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. Hieronder vallen de prestaties als omschreven in de [Beleidsregel verpleging en verzorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048536), alsmede de prestaties op basis van de [Beleidsregel experiment cliëntprofielen verpleging en verzorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048537), de [Beleidsregel"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [en artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties verpleging en verzorging:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. Hieronder vallen de prestaties als omschreven in de Beleidsregel verpleging en verzorging, alsmede de prestaties op basis van de Beleidsregel experiment integrale prestaties verpleging en verzorging, de Beleidsregel regiefunctie complexe wondzorg en de Beleidsregel verpleegkundige dagopvang en verblijf bij inten"},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):* unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - *Budgettair kader zorg:* door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *doelbedrag:* het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - *gerealiseerde omzet:* de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - *kaderbrief:* de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - *macrobeheersinstrument:* instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid, en artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - *macro-omzetgrens:* de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - *prestaties verpleging en verzorging:* de prestaties waarvan de totaal gedeclareerde bedragen gezamenlijk als uitgangspunt dienen voor het macrobeheersinstrument. Hieronder vallen de prestaties als omschreven in de [Beleidsregel verpleging en verzorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048536), alsmede de prestaties op basis van de [Beleidsregel experiment integrale prestaties verpleging en verzorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050088), de [Beleidsregel regiefunctie complexe wondzorg](https://wetten.overheid."},{"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *bovengrens:* grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *budgettair kader zorg (BKZ):* het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - *macrobeheersinstrument (MBI):* instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het BKZ achteraf kunnen worden geredresseerd. - *omzet:* omzet als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051269&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze beleidsregel. - *prestaties zintuiglijk gehandicaptenzorg:* prestaties als bedoeld in artikel 4 van de Beleidsregel zintuiglijk gehandicaptenzorg. - *zintuiglijk gehandicaptenzorg:* zintuiglijk gehandicaptenzorg als bedoeld in [artikel 2.5a van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a). - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *zorgverzekeraar:* een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) (hierna: Zvw). - *Zorgverzekeringsfonds:* het fonds bedoeld in [artikel 39 van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om uitvoering te geven aan de"},{"b":"Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052498) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis Zorgkantoor Artikel 1 Zorgkantoor Zilveren Kruis hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregel is opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052612) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis zorgkantoor. Artikel 4 De Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis Zorgkantoor vervangen het Beleidskader Meerzorg vanaf 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregel met betrekking tot de behandeling en beoordeling van aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie in verband met de uitvoering van de Planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (Beleidsregel schadevergoeding Ruimte voor de Rivier) Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *aanvraag:* aanvraag om schadevergoeding of tegemoetkoming in de schade als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025792&artikel=2&z=2013-02-01&g=2013-02-01); - c. *de Overeenkomst:* de overeenkomst inzake verleggingen van kabels en leidingen buiten beheersgebied tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat en Energie-Ned, VELIN en VEWIN (Stcrt. 1999, 97). - d. *de PKB Ruimte voor de Rivier:* de bij besluit van 19 december 2006 vastgestelde Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier, deel 4, die op 26 januari 2007 van kracht is geworden (Stcrt. 2007, 18). Artikel 2. Het recht op schadevergoeding 1. De minister kent op aanvraag van degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van: - a. een rechtmatig projectbesluit, genoemd in de bijlage behorende bij de PKB Ruimte voor de Rivier; - b. een rechtmatig projectbesluit, genoemd in een beslissing van de minister tot wijziging of aanvulling van het Basispakket, bedoeld in de PKB Ruimte voor de Rivier; - c. een door de minister, in plaats van een onder a of b bedoeld besluit, genomen rijksprojectbesluit of vastgesteld rijksinpassingsplan als bedoeld in [artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.28); - d. een rechtmatig besluit dat naast de in onderdeel a, b en c bedoelde projectbesluiten of het in onderdeel c bedoelde rijksinpassingsplan nodig is om het betreffende project daadwerkelijk uit te voeren; - e. de rechtmatige uitvoering van een maatregel, genoemd in de bijlage behorende bij de PKB Ruimte voor de Rivier, of in een beslissi"},{"b":"Beleidsregel Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 december 2025, kenmerk 4292751-1091287-MEVA, omtrent de nadere concretisering van de vereisten die gelden om aangewezen te worden als opleidingsinstelling als bedoeld in het Besluit gezondheidszorgpsycholoog Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Besluit:* het [Besluit gezondheidszorgpsycholoog](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467); - b. *IOP:* individueel opleidingsplan; - c. *OI:* onderwijsinstelling; - d. *POI:* praktijkopleidingsinstelling. Artikel 2. Supervisiesessies 1. De supervisiesessies, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=4), worden gegeven door een externe supervisor en vindt buiten de directe werkstroom plaats. 2. De focus van supervisiesessies ligt op professionele ontwikkeling en integratie van theorie en praktijk. 3. De supervisor is onafhankelijk. 4. De kwaliteit van de supervisie wordt geborgd en geëvalueerd. 5. De uren supervisie zijn verspreid over de totale opleidingsperiode en sluiten aan op het leerstadium van de opleideling. Er wordt in het eerste jaar van de opleiding gestart met supervisie. 6. Supervisie staat los van werkplekbegeleiding en praktijkbegeleiding, als bedoeld in [artikel 7, onderdeel d, onder 2°, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=7). Artikel 3. Evenwichtige verhouding opleiding en werkervaring 1. Het bepaalde, in [artikel 7, onderdeel b, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=7), houdt in dat de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog een geïntegreerde leerervaring biedt, waarin theoretisch en praktisch onderwijs en werkervaring samenhangen en elkaar versterken. 2. Met een evenwichtige verhouding tussen het theoretische en praktische gedeelte van de opleiding als bedoeld in [artikel 7, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=7), w"},{"b":"Beleidsregel mobiele aankiesbaarheid 112 Artikel 1. – Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Abonnee:* abonnee, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - *Gebruiker:* gebruiker, als bedoeld in [artikel 11.1, onderdeel a, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.1); - *Locatiegegevens:* locatiegegevens, als bedoeld in [artikel 11.1, onderdeel d, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.1); - *Nummerplan:* Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten; - *Nummer- en identiteitsgegevens:* het nummer van het oproepende netwerkaansluitpunt, de naam, en de beschikbare adres-, postcode- en woonplaatsgegevens van de abonnee, als bedoeld in [artikel 11.10, eerste lid, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10); - *Openbaar elektronisch communicatienetwerk:* openbaar elektronisch communicatienetwerk, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - *Openbare elektronische communicatiedienst:* openbare elektronische communicatiedienst, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - *Openbare telefoondienst:* openbare telefoondienst, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - *Oproep:* oproep, als bedoeld in [artikel 11.1, onderdeel f, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.1); - *Tw:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - *112:* het Europees alarmnummer 112, genoemd in [Bijlage 1 bij het Nummerplan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=1). Artikel 2. – Toegang tot 112 Naar h"},{"b":"Beleidsregel natuurcompensatie en Tracéwet 1. Inleiding en doel In het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) is als uitgangspunt vastgelegd, dat in bepaalde gebiedscategorieën in principe geen ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden. Volgens het ’nee-tenzij’-principe zijn dergelijke ingrepen alleen toegestaan indien er sprake is van een aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang en bij gebrek aan alternatieven. Op grond van het SGR dient de initiatiefnemer dan het verlies aan natuur, bos en/of recreatie te compenseren. Als gebiedscategorieën waarop dit compensatiebeginsel van toepassing is zijn in het SGR aangemerkt: - – kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur; - – gerealiseerde natuurontwikkelingsgebieden; - – kleinere natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur die als zodanig zijn aangewezen in het streekplan, onder de werking van de Natuurbeschermingswet vallen of zijn vastgelegd in een bestemmingsplan; - – biotopen van aandachtssoorten die op indicatie van de soortenbeschermingsplannen van het Rijk in streekplannen en/of bestemmingsplannen zijn opgenomen; - – bossen en landschappelijke beplantingen vallend onder de Boswet; grootschalige openbare recreatievoorzieningen. Het compensatiebeginsel dient gestalte te krijgen in de vorm van mitigatie en compensatie. Onder mitigatie wordt verstaan het verminderen van nadelige effecten van ingrepen/activiteiten op de omgeving door bepaalde maatregelen. Dergelijke maatregelen hebben een directe, fysieke relatie met het te maken werk, in die zin dat zij worden uit-gevoerd aan, op of onder het werk zelf (denk aan ecoducten, dassentunnels en geluidsschermen). Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Gaat het om volledig onvervangbare waarden dan heeft compensatie betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke waarden. In tegenstelling tot mitigerende maatregelen kunnen compenserende maatregelen ook buiten het beheersgebie"},{"b":"Beleidsregel Natuurschoonwet 1928 *Dit besluit vervangt het besluit van 29 juni 2011, nr. BLKB2011/310M* 1 Gewijzigd bij besluit van 19 augustus 2015, nr. BLKB2015/449M. *en bevat het beleid over de fiscale faciliteiten in de Natuurschoonwet 1928. De voorwaarden in onderdeel 3 zijn aangepast aan de elektronische wijze van registreren van notariële akten. Onderdeel 4 is nieuw en omschrijft de voorwaarden waaronder aandelen in een landgoed BV/NV gecertificeerd kunnen worden. De onderdelen 5, 8 en 9 zijn herschreven, zonder dat een inhoudelijke wijziging is bedoeld.* 1. Inleiding Landgoederen kunnen op verzoek van de eigenaar worden aangemerkt (gerangschikt) als landgoed in de zin van de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) (NSW). De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Minister van Financiën geven gezamenlijk aan de eigenaar van het NSW-landgoed een beschikking af. Het nemen van deze gezamenlijke beschikkingen is aan de onderscheidene uitvoerende diensten gemandateerd. De beschikkingen worden namens de beide ministers ondertekend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). In het [Rangschikkingsbesluit NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914) zijn nadere voorwaarden opgenomen voor de rangschikking als NSW-landgoed. De [NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) voorziet in fiscale faciliteiten (schenk- en erfbelasting en overdrachtsbelasting) voor de verkrijgers van gerangschikte NSW-landgoederen. Op deze faciliteiten kan gedurende 25 jaar na de verkrijging worden teruggekomen. In dit besluit wordt ingegaan op de fiscale faciliteiten in de NSW en er zijn goedkeuringen in opgenomen. In [onderdeel 3.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044624). en [3.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044624). zijn goedkeuringen opgenomen voor de toepassing van [artikel 9a NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a). Een voorwaarde bij deze goedkeuringen is aangepast aan d"},{"b":"Beleidsregel NMa beoordeling horizontale concentraties Artikel 1 Bij het toepassen van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37) en [41 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41), zoals deze zullen luiden nadat de [Wet van 28 juni 2007, houdende wijziging van de Mededingingswet als gevolg van de evaluatie van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022401) (Stb. 284), in werking is getreden, zal de Autoriteit Consument en Markt aansluiten bij de mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 2004, getiteld ‘Richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de Verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen’ (Pb 2004, C 31, blz. 5 - 18). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel ACM beoordeling horizontale concentraties’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2007."},{"b":"Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) geestelijke gezondheidszorg, forensische zorg en langdurige zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Centrum Zorg en Bouw/TNO:* Expertisecentrum met betrekking tot specifieke deskundigheid op het gebied van bouw van zorgvoorzieningen in Nederland. Het centrum is onderdeel van TNO. Vanaf 1 januari 2016 is het Centrum Zorg en Bouw opgenomen binnen het Innovatie Centrum Bouw. - *forensische zorg:* Forensische zorg als bedoeld in [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1), voor zover gepaard gaand met verblijf. - *geneeskundige ggz:* Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), voor zover gepaard gaand met verblijf. - *inventaris:* Roerende medische en andere zaken die in en om het gebouw aanwezig zijn. Onder inventaris wordt ook computerapparatuur en -programmatuur begrepen. Vervoermiddelen zijn geen inventaris. - *normatieve huisvestingscomponent (nhc):* Een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor nieuwbouw en instandhouding. Deze vergoeding bestaat uit een jaarlijks geïndexeerde bijdrage die voldoende is om, over de gehele levenscyclus van een nieuwbouwvoorziening, de rente-, afschrijvings- en instandhoudingsuitgaven te dekken. - *normatieve inventariscomponent (nic):* Een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor investeringen in inventaris. Deze normatieve vergoeding bestaat uit een jaarlijks geïndexeerde bijdrage die voldoende is om, over de gehele levenscyclus van inventaris, de rente en afschrijvingskosten te dekken. - *vermogenskostenvoet:* De vermogenskostenvoet bestaat uit het gewogen gemiddelde van de financieringskosten van zowel vreemd als eigen vermogen. - *zor"},{"b":"Beleidsregel normenkader Wlz-uitvoerder Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de begrippen die in deze beleidsregel voorkomen wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om ten behoeve van de Wlz-uitvoerders vast te leggen hoe de NZa invulling geeft aan haar taak toezicht te houden op de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). De normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa in haar toezichtuitoefening verwacht van Wlz-uitvoerders. De NZa heeft bij de formulering van deze normen de doelen van de Wlz als uitgangspunt genomen. Deze doelen (zie [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050558&bijlage=1&z=2024-12-14&g=2024-12-14) Overzicht doelen Wlz) vinden in deze beleidsregel artikelsgewijs hun uitwerking. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op Wlz-uitvoerders. Artikel 4. Normen Waarborgen beschikbaarheid van zorg (kerndoel I) De Wlz-uitvoerder waarborgt, voor de korte en langere termijn, de beschikbaarheid van voldoende, doelmatige en kwalitatief goede zorg (alle vormen zorg in natura (zin)), in aansluiting bij de voorkeuren en zorgvraag van verzekerden. 4.1 De Wlz-uitvoerder voorziet in de benodigde doelmatige en kwalitatief goede zorg (doel A) 4.1.1 Voor de korte en langere termijn is voldoende, kwalitatief goede zorg beschikbaar, in aansluiting op te verwachten aantallen cliënten, indicaties, geografische spreiding, cliëntvoorkeuren en andere voor de zorginkoop relevante factoren (doel A.1). - i. De Wlz-uitvoerder maakt tijdig contractuele afspraken met zorgaanbieders, die waarborgen dat er voldoende passende, kwalitatief goede en doelmatige zorg beschikbaar is om te voorzien in de voor een bepaald jaar verwachte zorgvraag. - ii. De Wlz-uitvoerder zorgt ervoor dat ook voor de langere termijn aan de zorgvraag kan worden voldaan. - iii. De Wlz-uitvoerder maakt aanvullende contractuele afspraken indien de financiering niet"},{"b":"Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten 2016 § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. *ballasttrekker:* een voertuig van de categorie N waarbij uit het kentekenbewijs blijkt dat het voertuig is ingericht voor trekker en vrachtwagen, en waarbij het voertuig minimaal is voorzien van 3 assen, waarvan ten minste 2 assen aangedreven; - b. *buitenlands voertuig:* voertuig waarbij het kenteken van het trekkend motorrijtuig dan wel het getrokken voertuig door een andere staat dan Nederland is afgegeven; - c. *compenserend asstel:* een asstel dat zodanig is geconstrueerd, dat de aslasten een compenserend gedrag vertonen ten opzichte van elkaar; - d. *dieplader:* een open voertuig van de categorie O3 of O4, waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak aansluitend en over de gehele breedte moet zijn uitgevoerd, en zich op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte dan wel lager dan de assen boven het wegdek bevindt, maar niet hoger dan 0,70 m, gemeten van wegdek tot bovenkant laadvlak, uitsluitend of hoofdzakelijk ontworpen, gebouwd of gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading; - e. *getrokken werktuig:* voertuig van de categorie O4 ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen, en niet zijnde ingericht als kermis- of circusvoertuig; - f. *kermis- en circusvoertuig;* voertuig niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat uitsluitend wordt gebruikt voor de feitelijke exploitatie van een kermis- of circusbedrijf; - g. *modulair voertuig:* een voertuig dat bestaat uit koppelbare en uitwisselbare modules, waarmee verschillende voertuigconfiguraties kunnen worden samengesteld, en waarmee alleen met een geldige ontheffing gebruik van de openbare weg mag worden gemaakt; - h. *ontheffingsattest:* een document waar de technische"},{"b":"Beleidsregel ontheffingen luchtwaardigheid § 1. Algemeen Artikel 1 Aan de houder van een luchtvaartuig dat: - a. niet luchtwaardig is, of - b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid, wordt, indien de houder aantoont, dat een dringende noodzaak bestaat dat met dat luchtvaartuig een vlucht of een aantal vluchten wordt uitgevoerd en dat hij passende maatregelen zal nemen om zowel de interne veiligheid als de externe veiligheid in voldoende mate te waarborgen, een ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8). Artikel 2 1. Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016401&paragraaf=1&artikel=1&z=2004-07-14&g=2004-07-14), wordt ingediend bij de Inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat, en omvat ten minste: - a. de reden van de dringende noodzaak van de vlucht of vluchten; - b. de gewenste duur van de ontheffing. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van: - a. voor in Nederland geregistreerde luchtvaartuigen: een kopie van een luchtwaardigheidsverklaring van een erkend bedrijf; eventueel ondersteund door gegevens van de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig, of de houder van een daartoe geschikte DOA als bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=24) of [26 van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=26) of erkenning als Erkend Inspecteur als bedoeld in [Hoofdstuk 6 van de Regeling erkenningen luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012877&hoofdstuk=6), inclusief een voorstel voor eventuele beperkingen; - b. voor niet in Nederland geregistreerde luchtvaartuigen: - 1°. een kopie van het bewijs van inschrijving; - 2°. een kopie van de luchtwaardigheidsverklaring van de autoriteit van het land van registratie, inclusief de eventuele beperkingen en de voorwaardelijke toest"},{"b":"Beleidsregel ontheffingsregeling voor een Commercial Cruising Vessel Artikel 1 Dat voor een zeeschip schip, waarvan de lengte als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Bijlage I, van het Schepenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=I), 12 meter of meer bedraagt en waarvan de gemeten tonnage 500GT of minder is en uitsluitend bestemd is om bedrijfsmatig passagiers te vervoeren voor recreatieve doeleinden en dit schip of: - a. een zeilschip is als genoemd in [artikel 1, eerste lid, van het Schepenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=1) met ten hoogste 36 passagiers of: - b. een motor schip is (uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voortbewogen door mechanische voortstuwing) met ten hoogste 12 passagiers, ontheffing verleend kan worden van de eisen als bedoeld in de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=3), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=33), [45, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=45), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=46), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=50), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=52), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=59), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=62), [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=64), [167 t/m 171, van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=167), indien voldaan wordt aan de eisen gesteld in de `Voorschriften voor Commercial Cruising Vessels'. Artikel 2 1. Het voldoen aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027553&artikel=1&z=2004-04-06&g=2004-04-06), bedoelde voorwaarde voor ontheffing kan worden aangetoond indien: - a. voor het schip een klassencertificaat is afgegeven door Register Holland te Enkhuizen of door een klassenbureau als bedoeld"},{"b":"Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015 § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. *autonome beslisruimte:* de actuele, door de wegbeheerder voor een weg of weggedeelte opgegeven afmetingen en massa's tot welke de RDW zonder toestemming als bedoeld in [artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b) en [artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=4) ontheffing mag verlenen onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften; - b. *begeleidingsvoertuig:* voertuigen als bedoeld in [artikel 1, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1); - c. *digitale wegenkaart:* elektronische weergave van de wegen of weggedeelten waar de autonome beslisruimte voor langlopende basis ontheffingen op van toepassing is en die door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffing houders ter beschikking wordt gesteld; - d. *gedwongen besturing:* gelede stuurinrichting volgens ECE R79, waarbij de besturingsoverbrenging zuiver mechanisch of zuiver hydraulisch is uitgevoerd; - e. *hulpbesturing:* inrichting waarmee de besturing van een getrokken voertuig anders dan door verdraaiing van het stuurwiel van het motorrijtuig met de hand kan worden beïnvloed; - f. *konvooi:* een samenstel van exceptionele transporten dat als één geheel wordt begeleid door transportbegeleiders; - g. *transportbegeleider:* persoon als bedoeld in [artikel 1, onder h, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1)r; - h. *voertuigdocumenten:* de documenten bedoeld in [artike"},{"b":"Beleidsregel ontheffingverlening ten behoeve van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Beleidsregel ontheffingverlening LZV 2006) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: vrachtautocombinatie: bepaald samenstel van een trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens. Onderscheiden kunnen onder meer worden: trekker-oplegger-middenasaanhangwagen, vrachtauto-aanhangwagen, waaronder vrachtauto-dolly-oplegger, en trekker-oplegger-oplegger, een zogenaamde B.-double; Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4)1Stcrt. 2003, 245., is gegeven of ingetrokken. Artikel 3 1. Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in het tweede lid van dit artikel opgenomen eisen. 2. Eisen waaraan een vrachtautocombinatie moet voldoen: - a. Een te vormen vrachtautocombinatie bestaat uit een trekkende eenheid van de categorie N2 of N3 en een of meerdere eenheden van de categorie O3 of O4 als bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG; - b. De totale lengte van een vrachtautocombinatie mag inclusief uitrustingsdelen niet meer bedragen dan 25,25 m; - c. Een vrachtautocombinatie heeft een minimale lengte van de laadruimte, bedoeld in bijlage 1, onder 1.7 als bedoeld in richtlijn nr. 96/53/EG2Richtlijn nr. 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het inte"},{"b":"Beleidsregel ontheffingverlening ten behoeve van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Beleidsregel ontheffingverlening LZV) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), is gegeven of ingetrokken. Artikel 2 1. Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in de bijlage opgenomen eisen. 2. Van deze keuring wordt schriftelijk bewijs geleverd. Artikel 3 1. De Dienst Wegverkeer verleent naar aanleiding van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV en het bewijs van keuring als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016099&artikel=2&z=2003-12-20&g=2003-12-20), van deze beleidsregel een ontheffing: - a. als bedoeld in [artikel 149, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) voor wegen in beheer van het Rijk; - b. als bedoeld in [artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), voor zover het mandaat dat door overige wegbeheerders aan de RDW is gegeven, daartoe strekt. 2. De Dienst Wegverkeer verleent ondersteuning bij de aanvraag voor ontheffingverlening bij de in [artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), genoemde bevoegde wegbeheerders voor alle weggedeelten, die deel uitmaken van een te rijden traject als bedoeld in de [bijlage, onder II, van het Instellingsbesl"},{"b":"Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022 § 1. Algemeen Artikel 1. Definities 1. De begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) zijn van toepassing. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze beleidsregel verstaan onder: - a. *nominale system safety test:* een test van het voertuig op een afgesloten terrein, waarbij zonder ingrepen de maximale mogelijkheden van het voertuig onder de minst ideale omstandigheden van de geautomatiseerde functies worden beproefd ten behoeve van de uitvoering van de aangevraagde proef; - b. *proef:* het verkrijgen van ervaring met verder geautomatiseerde functies van voertuigen door middel van ontheffingen als bedoeld in [artikel 2a van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=2a); - c. *functional safetytest:* het op een afgesloten terrein beoordelen van het voertuig en het gedrag waarbij door ingrepen fouten in het systeem worden gebracht, de risicoanalyses getoetst worden en de mitigerende maatregelen ten behoeve van de uitvoering van de proef gevalideerd worden; - d. *operational design domain ODD:* gebruikerscondities waaronder het geautomatiseerde rijsysteem, of een aspect daarvan specifiek is ontworpen om te functioneren; Deze gebruikerscondities kunnen worden beperkt door de combinatie van omgevingsfactoren, geografische-, meteorologische-, tijdsomstandigheden en/of de vereiste aanwezigheid of de afwezigheid van bepaalde kenmerken en intensiteit van het verkeer; - e. *verbonden voertuigen:* één of meer voertuigen die door geautomatiseerde functies met elkaar verbonden zijn; - f. *intake:* een afstemming tussen de RDW en de aanvrager over het bepaalde in [artikel 2a van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=2a) in relatie tot de aanvraag en de documenten als bedoeld in [artikel 6"},{"b":"Beleidsregel openbaarmaking handhavingsbesluiten, Woo-besluiten en beslissingen op bezwaar 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1.1 *Actieve openbaarmaking:* Openbaarmaking uit eigen beweging, als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&hoofdstuk=3); - 1.2 *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 1.3 *Handhavingsbesluit:* Besluit van de NZa ter uitvoering van ter uitvoering van [hoofdstuk 6 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=6). - 1.4 *Openbaarmaking:* Het ontsluiten van informatie op zodanige wijze dat een ieder de betreffende informatie kan inzien; - 1.5 *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - 1.6 *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - 1.7 *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 1.8 *Woo:* [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); - 1.9 *Woo-besluit:* Besluit van de NZa op een verzoek om publieke informatie als bedoeld in [artikel 4.1 van de Woo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.1); - 1.10 *Zvw:* [orgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). 2. Doel van de beleidsregel De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is op grond van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg) en de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) (Woo) bevoegd om besluiten die zij neemt openbaar te maken. Deze beleidsregel geeft weer op basis van welke overwegingen en op welke wijze de NZa overgaat tot openbaarmaking van de besluiten die zijn genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046641). 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de besluiten tot actieve openbaarmaking door de NZa van: - • besluiten als bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Wmg](https://wetten.overheid."},{"b":"Beleidsregel openbaarmaking impactvolle onderzoeken IGJ 1. Inleiding De [Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202) en het [Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861) verplichten de IGJ om een zakelijke weergave van de uitkomsten van eigen onderzoeken naar aanleiding van calamiteitenmeldingen openbaar te maken. Deze verplichting is er niet voor onderzoeken die de IGJ doet naar aanleiding van verplichte meldingen over ontslag wegens disfunctioneren, verplichte meldingen over geweld in de zorgrelatie en andere meldingen. Toch ziet de IGJ in sommige gevallen aanleiding om dergelijke rapporten openbaar te maken. Dat is het geval bij onderzoeken over een gebeurtenis die van grote omvang is, ernstige gevolgen heeft gehad, politiek en/of maatschappelijk gevoelig is en veel media-aandacht oproept. In dergelijke gevallen kan een rapport openbaar worden gemaakt op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) (Woo). Deze beleidsregel beschrijft het beleid dat de IGJ hanteert om te beoordelen of er aanleiding is een zakelijke weergave van een onderzoeksrapport openbaar te maken op grond van de Woo. 2. Beleidslijn Hierna worden de beleidscriteria beschreven aan de hand waarvan wordt bepaald of – in de gevallen waarbij openbaarmaking niet verplicht is – een belangenafweging zoals de [Woo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) die vereist aan de orde is. Met andere woorden: de beleidscriteria mogen uitsluitend dienen ter beoordeling of openbaarmaking in beeld komt en of een belangenafweging moet worden gemaakt. Het voldoen aan deze criteria houdt niet automatisch in dat openbaarmaking plaats zal vinden. De beleidscriteria laten onverlet dat in ieder individueel geval een volledige en zelfstandige belangenafweging plaatsvindt op grond van de Woo, waarbij kan worden besloten (gedeeltelijk) niet openbaar te maken. Bij de openb"},{"b":"Beleidsregel Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS Artikel 1 In afwijking van [artikel 4.10, tweede lid, WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=4.10) kan de tegemoetkoming ingevolge [hoofdstuk 4 WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) worden toegekend met terugwerkende kracht tot en met de eerste dag van het desbetreffende schooljaar. De overige bepalingen van de [WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) blijven onverkort van toepassing. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze beleidsregel is geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2008."},{"b":"Beleidsregel opsporing tuberculose Artikel 1. Onderzoek naar de reactie van Mantoux 1. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige die in de directe omgeving heeft verbleven van een lijder aan een besmettelijke vorm van tuberculose wordt zo spoedig mogelijk onderworpen aan een onderzoek naar de reactie van Mantoux. 2. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige waarbij een tuberculose-infectie wordt vermoed wordt zo spoedig mogelijk onderworpen aan een onderzoek naar de reactie van Mantoux. 3. Het in de vorige leden bepaalde vindt geen toepassing indien het gaat om een militair of dienstplichtige, die: - a. ooit een BCG-vaccinatie heeft ondergaan, ofwel - b. ooit een tuberculose-infectie heeft doorgemaakt. Artikel 2. Specialistisch onderzoek 1. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige die een positieve reactie van Mantoux vertoont wordt onderworpen aan een specialistisch onderzoek. 2. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige, die ingevolge het bepaalde in het [derde lid van het vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047950&artikel=1&z=2023-03-11&g=2023-03-11) niet wordt onderworpen aan een onderzoek naar een reactie van Mantoux, wordt aan een specialistisch onderzoek onderworpen, indien: - a. hij in de directe omgeving heeft verbleven van een lijder aan een besmettelijke vorm van tuberculose, ofwel - b. bij hem een tuberculose-infectie wordt vermoed. 3. Van het in de vorige leden bedoelde specialistisch onderzoek kan onder andere deel uit maken een röntgenologisch onderzoek. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel opsporing tuberculose."},{"b":"Beleidsregel orthodontische zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Arbeidskosten praktijkhouder:* Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het (maximum) tarief, dat aanbieders van orthodontische zorg in rekening mogen brengen. - *Praktijkkostenbestanddeel:* Het aandeel van de praktijkkosten in het (maximum) tarief, dat aanbieders van orthodontische zorg in rekening mogen brengen. - *Rekenomzet:* De som van het inkomensbestanddeel en het praktijkkostenbestanddeel. - *Puntwaarde:* De uitkomst van de rekenomzet gedeeld door 2.000.000 punten. - *Materiaal- en/of techniekkosten:* De kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Bij de prestaties waarbij materiaal- en/of techniekkosten afzonderlijk in rekening kunnen worden gebracht, staat dit in de onderhavige beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met één sterretje (*). Toelichting Met bovengenoemde regel mogen de materialen en/of technieken in rekening worden gebracht die gebruikt worden bij de behandeling van een patiënt in de praktijk én die met of voor de patiënt de praktijk verlaten. Niet in rekening te brengen (dus ook niet in het geval dat materiaal- en/of techniekkosten wel apart in rekening gebracht mogen worden – zichtbaar aan het * achter de prestatiecode) zijn verbruiksmaterialen. Hieronder worden verstaan: alle materialen die bij een behandeling van een patiënt in de praktijk worden gebruikt en die niet speciaal voor de patiënt gemaakt zijn en die niet met of voor de patiënt de praktijk verlaten. De materiaal- en/of techniekkosten dienen per gedeclareerde prestatie gespecificeerd te worden en mogen niet hoger zijn dan de daarvoor door de zorgaanbieder aan de tandtechnicus/het tandtechnisch laboratorium betaalde en/of"},{"b":"Beleidsregel overgang tarieven langdurige zorg 2026 Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om zorgaanbieders in de gelegenheid te stellen de bedrijfsvoering aan te passen aan de per 1 januari 2026 herijkte beleidsregelwaarden voor Wlz-zorg. Bij herijkte beleidsregelwaarden gaat het om beleidsregelwaarden voor Wlz-zorg die herijkt zijn in het kostenonderzoek langdurige zorg (ghz en ggz exclusief behandeling) en het kostenonderzoek ggz Zvw/Fz/Wlz alsmede beleidsregelwaarden die worden afgeleid van een herijkte beleidsregelwaarde. Het gaat om zorgaanbieders die verplichtingen hebben die niet per 1 januari 2026 konden worden beëindigd, terwijl tegenover die verplichtingen minder inkomsten kunnen worden gegenereerd. Er bestaan dan kosten waar geen inkomsten meer tegenover staan. Deze beleidsregel voorziet in een overgangsregeling met een aparte prestatie en bijbehorende beleidsregelwaarde. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst zoals omschreven in of bij de volgende beleidsregels van de NZa: - – Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026; - – Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2026; - – Beleidsregel prestatiebeschrijving en tarieven advies crisis- en ondersteuningsteam (COT) 2026. Artikel 3. Overgangsprestatie tarieven 2026 De prestatie “OT002 – Overgangsprestatie tarieven 2026” stelt zorgaanbieders in de gelegenheid de bedrijfsvoering aan te passen aan de per 1 januari 2026 herijkte beleidsregelwaarden/maximumtarieven. Het gaat om zorgaanbieders die verplichtingen hebben die niet per 1 januari 2026 konden worden beëindigd, terwijl tegenover die verplichtingen minder inkomsten kunnen worden gegenereerd. De prestatie biedt over 2026 een aanvullende totaalvergoeding (lumpsum), bovenop de reguliere beleidsregelwaarden/maximumtarieven voor de prestaties die zijn opgenomen in de beleidsregels als genoemd in [artikel 2](ht"},{"b":"Beleidsregel overige geneeskundige zorg, Nederlandse Zorgautoriteit Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van de beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van geneeskundige zorg zoals bedoeld in [artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) voor zover voor deze zorg nog geen prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld op grond van andere beleidsregels. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) voor zover de NZa voor de voornoemde zorg op grond van andere beleidsregels geen prestatiebeschrijvingen heeft vastgesteld op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 4. Voorwaarden, voorschriften en beperkingen De prestaties zoals vermeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048738&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) mogen enkel in rekening worden gebracht, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen verbonden aan de betreffende prestaties. De NZa zal de voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen opnemen in de tariefbeschikking. Artikel 5. Prestatiebeschrijvingen en tarieven 1. Geneeskundi"},{"b":"Beleidsregel overige kosten Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *woning:* een ruimte waar men woont, meestal een huis of deel van een huis met één of meerdere kamers. Een eenpersoonswoning betreft een woning waarin één cliënt verblijft. Een meerpersoonswoning betreft een woning waarin meerdere cliënten verblijven. De woning bevat een plaats met een toelating voor verblijf en geen toelating voor behandeling. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de [Beleidsregel definities Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049530). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het vastleggen van de voorwaarden voor vergoeding aan zorgaanbieders van: - – extreme kosten van zorggebonden materiaal voor cliënten met een somatische dan wel psychogeriatrische aandoening (zzp vv) die verblijven in een Wlz-instelling toegelaten voor behandeling en voor cliënten met zorgprofiel lg6 en lg7. Voor deze laatste groep cliënten geldt dat er sprake moet zijn van een progressieve neurologische aandoening; - – extreme kosten van geneesmiddelen voor cliënten met een somatische, psychogeriatrische of psychische aandoening, stoornis of een handicap (zzp vv, zzp ggz wonen, zzp ggz-b, zzp vg, zzp lg, zzp zg, zzp lvg) die verblijven in een Wlz-instelling toegelaten voor behandeling; een onvrijwillige verhuizing van cliënten in verband met renovatie en/of vervangende nieuwbouw en/of het permanent sluiten van woningen voor Wlz-zorg. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is met uitzondering van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051344&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wlz) die wordt geleverd door zorgaanbieders. Met uitzondering van [artikel 4](https://wetten.o"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijving en tarief zzp-meerzorg Wlz Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *zzp-meerzorg:* zzp-meerzorg is een declarabele prestatie voor de bekostiging van zorg zoals bepaald in [artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1) en [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2). - *individuele meerzorg:* zzp-meerzorg die wordt geleverd aan een individuele cliënt met een profiel dat recht geeft op zzp-meerzorg. - *groepsmeerzorg:* zzp-meerzorg die wordt geleverd aan meerdere cliënten met een profiel dat recht geeft op zzp-meerzorg. - *directe kosten:* kosten voor extra inzet van personeel om direct cliëntgebonden zorg te leveren aan een cliënt of een groep cliënten in het kader van zzp-meerzorg. - *indirecte kosten:* kosten die samenhangen met het leveren van zzp-meerzorg, niet zijnde directe cliëntgebonden kosten. Hieronder vallen kosten als deskundigheidsbevordering, opleidingskosten en kosten voor inventaris en kleine verbouwingen. - *Wlz-uitvoerder:* de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) heeft aangemeld voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), daaronder begrepen de met toepassing van [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) door de Minister van VWS aangewezen uitvoerder. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de Beleidsregel"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijving en tarieven advies crisis- en ondersteuningsteam (COT) 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *context:* - cliëntsituatie en -omgeving. - *crisis- en ondersteuningsteam (COT):* - een team waarvan de hulp ingeroepen kan worden via de crisisregisseur indien sprake is van een crisis bij een cliënt. Een crisis- en ondersteuningsteam (COT) is een multidisciplinair team, samengesteld uit ervaren professionals uit de sectoren verstandelijk gehandicaptenzorg (vg) en de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Het COT richt zich op het aanvullen van de kennis en expertise van een zorgaanbieder bij het omgaan met en voorkomen van crisissituaties en biedt nazorg aan de zorgaanbieder. Het COT geeft verbeteradviezen aan de zorgaanbieder waar de crisis plaatsvond om deze te versterken en de context te verbeteren. - *crisis waarop COT ingezet kan worden:* - het COT kan alleen ingezet worden bij een crisis waarvoor binnen 48 uur een interventie noodzakelijk is. Het gaat bij de inzet van het COT niet om een acute crisis. Een acute crisis wordt gedefinieerd als een noodsituatie waar per direct een oplossing voor moet komen. - *crisisregisseur:* - de crisisregisseur is onafhankelijk en vervult in een regio de coördinerende rol voor de crisisaanvragen. In geval van een crisis waarbij handelingsverlegenheid is ontstaan, neemt de zorgaanbieder contact op met de crisisregisseur van de regio. De crisisregisseur maakt de keuze voor inzet COT, crisisplaatsing of een combinatie hiervan. - *penvoerder:* - zorgaanbieder die verantwoordelijk is voor de registratie en declaratie van de ureninzet van het COT. Deze zorgaanbieder regelt de inzet van het COT per geval. Per regio is een penvoerder aangewezen. - *prestatiebeschrijving:* - een prestatiebeschrijving is een gedetailleerde beschrijving van de prestatie die geleverd wordt tegen een bepaald tarief. - *tarief:* - prijs voor een prestatie, een deel van"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven gespecialiseerde zorg Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *doelgroep:* cliënten die in een instelling verblijven met een aanspraak op gespecialiseerde zorg in verband met de ziekte van Huntington, het syndroom van Korsakov, een langdurige bewustzijnsstoornis, dementie met zeer ernstig probleemgedrag die gericht is op verbetering van het probleemgedrag, een zeer ernstige gerontopsychiatrische aandoening, multiple sclerose met ernstige motorische beperkingen of niet-aangeboren hersenletsel met zeer ernstig probleemgedrag zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, onder 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15° van de Regeling langdurige zorg (Rlz). - *expertisecentrum:* een (onderdeel van een) zorgaanbieder die gespecialiseerde zorg levert waarbij sprake is van een zekere concentratie van cliënten met vergelijkbare kenmerken. Hierbij kan in de praktijk onderscheid gemaakt worden tussen Doelgroepenexpertisecentra (DEC’s) en Regionale expertisecentra (REC’s). - *Wlz-uitvoerder:* de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig artikel 4.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft aangemeld voor de uitvoering van de Wlz, daaronder begrepen de met toepassing van artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz door de Minister van VWS aangewezen uitvoerder. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg. Artikel 2. Doel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te stellen voor gespecialiseerde zorg in verband met het syndroom van Korsakov, de ziekte van Huntington, een langdurige bewustzijnsstoornis (LBS), dementie met zeer ernstig probleemgedrag die gericht is op verbetering van het probleemgedrag (D-zep), een zee"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven gespecialiseerde zorg Wlz 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *doelgroep:* cliënten die in een instelling verblijven met een aanspraak op gespecialiseerde zorg in verband met de ziekte van Huntington, het syndroom van Korsakov, een langdurige bewustzijnsstoornis, dementie met zeer ernstig probleemgedrag die gericht is op verbetering van het probleemgedrag, een zeer ernstige gerontopsychiatrische aandoening, multiple sclerose met ernstige motorische beperkingen of niet-aangeboren hersenletsel met zeer ernstig probleemgedrag zoals bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, onder 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15° van de Regeling langdurige zorg (Rlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2). - *expertisecentrum:* een (onderdeel van een) zorgaanbieder die gespecialiseerde zorg levert waarbij sprake is van een zekere concentratie van cliënten met vergelijkbare kenmerken. Hierbij kan in de praktijk onderscheid gemaakt worden tussen Doelgroepenexpertisecentra (DEC’s) en Regionale expertisecentra (REC’s). - *Wlz-uitvoerder:* de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig [artikel 4.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) heeft aangemeld voor de uitvoering van de Wlz, daaronder begrepen de met toepassing van [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) door de Minister van VWS aangewezen uitvoerder. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te s"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2022 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *modulair pakket thuis (mpt):* het mpt bestaat uit één of meer losse vormen van zorg of dienst als bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - – het schoonhouden van de woonruimte van de cliënt; - – persoonlijke verzorging; - – begeleiding; - – verpleging; - – behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt; - – vervoer naar een plaats waar de cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; - – logeeropvang. - *paramedische zorg:* onder paramedische zorg wordt verstaan fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en diëtetiek, voor zover sprake is van Wlz-zorg. Voor een duiding van paramedische zorg binnen de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verwijzen wij naar het Wlz-Kompas van Zorginstituut Nederland. - *dagbehandeling:* Behandeling in groepsverband die in dagdelen wordt aangeboden. Alle zorg die nodig is tijdens de dagbehandeling, zoals persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, hoort bij de dagbehandeling. Individuele behandeling kan onderdeel uitmaken van behandeling in groepsverband - *dagbesteding, begeleiding in groepsverband:* dagbesteding (ook dagactiviteit genoemd) is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleend. Bij begeleiding (in een groep) gaat het om activiteiten, waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Onder dagbesteding wordt niet verstaan: - – een reguliere"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *modulair pakket thuis (mpt):* het mpt bestaat uit één of meer losse vormen van zorg of dienst als bedoeld in artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz): - – het schoonhouden van de woonruimte van de cliënt; - – persoonlijke verzorging; - – begeleiding; - – verpleging; - – behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt; - – vervoer naar een plaats waar de cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; - – logeeropvang. - *paramedische zorg:* onder paramedische zorg wordt verstaan fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en diëtetiek, voor zover sprake is van Wlz-zorg. Voor een duiding van paramedische zorg binnen de Wlz verwijzen wij naar het Wlz-Kompas van Zorginstituut Nederland. - *dagbehandeling:* behandeling in groepsverband die in dagdelen wordt aangeboden. Alle zorg die nodig is tijdens de dagbehandeling, zoals persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, hoort bij de dagbehandeling. Individuele behandeling kan onderdeel uitmaken van behandeling in groepsverband. - *dagbesteding, begeleiding in groepsverband:* dagbesteding (ook dagactiviteit genoemd) is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleend. Bij begeleiding (in een groep) gaat het om activiteiten, waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Onder dagbesteding wordt niet verstaan: - – een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden; - – een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uit"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *modulair pakket thuis (mpt):* het mpt bestaat uit één of meer losse vormen van zorg of dienst als bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - – het schoonhouden van de woonruimte van de cliënt; - – persoonlijke verzorging; - – begeleiding; - – verpleging; - – behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt; - – vervoer naar een plaats waar de cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; - – logeeropvang. - *paramedische zorg:* onder paramedische zorg wordt verstaan fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en diëtetiek, voor zover sprake is van Wlz-zorg. Voor een duiding van paramedische zorg binnen de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verwijzen wij naar het Wlz-Kompas van Zorginstituut Nederland. - *dagbehandeling:* behandeling in groepsverband die in dagdelen wordt aangeboden. Alle zorg die nodig is tijdens de dagbehandeling, zoals persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, hoort bij de dagbehandeling. Individuele behandeling kan onderdeel uitmaken van behandeling in groepsverband. - *dagbesteding, begeleiding in groepsverband:* dagbesteding (ook dagactiviteit genoemd) is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleend. Bij begeleiding (in een groep) gaat het om activiteiten, waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Onder dagbesteding wordt niet verstaan: - – een reguliere"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: In dit stuk wordt verstaan onder: - *zorgzwaartepakket (zzp):* een zzp bestaande uit een volledig pakket van verblijf en zorg dat aansluit op de kenmerken van de cliënt en het soort zorg dat die cliënt nodig heeft, beschreven in [artikel 3.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). - *volledig pakket thuis (vpt):* vpt omvat de vormen van zorg zoals bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - – persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging; - – behandeling; - – vervoer naar begeleiding en/of behandeling; - – het verstrekken van eten en drinken; - – het schoonhouden van de woonruimte; - – logeeropvang - *woonzorg:* woonzorg omvat de vormen van zorg zoals bedoeld in [artikel 3.1.1 lid a en b van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1): - – verblijf; - – persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging. - *specifieke behandeling:* specifieke behandeling omvat geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt. - *ggz-behandeling:* geneeskundige zorg zoals klinisch-psychologen en psychiaters plegen te bieden in verband met de psychische stoornis van de cliënt. - *gespecialiseerde ggz:* deze term vervalt en wordt vervangen door ‘Tijdelijke klinische opname in verband met een psychische stoornis’. Tijdelijke klinische opname in verband met een psychische stoornis: Tijdelijk verblijf in een ggz-instelling met bijbehorende geneeskundige geestelijke gezondheidszorg wanneer de aard, ernst of het risico van de stoornis maakt dat behandeling tijdelijk alleen in een klinische settin"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor ergotherapie Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van ergotherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op ergotherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van ergotherapeutische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Screening: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor ergotherapie - b. Intake en onderzoek na screening: uitvoeren van een ergotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na screening - c. Screening, intake en onderzoek: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor ergotherapie, uitvoeren ergotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan bij een patiënt zonder verwijzing - d. Intake en onderzoek na verwijzing: uitvoeren van een ergotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na verwijzing - e. Eenmalig onderzoek - f. Individuele zitting ergoth"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor extramurale diëtetiek Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van extramurale diëtetiek. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op diëtistische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Tevens is deze beleidsregel van toepassing op diëtetiek binnen de ketenzorg (gecoördineerde, multidisciplinaire zorg voor een specifieke aandoening op basis van de relevante zorgstandaard) als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de diëtistische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Deze beleidsregel is niet van toepassing op diëtetiek als intramuraal geleverde prestatie dan wel als onderdeel daarvan. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Screening: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor dieetadvisering - b. Intake en onderzoek na screening: uitvoeren van een diëtistisch onderzoek en opstellen dieet-of v"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor farmaceutische zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *ANZ-dienstverlening:* Er is sprake van dienstverlening in de avond, nacht of op zon- of feestdagen (ANZ-dienstverlening) indien de apotheek is geopend in het kader van een gecontracteerde dienstwaarneming en indien de zorgvraag binnen de onderstaande tijden binnenkomt en de zorgaanbieder de farmaceutische zorgverlening ook binnen deze tijden start: Tussen 18.00 uur en 08.00 uur van de opvolgende dag, of; Tussen 08.00 uur en 18.00 uur op een zondag, of; Tussen 08.00 uur en 18.00 uur op Nieuwjaarsdag; Tweede Paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; Bevrijdingsdag in elk lustrumjaar (2020, 2025, etc.); Tweede Pinksterdag; beide Kerstdagen. - *Begeleidingsgesprek bij een nieuw UR-geneesmiddel:* Een begeleidingsgesprek bij een nieuw UR-geneesmiddel is het houden van een geprotocolleerd begeleidingsgesprek vóór de start van de betreffende farmacotherapie met de patiënt en/of diens verzorger, waarbij de verwachtingen van de patiënt worden besproken. Aanvullende mondelinge en/of schriftelijke informatie wordt aan de patiënt (en/of diens verzorger) aangeboden en zo nodig verstrekt. De handelingen worden vastgelegd in het digitale patiëntendossier. - *Declaratie:* Het bedrag of de bedragen die in rekening zijn gebracht voor een geleverde prestatie aan de ziektekostenverzekeraar van de betreffende patiënt of aan de patiënt zelf. - *Deelprestaties:* In bepaalde gevallen kunnen één of meer deelprestaties in rekening worden gebracht. Dit is aangegeven bij elke prestatie afzonderlijk. De deelprestaties kunnen alleen in rekening worden gebracht in combinatie met de betreffende prestatie. - *Dienstverlening thuis:* Indien het noodzakelijk is voor het leveren van de prestatie dat de zorgaanbieder de patiënt persoonlijk ziet en spreekt en de patiënt om medische redenen niet of slechts zeer moeizaam naar de praktijk kan komen, kan"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor fysiotherapie Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van fysiotherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op fysiotherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de fysiotherapeutische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Screening: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor fysiotherapie - b. Intake en onderzoek na screening: uitvoeren van een fysiotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na screening - c. Screening, intake en onderzoek: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor fysiotherapie, uitvoeren fysiotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan bij een patiënt zonder verwijzing - d. Intake en onderzoek na verwijzing: uitvoeren van een fysiotherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na verwijzing - e. Eenmalig onderzoek - f. Individuele zi"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor logopedie Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van logopedische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op logopedische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van logopedische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Screening: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor logopedie - b. Intake en onderzoek na screening: uitvoeren van een logopedisch onderzoek en opstellen behandelplan na screening - c. Screening, intake en onderzoek: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor logopedie, uitvoeren logopedisch onderzoek en opstellen behandelplan bij een patiënt zonder verwijzing - d. Intake en onderzoek na verwijzing: uitvoeren van een logopedisch onderzoek en opstellen behandelplan na verwijzing - e. Eenmalig onderzoek - f. Individuele zitting reguliere logopedie - g. Individuele zitting sto"},{"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor oefentherapie Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van oefentherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op oefentherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de oefentherapeutische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Screening: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor oefentherapie - b. Intake en onderzoek na screening: uitvoeren van een oefentherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na screening - c. Screening, intake en onderzoek: beoordelen of een patiënt in aanmerking komt voor oefentherapie, uitvoeren oefentherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan bij een patiënt zonder verwijzing - d. Intake en onderzoek na verwijzing: uitvoeren van een oefentherapeutisch onderzoek en opstellen behandelplan na verwijzing - e. Eenmalig onderzoek - f. Individuele"},{"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) juncto [artikel 6 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wet marktordening gezondheidszorg (Bub Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=6), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op: [artikel 59, aanhef en onder a en b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met [brief van 14 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044560), met kenmerk 1795863-215660-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. 1. Algemeen 1.1. Begripsbepalingen - *Acute psychiatrische hulpverlening:* Hulpverlening die deel uitmaakt van de geneeskundige ggz en die gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben. De zorg wordt geleverd conform de zorgstandaard acute psychiatrie. - *Behandeling:* Activiteiten met als doel stabilisering, begeleiding, herstel of genezing van de klachten van de patiënt zoals vastgesteld in diens behandelplan, uitgevoerd door een zorgverlener die bevoegd en bekwaam is om zelfstandig (een deel van) de behandeling uit te voeren. - *Consult:* Direct, ononderbroken en zorginhoudelijk contact tussen zorgverlener en (forensische) patiënt en/of naaste(n) van de patiënt"},{"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz. Dit wordt verder aangeduid als gespecialiseerde ggz. Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub b, nr. 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van de gespecialiseerde ggz, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruikmaakt van haar bevoegdheid om de prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te stellen op het gebied van de gespecialiseerde ggz. 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 3.1. acute psychiatrische hulpverlening hulpverlening die deel uitmaakt van de gespecialiseerde ggz en welke gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psych"},{"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Add-on* - • Een overig zorgproduct (ozp), dat uiteenvalt in vier categorieën: - • zorg op de intensive care (ic), uitgedrukt in zorgactiviteiten en behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on IC); - • een limitatief aantal geneesmiddelen (niet zijnde diagnostica) en stollingsfactoren, elk gekoppeld aan een ZI-nummer (add-on geneesmiddelen en ozp-stollingsfactoren); - • een aantal specifieke prestaties met aanvullende voorwaarden (add-on overig); - • een facultatieve prestatie voor medisch-specialistische zorg behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on facultatieve prestatie). - b. *AGB-code* Een unieke code die aan de zorgaanbieder, zorgverlener, praktijk en/of instelling wordt toegekend en waarmee de zorgaanbieder, zorgverlener en de praktijk of instelling kan worden geïdentificeerd. De AGB-code is opgebouwd uit acht posities. De eerste twee posities geven de zorgverlenersoort weer (01 = huisartsen, 03 = medisch specialist et cetera). De overige zes posities zijn een volgnummer. - c. *Apotheekbereiding* Een bereiding van een geneesmiddel door de apotheek. Het aanpassen van geregistreerde geneesmiddelen tot andere sterktes of toedieningsvormen en het voor toediening gereed maken (VTGM) van geregistreerde geneesmiddelen vallen niet onder deze begripsbepaling. - d. *Beslisboom* De beslisboom beschrijft de criteria op grond waarvan een subtraject in combinatie met zorgactiviteiten door een grouper wordt afgeleid tot een dbc-zorgproduct of uitvalproduct. - e. *Dbc-zorgproduct* Een declarabele prestatie die via de beslisboom is afgeleid uit een subtraject met een combinatie van diagnosetypering, zorgvraagtypering en zorgactiviteiten (diagnose-behandelcombinatie (dbc)). - f. *Dbc-zorgproductcode* Het unieke nummer van een dbc-zorgproduct dat bestaat uit negen posities. De code is opgebouwd uit een dbc-zorgproductgroepcode (zes"},{"b":"Beleidsregel Prioritering van handhavingsonderzoeken door de Autoriteit Consument en Markt 2023 1. Inleiding De missie van de ACM is om markten goed te laten werken voor mensen en bedrijven, nu en in de toekomst. In goedwerkende markten concurreren bedrijven eerlijk met elkaar en benadelen zij niemand met misleidende of agressieve praktijken of door misbruik van marktmacht. Concurrentie is daarbij een economisch proces dat het bereiken van bepaalde maatschappelijke doelen bevordert. Het is voor de ACM geen doel op zich, maar een middel om een gezonde economie en welvaart in brede zin te bevorderen en bij te dragen aan het vertrouwen in een overheid die mensen en bedrijven beschermt tegen het falen van markten. De focus van de werkzaamheden van de ACM als markttoezichthouder is dan ook niet gericht op het bevorderen van marktwerking *per se*, maar vooral op het voorkomen en bestrijden van marktfalen, binnen de regels die door de overheid voor de markten zijn gesteld. De ACM houdt toezicht op de naleving van een groot aantal wetten op het gebied van consumentenbescherming, energie, mededinging, post, telecommunicatie en vervoer. De ACM beschikt bij de uitvoering van deze taak over ruimte om te kiezen welke handhavingsonderzoeken wanneer worden opgestart. De ACM ontvangt meer verzoeken om handhaving en signalen over mogelijke overtredingen dan zij gelet op haar onderzoekscapaciteit in onderzoek kan nemen. Daarom moet de ACM prioriteiten stellen. Dit doet de ACM in het licht van haar missie op basis van haar prioriteringsbeleid. Dit beleid vormt een houvast op basis waarvan prioriteiten worden aangebracht in de keuze van handhavingsonderzoeken. Het prioriteringsbeleid maakt inzichtelijk waarom de ACM in het ene geval wel en in het andere geval geen handhavingsonderzoek uitvoert. 2. Verzoek om handhaving of signaal Zowel een verzoek om handhaving als een signaal van mensen of bedrijven kan aanleiding zijn een handhavingsonderzoek te starten. Onder een verzoek om handhavi"},{"b":"Beleidsregel prioriteringsbeleid handhavingsverzoeken IGJ 1. Inleiding Iedereen moet in Nederland op goede en veilige zorg en jeugdhulp kunnen vertrouwen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt in dat kader toezicht op de naleving van een groot aantal wetten. De IGJ heeft slechts een beperkte capaciteit om dit toezicht uit te oefenen. Daarom strekt het toezicht van de IGJ zich vooral uit tot het bewaken van de belangen van goede en veilige gezondheidszorg en jeugdhulp voor zover die belangen uitstijgen boven het belang van een individuele betrokkene.1Kamerstukken II 2009/10, 32 402, nr. 3, p. 153–155 (MvT) Dat maakt dat de IGJ niet verplicht is om naar elke mogelijke normschending onderzoek te doen en handhavend op te treden.2Vergelijk artikel 24 lid 6 Wkkgz en artikel 9.2 lid 5 Jeugdwet De IGJ ontvangt meer verzoeken om handhaving dan zij gelet op haar onderzoekscapaciteit in onderzoek kan nemen. Om doelmatig te kunnen handhaven wordt onderscheid gemaakt in de wijze waarop de IGJ uitvoering geeft aan haar handhavingstaak. De IGJ maakt keuzes en zet haar capaciteit in op de plekken waar de risico’s voor de volksgezondheid het grootst zijn. Dit doet de IGJ op basis van dit prioriteringsbeleid. Met dit beleid maakt de IGJ inzichtelijk waarom het ene handhavingsverzoek wel en het andere handhavingsverzoek niet wordt onderzocht. Dit prioriteringsbeleid is niet van toepassing op handhavingsverzoeken die uitsluitend betrekking hebben op wetgeving over geneesmiddelen en medische technologie, alsmede andere wet- en regelgeving die een implementatie van het Unierecht vormt. 2. Verzoek om handhaving of melding Onder een verzoek om handhaving verstaat de IGJ een aanvraag tot handhavend optreden tegen overtreding van een wettelijke norm en daartoe een besluit te nemen in de zin van [artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Als de IGJ een verzoek om handhaving ontvangt, gaat zij allereerst na of"},{"b":"Beleidsregel productplaatsing sponsoring commerciële media-instellingen 2022 Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *wet:* [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - – *media-aanbod:* programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - – *video:* audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload. Artikel 3. Definitie medische behandelingen 1. Het media-aanbod bevat geen productplaatsing voor medische behandelingen ([artikel 3.19b, derde lid, onder a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19b)). 2. Onder *medische behandelingen* wordt hierbij verstaan: behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn. Artikel 4. Verbod op productplaatsing 1. Media-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of consumentenzaken, media-aanbod van kerkelijke of geestelijke aard en media-aanbod dat in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar bevat geen productplaatsing ([artikel 3.19a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19a)). 2. Onder media-aanbod bestaande uit *nieuws* wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het brengen van nieuwsfeiten die eventueel beperkt worden geduid en (live) verslagen van nieuwswaardige gebeurtenissen. 3. Onder media-aanbod bestaande uit *actualiteiten* wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het verder uitdiepen, duiden en in een context plaatsen van de nieuwsfeiten van dat moment. 4. Onder media-aanbod bestaande uit n"},{"b":"Beleidsregel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten Artikel 1 Een ADL-cluster als bedoeld in de [paragrafen 2.7 tot en met 2.9 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.7) dient te zijn gebouwd in overeenstemming met de bij deze beleidsregel gevoegde [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0021002) met als titel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten. Artikel 2 Deze beleidsregel kan worden aangehaald als Beleidsregel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten en treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007."},{"b":"Beleidsregel Protocol Externe Jobcoach UWV 2025 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van personen voor de toepassing van de voorziening persoonlijke ondersteuning, ook wel Externe Jobcoaching genoemd, het Protocol Externe Jobcoach UWV 2025 als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050810) bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel Protocol UWV Jobcoach 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042556), van 20 augustus 2019 gepubliceerd in de Staatscourant van 18 september 2019, nummer 51108, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Protocol Externe Jobcoach UWV 2025."},{"b":"Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2025 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van aanvragen voor subsidieverstrekking Interne Jobcoaching door werkgevers het Protocol Interne Jobcoach UWV 2025, als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050809) bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel UWV Protocol Interne Jobcoach 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042552) (Staatscourant nummer 51100 van 18 september 2019) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2025."},{"b":"Beleidsregel quota commerciële media-instellingen 2023 I. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. *besluit:* het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. *regeling:* [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. *catalogus:* de ordening van het audiovisueel media-aanbod in een databank die audiovisueel media-aanbod voor de gebruiker toegankelijk maakt; - e. *Europese producties:* producties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n en artikel 1, tweede, derde en vierde lid, van de Richtlijn; - f. *Richtlijn:* Richtlijn 2010/13/EU van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele media-diensten; - g. *onafhankelijke producent:* de producent van een onafhankelijke productie als bedoeld in [artikel 3.22, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.22); - h. *ondertiteling:* Nederlands-of Friestalig programma-aanbod voorzien van Nederlandstalige ondertiteling; - i. *producent:* degene die programma-aanbod vervaardigt; - j. *programma-aanbod:* televisieprogramma-aanbod; - k. *programmakanaal:* televisieprogrammakanaal; - l. *recente productie:* een onafhankelijke productie die niet ouder is dan vijf jaar. Artikel 2. Europese producties 1. Een *producent* als bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, van de Richtlijn wordt geacht in een lidstaat gevestigd te zijn indien zijn onderneming aldaar permanent is gevestigd en over vast personeel beschikt dat zich zowel met productie- als commerciële activiteiten in de Europese Unie bezighoudt. 2. Indien niet bekend is welke producent een productie tot stand heeft gebracht, wordt onder *producent* mede verstaan de distributeur van de productie. In dat geval wordt de lidsta"},{"b":"Beleidsregel quota publieke media-instellingen 2023 I. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. *besluit:* het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. *regeling:* [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. *catalogus:* de ordening van het audiovisueel media-aanbod in een databank die audiovisueel media-aanbod voor de gebruiker toegankelijk maakt; - e. *Europese producties:* producties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n en artikel 1, tweede, derde en vierde lid van de Richtlijn; - f. *Richtlijn:* Richtlijn 2010/13/EU van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele media- diensten; - g. *onafhankelijke producent:* de producent van een onafhankelijke productie als bedoeld in [artikel 2.120, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.120); - h. *ondertiteling:* Nederlands-of Friestalig programma-aanbod voorzien van Nederlandstalige onderti- teling; - i. *producent:* degene die programma-aanbod vervaardigt; - j. *programma-aanbod:* televisieprogramma-aanbod; - k. *programmakanaal:* televisieprogrammakanaal; - l. *themakanaal:* een themakanaal op televisie; - m. *recente productie:* een onafhankelijke productie die niet ouder is dan vijf jaar. Artikel 2. Europese producties 1. Een *producent*als bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, van de Richtlijn wordt geacht in een lidstaat gevestigd te zijn indien zijn onderneming aldaar permanent is gevestigd en over vast personeel beschikt dat zich zowel met productie- als commerciële activiteiten in de Europese Unie bezighoudt. 2. Indien niet bekend is welke producent een productie tot stand heeft gebracht, wordt onder *producent*mede verstaan de distributeu"},{"b":"Beleidsregel RCN-unit SZW toepassing arbeidsmarkttoets Wav BES Saba Artikel 1. Inleiding In de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Wav BES) is bepaald op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de lokale arbeidsmarkt zal plaatsvinden. Doel van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is de bescherming van de lokale arbeidsmarkt, het tegengaan van verdringing van lokale arbeidskrachten en het tegengaan van illegale tewerkstelling. Doordat een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor werknemers van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen wordt afgegeven als geen lokaal aanbod aanwezig is, krijgen lokale arbeidskrachten de kans om te gaan werken en in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast moet de Wav BES de arbeidsverhoudingen beschermen en oneerlijke concurrentie tegengaan door te borgen dat arbeidsmigranten marktconform beloond worden en ten minste het minimumloon ontvangen. [Artikel 5, zevende lid, onderdeel b, van de Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5) biedt de mogelijkheid een aanvraag voor tewerkstellingsvergunning onmiddellijk in behandeling te nemen, indien het vanwege het specifieke karakter van de werkzaamheden op voorhand duidelijk is dat voor de desbetreffende arbeidsplaats geen arbeidskrachten beschikbaar zijn op de lokale arbeidsmarkt. Op Saba is evident dat voor bepaalde categorieën functies lokaal aanbod ontbreekt. Omwille van de doelmatigheid en ter onderkenning van de lokale werkelijkheid, zal de arbeidsmarktoets voor bepaalde categorieën functies niet bij elke individuele aanvraag afzonderlijk worden toegepast. De afwezigheid van lokaal aanbod voor deze functies wordt in beginsel verondersteld. Dit betekent dat de aanvraag voor een TWV voor bepaalde functies gelijktijdig met de vacaturemelding bij het openbaar lichaam Saba kan plaatsvinden. In afwijking van [artikel 7 van de Beleidsregels RCN-unit SZW uitv"},{"b":"Beleidsregel reclame commerciële media-instellingen 2022 Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *wet:* [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - – *media-aanbod:* programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - – *video:* audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload; - – *omlijsting:* kader waarbinnen reclame- en telewinkelboodschappen worden geplaatst, bestaande uit een aankondiging en afkondiging; - – *splitscreen:* het gelijktijdig en parallel plaatsen in één beeld van redactionele inhoud en van reclame- of telewinkelboodschappen. Artikel 3. Reclame voor medische behandelingen 1. Het media-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor medische behandelingen ([artikel 3.7, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.7), en [3.29d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29d)). 2. Onder *medische behandelingen* wordt hierbij verstaan: behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn. Hoofdstuk 2. Programma-aanbod (televisie en radio) Artikel 4. Duidelijk onderscheid 1. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn duidelijk onderscheiden van het overige programma-aanbod ([artikel 3.7, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.7)). Hieraan is in ieder geval voldaan als in de omlijsting gebruik wordt gemaakt van: - a. een zichtbare en/of hoorbare vermelding van ‘reclame’, ‘advertentie’, ‘telewinkelboo"},{"b":"Beleidsregel recreatief medegebruik van defensieterreinen Inhoud - 1. Inleiding - 2. Functie defensieterreinen - 3. Huidig recreatief medegebruik van defensieterreinen - 4. Beleid met betrekking tot recreatief medegebruik van defensieterreinen - Toelichting - 5. Vormen van recreatief medegebruik van defensieterreinen - 6. Toepassing van het beleid met betrekking tot recreatief medegebruik van defensieterreinen - 7. Procedure vergund recreatief medegebruik - 8. Consequenties - 9. Evaluatie en kennisgeving 1. Inleiding In Nederland wonen veel mensen op een klein oppervlak. De ruimte is schaars en deze wordt dan ook veelal multifunctioneel gebruikt. Zo ook bij Defensie. Defensieterreinen in Nederland beslaan bij elkaar ongeveer 27.000 hectare. De primaire functie van deze terreinen is militair gebruik. Daarnaast worden andere functies nagestreefd, zoals natuur en recreatie. Zolang het militair gebruik niet ernstig belemmerd wordt, ziet Defensie het als haar verantwoordelijkheid om deze nevenfuncties zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen. De afgelopen 10 jaar is veel aandacht uitgegaan naar de natuur. Natuur wordt beschouwd als de belangrijkste nevenfunctie van defensieterreinen en Defensie sluit met haar natuurbeleid nauw aan bij het natuurbeleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De in 2000 verschenen natuurbeleidsnota van het Ministerie van LNV heet ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’. ‘Mensen voor natuur’ betekent dat natuur door mensen beschermd, beheerd, bewerkt en ontwikkeld wordt. Met ‘natuur voor mensen’ wordt bedoeld dat natuur goed moet aansluiten bij de wensen van mensen en goed bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar moet zijn. Met andere woorden: de natuur is er ook om in te recreëren. In de Defensie Milieubeleidsnota 2004 (DMB 2004) is gesteld dat Defensie met de omliggende terreinbeheerders gezamenlijke afspraken maakt over een betere afstemming van het natuurbeheer. Dit zal in de toekomst ook gelden voor beheer"},{"b":"Beleidsregel regiefunctie complexe wondzorg Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om een prestatiebeschrijving en tarief(soort) vast te stellen voor de regiefunctie van de complexe wondzorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover deze betrekking heeft op de regiefunctie bij de levering van complexe wondzorg. Artikel 3. Prestatiebeschrijving In het kader van deze beleidsregel wordt de volgende prestatiebeschrijving onderscheiden: *Regiefunctie complexe wondzorg* Artikel 4. Specifieke bepalingen bij de prestatiebeschrijving De prestatie Regiefunctie complexe wondzorg is een traject waarin de zorgaanbieder de cliënt voor één of meerdere complexe wonden begeleidt, adviseert en/of behandelt. Het traject omvat de volgende onderdelen: - • Het opstellen en zo nodig tussentijds bijstellen van een behandelplan - – in het kader van het opstellen of bijstellen van een behandelplan desgewenst uitvoeren van hoog complexe wondzorg; - • Het bespreken van het behandelplan met de cliënt; - • Kennisdeling en -verspreiding voor zorgprofessionals en met de cliënt; - • Advies inzake leefstijlverbetering aan de cliënt; - • Casemanagement en triage en afstemming door de regiebehandelaar. Alle bovengenoemde handelingen vallen onder de prestatie Regiefunctie complexe wondzorg en kunnen niet via de prestatiebeschrijvingen zoals omschreven in de [Beleidsregel verpleging en verzorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046143)gedeclareerd worden. De prestatie wordt op patiëntniveau in rekening gebracht. De prestatie Regiefunctie complexe wondzorg mag *niet* in rekening worden gebracht wanneer de cliënt, die complexe wondzorg ontvangt: - • is opgenomen in een instelling voor medisch specialistische zorg (klinische opname of dago"},{"b":"Beleidsregel regionale ambulancevoorzieningen 2023 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *Aanwezigheidsdienst:* een aaneengesloten tijdsruimte van ten hoogste 24 uur, waarin het personeel ’s nachts in de bedrijfsruimte op oproep beschikbaar is voor het verlenen van ambulancezorg. - b. *Afhijsen brandweer:* een in opdracht van de RAV door de brandweer uitgevoerde afhijsing van een patiënt naar een ambulance in situaties waarbij de afhijsing niet tot het wettelijk takenpakket van de brandweer behoort. Hiervan is sprake als de RAV aannemelijk kan maken dat de afhijsing noodzakelijk was met het oog op het beperken c.q. bestrijden van een directe bedreiging voor het leven of de gezondheid van de patiënt, die zich zou voordoen indien de patiënt op niet-horizontale wijze naar de ambulance zou worden vervoerd.1Hof Amsterdam 18 januari 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC2262 - c. *Ambulance:* ambulance zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=1). - d. *Ambulancezorg:* zorg zoals bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=5). - e. *Groep:* een verzameling ondernemingen wier betrekkingen met een betrokken onderneming voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in één of meer van de leden van artikel 5, lid 4, van de Verordening (EG) nr. 139/2004.2Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (hierna: Bevoegdheidsmededeling Commissie), rnr. 130 - f. *Interklinisch vervoer:* het vervoer van een klinisch patiënt met een ambulance tussen twee zorgaanbieders, met uitzondering van MICU-vervoer. - g. *Intraklinisch vervoer:* het vervoer van een klinisch patiënt met een ambulance tussen verschillende lo"},{"b":"Beleidsregel regionale ambulancevoorzieningen 2026 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. *Aanwezigheidsdienst:* een aaneengesloten tijdsruimte van ten hoogste 24 uur, waarin het personeel ’s nachts in de bedrijfsruimte op oproep beschikbaar is voor het verlenen van ambulancezorg. - b. *Afhijsen brandweer:* een in opdracht van de rav door de brandweer uitgevoerde afhijsing van een patiënt naar een ambulance in situaties waarbij de afhijsing niet tot het wettelijk takenpakket van de brandweer behoort. Hiervan is sprake als de rav aannemelijk kan maken dat de afhijsing noodzakelijk was met het oog op het beperken c.q. bestrijden van een directe bedreiging voor het leven of de gezondheid van de patiënt, die zich zou voordoen indien de patiënt op niet-horizontale wijze naar de ambulance zou worden vervoerd.1Hof Amsterdam 18 januari 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC2262 - c. *Ambulance:* ambulance zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=1). - d. *Ambulancezorg:* zorg zoals bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=5). - e. *Groep:* een verzameling ondernemingen wier betrekkingen met een betrokken onderneming voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in één of meer van de leden van artikel 5, lid 4, van de Verordening (EG) nr. 139/2004.2Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (hierna: Bevoegdheidsmededeling Commissie), rnr. 130 - f. *Interklinisch vervoer:* vervoer met zorg van een patiënt met een ambulance - • niet zijnde MICU-vervoer; en - • tussen twee zorgaanbieders die geen onderdeel uitmaken van dezelfde groep. - g. *Intraklinisch vervoer:* vervoer met zorg van een patiënt"},{"b":"Beleidsregel regionale ondersteuning eerstelijnszorg Artikel 1. Doel van de beleidsregel De beleidsregel heeft als doel een instrumentarium te bieden waarmee de macro beschikbare premiemiddelen voor regionale ondersteuning van de eerstelijnszorg kunnen worden toegekend. Met de inzet van deze middelen wordt beoogd de eerstelijnszorg te versterken, onder andere door multidisciplinaire samenwerking binnen de totale eerstelijnszorg te stimuleren. Het gaat hierbij om multidisciplinaire samenwerking tussen huisartsen, verloskundigen, oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, logopedisten, zorgaanbieders die Basis GGZ leveren, diëtisten en apothekers. Zorgverzekeraars dragen het modulebedrag af aan Zorgverzekeraars Nederland (ZN), die op haar beurt op basis van het aantal inwoners per regio een herverdeling van deze gelden maakt. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) die wordt geleverd door eerstelijns zorgaanbieders die: - – geneeskundige zorg leveren zoals huisartsen en verloskundigen die bieden; - – geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (GGZ) leveren, niet zijnde gespecialiseerde GGZ (Basis GGZ); - – paramedische zorg leveren zoals ergotherapeuten, fysiotherapeuten, oefentherapeuten, logopedisten en diëtisten die bieden; - – farmaceutische zorg leveren zoals apotheekhoudende die bieden. Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van: - – de geneeskundige zorg zoals huisartsen en verloskundigen die bieden; - – de Basis GGZ; - – de paramedische zorg zoals"},{"b":"Beleidsregel registratie snelle motorboten Artikel 1 De begripsbepalingen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628) zijn onverkort van toepassing. Voorts wordt verstaan onder: - *aanvrager:* de natuurlijk- of rechtspersoon die een verzoek indient voor de tenaamstelling van een snelle motorboot. - *inschrijven:* het op naam zetten van een voorgeregistreerde snelle motorboot welke niet eerder geregistreerd is geweest in Nederland. - *loket:* een fysieke en/of digitale locatie waarbij de eigenaar een snelle motorboot kan tenaamstellen. - *overschrijven:* het op naam zetten van een eerder geregistreerde snelle motorboot door een nieuwe eigenaar. - *het register:* het snelle motorboten register. - *tenaamstellen;* het op naam registreren van een snelle motorboot. - *voorregistreren:* de ten behoeve van de registratie opgegeven gegevens van de snelle motorboot. Artikel 2 1. Er is een register voor de registratie van snelle motorboten zoals bedoeld in [art. 8.01, eerste lid, Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) Dit register wordt aangeduid als het snelle motorbotenregister. 2. De registratie van een snelle motorboot in het register bestaat uit de inschrijving van de snelle motorboot en de tenaamstelling van de snelle motorboot. 3. De opgave van een registratieteken geschiedt door inschrijving van een snelle motorboot in het register. 4. Het registratieteken bestaat uit een combinatie van letters en nummers dan wel een combinatie van één letter en nummers. De eerste letter die wordt gebruikt is de letter Y. 5. Na de tenaamstelling van een snelle motorboot in het register, geeft de Dienst Wegverkeer een registratiebewijs af. Artikel 3 1. Het Register bevat de volgende categorieën gegevens: - a. natuurlijke persoonsgegevens: de naam, de voornaam of voornamen, de geboortedatum, het adres, het Burgerservicenummer, het administratienummer bedoeld in [artikel 4.9 van de Wet basisregistratie"},{"b":"Beleidsregel Remedies Voor de inhoud, indiening en tenuitvoerlegging van remedies bij concentraties De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37), en [41, vierde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Introductie - 1. Ondernemingen mogen als gevolg van een concentratie niet te sterk worden en daarmee een zodanige positie verkrijgen dat ze de concurrentie schaden. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt hier toezicht op. - 2. Ondernemingen die een concentratie tot stand willen brengen waarop de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) (hierna ook Mw) van toepassing is, moeten hun plannen melden bij de ACM. De ACM beoordeelt vervolgens of er door de concentratie mededingingsbezwaren ontstaan. Als deze bezwaren er zijn, kan de ACM voorwaarden, voorschriften of beperkingen verbinden aan de goedkeuring van de concentratie. Dergelijke maatregelen staan ook wel bekend als ‘remedies’.1‘Remedies’ is ook de aanduiding die de Europese Commissie gebruikt als zij – op basis van verbintenissen die partijen aanbieden – voorwaarden en verplichtingen verbindt aan haar goedkeuringsbesluit. - 3. Vanwege een wijziging van relevante bepalingen van de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691)2Voor de wetswijziging, zie Staatsblad 2022, nr. 159. Deze is in werking getreden op 1 januari 2023, zie Staatsblad 2022, nr. 354. en op grond van opgedane ervaringen, heeft de ACM de [Richtsnoeren Remedies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033006) uit 2007 aangepast en tevens hernoemd.3Zie Richtsnoeren Remedies 2007, Stcrt. 2007, nr. 187, laatstelijk gewijzigd in Stcrt. 2013, nr. 8686. Voor de vier verschillende beleidsdocumenten die de ACM kent, zie https://www.acm.nl/nl/publi"},{"b":"Beleidsregel resistentiebeleid biociden Artikel 1. Begrippen - *College:* het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - *Wgb (oud):* de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) zoals deze gold vóór 6 november 2013; - *Resistentie:* het beschikbaar zijn van feiten die wijzen op een verkregen, erfelijke vermindering van de gevoeligheid voor een (biocide) stof; - *WGGA:* Wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing Artikel 2. Reikwijdte 1. Dit besluit is van toepassing op biociden van alle productsoorten (PT’s) die worden beoordeeld of zijn toegelaten op grond van de [Wgb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (oud). 2. Dit besluit is van toepassing op resistentie en kruisresistentie die kan optreden bij doelorganismen van een biocide toepassing. Artikel 3. Omschrijving resistentiebeleid Het college kan besluiten tot resistentiemanagement voor biociden, indien er naar het oordeel van het college voldoende aanwijzingen zijn om te concluderen dat er sprake is van onaanvaardbare resistentie als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, onder b sub 2 van de Wgb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=49) (oud). Artikel 4. Professionele toepassingen 1. Voor professionele toepassingen van desinfectiemiddelen (PT1-PT5) kan in geval van onaanvaardbare resistentie, een waarschuwingszin worden opgenomen in het WGGA die als volgt luidt: *‘Dit middel bevat de werkzame stof (... naam werkzame stof...). Vanwege mogelijke resistentieontwikkeling en kruisresistentie met antibiotica verdient het aanbeveling resistentie-management toe te passen bij gebruik van dit middel.’* 2. Voor professionele toepassingen van andere soorten biociden (PT6-PT22) kan een aangepast versie van dit voorschrift gegeven worden. 3. Indien de aanwijzingen voor resistentie ontwikkeling zeer sterk zijn kan het c"},{"b":"Beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Aflevertermijn:* Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddel nog op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd, verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - b. *Gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1107) - c. *Ctgb:* Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - d. *Expiratie:* Het eindigen van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel door verstrijken van de in de toelating gegeven toelatingstermijn. - e. *Opgebruiktermijn:* Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddelen nog worden verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - f. *Referentiemiddel:* Gewasbeschermingsmiddel waarvoor in Nederland reeds een toelating is verleend. - g. *Respijttermijn:* Aflever- en opgebruiktermijn. - h. *Verordening (EG) nr. 1107/2009:* Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 97/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op besluiten tot (gedeeltelijke) intrekking, wijziging of (gedeeltelijke) niet-verlenging van de toelating van een in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Artikel 3. Werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn De werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is als volgt bepaald: - 1. Het Ctgb kan een respijttermijn vaststellen voor bestaande voorraden voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052055&artikel=2&z=2025-"},{"b":"Beleidsregel SARS-CoV-2 virus extra kosten Wlz 2022, Nederlandse Zorgautoriteit Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *SARS-CoV-2 virus:* SARS-CoV-2 is het severe acute respiratory syndrome coronavirus 2. De World Health Organisation heeft deze naam gegeven aan het novel coronavirus 2019-nCoV. Dit novel coronavirus (2019-nCoV) is aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=1). Covid-19 is een infectieziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2. - *cohort-unit:* met een cohort-unit wordt een voorziening bedoeld ter cohortverpleging en -verzorging van cliënten met een COVID-19 besmetting of een verdenking hiervan. - *zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *productieafspraak:* het totaalbedrag van de afspraken met betrekking tot de prestaties en tarieven ten laste van de contracteerruimte die door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder zijn overeengekomen in de budgetronde of herschikkingsronde. - *ziekteverzuimpercentage:* het ziekteverzuimpercentage is het totaal aantal ziektedagen van de werknemers, in procenten van het totaal aantal beschikbare (werk-/kalender)dagen van de werknemers in de verslagperiode. Het ziekteverzuimpercentage is inclusief het verzuim langer dan een jaar en exclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof1Wat is de definitie van ziekteverzuim? (cbs.nl) Ziekteverzuimpercentage (cbs.nl)'zie CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen/ziekteverzuimpercentage). - *Stimuleringsregeling E-health Thuis:* [Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041840), kenmerk 1457861-185083, houdende s"},{"b":"Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen Ministerie van Defensie, tav Hoofddirecteur Bedrijfsvoering Met deze brief informeer ik u over de vergunningverlening op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) (Wm) en de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) (Wabo) met betrekking tot de geluidhinder veroorzaakt door schietinrichtingen van uw ministerie, waar jaarlijks meer dan 3 miljoen schoten worden afgevuurd, explosieven uit luchtvaartuigen worden geworpen, springterreinen en handgranaatbanen1Zie noot 4.. Ik ben voornemens dergelijke geluidhinder in het vervolg te beoordelen op een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor schietinrichtingen die met ingang van 1 januari 2016, met de inwerkingtreding van de zogenaamde ‘4e tranche wijziging van het Activiteitenbesluit’ (Stb. 2015, nr. 337), vallen onder het [Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762) (algemene regels). Hiermee wordt de beoordelingswijze van geluid afkomstig van vergunningplichtige militaire schietinrichtingen op basis van de beleidsnota ‘Beleid inzake Militair Schietgeluid’ van 25 februari 2013 2IenM/BSK-2013/32303 (hierna: beleidsnota) verlaten. De nieuwe beoordelingswijze houdt in dat de geluidsbelasting veroorzaakt door een vergunningplichtige schietinrichting wordt berekend door middel van een nieuwe rekenmethode die afwijkt van de momenteel geldende beleidsnota en die beter rekening houdt met het specifieke karakter van het schietgeluid. Deze methode is beschreven in [bijlage 9 van de Activiteitenregeling milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022830&bijlage=9). Voorts wordt door mij in het kader van de beoordeling van uw vergunningaanvraag een voorkeurswaarde van 50 dB Bs,dan en een maximale waarde van 60 dB Bs,dan aangehouden op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de [Wet geluidhinder](http"},{"b":"Beleidsregel sponsoring commerciële media-instellingen 2022 Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *wet:* [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - – *media-aanbod:* programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - – *video:* audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload. Artikel 3. Verbod op sponsoring 1. Media-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord ([artikel 3.15, tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.15)). 2. Onder media-aanbod bestaande uit *nieuws* wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het brengen van nieuwsfeiten die eventueel beperkt worden geduid en (live) verslagen van nieuwswaardige gebeurtenissen. 3. Onder media-aanbod bestaande uit *actualiteiten* wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het verder uitdiepen, duiden en in een context plaatsen van nieuwsfeiten van dat moment. 4. Onder media-aanbod bestaande uit nieuws en actualiteiten wordt in elk geval niet verstaan: - – media-aanbod bestaande uit een weerbericht; - – media-aanbod bestaande uit verkeersinformatie. 5. Onder media-aanbod bestaande uit*politieke informatie* wordt verstaan: media-aanbod waarin wordt bericht over politici, (standpunten van) politieke partijen en het politieke besluitvormingsproces. Hoofdstuk 2. Reikwijdte begrip sponsoring Artikel 4. Bruikleen of bijdrage van ondergeschikte betekenis 1. In de begripsomschrijving van sponsoring staat"},{"b":"Beleidsregel stageverkorting Artikel 1. onthouden goedkeuring De algemene raad onthoudt goedkeuring aan de verkorting van de duur van de stage, indien deze verkorting in strijd is met het recht, tenzij deze strijd zo beperkt is dat onthouding van goedkeuring een te zwaar middel zou zijn. Artikel 2. inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3. citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel stageverkorting."},{"b":"Beleidsregel taalbeheersing machinisten Spoorwegwet Artikel 1 Bij de beoordeling van de vraag of er voldaan is aan het vereiste van taalbeheersing in de zin van [artikel 5, tweede lid van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=5), hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport niveau 3 van bijlage VI bij richtlijn nr. 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de gemeenschap besturen (Pb EU L 315). Artikel 2 Indien de Inspectie Leefomgeving en Transport besluit een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen vanwege onvoldoende taalbeheersing van de machinist, richt het besluit tot oplegging van die last zich tot degene onder wiens gezag die machinist zijn functie uitoefent. Artikel 3 [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033828&artikel=2&z=2013-08-31&g=2013-08-31) is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 4 1. Deze beleidsregels worden met toelichting in de Staatscourant geplaatst. 2. Deze beleidsregels treden in werking de dag na de plaatsing in de Staatscourant."},{"b":"Beleidsregel tandheelkundige zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Arbeidskosten praktijkhouder:* Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het (maximum) tarief, dat aanbieders van tandheelkundige zorg in rekening mogen brengen. - *Praktijkkostenbestanddeel:* Het aandeel van de praktijkkosten in het (maximum) tarief, dat aanbieders van tandheelkundige zorg in rekening mogen brengen. - *Rekenomzet:* De som van het inkomensbestanddeel en het praktijkkostenbestanddeel. - *Puntwaarde:* De uitkomst van de rekenomzet gedeeld door 100.000 punten. - *Laboratoriumkosten:* De laboratoriumkosten van het externe bacteriologisch laboratoriumonderzoek die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Bij de prestaties waarbij dit van toepassing kan zijn staat dit in de onderhavige beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met een tweetal sterretjes (**). De laboratoriumkosten dienen per gedeclareerde prestatie gespecificeerd te worden op de nota aan de patiënt en mogen niet hoger zijn dan de door de zorgaanbieder betaalde en/of verschuldigde kosten voor inkoop. De zorgaanbieder is verplicht om op verzoek van de patiënt of diens verzekeraar de nota van het bacteriologisch laboratorium te overleggen. Voor nadere transparantievoorschriften ten aanzien van het specificeren en inzichtelijk maken van laboratoriumkosten wordt verwezen naar de Regeling mondzorg. - *Materiaal- en/of techniekkosten:* De kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Bij de prestaties waarbij materiaal- en/of techniekkosten afzonderlijk in rekening kunnen worden gebracht, staat dit in de onderhavige beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met één sterretje (*). Toelichting Met bovengenoemde regel mogen"},{"b":"Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Tandtechniek in eigen beheer:* De tandtechnische stukken of onderdelen daarvan die door de zorgaanbieder zelf worden vervaardigd. Tandtechniek in eigen beheer ziet niet op de klinische zorg die samenhangt met het plaatsen van deze tandtechnische stukken. *Toelichting* Tandtechniek omvat werkzaamheden ten behoeve van tandtechnische werkstukken of onderdelen daarvan. Deze werkzaamheden kunnen zowel door een mondzorgaanbieder als door een tandtechnicus zelfstandig worden uitgevoerd. De zorg die gepaard gaat met het plaatsen van tandtechnische stukken wordt door de mondzorgaanbieder geleverd, voor deze zorg gelden de prestaties en tarieven zoals omschreven in de regelgeving tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, bijzondere tandheelkunde instellingen, kaakchirurgie en Wlz-zorgaanbieders met tandartspraktijk. Zelfvervaardiging betekent vervaardiging door de zorgverlener zelf, maar kan ook betekenen dat de technieken worden vervaardigd door een tandtechnieker binnen de praktijk of binnen een bedrijf waarvan de zorgaanbieder (of zorgverlener) de eigenaar is. Als het gaat om meerdere (rechts)personen, dan is bepalend of de zorgaanbieder invloed heeft op de prijs(vorming). Dit zal doorgaans het geval zijn als deze zorgaanbieder zeggenschap heeft. Wanneer er sprake is van invloed op de prijs(vorming) door deze zeggenschap, dan gelden de maximumtarieven voor tandtechniek in eigen beheer. Zeggenschap houdt in: de mogelijkheid om op grond van feitelijke of juridische omstandigheden strategische invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming en daarmee ook op de prijsvorming. Zeggenschap kan bijvoorbeeld worden verkregen door de verwerving van participaties in het kapitaal, verwerving van vermogensbestanddelen, uit hoofde van een overeenkomst, of op enige andere wijze. - *Zorgaanbieder:* Zorgaanbieders als bedoeld in [artik"},{"b":"Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Acute psychiatrische hulpverlening:* hulpverlening die deel uitmaakt van de geneeskundige ggz en welke gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben. De zorg wordt geleverd conform de generieke module acute psychiatrie; - – *Beschikbaarheidbijdrage mvo ggz (bb mvo ggz):* de beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen ggz - – *Consult:* direct, ononderbroken en zorginhoudelijk contact tussen zorgaanbieder en (forensische) patiënt of naasten van de patiënt; - – *Directe kosten:* kosten die direct toewijsbaar zijn aan prestaties; - – *Forensische zorg:* zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - – *Fte:* de fulltime-equivalent is de rekeneenheid om aan te duiden welk deel van een fulltime omvang het betreft; - – *Geneeskundige ggz:* geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - – *Indirecte kosten:* alle niet-directe kosten; - – *Instelling:* een zorgaanbieder die als instelling is aangemerkt in bijlage C bij het Landelijk Kwaliteitsstatuut; - – *Kostprijs:* de aan elke afzonderlijke prestatie toegerekende kosten; - – *Kostprijsmodel:* model dat begrippen, definities, rekenregels, verdeelsleutels en praktische aanwijzingen bevat die een beschrijving vormen van de wijze waarop kostprijzen berekend worden; - – *Kostprijsonderzoek:* het proces om te komen tot kostprijzen voor ggz-Zvw, ggz-fz, de ggz-Wlz-prestaties voor zover het gaat om verblijf met behandeling en vergoedingsbedragen in het kader van de bb mvo ggz; - – *Nhc:* de normatieve huisvestingscomponent (nhc) is een productie gebonden normatieve vergo"},{"b":"Beleidsregel Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek Algemeen Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door een zelfstandig organisatieonderdeel van het CBS (verder: handhavingsorganisatie). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) geeft voor deze afweging richtlijnen. Deze tarieventabel is door de Directeur-Generaal van de Statistiek vastgesteld en geldt vanaf 1-1- 2006 voor alle overtredingen van het niet nakomen van de responsverplichting die vanaf deze datum door de handhavingsorganisatie worden geconstateerd. Last onder dwangsom De handhavingsorganisatie past in eerste instantie het handhavingsinstrument van de last onder dwangsom toe. Hiermee wordt nadrukkelijk beoogd om de gevraagde gegevens alsnog te verkrijgen. De duur van de begunstigingstermijn1 bedraagt in alle gevallen 14 kalenderdagen. De hoogte van de te verbeuren dwangsom is in eerste instantie achtereenvolgens afhankelijk van: • de omvang2 van de onderneming, vrije beroepsbeoefenaar, instelling of rechtspersoon aan wie de last onder dwangsom is opgelegd; • de periode 3 waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben; •en het responsgedrag4. | periode | maand5 | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | responsgedrag | incidenteel | | regelmatig | | structureel | | | grootteklasse | € per dag | maximaal te verbeuren | € per dag | maximaal te verbeuren | € per dag | maximaal te"},{"b":"Beleidsregel Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek Algemeen Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door een zelfstandig organisatieonderdeel van het CBS (verder: handhavingsorganisatie). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) geeft voor deze afweging richtlijnen. Deze tarieventabel is door de Directeur-Generaal van de Statistiek vastgesteld en geldt vanaf 1-1-2009 voor alle overtredingen van het niet nakomen van de responsverplichting die vanaf deze datum door de handhavingsorganisatie worden geconstateerd. Last onder dwangsom De handhavingsorganisatie past in eerste instantie het handhavingsinstrument van de last onder dwangsom toe. Hiermee wordt nadrukkelijk beoogd om de gevraagde gegevens alsnog te verkrijgen. De duur van de begunstigingstermijn1 bedraagt in alle gevallen 14 kalenderdagen. De hoogte van de te verbeuren dwangsom is in eerste instantie achtereenvolgens afhankelijk van: - – de omvang2 van de onderneming, vrije beroepsbeoefenaar, instelling of rechtspersoon aan wie de last onder dwangsom is opgelegd; - – de periode3 waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben; - – en het responsgedrag4. In de onderstaande tabellen zijn voor de verschillende categorieën de te verbeuren dwangsommen per dag alsmede de maximaal te verbeuren totale dwangsom weergegeven. | Periode | Maand5 | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | respon"},{"b":"Beleidsregel tegemoetkoming schade bij aangewezen besmettelijke dierziekten Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662); - b. *tegemoetkoming:* tegemoetkoming in de schade als bedoeld in [artikel 86, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86); - c. *maatregelen:* maatregelen als bedoeld in [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=22). Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op het toekennen van tegemoetkomingen voor zover deze voortvloeien uit maatregelen, die zijn getroffen na 20 januari 2003. Artikel 3 Het bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld zonder verlaging als bedoeld in [artikel 86, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86). Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Beleidsregel tegemoetkoming schade bij aangewezen besmettelijke dierziekten."},{"b":"Beleidsregel tenaamstellingsloket snelle motorboten Artikel 1 De begripsbepalingen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628) zijn onverkort van toepassing. Voorts wordt verstaan onder: - *aanvrager:* de natuurlijk- of rechtspersoon die een verzoek indient voor de tenaamstelling van een snelle motorboot. - *toestemminghouder:* degene aan wie toestemming is verleend als bedoeld in deze beleidsregel. - *verzoeker:* de rechtspersoon die in het kader van deze beleidsregel toestemming vraagt zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040998&artikel=2&z=2018-06-10&g=2018-06-10). Artikel 2 1. De Dienst Wegverkeer kan aan een rechtspersoon toestemming verlenen om, tegen betaling namens de aanvrager van een door deze dienst vast te stellen tarief, snelle motorboten te naam te stellen in het door deze dienst gehouden register. 2. De toestemming wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag verleend indien voldaan wordt aan de eisen zoals genoemd in [artikel 3 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040998&artikel=3&z=2018-06-10&g=2018-06-10). 3. De verzoeker dient de regels zoals opgenomen in de Beleidsregel Tenaamstelling Snelle Motorboten ten aanzien van de wijze van uitvoering van de aanvraag tot tenaamstelling in acht te nemen. 4. De toestemming houdt tevens in om namens de aanvrager de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijzigingen ten aanzien van de registratie in ontvangst te nemen. 5. De toestemming wordt schriftelijk verleend door de Dienst Wegverkeer. Artikel 3 1. Met het toezicht op de naleving van de uit de toestemming voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Een zodanig besluit wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. 2. De toestemminghouder is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief. 3. B"},{"b":"Beleidsregel ter uitvoering van artikel 3.21 van de Wet luchtvaart met betrekking tot MLA's (Beleidsregel ontheffingen MLA's) Artikel 1 1. Ontheffing van het verbod als bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8) kan, teneinde binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam vluchten uit te voeren, worden verleend aan de houder van een niet in Nederland geregistreerde MLA, dat niet is voorzien van een standaard-BvL, wanneer bij de aanvraag, welke schriftelijk dient te geschieden, daartoe de volgende bescheiden zijn gevoegd: - a. een document als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling MLA's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015237&artikel=3); - b. een bewijs van inschrijving in het luchtvaartuigregister in het land van registratie; - c. een bewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van registratie, waaruit blijkt, dat de uitoefening van de luchtvaart met het betrokken MLA in dat land is toegestaan; en - d. een bewijs, waaruit blijkt, dat de houder van het MLA in voldoende mate verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid. 2. Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wordt deze eenmaal per jaar verleend voor één of meer periodes van één of meer aaneengesloten dagen met een maximum van 28 dagen per jaar. 3. Een ontheffing wordt slechts aan de houder van een niet in Nederland geregistreerde MLA verleend, indien door de autoriteit die het bewijs, bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft uitgegeven, verklaart dat vluchten over buitenlands grondgebied zijn toegestaan, mits schriftelijke toestemming van de desbetreffende autoriteit verkregen is. Artikel 2 1. Ontheffingen van het verbod, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8) voor het gebruik van een in Nederland geregistreerde MLA, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de [Regeling"},{"b":"Beleidsregel ter uitvoering van artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995 Artikel 1 Met deze beleidsregel wordt nadere invulling gegeven aan de begrippen “constructie” en “gebruikt of zal worden gebruikt”, als bedoeld in [artikel 1, onderdelen j en k, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1). Bij beoordeling door de regionale autoriteit van aanvragen als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=6) om als lage kruiplijn-coaster of binnen/buiten-schip te worden ingeschreven in het Register loodsplicht kleine zeeschepen worden bij toetsing de navolgende criteria aangehouden: *Binnen/buiten-schip (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder j):* - 1. Lengte over alles van minder dan 115 meter; - 2. Blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip; - a. geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter; - b. lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 18 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip; - c. relatief lang en slank schip: verhouding lengte/breedte is groter of gelijk aan 6,0. - 3. Aangetoond wordt dat het schip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de [bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0004364) (dus op niet-loodsplichtige binnenwateren) en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren (binnen 200 nautische mijlen uit de kust). *Lage kruiplijn-coaster (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder k):* - 1. Lengte over alles van minder dan 115 meter; - 2. een zodanige vorm of constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt: - a. geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter; - b. lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 9,1"},{"b":"Beleidsregel terugvordering bestuursrechtelijke geldsommen door de NZa Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels op met betrekking tot de volgende haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheden. Ingevolge [artikel 4:57 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:57) kan de NZa onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. Ingevolge [artikel 4:95, vierde en vijfde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:95) kan de NZa betaalde voorschotten terugvorderen. Ingevolge [artikel 35, zevende lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) (Wmg), juncto [artikel 37, eerste lid, onder d Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), juncto [artikel 76, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) kan de NZa het bedrag van ten hoogste de overschrijding van de in [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) bedoelde grens terugvorderen. Op het terugvorderen van geldschulden zijn [titel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) en/of [4.4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.4) van toepassing. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is in ieder geval van toepassing op: - − Het terugvorderen van een bestuursrechtelijke geldsom bij de beschikbaarheidbijdragen als bedoeld in [artikel 56a Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a), bij subsidies als bedoeld in [artikel 11.4.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.4.1) (Wlz), bij bijdrages als bedoeld in [artikel 11.4.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.4.2) en andere subsidies, en; - − Het terugvord"},{"b":"Beleidsregel Toegang niet-openbare informatie in dossiers betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen ten behoeve van onderzoek Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a) *AVG:* Verordening (EU) 2016/679 bescherming natuurlijke personen i.v.m. verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); - b) *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c) *Commissie:* Commissie van Advies voor de Sociale Verzekeringsbank inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; - d) *derde-belanghebbende:* belanghebbende – niet zijnde de verzoeker – die naar verwachting bedenkingen zal hebben bij het verlenen van toegang tot (informatie uit) een dossier op verzoek; - e) *dossier:* dossier betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen voor zover dit ziet op het oorlogsrelaas van een verzetsdeelnemer of oorlogsgetroffene. Medische gegevens vallen hier niet onder; - f) *Protocol:* Protocol onderzoek dossiers verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; - g) *RvB:* Raad van Bestuur; - h) *SVB:* Sociale Verzekeringsbank; - i) *UAVG:* [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); - j) *verzoek:* een verzoek om toegang tot informatie uit een dossier op grond van [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7); - k) *verzoeker:* degene die een verzoek op grond van [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7) indient; - l) *Woo:* [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Wijze waarop een verzoek kan worden ingediend Een verzoek wordt schriftelijk"},{"b":"Beleidsregel toekenning en intrekking informatienummers Artikel 1. – Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *Tw:* de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. *nummerplan:* het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten; - d. *Bude:* het [Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698); - e. *090x-nummers:* 0900-, 0906- en 0909-nummers, bestemd voor gratis of betaalde informatiediensten als beschreven in het nummerplan; - f. *18xy-nummers:* nummers bestemd voor abonnee-informatiediensten als beschreven in het nummerplan; en - g. *betaaldienst:* dienst waarbij een 090x-nummer wordt gebruikt als betaalmethode. Artikel 2. – Gespreksverlenging In de bestemming van 0900- en 0909-nummers zijn diensten waarvan het hoofddoel is om de duur van het gesprek te verlengen, uitgesloten. Onder gespreksverlengende diensten die niet mogen worden aangeboden, verstaat de ACM onder andere informatiediensten waarbij de verbinding in stand wordt gehouden om het informatietarief zo lang mogelijk in rekening te brengen. Hieronder verstaat de ACM in ieder geval: - a. een doorschakelservice waarvoor na het doorschakelen een tarief per minuut in rekening wordt gebracht; en - b. een betaaldienst waarvoor een tarief per minuut in rekening wordt gebracht, ongeacht of het totaal te betalen bedrag vooraf is overeengekomen. Artikel 3. – Betaaldiensten 1. Via een 0900-nummer mag geen betaaldienst, waarvoor een tarief per gesprek in rekening wordt gebracht, aangeboden worden voor: - – diensten van erotische, seksuele of pornografische aard of die daar (in)direct naar verwijzen; of - – amusementsdiensten of diensten die daar (in)direct naar verwijzen. 2. Via een 0909-nummer mag geen betaaldien"},{"b":"Beleidsregel toelatingsprocedure Ctgb 2024 Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1:1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *afgeleide toelating biocide:* een toelating waarbij op basis van artikel 52 van de wet (oud) een reeds toegelaten biocide (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - *afgeleide toelating gewasbeschermingsmiddel:* een toelating waarbij een reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - *biociden:* biociden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van verordening (EU) Nr. 528/2012; - *college:* het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - *regeling:* [Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545); - *regeling (oud):* Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals die gold vóór 6 november 2013; - *wet:* [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670); - *wet (oud):* de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals deze gold vóór 6 november 2013; - *gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009; - *besluit:* [Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530); - *besluit (oud):* het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals dat gold vóór 6 november 2013; - *moedermiddel:* het in Nederland toegelaten middel op basis waarvan een of meer afgeleide toelatingen worden of zijn verleend; - *intake:* eerste fase in de aanvraagprocedure waarbij het college onderzoekt of aan de administratieve vereisten is vold"},{"b":"Beleidsregel toepassing en beoordeling lozingseisen rijkswateren § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. lozingseis: voorschrift over de toegestane concentraties stoffen in te lozen afvalwater; - b. empirische lozingseis: lozingseis die is bepaald op basis van een historische meetreeks van de concentraties stoffen in het te lozen afvalwater; - c. theoretische lozingseis: andere lozingseis dan een empirische lozingseis; - d. uitgebreide meetonzekerheid: onzekerheidsinterval rond het analyseresultaat dat met 95% betrouwbaarheid de werkelijke waarde bevat; - e. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); - f. maatwerkvoorschrift: voorschrift als bedoeld in [artikel 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=2.13), [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.7), [artikel 7.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=7.7) of [artikel 17.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=17.8), dat betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de [bijlage, onderdeel A, bij de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885); - g. NEN 1047: NEN 1047:1967, Receptbladen voor de statistische verwerking van waarnemingen, met correcties van december 1968, februari 1976, februari 1977 en met de aanvullingen van 1968, 1970, 1974, 1975, 1978, 1980, 1981, 1982 en 1984. § 2. Voorschriften Artikel 2 Indien in de voorschriften van een omgevingsvergunning of in een maatwerkvoorschrift een lozingseis wordt opgenomen, geeft het bevoegd gezag daarbij aan of het een empirische of theoretische lozingseis betreft. Artikel 3 Indien in de voorschriften van een omgevingsvergunning of in een maatwerkvoorschrift een empirische lozingseis wordt opgeno"},{"b":"Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit Artikel 1 1. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van [artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.84), worden de stroomschema’s doorlopen zoals die zijn opgenomen in het in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046422) bij dit besluit opgenomen Toetsingskader waterkwaliteit. 2. Tenzij in het nationale waterprogramma toepassing wordt gegeven aan [artikel 2.17, vierde lid, al dan niet in samenhang met het vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=2.17), wordt een aanvraag uitsluitend ingewilligd als op grond van deze stroomschema’s, rekening houdend met de op grond daarvan eventueel te nemen aanvullende maatregelen, het oordeel gegeven wordt dat er ten gevolge van de aangevraagde handeling geen onacceptabele negatieve effecten zijn te verwachten op de fysisch-chemische of biologische kwaliteitselementen of op de chemische toestand van de betrokken oppervlaktewaterlichamen. 3. Op grond van [artikel 5.34, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34) worden in elk geval de op basis van deze stroomschema’s nodige voorschriften aan de vergunning verbonden. Artikel 2 Bij het vaststellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 4.5 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.5), worden de stroomschema’s doorlopen zoals die zijn opgenomen in het in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046422) bij dit besluit opgenomen Toetsingskader waterkwaliteit. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel Toezicht ACM op duurzaamheidsafspraken De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) en [artikel 4:81, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Inleiding - 1. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan bij haar missie om markten goed te laten werken voor alle mensen en bedrijven, nu en in de toekomst. Afspraken tussen ondernemingen om duurzaamheidsvoordelen te behalen kunnen op een effectieve manier bijdragen aan die missie. - 2. Het belang van dergelijke duurzaamheidsafspraken is gegroeid. Zo is er de afgelopen jaren een toename van maatschappelijke, beleidsmatige en juridische aandacht voor klimaatverandering, biodiversiteit en duurzame ontwikkeling. Als gevolg hiervan zijn concrete beleidsdoelen en bindende normen over duurzaamheid tot stand gekomen. Gedacht kan worden aan het Biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro (1992), het Klimaatverdrag van Parijs (2015), de zeventien *Sustainable Development Goals* van de Verenigde Naties waaraan Nederland en de Europese Unie zich hebben gecommitteerd (2015) en de [Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394) (2019). Daarnaast heeft de Hoge Raad eind 2019 bepaald dat de Staat der Nederlanden ervoor moet zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met 25% zal zijn verminderd ten opzichte van 1990.1Zie Hoge Raad, 20 december 2019, *Staat der Nederlanden / Stichting Urgenda*, ECLI:NL:2019:2006. Gedacht kan ook worden aan overkoepelende akkoorden zoals het Energieakkoord 2013, het Grondstoffenakkoord 2017, het Nationaal Preventieakkoord 2018 en het Klimaatakkoord 2019 en diverse beleidsmaatregelen. Als gevolg van de grote inspanning die moet worden geleverd om dergelijke doeleinden te bereiken, en de rol die de Nederlandse overheid daarbij ziet voor ondernemingen, zijn duurza"},{"b":"Beleidsregel toezicht zorgplicht zorgverzekeraars I. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1.1 *Basispakket:* Zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) die onderdeel dient te zijn van de modelovereenkomst ten behoeve van de zorgverzekering. - 1.2 *Bereikbaarheid van zorg:* De mate waarin een zorgaanbieder bereikt kan worden binnen een acceptabele tijd, reistijd en reisafstand en er contact kan worden opgenomen met een zorgaanbieder. - 1.3 *Beschikbaarheid van zorg:* De mate waarin zorg en diensten feitelijk voorhanden zijn. - 1.4 *Combinatiepolis:* Een polis waarin een combinatie van verzekerde prestaties in naturavorm en restitutievorm is opgenomen, als bedoeld in [artikel 11, tweede lid Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), of die recht geeft op de vergoeding van de kosten van zorg of overige diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten maar waarbij, anders dan bij een restitutiepolis, de vergoeding verdergaand wordt beperkt dan aangegeven in [artikel 2.2, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.2) (Bzv). - 1.5 *Gecontracteerde zorg:* Zorg waarover de zorgverzekeraar met de zorgaanbieder afspraken heeft gemaakt over onder meer de inhoud en kwaliteit van de zorg, de hoogte van de vergoeding aan de zorgaanbieder en eventueel de omvang van het volume, of zorg geleverd door zorgaanbieders die bij de zorgverzekeraar in dienst zijn. - 1.6 *Handvatten:* Het document waarin de NZa haar verwachtingen duidt met betrekking tot de uitvoering van de zorgplicht door zorgverzekeraars. - 1.7 *Kwaliteit van zorg:* Zorg die voldoet aan de kwaliteitseisen als onder andere bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=2), de [Zvw](https://wett"},{"b":"Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw Grondslag De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) door zorgverzekeraars. Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 16, sub b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg). De zorgplicht is opgenomen in [artikel 11, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), waardoor de NZa ook toezicht houdt op de zorgplicht. Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Acute zorg:* zorg die moet worden verleend in situaties waarin er zonder acuut ingrijpen gevaar bestaat voor overlijden of onomkeerbare gezondheidsschade. Acute zorg wordt ook wel spoedzorg genoemd. - *Bereikbaarheid van zorg:* bereikbaarheid van zorg komt tot uitdrukking in de wijze waarop contact met de zorgaanbieder kan worden opgenomen, de geografische afstand (reisafstand) en de snelheid (reistijd en toegangstijd op afstand) waarmee contact kan worden gekregen met de zorgaanbieder of zorgverzekeraar. - *Combinatiepolis:* een polis waarin een combinatie van verzekerde prestaties in naturavorm en restitutievorm is opgenomen, of die recht geeft op de vergoeding van de kosten van zorg of overige diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten maar waarbij, anders dan bij een restitutiepolis, de vergoeding verdergaand wordt beperkt dan aangegeven in [artikel 2.2, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.2). - *Electieve zorg:* curatieve zorg (diagnostiek, behand"},{"b":"Beleidsregel tot vaststelling niveau DigiD voor inzage in GBA persoonsgegevens via MijnOverheid.nl Artikel 1 Voor inzage van de eigen gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens door middel van de Persoonlijke internetpagina MijnOverheid.nl is het niveau van de overheidstoegangsvoorziening DigiD, DigiD zekerheidsniveau Basis. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 februari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel vaststelling niveau DigiD voor inzage in GBA persoonsgegevens via MijnOverheid.nl."},{"b":"Beleidsregel tot vaststelling van voorwaarden die gelden tijdens de overgangsperiode na afloop van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties voor ontheffingen verleend ten tijde van die proef (Beleidsregel overgangsperiode proef ontheffingverlening LZV) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. proef LZV: de met ingang van 16 januari 2004 tot en met 31 oktober 2006 geldende proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties op grond van de [Beleidsregel ontheffingverlening LZV 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019724) en het [Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098); - b. deelnemer aan de proef: aanvrager voor deelname aan de proef LZV met een of meer vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies is gegeven als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4). Artikel 2 De Dienst Wegverkeer zal een of meer ontheffingsbesluiten van een deelnemer aan de proef LZV onder de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020292&artikel=3&z=2006-09-21&g=2006-09-21) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020292&artikel=4&z=2006-09-21&g=2006-09-21) geformuleerde voorwaarden verlengen tot 1 november 2007 indien: - a. de deelnemer aan de proef LZV uiterlijk 30 september 2006 per aangevraagd ontheffingsbesluit schriftelijk aan de Ambtelijke adviescommissie LZV verzoekt voor een verlenging daarvan met ingang van 1 november 2006 tot 1 november 2007; - b. de voertuigen waarop de aanvraag voor verlenging betrekking heeft uiterlijk een datum eerste toelating van 31 oktober 2006 hebben; - c. de trajecten waarop de aanvraag betrekking heeft uiterlijk 31 oktober 2006 door de adviescommissie van een positief advies zijn voorzien, en - d. de wegbeheerder toestemming heeft verleend. Artikel 3 Bij verl"},{"b":"Beleidsregel transparante financiële bedrijfsvoering en verbod op winstoogmerk Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Bedrijfsvoering:* de sturing en beheersing van bedrijfsprocessen binnen een organisatie om de doelstellingen te kunnen realiseren. Dit omvat zowel de primaire processen als de ondersteunende processen. De financiële bedrijfsvoering betreft de financiële aspecten van de bedrijfsvoering. - *Instelling:* een instelling als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), inhoudende een organisatorisch verband dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). - *Onderaannemer:* een zorgaanbieder die binnen het kader van de binnen een andere zorgaanbieder verleende zorg een deel van die zorg verleent. - *Zorgaanbieder:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) - *WTZi:* [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) - *Zvw:* [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) Artikel 2. Doel van de beleidsregel In deze beleidsregel beschrijft de NZa de uitgangspunten die zij in acht neemt bij de wijze waarop zij het toezicht uitoefent op [artikel 40a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40a), inzake een transparante bedrijfsvoering en financiële administratie. Tevens beschrijf"},{"b":"Beleidsregel uitbreiding voorschotregeling voor oude bij het CJIB nog openstaande schadevergoedingsmaatregelen Wettelijk kader [Artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) bepaalt sinds 1 januari 2011: Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze uitkering gedurende een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven. In het overgangsrecht van de [Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027053) is bepaald dat [artikel 36f, zesde lid, Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) alleen geldt voor schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden na de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2011. [Artikel 6, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=6) bepaalt: In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden. Redengeving Uit het voorgaande valt af te leiden dat voorzien is in de mogelijkheid om beleid te voeren ten aanzien van die slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven die vertraging ondervinden bij het innen van een schadevergoeding. I"},{"b":"Beleidsregel uitgifte nummers 2025 Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *aanvraag:* de aanvraag voor toekenning of overdracht van een toekenning van een nummer dat in een nummerplan of in een op grond van [artikel 4.2, zesde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) is opgenomen1Met uitzondering van een nummer dat uitsluitend binnen een bepaald elektronisch communicatienetwerk wordt gebruikt voor toegang tot of identificatie van op dat netwerk aangeslotenen, de netwerkbeheerder, via dat netwerk aangeboden diensten, dat netwerk, netwerkaansluitpunten van dat netwerk of andere elementen van dat netwerk, tenzij in het nummerplan anders is bepaald.; - – *aanvrager:* degene die een aanvraag bij de ACM indient; - – *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2. – Aanvraag 1. De aanvrager gebruikt het daartoe bestemde aanvraagformulier. 2. De aanvraag wordt ondertekend door een namens de aanvrager tekenbevoegde persoon. 3. De ACM neemt een aanvraag slechts in behandeling, als de aanvrager de verplichtingen uit de eerste twee leden nakomt. 4. Als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt de ACM de aanvrager in de gelegenheid om de aanvraag binnen een door de ACM gestelde termijn aan te vullen. De ACM stelt de aanvraag buiten behandeling als de aanvrager niet tijdig van die gelegenheid gebruikmaakt. 5. De aanvrager kan bij zijn aanvraag een voorkeur voor een nummer of nummers opgeven. De ACM houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor zover mogelijk rekening met de opgegeven voorkeur. Artikel 3. – Toetsingscriteria 1. De ACM toetst bij een aanvraag achtereenvolgens of: - a) de aanvrager in aanmerking komt voor toekenning van de aangevraagde nummers; - b) het voorgenomen gebruik van de"},{"b":"Beleidsregel uitgifte van abonnee-informatienummers 2024 Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *aanprijzingen:* openbare uitingen en andere aanprijzingen als bedoeld in [artikel 3.2h, tweede lid, onderdeel c, van de Rude](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2h); - – *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - – *Bude:* het [Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698); - – *Rude:* de [Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709). Artikel 2. – Gebruik van het aanvraagformulier 1. De aanvrager van een 18xy-nummer maakt, bij het aanvragen van een 18xy-nummer, gebruik van het aanvraagformulier voor abonnee-informatienummers. 2. De ACM neemt de aanvraag slechts in behandeling, indien de aanvrager de verplichting uit het eerste lid nakomt. Artikel 3. – Gebruik van het Bibob-vragenformulier 1. De aanvrager overlegt, bij het indienen van de aanvraag, een volledig en naar waarheid ingevuld Bibob-vragenformulier. 2. De ACM neemt de aanvraag slechts in behandeling, indien de aanvrager de verplichting uit het eerste lid nakomt. Artikel 4. – Abonneebestand Onder ‘abonneebestand’ in [artikel 3.2h, tweede lid, onderdeel a, van de Rude](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2h) verstaat de ACM: het abonneebestand waartoe Vereniging COIN na het sluiten van de standaard overeenkomst toegang verschaft middels het COIN-platform Abonnee-informatie. Artikel 5. – Ondubbelzinnige aanprijzingen 1. Een aanprijzing van een abonnee-informatiedienst is slechts ondubbelzinnig als bedoeld in [artikel 3.2h, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Rude](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2h), indien de dienst in de aanprijzin"},{"b":"Beleidsregel uitstel aanvraag om herregistratie Het NRGD kan vanwege persoonlijke omstandigheden een aanvrager 6 maanden langer de tijd geven om een aanvraag om herregistratie in te dienen. Daarna kan het NRGD een aanvrager, bij uitzondering, nog eenmalig 6 maanden uitstel geven van een aanvraag om herregistratie. Persoonlijke omstandigheden kunnen dan liggen in de sfeer van ziekte of een overlijden van een naaste. Het NRGD kan bij het niet gelijktijdig aflopen van registraties een aanvrager ambtshalve 6 maanden uitstel geven om een aanvraag in te dienen om gelijktijdige behandeling van de aanvragen om herregistratie mogelijk te maken. Die termijn kan eenmalig met nog eens 6 maanden worden verlengd. Het mandaat om te beslissen tot uitstel ligt bij de directeur van het Bureau NRGD, met de mogelijkheid van ondermandaat aan de beleids- en beheermedewerkers. *Toelichting:* *In de praktijk blijkt het wenselijk om een aanvrager langer de tijd te geven om een aanvraag om herregistratie in te dienen. Bijvoorbeeld wanneer een aanvrager vanwege persoonlijke omstandigheden er niet in is geslaagd om tijdig het vereiste aantal rapporten op te maken. Het is gebruikelijk dat een aanvrager dan zes maanden uitstel krijgt en hoogstens een jaar.* *Het Bureau kan ook ambtshalve uitstel verlenen van het doen van een aanvraag om herregistratie om de toetsing van aanvragen te kunnen clusteren. Dat kan wenselijk zijn bij de kleinere deskundigheidsgebieden waar buitenlandse toetsers naar Nederland moeten komen voor het beoordelen van een aanvraag. Of wanneer een aanvrager meerdere registraties heeft die op verschillende data verlopen en het praktischer is om die aanvragen in een keer af te handelen.* Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 12 juli 2024."},{"b":"Beleidsregel Uitstel jaarverantwoording Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *boekjaar:* het kalenderjaar waarop de jaarverantwoording betrekking heeft, als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=1); - *CIBG:* uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van VWS; - *combinatie-instelling:* zorgaanbieder die tevens - 1) jeugdhulpaanbieder als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel 1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) of gecertificeerde instelling is; of - 2) Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) is; - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in [artikel 3 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - *zorgaanbieder:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Wmg: [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 2. Doel van de beleidsregel In deze beleidsregel geeft de NZa aan op welke wijze zij uitvoering geeft aan haar wettelijke bevoegdheid om uitstel te verlenen voor het tijdstip van openbaarmaking van de jaarverantwoording. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorgaanbieders en geen rechtspersoonlijkheid bezittende verbanden van zorgaanbieders, met uitzondering van de zorgaanbieders en geen rechtspersoonlijkheid bezittende verbanden van zorgaanbieders waarop [artikel 40b Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b) niet van toepassing is verklaard in het [Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"b":"Beleidsregel uitvoering weggedragtest van de Dienst Wegverkeer bij toelating en wijziging constructie van voertuigen (Beleidsregel weggedrag) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen voor nationale kleine serie typegoedkeuringen en individuele goedkeuringen van voertuigen, als bedoeld in de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22) respectievelijk [26 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26), voorzover het gaat om de voertuigcategorieën personenauto, bedrijfsauto, bus, motorfiets, bromfiets en driewielig motorrijtuig. Artikel 2 De Dienst Wegverkeer voert een weggedragtest uit: - a. indien de technisch toegestane maximummassa voertuig en/of de technisch toegestane maximumlast onder de as of assen van het oorspronkelijke voertuig wordt verhoogd; - b. indien het zwaartepunt van het voertuig dusdanig hoger komt te liggen dat dit een nadelig effect kan hebben op het weggedrag; - c. indien de aslastverdeling dusdanig wijzigt ten opzichte van het oorspronkelijke voertuig dat dit een nadelig effect kan hebben op het weggedrag. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop de Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu tot wijziging van de Regeling voertuigen in verband met de toevoeging van technische eisen met betrekking tot de toelating van elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen tot het Nederlandse verkeer en in verband met de toevoeging van nationale toelatingseisen betreffende het weggedrag van motorvoertuigen in werking treedt. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel weggedrag."},{"b":"Beleidsregel Uurloonschatting 2008 Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid: arbeid als bedoeld in [artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=9). - b. maatgevende arbeid: arbeid verricht door de gelijksoortige gezonde persoon als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=5) juncto [artikel 1 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=1), [artikel 18 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18), [artikel 2 WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=2) en [artikelen 2:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:2), [2:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:5) en [3:1 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:1). - c. mediane uurloon: uurloon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=10) - d. SBC code: een Standaard Beroepenclassificatie, waarin soortgelijke functies worden gekoppeld. Artikel 2. Berekening resterende verdiencapaciteit 1. Is de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbeid, dan wordt het mediane uurloon vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de maatgevende arbeid. 2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid als volgt vastgesteld: - a. De urenomvang wordt per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies. - b. Vervolgens wordt van de drie"},{"b":"Beleidsregel UWV gebruik adresgegevens Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *Wet BRP:* de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - c. *ingezetene:* de ingezetene, bedoeld in [artikel 1.1, onder f, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - d. *woonadres:* het adres, bedoeld in [artikel 1.1, aanhef, en onder o, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - e. *briefadres:* het adres, bedoeld in [artikel 1.1, aanhef, en onder p, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - f. *BRP-adres:* het woonadres of het briefadres; - g. *verblijfadres:* een adres waar de betrokkene feitelijk verblijft, niet zijnde het BRP-adres; - h. *correspondentieadres:* een door de betrokkene gekozen adres voor het ontvangen van post, niet zijnde het BRP-adres; - i. *terugmelding:* een mededeling, bedoeld in [artikel 2.34, lid 1, van de wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.34). Artikel 2. Gebruik BRP-adres 1. UWV maakt bij de vervulling van zijn taak gebruik van het BRP-adres. 2. In afwijking van het eerste lid maakt UWV geen gebruik, dan wel niet uitsluitend gebruik van het BRP-adres, indien: - a. de betrokkene overeenkomstig de [Controlevoorschriften Ziektewet 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027957), de [Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020115), het [Uitkeringsreglement WW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025107), het [Uitkeringsreglement IOW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026697) of de [Controlevoorschriften toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021415) een"},{"b":"Beleidsregel UWV Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *uitkering:* een uitkering ingevolge de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) en de [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394), alsook ziekengeld ingevolge de Ziektewet, inkomensvoorziening ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en toeslag ingevolge de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - c. *verzekerde:* de aanvrager van een uitkering of de rechthebbende op een uitkering; - d. *opschorting:* het tijdelijk niet uitbetalen van een lopende uitkering, alsook het tijdelijk niet uitbetalen van een uitkering die is toegekend, maar waarvan nog geen uitbetaling heeft plaatsgevonden; - e. *basisregistratie personen:* de basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2). Artikel 2. Afwijkende registratie binnen twaalf weken ongedaan maken Als van de verzekerde bij UWV een adres in Nederland bekend is, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat"},{"b":"Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *nova:* nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in [artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6); - c. *duuraanspraak:* een aanspraak die ten tijde van de herhaalde aanvraag nog doorloopt of had kunnen doorlopen als het vaststaande besluit geen afwijzing was geweest; - d. *herhaalde aanvraag:* een aanvraag na een eerdere geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking dan wel een verzoek van een belanghebbende om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit dan wel een volgende aanvraag om iets waarover al eerder een besluit is genomen; - e. *kennelijke fout:* een materiële fout die zonder diepgaand onderzoek opvalt. Artikel 2. Afbakening 1. Dit besluit is van toepassing op situaties waarin door een belanghebbende wordt verzocht of door UWV wordt bezien een gunstiger beslissing dan het eerdere, vaststaande besluit te nemen. 2. Dit besluit is van toepassing op een individuele aanvraag, tenzij door UWV voor die situatie categoraal herstelbeleid is vastgesteld. 3. Dit besluit is niet van toepassing op situaties waar de [Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020434) betrekking op hebben. 4. Dit besluit is niet van toepassing op besluiten die zijn genomen op grond van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en [artikel 7:671a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a). Artikel 3. Nova 1. Een belanghebbende die een herhaalde aanvraag indient moet nova aanvoeren. 2. Als sprake is van nov"},{"b":"Beleidsregel van de Bewaarders van het kadaster en de openbare registers van 10 december 2014, nr. 14.031511, ter uitvoering van artikel 13a van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 dat de tekening dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: - 1. Een uittreksel van de kadastrale kaart zoals afkomstig uit de basisregistratie kadaster wordt gebruikt als ondergrond waarop de betreffende gedeelten onderscheidend gearceerd zijn weergegeven. - 2. Indien het uittreksel van de kadastrale kaart zoals afkomstig uit de basisregistratie kadaster als bedoeld onder 1, niet voldoende ruimte biedt om de ligging van de betreffende gedeelten weer te geven, dan geschiedt zulks door een tekening mee in te schrijven die voldoet aan de volgende voorwaarden: - – deze bevat de betreffende kadastrale grenzen en perceelsnummers; - – de ligging van de betreffende gedeelten is onderscheidend met arcering aangegeven; - – deze is noordgericht; - – deze bevat een schaalbalk; - – deze bevat een weergave van aanwezige bebouwing. - 3. Er mogen meerdere uittreksels van de kadastrale kaart worden gebruikt ter voldoening aan de verplichting hiervoor onder 1. vermeld. - 4. Er mogen meerdere tekeningen worden gebruikt ter voldoening aan de verplichting hiervoor onder 2. vermeld. - 5. In plaats van de “betreffende gedeelten” als bedoeld onder 1. en 2. mag ook de gehele onroerende zaak worden weergegeven."},{"b":"Beleidsregel van de Dienst Wegverkeer (RDW) inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van erkenningen (Beleidsregel toetsing erkenningen aan de Wet Bibob) Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. De definities in [artikel 1, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel, voor zover niet anders gedefinieerd in deze beleidsregel. 2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. *wet:* [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - c. *Bibob-toets:* het onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=4) en [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9). - d. *RDW:* de Dienst Wegverkeer, als bedoeld in de [Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622); - e. *erkenning:* basiserkenning of erkenning voor specifieke handelingen; - f. *basiserkenning:* basiserkenning als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua); - g. *erkenning voor specifieke handelingen:* erkenning als bedoeld in [artikel 4aud, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud); - h. *erkenninghouder:* een natuurlijk persoon of rechtspersoon waaraan een basiserkenning in combinatie met een of meer erkenningen voor specifieke handelingen is verleend (als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel x van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&arti"},{"b":"Beleidsregel van de Dienst Wegverkeer Dienst Wegverkeer (RDW) van 1 oktober 2026 inzake bestuurlijke boete voertuig op de weg zonder handelaarskenteken Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *erkenninghouder* het erkende bedrijf als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=2), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=5), [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=6) of [artikel 8 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=8). - *handelaarskenteken* kenteken als bedoeld in [artikel 3 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=3). - *overtreding* het zich op de openbare weg, zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, sub b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), bevinden van een voertuig dat in de bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad is opgenomen en niet is voorzien van een handelaarskenteken. - *natuurlijk persoon* eenmanszaak of vennootschap onder firma waarbij firmanten geen rechtspersoon zijn. - *rechtspersoon* alle rechtsvormen die geen natuurlijk persoon zijn. - *weg* een weg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1). - *openbare weg* een openbare weg is een weg die, dan wel een terrein dat vrij voor het verkeer toegankelijk is. Artikel 2. Reikwijdte van deze beleidsregel 1. Deze beleidsregel heeft betrekking op de bestuurlijke boete bij constatering van een voertuig dat in de bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad is opgenomen en niet is voorzien van een handelaarskenteken terwijl het voertuig op de openbare weg rijdt of staat. 2. Deze beleidsregel heeft mede betrekking op de bestuurlijke boete bij c"},{"b":"Beleidsregel van de directeur-generaal van de statistiek van 12 juli 2021, nr. CSB-2021-072, houdende de criteria voor het verlenen van toegang aan instellingen tot microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Beleidsregel toegang instellingen tot microdata CBS) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *CBS:* Centraal bureau voor de statistiek. - *directeur-generaal:* directeur-generaal van de statistiek; - *hoofdvestiging:* indien een instelling vestigingen heeft in meer dan één land, is de hoofdvestiging de plaats waar de centrale administratie van de instelling is gelegen, tenzij de beslissingen over de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking van microdata van het CBS worden genomen in een andere vestiging van de instelling, en die tevens gemachtigd is die beslissingen uit te voeren, in welk geval de vestiging waar die beslissingen worden genomen als de hoofdvestiging wordt beschouwd; - *microdata:* gepseudonimiseerde koppelbare data die kenmerken bevatten van eenheden binnen een populatie, zoals personen, adressen of bedrijven en die worden gebruikt om geaggregeerde informatie samen te stellen; - *verwerkingsvestiging:* vestiging van een instelling waar de verwerking van microdata van het CBS plaatsvindt; - *Wet CBS:* [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926) Artikel 2 1. Op verzoek kan de directeur-generaal een instellingsmachtiging verstrekken aan een instelling voor toegang tot microdata van het CBS. 2. Per onderzoeksproject dient een instelling een separaat verzoek in tot het verkrijgen van projecttoestemming. Artikel 3 1. Een instellingsmachtiging voor een instelling waarop [artikel 41, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de Wet CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41) van toepassing is, heeft een duur van maximaal drie jaar. 2. Een instellingsmachtiging voor een instelling waarop [artikel 41, tweede lid, onderdeel e, van de Wet CBS](https:"},{"b":"Beleidsregel van de directeur-generaal van de statistiek van 17 april 2023, nr. CSB-2023-056, met betrekking tot het publiceren op instellingsniveau van statistisch onderzoek op gegevens van het CBS op grond van artikel 41 Wet CBS (Beleidsregel publiceren op instellingsniveau art 41 Wet CBS) Artikel 1 1. Een onderzoeksinstelling, die onderzoek doet op de gegevens van het CBS op basis van [artikel 41 van de Wet CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41), mag slechts op niveau van een afzonderlijke onderneming of instelling publiceren indien één van de volgende gronden van toepassing is: - a. In een wet in formele zin is expliciet opgenomen dat de onderzoeksinstelling mag publiceren over de betreffende onderneming of instelling; of - b. De instelling waarover wordt gepubliceerd is een openbaar lichaam en: - i. het te beschrijven verschijnsel wordt regionaal ingedeeld naar de grenzen van het betreffende lichaam, bijvoorbeeld in het geval van een gemeente of veiligheidsregio; of - ii. uit de publieke taak van dit openbare lichaam op basis van een wet in formele zin vloeit voort dat geen bezwaar kan bestaan tegen openbaarmaking van herkenbare gegevens, bijvoorbeeld in het geval van provincies en gemeenten; of - c. De onderneming of instelling heeft toestemming gegeven voor deze publicatie; dit is de zogenoemde machtiging. 2. De onderzoeksinstelling motiveert schriftelijk de redenen voor publiceren op instellingsniveau en legt deze ter beoordeling voor aan het CBS. 3. Indien er twijfel of bezwaar bestaat tegen de uitvoering van het onderzoek kan de directeur-generaal van de statistiek afwijken van het eerste lid, nadat de ethische commissie van het CBS hierover is gehoord. Artikel 2 Een publicatie als bedoeld onder [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048101&artikel=1&z=2023-04-26&g=2023-04-26), is in ieder geval niet toegestaan indien: - 1. de publicatie leidt tot onthulling op persoons- of huishoudensniveau; - 2. de publ"},{"b":"Beleidsregel van de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, houdende de vaststelling van aandoeningen die onderdeel zijn van de neonatale hielprikscreening en de prenatale screening op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie Artikel 1 De aandoeningen waarnaar in de neonatale hielprikscreening onderzoek wordt gedaan zijn: Congenitale adrenale hyperplasie (CAH), Biotinidase deficiëntie (BIO), Carnitine palmitoyltransferase deficiëntie (CPT1), Congenitale hypothyreoidie (CH), Cystic fibrosis (CF), Galactokinase deficiëntie (GALK), Klassieke galactosemie (GALT), Glutaaracidurie type 1 (GA-1), HMG-CoA-lyase deficiëntie (HMG), Isovaleriaan-acidurie (IVA), Long-chain hydroxyacyl-CoA dehydrogenase deficiëntie (LCHADD), Maple syrup urine disease (MSUD), Medium-chain acyl CoA dehydrogenase deficiëntie (MCADD), 3 Methylcrotonyl-CoA carboxylase deficiëntie (3-MCC), Methylmalon acidemie (MMA), Multiple CoA carboxylase deficiëntie (MCD), Phenylketonurie (PKU), Propion acidemie (PA), Severe combined immune deficiency (SCID), Sikkelcelziekte (SZ), Alfa-thalassemie (HbH), Bèta-thalassemie (TM), Tyrosinemie type 1 (TYR-1), Very long-chain acylCoA dehydrogenase deficiëntie (VLCADD), Mucopolysaccharidose type 1 (MPS I), Spinale musculaire atrofie (SMA), Adrenoleukodystrofie (ALD) en Carnitine transporter deficiëntie (OCTN2). Artikel 2 De aandoeningen waarnaar in de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie bloedonderzoek wordt gedaan zijn: Hepatitis B (hepB), Syfilis (lues), HIV, Rhesus (D)-antigeen, Rhesus (c)-antigeen en irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026. De [Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048263) komt met ingang van 1 oktober 2026 te vervallen. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Belei"},{"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 1 januari 2025 betreffende de verlening van nationale typegoedkeuring en individuele goedkeuring van mobiele machines (Beleidsregel nationale goedkeuring mobiele machines) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen in besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie In deze beleidsregel zijn de begripsbepalingen van Verordening (EU) nr. 167/2013 van overeenkomstige toepassing. Dit geldt ook voor daarop gebaseerde gedelegeerde verordeningen en van de VN/ECE Reglementen zoals vermeld in de [artikelen 3.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.0), [3.6.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.1) en [3.6.3 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.3), en de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622). Artikel 2. Definities In aanvulling op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050646&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - *alternatief voorschrift:* het voorschrift waaraan het voertuig minimaal moet voldoen. Indien is vermeld dat er geen alternatief voorschrift is vastgesteld, moet het voertuig volledig voldoen aan het gestelde onder ‘Basis’ van het betreffende onderwerp. - *audit:* systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces, dat ter plaatse van de bedrijfsruimte van de Technische dienst plaatsvindt, om de integrale bedrijfsvoering of de resultaten van een organisatie, of van een deel ervan, te toetsen aan vooraf bepaalde criteria. - *datum einde geldigheid voorschrift:* datum per wanneer een voorschrift niet meer van toepassing is. In het geval van een individuele goedkeuring moet deze aanduiding ingevolge [artikel 2.2, eerste lid van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=2.2) gelezen worden als *Datum"},{"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 1 juli 2026 betreffende de verlening van nationale typegoedkeuring en individuele goedkeuring van mobiele machines (Beleidsregel nationale goedkeuring mobiele machines 2026) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen in besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie In deze beleidsregel zijn de begripsbepalingen van Verordening (EU) nr. 167/2013 van overeenkomstige toepassing. Dit geldt ook voor daarop gebaseerde gedelegeerde verordeningen en van de VN/ECE Reglementen zoals vermeld in de [artikelen 3.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.0), [3.6.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.1) en [3.6.3 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.3), en de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622). Artikel 2. Definities In aanvulling op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052758&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-07-01&g=2026-07-01) gelden tevens de begripsbepalingen uit de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622) en de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) en wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - *alternatief voorschrift:* het voorschrift waaraan het voertuig minimaal moet voldoen. Indien is vermeld dat er geen alternatief voorschrift is vastgesteld, moet het voertuig volledig voldoen aan het gestelde onder ‘Basis’ van het betreffende onderwerp. - *audit:* systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces, dat ter plaatse van de bedrijfsruimte van de Technische dienst plaatsvindt, om de integrale bedrijfsvoering of de resultaten van een organisatie, of van een deel ervan, te toetsen aan vooraf bepaalde criteria. - *datum einde geldigheid voorschrift:* datum per wanneer een voorschrift niet meer van toepassing is. In het geval van een indivi"},{"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 15 juli 2026, met kenmerk JBZ.26.0064112, betreffende de gegevensverstrekking uit het kentekenregister Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Aangewezen overheidsorgaan:* een op basis van [artikel 41a tweede lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41a) aangewezen orgaan of persoon. - *Aansluiting:* de technische koppeling van een organisatie op een voorziening voor digitale gegevensuitwisseling; - *Aansluitverzoek:* een verzoek van een aanvrager om een aansluiting tot stand te brengen; - *Aanvraag:* ieder verzoek tot verstrekking van gevoelige gegevens uit het kentekenregister; - *Aanvrager:* een natuurlijke- of rechtspersoon die de RDW verzoekt om gegevens uit het kentekenregister te verstrekken; - *Administratief beslag:* het beslag zoals bedoeld in [artikel 440, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=440) en [442 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=442); - *Belanghebbenden:* alle andere aanvragers dan de aanvragers die specifiek in deze beleidsregel zijn benoemd; - *Beroepsbeoefenaren:* de door de minister(s) als zodanig aangewezen (groepen van) personen of instanties als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, sub a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); - *Betrokkene:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens naam het kentekenbewijs is geregistreerd; - *BSN:* het nummer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - *Concurrentiegevoelig gegeven:* gevoelige gegeven zoals bedoeld in [artikel 7, tweede lid sub b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7). - *Derden:* natuurlijke- of rechtspersonen die in opdracht van één of mee"},{"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 19 december 2025, kenmerk JBZ.25.0108073, betreffende de aanwijzing van elektronische kanalen voor de publieke dienstverlening van de RDW (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening RDW) Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - *bericht:* een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - *kanaal:* een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - *RDW:* de Dienst Wegverkeer zoals bedoeld in [artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - *verzender:* eenieder die een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch aan de RDW zendt; - *webpagina:* [www.rdw.nl/wmebv](http://www.rdw.nl/wmebv). Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze de verzender de RDW digitaal kan benaderen. 2. Voor de berichten die de verzender uit eigen beweging indient, wordt in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052035&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) een elektronische wijze van verzenden als kanaal aangewezen. Elk toegewezen kanaal heeft alleen betrekking op het daarbij genoemde product of dienst. 3. Voor berichten die op verzoek van de RDW worden ingediend, wordt de in het verzoek aangewezen elektronische wijze van verzenden als kanaal gebruikt. Artikel 3. Aanwijzen kanalen Voor berichten die de verzender uit eigen beweging zendt aan de RDW, worden de volgende kanalen aangewezen: - 1. Voor specifieke producten en diensten van de RDW is een kanaal aangewezen. Alle kanalen zijn te bereiken via de webpagina. - 2. Voor het"},{"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport van 16 november 2023, nr. ILT-2023/56743, houdende vaststelling van beleid inzake de handhavingsstrategie Omgevingsrecht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Inspectie Leefomgeving en Transport) Artikel 1 1. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (versie 12 oktober 2022) wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049116) bij deze beleidsregel. 2. De Inspectie Leefomgeving en Transport past bij de handhaving van wet- en regelgeving op haar werkterrein de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht toe. Artikel 2 De [Beleidsregel Handhavingsstrategie Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045070) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt toegepast met betrekking tot overtredingen die op of na 1 januari 2024 zijn begaan. Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 5 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Inspectie Leefomgeving en Transport."},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, van 20 november 2014, nr. A-0-14-0072.001, over het volgen van vertrekprocedures bij de luchthaven Eelde, de luchthaven Maastricht en de luchthaven Rotterdam (Beleidsregel handhaving vertrekprocedures luchthavens Eelde, Maastricht en Rotterdam) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Inspectie:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - *Tolerantiegebied* :tweedimensionaal gebied gerelateerd aan de vertrekprocedures bij de luchthavens Eelde, Maastricht en Rotterdam, als weergegeven op de kaarten in de bijlagen bij deze beleidsregel; - *Vertrekprocedure:* door LVNL opgedragen luchtverkeersprocedure voor vertrekkende vliegtuigen. Artikel 2 De Inspectie houdt toezicht op het door gezagvoerders van vliegtuigen volgen van de aan hen opgedragen vertrekprocedures bij de luchthavens Eelde, Maastricht of Rotterdam en treedt handhavend op indien de gezagvoerder van een vliegtuig de buitengrens van het bij de betreffende vertrekprocedure behorende tolerantiegebied overschreden heeft. De inspectie treedt niet handhavend op als een overschrijding het gevolg is van een instructie van de LVNL of als de afwijking noodzakelijk was in verband met de vliegveiligheid. Artikel 3 De vlieghoogtes tot waarop de vertrekprocedures door de Inspectie worden gehandhaafd zijn: - a. Flight Level 60 bij luchthaven Eelde; - b. Flight Level 60 voor straalverkeer en 3500 voet voor propellerverkeer bij luchthaven Maastricht; - c. 3000 voet bij luchthaven Rotterdam. Artikel 4 Als de Inspectie vaststelt dat sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035910&artikel=2&z=2014-12-16&g=2014-12-16), zal de ILT met toepassing van de haar opgedragen bevoegdheden optreden. Artikel 5 Deze beleidregel wordt aangehaald als Beleidsregel handhaving vertrekprocedures luchthavens Eelde, Maastricht en Rotterdam. Artikel 6 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de da"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 16 juli 2026, NVWA/2026/010054479 over het prioriteringsbeleid bij de behandeling van handhavingsverzoeken (Beleidsregel prioriteringsbeleid handhavingsverzoeken NVWA 2026) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Handhavingsverzoek:* aanvraag bij de NVWA met het verzoek om handhavend op te treden tegen een overtreding van een wettelijke norm en daartoe een besluit te nemen in de zin van [artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3); - – *Inventariserend initieel onderzoek:* globaal onderzoek met als doel om te bepalen of de verschillende onderwerpen van het handhavingsverzoek voldoen aan de criteria voor het verrichten van een volledig handhavingsonderzoek; - – *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - – *Volledig handhavingsonderzoek:* onderzoek met als doel om te bepalen of sprake is van een overtreding waarop gehandhaafd dient te worden. Artikel 2. Toetsingscriteria voor het verrichten van een volledig handhavingsonderzoek 1. Voordat een volledig handhavingsonderzoek wordt verricht door de NVWA, wordt door het uitvoeren van een inventariserend initieel onderzoek getoetst of het onderwerp van het verzoek voldoet aan de volgende criteria: - a. Er is sprake van grote maatschappelijke effecten en/of risico’s voor de publieke belangen waarop de NVWA toeziet; - b. Het doen van een volledig handhavingsonderzoek en eventuele handhaving is doeltreffend en doelmatig; - c. Er is sprake van een prioritair onderwerp zoals vastgelegd in openbare stukken, waaronder de meerjarenagenda, het jaarplan en de NVWA-visie op toezicht. 2. Indien het verzoek niet of beperkt voldoet aan één of meer van genoemde criteria in het eerste lid, k"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 juli 2022, NVWA/2022/5640, over het prioriteringsbeleid bij de behandeling van handhavingsverzoeken Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Handhavingsverzoek:* aanvraag aan de NVWA met het verzoek om handhavend op te treden tegen een overtreding van een wettelijke norm en daartoe een besluit te nemen in de zin van [artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3); - – *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2. Toetsingscriteria voor het in behandeling nemen van handhavingsverzoeken 1. Voordat een handhavingsverzoek inhoudelijk in behandeling wordt genomen door de NVWA, wordt getoetst of het onderwerp van het verzoek voldoet aan de volgende criteria: - a. Er is sprake van een prioritaire onderwerp zoals deze door de NVWA zijn vastgelegd in openbare stukken zoals de meerjarenagenda en het jaarplan; - b. Er is sprake van risicogericht toezicht, zoals voorgeschreven in het interventiebeleid; - c. Handhaving is doeltreffend. 2. De criteria hebben een gelijke waarde. Bij de beoordeling van de criteria wordt de onderlinge samenhang gewogen. 3. De toepassing van een of meerdere criteria kan er toe leiden dat het verzoek wordt afgewezen. Artikel 3 Deze beleidsregel ziet enkel op de afwegingen die door de NVWA worden gemaakt of een handhavingsverzoek leidt tot een volledig handhavingsonderzoek of dat het verzoek wordt afgewezen. Het beleid dat de NVWA hanteert bij de keuze van de instrumenten die gebruikt worden bij eventuele handhaving, zoals bestuurlijke boetes of herstelmaatregelen, is beschreven in het algemeen en specifiek interventiebeleid Artikel 4 Deze beleidsreg"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 april 2024, over de verzoekcertificering van herkauwers en varkens in het kader van export naar derde landen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *E-certNL:* systeem voor elektronische uitwisseling van im- en exportgegevens waarin door de NVWA goedgekeurde modelverzoekcertificaten worden beschikbaar gesteld; - – *Exclusieve verzoekcertificaat:* verzoekcertificaat opgesteld met gebruikmaking van een door een aanvrager opgesteld model ten behoeve van de export van een specifieke zending van een of meer herkauwers of varkens en alleen geschikt om voor die betreffende zending te worden gebruikt; - – *Herkauwers:* dieren van de onderorde Ruminantia; - – *NAW-gegevens:* naam, adres en woonplaats; - – *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - – *Modelcertificaat:* een exclusief of publiek verzoekcertificaat vastgesteld volgens een door de NVWA vastgestelde lay-out en met daarop door de NVWA beoordeelde verklaringen, welk model bij een exportaanvraag niet kan worden gewijzigd, en welk model wordt gebruikt bij de aanvraag van een publiek of exclusief verzoekcertificaat voor de export van specifieke zending herkauwers of varkens; - – *Publiek verzoekcertificaat:* verzoekcertificaat opgesteld met gebruikmaking van een door een sectorvertegenwoordiger opgesteld model ten behoeve van de export van zendingen van een of meer herkauwers of varkens, welk model geschikt is om herhaaldelijk te worden gebruikt; - – *Schriftelijk:* op schrift gesteld of langs elektronische weg toegezonden; - – *Verordening 2016/429:* verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidsverordening) (PbEU 2016, L 84); - – *Verordening 2017/6"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 augustus 2025, NVWA/2025-010054266, houdende vaststelling van de bemonsteringsplannen voor de productiegebieden en verwatergebieden van levende tweekleppige weekdieren (Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2025) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *NVWA:* de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - – *productiegebied:* productiegebied als bedoeld in bijlage I, punt 2.5, van verordening (EG) 853/2004 en aangewezen in [artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034872&artikel=2); - – *tweekleppige weekdieren:* tweekleppige weekdieren als bedoeld in bijlage I, punt 2.1, van verordening (EG) 853/2004, met uitzondering van pecten; - – *uitvoeringsverordening (EU) 2019/627:* Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie wat officiële controles betreft (PbEU 2019, L 131); - – *verordening (EG) 853/2004:* Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); - – *verordening (EU) 2023/915:* Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1881/2006 (PbEU 2023, L 119); - – *verordening (EU) 2017/625:* Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende off"},{"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 21 oktober 2024, NVWA/2024/010073916, over het actief openbaar maken van inspectiegegevens van bedrijven en producten (Beleidsregel omtrent actieve openbaarmaking van inspectiegegevens door de NVWA 2024) Artikel 1. definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - – *besluit:* Besluit van 15 januari 2019, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Gezondheidswet en de Jeugdwet over de openbaarmaking van informatie over naleving en uitvoering van regelgeving ([Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861)); - – *informatie:* Informatie over toezicht met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving door bedrijven of instellingen. Deze informatie kan van verschillende bronnen afkomstig zijn. Bij de publicatie van inspectiegegevens wordt de bron vermeld; - – *inspectiegegevens:* Alle bij de NVWA aanwezige informatie over toezicht en uitvoering met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving door bedrijven of instellingen; - – *inspectieonderwerp:* Eén of meer inspectie-items of inspectiepunten, die samen één logische eenheid vormen; - – *inspectie-item:* Een specifiek aandachtspunt tijdens een inspectie; - – *interventiebeleid:* het Algemeen en Specifiek interventiebeleid van de NVWA; - – *kennisgeving:* Melding aan bedrijf of instelling of vertegenwoordiger hiervan over de voorgenomen openbaarmaking van individuele inspectieresultaten over zijn toezichtobject of product; - – *merk:* Specifieke op of bij een product gebezigde merknaam; - – *NVWA:* de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - – *onder toezicht gestelde:* Bedrijf, instelling of particulier waarop de naleving van de regelgeving zich richt; - – *openbaarmaking:* Het voor een ieder openbaar maken van de resultaten"},{"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister voor Natuur en Stikstof, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 december 2023, nr. NVWA/2023/5424, tot vaststelling van het algemene toezichts- en interventiekader voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Algemeen interventiebeleid NVWA 2024) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. *bestraffende sanctie:* interventie met als doel de overtreder leed toe te voegen; - c. *corrigerende interventie:* interventie met als doel de gevolgen van een overtreding te doen opheffen of een nieuwe overtreding te voorkomen en het daadwerkelijke risico voor de publieke belangen voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn, natuur en milieu, plantgezondheid, productveiligheid, en tabaks- en alcoholontmoediging weg te nemen; - d. *interventie:* instrument dat de NVWA naar aanleiding van een geconstateerde overtreding gebruikt om naleving van wet- en regelgeving te bevorderen; - e. *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - f. *OM:* Openbaar Ministerie; - g. *specifiek interventiebeleid:* beleidsregel met nadere invulling en uitwerking van deze beleidsregel op een specifiek toezichtsdomein van de NVWA; - h. *toezicht:* de werkzaamheden die een toezichthouder verricht om na te gaan of wet- en regelgeving wordt nageleefd; - i. *toezichthouders:* de daartoe aangewezen ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de daartoe aangewezen andere personen die voor de NVWA werkzaam zijn; - j. *verscherpt toezicht:* intensiever toezicht op de naleving van wet- en regelgeving"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-Generaal van het onderwijs van 15 oktober 2025, nr. 51880053, houdende regels over het instemmen met afwijking van het verplichte minimum aantal uren onderwijstijd in de WPO, WEC en WVO 2020 alsmede het verlenen van ontheffing voor de toelatingsleeftijd en het uitschrijven van een 20+ leerling als bedoeld in de WEC en ontheffing voor de duur van de stage als bedoeld in het Onderwijskundig besluit WEC (Beleidsregel afwijken onderwijstijd funderend onderwijs en verlenen ontheffingen WEC 2025) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvraag afwijken onderwijstijd:* verzoek als bedoeld in [artikel 8, tiende lid, WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), [artikel 2.38, elfde lid, WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.38) en de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=12), [14a, tweede lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14a), en [25, vijfde lid, WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=25); - *aanvraag afwijken toelatingsleeftijd:* verzoek toe te staan dat een kind eerder dan de vastgestelde toelatingsleeftijd wordt toegelaten tot de school als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=39); - *aanvraag maximale duur stage:* verzoek als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, Onderwijskundig besluit WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003848&artikel=8); - *aanvraag ontheffing 20+ leerling:* verzoek tot ontheffing als bedoeld in [artikel 39, vijfde lid, WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=39); - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 21 september 2023, nr. 41801739, houdende regels met betrekking tot het niet op regelmatige wijze afnemen van het centraal examen in het voortgezet onderwijs en van het staatsexamen (Beleidsregel onregelmatigheden centraal examen in voortgezet onderwijs en van staatsexamen 2023) Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *College:* het College voor toetsen en examens, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); - *centraal examen:* het centraal examen, bedoeld in [artikel 2.56 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.56); - *centraal examen van het staatsexamen:* het centraal examen van het staatsexamen of deelstaatsexamen, bedoeld in [artikel 2.72 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.72); - *examenreglement:* het examenreglement, bedoeld in [artikel 2.60 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.60) of [artikel 2.81 eerste lid van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81); - *inspectie:* de inspectie, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - *onregelmatigheid:* het niet op regelmatige wijze plaatsvinden van het centraal examen, in de gevallen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048744&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-10-18&g=2023-10-18) of [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048744&paragraaf=3&artikel=7&z=2023-10-18&g=2023-10-18). Paragraaf 2. Centraal examen in het voortgezet onderwijs Artikel 2. Onregelmatigheid centraal examen 1. Onder het niet op regelmatige wijze plaatsvinden van het centraal examen, bedoeld in [artikel 2.61 tweede lid van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artike"},{"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 4 september 2014, nr. 4389783, betreffende de uitleg van de zinsnede ‘niet volgens de geldende regels is afgenomen’, bedoeld in artikel 11 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB, en betreffende de uitoefening van de bevoegdheid om te besluiten dat het centraal examen geheel of gedeeltelijk voor een of meer deelnemers opnieuw wordt afgenomen, bedoeld in artikel 11 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB (Beleidsregel niet op regelmatige wijze afnemen van het centraal examen in beroepsopleidingen) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *besluit:* [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963); - *centraal examen:* het centraal examen, bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=1); - *college:* het College voor examens, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); - *examencommissie:* de examencommissie, bedoeld in [artikel 7.4.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.5); - *examenprotocol:* het door het college vastgestelde examenprotocol, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel j, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); - *inspectie:* de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - *onregelmatigheid:* het niet volgens de geldende regels afnemen van het centraal examen, bedoeld in [artikel 11 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=11); - *proces-verbaal:* het proces-verbaal, bedoeld in het examenprotocol. Artikel 2. Onregelmatigheid 1. Onder het niet volgens de geldende regels afnemen van het centraal examen"},{"b":"Beleidsregel van de Kiesraad van 10 maart 2008 inzake de schrijfwijze van aanduidingen die op grond van artikel G 1 van de Kieswet bij de Kiesraad in de hoedanigheid als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, Eerste Kamer en Europees Parlement worden geregistreerd Ten aanzien van de schrijfwijze van aanduidingen die in het register van aanduidingen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, Eerste Kamer en Europees Parlement worden geregistreerd, het volgende beleid te hanteren en [artikel G 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1) jo. [artikel Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_2) en [artikel Q 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Q_6) als volgt te interpreteren: - a. een aanduiding bestaat uit letters, eventueel aangevuld met cijfers of andere tekens; - b. aanduidingen worden op een gelijke wijze en met hetzelfde lettertype weergegeven; - c. een aanduiding bestaat uit hoofd- of kleine letters of een combinatie van beide; - d. een aanduiding wordt in steilschrift geregistreerd; - e. tekens in combinatie met letter(s) en/of cijfers worden geregistreerd, mits de tekens functioneel zijn in relatie tot de rest van de aanduiding; - f. logo’s, beeldmerken, plaatjes of emoticons in een aanduiding worden niet geregistreerd. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel van de Kiesraad omtrent de schrijfwijze van een aanduiding."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 01-05-2024, nr. ILT-2024/17398 houdende regels tot vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van artikel 120 van de Woningwet en artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Beleidsregel boeteoplegging verkoop en oplevering utiliteitsgebouwen zonder geldig energielabel 2024) Artikel 1. Berekening van de bestuurlijke boete 1. Deze beleidsregel is van toepassing op overtredingen als bedoeld in [artikel 120, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120), voor zover de overtreding betrekking heeft op het verkopen en opleveren van een utiliteitsgebouw zonder geldig energielabel als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27) juncto [artikel 6.29, vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.29). 2. Bij de berekening van de bestuurlijke boete worden voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen uit de Tarieflijst boeteoplegging verkoop en oplevering utiliteitsgebouwen zonder geldig energielabel, die als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049685&bijlage=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze beleidsregel is gevoegd. 3. Voor een overtreding als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27) begaan door een rechtspersoon, zijn de boetebedragen onderverdeeld in klassen die afhankelijk zijn van de gebruiksoppervlakte (m2 GO) van het utiliteitsgebouw of van het deel van een gebouw met een utiliteitsfunctie. Klasse A: kleiner dan 1.000 m2 Klasse B: van 1000 tot en met 2.500 m2 Klasse C: van 2.500 m2 tot en met 5.000 m2 Klasse D: groter dan 5.000 m2 4. De gebruiksoppervlakte (m2 GO) als"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juli 2019, houdende beleidsregels voor de beoordeling van aanmeldingen in het kader van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (Beleidsregel aanmeldingen Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *regeling:* Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet; - b. *wet:* [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431). Artikel 2 Projecten en gebieden als bedoeld in de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.2), [2.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.4), en [2.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.18) worden alleen bij regeling aangewezen als uit de aanmelding blijkt dat: - a. de betrokkenheid van de gemeenteraad of provinciale staten is geborgd; en - b. kennisgeving aan of betrokkenheid van belanghebbenden is geborgd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanmeldingen Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 september 2025, nr. 2025-0000539215, omtrent de goedkeuringsprocedure die de Kieswet voorschrijft (Beleidsregel goedkeuringsprocedure regelingen Kiesraad) § 1. Bestuursreglement Artikel 1 De Kiesraad verzoekt voor het vastgestelde bestuursreglement, als bedoeld in [artikel 11 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel A 7 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_7), om de goedkeuring van de minister. Artikel 2 De Kiesraad voegt bij het verzoek om goedkeuring als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051624&paragraaf=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) toe: - a. het bestuursreglement; en - b. een toelichting op het bestuursreglement. Artikel 3 De minister kan de goedkeuring onthouden wanneer: - a. niet is voldaan aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051624&paragraaf=1&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde; - b. het bestuursreglement in strijd is met het recht; of - c. het bestuursreglement naar het oordeel van de minister een goede taakuitoefening door de Kiesraad kan belemmeren. Hiervan is in ieder geval sprake als de functiescheiding zoals neergelegd in [artikel A 3, tweede en derde lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_3) niet is geborgd. § 2. Regels bij onvoorziene omstandigheden Artikel 4 De Kiesraad verzoekt voor de vastgestelde regels, als bedoeld in [artikel A 11, vierde lid van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_11), om de goedkeuring van de minister. Artikel 5 De Kiesraad voegt bij het verzoek om goedkeuring als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051624&paragraaf=2&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) toe: - a. de regels; en - b. een toelichting op de regels. Artikel 6 De minister kan de goedkeuring onthoude"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 november 2021, nr. ILT-2021/66240, houdende vaststelling van de beleidsregel Autoriteit woningcorporaties ter invulling van haar bevoegdheden in de (gewijzigde) Woningwet en aanverwante regelgeving naar aanleiding van de evaluatie (Beleidsregel Autoriteit woningcorporaties naar aanleiding van de wijziging van de Woningwet) Artikel 1 1. De beleidsregel wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045981&bijlage=1&z=2024-08-07&g=2024-08-07) bij deze beleidsregel. 2. De Autoriteit woningcorporaties, Inspectie Leefomgeving en Transport past op haar werkterrein de beleidsregel toe. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Autoriteit woningcorporaties naar aanleiding van de wijziging van de Woningwet."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 september 2023, kenmerk 2023-0000037360, over het voeren van verweer in procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Artikel 1 1. Indien gedurende het beroep of het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties af van de mogelijkheid om een reactie te geven of het voeren van schriftelijk of mondeling verweer. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: - a. gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, of gelet op het aantal partijen, met een forfaitaire toekenning naar verwachting in totaal een immateriële schadevergoeding van meer dan € 2.000,– in geval van één partij, of € 5.000,– in geval van meerdere partijen die afzonderlijk in aanmerking komen voor een immateriële schadevergoeding, zal worden toegekend; of - b. belangrijke nieuwe rechtsvragen ten aanzien van de toekenning van immateriële schadevergoeding aan de orde zijn. 3. Deze beleidsregel ziet niet op zaken waarin door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoger beroep is ingesteld tegen een in eerste aanleg gegeven beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de publicatie daarvan."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, houdende vaststelling van een benoemingsprocedure voor de voorzitter en leden van het Huis voor klokkenluiders (Beleidsregel benoemingsprocedure Huis voor klokkenluiders) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Huis:* het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in [artikel 3 van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3); - b. *minister:* de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. *ministerie:* het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. *bureau:* het werving- en selectiebureau; - e. *commissie incompatibiliteiten:* de commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders; - f. *Instellingsbesluit:* [Instellingsbesluit commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038301); - g. *vertrouwensfunctie:* een functie die krachtens [artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3) als zodanig is aangewezen; - h. *veiligheidsonderzoek:* een onderzoek als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7) en [9 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - i. *Verklaring van Geen Bezwaar:* een verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1). Artikel 2. Vacature 1. De minister draagt zorg voor tijdige openbaarmaking van een vacature voor een lid of de voorzitter van het Huis. 2. De vacaturetekst bevat het functieprofiel met functie-eisen en het competentieprofiel alsmede de wijze waarop belangstellenden kunnen reageren. Daarnaast staat in de vacaturetekst dat de functie van voorzitter en lid van het Huis aangewezen is als een vertrouwensfunctie en om die reden een veilig"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister voor Klimaat en Energie van 21 juni 2022 nr. WJZ/22228374 tot vaststelling van het beleid tot afwikkeling van aanvragen tot ontheffing van het verbod van artikel 5 duodecies Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (Beleidsregel ontheffingen Minister van EZK en Minister voor KE verbod artikel 5 duodecies Verordening (EU) nr. 833/2014) Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *De minister:* de Minister van Economische Zaken onderscheidenlijk de Minister voor Klimaat en Energie; - *Gesanctioneerde opdracht:* opdrachten als bedoeld in artikel 5 duodecies, eerste lid, aanhef van Verordening (EU) nr. 833/2014; - *Russische entiteit:* een Russisch onderdaan of in Rusland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of lichaam als bedoeld in artikel 5 duodecies, eerste lid, onderdeel a, b of c, van Verordening (EU) nr. 833/2014; - *Verordening (EU) nr. 833/2014:* Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PbEU 2014, L 229); - *Verordening (EU) nr. 269/2014:* Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PbEU 2014, L 78). Artikel 2. (toepassingsbereik) Deze beleidsregel is van toepassing op de afwikkeling door de minister van aanvragen om ontheffing van het verbod neergelegd in artikel 5 duodecies, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014 binnen de grenzen en overeenkomstig de gronden van artikel 5 duodecies, tweede lid, onderdelen a, b, c, e en f, van deze Verordening, zover het betreft een beleidsterrein waarvoor"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 april 2020, nr. WJZ/20007206, houdende beleidsregel inzake de wijziging van de vergunning windenergie op zee voor de kavel V Hollandse Kust (noord) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvraag:* aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *minister:* minister van Economische Zaken en Klimaat; - *regeling:* [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavel V Hollandse Kust (noord)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043064); - *wet:* [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel V, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043064&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; - g. de economische haalbaarheid van het plan; of - h. de data van ingebruikname van 95% van het windpark en van het gehele windpark. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van een windenergie-opbrengstberekening op basis van de beoogde wijziging van de vergunning voor zover deze wijziging betrekking heeft of mede betrekking heeft op: - a. het aantal turbines dat deel uitmaakt v"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 december 2017, nr. WJZ/17177946, houdende beleidsregels inzake de wijziging van vergunningen windenergie op zee voor de kavels I en II Hollandse Kust (zuid) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvraag:* aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *minister:* Minister van Economische Zaken en Klimaat; - *regeling:* [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040074); - *wet:* [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel I of kavel II, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040074&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan, of - g. de economische haalbaarheid van het plan. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van een windenergie-opbrengstberekening op basis van de beoogde wijziging van de vergunning voor zover deze wijziging betrekking heeft of mede betrekking heeft op: - a. het aantal turbines dat deel uitmaakt van de productie-installatie; - b. de positionering van d"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 februari 2021, nr. WJZ/ 20298861, tot vergoeding van kosten van maatregelen voor aardbevingsbestendige infrastructuur in Groningen (Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *infrastructuur:* infrastructuur als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.1) van en onderdeel A van de [bijlage bij de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885), en waterkeringen, waaronder begrepen ondersteunende kunstwerken; - *minister:* Minister van Economische Zaken en Klimaat; - *piekgrondversnelling:* hoogste waarde op maaiveldniveau van de grondversnelling tijdens een aardbeving; - *veiligheidsnorm:* veiligheidsnorm als bedoeld in [artikel 1.3a.3, eerste lid, van de Mijnbouwregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=1.3a.3). Artikel 2. Toepassingsbereik 1. Deze beleidsregel is van toepassing op infrastructuur die is gelegen op een locatie waar de piekgrondversnelling ten minste 0,05 g is, berekend en vastgesteld bij een herhalingstijd van 475 jaar. 2. Indien de infrastructuur nog niet is gerealiseerd op het moment van indienen van een aanvraag voor een vergoeding als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044887&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-03-06&g=2021-03-06), wordt in afwijking van het eerste lid bij het berekenen en vaststellen van de piekgrondversnelling uitgegaan van het moment van verwachte oplevering van de nieuw te bouwen infrastructuur. 3. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de Zuidelijke Ringweg Groningen, bedoeld in het Tracébesluit A7/N7 Zuidelijke Ringweg Groningen, fase 2 zoals vastgesteld op 29 september 2014 door de Minister van Infrastructuur en Milieu. Hoofdstuk 2. Vergoeding Artikel 3. Vergoeding voor onderzoek en maatregelen 1. Ind"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 december 2020, nr. WJZ/ 20293295, tot intrekking van de Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016 Artikel I De [Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038504) worden ingetrokken. Artikel II De [Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038504) blijven van toepassing op de handhaving door de Nederlandse emissieautoriteit van overtredingen aangevangen of gepleegd vóór 1 januari 2021, van de voorschriften, bedoeld in de [artikelen 18.2f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2f), [18.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.6a) en [18.16a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a). Artikel III Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2021."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 april 2020, nr. WJZ/19207028, met betrekking tot de taakuitoefening van het Centraal bureau voor de statistiek (Beleidsregel taakuitoefening CBS) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvullende statistische dienst:* een statistische dienst die niet bekostigd wordt uit de algemene bijdrage van de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - *directeur-generaal:* directeur-generaal van de statistiek; - *innovatief project:* project waarin wordt onderzocht of het gebruik van nieuwe technologieën of processen leidt tot betere statistieken of een efficiënter proces om tot deze statistieken te komen; - *CBS:* Centraal bureau voor de statistiek. § 2. Aanbieden van diensten Artikel 2 1. Het CBS onthoudt zich van het actief verwerven van verzoeken voor aanvullende statistische diensten. 2. Het CBS onthoudt zich in ieder geval van: - a. het meedingen naar een opdracht, waarvoor een aanbestedingsprocedure in gang is gezet op basis van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203); - b. het uit eigen beweging benaderen van partijen om statistische dienstverlening aan te bieden; - c. algemene wervingsactiviteiten voor dienstverlening op markten waar private aanbieders werkzaam zijn. 3. In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onderdeel b, mag het CBS een overheid actief benaderen indien situaties waarmee zwaarwegende publieke belangen gemoeid zijn dat vereisen. Artikel 3 Het CBS stelt het verlenen van een statistische dienst niet afhankelijk van de voorwaarde andere aanvullende statistische diensten bij het CBS af te nemen, tenzij deze onlosmakelijk met die dienst verbonden zijn en die verbondenheid nodig is om de kwaliteit en duidelijkheid van de resultaten te waarborgen dan wel de gegevens van personen en bedrijven te beschermen. § 3. Processtappen voor de aanvaarding van een verzoek Artikel 4 1. Voordat het CBS een v"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 maart 2019, nr. WJZ/19040222, houdende beleidsregel inzake de wijziging van vergunningen windenergie op zee voor de kavels III en IV Hollandse Kust (zuid) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvraag:* aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *minister:* minister van Economische Zaken en Klimaat; - *regeling:* [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels III en IV Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041607); - *wet:* Wet windenergie op zee. Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel III of kavel IV, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041607&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; of - g. de economische haalbaarheid van het plan. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van een windenergie-opbrengstberekening op basis van de beoogde wijziging van de vergunning voor zover deze wijziging betrekking heeft of mede betrekking heeft op: - a. het aantal turbines dat deel uitmaakt van de productie-installatie; - b. de positionering van de turbines; - c. de ashoogte van de turbines; of -"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 juni 2024, nr. WJZ/ 41089308, tot uitleg van de begripsomschrijving van beheerder van een bedrijfscampus als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Beleidsregel beheerder bedrijfscampus in de zin van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) Artikel 1 1. Bij de uitoefening van het toezicht op grond van de [Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747) wordt aangenomen dat een onderneming een ‘beheerder van een bedrijfscampus’ als bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=1) is, indien: - a. zij invloed heeft op de veiligheid van de bedrijfscampus gelet op haar verantwoordelijkheid voor het aansturen van een of meer activiteiten die potentieel gevoelig zijn voor die veiligheid; - b. op de bedrijfscampus waarvoor zij die verantwoordelijkheid draagt, ten minste één of meer ondernemingen actief zijn op het gebied van sensitieve technologie; en - c. het een bedrijfscampus is waar sprake is van publiek-private samenwerking. 2. Het begrip ‘veiligheid’ als bedoeld in het eerste lid wordt uitgelegd als de mate waarin de bedrijfscampus beschermd is tegen risico’s op ongeoorloofde toegang tot of verkrijging van aldaar aanwezige of toegankelijke technologie, gegevens, informatie of materialen, op ongeautoriseerd contact met personen die op de bedrijfscampus werkzaamheden verrichten of op het ongeautoriseerd invloed uitoefenen op die werkzaamheden. 3. Het begrip ‘bedrijfscampus’ als bedoeld in het eerste lid wordt bij de toepassing daarvan uitgelegd als een afgebakend geografisch grondgebied waarop één of meer gebouwen staan van waaruit twee of meer ondernemingen werkzaamheden verrichten. 4. Het begrip ‘publiek-private samenwerking’ als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt uitgelegd als enige vorm van samenwerking tussen of binnen éé"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 11 april 2025, nr. WJZ/ 97936920, tot nadere invulling van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Beleidsregel zorgvuldig opdrachtgeverschap) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *maatregelenplan:* maatregelenplan als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050961&artikel=5&z=2025-04-19&g=2025-04-19); - *risico-inventarisatie:* risico-inventarisatie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050961&artikel=3&z=2025-04-19&g=2025-04-19); - *wet:* [Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728). Artikel 2. Zorgvuldig opdrachtgeverschap Een opdrachtgever voldoet in ieder geval aan de verplichting, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=2), als hij: - a. met betrekking tot de voorgenomen graafwerkzaamheden op deugdelijke wijze een zorgvuldige risico-inventarisatie en een zorgvuldig maatregelenplan heeft opgesteld of onder zijn verantwoordelijkheid heeft laten opstellen; - b. de risico-inventarisatie en het maatregelenplan voor aanvang van de voorgenomen graafwerkzaamheden aan de grondroerder heeft verstrekt; - c. de grondroerder voldoende tijd en middelen ter beschikking stelt om op basis van de risico-inventarisatie en het maatregelenplan de voorgenomen graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten; - d. ervoor zorgdraagt dat zowel de afspraken met de grondroerder over de voorbereiding en uitvoering van de voorgenomen graafwerkzaamheden, als zijn gedragingen jegens de grondroerder in elke fase van het graafproces voldoende samenhangend, kenbaar en begrijpelijk zijn om de graafwerkzaamheden zorgvuldig uit te kunnen voeren. Artikel 3. Risico-inventarisatie Een risico-inventarisatie bevat d"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 18 december 2016, nr. WJZ / 16194652, inzake de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van de artikelen 13a tot en met 13k van de Postwet 2009 (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken over het ex ante toezicht op grond van de Postwet 2009) Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572); - b. *ACM:* Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=1); - c. *aanmerkelijke marktmacht:* aanmerkelijke marktmacht als bedoeld in [artikel 13a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=13a); - d. *postvervoer:* postvervoer als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2); - e. *postvervoerdienst:* een postvervoerdienst als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2); - f. *postvervoerbedrijf:* een postvervoerbedrijf als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2). § 1. Doelen ex ante toezicht Artikel 2 1. De ACM draagt er zorg voor dat haar besluiten op grond van de [artikelen 13a tot en met 13k van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=13a) niet verder strekken dan nodig is om potentiële mededingingsproblemen op een door de ACM afgebakende relevante markt voor postvervoerdiensten te adresseren en statische en dynamische efficiëntie op de markt voor postvervoerdiensten te borgen. 2. Ter verwezenlijking van de in het eerste lid genoemde doelen oefent de ACM de bevoegdheid om verplichtingen op te leggen zo uit dat besluiten er toe bijdragen dat op de afgebakende relevante markt ook op de lange termijn postvervoerbedrijven: - a. hun netwerk voor postvervoerdiensten of de"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 2 juli 2007, nr. WJZ 7079770, houdende vaststelling van de elektronische aanvraagprocedure voor subsidies via Senterloket § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. aanvraagapplicatie: toepassing van de website die de mogelijkheid biedt om elektronisch subsidieaanvragen in te dienen; - b. certificaat: elektronisch document dat waarborgen biedt omtrent de identiteit van de gebruiker met een geldigheid van twee jaar; - c. certificaathouder: degene aan wie het certificaat is afgegeven en de bezitter van de private sleutel; - d. DigiD-inlogcode: de combinatie van gebruikersnaam en bijbehorend wachtwoord, verkregen via www.digid.nl; - e. uitvoerder: SenterNovem of de EVD internationaal ondernemen en samenwerken; - f. website: website van SenterNovem voor het elektronisch indienen van subsidieaanvragen. § 2. De aanvraagprocedure met authenticatie door middel van een certificaat Artikel 2 1. De [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022183&paragraaf=2&artikel=4&z=2009-04-10&g=2009-04-10) van deze beleidsregel zijn van toepassing op het elektronisch indienen van een aanvraag met betrekking tot subsidieverstrekking met authenticatie door middel van een certificaat. 2. Het elektronisch indienen van een subsidieaanvraag overeenkomstig deze paragraaf is mogelijk indien de subsidieregeling daartoe is opengesteld via de website. Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 1. Om toegang te krijgen tot de aanvraagapplicatie is een certificaat en pincode vereist. 2. Op de website kan een certificaat worden opgevraagd en geïnstalleerd. 3. Bij het aanvragen van het certificaat geeft certificaathouder zijn pincode op aan de uitvoerder. 4. Door middel van het installeren van het certificaat ontvangt de certificaathouder het certificaat met daarin opgeslagen de private sleutel. Artikel 5 Het elektronisch indienen van subsidieaanvragen geschiedt op de volgende wijze: - a. de cer"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 23 februari 2005, nr. WJZ 5009409, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005 (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste twee, niet in een groep verbonden, ondernemers. Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan: - a. een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10) en die een kennisoverdrachtsproject wil laten uitvoeren; - b. ondernemers als bedoeld in onderdeel a die deelnemer zijn in een samenwerkingsverband, die gezamenlijk een kennisoverdrachtsproject willen laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Een aan een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, verstrekte innovatievoucher is uitsluitend geldig in combinatie met innovatievouchers van de overige deelnemers in dat samenwerkingsverband. Indien een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet meer deelneemt aan dat samenwerkingsverband vervalt de geldigheid van zijn innovatievoucher. 4. Geen innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: - a. die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10); - b. aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds € 92 500 of meer aan subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 27 september 2005, nr. WJZ 5061320, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005 tweede fase (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste drie, niet in een groep verbonden, ondernemers. Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan: - a. een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), die een kennisoverdrachtsproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht. - b. ondernemers als bedoeld in onderdeel a die deelnemer zijn in een samenwerkingsverband, die gezamenlijk een kennisoverdrachtsproject willen laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Een aan een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, verstrekte innovatievoucher is uitsluitend geldig in combinatie met ten minste twee innovatievouchers van de overige deelnemers in dat samenwerkingsverband. Indien een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet meer deelneemt aan dat samenwerkingsverband vervalt de geldigheid van zijn innovatievoucher. 4. Geen innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: - a. die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10); - b. aan wie door een of m"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 28 september 2017, nr. WJZ / 17055112, betreffende het sluiten en openen van gebieden voor de visserij op aal en wolhandkrab (Beleidsregel gesloten gebieden voor visserij op aal en wolhandkrab) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aal:* Anguilla anguilla; - *PCB:* polychloorbifenyl; - *wolhandkrab:* Eriocheir sinensis. Artikel 2 1. De gehalten aan dioxines en PCB’s in aal in een bepaald gebied worden in opdracht van de Minister van Economische zaken onderzocht door middel van een mengmonster bestaande uit minimaal 15 niet paairijpe alen met een lengte van 53 tot en met 75 centimeter, dat representatief is voor de vangst van de beroepsvisser. 2. Indien een lengte van 53 tot en met 75 centimeter niet representatief is voor de vangst van aal van de beroepsvisser in een bepaald gebied, kan van deze lengtes worden afgeweken. Artikel 3 1. Het vissen met de vistuigen aaldogger, aalfuik, aalhoekwant, aalkistje, aalzegen, ankerkuil, electrovisapparaat, peur, visfuik of de kreeftenkorf, dan wel met een ander vistuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt of is bestemd voor de vangst van aal of wolhandkrab, wordt in ieder geval verboden, indien in het desbetreffende gebied gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren: - a. de som van dioxines en dioxineachtige PCB’s (WHO-PCDD/F-PCBTEQ) in het mengmonster hoger is dan 8,8 picogram voor WHO-PCDD/F-PCBTEQ per gram versgewicht, of - b. de som van PCB 28, PCB52, PCB101, PCB138, PCB153 en PCB180 (ICES – 6) in het mengmonster hoger is dan 250 nanogram voor ICES – 6 per gram versgewicht. 2. Het vissen met de in het eerste lid bedoelde vistuigen kan worden verboden in een gebied dat in directe open verbinding staat met een gebied waar een verbod, bedoeld in het eerste lid, is ingesteld. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeheven, indien in het desbetreffende gebied gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren: - a. de som van dioxines en dioxineachtige PCB’s"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14104938, over de totstandkoming van overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade (Beleidsregel massaschade) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *onafhankelijke derde:* persoon die als onafhankelijk bemiddelaar optreedt bij de onderhandelingen tot het sluiten van een overeenkomst tot afwikkeling van massaschade; - c. *overeenkomst tot afwikkeling van massaschade:* een overeenkomst als bedoeld in [artikel 2.6, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=2.6). § 2. Overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade Artikel 2 1. Indien de ACM voornemens is een overeenkomst tot afwikkeling van massaschade te sluiten doet zij hiervan mededeling op haar website. 2. De ACM stelt consumentenorganisaties gedurende tien werkdagen na publicatie op de website in de gelegenheid om hun zienswijze naar voren te brengen over het voornemen. Artikel 3 De ACM draagt bij de wederpartij met wie zij voornemens is om een overeenkomst tot de afwikkeling van massaschade te sluiten een onafhankelijke derde voor. De wederpartij dient schriftelijk in te stemmen met de benoeming van de onafhankelijke derde. § 3. Slotbepalingen Artikel 4 De [Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 15 maart 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033096), nr. WJZ/12358033, over de totstandkoming van overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade en informatieverstrekking aan consumenten over schadeveroorzakende handelspraktijken (Stcrt. 2013, 8159) worden ingetrokken. Artikel 5 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2014. Artikel 6 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel massaschade."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14112617, met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boetes door de Autoriteit Consument en Markt (Boetebeleidsregel ACM 2014) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - *basisboete:* het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld op grond van: - a. een percentage van de betrokken omzet, of - b. een binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie vastgesteld bedrag; - *betrokken omzet:* in alle gevallen de omzet in het laatste volledige kalenderjaar waarin de desbetreffende overtreding is begaan, dan wel het kalenderjaar waarin het grootste deel van de overtreding heeft plaatsgevonden indien de overtreding in meerdere kalenderjaren heeft plaatsgevonden, vermenigvuldigd met een factor van 1/12 per maand dat de overtreding geduurd heeft, waarbij een periode korter dan een maand wordt afgerond op een hele maand naar boven; - *jaaromzet:* omzet van de overtreder als bedoeld in [artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12o); - *VWEU:* Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 2. Indien een overtreding korter dan een jaar heeft geduurd, wordt voor het bepalen van de betrokken omzet de totale periode dat de overtreding heeft geduurd in ogenschouw genomen. Artikel 1.2 1. De betrokken omzet wordt afgerond op een veelvoud van € 1.000. 2. De vastgestelde bestuurlijke boete wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 500. Hoofdstuk 2. Consumenten, energie, mededinging, post en telecommunicatie § 2.1. Algemeen Artikel 2.1 1. Indien de ACM constateert dat een overtreder meerdere overtredi"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 5 juli 2013, nr. WJZ/13118300, houdende bijzondere regels betreffende concentraties van zorgaanbieders en zorgverzekeraars Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *cliëntenraad:* cliëntenraad als bedoeld in [artikel 2 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007920&artikel=2); - b. *zorg:* zorg als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023022&artikel=1) (Stb. 2007, 518); - c. *zorgaanbieder:* onderneming die zorg verleent; - d. *zorgverzekeraar:* zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - e. *concentratie van zorgaanbieders:* concentratie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023022&artikel=1) (Stb. 2007, 518); - f. *concentratie van zorgverzekeraars:* concentratie als bedoeld in [artikel 27 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=27) van zorgverzekeraars; - g. *ACM:* Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - h. *mededeling:* mededeling van de ACM of voor een concentratie een vergunning is vereist als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37); - i. *zorginkoper:* ziektekostenverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 5 september 2004, nr. WJZ 4055851, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2004 (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004) Artikel 1 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10) en die een kennisoverdrachtsproject als bedoeld in de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2004 wil laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Geen innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: - a. die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betref-fende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10); - b. aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds € 92 500 of meer aan subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - c. die failliet is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Artikel 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze beleidsregel behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0017163) en gaat vergezeld van de bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld. Artikel 3 1. In 2004 zijn 100 innovatievouchers beschikbaar. 2. Aanvragen dienen uiterlijk 15 decem"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 7 juli 2008, nr. WJZ 8076154, met betrekking tot de uitoefening door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 82, tweede lid, van de Gaswet Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. hoge druk transportleidingennet: het deel van het landelijk gastransportnet dat wordt gebruikt onder een druk van 40 bar of meer; - b. lage druk transportleidingennet: het deel van het landelijk gastransport net dat wordt gebruikt onder een druk van minder dan 40 bar. Artikel 2 Bij het vaststellen van de methode van regulering voor de taken van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, bedoeld in [artikel 82, tweede lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=82) wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde activawaarde op 1 januari 2005 van € 6.376.000.000, vermeerderd met de waarde van de investeringen die in gebruik zijn genomen in de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel. Voor zowel het landelijk gastransportnet zoals dat op 1 januari 2005 bestond als voor de investeringen die in de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, wordt bij het vaststellen van de methode van regulering voor de taken van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet mede uitgegaan van: - a. een lineaire afschrijving over een termijn van 55 jaar voor leidingen, waarbij rekening wordt gehouden met reeds gedane afschrijvingen en jaarlijkse indexatie; - b. een reële kapitaalkostenvergoeding vóór belastingen van 5,5%. Artikel 3 1. Indien na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel een investering in gebruik wordt genomen ter vervanging of uitbreiding van een deel van het lage druk transportleidingennet of ter vervanging van een deel van het hoge druk transportleidingennet, dan wordt bij het vaststellen van de methode van regulerin"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 22 maart 2011, nr. WJZ/11022184, inzake het aanwijzen van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten ten behoeve van het verzorgen van elektronisch transport van gegevens in buitengewone omstandigheden (Beleidsregel aanwijzen aanbieders telecommunicatie in verband met buitengewone omstandigheden) Artikel 1 1. Op grond van [artikel 14.6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) worden aangewezen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten die de volgende diensten aanbieden: - a. openbare vaste spraaktelefonie, - b. openbare mobiele spraaktelefonie of - c. toegang tot breedbandinternet. 2. Ten aanzien van elke dienst, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, wordt een zodanig aantal aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten aangewezen dat ten minste 80% marktaandeel in de desbetreffende dienstverlening is vertegenwoordigd. 3. De aanwijzing geschiedt in volgorde van aflopende omvang van marktaandeel van de aanbieders in het aanbieden van een in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde dienst. Artikel 2 1. Bij de aanwijzing op grond van [artikel 14.6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) gelden ten aanzien van een aan te wijzen aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst de volgende criteria: - a. hij heeft een openbaar telecommunicatienetwerk in eigendom of in eigen beheer, en - b. hij heeft een marktaandeel van ten minste 5% op het terrein van een van de in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029783&artikel=1&z=2011-03-31&g=2011-03-31), bedoelde diensten. 2. De vaststelling van het marktaandeel in de desbetreffende dienstverlening vindt plaats op grond va"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Financiën van 15 mei 2026, 2026-0000130200, directie Financiële Markten, over de bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes bij overtreding van artikelen 11, eerste en tweede lid, en 12 van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies (Beleidsregel bestuurlijke boetes handhaving registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *bestuurlijke boete:* een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - b. *minister:* Minister van Financiën; - c. *overtreder:* degene die de overtreding pleegt of medepleegt; - d. *overtreding:* handelen in strijd met [artikel 11, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=11), of [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=12); - e. *recidive:* de omstandigheid dat een overtreder een overtreding begaat binnen vijf jaren nadat de oplegging van een bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie of het verval van het recht tot strafvervolging ingevolge [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) wegens overtreding van [artikel 11, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=11), of [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=12), onherroepelijk is geworden; - f. *wet:* [Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156); - g. *wettelijk maximumbedrag:* het bedrag bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=23). Artikel 2. Bepaling hoogte bestuurlijke boe"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Financiën van 24 mei 2023, kenmerk DJZ 120433, over de uitleg van enkele begrippen uit de Wet op de consignatie van gelden (Beleidsregel consignatie) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* de Minister van Financiën; - *wet:* [Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338). Artikel 2 De minister besluit op aanvraag om gelden in de consignatiekas op te nemen, indien een wettelijke grondslag voor consignatie bestaat. Artikel 3 1. Het in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=2) gehanteerde begrip ‘beschikking van Onze Minister’ wordt zo uitgelegd dat de minister de bevoegdheid heeft om op aanvraag in concrete individuele situaties consignatie toe te laten. 2. De minister maakt slechts gebruik van deze bevoegdheid indien er geen andere wettelijke grondslag voor consignatie bestaat en het belang van de aanvrager zodanig is dat consignatie in redelijkheid niet geweigerd kan worden. Artikel 4 De minister besluit op aanvraag om gelden in de consignatiekas op te nemen op grond van een beslissing van de rechter. Artikel 5 Het schriftelijke besluit van de minister om gelden in de consignatiekas op te nemen, het schriftelijke besluit van de minister tot uitkering uit de consignatiekas alsmede de afwijzing van een aanvraag tot opname of uitkering worden aangemerkt als besluiten in de zin van [artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 6 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2023. Artikel 7 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel consignatie."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Financiën van 7 december 2025, 2025-0000548953, over de bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes bij overtreding van artikel 47 juncto artikelen 19, eerste lid en 15a, tweede en derde lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Beleidsregel bestuurlijke boetes handhaving registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *bestuurlijke boete:* een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - b. *minister:* Minister van Financiën; - c. *overtreder:* degene die de overtreding pleegt of medepleegt; - d. *overtreding:* handelen in strijd met [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47) juncto [artikel 19, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19), voor zover de daartoe verplichte persoon niet de opgave doet die de Kamer van Koophandel nodig heeft om ervoor te zorgen dat de in [artikel 15a, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=15a) bedoelde gegevens en bescheiden te allen tijde juist en volledig zijn ingeschreven in het handelsregister; - e. *recidive:* de omstandigheid dat een overtreder een overtreding begaat binnen vijf jaren nadat de oplegging van een bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie of het verval van het recht tot strafvervolging ingevolge [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) wegens overtreding van [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47) juncto [artikelen 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19) en [15a, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=15a), onherroepelijk is geworden; - f. *wet:"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu (Beleidsregel last onder dwangsom Wet wegvervoer goederen overbelading) Artikel 1 1. Een last onder dwangsom wordt opgelegd na constatering van een overtreding van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030878) bij deze beleidsregel genoemde bepalingen van de [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) en de [Regeling wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025704). 2. De hoogte van de last onder dwangsom wordt vastgesteld in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de werking van de last onder dwangsom. 3. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030878) zijn vermeld per soort overtreding de hoogte en de maximumhoogte van de dwangsom. Artikel 2 Van overbelading is sprake indien de wettelijke norm van de aslasten dan wel van het totaal gewicht van een vrachtauto, als bedoeld in [artikel 1.1 de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1), dan wel van de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa wordt overschreden. Artikel 3 De looptijd van een last onder dwangsom bedraagt één jaar. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel last onder dwangsom Wet wegvervoer goederen overbelading. Artikel 5 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de minister van Infrastructuur en Milieu en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 augustus 2013, nr. ILT-2013/22979.01 betreffende boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als zodanig bij of krachtens de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen op binnenschepen bedoeld in [artikel 5:12, tweede lid, onderdeel b, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12). Artikel 2 Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) worden voor alle overtredingen de normbedragen gehanteerd die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete binnenvaart die als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034083) bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 3 1. De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. 2. De bestuurlijke boete die per boetebeschikking kan worden opgelegd bedraagt minimaal € 50,–. Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart)."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de voorzitter van de commissie van deskundigen van 14 oktober 2013, nr. ILT-2013/39422 betreffende een nadere invulling van de technische eisen die gelden in het kader van de afgifte van certificaten van onderzoek voor binnenvaartschepen op grond van de Binnenvaartwet (Beleidsregel Binnenvaart 2013) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *ADN:* de in [bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1) opgenomen voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADN en de daarvan deel uitmakende bijlagen; - *richtlijn 2006/87/EG:* richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 389); - *RosR 1995:* bij resolutie van 18 mei 1994 (protocol 1994-I-23) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde [Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973). Artikel 1.2 In afwijking van de in deze beleidsregel worden binnen de grenzen van het [ADN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1), de richtlijn 2006/87/EG en het [RosR 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973) andere voorzieningen aanvaard indien ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt aangetoond dat deze een gelijkwaardig niveau van veiligheid garanderen. § 2. Terugstellen motorvermogen Artikel 2.1 Een aanvraag om het vermogen van de voortstuwingsinstallatie van een binnenvaartschip tot een lagere waarde dan het nominale vermogen terug te stellen, wordt ingewilligd onder de volgende voorwaarden: - a. de afstelling van het vermogen geschiedt d"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 4 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/240568, met betrekking tot de verstrekking van subsidies krachtens artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten binnenvaart Artikel 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026730&artikel=6), waaraan op 31 december 2012 een of meer van de in dat artikel bedoelde bescheiden ontbreken, kan worden gecompleteerd tot en met 1 mei 2013. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 22 november 2012."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 17 februari 2026, nr. ILT-2025/54705, over vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet begaan door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5: 12, tweede lid, onder a, van die wet (Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2026) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *eerste bedrijfsinspectie:* bedrijfsinspectie die geen tweede bedrijfsinspectie of volgende bedrijfsinspectie is; - *eerste transportinspectie:* transportinspectie die geen tweede of volgende transportinspectie is; - *tweede bedrijfsinspectie:* bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste bedrijfsinspectie, waarbij de eerste bedrijfsinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de huidige bedrijfsinspectie aanvangt; - *tweede transportinspectie:* transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste transportinspectie waarbij de eerste transportinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de transportinspectie aanvangt; - *volgende bedrijfsinspectie:* bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer bedrijfsinspecties, waarbij ten minste twee van deze bedrijfsinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de bedrijfsinspectie aanvangt; - *volgende transportinspectie:* transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer transportinspecties, waarbij ten minste twee van deze transportinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de transportinspectie aanvangt; - *zelfstandige:*"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de sturing van en het toezicht op Airport Coordination The Netherlands (ACNL) (Beleidsregel sturing van en toezicht op ACNL) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze Beleidsregel wordt verstaan onder: - *Kaderwet:* [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - *minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - *wet:* [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - *zbo:* Airport Coordination The Netherlands, bedoeld in [artikel 8a.64 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.64). § 2. Directie van het zbo Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel 8a.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.65) beoordeelt de minister in ieder geval of ten aanzien van de volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen: - a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie; - b. een nadere bepaling van de bevoegdheden van de directie; - c. de besluitvorming in en buiten de vergadering; - d. de notulen van de vergadering; - e. het hebben en melden van nevenfuncties aan de minister; - f. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van de directie. Artikel 3. Schorsing of ontstentenis van een lid van de directie Bij ontstentenis of schorsing van een lid van de directie, als bedoeld in [artikel 8a.66, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.66), kan de minister een lid aanstellen dat voor de duur van de ontstentenis of de schorsing in de plaats treedt van het lid dat niet in staat is zijn functie te vervullen. § 3. Financieel toezicht Artikel 4. Goedkeuring van tarieven Bij de goedkeuring van de tarieven, bedoeld in [artikel 8a.67, tweede lid"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026, nr. IENW/BSK-2025/311350, over de nadere bepaling van de boetehoogte op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing (Beleidsregel hoogte bestuurlijke boete Wet vrachtwagenheffing) Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *wet:* [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 2. (nadere bepaling hoogte boetebedragen) 1. Bij het vaststellen van de op grond van [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=15) op te leggen boete worden de volgende boetebedragen gehanteerd: | Grondslag | Overtreding (art. 13, eerste lid, van de wet) | Boetebedrag | | --- | --- | --- | | Art. 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet | De boordapparatuur van een vrachtwagen werkt niet naar behoren tijdens het rijden over de weg. | € 500,00 | | Art. 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet | De boordapparatuur van een vrachtwagen is tijdens het rijden over de weg niet ingeschakeld. | € 500,00 | | Art. 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet | Tijdens het rijden over de weg blijkt de boordapparatuur van een vrachtwagen niet te horen bij de vrachtwagen waarvoor een geldige dienstverleningsovereenkomst is gesloten. | € 500,00 | | Art. 8, eerste lid, van de wet | De houder van een vrachtwagen die op de weg rijdt heeft geen geldige dienstverleningsovereenkomst voor deze vrachtwagen afgesloten, en de houder heeft geen vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de wet. | € 800,00 | 2. De boetebedragen, bedoeld in het eerste lid, worden, na inwerkingtreding van [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=2), voor de duur van zes maanden gematigd met 50%. Artikel 3. (maximum hoogte boetebedrag) Indien met dezelfde vrachtwagen binnen een periode van vierentwintig uur m"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/15528, tot vaststelling van de Beleidsregels grote rivieren 2025 Artikel 1. Definitiebepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. *periodieke activiteiten:* activiteiten die meerdere jaren achter elkaar uitsluitend in een bepaald deel of bepaalde delen van het jaar plaatsvinden met een maximum van in totaal zeven maanden per jaar; - c. *rivierbed:* de oppervlakte begrensd op grond van [artikel 2.8, eerste lid, van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=2.8); - d. *beperkingengebied in het rivierbed:* de oppervlakte begrensd op grond van [artikel 2.8, tweede lid, van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=2.8); - e. *riviergebonden activiteiten:* activiteiten als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050726&artikel=4&z=2026-07-01&g=2026-07-01); - f. *tijdelijke activiteiten:* activiteiten die gedurende maximaal vijf jaar ononderbroken plaatsvinden; - g. *toestemming:* toestemming vanuit rivierkundig oogpunt nodig voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit, bedoeld in de [artikelen 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.17), [6.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.29), [6.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.35), [6.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.40), [6.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.54) en [6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.58), in samenhang met [artikel 8.84, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende bepalingen in verband met de handhaving van twee Europese verordeningen inzake passagiersrechten in de luchtvaart (Beleidsregel handhaving verordening (EG) nr. 261/2004 en verordening (EG) nr. 1107/2006 inzake passagiersrechten luchtvaartpassagiers) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. *Inspecteur:* inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - c. *verordening DBC:* verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PbEU 2004, L 46); - d. *verordening PRM:* verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU2006, L204). Artikel 2 Redelijke gronden voor de weigering om een passagier op een vlucht te vervoeren als bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van verordening DBC zijn in elk geval: - a. de passagier beschikt niet over toereikende reisdocumenten; - b. de aanwezigheid van de passagier in het vliegtuig levert naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten of van de luchtvaartmaatschappij een veiligheidsrisico op voor het vliegtuig, voor zijn medepassagiers of voor de bemanning; - c. de gezondheidstoestand van de passagier levert, gelet op zijn aanwezigheid in het vliegtuig, een gezondheidsrisico voor hemzelf, voor zijn medepassagiers of voor de bemanning op. Artikel 3 Van buitengewone omstandigheden is in elk geval sprake in de navolgende gevallen: - a. wanneer weersomstandigheden de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen; - b. wanneer het vliegtuig waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, door sabotage of terrorisme"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk nr. ILT-2025/3336, over de toepassing van artikel 18 van de Wet pleziervaartuigen 2016 (Beleidsregel bestuurlijke boete Wet pleziervaartuigen 2016) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *omzet:* omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding; - *wet:* [Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546). Artikel 2. Toepassingsgebied 1. Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen waarvoor op grond van [artikel 18, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=18) een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 2. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050783) bij deze beleidsregel staan de normbedragen die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 3. Marktdeelnemers 1. Het normbedrag, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050783&artikel=2&z=2025-02-20&g=2025-02-20), wordt voor marktdeelnemers vermenigvuldigd met de bij de omzetcategorie van de marktdeelnemer behorende factor. 2. De omzetcategorie-indeling, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt: | Omzetcategorie I | Marktdeelnemers met een omzet van minder dan 100.000 euro | Factor 0,25 | | --- | --- | --- | | Omzetcategorie II | Marktdeelnemers met een omzet van ten minste 100.000 maar minder dan 250.000 euro | Factor 0,50 | | Omzetcategorie III | Marktdeelnemers met een omzet van ten minste 250.000 maar minder dan 400.000 euro | Factor 0,75 | | Omzetcategorie IV | Marktdeelnemers met een omzet van 400.000 euro of meer | Factor 1,0 | Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel bestuurlijke boete Wet pleziervaartuigen 2016. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 november 2025, nr. 49479, over het gebruik van APU en taxiën met het minimaal noodzakelijk aantal motoren op de luchthaven Eelde (Beleidsregel handhaving APU-gebruik en taxiën met het minimaal noodzakelijk aantal motoren op de luchthaven Eelde als bedoeld in artikel 7 en 8 van het Luchthavenbesluit) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder - – *AIP:* Aeronautical Information Publication; - – *APU:* Auxiliary Power Unit of hulpaandrijvingseenheid; - – *ILT-Luchtvaartautoriteit:* onderdeel van de Inspectie Leefomgeving en Transport dat onder meer belast is met het toezicht op de naleving van het Luchthavenbesluit; - – *GPU:* Ground Power Unit, een externe mobiele eenheid voor het leveren van elektriciteit aan stilstaande vliegtuigen; - – *FPU:* Fixed Power Unit, een externe vaste eenheid voor het leveren van elektriciteit aan stilstaande vliegtuigen; - – *Luchthavenbesluit:* [Luchthavenbesluit Eelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670); - – *PCA:* Preconditioned Air, een mobiele of vaste eenheid voor het leveren van geconditioneerde lucht aan stilstaande vliegtuigen. Artikel 2 1. De ILT-Luchtvaartautoriteit houdt toezicht op: - a) de duur van het gebruik van de APU door de gezagvoerder terwijl het vliegtuig stilstaat op de afhandelingsplaats; - b) het gebruik van het minimaal noodzakelijk aantal motoren door de gezagvoerder tijdens het taxiën van, naar en over de start- en landingsbaan; - c) de beschikbaarheid en kwaliteit van de infrastructuur en vervangende voorzieningen (GPU’s, FPU’s en PCA’s) zoals gewaarborgd door de exploitant conform de bepalingen in het [Luchthavenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670); - d) het uitstootvrij zijn van voorzieningen die de exploitant ter beschikking stelt conform de bepalingen in het [Luchthavenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670). 2. De ILT-Luchtvaartautoriteit treedt niet handhavend op in situati"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 september 2018, nr. IENW/BSK-2018/183049, houdende vaststelling van regels voor experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op rijksvaarwegen (Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen) Artikel 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *experiment:* tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren; - – *experimenteerpartij:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren; - – *experimenteerplan:* plan als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041357&artikel=2&z=2018-10-01&g=2018-10-01); - – *rijksvaarweg:* Nederlandse vaarweg waarvoor het Rijk de bevoegde autoriteit is; - – *toestemming:* besluit als bedoeld in [artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23) op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd; - – *vergaand geautomatiseerd varen:* varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen. 2. Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht. 3. Er worden geen experimenten met watervliegtuigen toegestaan. Artikel 2. Aanvraag 1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een aanvraag voor een toestemming indienen bij de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat. 2. Een toestemming kan uitsluitend worden aangevraagd voor een experiment op één of meerdere rijksvaarwegen. 3. Ten behoeve van de aanvraag wordt een experimenteerplan opgesteld. In dit plan wordt ten minste een beschrijving opgenomen van: - a. het schip waarmee het experi"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 september 2023, nr. IENW/BSK-2023/266714, houdende vaststelling van regels wat betreft de compensatie van eigenaren en gebruikers van bijzondere bromfietsen van het merk Stint voor schade die samenhangt met de schorsing en intrekking van de aanwijzing van dit voertuig (Beleidsregel compensatie eigenaren en gebruikers Stint) Artikel 1. (Begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - − *aangewezen type:* het type bijzondere bromfiets, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), van het merk Stint met een elektromotor DC 800 Watt dat bij het aanwijzingsbesluit door de Minister is aangewezen voor toelating tot het verkeer op de weg; - − *aanschafprijs:* aanschafprijs van Stint of startset vermeld op de aankoopfactuur van die aanschaf of ander bewijsstuk als bedoeld in [artikel 4, derde lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048692&artikel=4&z=2023-10-03&g=2023-10-03), inclusief BTW; - − *aanvrager:* de gebruiker die op grond van deze beleidsregel een aanvraag heeft ingediend; - − *aanwijzingsbesluit:* beschikking van de Minister van 14 november 2011 (Stcrt. 2012, 6543) waarbij het aangewezen type door de Minister is aangewezen voor toelating tot het verkeer op de weg; - − *compensatie:* schadevergoeding vanwege het onrechtmatige aanwijzingsbesluit of tegemoetkoming in de schade vanwege het niet meer kunnen gebruiken van een niet aangewezen type, bestaande uit waardevermindering of gevolgschade; - − *gebruiker:* particulier of onderneming die op de datum van in werking treden van het schorsingsbesluit aantoonbaar een Stint of startset in eigendom of feitelijk in gebruik had, niet zijnde de fabrikant, c.q. houder van de aanwijzing van de Stint als bijzondere bromfiets of een leasemaatschappij; - − *gevolgschade:* nadeel dat is ontstaan voor gebruikers vanwege"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 juli 2026, nr. IENW/BSK-2026/106467, houdende afhandeling verzoeken inzage beperkt openbare archiefbescheiden Raad voor de Luchtvaart en Rijksluchtvaartdienst met betrekking tot onderzoek naar ongevallen en ernstige incidenten die door het Nationaal Archief worden beheerd (Beleidsregel inzage archiefbescheiden Raad voor de Luchtvaart en Rijksluchtvaartdienst) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *afwegingskader:* het afwegingskader, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052907&artikel=5&z=2026-07-28&g=2026-07-28) van deze beleidsregel; - *archiefbescheiden:* de archiefbescheiden bedoeld in [artikel 3 van het Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven van de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924-1998 (2000), nummer toegang 2.16.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047278&artikel=3) (Stcrt. 2022, 27097), en [artikel 2 van het Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Directoraat-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst, 1919-1982, nummer toegang 2.16.5240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047810&artikel=2) (Stcrt. 2023, 3015); - *Bijlage 13:* Bijlage 13 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109); - *Minister:* de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. - *onderzoeksinstantie:* de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst; - *verzoek:* verzoek tot raadpleging of gebruik van archiefbescheiden. Artikel 2 De Minister neemt een besluit over een verzoek met inachtneming van de artikelen 5.12, 6.2 en Appendix 2, van Bijlage 13. Artikel 3 1. Alvorens te besluiten over een verzoek bepaalt de Minister of in de archiefbescheiden sprake is van: - a. op"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 oktober 2018, nr. IENW/BSK–2018/176078, over boordvoorzieningen in het kader van de Subsidieregeling riolering woonboten 2018–2020 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *afvalwater:* afvalwater van woongebieden en diensten, dat overwegend afkomstig is van de menselijke stofwisseling en van huishoudelijke werkzaamheden; - *binnenhuisriolering:* voorziening aan boord van woonboten ter transport van afvalwater tussen verschillende onderdelen van de boordvoorziening; - *boordvoorziening:* voorziening aan boord van woonboten, die in combinatie met een walslang bestemd is voor het opvangen, verzamelen, behandelen, afvoeren en lozen van huishoudelijk afvalwater op het openbaar riool, op een IBA ofwel, na behandeling, op het oppervlaktewater; - *deugdelijke boordvoorziening:* een boordvoorziening die voldoet aan de eisen, genoemd in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041514&hoofdstuk=2&z=2018-12-01&g=2018-12-01) van deze beleidsregel; - *IBA:* door de waterkwaliteitsbeheerder toegelaten individuele behandeleenheid voor afvalwater waarop het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd, die al dan niet geïntegreerd is in de boordvoorziening; - *lozen:* het brengen van: - – afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam; - – afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem; - – afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringsstelsel, openbaar vuilwaterriool of andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; of - – afvalwater of andere afvalstoffen met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op een zuiveringstechnisch werk; - *lozingstoestel:* apparaat of voorziening waarvan huishoudelijk afvalwater afkomstig is; - *nood(overstort)afvoer:* afvoe"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/122815, houdende vaststelling van regels voor experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op de territoriale zee (Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen territoriale zee) Artikel 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *experiment:* tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren; - – *experimenteerpartij:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren; - – *experimenteerplan:* plan als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042274&artikel=2&z=2019-07-01&g=2019-07-01); - – *territoriale zee:* territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden als bedoeld in [artikel 2, onderdeel e, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=2); - – *toestemming:* besluit als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=12) op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd; - – *vergaand geautomatiseerd varen:* varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen. 2. Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren op de territoriale zee en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht. 3. Er worden geen experimenten met watervliegtuigen toegestaan. Artikel 2. Aanvraag 1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een aanvraag voor een toestemming indienen bij de Directeur Kustwacht. 2. Ten behoeve van de aanvraag wordt een experimenteerplan opgesteld. In dit plan wordt ten minste een beschrijving opgenomen van: -"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 januari 2022, nr. 3789369, ten behoeve van de vaststelling van de tegemoetkoming in de teeltplanschade bedoeld in artikel 8 van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 De Minister van Justitie en Veiligheid maakt bekend dat bij de vaststelling van de tegemoetkoming in de teeltplanschade, bedoeld in [artikel 8 van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602&artikel=8) in juli 2021 (Staatscourant 2021, 40211), uitgegaan wordt van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046247) opgenomen standaardopbrengst (SO-)normen per product per hectare."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 mei 2025, nr. WJZ/ 97892204, houdende beleidsregels inzake de wijziging en intrekking van de vergunning windenergie op zee voor kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek (Beleidsregel wijziging en intrekking van de vergunning windenergie op zee voor kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *intrekkingsaanvraag:* aanvraag voor intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *kavel I-A:* kavel I-A als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051043&artikel=1); - *minister:* Minister van Klimaat en Groene Groei; - *wet:* [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752); - *wijzigingsaanvraag:* aanvraag voor wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op een wijzigingsaanvraag en intrekkingsaanvraag ten aanzien van kavel I-A. Artikel 3 1. De minister beschouwt de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende voor de beoordeling van de wijzigingsaanvraag en voor de voorbereiding van de beschikking indien de aanvrager hiermee inzichtelijk maakt hoe de beoogde wijziging van de vergunning van invloed is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdelen d en f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; - g. de economische haalbaarheid van het plan; en - h. de verandering in aantal toeg"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 17 september 2026, nr. WJZ/108219515, houdende voorschriften over ontheffingen van de terugbetalingsverplichting bij energieparingsleningen voor het midden- en kleinbedrijf (Beleidsregel terugbetalingsontheffingen energiebesparingsleningen) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Klimaat en Groene Groei; - *terugbetalingsontheffing:* ontheffing van de verplichting de verstrekte subsidie, inclusief rente, terug te betalen als bedoeld in [artikel 42, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=42). Artikel 2 De Minister verleent geen terugbetalingsontheffing aan ontvangers van subsidies als bedoeld in [artikel 4.14.2 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.14.2). Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel terugbetalingsontheffingen energiebesparingsleningen."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 20 juni 2026, nr. WJZ/ 107006454, houdende beleidsregels inzake de wijziging en intrekking van de vergunningen windenergie op zee voor de kavels Gamma-A en Gamma-B in windenergiegebied IJmuiden Ver (Beleidsregel wijziging en intrekking van de vergunningen windenergie op zee voor kavels Gamma-A en Gamma-B in windenergiegebied IJmuiden Ver) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *intrekkingsaanvraag:* aanvraag voor intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *kavel Gamma-A:* kavel Gamma-A als bedoeld in artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Gamma-A in windenergiegebied IJmuiden Ver; - *kavel Gamma-B:* kavel Gamma-B als bedoeld in artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Gamma-B in windenergiegebied IJmuiden Ver; - *minister:* Minister van Klimaat en Groene Groei; - *uitvoeringsverordening 2025/1176:* Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 van de Commissie van 23 mei 2025 tot nadere specificering van de voorselectie- en gunningscriteria bij veilingen voor de uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU L 2025/1176); - *wet:* [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752); - *wijzigingsaanvraag:* aanvraag voor wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op een wijzigingsaanvraag en intrekkingsaanvraag ten aanzien van de kavel Gamma-A of de kavel Gamma-B. Artikel 3 De minister beschouwt de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende voor de beoordeling van de wijzigingsaanvraag en voor de voorbereiding van de beschikking indien de aanvrager hiermee inzichtelijk maakt hoe de beoogde wijziging van de vergunning van invloed is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde ver"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 25 mei 2026, nr. IENW/BSK-2026/87781, tot vaststelling van de kostenaandelen zwerfafval per kunststofproductsoort, de bijdragen per eenheid kunststofproduct, de wegingsfactoren per overheidsorganisatie en de kosten per gebiedskenmerk als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik over 2025 (Beleidsregel artikelen 3.1 en 3.2 Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik 2025) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *grote gemeenten:* gemeenten met 300.000 inwoners of meer; - *middelgrote gemeenten:* gemeenten met 100.000 tot 300.000 inwoners; - *middelkleine gemeenten:* gemeenten met 30.000 tot 100.000 inwoners; - *kleine gemeenten:* gemeenten tot 30.000 inwoners; - *kunststofhoudende tabaksfilters:* tabaksproducten met kunststofhoudende filters en kunststofhoudende filters die worden verkocht voor gebruik in combinatie met tabaksproducten als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045257&artikel=5). Artikel 2. Kostenaandeel per productsoort Het kostenaandeel zwerfafval per kunststofproductsoort als bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&artikel=3.1) over 2025 bedraagt voor: | a. voedselverpakkingen: | € 3.352.815,15 | | --- | --- | | b. zakjes en wikkels: | € 12.493.839,95 | | c. drankverpakkingen: | € 8.502.820,02 | | d. drinkbekers: | € 4.749.724,55 | | e. lichte plastic draagtassen: | € 1.993.127,28 | | f. vochtige doekjes: | € 2.078.044,41 | | g. ballonnen: | € 146.174,69 | | h. kunststofhoudende tabaksfilters: | € 28.722.259,21 | | i. bewustmakingsmaatregelen: | € 1.113.441,40 | Artikel 3. Bijdrage per eenheid product De afgeronde bijdrage per eenheid kunststofproduct als bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, van de Regeling kunststofp"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182476, inzake de voorwaarden voor openstelling van landgoederen (Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *buitenplaats:* een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=1); - – *de Ministers:* de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën; - – *landgoed:* landgoed als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1); - – *openstellingsregels:* regels voor het openstellen voor het publiek van een landgoed of een gedeelte van een landgoed; - – *publiek:* wandelaars; - – *wet:* [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939). Artikel 1.2 1. Deze beleidsregel geldt voor de in [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7) bedoelde goedkeuring door de Ministers van openstellingsregels. 2. De goedkeuring dient voor elk landgoed afzonderlijk te worden aangevraagd. 3. De goedkeuring wordt slechts verleend als het landgoed en de openstellingsregels voor het landgoed voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden. 4. Het gestelde over landgoederen in deze beleidsregel is tevens van toepassing op buitenplaatsen, voor zover niet anders is bepaald. Hoofdstuk 2. Voorwaarden openstelling landgoederen Artikel 2.1 1. Het opengestelde gedeelte van een landgoed vormt een aaneengesloten gebied van ten minste 5 hectare. 2. Van de in het eerste lid opgenomen oppervlakte-eis kan worden afgeweken, indien de onroerende zaak een buitenplaats betreft. 3. Indien het landgoederen als bedoeld in [artikel 3, derde of"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 april 2019, nr. 19086190, houdende een correctiekorting op de diergezondheidsheffing voor bepaalde pluimveehouders voor 2018 (Beleidsregel correctiekorting diergezondheidsheffing pluimveehouders 2018) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *besluit:* [Besluit diergezondheidsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040317); - *diergezondheidsheffing:* heffing als bedoeld in [artikel 91b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91b); - *eendagskuiken:* kuiken dat nog geen 72 uur oud is; - *gebruikspluimvee:* pluimvee dat bestemd is voor de productie van consumptie-eieren of direct bestemd is voor de productie van vlees; - *grootmoederdier:* vrouwelijk dier dat 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van andere moederdieren; - *legkip:* kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van consumptie-eieren of vaccinbroedeieren; - *legras:* pluimveeras dat bestemd is voor de productie van eieren; - *moederdier:* kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van gebruikspluimvee; - *traaggroeiend ras:* ras waarvan de dieren minder dan 50 gram per dag groeien; - *verordening (EG) nr. 834/2007:* Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189); - *verordening (EG) nr. 589/2008:* Verordening (EG) nr. 589/2008 van de Commissie van 23 juni 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor eieren (PbEU 2008, L 163); - *vleeskalkoen:* kalkoen van 72 uur of ouder die direct bestemd is voor de productie van vlees; - *vleeskuiken:* kip van 72 uur of ouder die direct b"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 mei 2018, nr. WJZ/18020186, inzake de kwaliteit van de opvang van invasieve uitheemse diersoorten (Beleidsregel kwaliteit opvang invasieve uitheemse diersoorten) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Unielijst:* door de Europese Commissie door middel van uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst van voor de Europese Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, als bedoeld in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten; - – *Verordening invasieve uitheemse soorten:* Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014 L 317). Artikel 2 1. Deze beleidsregel geldt voor de verlening van een ontheffing van [artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.37), in samenhang met [artikel 3.29 van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=3.29), op grond van [artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.40), aan opvangcentra die dieren behorende tot soorten die worden genoemd op de Unielijst opvangen of gaan opvangen. 2. Aan een opvangcentrum dat handelt overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0040911) bij dit besluit wordt op grond van [artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.40) een ontheffing verleend van het voorschrift, genoemd in artikel 7, eerste lid, aanhef, in samenhang met onderdelen b en d, van de Verordening uitheemse invasieve soorten. 3. Een ontheffing heeft geen betrekking op de verbodsbepalingen van artikel 7, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel a, c, e, f, g of h, van de Verordening invasieve uitheemse soo"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 maart 2022, nr. WJZ/ 22101854, tot vaststelling van de gronden waarop ontheffing verleend wordt van de verboden, opgenomen in artikel 8, eerste lid, van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985 en artikel 29, eerste lid, onderdeel g, en tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij, ten behoeve van cultuurhistorische visserij (Beleidsregel ontheffing vergunningsplicht IJsselmeer voor cultuurhistorische visserij) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aalhoekwantnacht:* aaneengesloten periode van maximaal 24 uur, waarin een aalhoekwant van maximaal vijfhonderd meter lang mag worden ingezet; - *cultuurhistorische visserij:* zeilende visserij met traditionele vaartuigen dan wel met een niet-gemotoriseerde sloep ten behoeve van het, middels een demonstratie aan een groep of een evenement, demonstreren en levend houden van de traditionele visserij; - *demonstratie aan een groep:* demonstratie bedoeld voor groepen bestaande uit ten minste vijf personen; - *evenement:* evenement bedoeld voor ten minste vijftig bezoekers; - *fuik:* grote fuik of schietfuik binnenvisserij; - *fuik of kubnacht:* aaneengesloten periode van maximaal 24 uur, waarin een fuik of kub mag worden ingezet; - *kub:* kleine fuik zonder vleugels, die wordt opengehouden door hoepels en twee horizontaal geplaatste stokken, met de inzwemopening aan één van beide uiteinden en minimaal twee inkelingen; - *minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - *netnacht staand net:* aaneengesloten periode van maximaal 24 uur, waarin een staand net van maximaal honderd meter lang en drie meter hoog mag worden ingezet; - *ontheffing cultuurhistorische visserij:* ontheffing van het verbod IJsselmeer ten behoeve van cultuurhistorische visserij; - *Register Varend Erfgoed Nederland:* onafhankelijk register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland; - *traditioneel vaartuig:* vaartuig"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 augustus 2023, nr. WJZ/ 19230636, houdende regels over de toepassing van artikel 3.4, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren op honden (Beleidsregel brachycephale honden) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *besluit:* [Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217); - *craniofaciale ratio:* uitkomst van de deling van de lengte van de neus van de hond, gemeten van de neuspunt tot de stop, door de lengte van de schedel van de hond, gemeten van de stop tot de achterhoofdknobbel; - *minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2. Fokken met brachycephale honden 1. Wanneer bij het fokken van honden bij ten minste één van de ouderdieren één of meer van de volgende kenmerken aanwezig zijn, wordt dit gezien als een overtreding van [artikel 3.4, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=3.4): - a. het produceren van een bijgeluid bij de ademhaling in rust; - b. een matige tot ernstige vernauwing van de neusopeningen; - c. een relatieve neusverkorting met een craniofaciale ratio kleiner dan 0,3; - d. een neusplooi: - i. met haren die vanaf de neusplooi het hoornvlies of bindvlies raken of kunnen raken; - ii. die nat is; of - iii. met ontstekingsverschijnselen in een of beide ogen gerelateerd aan de aanwezigheid van de neusplooi; - e. een oog met oogwit zichtbaar in twee of meer kwadranten; of - f. een ooglid dat niet volledig gesloten kan worden bij het opwekken van de ooglidreflex. 2. Wanneer bij het fokken van honden bij ten minste één van de ouderdieren twee of meer van de volgende kenmerken aanwezig zijn, wordt dit gezien als een overtreding van [artikel 3.4, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=3.4): - a. een geringe vernauwing van de neuso"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 juli 2018, nr. WJZ/18044127, houdende regels over de toepassing van artikel 21b van de Meststoffenwet op jongvee voor de vleesveehouderij (beleidsregel fosfaatrechten jongvee) Artikel 1 Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *wet:* [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054); - *zoogkoe:* koe, niet zijnde melk- of kalfkoe, die tenminste eenmaal heeft gekalfd en wordt gehouden voor de productie van een of meer kalveren voor de vleesveehouderij. Artikel 2 Voor de toepassing van de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21b), [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=22a), [23, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=23) en [33Ab, tweede en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33Ab), wordt onder ‘vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 2°, van de wet verstaan jongvee jonger dan 1 jaar, dat bestemd is om zoogkoe te worden. Artikel 3 Voor de toepassing van de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21b), [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=22a), [23, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=23) en [33Ab, tweede en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33Ab), wordt onder ‘jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren’ verstaan vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder voor de melkveehouderij en jongvee van 1 jaar"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. WJZ/ 22259319, houdende beleidsregels omtrent het verlagen van subsidie verleend voor plattelandsinterventies en sectorale interventies in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 (Beleidsregel verlagen subsidie GLB) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *administratieve sanctie:* het verlagen, wijzigen of intrekken van de subsidie naar aanleiding van een niet-naleving; - – *agrarisch collectief:* vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de SVNL 2016; - – *ANLb:* agrarisch natuur- en landschapsbeheer op grond van paragraaf 3 van de SVNL 2016; - – *baselinevoorwaarden:* eisen, normen, voorschriften en voorwaarden als bedoeld in artikel 70, derde lid, van verordening (EU) 2021/2115, zoals opgenomen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047683&bijlage=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de onderhavige beleidsregel; - – *bedrijfsperceel:* oppervlakte die een deelnemer als behorende tot zijn bedrijf heeft geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op de door of namens de minister aangegeven wijze; - – *beschikte hectareprijs:* het gemiddelde bedrag per hectare per jaar voor het realiseren van een leefgebied of onderdeel van een leefgebied, zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening op grond van de SVNL 2016; - – *betaalverzoek:* verantwoording als bedoeld in artikel 3.11, onderdeel g, van de SVNL 2016; - – *bevoegd gezag:* afhankelijk van de betreffende subsidieregeling de minister of Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincies; - – *conditionaliteiten:* beheerseisen en GLMC-normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal en de sociale conditionaliteiten zoals opgenomen in de [bijlagen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&bijlage=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&bijlage=4) en [4a van d"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 juni 2020, nr. WJZ/19298421, in verband met het vervoer van dieren bij buitentemperaturen van ten minste 35 graden Celsius (Beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen) Artikel 1 Het vervoeren of laten vervoeren van dieren geschiedt in ieder geval op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3) indien het vervoer plaatsvindt bij een buitentemperatuur van ten minste 35 graden Celsius met een vervoermiddel dat niet is uitgerust met een actief koelingssysteem. Artikel 2 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 oktober 2021, nr. WJZ/ 21135426, tot vaststelling van beleidsregels voor de beoordeling van aanvragen om een tegemoetkoming in de kosten van het aanleveren van gegevens door PAS-melders § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *initiatiefnemer:* initiatiefnemer van een project die voor dat project in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding heeft gedaan en die ter verificatie zijn gegevens heeft verstrekt aan de Minister ten behoeve van het legaliseren van dat project, bedoeld in [artikel 1.13a van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.13a); - *Minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - *project:* project waarvoor een meldingsplicht gold op grond van [artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036688&artikel=8), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, of [artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=2.7), zoals dat luidde op 28 mei 2019; - *RVO:* Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - *verificatie:* toets door de bevoegde gezagen of een project voldoet aan de voorwaarden voor het legaliseren van gemelde projecten; - *verklaring de-minimissteun:* verklaring van de initiatiefnemer waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1407/2013, onderscheidenlijk artikel 3, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1408/2013; - *verordening (EU) nr. 1407/2013:* verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352/1); - *verordening (EU) nr. 1408/2013:* verordening (EU) nr. 14"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juni 2019, nr. WJZ / 19124149, houdende een correctiekorting op de diergezondheidsheffing voor bepaalde varkenshouders voor 2018 (Beleidsregel correctiekorting diergezondheidsheffing varkenshouders 2018) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *A-, B-, E of F-bedrijf:* bedrijf dat op grond van de [Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018397) door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit respectievelijk als A-, B-, E- of F-bedrijf is aangewezen of aangemerkt; - *besluit:* [Besluit diergezondheidsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040317); - *big:* varken vanaf de geboorte tot aan het spenen; - *diergezondheidsheffing:* heffing als bedoeld in [artikel 91b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91b). Artikel 2 Op de diergezondheidsheffing die over 2018 is geheven van een varkenshouder, wordt een bedrag in mindering gebracht als deze aan elk van de volgende voorwaarden voldoet: - a. de heffing heeft betrekking op het houden van biggen op een A- of een B-bedrijf die in 2018 zijn afgevoerd naar een E- of F-bedrijf; - b. de biggen, bedoeld in onderdeel a, zijn in 2018 afgevoerd van het E- of F-bedrijf; - c. de varkenshouder is rechthebbende van het desbetreffende A- en E-bedrijf, dan wel het desbetreffende B- en F-bedrijf als bedoeld in de onderdelen a en b. Artikel 3 Het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042296&artikel=2&z=2019-06-18&g=2019-06-18), wordt bepaald door het aantal dieren, bedoeld in de volgende onderdelen, te vermenigvuldigen met het volgende correctietarief: - a. € 0,1967 per big die is afgevoerd van een A-bedrijf naar een E-bedrijf; - b. € 0,1967 per big die is afgevoerd van een B-bedrijf naar een F-bedrijf. Artikel 4 Deze beleidsregel tre"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 juli 2023, nr. WJZ/ 22508124, houdende regels over het verlagen van subsidie in het kader van Verordening (EU) 2021/1139 en Verordening (EU) 2021/1755 (Beleidsregel verlagen subsidies EMFAF en BAR visserij) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - *Verordening 2021/1139:* Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247); - *Verordening 2021/1060:* Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); - *Tijdelijke subsidieregeling BAR visserij:* de [Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046962); - *Regeling sanering garnalenvisserij:* [Titel 2.26 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=2.26). Artikel 2. Reikwijdte 1. De Minister besluit voor subsidies die verstrekt worden in het kader van verordening 2021/1139, tot het verlagen van subsidie in de gevallen genoemd in deze beleidsregel op basis van de bevoegdheden, bedoeld in de [afdelingen 4.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.5) en [4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.o"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 8 november 2024, nr. WJZ/89748388 houdende vaststelling van regels voor het verlenen van een ontheffing van de stikstofgebruiksnomen voor dierlijke mest voor het onderzoek Reinventing circular dairy farming (Beleidsregel Onderzoeksontheffing Reinventing circular dairy farming) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *hoogwaardige urine:* meststof bestaande uit urine of dunne fractie uit een van de drie staltechnieken die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050420&artikel=6&z=2024-11-16&g=2024-11-16); - *minister:* Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - *onderzoek RCDF:* onderzoek Reinventing circular dairy farming van de Wageningen University & Research; - *staltechniek 1:* natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een aangepaste vloer waardoor urine wegloopt naar ondergelegen opslag in combinatie met kelderluchtafzuiging; - *staltechniek 2:* stalsysteem gebaseerd op het opvangen en het afvoeren van de urine naar een aparte afgesloten opslag zonder dat deze in contact kan komen met de feces; - *staltechniek 3:* natuurlijk geventileerde vrijloopstal met zandbedding, voorzien van urine afvoerdrainage en beddingreiniger voor dagvers verwijderen van mest. Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen om een ontheffing van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7) juncto [artikel 8, onderdeel a, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8) in het kader van deelname aan het Onderzoek RCDF. Artikel 3. Verlening ontheffing De minister verleent op aanvraag en overeenkomstig de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden ontheffing van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), juncto [artikel 8, onderdeel a, van de Meststoffen"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 23 november 2025, nr. WJZ/ 44383631, over de benodigde kennis, opleiding en bijscholing van gekwalificeerde personen (Beleidsregel kennis, opleiding en bijscholing van gekwalificeerde personen) Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen - *gekwalificeerd persoon:* persoon als bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, van verordening (EG) 853/2004; - *jachtakte:* jachtakte als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en Faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=38), zoals die luidde op 31 december 2016, of artikel 3.26, eerste lid, onderdeel a van de Wet natuurbescherming, zoals die luidde op 31 december 2023; - *minister:* Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - *omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit:* omgevingsvergunning inzake jachtgeweeractiviteiten als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel f, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); - *opleidingsinstantie:* instantie die ten genoegen van de minister de opleiding tot gekwalificeerd persoon verzorgt, bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk 1, onderdeel 5, van verordening (EG) 853/2004; - *verordening (EG) 853/2004:* verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is voor: - a. personen die in Nederland werkzaam zijn als gekwalificeerd persoon; - b. personen die in Nederland scholing gaan volgen of hebben gevolgd voor certificatie als gekwalificeerd persoon; - c. opleidingsinstanties. Paragraaf 2. Benodigde kennis, scholing en bijscholing Artikel 3. Benodigde kennis gekwalificeerde persoon 1. Van voldoende kennis als bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstu"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, van 7 juli 2026, kenmerk 4473372-1100592, houdende regels voor het compenseren van Zvw-budgethouders in verband met de inhouding van werkgeverslasten op het Zvw-pgb (Beleidsregel compensatie Zvw-budgethouders) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *minister:* Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport; - – *Sociale verzekeringsbank:* Sociale verzekeringsbank, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=1); - – *werkgeverslasten:* premies voor de verzekeringen als bedoeld in [artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=2) en de bijdrage, bedoeld in [artikel 41 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=41); - – *zorgverzekeraar:* zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - – *Zvw-budgethouder:* verzekerde aan wie een Zvw-pgb is toegekend; - – *Zvw-pgb:* Zvw-pgb als bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). Artikel 2. Compensatie van in 2025 bekende budgethouders 1. De minister stelt voor de jaren 2026 en 2027 aan een Zvw-budgethouder een bedrag ter beschikking ten behoeve van de werkgeverslasten indien: - a. de Zvw-budgethouder met een zorgverlener een arbeidsovereenkomst heeft gesloten die vóór 1 januari 2026 is ingegaan en na die datum is voortgezet; - b. de Zvw-budgethouder op 31 december 2025 gebruik maakte van de ondersteuning door de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in [artikel 13a, achtste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a); - c. de arbeidsverhouding tussen de Zvw-budgethouder"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 juni 2021, nr. 28468296, houdende regels omtrent de kwijtschelding van studieschulden van gedupeerden van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag (Beleidsregel kwijtschelding studieschulden gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *ex-toeslagpartner:* persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen als ex-toeslagpartner van een gedupeerde is aangemerkt als bedoeld in [artikel 2.14g van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.14g); - *gedupeerde:* persoon van wie de Belastingdienst/Toeslagen heeft vastgesteld dat deze recht heeft op een forfaitair bedrag op grond van [artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.7); - *Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *partner:* persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen als toeslagpartner van een gedupeerde is aangemerkt als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet hersteloperatie Toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - *rechthebbende:* rechthebbende in de zin van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045370&artikel=2&z=2023-11-03&g=2023-11-03); - *vordering:* vordering tot betaling van geld van de Minister op rechthebbende, met uitzondering van de vordering tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in de [artikelen 9.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.9) en [9.9a van de Wsf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.9a), en de vordering tot betaling van het bedrag, bedoeld in [artikel 7.4, eerste tot en met vierde lid, van de Wsf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=7.4), indien de herziening, bedoeld in [artikel 7.1 van die we"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 december 2022, nr. VO/35104710, met betrekking tot de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen (Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen 2022) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *bekostiging:* bekostiging als bedoeld in [artikel 116, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [artikel 100, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), [artikel 5.4, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.4), [artikel 114, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), de [artikelen 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1) en [2.2a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2a.1), de [artikelen 1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.9), [1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.14) en [1.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.17) en [artikel 2.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.1); - b. *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - c. *onderwijsinstelling:* instelling of school in de zin van een onderwijswet als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1) waar onderwijs wordt verzorgd; - [d.] *samenwerkingsverband:* samenwerki"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 september 2023, nr. HO&S/40146017, houdende de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan een instelling voor hoger onderwijs om een deel van een associate degree-opleiding door een bve-instelling te laten uitvoeren (Beleidsregel uitvoering deel associate degree-opleiding door bve-instelling) Paragraaf 1. Definiëring en reikwijdte Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. *Ad:* associate degree-opleiding als bedoeld in [artikel 7.8a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a); - c. *bve-instelling:* instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) dan wel een aanbieder van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 van die wet; - d. *instellingsbestuur:* instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - e. *instelling voor hoger onderwijs:* instelling als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - f. *Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Reikwijdte beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de wijze waarop de Minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het verlenen van goedkeuring op aanvraag van een instellingsbestuur om een deel van een Ad te laten uitvoeren door een bve-instelling, bedoeld in [artikel 7.8a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a); en - b. de gegevens en bescheiden die de Minister voor de beoordeling van de aanvraag nodig heeft. Paragraaf 2. Benodigde gegevens en bescheiden Artikel 3. Benodigde gegevens en bescheiden 1. Bij beoordeling"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/558908, inzake de aanvullende voorziening reisrecht op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Hierbij bericht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te hebben besloten onderstaand beleid door de Dienst Uitvoering Onderwijs te laten uitvoeren: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *WSF 2000:* [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453), - b. *thuiswonende mbo-student:* mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is, - c. *uitwonende mbo-student:* mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5), - d. *thuiswonende ho-student:* ho-student die niet een uitwonende ho-student is, niet zijnde extraneus, - e. *uitwonende ho-student:* ho-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5), niet zijnde extraneus, - f. *student:* thuis- en uitwonende mbo-student of thuis- en uitwonende ho-student, - g. *adres van de onderwijsinstelling:* het adres waar de student daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt, - h. *stageadres:* het adres waar de student daadwerkelijk zijn stage vervult, - i. *woonadres:* adres waaronder de student in de basisregistratie personen staat ingeschreven. 2. *Vervallen.* Artikel 2. Doelgroepen 1. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden. 2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het ve"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/559042, inzake de uitzondering verblijfsvereiste studenten op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *BSF 2000:* [Besluit studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545); - *WSF 2000:* [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453). Artikel 2. Reikwijdte en inhoud maatregel 1. Voor de toepassing van [artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, BSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545&artikel=5a), wordt een Nederlander die ten minste 56 uur per maand werkt in Nederland en woont in een andere lidstaat van de Europese Unie, gelijkgesteld met een persoon die binnen de reikwijdte van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie valt. 2. Het vereiste om ten minste 3 van de 6 jaren voorafgaand aan de buitenlandse studie in Nederland te hebben gewoond, bedoeld in [artikel 2.14, tweede lid, onderdeel c, WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.14), is niet van toepassing op een ho-student die een kind of partner is van de persoon, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2014."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 december 2015, nr. 765423 houdende de wijze waarop de bevoegdheid tot het ontnemen van rechten ten aanzien van een beroepsopleiding wordt uitgeoefend indien niet of niet meer wordt voldaan aan de zorgenplichten, omschreven in artikel 6.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. *wet:* de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - c. *adviescommissie macrodoelmatigheid mbo:* de onafhankelijke adviescommissie bedoeld in [artikel 6.1.4a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4a); - d. *beroepsopleiding:* beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) - e. *instelling:* instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - f. *zorgplicht arbeidsmarktperspectief:* de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3); - g. *zorgplicht doelmatigheid:* de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3). Artikel 2 Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 6.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.1), en [6.1.4, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4) uitoefent. Paragraaf 2. Zorgplichten macrodoelmatigheid Artikel 3. Signalen niet-naleving zorgplichten 1. De minister kan een onderzoek naar de naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief dan wel de zorgplicht doelmat"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 september 2016, nr. VO/876872, houdende de beoordeling van buitengewone bekwaamheden in bijzondere gevallen en bekwaamheden bij het ontbreken van een lerarenopleiding in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel ontheffing benoembaarheidsvereisten en bekwaamheidserkenning vo) Deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 7.11, derde en zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11). In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *basis- en kaderberoepsgerichte leerweg:* basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg, bedoeld in [artikel 2.26 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.26); - – *betrokkene:* persoon waarvoor de ontheffing of bekwaamheidserkenning wordt aangevraagd; - – *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - – *conversietabel:* conversietabel als bedoeld in [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Regeling conversietabel getuigschriften en vakken VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031802&artikel=2); - – *DUO:* Dienst Uitvoering Onderwijs; - – *getuigschrift:* getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11); - – *inspectie:* Inspectie van het Onderwijs; - – *Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - – *pabo:* opleiding Pedagogische academie voor leraren in het basisonderwijs; - – *pedagogisch-didactisch getuigschrift:* getuigschrift als bedoeld in [artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7a.4); - – *school:* school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - – *vmbo:* voorbereidend middelbaar beroep"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 mei 2026, nr. HO&S/51519537, houdende regels voor de bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes (Beleidsregel bestuurlijke boetes WHW, WEB en Wet NLQF) Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op bestuurlijk beboetbare feiten (overtredingen) op grond van [artikel 15.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.7) en [15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.8), [artikel 11.2, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=11.2) en [artikel 4.3 van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=4.3). Artikel 2. Normbedragen voor overtredingen op grond van artikelen 1.22, 1.23, 1.24, 7.15 en 15.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 1. Voor overtredingen als bedoeld in [artikel 15.7, eerste en tweede lid van de Wet op het hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.7) en wetenschappelijk onderzoek bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 5.000,– per geconstateerde overtreding. 2. Voor overtredingen als bedoeld in [artikelen 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.22), [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.23) en [7.15 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.15) bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 25.000,– per geconstateerde overtreding. 3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het normbedrag voor een overtreding van [artikel 15.7, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.7) die betrekking heeft op de graad master € 10.000,– per geconstateerde overtreding. Artikel 3."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 september 2024, nr. 47647868 over het niet verschuldigd zijn van wettelijke rente bij betalingsregelingen uit hoofde van OCW-regelgeving Artikel 1. Begripsbepalingen - *Betalingsregeling:* beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin is neergelegd dat een betalingsplichtige een achterstallige schuld binnen een bepaalde periode in termijnen betaalt; - *Wettelijke rente:* rente als bedoeld in de [artikelen 119, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=119), en [120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=120) en als bedoeld in [artikel 119, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=119), en [120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op betalingsregelingen met betrekking tot vorderingen op natuurlijke personen die voortkomen uit: - a. de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); - b. de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393); - c. de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438); - d. de [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188); - e. de [Subsidieregeling lerarenbeurs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039319); - f. de [Regeling tegemoetkoming studiekosten onderwijsmasteropleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038481); - g. de [Regeling subsidie korte scholingstrajecten vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039979); - h. de [Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040011); - i. de [Subsidieregeling instructeursbeurs mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/177909, inzake de afdoening van verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een in het buitenland behaalde graad als bedoeld in artikel 7.23 derde lid van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW) 1. Inleiding Hierbij bericht de Minister, een ieder die op grond van een aan een buitenlandse instelling van hoger onderwijs behaalde graad, in aanmerking wil komen voor toestemming tot het voeren van een Nederlandse titel, dat het onderstaande beleid wordt gevoerd. 2. Vereiste voor behandeling van verzoeken - 2.1 Het verzoek om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur moet schriftelijk worden aangevraagd met het daarvoor bestemde aanvraagformulier waarbij een origineel uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie – afgegeven binnen zes maanden voor de indiening van het verzoek – en een kopie van de persoonsgegevens uit een geldig Nederlands of buitenlands reis- of verblijfsdocument wordt meegezonden. - 2.2 Tevens moeten gewaarmerkte kopieën van de in het buitenland gevolgde opleidingen – voortgezet en hoger onderwijs – met de daarbij behorende cijferlijsten worden meegezonden. - 2.3 Indien de opleidingsdocumenten niet in het Nederlands, Duits, Engels of Frans zijn gesteld, moet een beëdigde vertaling van de opleidingsdocumenten in één van de hiervoor genoemde talen, door de vertaler aan de opleidingsdocumenten gehecht, worden meegezonden. 3. Verificatie van de echtheid van de opleidingsdocumenten - 3.1 Met de aanvraag verleent de aanvrager de Minister toestemming tot het verifiëren van de opleidingsdocumenten bij de bevoegde buitenlandse instanties en tevens tot het laten verrichten van technisch onderzoek van de originele opleidingsdocumenten. - 3.2 Tijdens de behandeling van het verzoek kan de aanvrager worden verzocht de opleidingsdocumenten te laten legaliseren. - 3.3 Indien de oplei"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178032, inzake het controlebeleid Dienst Uitvoering Onderwijs op het uitwonend zijn van studerenden met een toelage ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Inhoud maatregel De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft besloten de controle van het feit of een studerende terecht in aanmerking komt voor studiefinanciering voor een uitwonende studerende, zoals bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.6) te laten uitvoeren door de Dienst Uitvoering Onderwijs. Deze controle bestaat uit de volgende stappen: Eerst vergelijkt de Dienst Uitvoering Onderwijs het door de uitwonende studerende zelf als woonadres opgegeven adres met de adresgegevens van zijn ouders. Deze vergelijking geschiedt via gegevens die de Dienst Uitvoering Onderwijs reeds van deze ouders heeft of, bij het ontbreken ervan, via uitwisseling met de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Indien uit deze bestandsvergelijking blijkt dat de adressen van de uitwonende studerende en van (een van) zijn ouder(s) overeenkomt, vindt nadere controle plaats. Komen de adressen van ouder(s) en studerende niet overeen, dan wordt de studerende beschouwd als uitwonend. Er wordt van verdere controle afgezien, zolang de studerende op hetzelfde adres blijft wonen. De nadere controle vindt plaats door het aanschrijven van de studerende. In een brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt de studerende attent gemaakt op het feit dat bovengenoemde controle heeft plaatsgevonden en dat zijn woonadres volgens de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs overeenkomt met het woonadres van (een van) zijn ouder(s). In dezelfde brief biedt de Dienst Uitvoering Onderwijs de studerende de gelegenheid om aannemelijk te maken dat hij over de gecontroleerde periode niet woonachtig is geweest"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178035, inzake de ‘Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS’ op grond van artikel 11.4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en bestemd voor leerlingen en deelnemers van 18 jaar en ouder, die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten ingevolge hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Artikel 1 In afwijking van [artikel 4.10, tweede lid, WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=4.10) kan de tegemoetkoming ingevolge [hoofdstuk 4 WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) worden toegekend met terugwerkende kracht tot en met de eerste dag van het desbetreffende schooljaar. De overige bepalingen van de WTOS blijven onverkort van toepassing. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt met ingang van 1 januari 2010 in werking."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178048, inzake de ‘Buiteninvorderingstelling lesgeld asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen’ op grond van artikel 9b Les- en cursusgeldwet (LCW) is bestemd voor asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen, die lesgeld dienen te betalen en voor buiteninvorderingstelling hiervan in aanmerking willen komen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *lesgeld:* het lesgeld, bedoeld in [artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=3); - *lesgeldplichtige vreemdeling:* vreemdeling die op grond van [artikel 8, onderdelen f, g, h, j of k, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijft, en die lesgeldplichtig is op grond van [artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=3); - *schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daarop volgend; - *WSF 2000:* [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); - *WTOS:* [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Artikel 2. Voorwaarden 1. Voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van het verschuldigde lesgeld komt een lesgeldplichtige vreemdeling in aanmerking die voldoet aan de volgende voorwaarden: - a. de lesgeldplichtige vreemdeling komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in het lesgeld op grond van de [WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) of de [WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); en - b. de lesgeldplichtige vreemdeling is niet in staat het verschuldigde lesgeld geheel dan wel gedeeltelijk te voldoen. 2. Van een situatie bedoeld in het eerste lid onder b is sprake indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. de"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 april 2024, nr. HO&S/1532615, inzake migrerend werknemerschap en studiefinanciering (Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering) Studiefinanciering en migrerend werknemerschap Studenten met een nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn,1Dit geldt onder meer voor studenten uit de landen die, naast de EU-lidstaten, behoren tot de Europese Economische Ruimte, en voor studenten uit Zwitserland. kunnen net als Nederlandse studenten in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering,2Artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet studiefinanciering 2000. indien zij, hun ouders of hun partner aangemerkt worden als migrerend werknemer. Dit geldt ook voor scholieren van 18 jaar of ouder.3Artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Als zij, hun ouders of hun partner migrerend werknemer zijn kunnen zij net als Nederlandse scholieren van 18 jaar of ouder in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Het begrip ‘migrerend werknemer’ is niet vastomlijnd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft een ruim kader geschetst, waarbinnen de toetsing van het feit of een persoon als een migrerend werknemer moet worden beschouwd, zich dient te bewegen. Het kernelement van deze toetsing is het nagaan of een werknemer reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Vereist is dat gedurende een bepaalde tijd, voor een ander en onder diens gezag in loondienst werkzaamheden worden verricht. De student die als migrerend werknemer wil worden aangemerkt moet in ieder geval een arbeidsovereenkomst hebben afgesloten, de daarin overeengekomen hoeveelheid uren werken en daarvoor loon on"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 juni 2012, nr. IvhO/418788, betreffende de uitleg van de termen ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, in verband met de toepassing van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969, bij overtreding van de vrijstellingsgronden van geregeld schoolbezoek als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, en artikel 14, derde lid, eerste volzin, van de Leerplichtwet 1969 (Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet 1969) Artikel 1. Specifieke aard van het beroep Op grond van [artikel 11, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=11), en [13a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=13a) (Leerplichtwet) is om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan vanwege het specifieke beroep van één van de ouders, éénmaal vrijstelling van geregeld schoolbezoek mogelijk voor ten hoogste tien dagen per schooljaar. Dit verlof kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het jaar. Voor een kwalificatieplichtige jongere kan slechts verlof worden verleend voor een evenredig deel van het aantal dagen dat deze verplicht is onderwijs te volgen. Het hoofd van de school of instelling kan hiervoor verlof verlenen. Bij het begrip ‘specifieke aard van het beroep’ bedoeld in [artikel 11, onderdeel f, van de Leerplichtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=11) dient voornamelijk te worden gedacht aan seizoensgebonden werkzaamheden, resp. werkzaamheden in bedrijfstakken die een piekdrukte kennen, waardoor het voor het gezin feitelijk onmogelijk is om in die periode een vakantie op te nemen. Het moet redelijkerwijs te voorzien zijn (en/of worden aangetoond) dat een vakantie in de schoolvakanties tot onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zal leiden."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 juni 2016, nr. WJZ/1013167 (7544), inzake het aanwijzen van rijksmonumenten en het wijzigen van het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.4 van de Erfgoedwet (Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet) Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Minister:* minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *monument:* monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - *archeologisch monument:* archeologisch monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - *aanwijzingsprogramma:* programma met als doel het op gestructureerde wijze uitbreiden van het rijksmonumentenbestand met een daarin nog niet vertegenwoordigde categorie monumenten of archeologische monumenten aan de hand van een overzicht van monumenten of archeologische monumenten die de Minister voornemens is op grond van [artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.1) aan te wijzen als rijksmonument; - *rijksmonumentenbestand:* het geheel van in het rijksmonumentenregister ingeschreven rijksmonumenten; - *verbeterprogramma:* programma met als doel het rijksmonumentenbestand of rijksmonumentenregister met betrekking tot een bepaalde categorie monumenten of archeologische monumenten op gestructureerde wijze te verbeteren aan de hand van een overzicht van: - a. monumenten of archeologische monumenten die de Minister voornemens is op grond van [artikel 3.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.1) aan te wijzen als rijksmonument, - b. rijksmonumenten die de Minister voornemens is op grond van [artikel 3.4, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wette"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 mei 2021 nr. MBO/25782734, houdende beleid over de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning als bedoeld in artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor opleidingen overige educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Beleidsregel diploma-erkenning opleidingen overige educatie (2021)) Artikel 1. Beleidsregel De beleidsregel voor het beslissen op aanvragen tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning als bedoeld in [artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4a.1) voor opleidingen overige educatie als bedoeld in [artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1) wordt vastgesteld overeenkomstig de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045183) bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking vorige beleidsregel De [Aanvraagprocedure diploma-erkenning voor opleidingen Nederlandse taal en/of rekenen en digitale vaardigheden (overige educatie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044193) van 5 oktober 2018 (Staatscourant 2018, 55481) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770) in werking treedt. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel diploma-erkenning opleidingen overige educatie (2021)."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 april 2024. Nr. MBO/45666836, houdende een uitleg van de regels voor het aanbieden van oriëntatieprogramma’s aan mbo-studenten op de niveaus 2, 3 en 4 Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *beroepsopleiding:* opleiding als bedoeld in de [artikelen 7.1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.2), en [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) of artikel juncto [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.2), gericht op het behalen van een kwalificatie als bedoeld in de [artikelen 7.1.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.3) respectievelijk [7.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.1.3); - b. *bevoegd gezag:* rechtspersoon of orgaan als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) en [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1); - c. *beroepspraktijkvorming:* onderricht in de praktijk van het beroep als bedoeld in [artikel, 7.2.8, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.8) en respectievelijk [artikel 7.2.7, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.7); - d. *instelling:* regionaal opleidingscentrum of beroepscollege; - e. *LOB:* loopbaanoriëntatie en -begeleiding als bedoeld in [artikelen 1.3.5, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.5"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 maart 2025, nr.1667475, houdende voorwaarden waaronder bekostigde HO- en MBO-instellingen met publieke middelen mogen investeren in private activiteiten (Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten 2025) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *bevoegd gezag:* rechtspersoon die een regionaal opleidingencentrum of een beroepscollege in stand houdt als bedoeld in [artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.3), dan wel instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, aanhef en eerste streepje, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - b. *integrale kostprijs:* kostprijs als bedoeld in [artikel 25i, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25i) en die bestaat uit álle kosten die samenhangen met de private activiteit; - c. *investeren met publieke middelen:* aanwenden van publieke middelen in welke vorm dan ook; - d. *marktconform tarief:* het tarief dat voor een private activiteit in rekening wordt gebracht en dat overeenkomt met wat gegeven de marktomstandigheden redelijk is; - e. *private activiteiten:* alle activiteiten die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag worden uitgevoerd en die niet tot de wettelijke taak kunnen worden gerekend; - f. *publieke middelen:* middelen verkregen ten laste van de rijksbegroting of anderszins uit hoofde van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen bestemd om de wettelijke taak te verrichten, alsmede de opbrengsten daarvan en de voorzieningen die met deze middelen of heffingen zijn of worden gefinancierd, zoals de huisvesting en het personeel; - g. *wettelijke taak:* taak van het bevoegd gezag of de onderwijsinstelling zoa"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 april 2021, nr. 26561189, houdende beleid over de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Beleidsregel diploma-erkenning niet-bekostigde beroepsopleidingen (2021)) Artikel 1. Beoordelingskader Bij de beoordeling van aanvragen tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen, het verlengen en het intrekken daarvan, als bedoeld in [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) wordt gehandeld overeenkomstig de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045128) bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking vorige beleidsregels De beleidsregels: - a. [Aanvraagprocedure diploma-erkenning bol/bbl voor niet bekostigde instellingen voor het beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042118) (Staatscourant 2015, 3374); en - b. [Procedures van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het aanvragen van diploma-erkenning voor een beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044196) (Staatscourant 2018, 69651), worden ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvraagprocedure diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen (2021)."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2015, nr. WJZ/785850 (10601), over het erkennen van buiten Nederland gelegen monumenten die verband houden met het Nederlands cultureel erfgoed en die voldoen aan de criteria voor aanwijzing als rijksmonument, in verband met aftrek van uitgaven voor die monumenten in de inkomstenbelasting (Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *monument:* monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - *rijksmonument:* rijksmonument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1). Artikel 2. Reikwijdte De minister kan op aanvraag van een eigenaar van een onroerend monument dat gelegen is op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een erkenning verstrekken inhoudende dat: - a. dit monument verband houdt met het Nederlands cultureel erfgoed; en - b. het in aanmerking zou komen voor aanwijzing als rijksmonument als het monument op het grondgebied van Nederland had gelegen. Artikel 3. Voorwaarden De minister verstrekt een erkenning alleen indien de aanvrager aantoont dat het monument voldoet aan de criteria, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036824&artikel=4&z=2016-07-01&g=2016-07-01). Artikel 4. Beoordelingscriteria 1. Een monument komt slechts in aanmerking voor erkenning indien het monument: - a. van algemeen belang is voor Nederland vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; - b. kan worden aangemerkt als: - 1° een evidente mijlpaal van Nederlandse architectuur, stedenbouw, landinrichting, bouwtech"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2026, nr. MBO/58212753, houdende beleid over de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend tot het behandelen en beoordelen van aanvragen voor het recht op diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 11.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Beleidsregel aanvraagprocedure diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen 2026) Artikel 1. Beoordelingskader Bij de behandeling en beoordeling van aanvragen voor een erkenning voor niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 11.1.1 van de Wet edu.catie en beroepsonderwijs, wordt gehandeld overeenkomstig de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052849) bij deze beleidsregel. Artikel 2. Intrekking vorige beleidsregel De [Beleidsregel aanvraagprocedure diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen (2021)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045128) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvraagprocedure diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen 2026."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juni 2014, nr. HO&S/633048, inzake het ruilen van bewijzen van toelating voor numerusfixusopleidingen in het hoger onderwijs (Beleidsregel ruilen bewijzen van toelating ho 2014) 1. Inleiding De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laat de ruiling van bewijzen van toelating voor numerusfixusopleidingen in het hoger onderwijs uitvoeren door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), vestiging Groningen. DUO beschikt namelijk over de informatie die nodig is voor een ruiling: de ene kandidaat heeft een bewijs van toelating voor instelling A en wil naar B, de andere kandidaat heeft een bewijs van toelating voor instelling B en wil naar A. Deze beleidsregel vervangt de beleidsregel van [17 december 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027025), nr. HO&S/BS/2009/177907, inzake het Ruilen van bewijzen van toelating 2010 (gepubliceerd in Stcrt. 2009, 20662, van 31 december 2009) die op 1 januari 2014 is vervallen. 2. Procedure Voor een ruiling geldt de volgende procedure: De kandidaat die is ingeloot en die in aanmerking wil komen voor een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere instelling dan waarvoor hij een bewijs van toelating heeft ontvangen, dient bij DUO, Afdeling Loting, via de ruilapplicatie (de ruilbeurs) op de website van DUO een verzoek tot ruiling in. De ruilverzoeken worden op volgorde van binnenkomst behandeld. Via www.studielink.nl wordt de lotingsuitslag bekendgemaakt. De kandidaat kan vanaf de datum van vrijgave van de lotingsuitslag zien bij welke instelling hij is geplaatst. De ruilbeurs gaat op de eerste werkdag na de lotingsuitslag om 10.00 uur open. DUO moet het verzoek tot ruiling binnen twee weken na dagtekening van het bewijs van toelating hebben ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzoek tot ruiling sluit uiterlijk op 15 september. De kandidaat dient te voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden die worden gesteld door de instelling wa"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 juli 2026, nr. WJZ/1853084 (29021), over de frictiekostenvergoeding aan de landelijke publieke mediadiensten 2025–2028 (Beleidsregel frictiekosten 2025–2028) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *CAO SR:* CAO Sociale Regeling voor het omroeppersoneel 1 juli 2025 – 30 juni 2030; - *Commissariaat:* Commissariaat voor de Media; - *landelijke publieke mediadienst:* - – landelijke publieke media-instelling, niet zijnde een samenwerkingsomroep als bedoeld in [artikel 2.24a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.24a); - – omroepvereniging die is vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep als bedoeld in [artikel 2.24a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.24a); en - – NPO. - *Minister:* Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Frictiekosten 1. Als frictiekosten worden uitsluitend aangemerkt personeelskosten en overige kosten voor de boekjaren 2025–2028 die: - a. doelmatig en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bezuinigings- en reorganisatieplannen van de landelijke publieke mediadiensten als gevolg van de opgelegde overheidsbezuinigingen; - b. zijn genoemd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052835&bijlage=1&z=2026-09-03&g=2026-09-03) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052835&bijlage=2&z=2026-09-03&g=2026-09-03); en - c. die niet in verband staan met de doorlopende activiteiten van de landelijke publieke mediadienst. 2. Personeelskosten als bedoeld in het eerste lid die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de medewerkers van de landelijke publieke mediadienst voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028 dienen in overeenstemming te zijn met de CAO SR en de aldaar genoemde bedragen niet te overschrijden. 3. Kosten van een vrijwillige vertrekregeling kunnen slechts worden aangemerkt als pe"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 november 2009, nr. WJZ/165713 (8251), inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma’s van omroepinstellingen (OCW-beleidsregel inzake niet verstrekken financiële bijdragen coproducties) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *coproductie:* een programma waaraan meerdere partijen, waaronder in elk geval een omroepinstelling enerzijds en een ministerie dan wel een bestuursorgaan behorend tot de rijksoverheid anderzijds, op basis van een door alle partijen goedgekeurd scenario of uitgewerkte synopsis een inhoudelijke of financiële bijdrage hebben geleverd; - *programma:* een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verstrekt geen financiële bijdragen met het oog op de vervaardiging, aankoop of verspreiding van een coproductie of een ander programma. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: OCW-beleidsregel inzake niet verstrekken financiële bijdragen coproducties."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 11 november 2020, nr. 25767002, houdende de taakuitoefening van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (Beleidsregel taakuitoefening NWO) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *KNAW-instituten:* instituten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen; - *NWO:* Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; - *NWO-instituten:* instituten van NWO; - *Nationale Wetenschapsagenda:* het NWO-programma ‘de Nationale Wetenschapsagenda’; - *umc:* academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de [bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682); - *universiteiten:* universiteiten als bedoeld in de onderdelen a, b en h van de [bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682); - *VSNU:* Vereniging van Universiteiten; - *wet:* [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191). Artikel 2 1. De uitvoering van de taak van NWO, bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=3) heeft mede betrekking op het toewijzen van financiële middelen aan universiteiten, umc’s, NWO-instituten en KNAW-instituten. Deze financiële middelen zijn bestemd voor onderzoekers van deze instellingen: - a. van wie het onderzoek vertraging heeft opgelopen door de veranderde werkomstandigheden als gevolg van de uitbraak van COVID-19, - b. die zich in de laatste fase van hun tijdelijke aanstelling bevinden, en - c. die hun onderzoeksopzet niet meer kunnen aanpassen. 2. Voor het uitvoeren van de taak, bedoeld in het eerste lid, stelt de NWO eenmalig € 20 miljoen van de aan haar toegekende rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 19, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=19) voor het kalenderjaar"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2014, nr. 2014-0000098169, tot vaststelling van de regels omtrent de openbaarmaking van inspectiegegevens door de Inspectie SZW bij zware of ernstige asbestovertredingen (Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op de volgende overtredingen: de [artikelen 4.45, eerste lid en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.45a), [4.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.46), [4.47a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.47a), [4.48a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.48a), [4.50, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.50), [4.51a, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.51a), [4.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54), [4.54a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54a) en [4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54d). Artikel 1a Deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 3.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.1). Artikel 2 1. Het besluit tot openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035357&artikel=3&z=2022-05-01&g=2022-05-01), wordt genomen met in achtneming van [artikel 5.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.1). 2. Openbaarmaking vindt plaats op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Artikel 3 1. De Nederlandse Arbeidsinspectie maakt in geval van overtreding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035357&artikel=1&z=2022-05-01&g=2022-05-01) geno"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 april 2011, nr. KO/2011/6871, tot uitvoering van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bij het op aanvraag gelijkstellen van getuigschriften van beroepsopleidingen, die zijn vereist om te voldoen aan de kwaliteitseisen voor gastouder op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Beleidsregel gelijkstelling beroepsopleiding gastouders) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *aanvrager:* natuurlijk persoon die een aanvraag heeft ingediend voor de aanwijzing van een getuigschrift van een beroepsopleiding als identiek diploma of vergelijkbaar diploma; - b. *beroepsopleiding:* opleiding, bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, c, d, of e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) of [artikel 7.3a, eerste of tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - c. *erkenning van een beroepskwalificatie:* het aanwijzen van een beroepsopleiding waardoor de aanvrager, indien hij in het bezit is van een getuigschrift van die beroepsopleiding, voldoet aan de in [artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=13) opgenomen eis; - d. *gastouder:* gastouder, bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1); - e. *identiek diploma:* een getuigschrift van een beroepsopleiding, waarvan het curriculum identiek is aan het curriculum van een door de Minister aangewezen beroepsopleiding als bedoeld in de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10), [10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2014, 2014-0000020730, tot vaststelling van beleidsregels in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Beleidsregels boeteoplegging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs 2014) Artikel 1 Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=19) wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs’ die als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034835) bij deze beleidsregels is gevoegd. Artikel 1a Het boetenormbedrag voor overtreding van [artikel 7a, eerste lid of tweede lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=7a) wordt met 50% verhoogd, indien zich ten minste één van de volgende situaties voordoet: - a. in de vijf jaar voorafgaand aan de overtreding is eerder een overtreding van de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) geconstateerd ten aanzien van de onderneming of de inlener; - b. de overtreding is begaan door een rechtspersoon, of daarmee gelijkgestelde, waarvan een wettelijk vertegenwoordiger eerder wettelijk vertegenwoordiger was van een andere rechtspersoon, of daarmee gelijkgestelde, ten aanzien waarvan een overtreding van de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) is geconstateerd, en waarvan de bedrijfsactiviteiten of de locatie waar of van waaruit de werkzaamheden worden verricht dezelfde zijn gebleven. Artikel 2 Indien sprake is van een overtreding van [artikel 7a, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 januari 2016, 2015-0000291304, tot vaststelling van de nieuwe beleidsregel inzake ontheffing van het verbod van kinderarbeid ten einde deze beter te laten aansluiten bij de praktijk (Beleidsregel inzake ontheffing verbod van kinderarbeid 2016) Artikel 1. Ontheffing verbod van kinderarbeid 1. De verantwoordelijke persoon kan een kind arbeid doen verrichten ter naleving van een overeenkomst of in de commerciële sfeer, mits daarvoor een ontheffing is verleend. 2. Een ontheffing van het verbod van kinderarbeid, bedoeld in [artikel 3:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:3) wordt, met inachtneming van de [artikelen 3:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:4) en [3:5, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:5), op verzoek van de werkgever verleend, indien: - a. het niet-industriële arbeid van lichte aard betreft, bedoeld in [artikel 1:1 van de Nadere regeling kinderarbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007195&artikel=1:1), bestaande uit het verlenen van medewerking aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare niet-industriële arbeid van lichte aard, en - b. gewaarborgd is, dat de arbeid van het kind kan worden onderbroken of beëindigd, indien naar het oordeel van een ieder die over het betrokken kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding het kind is opgenomen dan wel van degene die de deskundige begeleiding, bedoeld in het derde lid, onder f, verzorgt, de veiligheid van het kind in gevaar komt of arbeid moet worden verricht welke een nadelige invloed kan uitoefenen op de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van dat kind. 3. Bij de aanvraag wordt door de werkgever, op een door de toezichthouder aangegeven w"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2025, nr. 2025-0000136340, over het handhavings- en sanctioneringskader ten aanzien van artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet Artikel 1. Type overtredingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *zware overtreding:* een overtreding die in de Tabellen 1 of 2 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051147&bijlage=1&z=2025-06-28&g=2025-06-28) als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt opgelegd; - b. *overtreding met directe boete:* een overtreding die in de Tabellen 1 of 2 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051147&bijlage=1&z=2025-06-28&g=2025-06-28) als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt opgelegd; - c. *een overige overtreding, oftewel een overtreding die in Tabel 1 of 2 van Bijlage 1 als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving is gegeven, of een eis tot naleving was gesteld, voordat wordt overgegaan tot boeteoplegging indien:* - i. na ommekomst van de gegeven hersteltermijn de overtreding niet ongedaan is gemaakt; of - ii. dezelfde of soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd. 2. Hiernaast geldt in deze beleidsregel als overtreding met directe boete de overtreding die de directe aanleiding is geweest voor een zwaar ongeval als bedoeld in [Bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=I) of [artikel 2.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.2). Artikel 2. Berekening bestuurlijke boete 1. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald aan de hand van het boetenormbedrag dat op de betreffende overtreding van toepassing is en het bepaalde in dit artikel. 2. De boetenormbedragen, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. de bedragen die zijn opgenomen in de Tabellen 1 en 2 van [Bijlage 1](https://wetten.overhei"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 mei 2017, nr. 2017-0000083185, tot vaststelling van het toetsingskader van verzoeken in het kader van artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv) Artikel 1. Uitgangspunten verzoeken artikel 10 Wet Avv Bij verzoeken op grond van [artikel 10, eerste of tweede lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10) worden de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0039599) bij deze beleidsregel opgenomen uitgangspunten door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerd. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2026, nr. 2026-0000126313 inhoudende de aanwijzing van inspectie-instellingen (Beleidsregel aanwijzing inspectie-instellingen Wtta) Artikel 1. Rechtspersoonlijkheid van de inspectie-instelling 1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toetst aan de hand van de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en het relevante juridisch kader, zoals voornamelijk vastgelegd in [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045), of de aanvrager rechtspersoonlijkheid heeft. 2. Bij twijfel over de vraag of een buitenlandse rechtsvorm vergelijkbaar is met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht, doet de Minister nader onderzoek naar de buitenlandse rechtsvorm. Artikel 2. Accreditatie door de Raad voor Accreditatie 1. De inspectie-instelling is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd op basis van de internationale standaard ISO/IEC 17020 en de eisen uit het normenkader, inspectieschema en deze beleidsregel (hierna gezamenlijk te noemen: het ‘Accreditatieschema’). 2. De in het buitenland gevestigde inspectie-instelling kan volstaan met het overleggen van een accreditatie op basis van het Accreditatieschema van de nationale accreditatie-instantie van het desbetreffende land. 3. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toetst aan de hand van de accreditatierapportage en het openbaar register van de Raad voor Accreditatie, dan wel een andere nationale accreditatie-instantie, indien de inspectie in het buitenland gevestigd is, of de inspectie-instelling is geaccrediteerd, of de accreditatie nog steeds geldig is, en of de accreditatie van toepassing is op de desbetreffende werkzaamheden. Artikel 3. Onafhankelijkheid van de inspectie-instelling De inspectie-instelling en haar intern en extern personeel is onafhankelijk van de te beoordelen en beoordeelde organisaties, personen of diensten. Onafhankelijk betekent dat de inspecti"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 september 2020, nr. 2020-0000128045, ten behoeve van de vaststelling van de NOW-subsidie (Beleidsregel vaststelling NOW-subsidie) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op subsidies die verstrekt worden op grond van de [Eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043340), [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043709), [Derde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044201), [Vierde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045467), [Vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045993) en [Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046304). Artikel 2 Indien de aanvrager bij het verzoek van vaststelling, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043340&artikel=14), [artikel 18, eerste lid, van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043709&artikel=18), [artikel 24, eerste lid, van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044201&artikel=24), de [artikelen 17, eerste lid, van de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045467&artikel=17), van de [Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045993&artikel=17) en [artikel 17, eerste lid, van de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046304&artikel=17), een accountantsverklaring met beperking overlegt, zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de omzetdaling lager vaststellen, rekening houdende met de gerapporteerde fouten en onzekerh"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2016, 2016-0000121520, tot vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016 (Beleidsregel liften 2016) Artikel 1 1. Deze beleidsregel geeft invulling aan punt 2.2, derde zin, van Bijlage I, essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van liften en veiligheidscomponenten, van richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96). 2. Indien het onuitvoerbaar is om met name in bestaande gebouwen voldoende vrije ruimte onder of boven in de liftschat te creëren ter voorkoming van het risico van verplettering kan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verkregen, worden uitgegaan van de volgende vrije ruimten: - a. boven de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.5, 5.6, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012 Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen; en - b. onder de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.7, 5.8, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012, Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027966), nr. G&VW/VW/2010/9012, tot vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften Beleidsregel (Stcr"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juni 2024, nr. 2024-0000154060, over het gebruik van een werkgeversrapportage bij een onderzoek naar een meldingsplichtig arbeidsongeval in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel werkgeversrapportage onderzoek meldingsplichtige arbeidsongevallen) Artikel 1. Instellen onderzoek door werkgever en opstellen werkgeversrapportage 1. Na de melding bij de toezichthouder van een arbeidsongeval als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9), en een feitenonderzoek door de toezichthouder ter plaatse, wordt de werkgever door de toezichthouder in de gelegenheid gesteld zelf een onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van het ongeval en naar aanleiding daarvan een rapportage en verbeterplan in te dienen bij de toezichthouder. 2. De rapportage en het verbeterplan vormen tezamen de werkgeversrapportage en bevatten een onderzoek naar de directe en de basisoorzaken van het ongeval alsmede concrete maatregelen tot verbetering van de arbeidsomstandigheden teneinde dergelijke ongevallen te voorkomen. De rapportage en het verbeterplan bevatten ten minste de informatie die is opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049803) bij deze beleidsregel. 3. De werkgeversrapportage wordt binnen 15 werkdagen na het verzoek tot opstellen ervan ter beoordeling aan de toezichthouder gezonden. 4. Indien de werkgeversrapportage niet binnen 15 werkdagen na het verzoek tot opstellen ervan is ontvangen, zal de toezichthouder de werkgever de gelegenheid bieden de werkgeversrapportage alsnog binnen 10 werkdagen toe te zenden. 5. Indien een werkgever op grond van het vierde lid in de gelegenheid is gesteld om de werkgeversrapportage alsnog toe te zenden en de werkgeversrapportage niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, hervat de toezichthouder het ongevalsonderzo"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juni 2021, nr. 2021-0000026520, tot vaststelling van beleidsregels op grond van de Wet arbeid vreemdelingen BES (Beleidsregel RCN-Unit SZW toepassing arbeidsmarkttoets Wav BES Bonaire) Paragraaf 1. Inleiding In de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Wav BES) is bepaald op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de lokale arbeidsmarkt plaatsvindt. Doel van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is de bescherming van de lokale arbeidsmarkt, het tegengaan van verdringing van lokale arbeidskrachten en het tegengaan van illegale tewerkstelling. Doordat een tewerkstellingsvergunning voor werknemers van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen wordt afgegeven als geen lokaal aanbod aanwezig is, krijgen lokale arbeidskrachten de kans om te werken en in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast moet de Wav BES de arbeidsverhoudingen beschermen en oneerlijke concurrentie tegengaan door te borgen dat arbeidsmigranten marktconform beloond worden en ten minste het minimumloon ontvangen. [Artikel 5, zevende lid, onderdeel b, van de Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5) biedt de mogelijkheid een aanvraag voor tewerkstellingsvergunning onmiddellijk in behandeling te nemen, indien Onze Minister van oordeel is dat het vanwege het specifieke karakter van de werkzaamheden op voorhand duidelijk is dat voor de desbetreffende arbeidsplaats geen arbeidskrachten beschikbaar zijn op de lokale arbeidsmarkt. Op basis van het ‘Advies omtrent beroepenlijst uitzonderingen arbeidsmarkttoets’ van de Raad Onderwijs en Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) blijkt dat voor bepaalde categorieën functies op Bonaire geen opleiding aanwezig is en lokaal aanbod van arbeid ontbreekt. Daarnaast stelt ROA CN vast dat er ten aanzien van een aantal functies wel opleidingsmogelijkheden zijn op"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. 2015-0000174557, van 22 juli 2015, houdende vaststelling van een Beleidsregel inzake het handhaving- en sanctioneringskader van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 onderdeel arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel handhaving- en sanctioneringkader Besluit risico’s zware ongevallen 2015 arbeidsomstandighedenwetgeving) Artikel 1. Handhavingsbeleid De toezichthouder maakt het handhavingsbeleid [Besluit risico’s zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791) bekend. Dit handhavingbeleid is uniform en gelijk voor alle bedrijven die vallen onder genoemd besluit. Artikel 2. Type overtredingen In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen overtredingen: - a. een overtreding met directe boete, oftewel een overtreding die in tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete volgt, en - b. een overige overtreding, oftewel een overtreding die in tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) als OO is aangemerkt en waarop tot boeteoplegging wordt overgegaan indien: - 1°. een hersteltermijn is gegeven en na ommekomst daarvan de overtreding niet ongedaan is gemaakt; of - 2°. nadat dezelfde of soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd. Artikel 3. Boete- en tarieflijst 1. In tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) is voor elk artikel of artikellid of onderdeel waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd op grond van [artikel 17, tweede lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791&artikel=17), aangegeven welk type overtreding het betreft. 2. Met uitzondering van de in de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 10 mei 2012, nr. 2012-0000041275, DGPolitie/Programma Personeel en Materieel, houdende de te volgen stappen bij de organieke matching bij de politie (beleidsregel Instructie organieke matching) Artikel 1 Het proces van organieke matching dat voorafgaat aan de overgang naar een LFNP functie geschiedt op de wijze die is beschreven in de Instructie organieke matching die als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031608&bijlage=1&z=2013-05-17&g=2013-05-17) met de daarbij behorende 5 bijlagen bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 31 januari 2012. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregel Instructie organieke matching."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter Artikel 1 1. Indien gedurende het beroep of het hoger beroep bij een bestuursrechtelijk college een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn door een bestuursrechter, met uitzondering van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ziet de Minister van Veiligheid en Justitie af van het voeren van schriftelijk of mondeling verweer. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: - a. gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, of gelet op het aantal partijen, met een forfaitaire toekenning naar verwachting in totaal een immateriële schadevergoeding van meer dan € 5.000,– zal worden toegekend; - b. belangrijke nieuwe rechtsvragen ten aanzien van de toekenning van immateriële schadevergoeding aan de orde zijn; 3. Deze beleidsregel ziet niet op zaken waarin door de Minister van Veiligheid en Justitie hoger beroep is ingesteld tegen een in eerste aanleg gegeven beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2014"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake de instemming met tarieven van luchtvaartmaatschappijen als bedoeld in het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Niet-communautaire luchtvaartmaatschappij:* een luchtvaartmaatschappij die niet beschikt over een geldige, door een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PbEG L 293/3) afgegeven exploitatievergunning. Artikel 2 De beleidsregel is van toepassing op het verzoek om instemming met tarieven van niet-communautaire luchtvaartmaatschappijen als bedoeld in het [Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004913). Artikel 3 1. Onverminderd [artikel 5 van het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004913&artikel=5) keurt de Minister van Verkeer en Waterstaat tarieven van luchtvaartmaatschappijen goed indien deze in redelijke verhouding staan tot de volledig toegerekende kosten op lange termijn van de aanvragende luchtvaartmaatschappij met inachtneming van andere relevante factoren. 2. Als andere relevante factoren, als bedoeld in het eerste lid, gelden in ieder geval: - a. de behoefte van de consumenten; - b. de noodzaak van een bevredigende opbrengst van de investering; - c. de concurrentie op de markt, inclusief de tarieven van de andere luchtvaartmaatschappijen die dezelfde route bedienen; en - d. de noodzaak om dumping te voorkomen. 3. Het feit dat een voorgesteld tarief lager is dan de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen, is geen voldoende reden om de goedkeuring te weigeren. Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van het Besluit van 5 maart 2009, houdende wijziging van het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer en enkele andere besluiten in werking treedt."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen personenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob) Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Bureau Bibob*: Bureau, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8) en [9, eerste lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - b. *Minister*: Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. *Wet Bibob*: [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - d. *Besluit Bibob*: Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; - e. *misdrijf*: strafbare feiten als bedoeld in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) en artikel 2, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, van de Wet economische delicten; - f. *strafbaar feit*: feit dat aanleiding kan zijn tot strafvervolging en is bedreigd met een strafrechtelijke sanctie; - g. *vergunning*: vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer, taxivervoer, openbaar vervoer per trein en openbaar vervoer anders dan per trein als bedoeld in [artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4). Artikel 1.2 Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de strafbare feiten die de Minister relevant acht voor het begrip ernstig gevaar als bedoel in [artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3) en voor een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in [artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3); - b. de belangen die in de afweging van"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat omtrent de uitleg van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *beheerder:* beheerder als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - b. *gerechtigde:* gerechtigde als bedoeld in [artikel 57 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57); - c. *Onze Minister:* Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 1. [Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17) is van toepassing indien: - a. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur wordt uitgevoerd op verzoek van derden dan wel op eigen initiatief, en - b. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert. 2. [Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17) is ook van toepassing bij twijfel of er sprake is van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Artikel 3 Van een aanmerkelijke wijziging in de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027834&artikel=2&z=2010-07-02&g=2010-07-02), is in ieder geval sprake bij: - a. het saneren van een hoofdspoorweg of van gedeelten daarvan; - b. het saneren van een spoorwegemplacement, zijnde een als zodanig aangewezen deel van de hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=1), of van gedeelten daarvan; - c. het aanleggen van een nieuw station; - d. het realiseren van een uitbreiding van een hoofdspoorweg; -"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 juni 2022, 3373903-1030201-VGP, houdende nadere invulling van de artikelen 18, 19 en 20 van Verordening (EG) 178/2002 (Beleidsregel nadere invulling Verordening (EG) 178/2002) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Verordening (EG) 178/2002:* Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); - – *Uitvoeringsverordening (EU) 931/2011:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 931/2011 van de Commissie van 19 september 2011 inzake de traceerbaarheidsvoorschriften die bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld (PbEU 2011, L 242); - – *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 1. De informatie, bedoeld in artikel 18, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 178/2002, omvat ten minste de volgende gegevens: - – naam en adres van de leverancier en identificatie van de aangeleverde producten; - – naam en adres van de afnemer en identificatie van de afgeleverde producten; - – datum en, indien nodig, tijdstip van de levering; - – volume, indien van toepassing, of hoeveelheid van de geleverde producten. 2. De systemen en procedures, bedoeld in artikel 18, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 178/2002, zijn voldoende ingericht indien zij nauwkeurig en binnen vier uren de informatie, bedoeld in het eerste lid, kunnen opleveren aan de NVWA. Artikel 3 De exploitant van een levensmiddelenbedrijf is in staat de informatie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 931/2011, binnen vier uren aan de NVWA te verstrekken. Artikel 4"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 april 2022, kenmerk 3345756-1027149-WJZ, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake gunstbetoon als bedoeld in artikel 6 van de Wet medische hulpmiddelen (Beleidsregels gunstbetoon Wet medische hulpmiddelen) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 6 van de Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6); Besluit de volgende beleidsregel vast te stellen met betrekking tot het begrip gunstbetoon als bedoeld in de [Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6): 1. Inleiding De beslissing tot het toepassen van een medisch hulpmiddel of een medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek moet zijn gebaseerd op gezondheidsbelangen. De kwaliteit van zo’n beslissing dient niet op onwenselijke wijze te worden beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten. Deze gedachte heeft geleid tot de opneming van artikel 6 over gunstbetoon in de [Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755) (hierna: Wmh). In de onderhavige beleidsregels worden de inhoud en reikwijdte van het begrip gunstbetoon meer concreet gemaakt. Deze beleidsregels zullen door de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gehanteerd bij het toezicht op de naleving van [artikel 6 Wmh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6). Onder gunstbetoon wordt verstaan het ‘door een leverancier in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen aan een natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel of van een medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek, of aan een instelling of zorgverzekeraar met het kennelijke doel de verkoop van een medisch hulpmiddel of medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek te bevorderen’ ([artikel 6, eerste lid"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2025, kenmerk 4299709-1091532-GMT, over de meldplicht tijdelijke leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen (Beleidsregel meldplicht tijdelijke leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen) Artikel 1. Definities In aanvulling op [artikel 1, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - *afnemer:* groothandelaren wanneer geneesmiddelen via diens groothandelsactiviteiten bij de apotheek komen, een apotheek wanneer geneesmiddelen door de handelsvergunninghouder direct worden afgeleverd aan de apotheek zonder tussenkomst van groothandelaren, of anderen die bevoegd zijn om geneesmiddelen ter hand te stellen; - *inspectie:* Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; - *meldpunt:* het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten; - *registratienummer:* een door het College toegekend Register Verpakte Geneesmiddelen (RVG)-nummer of een door het Bureau toegekend registratienummer (EU-). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is alleen van toepassing op het opschorten van de handel van geneesmiddelen door de handelsvergunninghouder aan de afnemer bedoeld in [artikel 49, zevende lid, onderdeel a van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49). Artikel 3. Concretisering van de term opschorting van de handel 1. Met een opschorting van de handel als bedoeld in [artikel 49, zevende lid, onderdeel a, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49) wordt bedoeld een opschorting van de handel van een geneesmiddel waarbij de handelsvergunninghouder verwacht een periode van 14 kalenderdagen of langer gedeeltelijk of volledig niet aan de vraag van de afnemer te kunnen voldoen. 2. Een opschorting van de handel van een geneesmiddel dient gemeld te worden voor ieder geneesmiddel per registratienummer op het niveau van farmaceutische vorm en sterkte. 3. Indien"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 mei 2022, 3357024-1028239-VGP, houdende het vaststellen van een actielimiet en een limietwaarde voor tetrodotoxine in levende tweekleppige weekdieren (Beleidsregel Warenwet TTX in levende tweekleppige weekdieren 2022) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *tweekleppige weekdieren:* tweekleppige weekdieren als gedefinieerd in bijlage I, punt 2.1, van verordening (EG) 853/2004; - – *NVWA:* de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - – *partij:* partij levende tweekleppige weekdieren; - – *productiegebied:* productiegebied als bedoeld in [artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034872&artikel=2); - – *TTX:* tetrodotoxine; - – *uitvoeringsverordening (EU) 2019/627:* Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie wat officiële controles betreft (PbEU 2019, L 131); - – *verordening (EG) 853/2004:* Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); - – *verordening (EU) 2017/625:* Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (E"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3140562, inzake de huisartsentarieven per 2013 Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit voert de uitkomsten van de in het jaar 2012 afgeronde onderzoeken inzake de praktijkkosten en inkomens van huisartsen niet door in de huisartsentarieven per 2013. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2025, kenmerk 4248897-1090174-GMT, over de verlening van Opiumontheffingen (Beleidsregel Opiumontheffing 2026) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8), [8h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8h) en [8i van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8i); Besluit: Vastgesteld wordt de navolgende beleidsregel voor de beslissing op aanvragen voor Opiumontheffingen. Deze bevat een uitwerking van de in de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) genoemde criteria die worden gehanteerd bij de beslissing op een aanvraag voor een Opiumontheffing. Tevens is aangegeven welke beperkingen en voorschriften aan een Opiumontheffing (kunnen) worden verbonden. Ook worden de tarieven genoemd, die verbonden zijn aan het verkrijgen van een Opiumontheffing. Uitgangspunt bij een aanvraag voor een Opiumontheffing is dat de noodzakelijkheid van deze Opiumontheffing wordt aangetoond. Hierbij geldt dat indien er alternatieve mogelijkheden zijn – dat wil zeggen dat het doel redelijkerwijs kan worden bereikt zonder gebruik te maken van Opiumwetmiddelen – de noodzaak in beginsel niet aangetoond is. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 1. Criteria verbonden aan de doeleinden genoemd in artikel 8, eerste lid, van de Opiumwet De criteria die worden gehanteerd bij de beslissing op een aanvraag voor een Opiumontheffing zijn de volgende: Opiumontheffing dient het belang van de volksgezondheid of gezondheid van dieren ( artikel 8, eerste lid, onder a Opiumontheffingen in het belang van de volksgezondheid kunnen enkel worden verleend aan partijen die namens of op verzoek van een overheidsorganisatie handelingen met Opiumwetmiddelen uitvoeren"},{"b":"Beleidsregel van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2009, nr. DWJZ/BWJP-2885174, inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma's van omroepinstellingen Artikel 1 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt geen financiële bijdragen met het oog op de aankoop, totstandkoming dan wel uitzending van een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1), indien een zodanig programma inhoudelijk de behandeling van één of meer onderwerpen op het terrein van het ministerie tot onderwerp heeft. Artikel 2 Deze beleidsregel is niet van toepassing op het verstrekken van financiële bijdragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn verstrekt of toegezegd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel VWS niet verstrekken bijdragen omroepprogramma’s."},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2018, kenmerk 1373081-178634-PZo, inzake de Wlz-tarieven Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit gebruikt een uitgevoerd kostenonderzoek slechts voor de vaststelling van tarieven voor bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) omschreven zorg indien in dat onderzoek, de extra kosten in verband met het voldoen aan de door het Zorginstituut Nederland op grond van [artikel 11a, tweede lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11a) in een openbaar register opgenomen kwaliteitsstandaard voor die vorm van zorg zijn meegenomen. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit kan in afwijking van het eerste lid, een uitgevoerd kostenonderzoek, waarin voor een vorm van zorg de extra kosten, bedoeld in het eerste lid niet zijn meegenomen, gebruiken voor de vaststelling van tarieven voor die vorm van zorg indien die extra kosten: - a. in een aanvulling op dat kostenonderzoek zijn meegenomen; of - b. door de Nederlandse Zorgautoriteit op andere passende wijze bij die vaststelling van tarieven in aanmerking worden genomen. 3. De Nederlandse Zorgautoriteit gebruikt een uitgevoerd kostenonderzoek niet voor de vaststelling van hogere tarieven over een jaar voor bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) omschreven zorg indien: - a. zij op grond van een aanwijzing als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), voor dat jaar geen uitvoering geeft aan een tariefkorting voor bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) omschreven zorg; - b. een voorgenomen aanwijzing met een tariefkorting voor dat jaar voor bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) omschreven zorg waarvan"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2019, kenmerk 1516264-189438-PG, over regels voor de verstrekking van een tegemoetkoming in verband met de grote gevolgen van de Q-koortsuitbraak (Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts 2019) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Q-koorts:* infectieziekte die kan overgaan van dieren op mensen, veroorzaakt door de bacterie *Coxiel/a burnetii;* - *Q-koortsuitbraak:* de uitbraak van Q-koorts in Nederland in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010; - *Q-koortspatiënt:* een nog in leven zijnde natuurlijke persoon die in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 in Nederland is besmet met Q­ koorts; - *chronische Q-koorts:* aandoening met langdurige ernstige klachten als gevolg van een acute Q-koortsinfectie, die blijkens bloedonderzoek heeft geleid tot een chronische infectie; - *Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS):* aandoening met ten minste zes maanden voortdurende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q­ koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, en niet door andere oorzaken te verklaren zijn; - *QVS gelijkend ziektebeeld:* op QVS gelijkend ziektebeeld met ten minste zes maanden durende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q-koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, die niet afdoende door andere oorzaken te verklaren zijn; - *nabestaanden:* - 1° de ten tijde van het overlijden niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner, of de levensgezel die ten tijde van het overlijden met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde; - 2° bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde persoon, de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; - 3° bij ontstentenis van de onder 1° en 2° bedoelde personen, de overige bloedverwanten van de overledene in de eerste graad. - *Minister:* Minister voor Medische Zo"},{"b":"Beleidsregel van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 2024, nr. ILT-2024/44393, houdende regels tot vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van artikel 120 van de Woningwet en artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Beleidsregel boeteoplegging verkoop en oplevering woning zonder geldig energielabel 2024-2) Artikel 1. Berekening van de bestuurlijke boete 1. Deze beleidsregel is van toepassing op overtredingen als bedoeld in [artikel 120, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120), voor zover de overtreding betrekking heeft op het verkopen en opleveren van een woning zonder geldig energielabel als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27). 2. Voor een overtreding begaan door een natuurlijke persoon bedraagt de boete per verkochte of opgeleverde woning zonder geldig energielabel het bedrag van de eerste categorie, als bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23). 3. Voor een overtreding begaan door een rechtspersoon bedraagt de boete 200% van het bedrag bedoeld in het tweede lid, per verkochte of opgeleverde woning zonder geldig energielabel. 4. Onder een geldig energielabel wordt verstaan een energielabel dat overeenkomstig [artikel 5.11 van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=5.11) is verstrekt en waarvan de opname van de gegevens minder dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 6.29, vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.29). 5. Indien een overtreding wordt begaan door meerdere natuurlijke en/of rechtspersonen, wordt aan allen een boete opgelegd, waarbij het boetebedrag gelijkelijk over hen wordt ve"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *G5-gemeenten:* gemeente Amsterdam, de gemeente Almere, de gemeente Den Haag, de gemeente Rotterdam en de gemeente Utrecht; - *minister:* minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - *noodplan:* plan van bevoegde gezagsorganen en gemeenten in de G5-gemeenten betreffende noodmaatregelen lerarentekort genaamd Noodplan lerarentekort Amsterdam, Actie in perspectief (Den Haag), Slim organiseren (Rotterdam), Actieplan Utrecht Leert of Noodplan lerarentekort Almere; - *school:* school als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *WEC:* [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - *WPO:* [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Artikel 2. Doel experiment Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken: - a. welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043523&artikel=3&z=2024-07-12&g=2024-07-12), onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen; en - b. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving."},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 februari 2020, nr. PO/BenS/17873009, houdende regels voor een experiment ruimte in onderwijstijd in het basisonderwijs (Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - *experiment:* het experiment ruimte in onderwijstijd bedoeld in artikel 2; - *Onze Minister:* de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - *school:* school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - *Wpo:* [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Artikel 2. Het experiment ruimte in onderwijstijd Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan het experiment mag op die school afwijken van: - a. de voorschriften omtrent vakanties die zijn vastgesteld op grond van [artikel 15, tweede lid, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=15); - b. het bepaalde ten aanzien van het aantal dagen en uren onderwijs aan leerlingen in [artikel 8, negende lid, aanhef, onderdeel b, subonderdelen 1° en 2°, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), met dien verstande dat leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen; en - c. [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 3, derde en vierde lid, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), met dien verstande dat hiervan in ieder schooljaar voor ten hoogste 100 uren, van het totaal aantal uren zoals bedoeld in [artikel 8, negende lid, aanhef en onder b, aanhef van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), mag worden afgeweken. Artikel 3. Het doel van het experiment Het doel van het experiment is om b"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 20 april 2017, nr. 1230279, houdende voorwaarden en beperkingen voor verlening van de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door personen die in het bezit zijn van een buitenlands bewijsstuk waarmee de bekwaamheid en bevoegdheid in het betreffende land wordt aangetoond (Beleidsregel bevoegdheid basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor buitenlandse diploma’s) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *basisschool:* school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - *DUO:* Dienst Uitvoering Onderwijs; - *inspectie:* inspectie als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - *minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *Nuffic:* Netherlands Universities Foundation For International Cooperation; - *school:* school waar basisonderwijs wordt gegeven als bedoeld in [artikel 1, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - *school voor speciaal basisonderwijs:* school voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - *school voor speciaal onderwijs:* school voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *school voor voortgezet speciaal onderwijs:* school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 25 april 2019, nr. WJZ/7965679(8176), houdende uitleg van het begrip aanbodkanaal in het kader van het besluit over instemming, bedoeld in de artikelen 2.21, derde lid, en 2.60m, derde lid, Mediawet 2008 (Beleidsregel aanbodkanaal) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *aanbodkanaal, catch-up, landelijke publieke media-instelling, media-aanbod, NPO:* wat daaronder wordt verstaan in [artikel 1.1, eerste lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - b. *instemming:* instemming als bedoeld in de [artikelen 2.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.21), en [2.60m, derde lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.60m); - c. *lineair:* wijze van verspreiding van media-aanbod via een chronologisch schema voor gelijktijdige afname door het algemene publiek of een deel daarvan; - d. *mediaproduct:* elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk is afgebakend en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel, al dan niet gedeeld in afleveringen, is bestemd voor afname door het algemene publieke of een deel daarvan; - e. *Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - f. *on demand:* wijze van verspreiding van media-aanbod via afname op individueel verzoek en op een moment naar eigen keuze; - g. *wijze van verspreiding:* lineair of on demand, waarbij binnen on demand nog catch up wordt onderscheiden. Artikel 2. Nadere ordening van een aanbodkanaal Onder de instemming voor een aanbodkanaal vallen mediaproducten die binnen een nadere ordening van dat aanbodkanaal worden verspreid voor zover: - a. deze verspreiding past binnen de vastgelegde beschrijving van de uitgangspunten voor een herkenbaar media-aanbod op dat aanbodkanaal; - b. het uitsluitend gaat om mediaproducten die al beschikbaar zijn op dat aanbodkanaal; - c. de navigatie"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 augustus 2020, nr. VO/25234365, tot nadere regels voor de verstrekking van een Dans- en Muzieklicentie voor scholen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel DAMU-licentie VO 2020) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *DAMU-leerling:* leerling die is toegelaten tot het hbo-voortraject en daardoor wordt beschouwd als toptalent op het gebied van dans of muziek; - *DAMU-licentie:* licentie van de minister aan het bevoegd gezag van een school waarin een aanvraag als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044030&artikel=3&z=2022-08-01&g=2022-08-01) wordt ingewilligd; - *hbo-voortraject:* beroepsvoorbereidend traject voor vo-leerlingen, aangeboden door een hogeschool, dat voorafgaat aan een hbo-bachelor op het gebied van dansvakonderwijs of muziekvakonderwijs; - *minister:* Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - *school:* school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar uit de openbare kas bekostigd onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5) en [2.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6); - *Stichting DAMU:* de stichting Dans- en Muziekscholen; - *wet:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Doel van de regeling Het doel van deze regeling is om een DAMU-leerling op een DAMU-school in staat te stellen gedurende het vo-onderwijs deel te nemen aan een hbo-voortraject, met verlichting van een dubbele studielast en integratie van regulier en kunstonderwijs daar waar mogelijk. Artikel 3. Procedure voor aanvraag van een DAMU-licentie 1. De minister"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 augustus 2020, nr. VO/25236992, tot nadere regels voor de verstrekking van een licentie Topsporttalentschool voor scholen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO 2020) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *Expertisecentrum:* Expertisecentrum Voortgezet Onderwijs & Topsport; - *KNVB:* Koninklijke Nederlandse Voetbalbond; - *licentie Topsporttalentschool:* beschikking van de minister aan het bevoegd gezag van een school waarin een aanvraag als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044028&artikel=3&z=2023-08-01&g=2023-08-01) wordt ingewilligd; - *minister:* Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - *NOC*NSF:* Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie; - *reisafstand:* reisafstand op basis van de snelste route met de auto van het woonadres van de topsporttalentleerlingen naar het vestigingsadres van de Topsporttalentschool, bepaald door gebruikmaking van de ANWB-autorouteplanner; - *school:* hoofdvestiging of nevenvestiging van een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar uit de openbare kas bekostigd onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6) en [2.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7); - *topsporttalentleerlingen:* leerling waarvan is vastgesteld dat deze wordt beschouwd als talent of topsporter met een officiële talent-, of topsportstatus van het NOC*NSF of een beloftestatus van de KNVB; - *Topsporttalentschool:* school met een licentie Topsporttalentschool als"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 juni 2021, nr. VO/28225728, betreffende cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (Beleidsregel IGVO 2021) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *bovenbouw internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:* IB CP of het IB DP of beiden; - *cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:* IB CP, IB DP, IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE; - *IB CP:* International Baccalaureate Career-Related Programme; - *IB DP:* International Baccalaureate Diploma Programme; - *IB MYP:* International Baccalaureate Middle Years Programme; - *IGSCE:* International General Certificate of Secondary Education; - *Leerling:* leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - *Minister:* Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - *onderbouw internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:* IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE of beide; - *school:* een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *voedingsgebied:* gebied dat bestaat uit viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen een straal van 15 kilometer van de vestiging van de school die in aanmerking wil komen voor bekostiging van de cursussen internationaal georiënteerd voorgezet onderwijs of die reeds in aanmerking is gebracht van de bekostiging voor de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs; - *wet:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Reikwijdte beleidsregel 1. Deze beleidsrege"},{"b":"Beleidsregel van de minister voor Jeugd en Gezin inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma’s van omroepinstellingen Artikel 1 De Minister voor Jeugd en Gezin verstrekt zonder instemming van de ministerraad geen financiële bijdragen met het oog op de aankoop, totstandkoming dan wel uitzending van een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1), indien een zodanig programma inhoudelijk de behandeling van één of meer onderwerpen op het terrein van Jeugd en Gezin tot onderwerp heeft. Artikel 2 Deze beleidsregel is niet van toepassing op het verstrekken van financiële bijdragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn verstrekt of toegezegd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel JG niet verstrekken bijdragen omroepprogramma’s."},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Klimaat en Energie van 12 december 2023, nr. WJZ/ 37829962, houdende beleidsregels inzake de wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor de kavels Alpha en Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver (Beleidsregel wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor kavels Alpha en Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvraag:* aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - *kavel Alpha:* kavel Alpha als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Alpha in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049179&artikel=1); - *kavel Beta:* kavel Beta als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049182&artikel=1); - *minister:* Minister voor Klimaat en Energie; - *wet:* [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de aanvraag voor een wijziging van een vergunning die overeenkomstig [artikel 25b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b) is verleend voor kavel Alpha of kavel Beta. Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; - g. de economische haalbaarheid van het plan; of - h. de vera"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Klimaat en Energie van 28 juni 2022, nr. WJZ/ 21315315, tot vaststelling van regels over de toets passende stimulering en de cumulatietoets in het kader van het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie (Beleidsregel toets passende stimulering en cumulatietoets onder het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie) § 1. Algemeen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *algemene uitvoeringsregeling:* [Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563); - *categorie:* bij ministeriële regeling aangewezen categorie productie-installaties op grond van [artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2) en klimaattransitie of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie; - *cumulatietoets:* toets als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046885&paragraaf=2&artikel=3&z=2022-07-12&g=2022-07-12); - *eindadvies:* jaarlijks eindadvies basisbedragen SDE+ of SDE++ van het Planbureau voor de Leefomgeving of Energieonderzoek Centrum Nederland over de te hanteren subsidieparameters en de basisbedragen; - *exploitatiebaten:* baten van de exploitatie van een productie-installatie; - *exploitatiekosten:* kosten voor de exploitatie van een productie-installatie; - *exploitatiesteun:* steunmaatregelen om de exploitatiekosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren; - *investeringssteun:* steunmaatregelen om de investeringskosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren; - *inkomsten uit vermindering van broeikasgas:* opbrengsten of vermeden kosten die voor een subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in [titel 16.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 14 mei 2024, kenmerk 3827699-1065264-GMT, over de tijdelijke toepassing van artikel 3, tweede lid, Wet geneesmiddelenprijzen in verband met de beschikbaarheid van geneesmiddelen (Tijdelijke beleidsregel maximumprijzen geneesmiddelen 2024) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* Minister voor Medische Zorg; - *productgroep:* één of meer geneesmiddelen met dezelfde werkzame bestanddelen, van dezelfde of nagenoeg dezelfde sterkte en in dezelfde farmaceutische vorm; - *regeling:* [Regeling maximumprijzen geneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008023); - *verzoek:* verzoek als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=3); - *wet:* [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867). Artikel 2 In verband met de beschikbaarheid van geneesmiddelen met een beperkte jaaromzet kan de minister op verzoek de maximumprijs van de geneesmiddelen binnen de productgroep waartoe het geneesmiddel waarvoor een verzoek wordt ingediend, behoort, vaststellen op de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049717&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01) genoemde wijze indien: - a. de totale jaaromzet in Nederland van de productgroep waartoe het geneesmiddel behoort, lager is dan € 1 miljoen; - b. er ten aanzien van een artikelnummer van één of meer geneesmiddelen in de productgroep waartoe het geneesmiddel behoort bij aanvang van de referentieperiode, bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049717&artikel=4&z=2024-07-01&g=2024-07-01), twee jaar is verstreken vanaf de marktintroductie. Artikel 3 1. De maximumprijs van een geneesmiddel binnen de productgroep waartoe het geneesmiddel waarvoor een verzoek als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049717&artikel=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01) is toegekend, behoort, wordt als volgt vastgesteld: - a"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 18 juni 2019, kenmerk 1540378-191839 CZ, houdende regels voor het subsidiëren van regionale partnerschappen voor het stimuleren van digitale informatie-uitwisseling in de geboortezorgketen in Nederland (Beleidsregel subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional Babyconnect) Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - *basisgegevensset Zorg (BGZ):* de minimale set van patiëntgegevens, gedefinieerd met behulp van zorginformatiebouwstenen, die specialisme-, ziektebeeld- en beroepsgroep overstijgend relevant is en van belang voor de continuïteit van zorg; - *derde tranche;* regio Amsterdam, Amstelland en Almere, bestaande uit zeven VSV’s en regio Noord-Nederland, bestaande uit drie VSV’s, die subsidie hebben aangevraagd en verleend hebben gekregen in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020; - *dienstverlener zorgaanbieder:* levert diensten aan een zorgaanbieder gerelateerd aan de uitwisseling tussen zorggebruiker en zorgaanbieder en committeert zich hiervoor aan de naleving van de afspraken van het MedMij Afsprakenstelsel; - *eerste tranche:* regio Rotterdam-Rijnmond, bestaande uit zes VSV’s en regio Noord-Holland Noord, bestaande uit vijf VSV’s, die subsidie hebben aangevraagd en verleend hebben gekregen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019; - *geboortezorgketen:* alle zorgverleners en zorgverlenende instanties die betrokken zijn bij de zorg vanaf het moment van preconceptieconsult tot en met 8 weken post partum en overdracht naar de jeugdgezondheidszorg; - *gebruikersgroepen:* vier verschillende overlegstructuren van zorggebruikers, zorgverleners, zorgorganisaties en statistiek en wetenschap, opgezet en ondersteund door het programmabureau Babyconnect, waarin de kaders ten aanzien van digitale informatie-uitwisseling worden vormgegeven; - *gegevensdienst:* een gestandaardiseerde dienst voor gegevensuitwisseling met waarde"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 9 november 2018, kenmerk 1443084-183704-GMT, in verband met de invulling van een aantal bevoegdheden en begrippen uit de Wet inzake bloedvoorziening (Beleidsregel bevoegdheden en begrippen Wibv) 1. Inleiding Op grond van [artikel 3 van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3) (hierna: Wibv) wijst de Minister voor Medische Zorg (hierna: de minister) één rechtspersoon (de Bloedvoorzieningsorganisatie) aan die tot taak heeft: - a. het jaarlijks ramen van de behoefte aan bloed, tussenproducten en bloedproducten; - b. het inzamelen van bloed; - c. het bereiden van tussenproducten en bloedproducten uit het ingezamelde bloed (met uitzondering van plasmageneesmiddelen); - d. het beschikbaar stellen van plasmageneesmiddelen. Deze taken worden aangeduid als de wettelijke taken. Alle werkzaamheden of activiteiten van de Bloedvoorzieningsorganisatie die niet voortvloeien uit deze wettelijke taken worden aangeduid als niet-wettelijke activiteiten. De Wet van 18 april 2018 tot wijziging van de Wet inzake bloedvoorziening in verband met risicobeheersing binnen de Bloedvoorzieningsorganisatie (Stb. 2018, 136) heeft tot doel de risico's voor de bloedvoorziening door de uitvoering van niet-wettelijke activiteiten door de Bloedvoorzieningsorganisatie te beperken. Ter uitvoering daarvan is in het [Besluit niet-wettelijke activiteiten Bloedvoorzieningsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041339) een maximum gesteld aan de niet-wettelijke activiteiten die door de Bloedvoorzieningsorganisatie mogen worden uitgevoerd (Stb. 2018, 306). In de memorie van toelichting bij de totstandkoming van de wijzigingswet is aangegeven dat bij beleidsregel invulling zal worden gegeven aan: - − de bevoegdheid van de minister om ontheffing te verlenen van de eisen in het [Besluit niet-wettelijke activiteiten Bloedvoorzieningsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041339) ([ar"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Natuur en Stikstof van 19 april 2022, nr. WJZ/ 21312619, over de beoordeling van aanvragen van certificaten voor handel binnen de Europese Unie en van aanvragen van invoervergunningen en wederuitvoercertificaten voor olifantenivoor (Beleidsregel certificaten EU handel, invoer en wederuitvoer olifantenivoor) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Afrikaanse olifant:* Afrikaanse olifant (Loxodonta africana), voor zover opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening; - *Aziatische olifant:* Aziatische olifant (Elephas maximus), genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening; - *bewerkt ivoor:* ivoor dat geheel of ten dele ingesneden, gevormd of verwerkt is, maar geen hele slagtanden in enige vorm omvat, behalve wanneer het snijwerk zich over het volledige oppervlak uitstrekt; - *CITES-basisverordening:* verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); - *ivoor:* ivoor afkomstig van de Afrikaanse olifant of de Aziatische olifant; - *museum:* permanente instelling zonder winstoogmerk ten dienste van de samenleving en haar ontwikkeling, die openstaat voor het publiek en die het materiële en immateriële erfgoed van de mensheid en haar omgeving verwerft, bewaart, onderzoekt, verspreidt en tentoonstelt met het oog op onderwijs, studie en genot; - *onbewerkt ivoor:* hele olifantenslagtanden gepolijst of ongepolijst en ongeacht in welke vorm, evenals alle stukken olifantenivoor, gepolijst of ongepolijst en op welke wijze dan ook gewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke vorm, niet zijnde bewerkt ivoor. Artikel 2. Invoer onbewerkt ivoor Een aanvraag voor de afgifte van een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de CITES-basisverordening voor onbewerkt ivoor wordt afgewezen. Artikel 3. Invoer bewerkt ivoor 1. Een aanvraag voor de afgifte van een invoervergunning als bedoeld in a"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Natuur en Stikstof van 21 mei 2024, nr. WJZ/52780336 tot nader specificeren van de eisen die worden gesteld aan de aanwijzing van nationale parken (Beleidsregel aanwijzing nationale parken) Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *landschaps- of gebiedsbiografie:* beschrijving van de ontstaansgeschiedenis en langetermijnontwikkeling van het landschap in een bepaald gebied; - – *landschapsecologisch systeem:* landschap of deel van een landschap waarbinnen onderling samenhangende functionele en ruimtelijke relaties bestaan tussen mens en natuur; - – *LESA:* landschapsecologische systeemanalyse van de fysisch geografische en ecologische factoren en hun wederzijdse beïnvloedingen in een landschap met aandacht voor de invloed van de mens in het verleden en heden; - – *minister:* Minister voor Natuur en Stikstof; - – *wezenlijke kenmerken:* abiotische, biotische en cultuurhistorische kernkwaliteiten en hun samenhang die bepalend zijn voor het unieke, onderscheidende karakter van het nationaal park. Artikel 2. (voorwaarden aanwijzing nationaal park) 1. De minister wijst op grond van [artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) in samenhang met [artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=3.68) een gebied uitsluitend als nationaal park aan, als: - a. het gebied ten minste één aaneengesloten natuurkern bevat van minimaal 1.000 hectare die behoort tot Natura 2000-gebied of onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland, ingebed in het daarmee samenhangende landschapsecologische- en cultuurhistorische systeem; - b. meer dan 50% van de totale oppervlakte van het gebied bestaat uit natuur die: - 1°. behoort tot Natura 2000-gebieden of gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland; en - 2°. voor zover zij niet behoort tot de onder 1˚ genoemde gebieden, in het omgevingspl"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 april 2024, nr. KO/21697498 tot vaststelling van regels omtrent experimenteren met sectoroverstijgende teambevoegdheden voor 10-14-onderwijs (Beleidsregel vervolg experiment teambevoegdheid 10-14-onderwijs 2024) Artikel 1. Begripsbepalingen - *experiment:* experiment teambevoegdheid voor 10-14-onderwijs als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049603&artikel=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01); - *10-14-onderwijs:* onderwijs als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049603&artikel=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01); - *medezeggenschapsraad:* medezeggenschapsraad of gemeenschappelijke medezeggenschapsraad als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3) en [4 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=4); - *minister:* Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - *samenwerkende bevoegde gezagsorganen:* samenwerking ten behoeve van 10-14-onderwijs tussen bevoegde gezagsorganen van een of meerdere scholen voor primair en voortgezet onderwijs, met dien verstande dat het bevoegd gezag dat zowel scholen voor primair onderwijs als voor voortgezet onderwijs onder zich heeft, hier ook onder valt; - *samenwerking van scholen:* een of meer scholen voor primair onderwijs en een of meer scholen voor voortgezet onderwijs waarvoor de bevoegde gezagsorganen een samenwerking ten behoeve van 10-14-onderwijs zijn aangegaan; - *school:* school als bedoeld in [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *sectoroverstijgend team:* team met leraren van een of meer scholen voor primair onderwijs en van een of meer scholen voor voortgezet onderwijs die gezamenlijk voldoe"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 juni 2024 nr. KO/ 44700691, houdende regels voor een experiment gericht op de inclusie van leerlingen middels integratie van het gespecialiseerd onderwijs in het regulier onderwijs (Beleidsregel experiment inclusieve leeromgeving 2024) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *basisschool:* basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *experiment:* beleidsregel experiment inclusieve leeromgeving 2024; - *instelling voor speciaal onderwijs:* instelling voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 8, tweede en derde volzin van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8); - *instelling voor voortgezet speciaal onderwijs:* instelling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8); - *minister:* Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - *samenwerkende bevoegde gezagsorganen:* bevoegde gezagsorganen van scholen of instellingen die gezamenlijk deelnemen aan het experiment; - *penvoerder:* bevoegd gezag van een school of instelling dat namens de samenwerkende bevoegde gezagsorganen optreedt bij de aanvraag op grond van deze beleidsregel; - *samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:* school voor speciaal"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 15 mei 2023, nr. 38329751, houdende ontheffingsgronden voor de doorstroomtoets po (Beleidsregel ontheffingsgronden doorstroomtoets po) Artikel 1. Interpretatie van de ontheffingsgronden 1. Onder de (a) zeer moeilijk lerende leerlingen of (b) meervoudig gehandicapte leerlingen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn één van de handicaps is, bedoeld in [artikel 45c, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45c), wordt verstaan: - a. een leerling waarvan het ontwikkelingsperspectief aantoont dat de verwachte uitstroombestemming het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding in het speciaal onderwijs is. In het ontwikkelingsperspectief is dit voldoende onderbouwd met gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de factoren die de ontwikkeling en het leren van de leerling belemmeren en bevorderen, of - b. een leerling met een IQ dat lager is dan 75. 2. Bij een IQ- test, waarmee het IQ van de leerling wordt vastgesteld, geldt dat deze voldoet aan de criteria van de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN). Indien de IQ-test ouder is dan twee jaar bevestigen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs. Artikel 2. Intrekken Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po De [Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035550) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingsgronden doorstroomtoets po."},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 27 februari 2024 houdende voorwaarden en beperkingen bij de beoordeling of personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Economische Ruimte behaald bewijsstuk bevoegd kunnen zijn om onderwijs te geven op een school voor voortgezet onderwijs (Beleidsregel beoordeling van niet in de Europese Economische Ruimte behaalde bewijsstukken in het voortgezet onderwijs). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *algemeen gebruikelijke vakken:* vakken of programmaonderdelen als bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11), waaronder inbegrepen de vakken zoals vastgesteld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049438&bijlage=1&z=2024-02-27&g=2024-02-27) bij deze beleidsregel; - *bewijsstuk:* de in [artikel 7.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11), genoemde getuigschriften, erkenningen en bewijzen van bekwaamheid; - *Caribisch Nederland:* Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - *DUO:* Dienst Uitvoering Onderwijs; - *EER:* Europese Economische Ruimte en Zwitserland; - *getuigschrift:* getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11, eerste lid, onder a van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11); - *minister:* Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - *school:* school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) en instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.86 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.86); - *voortgezet onderwijs:* onderwijs als bedoeld in [artikel 1.4 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.4), niet zijnde onderwijs dat wordt gegeven aan een school als bedoeld in [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"b":"Beleidsregel van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 september 2021, kenmerk 3281544 over de verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens (Beleidsregel verstrekking tenuitvoerleggingsgegevens) 1. Aanleiding De Wjsg De [Wet justitiële en strafvorderlijke persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) (Wjsg) is met ingang van 1 januari 2019 gewijzigd om uitvoering te geven aan de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging1Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, PbEU L119. (hierna: de Richtlijn). Deze omvat de verwerking van de persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreft een bijzondere Unierechtelijke regeling die naast de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) staat. De werkingssfeer van de gewijzigde [Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) is als gevolg van de implementatie van de Richtlijn uitgebreid met de verwerking van ‘tenuitvoerleggingsgegevens’. Tenuitvoerleggingsgegevens zijn de persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, die in een dossier of een ander gegevensbestand zijn of worden verwerkt.2Zie artikel 1, onder d, Wjsg. Dat betekent dat tenuitvoerleggingsgegevens de verwerking van gegevens van personen bij de uitvoering van vrijheidsbenemende of -beperkende straffen of maatregelen mede omvat. Anders dan tijdens de opsporing is tijdens de tenuitvoerlegging de aard van de beslissing bekend waarop de afdoening"},{"b":"Beleidsregel van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 september 2008, nr. 3068664, inzake het beëindigen van het verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van de uitzending van coproducties of andere omroepprogramma’s door omroepinstellingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Coproductie: een omroepprogramma waaraan meerdere partijen, waaronder in elk geval een omroepinstelling enerzijds en een Ministerie dan wel een bestuursorgaan behorend tot de Rijksoverheid anderzijds, op basis van een door alle partijen goedgekeurd scenario en/of uitgewerkte synopsis een inhoudelijke of financiële bijdrage hebben geleverd; - b. Omroepprogramma: een programmaonderdeel als bedoeld in [artikel 1, onder g, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - c. Financiële bijdrage: een geldelijk bedrag op grond van: - – een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), dan wel - – een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 2 Met het oog op de vervaardiging, aankoop, totstandkoming of uitzending van een coproductie of een ander omroepprogramma wordt geen financiële bijdrage aan derden verstrekt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2008. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: AZ-Beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan coproducties en andere omroepprogramma’s."},{"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake de toepassing van regels van Verordening 1071/2009/EG en Verordening (EU) 2016/403, Wet wegvervoer goederen en het Besluit wegvervoer goederen houdende bepalingen in verband met de uitvoering van de evenredigheidstoets en het sanctioneren van de vervoerder en de vervoersmanager bij verlies van betrouwbaarheid in het goederenvervoer over de weg (Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid in het goederenvervoer over de weg) Hoofdstuk 1. Definities en inleidende bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *meest ernstige overtredingen:* meest ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening (EU) 2016/403; - b. *heel ernstige overtredingen:* heel ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening (EU) 2016/403; - c. *ernstige overtredingen:* ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening (EU) 2016/403; - d. *strafpunten:* punten die aan de vervoerder of vervoersmanager worden toegerekend als gevolg van het plegen van een meest ernstige, heel ernstige of ernstige overtreding als bedoeld in dit artikel onder a, b en c. - e. *besluit:* het besluit van de NIWO tot schorsing of intrekking van de communautaire vergunning of ongeschiktverklaring van de vervoersmanager; - f. *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - g. *adviesrapport:* het adviesrapport van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, opgesteld door de ILT, inhoudende zijn conclusie ten aanzien van de betrouwbaarheid van de vervoerder of de vervoersmanager. - h. *evenredigheidstoets:* de toets die de NIWO op basis van het adviesrapport van de ILT uitvoert ten aanzien van de evenredigheid van een besluit en waarbij wordt onderzocht of zich feiten en omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat het verlies"},{"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake de verdeling van de beschikbare CEMT-vergunningen voor het beroepsgoederenvervoer over de weg naar het Verenigd Koninkrijk na de uittreding van dit land uit de Europese Unie op 29 maart 2019 (Beleidsregel NIWO inzake verdeling van CEMT-vergunning in 2019 naar het Verenigd Koninkrijk) Artikel 1. Definitiebepaling - *CEMT:* Conférence Européene des Ministres des Transports; - *CEMT-vergunning:* de vergunning die door het Secretariaat van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (CEMT) wordt uitgegeven voor het verrichten van grensoverschrijdend goederenvervoer; - *communautaire vergunning:* communautaire vergunning als bedoeld in de marktverordening voor het wegvervoer; afgegeven aan alle vervoerders die goederenvervoer over de weg voor rekening van derden verrichten; - *vervoerder:* de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1); - *voertuig:* motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van goederen als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1) waarvan de trekkende eenheid in ieder geval Nederlands gekentekend is. - *wet:* [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800). Artikel 2 1. De NIWO neemt voorts alleen aanvragen in behandeling die zijn ingediend tussen 28 januari 2019 en 16 februari 2019 via het daartoe ingerichte ondernemersloket waarbij gebruik gemaakt wordt van het daartoe bestemde aanvraagformulier. 2. De NIWO beslist uiterlijk 1 maart 2019 op de aanvraag. 3. De NIWO gaat over tot verstrekking van de CEMT-vergunning(en) nadat zij de daarvoor krachtens [artikel 4.6, eerste lid"},{"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van de Wet wegvervoer goederen, Verordening (EG) nr. 1071/2009 en Verordening (EG) nr. 1072/2009 ten aanzien van vergunningverlening (Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 0. Definitiebepaling - *beroepsverordening voor het wegvervoer:* Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen; - *ERRU:* elektronisch sanctieregister; - *marktverordening voor het wegvervoer:* Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg; - *onderneming:* elke natuurlijke persoon, rechtspersoon, alsook elke overheidsinstantie die ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, over een btw-nummer beschikt en goederen vervoert, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de beroepsverordening voor het wegvervoer; - *uitvoerend directeur:* de natuurlijke persoon die belast is met het feitelijk leiding geven aan de vervoerder; - *vergunning:* de communautaire vergunning als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1) of de binnenlandse vergunning als bedoeld in [artikel 7.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1); - *vervoerder:* de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1); - *voertuigen:* motorvoertuig of een"},{"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen beroepsgoederenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer aan de Wet Bibob) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *betrokkene:* de aanvrager van een communautaire vergunning, de houder van een communautaire vergunning of de houder van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer; - b. *Bibob-advies:* het advies als bedoeld in [artikel 9 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - c. *Bibob-vragenformulier:* het formulier als bedoeld in [artikel 7a van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7a); - d. *eigen onderzoek:* het onderzoek door de NIWO waarbij wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag van een communautaire vergunning te weigeren, respectievelijk de communautaire vergunning of de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer in te trekken, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een Bibob-advies bij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur aan te vragen; - e. *Landelijk Bureau Bibob:* het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&hoofdstuk=3); - f. *vergunning:* de communautaire vergunning als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1) of de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer als bedoeld in [artikel 7.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1); - g. *wet:* [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800); en - h. *Wet Bibob:* [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door he"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake de toetsing van de geschiktheid van beleidsbepalers krachtens de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Verordening (EU) Nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU, Verordening (EU) nr. 236/2012, Verordening (EU) Nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012, Verordening (EU) Nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese sociaalondernemerschapsfondsen, Verordening (EU) Nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen en Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (Beleidsregel geschiktheid 2012) Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen met betrekking tot de geschiktheidstoetsing van beleidsbepalers Artikel 1.1. Definities en begrippen De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Pw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831), respectievelijk de [Wtt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel. Deze beleidsregel is niet van toepassing op personen die uitsluitend kwalificeren als aanvrager van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. inzake de reikwijdte en uitvoering van het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 3:259, lid 2 van de Wft (Beleidsregel Reikwijdte en Uitvoering Depositogarantiestelsel) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - 2. *Besluit:* [Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414); - 3. *De Wet:* [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft); - 4. *Professionele administratie:* de administratie van: - a. een financiële onderneming als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - b. degene die is vrijgesteld van het verbod als bedoeld in [artikel 3:5, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5); - c. degene die een ontheffing is verleend als bedoeld in [artikel 3:5, vierde lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5); of - d. een curator als bedoeld in [artikel 68 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=68). - 5. *Datum van het oordeel of uitspraak welke heeft geleid tot toepassing van het depositogarantiestelsel (DGS):* datum van het oordeel van De Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak ten aanzien van de betreffende bank als bedoeld in [artikel 3:260, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:260); - 6. *Tijdelijk hoog deposito:* een deposito als bedoeld in [artikel 29.02, vierde lid van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.02). Hoofdstuk 2. Reikwijdte Afdeling 2.1. Derdengelden Artikel 2.1 Van het kunnen vaststellen van de identiteit van een derde, voorafgaand aan de datum van het oordeel of uitspraak welke"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. over de wijze waarop zij in het toezicht de naleving beoordeelt in hoeverre trustkantoren het risico beheersen op betrokkenheid van het trustkantoor of zijn medewerkers bij handelingen die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad (Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid trustkantoren) § 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling/beleidsregel wordt verstaan onder: - *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - *Cliënt:* cliënt als bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=1); - *Incident:* een incident als bedoeld in [artikel 20, vierde lid van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=20); - *Trustkantoor:* een trustkantoor of bijkantoren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=1); - *Wtt 2018:* [Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583). Artikel 2. Beleid en procedures ten aanzien van maatschappelijke betamelijkheid 1. Bij het toezicht op de naleving van [artikel 14, eerste lid, van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=14), neemt DNB in aanmerking of het in dat artikel genoemde beleid een specifiek en voldoende uitgewerkt onderdeel bevat om het risico tegen te gaan dat het trustkantoor of zijn medewerkers betrokken raken bij handelingen die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad. 2. Bij de beoordeling van het onderdeel van het beleid over maatschappelijke betamelijkheid, bedoeld in het eerste lid, weegt DNB mee of dit beleid ten mins"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 10 juli 2017 houdende regels met betrekking tot het samenstellen door banken van individuele klantbeelden ten behoeve van het depositogarantiestelsel en het afwikkelinstrumentarium (Beleidsregel Individueel Klantbeeld) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - b. *Wft:* [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - c. *Bpr:* [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - d. *Bbpm:* [Besluit Bijzondere prudentiële maatregelen beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414); - e. *Depositogarantiestelsel:* als bedoeld in [artikel 3:259, tweede lid van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259); - f. *Bank:* een onderneming waarvan de aangehouden deposito’s worden gegarandeerd door het depositogarantiestelsel, als bedoeld in [artikel 29.01 van het Bbpm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.01); - g. *In aanmerking komend deposito:* een deposito dat valt onder de werking van het depositogarantiestelsel; - h. *In aanmerking komende depositohouder:* een depositohouder die niet op grond van [artikel 29.01, tweede lid, sub a van het Bbpm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.01) is uitgesloten; - i. *Gegarandeerd deposito:* als bedoeld in [artikel 7k, eerste lid van het Bbpm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=7k) - j. *Depositohouder:* de houder, of in het geval van een gezamenlijke rekening als bedoeld in [artikel 29.02, tweede lid van het Bbpm](https:"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 12 december 2006, nr. Juza/2006/02475/CLR, houdende regels ingevolge artikel VI, eerste en tweede lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 met betrekking tot de wijze van uitoefening van de daarin aan haar gedelegeerde bevoegdheden (Beleidsregel versoepeling ervaringsvereiste voor de toepassing van de IRB) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Besluit: [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b. IRB: de interne modellenmethode als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=1); - c. Regeling: de [Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020764); en - d. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op banken of beleggingsondernemingen die een aanvraag om toestemming als bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=69) bij De Nederlandsche Bank indienen. Artikel 3 De in [artikel VI, eerste lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020750&artikel=VI) bedoelde versoepeling betreffende het tot uiterlijk 31 december 2009 terugbrengen van de in [artikel 69, vierde lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=69) vereiste periode van 3 jaar naar 1 jaar zal uitsluitend worden toegepast: - a. ten behoeve van een financiële onderneming die een aanvraag heeft ingediend voor de implementatie van de Eenvoudige IRB, bedoeld in [artikel 1:1, onderdeel f, van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020764&artikel=1:1); en - b. indien deze financiële onderneming voor de interne meting en beheersing van de kredietrisico’s van de IRB–categorieën van vorderingen, genoemd in [artikel 71, eerste lid, van"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 20 november 2008, nr. Tb/2008/01928/wjw, houdende beoordelingscriteria voor goedkeuring van gedragscodes van actuariële organisaties voor de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris op grond van artikel 148, tweede lid, Pensioenwet en artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling (Beleidsregel gedragscode onafhankelijkheid actuariële organisaties) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *actuariële organisatie:* actuariële organisatie waartoe de waarmerkende actuaris behoort in de zin van [artikel 148, tweede lid, Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=148) of [artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=143); - b. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - c. *pensioenfonds:* pensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), of beroepspensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1), waarvoor de waarmerkende actuaris van een actuariële organisatie de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt. Artikel 2 1. DNB verleent goedkeuring als bedoeld in [artikel 148, tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=148), onderscheidenlijk als bedoeld in [artikel 143, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=143), indien in de in die leden bedoelde gedragscode ten minste bepaalt: - a. dat de actuariële organisatie die een opdracht uitvoert van een pensioenfonds tot het waarmerken van de actuariële staten en het opstellen van een actuariële verklaring, deze werkzaamheden laat uitoefenen door een bij haar werkzame of aan haar verbonden actuaris die onafhankelijk is van het desbetreffende pensioen"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 21 maart 2019 tot toepassing van richtsnoeren van de Europese toezichthoudende autoriteiten in verband met het prudentieel toezicht en de afwikkelingstaak bij of krachtens de Wet op het financieel toezicht (Beleidsregel toepassing richtsnoeren Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019) Artikel 1. (definities) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - – *EBA:* Europese Bankautoriteit (European Banking Authority), rechtsopvolger van het Committee of European Banking Supervisors (CEBS); - – *EIOPA:* de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority), rechtsopvolger van het Committee of European Insurance and Occupational Pensions Supervisors (CEIOPS); - – *ESMA:* Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority), rechtsopvolger van het Committee of European Securities Regulators (CESR); - – *Joint Committee:* Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten (Joint Committee of the European Supervisory Authorities); - – *Wft:* [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - – *BMfo:* [Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020413); - – *Bpr:* [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - – *Bptfg:* [Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415); - – *Bbpm:* [Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414); - – *CRD (Capital Requirements Directive of richtlijn kapitaalvereisten):* richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2103 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondern"},{"b":"Beleidsregel van de Nederlandsche Bank N.V. van 27 maart 2023 houdende regels met betrekking tot de beoordeling van de afwikkelbaarheid van verzekeraars als bedoeld in artikel 3a:82 van de Wet op het financieel toezicht (Beleidsregel afwikkelbaarheid verzekeraars 2023) § 1. Definities Artikel 1. Definities De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in [hoofdstuk 3a.2. Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&hoofdstuk=3a.2) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. Daarnaast wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - a. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V. - b. *governancesysteem:* governancesysteem als bedoeld in Hoofdstuk IX van de (Solvency II) Gedelegeerde verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014. - c. *kritieke diensten:* diensten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de verzekeringsactiviteiten van de verzekeraar of groep en die niet binnen een redelijke termijn door een andere dienstverlener kunnen worden verstrekt. - d. *management informatiesystemen (of ‘MIS’):* het geheel van processen en systemen, opgezet en onderhouden door of in opdracht van de verzekeraar of groep, voor de organisatie, aggregatie en levering van informatie die nodig is ter ondersteuning van beslissingen binnen een verzekeraar of groep. - e. *Resolutierapportage (of ‘ReRap’):* een informatieverzoek dat DNB, ten behoeve van het opstellen van afwikkelingsplannen, deelt met verzekeraars en groepen waar zij resolutieplanning voor uitvoert en die de verzekeraars of groepen ingevuld retourneren. - f. *verzekeraar:* een verzekeraar als bedoeld in [artikel 3a:78, onder a, Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:78). - g. *verzekeringsactiviteiten:* het verschaffen van risicodekking en het uitkeren van polisgelden aan polishouders, verzekerden en begunstigden. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van verzekeraars en groepen waarvoor DNB op grond va"},{"b":"Beleidsregel van de Nederlandsche Bank N.V. van 30 maart 2022 houdende regels met betrekking tot de tijdige indiening van toezichtrapportages § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit beleid wordt verstaan onder: - a. *basisbedrag:* een bij wet vastgesteld basisbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - b. *begunstigingstermijn:* de termijn waarbinnen een instelling aan een last onder dwangsom moet voldoen zonder dat dwangsommen worden verbeurd; - c. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - d. *instelling:* eenieder die bij of krachtens wettelijk voorschrift verplicht is een toezichtrapportage bij DNB in te dienen; - e. *maximumbedrag:* een bij wet vastgesteld maximumbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - f. *minimumbedrag:* een bij wet vastgesteld minimumbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - g. *recidive:* de omstandigheid dat tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - h. *toezichtrapportage:* elke wettelijk verplichte rapportage die een instelling periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen verplicht is in te dienen bij DNB en waarbij DNB de bevoegde autoriteit is, met uitzondering van een statistische rapportage als bedoeld in artikel 1 van het Handhavingsbeleid DNB voor tijdige indiening van statistische rapportages. Artikel 2. Reikwijdte Dit beleid geldt als specifiek boetetoemetingsbeleid als bedoeld in [artikel 2 van het Algemeen Boetetoemetingsbeleid DNB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044472&artikel=2) van 19 november 2020. Artikel 3. Toepassingsbereik Dit beleid is van toepassing op een instelling. § 2. Indiening van toezichtrapportages Artikel 4. Wijze van indiening Een instelling dient een toezichtrapportage digitaal in bij DNB via een daarvoor door DNB ontwikkeld elektronisch rapportagesysteem, dan wel per post. Artikel 5. Tijdige indiening 1. Een instelling dient een toezichtrapportage tijdig bij DNB"},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 6 maart 2026 houdende regels met betrekking tot de handhaving van kapitaal- en liquiditeitsvereisten Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit beleid wordt verstaan onder: - a. *basisbedrag:* een bij wet vastgesteld basisbedrag voor de betreffende boetecategorie; - b. *begunstigingstermijn:* de termijn waarbinnen een instelling aan een last onder dwangsom moet voldoen zonder dat dwangsommen worden verbeurd; - c. *DNB:* de Nederlandsche Bank N.V.; - d. *instelling:* een beleggingsonderneming, beleggingsholding, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaaldienstverlener of elektronischgeldinstelling zoals gedefinieerd in [artikel 1:1 Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), een crowdfundingdienstverlener zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EU) 2020/1503 of een aanbieder van cryptoactivadiensten zoals gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) 2023/1114, die bij of krachtens wettelijk voorschrift moet voldoen aan kapitaal- of liquiditeitsvereisten; - e. *kapitaal- of liquiditeitsvereisten:* het minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteitsvereisten en de liquiditeitsvereisten die bij of krachtens de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en/of rechtstreeks toepasselijke EU-verordeningen van toepassing zijn op de instelling; - f. *kapitaaleis:* het voor de instelling hoogst geldende solvabiliteitsvereiste, als bedoeld onder e; - g. *maximumbedrag:* een bij wet vastgesteld maximumbedrag voor de betreffende boetecategorie; - h. *minimumbedrag:* een bij wet vastgesteld minimumbedrag voor de betreffende boetecategorie; - i. *recidive:* de omstandigheid dat tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - j. *Wft:* [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368)."},{"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 9 december 2025 inzake de toepassing van de SREP-richtsnoeren op beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten (Beleidsregel SREP beheerders) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *beheerders:* een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent als bedoeld in [artikel 2:67a, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:67a), respectievelijk [artikel 2:69c, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:69c). - b. *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - c. *SREP:* het toetsings- en evaluatieproces door de Nederlandsche Bank als bedoeld in [artikel 3:18aa, eerste lid, van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18aa); - d. *SREP-richtsnoeren:* de door de EBA en de ESMA vastgestelde richtsnoeren op grond van artikel 45, tweede lid, van de IFD. Artikel 2. Toepassing SREP-richtsnoeren op beheerders 1. DNB past bij de uitoefening van haar SREP-bevoegdheid ten aanzien van beheerders de SREP-richtsnoeren toe. 2. DNB past de SREP-richtsnoeren toe ten aanzien van de gehele onderneming van beheerders. Artikel 3. Intrekken beleidsregel De [Beleidsregel ICAAP beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen Wft 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036882) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel SREP beheerders."},{"b":"Beleidsregel van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 23 mei 2024 over verantwoord spelen (Beleidsregel verantwoord spelen 2024) Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1. Definities In deze beleidsregel worden de begripsbepalingen uit het [Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412) gebruikt. Voor het overige wordt verstaan onder: - 1. *CRUKS:* het centraal register uitsluiting kansspelen als bedoeld in [artikel 33h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h); - 2. *interventiemaatregel:* maatregel als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=18); - 3. *jongvolwassenen:* personen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar; - 4. *speelcasino:* houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen in een speelcasino als bedoeld in [artikel 27g van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g); - 5. *speelautomatenhal:* houder van een vergunning tot het aanwezig hebben van een of meer kansspelautomaten in een inrichting als bedoeld in [artikel 30c, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c); - 6. *online aanbieder:* houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31); - 7. *netto-stortingen:* stortingen op minus opnames van een speelrekening als bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=1.1); - 8. *onmatige deelneming aan kansspelen:* onmatige deelneming als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2), waaronder wordt begrepen risicovol spelgedrag dat kan lei"},{"b":"Beleidsregel van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit voor het aanbieden van kansspelen op afstand zonder vergunning (01.403.400 Boetebeleidsregel illegaal aanbod kansspelen op afstand 2026) Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - *boete:* bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - *brutospelresultaat:* het verschil tussen de ontvangen inzetten en hetgeen anders dan als inzet ontvangen is voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan kansspelen en de ter beschikking gestelde prijzen; - *Kansspelautoriteit:* raad van bestuur van de kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - *Wok:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassing Deze beleidsregel is van toepassing op aanbieders die kansspelen op afstand aanbieden zonder daarvoor verleende vergunning van de Kansspelautoriteit. Artikel 3. Overtreding Het aanbieden van kansspelen op afstand zonder daarvoor verleende vergunning van de Kansspelautoriteit is een overtreding van [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1). Paragraaf 2. De boete voor het aanbieden van kansspelen op afstand zonder daarvoor verleende vergunning van de Kansspelautoriteit Artikel 4. Opbouw van de boete 1. De boete bestaat in ieder geval uit een basisboete. 2. De in het eerste lid bedoelde basisboete kan worden verhoogd als er sprake is van boeteverhogende omstandigheden, dan wel worden verlaagd als er sprake is van boeteverlagende omstandigheden. Artikel 5. Berekening van de hoogte van de boete 1. De berekening van de hoogte van de boete is mede afhankelijk van het brutospelresultaat dat de overtr"},{"b":"Beleidsregel van de raad van bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek van 21 februari 2024 betreffende het aanwijzen van organisaties in het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van de uitvoering van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de NWO Subsidieregeling (Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek Artikel 1 Ten behoeve van de uitvoering van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de NWO Subsidieregeling worden de volgende organisaties aangewezen als universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden waarvan onderzoekers in aanvulling op de in het hiervoor vermelde artikellid genoemde onderzoeksorganisaties een subsidie kunnen aanvragen: - a. The University of the Dutch Caribbean; - b. Universiteit van Curaçao; - c. Universiteit van Aruba; - d. Universiteit van Sint Maarten. Artikel 2. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum waarin zij in de Staatscourant wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de raad voor rechtsbijstand over verstrekking van een tijdelijke aanvullende vergoeding voor verleende rechtsbijstand en verrichte mediation in de jaren 2020 en 2021 Artikel 1. Reikwijdte en werkingsduur van de beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. verleende rechtsbijstand op basis van een in 2020 of 2021 afgegeven toevoeging als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=24); - b. in 2020 of 2021 verleende rechtsbijstand in een piketzaak; en - c. verrichte mediation op basis van een in 2020 of 2021 afgegeven toevoeging als bedoeld in [artikel 33a van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a). Artikel 2. Aanvullende vergoeding 1. Aan een rechtsbijstandverlener of een mediator wordt op aanvraag een subsidie verstrekt van € 10,88 (exclusief omzetbelasting) vermenigvuldigd met het aantal punten, toegekend krachtens het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) of het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), voor verleende rechtsbijstand of verrichte mediation als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043005&artikel=1&z=2024-12-31&g=2024-12-31). De subsidie omvat daarnaast de omzetbelasting die is verschuldigd over het in de eerste volzin bedoelde bedrag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de punten, toegekend op grond van de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=13) en [22 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=22) of [artikel 8, vijfde lid, van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=8). Artikel 3. Vergoedingsplafond *Vervallen* Artikel 4. Aanvraag De aanvraag als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsb"},{"b":"Beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand geven aan de ontboden verdachte in zaken die het OM met een strafbeschikking ex artikel 257c Wetboek van Strafvordering wil afdoen (Beleidsregel consult ontboden verdachte artikel 257c Sv) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *advocaat:* advocaat die door de Raad voor Rechtsbijstand is ingeschreven voor het strafrecht en het strafpiket; - b. *Bvr:* [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - c. *consult:* het verlenen van rechtsbijstand aan een rechtzoekende zoals bedoeld onder f; - d. *ontboden verdachte:* de verdachte die is opgeroepen voor een verhoor bij de officier van justitie zoals bedoeld onder i; - e. *punt:* punt zoals bedoeld in het derde lid van [artikel 2 van het Bvr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=2); - f. *rechtsbijstand:* rechtsbijstand in de vorm van een consult aan de rechtzoekende voorafgaand aan het verhoor bij de officier van justitie zoals bedoeld onder i; - g. *rechtzoekende:* de ontboden verdachte zoals bedoeld onder d van dit artikel; - h. *strafbeschikking:* de strafbeschikking zoals bedoeld in [titel IVa van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=IVa); - i. *verhoor bij de officier van justitie:* het verhoor van de verdachte zoals bedoeld in het [eerste en tweede lid van artikel 257c van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c). Artikel 2. Kader beleidsregel Deze beleidsregel heeft tot doel de rechtsbijstand in de vorm van een kosteloos consult te regelen aan de ontboden verdachte voorafgaand aan het verhoor bij de officier van justitie in het kader van de oplegging van een strafbeschikking. Artikel 3. Kosteloze rechtsbijstand voor de rechtzoekende De rechtsbijstand aan de rechtzoekende is geheel kosteloos. Er vindt g"},{"b":"Beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand verlenen aan aangehouden verdachten tijdens het politieverhoor Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *aangehouden verdachte:* de verdachte die door een opsporingsambtenaar is aangehouden op verdenking van een misdrijf waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend[gegeven] en die nadien worden verhoord; - b. *raadslieden:* advocaten die door de Raad voor Rechtsbijstand zijn ingeschreven voor het strafpiket; - c. *verhoorbijstand:* het verlenen van rechtsbijstand aan een aangehouden verdachte [als bedoeld in dit artikel onder a.] tijdens het verhoor door een opsporingsambtenaar. Artikel 2 Deze beleidsregel heeft betrekking op het toekennen van een forfaitaire vergoeding aan raadslieden die verhoorbijstand hebben geboden [als gedefinieerd in [artikel 1 aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037612&artikel=1&z=2016-03-01&g=2016-03-01) van deze beleidsregel]. Artikel 3 1. Indien in een piketzaak als bedoeld in [artikel 23, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=23) tijdens één of meer verhoren rechtsbijstand wordt verleend aan aangehouden verdachten is de vergoeding op grond van [artikel 23a, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=23a) van overeenkomstige toepassing op aangehouden meerderjarige verdachten, met dien verstande dat een vergoeding wordt toegekend van: - a. 3 punten, indien er sprake is van een verdenking van: - – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaren of meer; - – een misdrijf met een slachtoffer dat is overleden dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; of - – een zedenmisdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is geste"},{"b":"Beleidsregel van de raden voor rechtsbijstand houdende draagkrachtbeoordeling rechtspersonen in het kader van gesubsidieerde milieurechtsbijstand (Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen milieurechtsbijstand) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: rechtspersoon: een groep of organisatie met rechtspersoonlijkheid die opkomt voor ideële belangen in het kader van het milieu, niet zijnde een rechtspersoon die een beroep of bedrijf uitoefent dan wel heeft uitgeoefend. Artikel 2 1. Indien een rechtspersoon beschikt over inkomsten of vermogen van € 10.000,– of meer, dan mag redelijkerwijs worden verwacht dat de rechtspersoon zelf de kosten van rechtsbijstand kan betalen uit eigen middelen. 2. Het in het eerste lid bedoelde vermogen ziet op het liquide vermogen in het jaar voorafgaand aan de aanvraag alsmede op vermogensbestanddelen die relatief eenvoudig liquide kunnen worden gemaakt. Hieronder worden in ieder geval begrepen vermogensbestanddelen in de vorm van vorderingen en effecten. Bij de vaststelling van het vermogen wordt geen rekening gehouden met negatieve vermogensbestanddelen. 3. Onder de in het eerste lid bedoelde inkomsten worden in ieder geval begrepen bijdragen van leden, betrokkenen en derden, alsmede subsidies van de overheid. Bij de vaststelling van deze inkomsten wordt geen rekening gehouden met negatieve inkomensbestanddelen zoals schulden. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2008. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen milieurechtsbijstand."},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 27 maart 2024, over daadwerkelijk herstel van schade en het aanbieden van een vaste vergoeding en een aanvullende vaste vergoeding (Beleidsregel schadeafhandeling Tijdelijke wet Groningen) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Instituut:* Instituut Mijnbouwschade Groningen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2); - *de werkwijze:* [Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981); - *wet:* [Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252). Artikel 2. Daadwerkelijk herstel 1. Het Instituut biedt de aanvrager ter uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) en [artikel 1a.1, eerste lid, van de Regeling Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048350&artikel=1a.1), de mogelijkheid aan om zijn schade af te handelen door de te treffen maatregelen in natura uit te voeren of de door de aanvrager gemaakte redelijke kosten voor daadwerkelijk herstel van de schade te vergoeden, tot een maximum van € 60.000. 2. Indien de aanvrager kiest voor deze mogelijkheid verricht het Instituut geen onderzoek naar het causaal verband tussen de door de aanvrager gemelde fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs mijnbouwschade kan zijn als bedoeld in [artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=177a) en beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of de gasopslag bij de Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. 3. Bij de toepassing van dit artikel zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 2.8, tweede lid, onderdelen a, d en f, van"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2019, nr. WJZ/ 19200370, omtrent de uitleg van het begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring Artikel 1 Het in [artikel 1, eerste lid, onderdeel p, onder 1˚, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1) gehanteerde begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' wordt zo uitgelegd dat de aanvraag van een S&O-verklaring niet wordt afgewezen vanwege het feit dat: - a. het resultaat van het onderzoek geen toepassing kan vinden in een technisch nieuw fysiek product of productieproces; - b. de resultaten van het onderzoek niet reproduceerbaar zijn of de statistische betrouwbaarheid van het onderzoek niet inzichtelijk is; - c. de aanvrager in het onderzoek geen nieuwe concepten, wetmatigheden of theorieën ontwikkelt; - d. de aanvrager in het onderzoek geen onbekend werkingsprincipe verklaart. Artikel 2 De [Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 december 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017629), nr. WJZ 4076023, omtrent de uitleg van het begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring (Stcrt. 2004, 240) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2020."},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 juli 2022, nr. DGKE-PDG/ 22285713, betreffende de vergoeding van meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen in Groningen 2022 Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aardbevingsbelasting:* belasting op een gebouw door een aardbeving als bedoeld in NPR 9998; - *basisontwerp:* ontwerp van een gebouw dat binnen een bouwproject één of meerdere malen, eventueel met kleine niet-constructieve variaties, wordt gebouwd en waarvan de berekeningen of het voldoet aan de veiligheidsnorm ook wanneer het meerdere keren wordt gebouwd éénmaal volledig hoeven te worden gemaakt; - *gebouw:* gebouw als bedoeld in [artikel 1 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - *grondgebonden woning:* een gebouw met een woonfunctie dat geheel of gedeeltelijk voor permanente bewoning is ontworpen en gebouwd, en waarvan de constructie bestendig met de grond verbonden is; - *Minister:* Minister van Economische Zaken en Klimaat; - *NPR 9998:* praktijkrichtlijn NPR 9998 uitgave NPR 9998:2020, van de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut; - *NPR-webtool:* webtool die behoort bij NPR 9998, versie 6; - *piekgrondversnelling:* amplitude van de grootste absolute versnelling geregistreerd op een locatie tijdens een aardbeving op maaiveldniveau; - *projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling:* onderdeel van een bouwproject dat ziet op de bouw van één of meerdere gebouwen door één partij op één locatie met dezelfde piekgrondversnelling en dezelfde voor de NPR 9998 relevante grondomstandigheden; - *veiligheidsnorm:* veiligheidsnorm, bedoeld in [artikel 1.3a.3, eerste lid, van de Mijnbouwregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=1.3a.3); - *versterkingsprogramma:* bouwkundig versterkingsprogramma als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld; - *windbelasting:* belasting op een gebouw door de wind zoals bedoeld i"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 12 juli 2013, nr. WJZ / 13117209, houdende gevallen waarin ontheffing van het visverbod zal worden verleend ten behoeve van het overzetten van aal op locaties die de uittrek naar zee bemoeilijken (Beleidsregel ontheffing overzetten aal) Artikel 1 1. Ontheffing van het verbod, bedoeld in [artikel 32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=32a), en in voorkomend geval van [artikel 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=23a), [23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=23b) en [28b van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=28b), ten behoeve van het overzetten van schieraal voorbij locaties die voor die aal bij uittrek een verhoogd risico op sterfte opleveren, wordt op aanvraag verleend. 2. Ontheffing wordt verleend indien: - a. uit de aanvraag blijkt dat het overzetten en de wijze waarop dat plaatsvindt op de beoogde locatie voldoende effectief is met het oog op de uittrek naar zee van de overgezette aal; - b. het overzetten over een beperkte afstand plaatsvindt; - c. tijdens het overzetten in alle gevallen een onafhankelijke controleur aanwezig is; - d. voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat niet wordt meegewerkt aan het overzetten door personen waarvan bij een controle is vastgesteld dat zij aan de ontheffing verbonden voorschriften hebben overtreden, en - e. de beheerder, bedoeld in [artikel 1.1 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=1.1), heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het overzetten. Artikel 2 Een aanvraag als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033699&artikel=1&z=2013-07-23&g=2013-07-23) gaat vergezeld van: - a. een projectplan waarin: - 1°. adres en GPS coördinaten van de beoogde locatie is vermeld en is aangegeven op een overzichtskaart; - 2°. locaties van de te gebruiken fuiken zijn aangegeven; - 3°. per"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 mei 2016, nr. WJZ/16068109, betreffende invoervergunningen voor jachttrofeeën Artikel 1 Aanvragen van invoervergunningen als bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61) voor na 28 april 2016 verkregen jachttrofeeën afkomstig van de soorten, genoemd in bijlage A bij verordening (EG) nr. 338/97, van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61), en de soorten, genoemd in bijlage XIII bij verordening (EG) nr. 865/2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 166), worden afgewezen. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 augustus 2007, nr. AT-EZ/5891756.JZ, houdende vaststelling van regels met betrekking tot toezicht op en handhaving van de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de houder van een IMT-2000 vergunning (Beleidsregel sancties frequentiegebruik UMTS) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. Agentschap Telecom: Agentschap Telecom van het ministerie van Economische Zaken; - c. vergunning: vergunning voor gebruik van frequentieruimte als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3), die is verdeeld op basis van de [Regeling veiling gebruiksrecht radio-frequenties voor IMT-2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011289); - d. vergunninghouder: houder van een vergunning als bedoeld onder c; - e. toezichthouders: ambtenaren als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010033&artikel=2); 2. De definities in de vergunningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn van toepassing. Artikel 2 Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze de Minister van Economische Zaken de voorschriften betreffende dekking en minimum serviceniveau, genoemd in artikel 3, onderdeel b, van de vergunning, bestuursrechtelijk zal handhaven. Artikel 3 1. Ter vaststelling of de vergunninghouder voldoet aan de voorschriften betreffende dekking en minimum serviceniveau, genoemd in artikel 3, onderdeel b, van de vergunning, worden op driehonderd verschillende locaties in Nederland metingen verricht. 2. De metingen geschieden overeenkomstig de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022424) opgenomen meetmethode. Artikel 4 1. Indien een vergunninghouder in minder dan 98% van het in de vergunningsvoorschriften beschreven gebied dekking he"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische zaken van 23 juni 2008, nr. WJZ 8074645, inzake het ondernemingsbegrip in het handelsregister Inleiding 1. Ondernemingen die in Nederland zijn gevestigd dienen te worden ingeschreven in het handelsregister op grond van [artikel 5 Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5), verder genoemd ‘de wet’. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald wanneer sprake is van een onderneming in de zin van de wet op grond van [artikel 8 onder b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=8) verder genoemd ‘een onderneming’. 3. In [artikel 2 Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=2) is neergelegd wanneer sprake is van een onderneming. Op grond van het eerste lid is sprake van een onderneming indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van één of meer personen bestaat waarin door voldoende inbreng van arbeid of middelen, ten behoeve van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee materieel voordeel te behalen. Op grond van het tweede lid is van een onderneming geen sprake indien er, naar het oordeel van de kamer onvoldoende omvang van activiteiten of omzet is. 4. De definitie is gebaseerd op bestaande jurisprudentie, waaronder onder andere HR 13 januari 1966 NJ 1966, 189, HR 12 december 1989, NJ 1990, 433 en CBb 26-9-2000, JOR 2000, 236 (zie § 3.2.1. van de Nota van toelichting bij het [Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067)). 5. De kamer dient een afweging te maken of de opgegeven entiteit een onderneming is, door de omstandigheden van het geval te toetsen. De elementen die in de definitie zijn te onderscheiden moeten ‘voldoende’ aanwezig zijn. Daarbij is er geen sprake van een onderneming indien er, naar het oordeel van de kamer, onvoldoende omvang van activiteiten of omzet is. H"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2016, nr. WJZ/15136568, houdende kanalisatie van individuele diergeneesmiddelen 2016 Artikel 1 Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *besluit:* [Besluit diergeneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386); - b. *dierenarts:* dierenarts, bedoeld in [artikel 1.1, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=1.1); - c. *minister:* Minister van Economische Zaken; - d. *regeling:* [Regeling diergeneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626). Artikel 2 1. Het voorschrift ‘uitsluitend aflevering door toepassing door de dierenarts’, dan wel ‘U.D.D.’, bedoeld in [artikel 2.17 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.17), wordt verbonden aan een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel als bedoeld in de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.13) en [2.14 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.14), indien in verband met een risico voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of het milieu, toepassing door een dierenarts van dat middel noodzakelijk wordt geoordeeld. 2. Als diergeneesmiddelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval beschouwd: - a. antimicrobiële diergeneesmiddelen; - b. middelen die intraveneuze, intra-arteriële of intra-articulaire toediening behoeven of dienen te worden geïmplanteerd, met uitzondering van middelen voor intraveneuze toediening tegen hypocalcemie (melkziekte) en hypomagnesie (kopziekte) bij runderen, bevattende uitsluitend Calcium en Magnesium als werkzame stof, in een verpakking kleiner of gelijk aan 500 ml.; - c. vaccins, met uitzondering van vaccins uitsluitend bestemd voor bedrijfsmatig gehouden pelsdieren, vissen en pluimvee, alsmede vaccins voor kanaries ter preventie van kanariepokken; - d. hormoonpreparaten met gestagene, oes"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 29 juni 2016, nr. WJZ / 16093701, houdende regels die zien op het verlagen van subsidie in het kader van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149) (Beleidsregel verlagen subsidie EFMZV) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *verordening 508/2014:* Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149). Artikel 2. Reikwijdte De minister besluit voor subsidies die verstrekt worden in het kader van verordening 508/2014, tot het verlagen van subsidie in de in deze beleidsregel genoemde gevallen op basis van de bevoegdheden, bedoeld in de [afdelingen 4.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.5) en [4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.6). Artikel 3. Toepassing kortingspercentage 1. De in deze beleidsregel opgenomen kortingspercentages worden toegepast op het subsidiebedrag dat resteert na eventuele andere verlagingen van het subsidiebedrag bij vaststelling. 2. Indien er sprake is van een samenwerkingsverband, worden de in deze beleidsregel opgenomen kortingspercentages toegepast op het subsidiebedrag dat de individuele subsidieontvanger die de overtreding heeft begaan, ontvangt, tenzij de overtreding niet aan een individuele subsidieontvanger is toe te rekenen. Arti"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 april 2015, nr. WJZ / 15058568, betreffende het opleggen van een herstelsanctie voor overtredingen die verband houden met de visserij op het IJsselmeer (Beleidsregel herstelsanctie IJsselmeer) Artikel 1 1. In geval van overtreding van [artikel 8, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=8) wordt de vergunning, bedoeld in dat artikel, ingetrokken en niet opnieuw verleend voor de periode, die berekend wordt met de toepassing van het derde en het vierde lid. 2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op het vissen met de zegen en het staand net, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen j en m, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=2), en de grote fuik en de schietfuik, bedoeld in [artikel 1, onderdelen m en n, van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=1). 3. De periode, bedoeld in het eerste lid, geldend voor de grote fuik, de schietfuik en het staand net, wordt berekend volgens de volgende formule: d = (b x c)/a a = het aantal van het type net dat de vergunninghouder op grond van zijn vergunning wekelijks mag inzetten; b = het aantal van het type net dat de vergunninghouder bovenop het aantal a gebruikt of het aantal netten dat de vergunninghouder in strijd met de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) gebruikt; c = het aantal weken tussen het moment van constatering van de overtreding en het moment waarop dit type net op basis van de [Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539) voor het eerst mocht worden ingezet; d = de periode van de intrekking van de vergunning in weken. Artikel 2 1. De periode, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036582&artikel=1&z=2015-05-05&g=2015-05-05), geldend voor de zegen, wor"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 december 2009, nr. WJZ/9217858, inzake de inschrijving van limited liability partnerships in het handelsregister Dat de kamers bij de inschrijving van een *limited liability partnership* geen gebruik maken van de bevoegdheid op grond van [artikel 5, tweede lid, van het Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=5), om de inschrijving te weigeren op de grond dat niet alle vennoten opgegeven zijn indien ten minste de volgende vennoten of partners wel opgegeven worden: - – alle *designated members*; - – alle *members* die gelieerd zijn aan een vestiging in Nederland, waaronder de *managing partner(s)* - – de in Nederland werkzame beheerder of een andere dergelijke gevolmachtigde en zijn functie. Deze beleidsregel berust op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21). Tijdstip toepassing van deze beleidsregel De kamers van koophandel passen deze beleidsregel toe met ingang met ingang van de dag na de datum waarop deze beleidsregel in de Staatscourant is geplaatst."},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2026, kenmerk 2026-280814 betreffende de uitvoering van de brede ondersteuning in het buitenland overeenkomstig afdeling 2.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bedreigende situatie:* gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie; - *leefgebieden:* de vijf leefgebieden, genoemd in [artikel 2.15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.15), zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg; - *immateriële ondersteuning:* immateriële ondersteuning is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties; - *materiele ondersteuning:* materiële ondersteuning is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken; - *minister:* de Minister van Financiën; - *ondersteuningsvraag:* formulering van de behoefte aan brede ondersteuning die passend is om de doelstellingen, genoemd in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052861&hoofdstuk=3&artikel=3&z=2026-08-26&g=2026-08-26), te kunnen bereiken; - *OTB:* het Ondersteuningsteam Ouders in het Buitenland, gemandateerd door de minister; - *rechthebbende:* de rechthebbende als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052861&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2026-08-26&g=2026-08-26) van deze beleidsregel; - *wet:* de [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Hoofdstuk 2. Rechthebbende brede ondersteuning in het buitenland Artikel 2. Rechthebbende 1. De minister kan ambtshalve bred"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën van 10 Juni 2025 over herziening van het boetebeleid (Beleidsregel bestuurlijke boeten Dienst Toeslagen) Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Awir:* [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472); - b. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. *overtreder:* degene aan wie, op grond van [artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:1) en [artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41) en [41bis Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41bis), in de hoedanigheid van pleger, medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever een bestuurlijke boete kan worden opgelegd; - d. *kinderopvangorganisatie:* kindercentrum en gastouderbureau als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1); - e. *recidive:* recidive als bedoeld in [artikel 41, tweede lid, van de Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41). Artikel 2. Toepassingsgebied 1. In dit besluit worden beleidsregels gegeven die gelden bij het opleggen van bestuurlijke boeten door Dienst Toeslagen op grond van [hoofdstuk 2, paragraaf 6, van de Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&paragraaf=6). 2. Op beboetbare feiten die zijn begaan ná de inwerkingtredingsdatum van dit besluit zijn de beleidsregels van dit besluit van toepassing. 3. Op beboetbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtredingsdatum van dit besluit blijven de (oude) beleidsregels van toepassing, zoals deze luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit. Indien ter zake van deze feiten op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog geen b"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, mede namens de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering, van 18 september 2022, nr. 2022-18406 tot verlenging van de compensatie van de kosten voor organisaties die eHerkenning moeten gebruiken voor het doen van belastingaangifte (Beleidsregel compensatie inloggen belastingaangifte) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (wijziging) Deze beleidsregel werd gewijzigd bij besluit van 20 maart 2023, nr. 2023-6260 (Stcrt. 2023, 11192). Voor de compensatie andere kosten (hoofdstuk 3) is de invulling van de aanvraagperiode verduidelijkt en is de regeling uitgebreid met een mogelijkheid tot het bieden van maatwerk bij de vaststelling van de maximale hoogte van de vergoeding. Deze beleidsregel werd vervolgens gewijzigd bij besluit van 13 december 2024, nr. 2024-33872. Hiermee is de compensatie van de kosten voor organisaties die eHerkenning moeten gebruiken voor het doen van belastingaangifte met twee jaar verlengd. Deze beleidsregel werd voorts gewijzigd bij besluit van 7 augustus 2025, nr. 2025-16762. Hiermee is de beleidsregel aangevuld met een compensatie voor het eHerkenning-zonder-KVK-nummer-inlogmiddel en wordt een compensatie opengesteld voor onvermijdelijke andere kosten voor belastingplichtigen die geen gebruik kunnen maken van het Belastingdienst EH3-inlogmiddel of het eHerkenning-zonder-KVK-nummer-inlogmiddel. Artikel 1a. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanvrager:* de belastingplichtige of inhoudingsplichtige organisatie of buitenlandse natuurlijke persoon, die verzoekt om compensatie voor de kosten van het Belastingdienst EH3-inlogmiddel of noodzakelijke andere kosten als bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047193&hoofdstuk=2&z=2025-08-09&g=2025-08-09) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047193&hoofdstuk=3&z=2025-08-09&g=2025-08-09) van deze beleidsregel; - *Belastingdienst EH3-inlogmi"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane en van de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen van 17 oktober 2024, nr. 2024-492904, over regels met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget (Verzamelbesluit Toeslagen) De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Inleiding In dit besluit staat beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Onder meer is hierin het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Tevens zijn beleidsregels opgenomen voor specifieke situaties met betrekking tot kwijtscheldingswinsten, de termijn voor het tijdig betalen van de kosten voor kinderopvang en de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners in relatie tot de vermogenstoets in de huurtoeslag. Ook bevat dit besluit vier goedkeurende beleidsregels op grond van de hardheidsclausule met betrekking tot (1) particulieren die leenbijstand ontvangen die in een later jaar wordt omgezet in een gift (alle toeslagen), (2) partnerschap ontstaan door mantelzorg (alle toeslagen), (3) het niet tegenwerpen van de arbeidseis bij feitelijke wijziging van het partnerschap en (4) het recht op huurtoeslag voor (half)wezen jonger dan 21 jaar die achterblijven in de ouderlijke woning. Tot slot wordt terugwerkende kracht verleend aan eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot de eerdere wijziging van de Wkb betreffende d"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) 1178/2011, bijlage I (deel FCL), artikel FCL.945, met betrekking tot verplichtingen voor instructeurs (Beleidsregel uitvoering artikel FCL.945) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *artikel FCL.945:* artikel FCL.945 van bijlage I (deel FCL), van verordening (EU) nr. 1178/2011; - *bevoegde autoriteit:* bevoegde autoriteit als bedoeld in Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU L 79) en nadien gewijzigd, en de verordeningen die zijn vastgesteld krachtens voornoemde Verordening, tenzij deze taken bij of krachtens wettelijk voorschrift elders zijn belegd; - *verordening (EU) nr. 1178/2011:* verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en nadien gewijzigd. Artikel 2 1. De specifieke machtiging, bedoeld in artikel FCL.945, inzake verplichtingen voor instructeurs, wordt verleend door bijschrijving van de desbetreffende vermelding op het door de Nederlandse bevoegde autoriteit krachtens verordening (EU) nr. 1178/2011 uitgegeven bewijs van bevoegdheid. 2. De bevoegde autoriteit kan de in het eerste lid bedoelde machtiging op aanvraag verstrekken aan houders van het op grond van verordening (EU) nr. 1178/2011 afgegeven FI(A), FI(H), TRI(H) of CRI(A) SP SE in het bewijs van bevoegdheid. Artikel 2a 1. De specifieke machtiging, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00382"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de toepassing van artikel 80 Spoorwegwet (Beleidsregel bestuurlijke boetes Spoorwegwet 2016) Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als beboetbaar feit zijn aangemerkt bij of krachtens [artikel 77, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=77). Artikel 2 Bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete ter zake van overtreding van een norm die zich richt tot een natuurlijke persoon, niet zijnde een onderneming, worden de boetebedragen gehanteerd zoals opgenomen in de tweede kolom van de tabellen 1 tot en met 3 in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038548) bij deze beleidsregel. Artikel 3 1. Bij de vaststelling van de hoogte van een bestuurlijke boete ter zake van een overtreding van een norm die zich richt tot een onderneming, worden de normbedragen gehanteerd zoals opgenomen in de derde kolom van de tabellen 1 tot en met 3 in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038548) bij deze beleidsregel. 2. Het normbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermenigvuldigd met de bij de omzetcategorie van de onderneming horende factor. 3. De omzetcategorie-indeling, bedoeld in het vorige lid, luidt als volgt: | Categorie I | ondernemingen met een omzet van minder dan € € 100.000,– | Factor 0,25 | | --- | --- | --- | | Categorie II | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 100.000,– maar minder dan € 200.000,– | Factor 0,5 | | Categorie III | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 200.000,– maar minder dan € 500.000,– | Factor 1 | | Categorie IV | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 500.000,– maar minder dan € 1.000.000,– | Factor 2 | | Categorie V | Ondernemingen met een omzet van meer dan € 1.000.000,– | Factor 3 | 4. De omzet in de zin van dit artikel is de omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. Artikel 4 Het op grond van de [artikelen 2](https://wetten"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 september 2012, nr. IenM/BSK-2012/162839, met betrekking tot het verstrekken van locatiegegevens bij de aanvraag om een vergunning voor een veldproef met een genetisch gemodificeerd gewas, en enige aan de vergunning te verbinden voorschriften (Beleidsregel locatie veldproef gg-gewassen) Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Attenderingszone:* het gebied dat is gelegen rondom de buitenste begrenzing van het kadastrale perceel waarop een veldproef plaatsvindt en wordt begrensd door de grootte van de isolatieafstand; - b. *Besluit:* [Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703); - c. *Bloeiperiode:* de periode vanaf het moment waarop de eerste genetisch gemodificeerde plant op het proefobject de eerste bloeiwijze vormt tot het moment waarop de laatste bloeiwijze is afgestorven; - d. *Categorie 1, categorie 2, categorie 3:* Categorie 1, categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 als bedoeld in advies CGM/081125-02 van 25 november 2008 van de Commissie genetische modificatie; - e. *Gg-gewas:* genetisch gemodificeerd gewas; - f. *Grootte van de aangevraagde locatie:* de aangevraagde maximale omvang van het proefobject; - g. *Isolatieafstand:* de afstand vanaf de buitenste begrenzing van het proefobject waarbinnen geen commerciële teelt van hetzelfde, niet genetisch gemodificeerde, gewas mag voorkomen; - h. *Isolatiezone:* het gebied dat is gelegen rondom de buitenste begrenzing van het proefobject en wordt begrensd door de grootte van de isolatieafstand; - i. *Kadastraal perceel:* een met een kadastrale aanduiding (ingemeten door en geregistreerd bij het Kadaster) gekenmerkt perceel; - j. *Proefobject:* grondstuk waarop de in de aanvraag om een vergunning omschreven planten worden gezaaid, geplant of ondergewerkt, en dat wordt begrensd door de plaatsing van de in die aanvraag beschreven planten, daa"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende regels over commerciële vluchtuitvoeringen met verhoogd risico (Beleidsregel commerciële vluchtuitvoeringen met verhoogd risico) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *verordening (EG) nr. 216/2008:* verordening nr. 216/2008 van de Commissie van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG; - *verordening (EU) nr. 965/2012:* verordening (EU) Nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals laatstelijk gewijzigd door verordening (EU) nr. 2015/2338; - *verordening (EU) nr. 923/2012:* verordening (EU) nr.923/2012 van de Commissie van 29 september 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010; - *verordening (EU) nr. 1178/2011:* verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad. Artikel 2 Buiten de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038460&artikel=1&z=2016-09-02&g=2016-09-02) genoemde verordeningen en de daarin beschreven vluchtuitvoeringen met risico’s voor derden zijn er op dit m"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 1 mei 2013, nr. ILT-2013/15952, inzake verlening van ontheffing van de eis een chauffeurskaart in het bezit te hebben en te gebruiken, ten behoeve van de deelname aan een leer-werk-traject (beleidsregel ontheffing leer-werk-traject taxi) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *besluit:* [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - b. *chauffeurskaart:* chauffeurskaart als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=1); - c. *ontheffing:* ontheffing van de eis een chauffeurskaart in bezit te hebben en te gebruiken in het kader van een leer-werk-traject, als bedoeld in [artikel 83, negende lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83); - d. *LWT-contractvervoer:* taxivervoer waarbij gedurende een periode van minimaal negen maanden meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke overeenkomst, die een vervoerplicht inhoudt voor het vervoeren van meerdere passagiers niet zijnde de opdrachtgever, tegen in die overeenkomst vastgelegde tarieven, alsmede vervoer als bedoeld in het eerste lid van [artikel 6 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=6); - e. *gezamenlijke verklaring:* verklaring van de aanvrager en de vervoerder, bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), die taxivervoer verricht, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende het leer-werk-traject uitsluitend LWT-contractvervoer voor de vervoerder zal verrichten. - f. *CBR:* Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; Artikel 2 1. Een ontheffing wordt op aanvraag verstrekt. 2. Een aanvraag voor een ontheffing wordt mede aangemerkt als zijnde een aanvraag voor een chauffeurskaart. 3. Bij de aanvraag voor een ontheffing worden de volgende documenten overg"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 30 mei 2016, nr. ILT-2016/16814, voor het verlenen van ontheffingen voor micro- en minidrones Artikel 1. Ontheffing voor vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg (minidrones) Op aanvraag wordt ontheffing verleend voor vluchten met een RPA als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen (Roabl), onder de in dat lid bedoelde beperkingen, van: - a. het verbod, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1) om een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling, mits de aanvrager: - 1° de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, en - 2° kan aantonen te beschikken over voldoende bekwaamheid als bedoeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038018) bij deze beleidsregel, om op een veilige manier deel te nemen aan het luchtverkeer met het op afstand bestuurde luchtvaartuig bedoeld onder b; - b. het verbod, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8) om een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig dat niet is voorzien van een bewijs van luchtwaardigheid, mits met een bewijs van inschrijving als bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.1) wordt aangetoond dat de maximum toegelaten totaalmassa niet meer is dan 4 kg; - c. het verbod, bedoeld in [artikel 3.19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19a) om een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig dat niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 april 2015 nr. IENM/BSK-2015/69273, betreffende het verwerven van woningen langs basisnetroutes Paragraaf 1. Inleiding en achtergrond Het navolgende betreft een beleidsregel als bedoeld in [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). Deze beleidsregel heeft betrekking op de aankoop door het Rijk van: - 1. woningen die op 1 april 2015 geheel of gedeeltelijk binnen een risicozone van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen; - 2. woningen die na 1 april 2015 binnen een risicozone van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen komen te liggen als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur of vervoer die van invloed zijn op de omvang of ligging van de risicozone. Deze beleidsregel hangt samen met de bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=14) onderscheidenlijk [artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=9) en met de op het laatstgenoemde artikel gebaseerde [Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035601)1Stcrt. 2014, 25839.. Op 25 juli 2013 is de [Wet basisnet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033712) in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2013, 307). Deze wet is op 1 april 2015 in werking getreden2Stb. 2015, 92., samen met het [Besluit externe veiligheid transportroutes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233) (hierna: Bevt) (Stb. 2013, 465) en de op de wet en het besluit gebaseerde [Regeling basisnet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035000) (Stcrt. 2014, 8242). Deze wet- en regelgeving heeft tot doel een duurzaam evenwicht te scheppen tussen vervoers-, ruimtelijke en veiligheidsbelangen, die bij"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 april 2026, nr. ILT-2026/19736, over de kwalificatie van verontreinigd papier- en metaalafval in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van Verordening (EU) nr. 2024/1157 van het Europees Parlement en Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanhangende olie:* olie die resteert nadat oliehoudend ijzer- en staal(ferro) schroot en non-ferro schroot gedurende ten minste 48 uur bij een temperatuur die hoger is dan 15 graden Celsius is uitgelekt; - *bestuursrechtelijke handhaving:* bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de EVOA 2024 gestelde verplichtingen als opgedragen aan de minister bij [artikel 18.2b, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b) in samenhang met [artikel 18.4 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.4) en [Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5); - *EVOA 2006:* Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); - *EVOA 2024:* Verordening (EU) nr. 2024/1157, van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006; - *huishoudelijk afval (Y46):* afvalstof als bedoeld in bijlage V, deel 2, lijst A onder Y46 van de EVOA 2024; - *gevaarlijke afvalstof:* afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit; - *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - *inspecteur:* toezichthouder als bedoeld in [artikel 5.11 van de Algemene wet best"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 juli 2022, nr. IENM/ILT-2022/36807, houdende vaststelling van handhavingsbeleid inzake de kwaliteitseisen die gelden voor benzine en diesel voor het wegverkeer bestemd voor de export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU, in het bijzonder bestemd voor ECOWAS-landen, in verband met toezicht op en de handhaving van de zorgplicht van artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer (Beleidsregel handhaving kwaliteit van benzine en diesel bestemd voor de export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU, in het bijzonder ECOWAS-landen, 2022) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *benzine en diesel:* benzine en diesel voor het gebruik als brandstof ten behoeve van het wegverkeer; - b. *ppm:* parts per million; - c. *v/v:* volume/volume; - d. *produceren:* vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken of aan een ander ter beschikking stellen; - e. *ECOWAS:* Economic Community of West African States; - f. *Lage- en middeninkomenslanden:* lage- en middeninkomenslanden volgens de definitie en actuele indeling van de Wereldbank. Artikel 2. Kwaliteit van benzine en diesel 1. Bij de handhaving van de zorgplicht van [artikel 9.2.1.2 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.1.2) hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport voor benzine en diesel bestemd voor export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU tot 1 april 2023 in ieder geval de volgende specificaties: - a. benzine bevat maximaal 150 ppm aan zwavel, maximaal 1% (v/v) aan benzeen, en maximaal 6 mg/liter mangaan; - b. diesel bevat maximaal 350 ppm aan zwavel. 2. Bij de handhaving van de zorgplicht van [artikel 9.2.1.2 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.1.2) hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport voor benzine en diesel bestemd voor export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU vanaf 1"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 juni 2025, nr. IENW/BSK-2025/124351, tot vaststelling van de kostenaandelen zwerfafval per kunststofproductsoort, de bijdragen per eenheid kunststofproduct, de wegingsfactoren per overheidsorganisatie en de kosten per gebiedskenmerk als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Beleidsregel artikelen 3.1 en 3.2 Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *grote gemeenten:* gemeenten met 300.000 inwoners of meer; - *middelgrote gemeenten:* gemeenten met 100.000 tot 300.000 inwoners; - *middelkleine gemeenten:* gemeenten met 30.000 tot 100.000 inwoners; - *kleine gemeenten:* gemeenten tot 30.000 inwoners; - *kunststofhoudende tabaksfilters:* tabaksproducten met kunststofhoudende filters en kunststofhoudende filters die worden verkocht voor gebruik in combinatie met tabaksproducten als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045257&artikel=5). Artikel 2. Kostenaandeel per productsoort Het kostenaandeel zwerfafval per kunststofproductsoort als bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&artikel=3.1) over 2023 onderscheidenlijk 2024 bedraagt voor: | | 2023 | 2024 | | --- | --- | --- | | a. voedselverpakkingen | € 3.563.591,03 | € 3.260.620,90 | | b. zakjes en wikkels | € 9.879.142,04 | € 10.054.362,77 | | c. drankverpakkingen | € 9.992.722,34 | € 9.304.412,33 | | d. drinkbekers | € 5.389.105,30 | € 4.905.892,45 | | e. lichte plastic draagtassen | € 2.121.765,27 | € 2.715.409,29 | | f. vochtige doekjes | € 1.668.445,55 | € 1.880.620,30 | | g. ballonnen | € 173.972,46 | € 145.036,36 | | h. kunststofhoudende tabaksfilters | € 36.818.178,57 | € 35.763.465,06 | | i. bewustmakingsmaatregelen | € 1"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 november 2021 nr. ILT-2021/61062 over de erkenning van medische en psychologische keuringsinstituten en de goedkeuring van keuringsreglementen (Beleidsregel keuringsinstituten Spoorwegwet) Artikel 1. (gelijktijdige behandeling) Een aanvraag om erkenning als keuringsinstituut als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=19), en een verzoek tot goedkeuring van een keuringsreglement als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onder a, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10) worden tegelijkertijd ingediend. Artikel 2. (toetsingscriteria keuringsreglement) De Inspectie toetst een keuringsreglement als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onder a, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10) op de volgende inhoud: - a. procedure voor aanmelding voor een keuring, met inbegrip van een legitimatieplicht voor de keurling; - b. beschrijving van de inhoud van de keuring per veiligheidsfunctie; - c. de wijze waarop het keuringsinstituut keurlingen en hun werkgevers inzage geeft in het keuringsreglement; - d. totstandkoming van de keuringsuitslag (geschiktheid, eventuele beperkingen, geldigheidsduur, hoe er gehandeld wordt bij tijdelijke ongeschiktheid, hoe er gehandeld wordt bij geringe afwijking van de medische of psychologische eisen); - e. klachtenregeling en mogelijkheid van herkeuring; - f. beleid voor inschakeling van een arts-deskundige; - g. beschrijving van de communicatie over de uitslag en eventuele beperkingen met de keurling, en indien van toepassing de werkgever. Artikel 3. (toetsingscriteria onafhankelijke organisatie en expertise) De Inspectie toetst bij de aanvraag om een erkenning als keuringsinstituut als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het Besluit spoorwegpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&arti"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 februari 2022, nr. IENW/ILT-2022/12059, houdende vaststelling van beleid inzake de kwalificatie van verontreinigd papier-, kunststof- en metaalafval in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *aanhangende olie:* olie die resteert nadat oliehoudend ijzer- en staal(ferro) schroot en non-ferro schroot gedurende ten minste 48 uur bij een temperatuur die hoger is dan 15 graden Celsius is uitgelekt; - *bestuursrechtelijke handhaving:* bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de EVOA gestelde verplichtingen als opgedragen aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij [artikel 18.2b, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b) in samenhang met [artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.15) en [Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5); - *EVOA*: Verordening (EU) nr. 1013/2006, van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); - *huishoudelijk afval (Y46):* afvalstof als bedoeld in bijlage V, deel 3 onder Y46 van de EVOA; - *gevaarlijke afvalstof:* afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de Kader richtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit; - *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - *inspecteur:* toezichthouder als bedoeld in [artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11) die werkzaam is bij de ILT; - *Kaderrichtlijn afvalstoffen:* Richtlijn 2008/98/EG van het E"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 december 2023, nr. ILT-2023/58667, inzake de toepassing van regels van Verordening 1071/2009/EG en Verordening (EU) 2016/403, de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000 houdende bepalingen in verband met de uitvoering van de evenredigheidstoets en het sanctioneren van de vervoerder en de vervoersmanager verlies van betrouwbaarheid in het busvervoer (Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid busvervoer 2024) Hoofdstuk 1. Definities en inleidende bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *meest ernstige overtredingen:* meest ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening 2016/403; - b. *heel ernstige overtredingen:* heel ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening 2016/403; - c. *ernstige overtredingen:* ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van Verordening 2016/403; - d. *strafpunten:* punten die aan de vervoerder of vervoersmanager worden toegerekend als gevolg van het plegen van een meest ernstige, heel ernstige of ernstige overtreding als bedoeld in dit artikel onder a, b en c; - e. *besluit:* besluit van Onze Minister tot schorsing of intrekking van de communautaire vergunning of ongeschiktverklaring van de vervoersmanager; - f. *ILT:* Inspectie Leefomgeving en Transport; - g. *onderzoeksrapport:* onderzoeksrapport van Onze Minister, opgesteld door de ILT, inhoudende zijn conclusie ten aanzien van de betrouwbaarheid van de vervoerder of de vervoersmanager; - h. *evenredigheidstoets:* toets die de ILT op basis van haar onderzoeksrapport uitvoert ten aanzien van de evenredigheid van een besluit en waarbij wordt onderzocht of zich feiten en omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder of vervoersm"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 juli 2019, nr. ILT- 2019/41462 over de rol van de beheerder bij de beoordeling van de infrastructuurcompatibiliteit in het kader van de toelating van spoorvoertuigen (Beleidsregel rol beheerder bij voertuigtoelating Spoorwegwet) Artikel 1. Definities - *eenloketsysteem:* informatie- en communicatiesysteem bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2016/796; - *infrastructuurcompatibiliteit:* verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur; - *infrastructuurcompatibiliteitsverklaring:* verklaring waarin de beheerder zijn standpunt geeft op de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met de infrastructuur; - *spoorvoertuig:* voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorwegen; - *Spoorwegbureau:* Spoorwegbureau bedoeld in Verordening (EU) 2016/796; - *Uitvoeringsverordening (EU) 2018/ 545:* Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 90); - *Verordening (EU) 2016/796:* Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138); - *visie:* visie van de beheerder op de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met de infrastructuur; - *voertuigtoelating:* beslissing op een aanvraag als bedoeld in de [artikelen 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26f), 26f, tweede lid, [26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26k), 26k, vierde lid, 26k, vijfde lid, [26m, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26m), [26q, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 juni 2024, nummer 5568376, over het nemen van verdeelbesluiten in het kader van artikel 5 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Beleidsregel verdeelbesluiten) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *Staatssecretaris:* De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - *Verslag:* Het verslag van de commissaris van de Koning van het overleg tussen de colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het COA over de verdeling van opvangplaatsen, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=4). Artikel 2. Invulling van het verdeelbesluit door de staatssecretaris 1. De staatssecretaris neemt steeds het verslag van de commissaris van de Koning als uitgangspunt voor het nemen van een verdeelbesluit voor de provincie. 2. Wanneer in het verslag een volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, wordt deze verdeling uit het verslag door de staatssecretaris overgenomen in het verdeelbesluit. 3. Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, dan vult de staatssecretaris deze verdeling in. Artikel 3. In aanmerking te nemen omstandigheden bij een niet volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen laat de staatssecretaris zich bij het nemen van het verdeelbesluit leiden door: - a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau; - b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten; - c. de haalbaarheid en"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 mei 2025, nr. 6373888, over de procedure bij en toetsing door de Commissie toegang notariaat (Beleidsregel toetsing Ctn) Gelet op: a. de [artikelen 3:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:6), en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); b. de [artikelen 8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8), [30b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=30b), en [30c, eerste en tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=30c); Besluit: Definities In deze beleidsregel wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - – *Wna:* [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) - – *Bna:* [Besluit op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032084) - – *Reglement:* Reglement inzake de werkwijze Commissie toegang notariaat - – *BFT:* Bureau Financieel Toezicht (in de Wna aangeduid als ‘het Bureau’) - – *Ctn:* Commissie toegang notariaat - – *Cvdn:* Commissie van deskundigen notariaat - – *KNB:* Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie - – *Minister:* Minister van Justitie en Veiligheid - – *verzoeker:* de kandidaat-notaris die verzoekt om goedkeuring van de aanwijzing als toegevoegd notaris of de kandidaat- of toegevoegd notaris die verzoekt te worden benoemd tot notaris - – *persoonstoets:* de toets die de verzoeker aflegt bij een extern adviesbureau, dat op verschillende onderdelen de persoonlijke geschiktheid van de verzoeker toetst voor het ambt van notaris of voor de positie van toegevoegd notaris. 1. Inleiding Deze beleidsregel beschrijft de procedure bij de Ctn en de daaropvolgende uitoefening van de beslissingsbevoegdheid door de minister. De Ctn is evenals de Cvdn, die het ondernemingsplan toetst bij een verzoek tot benoeming tot notari"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 2 oktober 2024, nr. WJZ/ 86864848, tot nader specificeren van de eisen die worden gesteld aan gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden bij aanwijzing in de Omgevingsregeling (Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden) Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *beschermde soort:* van nature in Nederland in het wild voorkomende soort die valt onder de reikwijdte van de bepalingen in [afdeling 11.2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&afdeling=11.2) over vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten; - *besluit:* [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330); - *minister:* Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Artikel 2. (voorwaarden aanwijzing gedragscode) 1. De minister wijst een gedragscode soortenbescherming als bedoeld in de [artikelen 11.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.45), [11.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.53) of [11.59 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.59) uitsluitend aan, als is voldaan aan de [artikelen 3 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050302&artikel=3&z=2024-10-17&g=2024-10-17). 2. De minister wijst een gedragscode houtopstanden op grond van [artikel 11.131, eerste lid, aanhef en onder d, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.131) uitsluitend aan, als is voldaan aan de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050302&artikel=6&z=2024-10-17&g=2024-10-17) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050302&artikel=8&z=2024-10-17&g=2024-10-17). Artikel 3. (gedragscode soortenbescherming in het kader van bestendig beheer en onderhoud) 1. Een gedragscode soortenbescherming voor activiteiten in het kader van bestendig beheer en on"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 29 juni 2026, nr. WJZ/22549150, houdende regels die zien op het verlenen van rechten voor het vissen en kweken van schelpdieren (Beleidsregel uitgifte rechten schelpdieren) [KetenID WGK26249] § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen en toepassingsbereik 1. De begripsbepalingen van de [Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539) zijn van toepassing. 2. Deze beleidsregel is van toepassing op het verlenen van schriftelijke toestemming, ontheffing, vrijstelling, vergunning en het afsluiten van een huurovereenkomst, voor het vissen op schelpdieren als bedoeld in [Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling Visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&bijlage=1) in de visserijzone of de kustwateren, bedoeld in [artikel 1, vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1), of in het Grevelingen- en Veerse meer. 3. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de rechten, bedoeld in het tweede lid, die verleend zijn voor 26 oktober 2023 en op het verlengen van deze rechten. § 2. Verlenen rechten voor nieuwe activiteiten Artikel 2. Verlenen rechten voor visserij op schelpdieren 1. De Minister verleent voor de activiteiten, genoemd in het vierde lid, niet de rechten, genoemd in het vierde lid, indien het verlenen van deze rechten leidt tot een uitbreiding van de visserijactiviteiten in het betreffende gebied. 2. De volgende activiteiten worden niet aangemerkt als een uitbreiding van de visserijactiviteiten als bedoeld in het eerste lid: - a. het vervangen van het vistuig door degene die rechten heeft voor het vissen op schelpdieren in het betrokken gebied; of - b. activiteiten die volledig gecompenseerd worden doordat de aanvrager andere activiteiten betreffende het vissen op schelpdieren van gelijke omvang in hetzelfde gebied beëindigt en de Minister de rechte"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 31 oktober 2024 nr. WJZ/52728172, houdende regels over de aanwijzing van havens en plaatsen voor het aanlanden, overladen en lossen van vis en voor onderhoudswerkzaamheden (Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij) Artikel 1 De begripsbepalingen van de [Uitvoeringsregeling zeevisserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030288) zijn van toepassing. Artikel 2 De Minister wijst op aanvraag een haven of plaats voor aanlanding, overlading, lossen of onderhoudswerkzaamheden enkel aan indien de aanvrager aantoont dat: - a. de haven of plaats technisch geschikt is voor de activiteiten, bedoeld in de aanhef, waar de aanwijzing op van toepassing is; - b. de aanvraag past binnen het bestemmingsplan; en - c. de weegsystemen van de haven of plaats voldoen aan het gestelde bij of krachtens de controleverordening. Artikel 3 Bij de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050352&artikel=2&z=2024-11-02&g=2024-11-02) houdt de Minister voorts rekening met: - a. de meerwaarde van de desbetreffende haven of plaats ten opzichte van de reeds aangewezen havens en plaatsen, gelet op het verwachte aantal aanlandingen in de desbetreffende haven of plaats en de voorzieningen van de reeds aangewezen havens en plaatsen; - b. het draagvlak bij de betrokken gemeenten en de raadpleging van betrokken ondernemers; en - c. de uitvoerbaarheid voor de NVWA. Artikel 4 De Minister beslist voor het einde van het jaar op een aanvraag, indien de aanvraag voor 1 september van het desbetreffende jaar is ingediend. Artikel 5 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 september 2025, nr. WJZ/ 98207351, over de beoordeling van aanvragen van certificaten voor handel binnen de Europese Unie en van aanvragen van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten voor in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en tijgerproducten (Beleidsregel certificaten EU-handel, uitvoer en wederuitvoer tijgers en tijgerproducten) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *CITES-basisverordening:* Verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61); - *CITES-uitvoeringsverordening:* Verordening (EG) nr. 865/2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166); - *derde land:* land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - *dierentuinrichtlijn:* Richtlijn 1999/22/EG betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94); - *geregistreerd opvangcentrum of reservaat:* opvangcentrum of reservaat dat geregistreerd is bij en gecontroleerd wordt door de bevoegde autoriteiten van het land waar het opvangcentrum of reservaat gevestigd is; - *in gevangenschap geboren en gefokte tijger:* tijger die aantoonbaar voldoet aan de in artikel 54 van de CITES-uitvoeringsverordening opgenomen vereisten voor in gevangenschap geboren en gefokte specimens van diersoorten; - *museum:* permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed; - *vergunninghoudende dierentuin:* dierentuin in een lidstaat van de Europese Un"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. DK/204280, inzake de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 4:46, tweede lid, en 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot het lager vaststellen onderscheidenlijk het verlagen van bij of krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid verleende instellingssubsidies bij te late indiening van verantwoordingsbescheiden (Beleidsregel verlaging cultuursubsidies) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), - *jaarlijkse instellingssubsidie:* subsidie als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=1), - *vierjaarlijkse instellingssubsidie:* subsidie als bedoeld in de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), [4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4b) en [4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4c), en - *Rsc:* [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister gebruik maakt van de bevoegdheid tot het: - a. lager vaststellen van een op grond van de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) verleende jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie op grond van [artikel 4:46, tweede lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), en - b. wijzigen van een op grond van de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) verleende jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie ten nadele van de ontvanger op grond van [artikel 4:48, eerste lid, van"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 augustus 2015, nr. VO/794653, houdende nadere regels voor het aanbieden van versneld vwo en/of verrijkt vwo voor talentvolle leerlingen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel versneld vwo en/of verrijkt vwo) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1. *school:* vestiging van een school voor voortgezet onderwijs; - 2. *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - 3. *WVO 2020:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - 4. *medezeggenschapsraad:* medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - 5. *vwo:* opleiding voor voortgezet wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 2.4 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4); - 6. *versneld vwo:* speciaal vijfjarig vwo-programma voor groepen talentvolle leerlingen; - 7. *verrijkt vwo:* speciaal zesjarig vwo-programma voor groepen talentvolle leerlingen; - 8. *zeer zwakke school en zwakke school:* vestiging van een school waar een aangepast toezichtarrangement geldt, zoals beschreven in het voor dat jaar geldende toezichtkader als bedoeld in [artikel 13, eerste lid van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13). Artikel 2. Doel en inhoud van de regeling 1. Het doel van deze beleidsregel is om bevoegde gezagsorganen meer ruimte te bieden ten aanzien van de inrichting van het onderwijs op hun scholen, zodat zij de kwaliteit van het vwo-onderwijs aan talentvolle leerlingen kunnen vergroten en meer maatwerk kunnen bieden. Op deze manier kunnen scholen talentvolle leerlingen optimaal stimuleren en uitdagen, waardoor deze leerlingen hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen. 2. Deze beleidsregel beschrijft de manier waarop de minister invulling geeft aan de bevoegdheid om e"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 februari 2026, nr. 61729394, houdende nadere regels voor het organiseren van onderbouwklassen voor praktijkonderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs (Beleidsregel pro/vbo) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - *medezeggenschapsraad:* medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *pro:* praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - *school:* school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar openbaar of uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7) en [2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - *toelaatbaarheidsverklaring:* verklaring als bedoeld in [artikel 2.30 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.30); - *vbo:* voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7); - *wet:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - *zeer zwakke school:* zeer zwakke school als bedoeld in [artikel 2.94 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.94). Artikel 2. Doel en inhoud 1. Het doel van deze beleidsregel is om pro-scholen in samenwerking met vbo-scholen, in afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8) en [2.29 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.29), de mogelijkheid te geven een ond"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 december 2025, houdende nadere regels voor het aanbieden van een flexibel beroepsgericht programma in de beroepsgerichte profielen in de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg vmbo (Beleidsregel flexibel beroepsgericht programma) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *combinatieprofiel:* *combinatieprofiel als bedoeld in artikel 3, vierde lid;* - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *medezeggenschapsraad:* medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - *profiel:* profiel als bedoeld in [artikel 2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.1) en [artikel 2.24, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.24); - *profielmodule:* *profielmodule als bedoeld in artikel 3, tweede lid;* - *school:* vestiging van een school voor voortgezet onderwijs; - *WVO 2020:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - *zeer zwakke school:* zeer zwakke school als bedoeld in [artikel 2.94 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.94). Artikel 2. Doel en inhoud van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om bevoegde gezagen meer ruimte te bieden in de opbouw van het beroepsgerichte programma in de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg van het vmbo, zodat een meer flexibel beroepsgericht programma mogelijk wordt gemaakt om eigentijds en organiseerbaar onderwijs aan te bieden. Artikel 3. Vormgeving combinatieprofiel 1. Op grond van deze beleidsregel is het mogelijk om, indien de school in het bezit is van bijbehorende profiellicenties, de volgende profielen te combineren: - a. Zorg en Welzijn en Horeca, Bakkerij en Recreatie; of - b. Zorg"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55067900, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het primair onderwijs (Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *G5-gemeenten:* gemeente Amsterdam, gemeente Almere, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam en gemeente Utrecht; - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *professionals:* personen, die worden ingezet op een school en die niet in het bezit zijn van een bevoegdheid bedoeld in [artikel 3 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3) of [artikel 3 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3); - *school:* school als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *WEC:* [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - *WMS:* [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685); - *WPO:* [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); Artikel 2. Het doel van het experiment Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken: - a. wat het afwijken van de wettelijke voorschriften genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052314&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2026-02-21&g=2026-02-21) onder de aldaar genoemde voorwaarden, bij de deelnemende scholen voor e"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55072181, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar flexibele vakanties in het kader van de onderwijstijd in het primair onderwijs (Beleidsregel experiment vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *experiment:* experiment vervolg en verfijning van ruimte in; - *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *school:* school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - *WEC:* [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - *WMS:* [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685); - *WPO:* [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - *WPO BES:* [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Hoofdstuk 2. Het experiment Artikel 2. Het doel van het experiment Het doel van het experiment is om bij deelnemende scholen te onderzoeken: - a. wat het afwijken van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052337&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2026-04-15&g=2026-04-15) genoemde regels over de invullin"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 december 2012, nr. VO/440230, houdende regels omtrent instandhouding dan wel bekostiging van scholen onder de opheffingsnorm in verband met een uitzonderlijke situatie Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *bevoegd gezag:* het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - b. *leerling:* leerling als bedoeld in [artikel 5.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.8); - c. *minister:* de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. *school:* een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), met uitzondering van een school voor praktijkonderwijs; - e. *teldatum:* teldatum als bedoeld in [artikel 5.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.8); - f. *uitzonderingsschool:* een school met een leerlingaantal onder de opheffingsnorm die instandgehouden dan wel bekostigd wordt in verband met een uitzonderlijke situatie; - g. *wet:* [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Datum aanvraag en beslissing Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 4.25, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.25), voor 1 maart voorafgaand aan het schooljaar waar de aanvraag betrekking op heeft, wordt ingediend, beslist de minister voor 15 april. Artikel 3. Uitzonderingsscholen vanwege uitzonderlijke omstandigheden 1. Indien het bevoegd gezag aantoont dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden van tijdelijke aard bepaalt de minister dat een school bekostigd dan wel instandgehouden wordt voor een periode van maximaal drie jaar. 2. Indien het bevoegd gezag aantoont dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden van structurele aard bepaal"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 september 2010, nr. HO&S/BS/2010/ 227934, betreffende onder meer de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan rechtspersonen om graden te verlenen (Beleidsregel bevoegdheid graadverlening hoger onderwijs) § 1. Definities Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. *accreditatieorgaan:* Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167); - d. *inspectie:* inspectie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=2); - e. *graad:* graad als bedoeld in [artikel 7.10a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a); - f. *aanvraag:* verzoek om toestemming; - g. *toestemming:* besluit van de minister als bedoeld in [artikel 6.9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), op grond waarvan een rechtspersoon graden mag verlenen; - h. *geaccrediteerde opleiding:* opleiding die door het accreditatieorgaan na de procedure toets nieuwe opleiding of de accreditatieprocedure positief is beoordeeld. § 2. Reikwijdte Artikel 2 Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan een rechtspersoon en de daarbij in acht te nemen beslistermijn; - b. de wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het ontnemen van rechten aan opleidingen, bedoeld in [artikel 6.10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2020, nr. 2020-0000152843, tot vaststelling van de Beleidsregel maatregelenbeleid in verband met het verwijderen van (her-)registraties (Beleidsregel maatregelenbeleid (her)registratie arbowetgeving) Artikel 1. Tijdelijke verwijdering (her-)registratie bij de eerste keer en bij recidive 1. Indien de minister vaststelt dat [artikel 1.5p, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5p) van toepassing is, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit een register als bedoeld in [art. 1.5j, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5j) voor de duur van maximaal zes maanden. 2. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde met zijn werkzaamheden gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit het betreffende register voor de duur van minimaal 6 en maximaal negen maanden. 3. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het tweede lid, vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde met zijn werkzaamheden gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit het betreffende register voor de duur van minimaal negen en maximaal twaalf maanden. 4. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het derde lid, en van elke volgende periode van verwijdering vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde met zijn werkzaamheden gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit h"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juli 2016, 2016-0000170426, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging loondervingswetten BES Artikel 1. Normbedrag boete 1. Bij de berekening van een boete vanwege een overtreding als bedoeld in [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14a) en [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=14a) is het normbedrag: - a. voor werkgevers met meer dan 20 werknemers: $ 1400; - b. voor werkgevers met 10 tot en met 20 werknemers: $ 1050; - c. voor werkgevers met 5 tot en met 9 werknemers: $ 700; - d. voor werkgevers met minder dan 5 werknemers: $ 350. 2. Voor de boeteberekening van overtredingen geconstateerd op locaties of in filialen, wordt het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid in aanmerking genomen. Artikel 2. Bedragen bij herhaling of cumulatie van de overtreding 1. Bij gelijktijdig meerdere malen voorkomen van een overtreding als bedoeld in [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14a) en [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=14a), worden de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038410&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) genoemde bedragen van de boete als volgt verhoogd: - a. het bedrag voor werkgevers met meer dan 20 werknemers is bij de tweede keer dat een boete wordt geheven $ 2100 en vanaf de derde keer $ 2800; - b. het bedrag voor werkgevers met 10 tot en met 20 werknemers is bij de tweede keer dat een boete wordt geheven $ 1400, de derde keer is dit $ 2100 en vanaf de vierde keer $ 2800; - c. het bedrag voor werkgevers met 5 tot en met 9 werknemers is bij de tweede keer dat een boete wordt geheven $ 1050, de derde keer is dit $ 1400, de vi"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juni 2019, nr. 2019-0000004752, tot hernieuwde vaststelling van een Beleidsregel arbocatalogi (Beleidsregel arbocatalogi 2019) Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder arbocatalogus verstaan: schriftelijk vastgestelde afspraken tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers op landelijk niveau, in een bedrijfssector, of in een branche, waaronder begrepen de overheid, waarin maatregelen of voorzieningen ter voorkoming of beperking van arbeidsrisico’s zijn vastgelegd betreffende de wijze waarop in een werkgebied kan worden voldaan aan een of meer bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) gestelde voorschriften. Artikel 2. Vormvereisten arbocatalogi Een arbocatalogus kan op gezamenlijk verzoek van vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden getoetst als aan de volgende vormvereisten is voldaan: - a. de arbocatalogus is gesteld in de Nederlandse taal, tenzij het voor een bepaald werkgebied gebruikelijk is dat de werkinstructies in het Engels gegeven worden, in welk geval de arbocatalogus in de Engelse taal mag worden gesteld; - b. de arbocatalogus vermeldt bij iedere maatregel of voorziening van welk artikel of artikellid van de bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) gestelde voorschriften deze een invulling is; en - c. de arbocatalogus is een goed leesbaar en praktisch bruikbaar document voor de werkgevers en werknemers. Artikel 3. Toetsing 1. Bij de toetsing van een arbocatalogus worden de volgende criteria gehanteerd: - a. beschrijft de arbocatalogus voor welk werkgebied, landelijk, bedrijfssector of branche, de catalogus bedoeld is; - b. vertegenwoordigen de opstellers van de arbocatalogus de werkgevers en werknemers in het betreffende werkgebied, landelijk, bedrijfssector of branche; - c"},{"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2016, 2016-0000259499, tot vaststelling van regels voor de subsidiabiliteit van de uitgaven voor technische bijstand ESF 2014–2020 en EFMB 2014–2020 Artikel 1 In de uitgavenstaten aan de Europese Commissie kunnen als technische bijstand voor de uitvoering van het Nederlandse Operationeel Programma Europees Sociaal Fonds en het Nederlandse Operationeel Programma Europees Fonds voor Meestbehoeftigen worden opgenomen: - a. kosten voor de werkzaamheden van de Managementautoriteit; - b. kosten voor de werkzaamheden van de Certificeringsautoriteit; - c. kosten voor de werkzaamheden van de Auditautoriteit; of, - d. kosten voor de beheersing en beleidsmatige ondersteuning van het Operationeel Programma Europees Sociaal Fonds en het Operationeel Programma Europees Fonds voor Meestbehoeftigen, door de Directie Participatie en Decentrale Voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2016."},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hieronder te noemen: ‘de toezichthouder’) van 19 september 2006, voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van personen ingevolge de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta), hieronder gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk te noemen: ‘de toezichtwet’ Artikel 1. Omtrent de uitleg van wettelijke voorschriften 1. Onder betrouwbaarheid wordt voor de toepassing van de toezichtwet verstaan het zich onthouden van één of meer gedragingen die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoren in ieder geval gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid. Artikel 2. Omtrent de vaststelling van de feiten 1. De beoordeling van de betrouwbaarheid geschiedt door op basis van voornemens, handelingen en antecedenten (hierna gezamenlijk te noemen: antecedenten) te toetsen of betrokkene blijk geeft of heeft gegeven van zodanige gedragingen dat daardoor naar het oordeel van de toezichthouder diens betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. 2. De bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in acht te nemen antecedenten zijn: - – strafrechtelijke antecedenten ([bijlage A1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=A1&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [bijlage A2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=A2&z=2006-10-01&g=2006-10-01)); - – financiële antecedenten ([bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=B&z=2006-10-01&g=2006-10-01)); - – toezichtantecedenten ([bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=C&z=2006-10-01&g=2006-10-01)); - – fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten ([bijlage D](ht"},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten aangaande de definitie en de berekening van een shortpositie in de zin van de Wft De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) besluit na openbare consultatie gelet op [artikel 5:38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), en [artikel 5:39, tweede lid, Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:39) en [artikel 5, Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020416&artikel=5) tot het navolgende: Wettelijk kader De Wet op het financieel toezicht (Wft) stelt in [artikel 5:38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), dat; *een ieder die de beschikking krijgt of verliest over financiële instrumenten die een shortpositie met betrekking tot de aandelen vertegenwoordigen waardoor, naar hij weet of behoort te weten, de shortpositie waarover hij beschikt, uitgedrukt in het percentage van het kapitaal, een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.* *Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bepaling van een shortpositie als bedoeld in dit lid.* Aan [artikel 5:39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:39) zal een lid worden toegevoegd dat ziet op de plicht tot het melden van een shortpositie bij het bereiken, over- of onderschrijden van een drempelwaarde bij een passieve wijziging door het wijzigen van het kapitaal. Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00055"},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake het aanbieden van beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen (Beleidsregel Aanbieden beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen 2013) Wettelijk kader Ingevolge [artikel 1:107, tweede lid, onder a, ten achtste, Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:107) (Wft) worden beleggingsinstellingen of icbe’s die worden beheerd door beheerders van beleggingsinstellingen of van icbe’s waaraan een vergunning is verleend, ingeschreven in het register. Vanuit verschillende instellingen is de vraag naar voren gekomen of een beleggingsinstelling of icbe, die is ingeschreven in het register, ook kan worden aangeboden onder andere namen. Een van de redenen om dit te doen is tussenpersonen in staat te stellen hun eigen naam aan de beleggingsinstelling of icbe te verbinden. Ten aanzien van het aanbieden van beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt11 Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-13 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het aanbieden van beleggingsinstellingen onder verschillende namen (Beleidsregel Aanbieden beleggingsinstellingen onder verschillende namen), Staatscourant 2006, 251.. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de implementatie van de Richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in Nederland (AIFM-richtlijn). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, A"},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake het actief zijn door beheerders van beleggingsinstellingen dan wel icbe’s of beleggingsinstellingen dan wel icbe’s in Nederland (Beleidsregel Actief zijn in Nederland 2013) Wettelijk kader [Artikel 2:65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:65) en [artikel 2:69b, eerste en tweede lid Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:69b) (Wft) behelzen onder andere het verbod om in Nederland een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) aan te bieden, zonder dat de beheerder van de beleggingsinstelling of de icbe een door de AFM verleende vergunning heeft; of, indien het een beleggingsmaatschappij of een beleggingsmaatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft die geen aparte beheerder heeft, zonder dat de beleggingsmaatschappij of de beleggingsmaatschappij voor collectieve belegging in effecten een door de AFM verleende vergunning heeft. Ten aanzien van het actief zijn door beleggingsinstellingen en icbe’s in Nederland is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt1Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-14 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het actief zijn door beleggingsinstellingen in Nederland (Beleidsregel Actief zijn in Nederland), Staatscourant 2006, 251.. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de implementatie van de Richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in Nederland (AIFM-richtlijn). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevo"},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 14 april 2009 inzake de tijdige verstrekking van het Uniform Pensioen Overzicht door een pensioenuitvoerder aan een deelnemer (Beleidsregel tijdigheid verstrekking Uniform Pensioen Overzichten) 1. Wettelijk kader Uit hoofde van [artikel 48 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48) en [artikel 59 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=59) is de pensioenuitvoerder verplicht de deelnemer aan een pensioenregeling ‘tijdig’ een jaaropgave te verstrekken in de vorm van een Uniform Pensioen Overzicht (UPO). De pensioenuitvoerder dient het UPO jaarlijks te verstrekken, uit hoofde van [artikel 38, eerste lid van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=38) en [49, eerste lid van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=49). De onderstaande beleidsregel is geconsulteerd onder pensioenuitvoerders, brancheorganisaties en overige belanghebbenden in de pensioensector. Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). 2. Beleidsregel Deze beleidsregel bepaalt op basis van welk criterium de Autoriteit Financiële Markten tot het oordeel komt of een pensioenuitvoerder voldoet aan de wettelijke eis tot tijdige verstrekking van het UPO. Een pensioenuitvoerder voldoet aan de wettelijke verplichting tot tijdige verstrekking van het jaarlijkse UPO indien de deelnemer het UPO ontvangt zodra mogelijk maar uiterlijk aan het einde van het derde kalenderkwartaal, dus uiterlijk op 30 september. Slotbepalingen De bekendmaking van deze beleidsregel vindt p"},{"b":"Beleidsregel van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer over de weg aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Bureau Bibob:* Bureau, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8) en [9, eerste lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - b. *Minister:* Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. *Wet Bibob:* [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - d. *Besluit Bibob:* [Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014964); - e. *misdrijf:* strafbare feiten als bedoeld in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) en [artikel 2, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, van de Wet economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=2); - f. *strafbaar feit:* feit dat aanleiding kan zijn tot strafvervolging en is bedreigd met een strafrechtelijke sanctie; - g. *NIWO:* Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, als bedoeld in de [Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443); - h. *vergunning:* vergunning als bedoeld in [artikel 5, eerste lid en derde lid, van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443&artikel=5). Artikel 2 Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de strafbare feiten die de NIWO relevant acht voor het begrip ernstig gevaar als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3) en voor een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de We"},{"b":"Beleidsregel van de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) van 1 juli over de bewaartermijn van persoonsgegevens kinderpornografisch materiaal (Beleidsregel bewaartermijn persoonsgegevens kinderpornografisch materiaal ATKM 2024) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *de Autoriteit:* de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal als bedoeld in [artikel 2 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2); - – *kinderpornografisch materiaal:* visuele weergaven als bedoeld in [artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252); - – *persoonsgegevens:* gegevens als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming; - – *bijzondere categorieën van persoonsgegevens:* de categorieën van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening gegevensbescherming; - – *persoonsgegevens van strafrechtelijke aard:* gegevens als bedoeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming; - – *verwerking:* een bewerking of een geheel van bewerkingen als bedoeld in artikel 4, onder 2, van de algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 2 De Autoriteit bewaart kinderpornografisch materiaal, bijzondere categorieën van persoonsgegevens alsmede persoonsgegevens van strafrechtelijke aard niet langer dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld, gelet op [artikel 2 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2), en in ieder geval niet langer dan een jaar na de laatste verwerking. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking tegelijkertijd met de [Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813)’. Artikel 4 Deze beleidsregel w"},{"b":"Beleidsregel van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 17 december 2020, nr. NEA-2020/21858, houdende regels met betrekking tot de handhaving van regels ter uitvoering van het Europese emissiehandelssysteem 2021 (Beleidsregel Nederlandse Emissieautoriteit ETS 2021) Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - − *het bestuur:* het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit als bedoeld in [artikel 2.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.3); - − *MRV:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PbEU 2018, L334); - − *regeling:* [Regeling handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032413); - − *VKTE:* Gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L59); - − *VATVA:* Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1842 van de Commissie van 31 oktober 2019 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de verdere regelingen voor de aanpassingen van de kosteloze toewijzing van emissierechten als gevolg van veranderingen in het activiteitsniveau betreft (PbEU 2019, L282); - − *VAV:* Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L334); - − *wet:* [Wet milieubeheer](https://wette"},{"b":"Beleidsregel van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 23 mei 2024 tot de vaststelling van regels voor de hoogte van een bestuurlijke boete Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) - – *bestuur:* het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit als bedoeld in [artikel 2.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.3); - – *NEa:* de Nederlandse Emissieautoriteit; - – *Wm:* de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). Artikel 2. – Toepasselijkheid beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op bestuurlijke boetes, die door het bestuur worden opgelegd op grond van de [artikelen 18.16a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a), [18.16b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16b), [artikel 18.16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16c) en [artikel 18.16s van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16s). Deze beleidsregel is niet van toepassing op door het bestuur op te leggen bestuurlijke boetes waarvan de hoogte dwingend voortvloeit uit of gereguleerd is in Europese regelgeving. Dit zijn de bestuurlijke boetes die worden opgelegd op de volgende grondslagen: - – [artikel 16.37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.37), of [artikel 16.39t, eerste lid, van de Wm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.39t), welke zijn gebaseerd op artikel 16, derde lid, van de ETS-Richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie). Deze bepalingen bieden de grondslag voor het opleggen van een boete voor overtreding van de voorschriften voor het inleveren van onvoldoende emissier"},{"b":"Beleidsregel van het bestuur van Stichting Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing (FPPM) houdende bepalingen over de wijze van toedeling subsidies in het kader van de Podiumregeling en Festivalregeling van de stichting Artikel 1 Eén en hetzelfde festival kan niet zowel vanuit de Festivalregeling als de Podiumregeling tegelijkertijd subsidie ontvangen. Artikel 2 Beoordeling hiervan is aan het bestuur van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregel inzake de Podiumregeling en Festivalregeling’."},{"b":"Beleidsregel van het College gerechtelijk deskundigen van 17 juni 2021 over de visitatie en erkenning van een opleiding tot gerechtelijk deskundige en een deskundigheidsbevorderingssysteem (Beleidsregel visitatie en erkenning NRGD) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In dit Beleidskader wordt verstaan onder: - a. *College:* het College gerechtelijk deskundigen; - b. *NRGD:* het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen; - c. *Deskundige:* de gerechtelijk deskundige in opleiding en de in het NRGD geregistreerde gerechtelijk deskundige die werkzaam is voor de instantie onder d; - d. *Instantie:* een instantie die een eigen opleiding tot gerechtelijk deskundige en deskundigheidsbevorderingssysteem heeft en een verzoek om erkenning daarvan doet; - e. *Opleiding:* het samenhangend en gestructureerd geheel van georganiseerde scholingsactiviteiten waarmee kennis en ervaring wordt opgedaan om als gerechtelijk deskundige te kunnen rapporteren in de context van het recht; - f. *Deskundigheidsbevorderingssysteem:* het samenhangend en gestructureerd geheel van georganiseerde (scholings)activiteiten op basis waarvan kennis en vaardigheden voortdurend worden ontwikkeld om het vak van gerechtelijk deskundige op verantwoorde en professionele wijze te kunnen blijven uitoefenen. Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor erkenning Artikel 2:1. Voorwaarden - a. Om voor erkenning in aanmerking te komen, dienen een opleiding en deskundigheidsbevorderingssysteem te voldoen aan de door het College vastgestelde standaarden, zoals vastgelegd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051666&bijlage=1&z=2025-10-27&g=2025-10-27) van dit beleidskader, en daartoe te zijn gevisiteerd door een onafhankelijke visitatiecommissie conform de vereisten van dit beleidskader. - b. Het deskundigheidsgebied waar de visitatie en erkenning op ziet, dient te zijn genormeerd en te zijn opengesteld voor registratie in het NRGD of binnen afzienbare tijd opengesteld te worden. - c. Hernieuwin"},{"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden houdende de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2024 Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1:1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *afgeleide toelating biocide:* een toelating waarbij op basis van artikel 52 van de wet (oud) een reeds toegelaten biocide (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - *afgeleide toelating gewasbeschermingsmiddel:* een toelating waarbij een reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - *biociden:* biociden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van verordening (EU) Nr. 528/2012; - *college:* het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - *regeling:* [Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545); - *regeling (oud):* Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals die gold vóór 6 november 2013; - *wet:* [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670); - *wet (oud):* de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals deze gold vóór 6 november 2013; - *gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009; - *besluit:* [Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530); - *besluit (oud):* het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals dat gold vóór 6 november 2013; - *moedermiddel:* het in Nederland toegelaten middel op basis waarvan een of meer afgeleide toelatingen worden of zijn verleen"},{"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 1 januari 2024, houdende de werkwijze voor de vergelijkende evaluatie gewasbeschermingsmiddelen Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Gelet op artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang gelezen met de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), *Besluit:* Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *Ctgb:* College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - b. *Verordening (EG) nr. 1107/2009:* Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309); - c. *Gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009; - d. *Werkzame stof:* werkzame stof als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009; - e. *Gebruik:* gebruiksdoeleinde overeenkomstig artikel 33(1) en artikel 50(1) van Verordening (EG) nr. 1107/2009; - f. *Kandidaat voor vervanging:* een werkzame stof die is goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen, overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; - g. *Wettelijk gebruiksvoorschrift:* wettelijke bepalingen voor gebruik en gebruiksaanwijzing; - h. *Niet-chemische maatregel of methode:* een manier om een gewas te beschermen tegen een plaag die geen gewasbeschermingsmiddel betreft (bijvoorbeeld een mechanische methode zoals schoffelen of de inzet van natuurlijke vijanden). - i. *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - j. *Risicobeperkende maatregel:* wettelijk opgelegde maatregel die de effecten beperken van het vrijkomen van een actieve stof of gewa"},{"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 23 oktober 2024 inzake de toepassing van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in het kader van werkzame stoffen en metabolieten uit gewasbeschermingsmiddelen die het toelatingscriterium voor oppervlaktewater structureel overschrijden (Beleidsregel toepassing artikel 44 Verordening (EG) nr. 1107/2009 bij structurele overschrijdingen van het toelatingscriterium in oppervlaktewater Ctgb 2024) Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *Bestrijdingsmiddelenatlas:* digitale applicatie ([https://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl](https://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/)) uitgegeven door het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden en gefinancierd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in samenwerking met Rijkswaterstaat WVL, UvW, RIVM en Ctgb, waarin op grond van meetgegevens van regionale waterbeheerders een landelijk beeld van werkzame stoffen in verhouding tot verschillende normen, waaronder het toelatingscriterium voor gewasbeschermingsmiddelen, in het oppervlaktewater wordt gegeven. - *Ctgb:* College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - *Gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. - *Meetpunt:* locatie waarop stoffen worden gemeten, veelal meerdere meetmomenten in het jaar. - *Metaboliet:* omzettingsproduct van een werkzame stof. - *Monitoringsresultaten:* uitslagen op meetpunten betreffende werkzame stoffen en/of metabolieten in oppervlaktewater zoals gerapporteerd in de Bestrijdingsmiddelenatlas. - *Niet toetsbaar:* uitslag van een meetpunt gerapporteerd als “niet aangetroffen, boven de norm (niet-toetsbaar)” in de Bestrijdingsmiddelenatlas ten gevolge van de boven het toelatingscriterium liggende rapportagegrens van de op het meetpunt gebruikte analysemethode. - *Overschrijding:* uitslag van een meetpun"},{"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de procedure tot aanwijzing van lokale publieke media-instellingen (Beleidsregel aanwijzingsprocedure lokale publieke media-instellingen 2025) I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. *besluit:* het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. *regeling:* de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. *het Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media; - e. *aanvraag:* de aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - f. *aanwijzingsperiode:* een periode van vijf jaar als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - g. *aanwijzingsprocedure:* de gehele procedure van aanwijzing van een lokale publieke media-instelling voor de verzorging van de publieke mediadiensten op lokaal niveau als bedoeld in [artikel 2.61, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - h. *gebiedsuitbreiding:* aanwijzing van een lokale publieke media-instelling in meer gemeenten dan waarvoor de lokale publieke media-instelling reeds was aangewezen; - i. *fusie:* het samengaan van lokale publieke media-instellingen, die voorheen zelfstandig waren, tot één media-instelling; - j. *pbo:* het programmabeleid bepalend orgaan als bedoeld in [artikel 2.61, tweede lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - k. *wijziging van de gemeentelijke indeling:* instelling en opheffing van gemeenten alsmede wijziging van gemeentegrenzen die naar verwachting het inwonertal van ten minste één van de betrokken gemeenten met 10% of meer zal doen toe- of afnemen; - l. *lichte samenvoeging:* samenvoeging van gemeenten, waarbij één of meer"},{"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de procedure tot aanwijzing van regionale publieke media-instellingen (Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024) I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. *regeling:* de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - c. *het Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media; - d. *aanvraag:* de aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - e. *aanwijzingsperiode:* een periode van vijf jaar als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - f. *aanwijzingsprocedure:* de gehele procedure van aanwijzing van een regionale publieke media-instelling voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal niveau als bedoeld in [artikel 2.61, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - g. *verzorgingsgebied:* het gebied waarin de (potentiële) regionale publieke media-instelling de publieke mediadienst wenst uit te voeren respectievelijk uitvoert, zoals bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onder a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.1); - h. *mediaraad:* het programmabeleid bepalend orgaan (pbo) als bedoeld in [artikel 2.61, tweede lid, onder c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - i. *hernieuwde aanwijzing:* aanwijzing van een regionale publieke media-instelling voor een aanwijzingsperiode aansluitend op de voorgaande aanwijzingsperiode in de provincie waarvoor de regionale publieke media-instelling reeds is aangewezen. II. Aanvragen algemeen Artikel 2. Verzorgingsgebied Een aanvraag tot aanwijzing als regionale publieke media-instelling kan worden ingediend voor é"},{"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de toelaatbaarheid, herkenbaarheid en afbakening van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van publieke media- instellingen (Beleidsregel reclame publieke media-instellingen 2025) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. *besluit:* [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. *Commissariaat:* Commissariaat voor de Media; - d. *reclameboodschap, telewinkelboodschap, publieke media-instelling, publieke mediadienst, media-aanbod, teletekst:* wat daaronder wordt verstaan in [artikel 1.1, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - e. *mediaproduct:* elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk is afgebakend en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel, al dan niet gedeeld in afleveringen, en bestemd voor afname door het algemene publieke of een deel daarvan; - f. *omlijsting:* kader waarbinnen reclame- en telewinkelboodschappen worden geplaatst, bij reclame- of telewinkelboodschappen in het video en/of audio gedeelte van het media-aanbod door middel van een zichtbare of hoorbare aankondiging en afkondiging, bij reclame- of telewinkelboodschappen in het tekst en/of grafische gedeelte van het media-aanbod in de vorm van een zichtbare afbakening van de overige inhoud van het media-aanbod; - g. *webpagina:* het media-aanbod van de publieke mediadienst dat via internet op een browserscherm onder één webadres (URL) wordt weergegeven; - h. *zelfpromotie:* uiting in welke vorm dan ook waarin een publieke media-instelling haar eigen producten, diensten, programma’s of netten aanprijst. Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van de publieke mediadiensten. Artikel 3. Herkenbaar Reclame- en telewinkelboodschappen zijn ‘als zodanig herkenbaar’, als bedoeld"},{"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media van 22 mei 2018 over de voorwaarden waaronder schenken van verenigingsmiddelen geldt als een verenigingsactiviteit van omroeporganisaties (Beleidsregel verenigingsactiviteiten 2018) Artikel 1. Voorwaarden voor schenkingen van omroeporganisaties aan derden Schenkingen van omroeporganisaties aan derden worden door het Commissariaat aangemerkt als een verenigingsactiviteit in de zin van [artikel 2.136, tweede lid, onderdeel b van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136) als aan de volgende voorwaarden is voldaan: - 1. De ontvanger van de schenking is een organisatie met een ANBI-status of een CBF-Erkenning Goededoelenorganisaties; - 2. De leden hebben ingestemd met de schenking; - 3. De hoogte van het totale bedrag van de schenkingen bedraagt jaarlijks maximaal 5% van de contributie-inkomsten; en - 4. Het vermogen van de vereniging is op het moment van de schenking dan wel als gevolg van de schenking niet negatief. Tevens gelden daarbij de richtlijnen van het ten tijde van de schenking geldende Handboek Financiële Verantwoording Landelijke Publieke Media-instellingen en de NPO onverkort. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel verenigingsactiviteiten 2018."},{"b":"Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie 2023 Artikel 1 De aandoeningen waarnaar in de neonatale hielprikscreening onderzoek wordt gedaan zijn: Adrenogenitaal syndroom (AGS), Biotinidase deficiëntie (BIO), Carnitine palmitoyltransferase deficiëntie (CPT1), Congenitale hypothyreoidie (CH), Cystic fibrosis (CF), Galactokinase deficiëntie (GALK), Klassieke galactosemie (GALT), Glutaaracidurie type 1 (GA-1), HMG-CoA-lyase deficiëntie (HMG), Isovaleriaan-acidurie (IVA), Long-chain hydroxyacyl-CoA dehydrogenase deficiëntie (LCHADD), Maple syrup urine disease (MSUD), Medium-chain acyl CoA dehydrogenase deficiëntie (MCADD), 3 Methylcrotonyl-CoA carboxylase deficiëntie (3-MCC), Methylmalon acidemie (MMA), Multiple CoA carboxylase deficiëntie (MCD), Phenylketonurie (PKU), Propion acidemie (PA), Severe combined immune deficiency (SCID), Sikkelcelziekte (SZ), Alfa-thalassemie (HbH), Bèta-thalassemie (TM), Tyrosinemie type 1 (TYR-1), Very long-chain acylCoA dehydrogenase deficiëntie (VLCADD), Mucopolysaccharidose type 1 (MPS I), Spinale musculaire atrofie (SMA) en adrenoleukodystrofie (ALD). Artikel 2 De aandoeningen waarnaar in de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie bloedonderzoek wordt gedaan zijn: Hepatitis B (hepB), Syfilis (lues), HIV, Rhesus (D)-antigeen, Rhesus (c)-antigeen en irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023. De [Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046686) komt met ingang van 1 oktober 2023 te vervallen. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie 2023."},{"b":"Beleidsregel veiligheid zeeschepen Artikel 1. Toepassing van resoluties en circulaires uitgegeven door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) Bij de toepassing van de bij of krachtens de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) geldende voorschriften uit het SOLAS-verdrag1Het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen.en de daarbij behorende Codes en verplichte resoluties, zullen de nadere invullingen, interpretaties en aanbevelingen worden gehanteerd zoals vervat in de in onderstaande tabellen 1 tot en met 3 genoemde resoluties en circulaires van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties. | No. | Omschrijving | Grondslag internationaal | Grondslag nationaal | | --- | --- | --- | --- | | A.265(VIII) | Regulations on subdivision and stability of passenger ships as an equivalent to part B of chapter II of the International Convention for the Safety of Life at Sea, 1960 | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrift 4 t/m 25 (=Part B) | Artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004 | | A.266(VIII) | Recommendation on a standard method for establishing compliance with the requirements for cross-flooding arrangements in passenger ships | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrift 8.5 | Artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004 | | A.601(15) | Provision and display of manoeuvring information on board ships | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrift 28 | Artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004 | | A.654(16) (voor schepen gebouwd vóór 1-1-2004) | Graphical symbols for fire control plans | SOLAS hoofdstuk II-2 voorschrift 15.2.4 | Artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004 | | A.684(17) | Explanatory notes to the SOLAS regulations on subdivision and d"},{"b":"Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 Artikel 1. Definities en toepassing 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - b. *verklaring:* een verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1); - c. *vertrouwensfunctie:* een functie die krachtens [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3) als zodanig is aangewezen; - d. *veiligheidsonderzoek:* een onderzoek als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7) en [9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - e. *betrokkene:* - (1) de persoon die belast is met een vertrouwensfunctie; - (2) de persoon, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4), die de werkgever wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie; - (3) de persoon als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5), die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen; - f. *gegevens:* gegevens als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7); - g. *partner:* - (1) de echtgenoot of geregistreerd partner van de betrokkene; of - (2) degene met wie betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad; of - (3) degene ten aanzien van wie uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat deze een duurzame affectieve relatie met betrokkene onderhoudt, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad; - h. *UVO:* de Unit Veiligheidsonderzoeken (Stcrt. 2018, 53581). 2. Deze beleidsregel bevat regels die worden toegepast bij de uitoefening van de bevoegdheid van de minister van Bin"},{"b":"Beleidsregel vergoeding deskundigenkosten Rijkswaterstaat Artikel 1 Bij minnelijke grondverwerving en beëindiging van rechten, als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=3) en [4 van de Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=4), door Rijkswaterstaat ter voorkoming van gerechtelijke onteigening, hanteert de Minister de volgende formule om het forfaitaire bedrag te berekenen exclusief btw voor de vergoeding van de kosten van deskundige bijstand: 2% van de schadeloosstelling met een minimum van € 2.250,– en een maximum van € 20.000,– Artikel 2 De vergoeding in de kosten van deskundige bijstand wordt uitsluitend vergoed indien de rechthebbende aantoont dat deskundige bijstand ook daadwerkelijk is verleend. Artikel 3 Bij gegronde redenen kan van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047555&artikel=1&z=2022-12-03&g=2022-12-03) genoemde bedragen naar boven of naar beneden worden afgeweken, zowel op verzoek van een rechthebbende als ambtshalve door de Minister, op basis van de door de rechthebbende te verstrekken specificatie van de bestede uren. Artikel 4 1. Indien een rechthebbende verzoekt om afwijking van de vergoeding als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047555&artikel=1&z=2022-12-03&g=2022-12-03), onderbouwt en verantwoordt de rechthebbende het verzoek. Die verantwoording bevat ten minste een specificatie waarop de aard van de verrichtingen, het uurtarief, de data en de tijdsbesteding zijn vermeld. 2. Bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047555&artikel=3&z=2022-12-03&g=2022-12-03), hanteert de Minister de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in [artikel 50 Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=50). Dat betekent dat bezien wordt of het inroepen van de deskundige bijstand redelijk was en welke vergoeding daarvoor redelijk is. Artikel 5 Bij"},{"b":"Beleidsregel Vergoedingenarrangement in civiele cassatiezaken Wvggz en Wzd 2026-2028 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1 *Advocaat:* de advocaat als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9a) en [9j van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j), die algemeen is ingeschreven bij de Raad en voldoet aan de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052553&artikel=2&z=2026-04-22&g=2026-04-22) van deze beleidsregel gestelde voorwaarden; - 2 *Arrangement:* Vergoedingenarrangement in [Wvggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635) en [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) Cassatiezaken volgens [artikel 39 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=39); - 3 *Bvr:* [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) (Bvr 2000); - 4 *De Raad:* Raad voor Rechtsbijstand; - 5 *Rechtzoekende:* degene die op grond van de bepalingen in dit arrangement aanspraak kan maken op rechtsbijstand; - 6 *Wvggz:* De [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635); - 7 *Wzd:* De [wet zorg en dwang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); Artikel 2. Advocaten met wie een arrangement kan worden gesloten De Raad sluit met het oog op het verrichten van rechtsbijstand als genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052553&artikel=5&z=2026-04-22&g=2026-04-22) van deze beleidsregel een arrangement met advocaten van wie uit de aantekening op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten blijkt dat zij de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ hebben voor het behandelen van civiele cassatiezaken zoals bedoeld in [artikel 9j, eerste lid van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j). De advocaat dient daartoe een verzoek bij de"},{"b":"Beleidsregel verhandelbaarheid De AFM bevordert eerlijke en transparante financiële markten. Wij zijn de onafhankelijke gedragstoezichthouder op de markten van sparen, lenen, beleggen en verzekeren. De AFM bevordert zorgvuldige financiële dienstverlening aan consumenten en ziet toe op een eerlijke en efficiënte werking van kapitaalmarkten. Ons streven is het vertrouwen van consumenten en bedrijven in de financiële markten te versterken, ook internationaal. Op deze manier draagt de AFM bij aan de welvaart en de economische reputatie van Nederland. Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten over de uitleg van het begrip verhandelbaarheid in de definitie van ‘effect’ in [artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) (Beleidsregel verhandelbaarheid). De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), Na overleg met representatieve organisaties en na raadpleging van het ministerie van Financiën; Gelet op de definitie van ‘effect’ in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) (Wft); Besluit tot de navolgende uitleg van het begrip verhandelbaarheid: *Leeswijzer:* Samenvatting Achtergrond en kader Beleid in de vorm van een stroomschema Toelichting bij het stroomschema Slotopmerkingen en overgangsregeling Samenvatting In de Beleidsregel is beschreven in welke gevallen een waardebewijs of een deelnemingsrecht al dan niet verhandelbaar is. De uitleg van het begrip verhandelbaarheid is van belang bij het bepalen of een waardebewijs of deelnemingsrecht een ‘effect’ in de zin van de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) is. Het antwoord op de vraag ‘verhandelbaar of niet?’ bepaalt of een daartoe bevoegde toezichthouder het prospectus moet goedkeuren volgens [hoofdstuk 5.1 van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&hoofdstuk=5.1) en daarmee of het kapitaalmarkttoezicht van toepassing is. Voor closed-end b"},{"b":"Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering bedoeld in [artikel 47 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=47), de [artikelen 2:45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:45) en [3:3 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:3), [artikel 19 van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) en [artikel 7 van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7), alsmede de WGA-uitkering bedoeld in [artikel 54 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=54) en de inkomensondersteuning, bedoeld in de [artikelen 2:39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:39) en [2:43 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:43). - b. verzekerde: de verzekerde bedoeld in de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=47) en [54 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=54), [artikel 19 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) en [artikel 7 WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7) en de jonggehandicapte bedoeld in de [artikelen 2:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:3) en [3:2 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:2). Artikel 2. Verhoging tot 100% 1. De uitkering wordt verhoogd tot 100% van het dagloon, het vervolgdagloon of de grondslag, dan wel tot 100/75 van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel tot 100/75 of 100/70 van de WGA-uitkering: - a. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is; - b. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen e"},{"b":"Beleidsregel verloskunde Artikel 1. Begripsbepalingen - a. *Inkomensbestanddeel* - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde inkomen van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - b. *Praktijkkostenbestanddeel* - Het aandeel van het (maximum)tarief van de normatief bepaalde praktijkkosten van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - c. *Rekeninkomen* - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde inkomen van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - d. *Rekenkosten* - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde praktijkkosten van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - e. *Rekennorm* - Begripsaanduiding voor een normatief bepaald zorgvolume per jaar. - f. *Rekenomzet* - De som van het rekeninkomen en de rekenkosten of inkomensbestanddeel en praktijkkostenbestanddeel. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van geneeskundige zorg, zoals verloskundigen en huisartsen die bieden. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg, zoals verloskundigen en huisartsen die bieden, als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1 lid 1 onderdeel b, onder 2° Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van de geneeskundige zorg, zoals verloskundigen en huisartsen die bieden, uitgevoerd door"},{"b":"Beleidsregel verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Medische kindzorg:* Medische kindzorg is zorg aan kinderen tot achttien jaar waarbij sprake is van behoefte aan zorg zoals verpleegkundigen plegen te bieden in verband met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Tevens is bij deze kinderen sprake van een behoefte aan permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid in combinatie met verpleegkundig technische handelingen. - *Dagopvang:* Van dagopvang in de zin van deze beleidsregel is sprake bij tenminste zes uur aanwezigheid van een patiënt op één dag op een locatie, ingericht voor verpleegkundige dagopvang voor medische kindzorg. - *Verblijfsdag:* Een verblijfsdag is een kalenderdag, die deel uitmaakt van een periode van opname voor verblijf bij medische kindzorg. Een opname omvat minimaal één overnachting. De verblijfsdag mag alleen gedeclareerd worden als de patiënt voor 20:00 uur is opgenomen en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. De dag van ontslag – waarop de patiënt dus niet ‘s nachts verblijft – geldt niet als een te declareren verblijfsdag. - *Zorgaanbieder:* De natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om de tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen voor medische kindzorg die wordt geleverd: - – in een verpleegkundige dagopvang; - – met verblijf. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op medische kindzorg en daarmee gepaard gaand verblijf waarop aanspraak bestaat op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), voor zover deze wordt"},{"b":"Beleidsregel verpleging en verzorging Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *Verpleging en verzorging:* Verpleging en verzorging als bedoeld in [artikel 2.10 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10) (Bzv). - *Zorgaanbieder:* De natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - *directe zorgverlening:* Directe zorgverlening is de directe contacttijd tussen zorgaanbieder en cliënt in de thuissituatie/werksituatie, de verplaatste directe contacttijd, alsmede de tijd besteed in het kader van indicatiestelling. - *Verplaatste directe contacttijd:* Directe contacttijd kan, maar hoeft niet plaats te vinden in de thuissituatie/werksituatie. Indien directe contacttijd om efficiëntieredenen of om te voorkomen dat de zorgaanbieder te laat komt bij de volgende cliënt wordt verplaatst naar kantoor of een andere locatie spreken we over verplaatste directe contacttijd. Regelmatig komt het voor dat deze werkzaamheden als ‘huiswerk’ op de route worden verzameld en (een deel hiervan) na afloop van de route moeten gebeuren. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van verpleging en verzorging. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051207&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze beleidsregel. Artikel 4. Prestatiebeschrijvingen verpleging en verzorging In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - a. Persoonlijke verzorging - b. Oproepbare verzorging: verzorging buiten de afgesproken tijden - c. Verpleging - d. Oproepbare verplegi"},{"b":"Beleidsregel verstrekking van verhoogde puntvergoeding aan advocaten en mediators Artikel 1 Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. De vergoedingen die de raad voor rechtsbijstand op grond van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37) en [33e, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e) verstrekt aan respectievelijk rechtsbijstandverleners en mediators en waarop de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [27, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27) respectievelijk [artikel 7, eerste en vierde lid, van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=7) van toepassing zijn, en; - b. die verband houdt met de afgifte van een toevoeging op grond waarvan rechtsbijstand is verleend op of na 1 januari 2019 of het tijdstip waarop rechtsbijstand is verleend in een piketzaak op of na 1 januari 2019. Artikel 2 Bij vaststelling van de vergoeding hanteert de raad voor rechtsbijstand ambtshalve: - a. ten aanzien van het basisbedrag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3): het bedrag van € 108,57. - b. Ten aanzien van de administratieve vergoeding als bedoeld in [artikel 27 eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27): het bedrag van € 19,47. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2019."},{"b":"Beleidsregel vervreemding onroerende zaken Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. *de wet:* [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - b. *College sanering:* College sanering zorginstellingen, genoemd in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=32); - c. *instelling:* een organisatorisch verband als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - d. *vervreemden:* het blijvend niet meer voor de instelling gebruiken van gebouwen, terreinen of delen daarvan door middel van verhuren verkopen of aan enig beperkt recht onderwerpen; - e. *gemachtigde:* de gemachtigde als bedoeld in [artikel 8.3 van het Uitvoeringsbesluit Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=8.3); - f. *extramuraliseren:* de situatie waarin een instelling voor intramurale zorg ruimte die voor bewoning geschikt is niet langer gebruikt voor intramurale zorg, maar beschikbaar stelt voor verhuur of verkoop aan derden - g. *marktconform:* in overeenstemming met de heersende economische principes en regels van de vrije markt (systeem van vraag en aanbod). - h. *nutsbedrijven:* bedrijven die opereren in een sector die beschouwd wordt als zijnde van openbaar nut in verband met het algemene belang van de producten of diensten die zij leveren en, in verband daarmee, vanuit overheidswege worden gereguleerd via regelgeving; - i. *maatschappelijke partij:* een zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zor"},{"b":"Beleidsregel VOBK Artikel 1. Begrippen - *Nucleaire installatie:* een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15). - *Handreiking VOBK:* De ANVS-Handreiking Veilig ontwerp en bedrijfsvoering van kerninstallaties, Guideline for the safe design and operation of nuclear installations, 2025 (ANVS-2025/7894), zoals gepubliceerd op de website van de ANVS ([www.autoriteitnvs.nl/documenten/2025/12/18/handreiking-vobk](http://www.autoriteitnvs.nl/documenten/2025/12/18/handreiking-vobk)). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel beschrijft hoe de ANVS gebruik maakt van de Handreiking VOBK bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nucleaire installaties en bij het beoordelen van tienjaarlijkse veiligheidsevaluaties van nucleaire installaties. Artikel 3. Vergunningverlening 1. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor de oprichting of voor het in werking brengen en houden van een nieuwe nucleaire installatie past de ANVS de Handreiking VOBK toe bij de toetsing aan de daaraan gestelde vereisten. 2. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een wijziging van een nucleaire installatie kan de ANVS de Handreiking VOBK toepassen bij de toetsing aan de daaraan gestelde vereisten, voor zover dat nodig is in het kader van nucleaire veiligheid. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt dat de ANVS kan afwijken van de in de Handreiking VOBK opgenomen veiligheidsstandaarden indien de aanvrager van de vergunning aantoont dat een equivalent niveau van veiligheid kan worden bereikt. Artikel 4. Tienjaarlijkse veiligheidsevaluatie Bij het toezicht op het gestelde in [artikel 11, vierde lid, onder d, van de Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039625&artikel=11) en bij de beoordeling van de verslagen als bedoeld in [artikel 13 van de Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties](https://wetten.overheid.nl/"},{"b":"Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken Artikel a1 Deze beleidsregel berust met ingang van 1 januari 2024 op de [artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), en [5.11 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), de [artikelen 4.4, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.4), en [4.11, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.11). Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a. territoriale zee: de Noordzee binnen de grenzen die zijn vastgesteld in de [Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748) (Stb. 1985, 129); b. vaarweg: het voor de doorgaande vaart bestemde en meestal als zodanig gemarkeerde of betonde deel van het vaarwater. Artikel 1a *Vervallen* Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is niet van toepassing op de exclusieve economische zone. Artikel 3. Wegen 1. Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter. 2. Binnen 30m uit de rand van de verharding en op parkeerplaatsen en tankstations gelegen langs autowegen of autosnelwegen als bedoeld in het [Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1) met een directe aansluiting op de autoweg of autosnelweg, die primair bestemd zijn voor een kort oponthoud van de weggebruiker, wordt plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit een aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt nabij een knooppunt of aansluiting of op locaties waarbij de"},{"b":"Beleidsregel waterdichte afsluiting van dekopeningen van vissersvaartuigen Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register,bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een bak: de overdekte constructie op het werkdek die zich vanaf de voorsteven uitstrekt over een afstand die, vanuit de voorloodlijn gemeten, ten minste 7% van de lengte van het vaartuig bedraagt en waarvan de zijden over ten minste die afstand worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig. Artikel 3 1. De lengte van de bak wordt gemeten van het voorste punt van de bak, gelegen op hart schip op de aansnijding van het bakdek met de voorsteven, tot aan het 'einde' van de bak. 2. Bij een bak waarvan de zijden uitsluitend worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig, moet worden gerekend dat het einde van de bak ligt op het punt waar de zijbeplating is opgetrokken tot een hoogte die de vereiste verschansingshoogte met 750 mm overschrijdt of tot het niveau van het bakdek, indien dit laatste lager is. 3. Bij een bak waarvan de zijden vanaf het hoogste punt eerst worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig en vervolgens worden voortgezet in de vorm van langsscheepse schotten die op een bepaalde afstand uit de zijde van het vaartuig zijn geplaatst, ligt het einde van de bak op een afstand 'S' gemeten uit het voorste punt van de bak, waarbij S = l - b1a/b2 volgens onderstaande figuur: Artikel 4 Indien een vaartuig is voorzien van een bak waarvan de lengte minder bedraagt dan of gelijk is aan 15% van de lengte van het vaartuig, behoeft een dergelijke bak niet te worden afgesloten. Artikel 5 1. Indien een vaartuig is voorzien van een bak waarvan de lengte meer dan 15% maar minder dan 30% van de lengte van het vaartuig bedraagt, is de bak afgesloten door middel van een waterkerend schot van staal of"},{"b":"Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-02 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:60 Wettelijk kader Ingevolge [artikel 5:60 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:60) (Wft) moet een ieder die behoort tot de genoemde categorieën van personen, melding doen van voor eigen rekening verrichte of bewerkstelligde transacties in aandelen die betrekking hebben op de eigen uitgevende instelling, of in financiële instrumenten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen. Voor deze meldingen dient gebruik gemaakt te worden van onderstaand formulieren zoals voorgeschreven in [artikel 6, lid 2 van het Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels tot uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020417&artikel=6) (Besluit marktmisbruik Wft). Ten aanzien van het meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en is vastgesteld door middel van het Besluit tot vaststelling van beleidsregels in het kader van de [Wet op het financieel toezicht van 12 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020417). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). Meldingsfo"},{"b":"Beleidsregel Wet zorg en dwang Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *bij de zorg betrokken arts:* de arts als bedoeld in de [artikelen 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=10), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=15), [22, tiende lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=22) en [artikel 41, tweede lid, van de Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=41). - *deskundige van een andere discipline:* de deskundige van een andere discipline als bedoeld in de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=9) en [artikel 10, derde lid, van de Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=10). - *kalenderdag:* één dag, de tijdsduur van 24 uur – van middernacht tot de eerstvolgende middernacht – waarvoor op de kalender een datum staat. - *niet bij de zorg betrokken deskundige:* de niet bij de zorg betrokken deskundige als bedoeld in de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=3) en [10, tiende lid, van de Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=10). - *onafhankelijke deskundige:* de onafhankelijke deskundige als bedoeld in de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=8), [10, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=11), [16, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=16), [28ac](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=28ac) en [28ad, van de Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=28ad). - *psychologische zorg binnen het verblijf:* zorg verleend door gedragsdeskundigen aan patiënten tijdens het verblijf, passende bij de indicatie voor verblijf, op verzoek van de huisarts of specialist"},{"b":"Beleidsregel Wlz-zorgaanbieders met tandartspraktijk 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - *eigen cliënt:* een eigen cliënt is een cliënt met een Wlz-indicatie die verblijf en behandeling ontvangt bij een Wlz-zorgaanbieder met een eigen tandartspraktijkruimte. - *externe cliënt:* een externe cliënt is een cliënt met een Wlz-indicatie die verblijf en behandeling ontvangt bij een andere Wlz-zorgaanbieder dan de Wlz-zorgaanbieder met een eigen tandartspraktijkruimte. - *materiaal- en/of techniekkosten:* de kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om Wlz-zorgaanbieders met een eigen tandartspraktijkruimte de mogelijkheid te bieden om de kosten te declareren van: - – het gebruik van de tandartspraktijkruimte in verband met de behandeling van een externe cliënt door de tandarts; - – intraveneuze sedatie of narcose voor externe én eigen cliënten. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) die wordt geleverd door zorgaanbieders. Artikel 4. Prijspeil Het in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051354&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde bedrag voor de prestatie ‘Gebruik tandartspraktijkruimte’ (G013) is inclusief de definitieve indexen 2025 en de voorlopige indexen 2026. Artikel 5. Prestaties en tarieven | Prestatie | NZa-code | Tarief per uur | | --- | --- | --- | | Gebruik tandartspraktijkruimte | G01"},{"b":"Beleidsregel zeevaartbemanning Artikel 1. Toepassing van resoluties en circulaires uitgegeven door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) Bij de toepassing van de krachtens de [Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124) geldende voorschriften uit het SOLAS-verdrag1Het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen. en het STCW-verdrag2Het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, het STCW-verdrag ( Trb 1981, 144). en de daarbij behorende codes en verplichte resoluties, worden de nadere invullingen, interpretaties en aanbevelingen gehanteerd zoals vervat in de in onderstaande tabel 1 genoemde resoluties en circulaires van de Internationale Maritieme Organisatie. | Resolutie/circulaire | Grondslag | | | | --- | --- | --- | --- | | A.890(21) | PRINCIPLES OF SAFE MANNING, zoals gewijzigd door resolutie A.955(23). | SOLAS hoofdstuk V voorschrift 14 | Zeevaartbemanningswet artikel 8 | | STCW.7/Circ.15 | DATA REQUIRED TO BE INCLUDED IN DOCUMENTARY EVIDENCE OF TRAINING LEADING TO THE AWARD OF A CERTIFICATE OF COMPETENCY | | Erkenningsregeling opleidingen Zeevaartbemanning art. 2, lid 3, sub e | | STCW.7/Circ.13 | ISSUES TO BE CONSIDERED WHEN INTEGRATING COMPUTER-BASED TECHNOLOGIES INTO THE TRAINING AND ASSESSMENT OF SEAFARERS | | Erkenningsregeling opleidingen Zeevaartbemanning artikel 4 | Artikel 2. Afgifte monsterboekjes De inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat verstrekt op grond van [artikel 97, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012778&artikel=97) slechts aan personen behorende tot de onderstaande beroepsgroepen een monsterboekje, mits zij kunnen aantonen dat zij het monsterboekje nodig hebb"},{"b":"Beleidsregel zintuiglijk gehandicaptenzorg Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit. - *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - *Zorgaanbieder:* - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. Hieronder staan de definities van de begrippen die gehanteerd worden in deze beleidsregel uitgelegd. Waar van toepassing voor een specifieke sector is dit geduid bij het begrip. - *Aandoeningen diagnostiek (visueel, MSZ):* Aandoeningen diagnostiek is een onderzoek binnen de visuele Zintuiglijk gehandicaptenzorg, gericht op het stellen van een medische diagnose, wat zich vertaalt in Medische Specialistische Zorg (DBC-OZP 190001/190002). - *Auditieve beperking:* Auditieve beperking zoals vastgesteld in de richtlijnen van de Nederlandse Federatie van Audiologische Centra (FENAC) voor vaststelling van een auditieve beperking. Er is sprake van een auditieve beperking indien: - 1. het drempelverlies bij het audiogram ten minste 35 dB bedraagt, verkregen door het gehoorverlies bij frequenties van 1000, 2000 en 4.000 Hz te middelen, of - 2. als het drempelverlies groter is dan 25 dB bij meting volgens de Fletcher index, het gemiddelde verlies bij frequenties van 500, 1000 en 2.000 Hz. De mate van gehoorverlies wordt vastgesteld middels audiometrie van het beste oor, zonder gebruik te maken van een eventueel hulpmiddel zoals een gehoorapparaat. - 3. de aandoening chronisch van aard is. - *Behandeling (auditief/ communicatief):* Zorg in verband met een"},{"b":"Beleidsregel zorg op afroep van de patiënt en zorg geleverd in een inloopkliniek Artikel 1. Doel van de beleidsregel De doelstelling van de onderhavige beleidsregel is het vaststellen van beleid over de te hanteren prestatiebeschrijvingen en tarieven bij het in rekening brengen van zorg op afroep van de patiënt of van zorg geleverd in een inloopkliniek. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens [artikel 1 sub b onder 2 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (Wmg) voor zover deze wordt geleverd door zorgaanbieders die op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG), staan ingeschreven als arts en voor zover de NZa voor de voornoemde zorg geen prestatiebeschrijvingen heeft vastgesteld op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen 3.1 Zorg op afroep van de patiënt Voor zorgaanbieders die zorg op afroep van de patiënt bieden geldt het volgende: - a. *Inhoud van de prestatie* Het leveren van zorg op afroep van de patiënt, die alle verrichtingen omvat, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, in de eigen omgeving van de patiënt. - b. *Begrenzing van de prestatie* De prestatie begint zodra de zorgaanbieder op afroep van de patiënt in de eigen omgeving van de patiënt is. De prestatie eindigt zodra de zorgvraag is afgehandeld, dan wel nadat de zorgaanbieder vaststelt dat nader onderzoek of verwijzing noodzakelijk is. Gelet op de reikwijdte van deze beleidsregel zijn van deze prestatie uitgesloten alle zorg waarvoor al prestatiebeschrijvingen in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) zijn vastgesteld. - c. *Differentiatie van de prestatie* Bij het leveren van de prestatie"},{"b":"Beleidsregel ‘Prestaties en tarieven forensische zorg’ 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op forensische zorg (hierna aangeduid als fz) als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1) (Wfz) 2. Doel van de beleidsregel In deze beleidsregel staat het beleid beschreven dat de NZa hanteert bij het vaststellen van de prestatiebeschrijvingen en bijbehorende tarieven in de fz. 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel verstaat de NZa onder: 3.1. dbbc Diagnose-behandel-beveiligingscombinatie: Een dbbc omvat het zorgtraject dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnose. Vanaf het eerste contact bij een fz-aanbieder tot en met de behandeling die hier uit volgt. De dbbc vormt de basis voor de declaratie van deze geleverde zorg. 3.2. extramurale parameter Parameter voor de zorgvorm ambulante begeleiding. 3.3. overige zorgproducten (ozp’s) Vormen van zorg die onder de reikwijdte van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) vallen, maar die (nog) niet zijn ondergebracht in de reguliere dbbc-productstructuur. In [bijlage 4 van de Regeling medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046644&bijlage=4) (msz): overige zorgproducten per segment kan de NZa andere ozp’s aanmerken als “door fz te declareren”, waardoor die ozp’s door zorgaanbieders van forensische zorg te declareren zijn. 3.4. onderlinge dienstverlening Fz zoals bedoeld in deze beleidsregel, die een zorgaanbieder verleent als onderdeel van een door een andere zorgaanbieder uit te voeren prestatie. De eerste zorgaanbieder duidt de NZa als ‘uitvoerende zorgaanbieder’. De laatstgenoemde zorgaanbieder duidt de NZa als de ‘opdrachtgevende zorgaanbieder’. 3.5. zorgaanbieder Een zorginstelling forensische zorg als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, onderdeel o van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&ar"},{"b":"Beleidsregelbesluit ’Van WGGA naar WG’ Het Ctgb, Gelet op het bepaalde in - – Artikel 31, 44, 45 en 75 Verordening (EG) 1107/2009; - – [Artikel 4 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=4); - – [Artikel 2, aanhef en onder e)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=2) en [11 Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=11). Overwegende dat - – het huidige WGGA (Wettelijk gebruiksvoorschrift (WG) en Gebruiksaanwijzing (GA)) van gewasbeschermingsmiddelen niet altijd handhaafbaar, naleefbaar en eenduidig is; - – in het rapport Oplossingsrichtingen uit ‘Beschikbaar en Handhaafbaar’ een aanbevelíng is gedaan om het huidige WGGA van gewasbeschermingsmiddelen te wijzigen, in die zin dat alle wettelijke (en daardoor te handhaven) voorschriften het Wettelijk gebruiksvoorschrift (WG) vormen en de GA (gebruiksaanwijzing) niet meer door het Ctgb wordt vastgesteld; - – het Ctgb het project van ‘WGGA naar WG’ is gestart, met als doel een meer gebruiksvriendelijk, eenduidig, handhaafbaar en leesbaar WG op te leveren; - – de omzetting van WGGA’s naar WG’s in drie jaar tijd zal plaatsvinden en alleen gewasbeschermingsmiddelen betreft; - – het, gezien de weerslag van dit project in de toelatingspraktijk, wenselijk is om op transparante wijze inzicht te geven omtrent de werkwijze en uitgangspunten van de uitvoering omzetting van WGGA’s naar WG’s; - – om tegemoet te komen aan de bezwaren van gebruikers en de bestuurlijk afspraken zoals vastgelegd in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 3 juni 2014 aan de Tweede Kamer; - – het dientengevolge wenselijk is dit vast te leggen in een beleidsregelbesluit, Stelt het volgende beleidsregelbesluit vast inzake de uitvoering van het project ’Omzetting Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing naar een Wettelijk gebruiksvoorschrift, ter vervanging van het [beleidsregelbesluit ‘Van WGGA"},{"b":"Beleidsregeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 november 2024, kenmerk 5942760, inzake Beleidskader beoordeling gedrag gedurende gehele detentie (herziene versie) Inleiding Als gevolg van de inwerkingtreding van de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (Wet SenB) per 1 juli 2021 zijn diverse op de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) gebaseerde ministeriële regelingen ingrijpend gewijzigd. Een van de wijzigingen behelst meer nadruk te leggen op het gedrag van gedetineerden bij het toekennen van externe vrijheden. Eén van de uitgangspunten van de Wet SenB en de onderliggende visie op het gevangeniswezen ‘Recht doen, Kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ is dat gedrag telt (vanaf het begin van de detentie). Bij de beoordeling van externe vrijheden, zoals een aanvraag voor re-integratieverlof, Penitentiair Programma (PP), overplaatsingen naar een forensische zorginstelling (artikelplaatsing, [artikel 43, lid 4 Pbw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=43)), tijdelijk verlaten van de inrichting (TVI) en strafonderbreking (SOB) wordt naast risico’s, slachtofferbelangen en de door de gedetineerde geleverde inspanningen om de door het strafbare feiten veroorzaakte schade te vergoeden, ook het gedrag gedurende de gehele detentie beoordeeld. Met de beoordeling van het gedrag gedurende de gehele detentie worden gedetineerden gestimuleerd om al vanaf het begin van de detentie gewenst gedrag1Zie bijlage 1 van de Rspog. te vertonen. In 2023 is middels een invoeringstoets2Brief van 11 oktober 2022, *Kamerstukken II 2022–2023,**35 122, nr. 43**,*Brief van 26 oktober 2023,*Kamerstukken II 2023–2024,**35 122, nr. 44**,*Brief van 20 juni 2024, *Kamerstukken II 2023–2024,**29 279 en 24487, nr. 865*. onderzocht of de [Wet SenB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) onbedoelde effecten heeft voor de uitvoeringspraktijk en de doelgroep."},{"b":"Beleidsregeling voor de acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen Artikel 1 Voor het ontwerpen, het produceren, het beoordelen van de luchtwaardigheid, het afgeven en accepteren van type-certificaten en bewijzen van luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen worden op verzoek van de aanvrager de procedures toegepast uit JAR-21 zoals gepubliceerd door de Joint Aviation Authorities. Artikel 2 Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, werkt terug tot en met 1 januari 1995 en wordt met toelichting in de Staatscourant gepubliceerd. Artikel 3 Deze beleidsregeling wordt aangehaald als: Beleidsregeling voor de acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen."},{"b":"Beleidsregels aansluiting WW-beoordeling op WAO- en WIA-beoordeling Artikel 1. Vaststelling moment arbeidsurenverlies 1. Het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer die na een periode van arbeidsongeschiktheid een WW-uitkering aanvraagt, en die gedurende deze periode het einde van de wachttijd als bedoeld in [artikel 19 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) of [artikel 23 Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=23) heeft bereikt, wordt gesteld op de eerste dag volgend op het einde van de genoemde wachttijd. 2. Als de dienstbetrekking, uit hoofde waarvan WW-uitkering is aangevraagd, tijdens de in het eerste lid genoemde wachttijd is opgehouden te bestaan, treedt in afwijking van het eerste lid het arbeidsurenverlies in op de dag volgend op datum einde van die dienstbetrekking. Artikel 2. Buiten beschouwing laten van gewerkte weken voor vaststelling referteperiode Als de WW-aanvraag het gevolg is van een herziening of intrekking van de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid, worden voor de toepassing van [artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a), de weken waarin werknemer voorafgaande aan de betreffende werkloosheid gedeeltelijk heeft gewerkt tijdens de WAO-uitkering, aangemerkt als weken waarin werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten. Artikel 3. Intrekking Het Besluit samenloop AAW/WAO met WW-uitkering wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels aansluiting WW-beoordeling op WAO- en WIA-beoordeling."},{"b":"Beleidsregels aanvraag ontheffing als bedoeld in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Artikel 1 Een aanvraag tot ontheffing, bedoeld in [artikel 5, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=5), wordt ingediend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, door: - a. het College van procureurs-generaal, indien de betrokkene als officier van justitie aangesteld is of zal worden; - b. de korpsbeheerder van het desbetreffende regionale politiekorps, indien de betrokkene als politieambtenaar, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a en c, of tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3) aangesteld is of zal worden; - c. de betrokkene zelf, indien hij als politieambtenaar, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a en c, of tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3), bij het Korps landelijke politiediensten aangesteld is of zal worden, door tussenkomst van en na overleg met de korpschef van het Korps landelijke politiediensten; - d. de betrokkene zelf, indien hij als opsporingsambtenaar bij de Koninklijke marechaussee aangesteld is of zal worden, door tussenkomst van en na overleg met de commandant van de Koninklijke marechaussee; - e. de werkgever voor de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar, indien de betrokkene als buitengewoon opsporingsambtenaar aangesteld is of zal worden. Artikel 2 Een aanvraag tot ontheffing wordt slechts ingewilligd, indien de functie als opsporingsambtenaar en de werkzaamheden bij de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau zich zodanig tot elkaar verhouden dat het gevaar voor vermenging van taken en het gevaar voor overdracht van politieinformatie of opsporingsinformatie tot een minimum beperkt blijven. Artikel 3 De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria: - a. de functie"},{"b":"Beleidsregels aanwijzen en toezicht accountantsopleidingen Regels Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *Aanvraag:* een verzoek van een belanghebbende opleiding aan CEA om een aanwijzing op grond van [artikel 49, tweede lid, onder b Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - b. *Aanwijzing:* een besluit, als bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onder a Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49), inhoudende dat een opleiding aan de eindtermen voldoet; - c. *Adviescommissie:* een door CEA benoemde persoon of ingesteld college, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van CEA, belast met het adviseren van CEA over het te nemen besluit ter zake van het aanwijzen van een opleiding; - d. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - e. *Basisset van informatie:* een periodieke set van informatie die CEA minimaal nodig heeft om te beoordelen of een theoretische opleiding voldoet aan de eindtermen; - f. *Eindtermen:* de normen zoals bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onder a Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) waarin is vastgelegd welke kennis, vaardigheden en gedrag vaneen beginnend beroepsoefenaar onderdeel moeten vormen van de accountantsopleiding; - g. *CEA:* Commissie Eindtermen Accountantsopleiding als bedoeld in [artikel 49, eerste lid Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - h. *Doorlopend toezicht:* een voortdurend systematisch proces voor het verzamelen van informatie over, het vormen van een oordeel over en indien daar aanleiding voor is interveniëren bij een opleiding. CEA houdt doorlopend toezicht om te beoordelen of de opleiding aan de eindtermen voldoet; - i. *Kwaliteitssysteem:* systeem van kwaliteitsborging bestaande uit regelgeving, voorschriften, vastgestelde (beleids)kaders, controleerbare processen en procedures met als doel de eindterme"},{"b":"Beleidsregels arbeidsinschakeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - b. verzekerde: de persoon bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=10) en [16 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=16); - c. WGA-uitkering: werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7); - d. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - e. CWI: Centrale organisatie werk en inkomen; - f. reïntegratievisie: de reïntegratievisie, bedoeld in [artikel 30a, eerste lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a); - g. reïntegratieplan: het reïntegratieplan, bedoeld in [artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a); - h. functionele mogelijkheden: krachten en bekwaamheden als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=6); - i. werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is; - j. maatregel: gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering als bedoeld in [artikel 88 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=88). Artikel 2. Passende arbeid behouden 1. Indien de verzekerde die recht heeft op een loongerelateerde uitkering als bedoeld in [artikel 59 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=59) een dienstbetrekking met een werkgever heeft, wordt in de reïntegratievisie vermeld welke activiteiten hij moet verrichten om: - a. beëindiging van die dienstbetrekking te voorkomen; - b. passende arbeid in het bedrijf van zijn werkgever te verkrijgen"},{"b":"Beleidsregels artikel 5 Besluit Interoperabiliteit, Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) afdeling Eerste. – Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *het college:* het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit; - b. *artikel 5 BI:* [artikel 5 van het Besluit Interoperabiliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=5); - c. *geografisch nummer:* een geografisch nummer als genoemd in [artikel 1, onderdeel d, van het BI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=1); - d. *niet-geografisch nummer:* een nummer zoals genoemd in [artikel 5, lid 2, van het BI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=5); - e. *tariefmodel:* de wijze waarop tarieven zijn gestructureerd en de wijze waarop betalingen tussen de verschillende partijen verlopen; - f. *informatiedienst:* een dienst, niet zijnde een elektronische communicatiedienst, die door een service provider wordt geleverd over een telecommunicatienetwerk; - g. *extra kosten:* de extra kosten van aanbieders van elektronische communicatiediensten voor oproepen naar niet-geografische nummers ten opzichte van de kosten voor oproepen naar geografische nummers; - h. *geografisch tarief:* het retailtarief voor oproepen naar geografische nummers bepaald op het niveau van een individuele oproep; - i. *aanbieder:* een aanbieder in de keten tussen de beller en de nummergebruiker die ook actief is als aanbieder die de toegang tot eindgebruikers controleert; - j. *originerende aanbieder:* de aanbieder van openbare telefoondiensten waar de oproepen origineren; - k. *service provider:* een aanbieder van een informatiedienst; - l. *SIM-only dienst:* een elektronische communicatiedienst die een mobiele originerende aanbieder levert aan eindgebruikers waarbij hij alleen een SIM-kaart verstrekt en geen mobiele telefoon. afdeling Tweede. – Regels voor oproepen naar niet-geografische nummers Artikel 2. Oproepen n"},{"b":"Beleidsregels benoemingen Raad voor cultuur Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; b. de wet: de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904); c. de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in [artikel 2a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2a); d. de benoemingenadviescommissie: de benoemingenadviescommissie, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008446&paragraaf=4&artikel=8&z=2024-06-11&g=2024-06-11). Artikel 1a 1. De voorzitter en de overige leden van de Raad worden voor vier jaar benoemd en herbenoeming voor twee jaar is eenmaal mogelijk. 2. Voorafgaand aan de herbenoeming zoals bedoeld in het eerste lid, zal eerst advies worden gevraagd aan de benoemingenadviescommissie. 3. De leden van de commissies, bedoeld in [artikel 2c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2c), worden voor vier jaar benoemd en herbenoeming voor vier jaar is eenmaal mogelijk. Artikel 1b *Vervallen* Paragraaf 2. Benoemingsprocedure leden Raad voor cultuur Artikel 2 In geval van een vacature in de Raad vraagt de Minister eerst aan de Raad een profiel voor de in te vullen vacature en daarna vraagt hij aan de benoemingenadviescommissie een voorstel te doen voor de vervulling van die vacature. Artikel 3 Bij een voorstel voor de vervulling van een vacature geeft de benoemingenadviescommissie in ieder geval aan op welke wijze rekening is gehouden met: - a. evenredige deelname aan de Raad van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen; - b. deelname van een of meer leden die voldoende kennis dragen van het gemeentelijke of provinciale cultuurbeleid; - c. een spreiding van leden van de Raad over het gehele land; en - d. de onafhankelijkheid van de voorgedragen kandidaat. Artikel 4 Alvorens de Minister op basis van het voorstel van de ben"},{"b":"Beleidsregels benoemingen vanaf schaal 14 EZ Artikel 1 Benoemingen in functies vanaf schaal 14 van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijk Rijkspersoneel 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) vinden bij het Ministerie van Economische Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0014700) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels benoemingen vanaf schaal 14 EZ."},{"b":"Beleidsregels beoordelingskader poortwachter Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in [artikel 65 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=65), [artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=34a), het beoordelingskader zoals vastgelegd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0014375) bij dit besluit. Artikel 1a. Grondslag *Vervallen* Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Beleidsregels bestuurlijke boetes vervoerswetgeving ACM Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. *basisboete:* het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld op grond van een binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie vastgesteld bedrag; - c. *boetegrondslag:* een op grond van de jaaromzet vastgesteld bedrag dat de basis vormt voor de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete; - d. *jaaromzet:* omzet van de overtreder als bedoeld in [artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12o). Artikel 2. Algemeen uitgangspunt ACM bepaalt de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete zodanig dat deze, in het kader van specifieke preventie, een overtreder weerhoudt van het begaan van een volgende overtreding en, in het kader van algemene preventie, potentiële andere overtreders weerhoudt van het begaan van een(zelfde) overtreding. Artikel 3. Wijze van totstandkoming 1. ACM bepaalt de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete op basis van de boetegrondslag, die per geval wordt vastgesteld. 2. Na het bepalen van de boetegrondslag, bepaalt ACM de basisboete. 3. ACM neemt vervolgens boeteverhogende of -verlagende omstandigheden in aanmerking en bepaalt in redelijkheid in hoeverre zulke omstandigheden tot een verhoging of verlaging van de basisboete leiden. 4. In afwijking van de vorige leden kan ACM een symbolische bestuurlijke boete opleggen wanneer bijzondere omstandigheden naar haar oordeel daartoe aanleiding geven Artikel 4. Berekening van de boete 1. ACM bepaalt de boetegrondslag op basis van de jaaromzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarbij zi"},{"b":"Beleidsregels bewust belonen AZ Artikel 1 Het bewust belonen op grond van individueel functioneren vindt voor de medewerkers van het ministerie van Algemene Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de regeling bewust belonen AZ 2002, die is opgenomen in de bij dit besluit behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0012866). Artikel 2 Het besluit tot vaststelling van de Regeling Bewust Belonen van het ministerie van Algemene Zaken van 20 maart 1998 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 4 Dit besluit zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, met uitzondering van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0012866), die ter inzage wordt gelegd. Van deze ter inzage legging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"b":"Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar 1. Inleiding In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is een belangrijke rol weggelegd voor buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s). Het doel van het boa-beleid is om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te borgen en te verbeteren, zodat boa’s deze belangrijke rol op een kwalitatief goede wijze kunnen invullen. Het boa-bestel vormt het kader waarbinnen deze professionalisering van de boa plaatsvindt. Deze Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar maken onderdeel uit van dit boa-bestel. 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar De uitvoering en de handhaving van met name bijzondere wetgeving en verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen, is opgedragen aan een scala aan publiekrechtelijke en aan een beperkt aantal privaatrechtelijke organisaties. Indien nodig kan aan werknemers1Onder de term ‘werknemers’ vallen ook de personen die onder de uitzonderingen genoemd in hoofdstuk 3.1 vallen en dus strikt genomen geen werknemer zijn. van zo’n organisatie opsporingsbevoegdheid worden toegekend. Zij zijn dan boa. Daarvoor is nodig dat betrokkene beschikt over een titel van opsporingsbevoegdheid, over de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid, en over een akte van beëdiging (zie [artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=2) (hierna ook: [BBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013))). De titel van opsporingsbevoegdheid wordt verleend door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van [artikel 142 eerste lid, onder a en b, en derde lid van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) of bij of krachtens een bijzondere wet of (decentrale) verordening. Voor economische delicten wordt de titel verleend door de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de mi"},{"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 01-08-2018 Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in artikel 18c van de Zorgverzekeringswet (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a). 3. De zorgverzekeraars leveren de gegevens aan overeenkomstig de werkafspraken, bedoeld in het tweede lid. Gegevens die niet overeenkomstig de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92) of de nadere werkafspraken als bedoeld in het tweede lid zijn aangeleverd neemt het CAK niet in behandeling. 4. Het CAK neemt de me"},{"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2017 Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in artikel 18c van de Zorgverzekeringswet (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a). 3. De zorgverzekeraars leveren de gegevens aan overeenkomstig de werkafspraken, bedoeld in het tweede lid. Gegevens die niet overeenkomstig de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92) of de nadere werkafspraken als bedoeld in het tweede lid zijn aangeleverd neemt het CAK niet in behandeling. 4. Het CAK neemt de melding"},{"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in artikel 18c van de Zorgverzekeringswet (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a). 3. De zorgverzekeraars leveren de gegevens aan overeenkomstig de werkafspraken, bedoeld in het tweede lid. Gegevens die niet overeenkomstig de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92) of de nadere werkafspraken als bedoeld in het tweede lid zijn aangeleverd neemt het CAK niet in behandeling. 4. Het CAK neemt de melding"},{"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2023 Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in artikel 18c van de Zorgverzekeringswet (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a). 3. De zorgverzekeraars leveren de gegevens aan overeenkomstig de werkafspraken, bedoeld in het tweede lid. Gegevens die niet overeenkomstig de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92) of de nadere werkafspraken als bedoeld in het tweede lid zijn aangeleverd neemt het CAK niet in behandeling. 4. Het CAK neemt de melding"},{"b":"Beleidsregels CAK termijnen eigen bijdrage Wlz en Wmo 2015 Artikel 1. Toepassingsbereik van deze beleidsregels Deze regels zijn van toepassing op: - a. de aanvraag van de verzekerde en/of cliënt dan wel het ambtshalve besluit van het CAK tot het beperken van de vaststellingstermijn en het besluit tot het niet verschuldigd zijn van de eigen bijdrage in geval van vaststelling zoals bedoeld in de [artikelen 3.3.1.5, derde lid, van het Blz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.5) en [3.5, zevende lid, van het Uvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.5); - b. de aanvraag van de verzekerde en/of cliënt dan wel het ambtshalve besluit van het CAK tot het beperken van de herzieningstermijn en het besluit tot het niet verschuldigd zijn van de eigen bijdrage in geval van herziening zoals bedoeld in de [artikelen 3.3.1.6, vijfde lid juncto zesde lid, van het Blz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.6) en [artikel 3.6, vierde lid juncto vijfde lid, van het Uvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.6). - c. de aanvraag van de verzekerde en/of cliënt dan wel het ambtshalve besluit van het CAK tot het verruimen van de herzieningstermijn in geval van herziening zoals bedoeld in de [artikelen 3.3.1.6, zevende lid juncto achtste lid, van het Blz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.6) en [artikel 3.6, zesde lid juncto zevende lid, van het Uvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.6). Artikel 1a. Verrekening eigen bijdrage Bij de toepassing van de bevoegdheden volgend uit deze beleidsregels wordt voorliggend rekening gehouden met het verrekenen tussen naheffingen en restituties, zoals bedoeld in [artikel 3.3.1.6, derde lid, van het Blz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.6) en [3.6, derde lid, van het Uvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.6), over de termijn waarover de herziening plaatsvindt. Ar"},{"b":"Beleidsregels CAK vergoeden declaraties naar Nederlands tarief Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *basisverordening:* Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166); - b. *toepassingsverordening:* Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284); - c. *gerechtigde:* persoon als bedoeld in [artikel 69, eerste, zeventiende of achttiende lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) die woont op het grondgebied van een van de lidstaten van de Europese Unie, een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, het Verenigd Koninkrijk of Zwitserland; - d. *polis:* zorgvariatiepolis die de Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep U.A. aanbiedt als een zorgverzekering, bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - e. *orgaan van de verblijfplaats:* orgaan van de verblijfplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de basisverordening; - f. *zorg bij tijdelijk verblijf:* medische zorg die noodzakelijk wordt bij tijdelijk verblijf van een gerechtigde in een andere lidstaat, niet zijnde Nederland, dan de lidstaat waar de gerechtigde woonachtig is; - g. *geplande zorg:* medische zorg waarvoor een gerechtigde reist naar een andere lidstaat, niet zijnde Nederland, dan de lidstaat waar de gerechtigde woonachtig is met het oogmerk die zorg tijdens zijn verblijf daar te ontvangen. Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregels zijn van toepassing op het toekennen door het CAK van een vergoeding naar Nederlands tarief voor de kosten van verl"},{"b":"Beleidsregels CAK Verstrekking compensatiebijdrage aan zorgverzekeraars voor het verzekerd houden van verzekeringsnemers met betalingsachterstanden zorgpremie 2025 Artikel 1. Het betalen van voorschotten aan de zorgverzekeraar 1. Het CAK verstrekt een voorschot op de nog toe te kennen bijdrage als bedoeld in [artikel 6.5.5 Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5). Dit voorschotbedrag wordt maandelijks uitbetaald met ingang van de maand volgend op de melding door de zorgverzekeraar. 2. Het CAK vermenigvuldigt per zorgverzekeraar per maand de eindstand van het aantal in behandeling genomen meldingen met de tot de maand herleide standaardpremie zoals bedoeld in de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451) en stelt de uitkomst daarvan als voorschotbedrag vast. 3. Het CAK zendt maandelijks per zorgverzekeraar een specificatie van het betaalde voorschotbedrag waarop staat vermeld: - − de beginstand van de meldingen van de betreffende maand; - − het aantal aanmeldingen van de betreffende maand; - − het aantal afmeldingen van de betreffende maand; - − de eindstand van de meldingen van de betreffende maand; - − het aantal aanmeldingen op grond van [artikel 6.5.5, derde lid, Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5). Artikel 2. De vaststelling van de bijdrage aan de zorgverzekeraar 1. Uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover de bijdrage verschuldigd is, zendt het CAK een definitieve jaarafrekening aan de zorgverzekeraar, waarin per zorgverzekeraar het totaalbedrag van de over dat kalenderjaar te verstrekken bijdrage wordt vastgesteld. 2. In de jaarafrekening vermeldt het CAK: - a. de door het CAK over dat kalenderjaar te betalen bijdrage op grond van [artikel 6.5.5, tweede lid, Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5); - b. de som van de bijdragen die het CAK heeft toegekend"},{"b":"Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens Beleidsregels voor de toepassing van bepalingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet politiegegevens Samenvatting Deze beleidsregels Cameratoezicht vervangen de publicatie *‘Camera’s in het publieke domein. Privacynormen voor het cameratoezicht op de openbare orde’* (2004) van het College bescherming persoonsgegevens (CBP), tegenwoordig de Autoriteit Persoonsgegevens. Diverse ontwikkelingen, zowel op het gebied van wetgeving als op het gebied van de technologie, waren aanleiding voor deze nieuwe publicatie. De beleidsregels vormen een uitwerking van bepalingen uit de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) en de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) die relevant zijn voor cameratoezicht door private of publieke organisaties *ter beveiliging van personen en goederen* en door gemeenten ter *handhaving van de openbare orde*. Ook wordt ingegaan op de inzet van nieuwe technologieën bij cameratoezicht, zoals drones, dashcams en andere slimme camera’s. Aangezien de bepalingen van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp) *algemeen* van aard zijn, kan de uitwerking van die bepalingen in deze beleidsregels ook van toepassing zijn op verwerkingen van ander beeldmateriaal, zoals foto’s, en voor andere doeleinden, zoals camera*observatie*, die ook onder het wettelijke regime van de Wbp vallen. De beleidsregels dienen in eerste instantie als leidraad voor organisaties die gebruik (willen) maken van cameratoezicht en als uitgangspunt voor de Autoriteit Persoonsgegevens bij haar toezichthoudende taak. Daarnaast kunnen ze ook voor ontwikkelaars en leveranciers van (slimme) digitale camerasystemen als leidraad dienen bij de ontwikkeling van (nieuwe) technologie waarbij sprake is van de verwerking van beeldmateriaal. Inleiding Organisaties zetten steeds vaker cameratoezicht in. H"},{"b":"Beleidsregels compensatie meldingsplichtige vuurwerkbedrijven Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. verzoeker: degene die een inrichting drijft, waar ten hoogste 1000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen en als zodanig een melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 van het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer; c. inkomensschade: verlies van het inkomen uit opslag en verkoop van consumentenvuurwerk door het niet meer kunnen opslaan en verkopen van vuurwerk; d. desinvesteringsschade: de resterende fiscale boekwaarde van de onderdelen van het verkooppunt en de opslag die uitsluitend worden benut dan wel zijn aangeschaft met het oog op de verkoop van vuurwerk en welke door inwerkingtreding van het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360) overbodig of waardeloos zijn geworden. Artikel 2. Schade Er wordt slechts schade vergoed aan een verzoeker, die direct schade lijdt ten gevolge van het niet kunnen voldoen aan [artikel 2.2.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.2.1). De vergoeding kan uitsluitend omvatten inkomensschade en desinvesteringsschade, die ontstaat door het noodgedwongen moeten beëindigen van de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk op de huidige locatie. Artikel 3. Niet in aanmerking komende schade Geen vergoeding wordt toegekend voor binnen het normale maatschappelijke risico of het ondernemersrisico vallende schade en schade die niet rechtstreeks voortvloeit uit de eisen van het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360). Hoofdstuk 2. Procedurebepalingen Artikel 4. Verzoek om schadevergoeding 1. Het verzoek om schadevergoeding wordt gedaan door het indienen van een correct en volledig ingevuld en ondertekend exemplaar van het door de minister vastgestelde formulier."},{"b":"Beleidsregels controle informatieverstrekkingen uit het kentekenregister Hoofdstuk 1. – Toelichting op controle inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister 1.1. Toelichting Dit is het algemeen deel met betrekking tot controle en toezicht inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister (hierna: het toezichtbeleid). Dit toezichtbeleid is onderdeel van het verstrekkingenbeleid van de RDW. Het kentekenregister kent gevoelige en niet-gevoelige gegevens. Niet-gevoelige gegevens zijn voor een ieder te raadplegen, onder andere op www.rdw.nl en via open data. Gevoelige gegevens zijn geclassificeerd in persoonsgegevens, fraudegevoelige gegevens en concurrentiegevoelige gegevens, zoals vastgelegd in de [Beleidsregel gevoelige gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036178). Gevoelige gegevens worden slechts aan bepaalde ontvangers voor een bepaalde doelbinding verstrekt. Deze ontvangers dienen zorgvuldig met gevoelige gegevens om te gaan. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt op de informatieverstrekking, is vastgelegd in dit document. 1.2. Indeling Het algemeen deel van het toezichtbeleid bevat algemene informatie voor iedere ontvanger. De bijlagen bevatten specifieke informatie voor bepaalde categorieën ontvangers. Voor een ontvanger geldt dus zowel het algemene deel als de bijlage die voor hem van toepassing is. 1.3. Titel Dit deel is getiteld: Toezichtbeleid inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister – Algemeen deel. 1.4. Categorieën ontvangers De RDW onderscheidt de volgende categorieën ontvangers van gevoelige gegevens uit het kentekenregister: - • Overheidsorganen - ○ bestuursorganen; aangewezen overheidsorganen; buitenlandse autoriteiten1Blijft in het toezichtbeleid verder buiten beschouwing (binnen en buiten EU); - • Beroepsbeoefenaren - ○ Categoraal aangewezen - ○ Individueel aangewezen; - • Informatieproviders; - • Overige Belanghebbenden bij gevoelige gegevens (niet zijnde"},{"b":"Beleidsregels erkenning van beroepskwalificaties en verklaring van vakbekwaamheid beroepen in de individuele gezondheidszorg Beleidsregels van de Minister voor Medische Zorg van 28 april 2020, kenmerk CIBG-20-0433, over de behandeling van een aanvraag van een erkenning van beroepskwalificaties en de aanvraag van een verklaring van vakbekwaamheid van een beroepsbeoefenaar in de individuele gezondheidszorg (Beleidsregels erkenning van beroepskwalificaties en verklaring van vakbekwaamheid beroepen in de individuele gezondheidszorg). Voor algemene informatie over buitenlandse diploma’s, zie: https://www.bigregister.nl/buitenlands-diploma. De Minister voor Medische Zorg besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot: - – de behandeling van een aanvraag van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 41, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), [artikel 45, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=45), en [artikel 36a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a) (Wet BIG). - – de behandeling van een aanvraag van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 41, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), [artikel 45, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=45), en [artikel 36a, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a). Dit besluit vervangt de [Circulaire Vakbekwaamheid buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027468) (CIBG/VV-2987442). 1. Aanvraag erkenning van beroepskwalificaties (algemeen stelsel) 1.1. Commissie De Minister voor Medische Zorg (hierna: Minister) stelt op grond van [artikel 41 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep"},{"b":"Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2023 Inleiding De [Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036530) is op 1 juli 2015 in werking getreden. [Artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=57) bepaalt dat een toegelaten instelling subsidie kan ontvangen ten behoeve van de sanering van de toegelaten instelling. De regels met betrekking tot deze subsidie zijn nader uitgewerkt in het [Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702) (Btiv). De wet biedt de mogelijkheid om deze saneringstaak te mandateren aan de borgingsvoorziening ([artikel 59, lid 2, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59)). Met het [Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036753) is de saneringstaak aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) gemandateerd. In dit mandaatbesluit is opgenomen dat WSW beleidsregels na voorafgaande instemming van de Minister kan vaststellen en op de volgende vier onderwerpen beleidsregels moet vaststellen: - • Kwijtschelding van de saneringsbijdrage; - • Het moment waarop een toegelaten instelling in aanmerking kan komen voor sanering; - • Het betrekken van de gemeentelijke zienswijze bij de beoordeling van een saneringsplan; - • De door WSW te hanteren termijnen ten behoeve van de saneringsaanvraag en beoordeling. Dit besluit heeft betrekking op de vier onderwerpen waarover beleidsregels moeten worden vastgesteld en gaat tevens in op de beoordeling van een aanvraag tot saneringssubsidie. 1. Kwijtschelding van de saneringsbijdrage [Artikel 118 lid 1, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=118) (Btiv) bepaalt dat een toegelaten instelling kan verzoeken om"},{"b":"Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2024 De directie van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, en gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, stelt beleidsregels vast als bedoeld in [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), inzake het nemen van besluiten ten aanzien van de financiële sanering van toegelaten instellingen 2024 (Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2024). Met deze beleidsregels wordt helderheid gegeven aan de saneerder over zijn rechten en plichten. Bij ministerieel besluit kunnen rechten en plichten voortvloeiende uit deze beleidsregels worden gemandateerd. Inleiding [Artikel 57, eerste lid, onderdeel a Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=57) bepaalt dat de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (de minister) aan een toegelaten instelling subsidie kan verstrekken ten behoeve van de financiële sanering van de toegelaten instelling. De regels met betrekking tot deze subsidie zijn nader uitgewerkt in het [Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702) (‘*Btiv*’). De wet biedt de mogelijkheid om deze saneringstaak te mandateren aan de borgingsvoorziening ([artikel 59, tweede lid Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59)). Met het [Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036753) is de saneringstaak aan de directie van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (‘*WSW; hierna ook: de saneerder*’) gemandateerd. In dit mandaatbesluit is opgenomen dat WSW beleidsregels met betrekking tot deze gemandateerde taak na voorafgaande instemming van de minister kan vaststellen en op de volgen"},{"b":"Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister 2014 Artikel 1 Als gevoelige gegevens, als bedoeld in [artikel 42a, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42a) en [artikel 7, tweede lid van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7), worden de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036178) bij dit besluit genoemde gegevens uit het kentekenregister aangewezen. Artikel 2 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister 2014 Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4 De [Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025247) (Staatscourant 2009, nr. 21) worden ingetrokken."},{"b":"Beleidsregels incident management Rijkswaterstaat Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. incident management: het geheel van maatregelen die beogen de weg zo snel mogelijk nadat een incident heeft plaatsgevonden, voor het verkeer vrij te maken, een en ander met inachtneming van de verkeersveiligheid, de behartiging van belangen van mogelijke slachtoffers alsmede de beheersing van de ontstane schade; b. incidenten: alle gebeurtenissen (zoals ongevallen, pechgevallen, afgevallen lading, gestrande voertuigen) die de capaciteit van de weg nadelig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden en als zodanig de doorstroming van het verkeer belemmeren of kunnen belemmeren, uitgezonderd pechgevallen op de vluchtstrook voorzover sprake is van een aanvaardbaar risico ten aanzien van de doorstroming en de veiligheid van het overige verkeer; c. wegen: wegen als bedoeld in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), aangeduid als (autosnel)weg en in beheer bij de Rijkswaterstaat alsmede de bijbehorende verbindingswegen naar wegen, niet in beheer bij de Rijkswaterstaat; d. eerste berging: het verwijderen van vrachtauto’s, personenauto’s en/of lading van de weg en het vervoeren naar een veilige plaats (parkeerplaats, benzinestation, Rijkswaterstaatslokatie of het eigen terrein van een bergingsbedrijf) langs de autosnelweg dan wel in bijzondere gevallen de eindbestemming; e. deskundige: een onafhankelijk persoon die fungeert als rapporteur over het incident en als adviseur inzake de meest adequate wijze (snel én met inachtneming van schades) van bergen aan het Coördinatieteam Plaats Incident (CTPI) waarin zitting hebben de bevelvoerders van brandweer, ambulancedienst, politie, de Rijkswaterstaat en de Inspectie Verkeer en Waterstaat welk team beslist over de uiteindelijk te volgen werkwijze; f. vrachtauto: een motorvoertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kilogram en/of de bijbehorende aanhangwagen, een en"},{"b":"Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026 Overal waar ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ worden gelezen Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2026 Het CIZ, gelet op [artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb) en de [artikelen 3.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3), [7.1.2, eerste lid, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.1.2), en [10.5.1 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=10.5.1) (Wlz), besluit: Artikel 1 Het CIZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of en in welke omvang de verzekerde in aanmerking komt voor één of meer van de in [artikel 3.1.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) aangewezen vormen van zorg. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026. Artikel 4 De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026 vervangen de [Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050451). Aanvragen die worden ontvangen in 2026 worden afgehandeld conform de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026. De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zijn vanaf 1 januari 2026 niet langer van kracht, met uitzondering van de volgende situaties: - • Op aanvragen die in 2025 door verzekerden zijn ingediend en die worden afgehandeld in 2026 worden de voor de betreffende verzekerde meest gunstige beleidsregels (2025 of 2026) toegepast. - • Ook in bezwaar- en beroepsprocedures tegen indicatiebesluiten uit 2025 die worden afgehandeld in 2026 worden de voor de betreffende verzekerde meest gunstige beleidsregels (2025 of 2026) toegepast. Artikel 5 Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels informatieplicht Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. *Besluit:* [Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773); - 2. *CRUKS:* het centraal register uitsluiting kansspelen als bedoeld in [artikel 33h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h); - 3. *CDB:* controledatabank als bedoeld in [artikel 5.3 Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.3); - 4. *raad van bestuur:* raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 5. *Regeling:* [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767); - 6. *vergunning:* een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 7. *vergunninghouder(s):* houder(s) van een vergunning; - 8. *wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); Artikel 1.2. Toepassing Deze beleidsregels hebben betrekking op het informeren van de raad van bestuur op grond van [artikel 5.1, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.1). Paragraaf 2. Algemene bepalingen Artikel 2.1. Wijze van informeren De Kansspelautoriteit maakt de wijze waarop vergunninghouders de raad van bestuur moeten informeren bekend op de website van de Kansspelautoriteit. Paragraaf 3. Relevante wijzigingen Artikel 3.1. Informeren over relevante wijzigingen De vergunninghouder informeert de raad van bestuur onverwijld over relevante wijzigingen, overeenkomstig [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.1). De raad van bestuur verstaat onder onverwijld informeren en relevante wijzigingen [*in ieder geval*] hetgeen in de [artikelen 3.2 tot"},{"b":"Beleidsregels informatieplicht voor aanbieders over internetveiligheid (artikel 11.3 tweede lid van de Telecommunicatiewet) 1. Inleiding 1.1. Algemeen De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) geeft de Autoriteit Consument en Markt de bevoegdheid om op te treden tegen het niet-naleven van de informatieplicht over veiligheid en beveiliging van aangeboden diensten en netwerken. De Autoriteit Consument en Markt geeft in dit document invulling aan zijn handhavingsbeleid voor overtredingen van de informatieplicht en formuleert zijn specifieke bevoegdheid in dezen. Hierdoor wordt structuur gegeven aan de uitvoering van de handhaving van de informatieplicht en wordt willekeur voorkomen. Tevens geeft de Autoriteit Consument en Markt invulling aan zijn beleidsvrijheid ten aanzien van de keuze voor een bepaald handhavingsmiddel. In elke individuele situatie wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het betreffende geval. Een besluit om over te gaan tot handhaving en de keuze voor het handhavingsmiddel is immers altijd maatwerk. Dit handhavingsbeleid wordt extern bekend gemaakt door plaatsing ervan in de Nederlandse Staatscourant en op de website van OPTA.1Zie www.opta.nl. 1.2. Internetveiligheid Internetveiligheid is een onderwerp dat een brede maatschappelijke belangstelling kent. Iedereen die zich regelmatig op internet begeeft, wordt geconfronteerd met aanzienlijke aantallen ongewenste e-mailberichten.2In 2007 bestond naar schatting 90 tot 95 procent van het e-mailverkeer uit spam. Zie bijvoorbeeld http://www.nu.nl/news/1353927/50/'Slechts_1_op_20_e-mails_is_geen_spam'.html Vele Nederlanders zullen via het nieuws gehoord hebben over e-mails waarin argeloze PC-gebruikers wordt gevraagd hun inloggegevens voor elektronisch bankieren terug te sturen,3Klanten van banken krijgen met regelmaat e-mailberichten waarin om hun creditcardgegevens wordt gevraagd. Zie bijvoorbeeld het bericht van 22 juli 2008 op http://www.zdnet.nl/smar"},{"b":"Beleidsregels inkoopvergoeding apotheekhoudenden Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor prestaties van personen en instellingen die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2)[aanhef en onder a, van het besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/BWBR0005342) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, beleidsregels vast die voldoen aan de volgende uitgangspunten: - a. Ten aanzien van de inkoopvergoeding die de apotheekhoudende ten hoogste in rekening mag brengen wordt onderscheid gemaakt tussen multi-source en single-source geneesmiddelen. - b. Een geneesmiddel wordt als multi-source geneesmiddel aangemerkt als het is opgenomen op [bijlage 1 a van de Regeling farmaceutische hulp 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007718&bijlage=1) en er per werkzame stof van de in het desbetreffende cluster opgenomen onderling vervangbare geneesmiddelen meer dan één geneesmiddel van een verschillende aanbieder is opgenomen. - c. Geneesmiddelen die niet aan de onder b. opgenomen omschrijving voldoen worden aangemerkt als single-source geneesmiddelen. Geneesmiddelen die zijn geregistreerd op grond van artikel 10, 1, a, onder i van Richtlijn 2001/83/EG, het betreffende eerst geregistreerde geneesmiddel en parallel gedistribueerde of geregistreerde geneesmiddelen worden eveneens aangemerkt als single source geneesmiddelen, behoudens voor zover generieke versies van die geneesmiddelen worden aangeboden. - d. De apotheekhoudende mag voor single-source geneesmiddelen ten hoogste 92% van de lijstprijs in rekening brengen dan wel de lijstprijs minus € 9,- voor zover dit laatste bedrag hoger is dan 92% van de lijstprijs. - e. De apotheekhoudende mag voor multi-source geneesmiddelen ten hoogste 60% in rekening brengen van de referentieprijs op de peildatum dan wel de referentieprijs minus € 40,- voor zover dit laatste bedrag hoger is dan 60% van de referentieprijs. - f. Als referentieprijs geldt de lijstprijs van"},{"b":"Beleidsregels juli en augustus 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maanden juli en augustus 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Winst uit onderneming en privé gebruik woning Besluit van 24/08/2004, nr. CPP04-1912M Besluit Verrekenprijzen Besluit van 21/08/2004, nr. IFZ04-680M Besluit verrekenprijzen Besluit van 17/08/2004, nr. IFZ04-653M Vrije vergoedingen en verstrekkingen bij bedrijfsjubilea Besluit van 17/08/2004, nr. CPP04-1031M Herinvesteringsreserve bij pachtontbindingsvergoeding Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-440M Eigenwoningregeling en verhuur aan de ex-partner Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1406M Voorschrift administratieve- en factureringsverplichtingen omzetbelasting Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1537M Aanpassing pensioenregelingen aan Witteveenkader Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1779M Omzetbelasting en ondernemerschap kookvereniging Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1357M Successiewet en voorwaardelijke testamentaire ouderlijke boedelverdeling Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-257M Procedure voor behandeling van advance tax ruling-verzoeken Besluit van 11/08/2004, nr. IFZ04-125M Autodealer-besluit 2004 Besluit van 11/08/2004, nr. CPP04-1153M Omzetbelasting en verhuur van onroerende zaken Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-4221M Standaardvoorwaarden geruisloze omzetting Besluit van 11/08/2004, nr. CPP04-664M Zekerheid vooraf en goede trouw jegens de verdragspartner Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-1337M Omzetbelasting en arbodiensten Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-4018M Instelbesluit Coördinatiegroep Verrekenprijzen Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-1339M Loon"},{"b":"Beleidsregels kostenvergoeding subsidie milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. verzoeker: de indiener van een verzoek om kostenvergoeding of diens rechtsopvolger; - c. MEP-subsidie: subsidie op grond van [artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=72m). Artikel 2 1. De Minister kent een kostenvergoeding toe aan een verzoeker die: - a. voor 18 augustus 2006 geen aanvraag voor MEP-subsidie voor die productie-installatie heeft ingediend als waarvoor hij een verzoek tot kostenvergoeding indient; - b. voor 18 augustus 2006 de voor de aanvraag van de MEP-subsidie benodigde vergunningen heeft aangevraagd; - c. redelijkerwijs tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen als bedoeld in [artikel 15 van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015185&artikel=15) had kunnen indienen, en - d. op basis van deze aanvraag, uitgaande van de regels zoals deze golden voor 18 augustus 2006, MEP-subsidie van meer dan € 0,00 had kunnen krijgen. 2. De Minister kent geen kostenvergoeding toe indien voor een productie-installatie subsidie wordt verleend op grond van de in de brief van 11 september 2006 (Kamerstukken II, 28 665, 76) aangekondigde subsidieregeling voor vergistingsinstallaties. Artikel 3 1. Kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien het directe kosten betreffen die de verzoeker noodzakelijkerwijs voor 18 augustus 2006 heeft gemaakt en betaald aan derden om voor 1 januari 2007 MEP-subsidie aan te vragen, voor zover deze kosten redelijk zijn. 2. Kosten als bedoeld in het eerste lid die na 18 augustus 2006 zijn gemaakt en betaald aan derden kunnen voor vergoeding in aanmerking komen indien voor 18 augustus 2006 door middel van een schriftelijke overeenkomst verp"},{"b":"Beleidsregels machtigingsvereiste 1. Inleiding De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in 2016 verschillende signalen ontvangen over de (bijzondere) persoonsgegevens die door zorgverzekeraars worden gevraagd in het kader van het machtigingsvereiste. Uit deze signalen bleek dat het niet altijd duidelijk is of zorgverzekeraars persoonsgegevens mogen verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste en zo ja welke (bijzondere) persoonsgegevens voor dat doel mogen worden verwerkt. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft daarom de onderhavige beleidsregels opgesteld. Deze beleidsregels zijn afgestemd met de Nederlandse Zorgautoriteit en in verband met de overlegverplichting van [artikel 67 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=67) (Wbp) voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Autoriteit Persoonsgegevens stelt in deze beleidsregels vast dat zorgverzekeraars in beginsel (bijzondere) persoonsgegevens mogen verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste. Daarbij wordt nader ingegaan op de wijze waarop het noodzakelijkheidsbeginsel als bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=8) en [21 van de Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) bij de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van het machtigingsvereiste moet worden ingevuld. Onder machtigingsvereiste (ook wel voorafgaande toestemming of akkoordverklaring genoemd) wordt begrepen dat verzekerde vóóraf toestemming van de zorgverzekeraar dient te hebben voor de vergoeding van bepaalde behandelingen, geneesmiddelen of hulpmiddelen dan wel voor bepaalde (typen van) zorgaanbieders. Het machtigingsvereiste kan worden gesteld voor zowel vergoedingen die vallen onder de basisverzekering als vergoedingen op grond van een aanvullende ziektekostenverzekering.1Hiermee wordt bedoeld de vrijwillige ziektekostenverzekering ex artikel 1,"},{"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb CZ Zorgkantoor Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052506) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb CZ Zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Stichting Zorgkantoor Menzis Artikel 1 Zorgkantoor Menzis hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052507) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Stichting Zorgkantoor Menzis Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor Artikel 1 Zorgkantoor VGZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052537) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Zorg en Zekerheid zorgkantoor Artikel 1 Zorgkantoor Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052521) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Zorg en Zekerheid zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de [beleidsregels](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052521) in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Zorgkantoor DSW Artikel 1 DSW Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in [hoofdstuk 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052592) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Zorgkantoor DSW Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst."},{"b":"Beleidsregels near shore windpark § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *near shore windpark* een opstelling van permanente windturbines met een totaal constant geïnstalleerd vermogen van ten hoogste 100 MW voor de Nederlandse kust als bedoeld in de Project-planologische kernbeslissing Locatiekeuze Demonstratieproject Near Shore Windpark, deel 3 (Kamerstukken II 2000/2001, 27 041, nr. 4), dat een aansluiting op het Nederlandse elektriciteitsnet heeft, en geschikt is voor de opstelling van ten minste 1 en ten hoogste 2 tijdelijke windturbines; - b. *permanente windturbines* windturbines die worden geïnstalleerd voor een exploitatieperiode van ten hoogste 20 jaar met een vermogen van ten minste 1,5 MW die voor plaatsing op het land gecertificeerd zijn, en aangepast zijn aan de omstandigheden op zee; - c. *tijdelijke windturbines* windturbines met een vermogen van ten minste 3 MW die voor een periode van ten hoogste 3 jaar worden geïnstalleerd; - d. *overeenkomst* de overeenkomst betreffende de uitvoering van het demonstratieproject near shore windpark alsmede de informatievoorziening daaromtrent zoals opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012921&bijlage=1&z=2001-10-28&g=2001-10-28) bij deze beleidsregels; - e. *deelnemer* de ondernemer die of het samenwerkingsverband dat deelneemt aan de selectie betreffende het sluiten van de overeenkomst; - f. *ondernemer* een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt; - g. *samenwerkingsverband* een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen; - h. *groep* een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: - 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: - - meer dan de helft van het geplaatste kapitaal ver"},{"b":"Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren 2022 § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (toepassingsbereik) Deze beleidsregels zijn van toepassing op de verlening van een vergunning voor een ontgronding in een rijkswater. Artikel 2. (afstandsbepalingen) Bij de ontgronding worden de in de tabel genoemde afstanden in acht genomen. | Type kunstwerk of project | Locatie rijkswater | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | | Noordzee | Waddenzee | IJsselmeergebied | Rivieren, kanalen en havens | Grote Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren | | Waterkeringen | | | | | | | Primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk | – | 500 m | – | – | 100 m | | Archeologie en cultuurhistorie | | | | | | | Wettelijk beschermde monumenten van archeologische vondsten, locaties met melding van archeologische vondsten en wrakken | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | | Overige objecten | | | | | | | Olie- en gasleidingen in de bodem van het betreffende rijkswater | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | | In gebruik zijnde telecommunicatie-kabels in de bodem van of boven het betreffende rijkswater | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | | Overige vaste objecten van het Rijk of van derden | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | § 2. Schelpenwinning Artikel 3. (ontgrondingsvergunning voor schelpenwinning) 1. Een ontgrondingsvergunning voor schelpenwinning kan alleen worden verleend voor winning die plaatsvindt dieper dan vijf meter beneden NAP: - a. in de in onderdelen A en B van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046536) aangewezen gedeelten van het Marsdiep, de Vlie, het Friesche Zeegat en de Voordelta; - b. in de in onderdeel B van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046536) aangewezen gedeelten van de Westerschelde en de Vlakte van de Raan, met het oog op de kustverdediging; of - c. in de overige delen van de Noordzee vanaf 3 mijl uit de kust gemeten bij het laagst mogelijke, tijdens springtij optredend laagwater tot 50 km uit de kust. 2. Voor de verlening van"},{"b":"Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004 Beleidsregel 1 Op verzoek van de werkgever wordt een ontheffing verleend als bedoeld in [artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8), voor de bij die ontheffing aan te wijzen werknemers of groepen van werknemers, indien gedurende ten minste 2 kalenderweken en gedurende ten hoogste 24 kalenderweken, ten minste 20% van de aan de werkgever ter beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan of naar verwachting niet zal kunnen worden benut, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend. Een ontheffing wordt verleend voor een periode van ten hoogste 6 weken en kan op verzoek van de werkgever drie maal worden verlengd, telkens voor een periode van ten hoogste 6 weken. Beleidsregel 2 Geen ontheffing wordt verleend: - a. over perioden voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag voor ontheffing is ontvangen; - b. voorzover het personeelsbestand van de onderneming niet op de voor de betrokken onderneming redelijkerwijs te verwachten behoefte is afgestemd; - c. indien de vermindering van werkzaamheden samenhangt met een werkstaking in de betreffende of in een andere onderneming, tenzij redelijkerwijs niet kan worden verwacht, dat de werkstaking door het verlenen van de ontheffing zal worden beïnvloed."},{"b":"Beleidsregels ontheffing voorschriften voor nationaliteits- en inschrijvingskenmerken van luchtvaartuigen Ontheffing van de voorschriften voor het aanbrengen van nationaliteits- en in-schrijvingskenmerken op Nederlandse burgerluchtvaartuigen wordt in principe op aanvraag verleend aan de eigenaren of houders van ex-militaire luchtvaartuigen die aantonen dat hun luchtvaartuig: - a. ex-militaire kenmerken voert met instemming van het Hoofd van de Stafgroep Juridische Zaken van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten of de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en, indien toepasselijk, de betreffende buitenlandse militaire autoriteit; - b. de burgerkenmerken voert op ten minste beide zijden met een hoogte van ten minste 5 cm; - c. als Nederlands luchtvaartuig herkenbaar is."},{"b":"Beleidsregels ontheffingen Wet op de Dierproeven 1. Bedreigde diersoorten Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in [artikel 11 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11), tot het verrichten van dierproeven op dieren die krachtens bijlage I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en bijlage C, deel 1, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 als bedreigde soorten worden aangemerkt, worden beschouwd proeven die voldoen aan de voorschriften van genoemde verordening en zijn gericht op: - - onderzoek voor het behoud van de betrokken soorten, of - - biomedische doeleinden van essentieel belang, wanneer de betrokken soort bij wijze van uitzondering de enige blijkt te zijn die voor die doeleinden geschikt is. 2. Dieren uit de vrije natuur Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in [artikel 11 van de Wet op de dierproeven,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11) tot het verrichten van dierproeven op dieren die uit de vrije natuur afkomstig zijn, worden beschouwd die gevallen waarin proeven met andere dieren voor het doel van de proef niet geschikt zijn."},{"b":"Beleidsregels Openbaar Ministerie, rijden onder invloed Op 1 februari treden de volgende Polaris-OBM-regelingen in werking die alle zijn aangepast aan fase 1B van de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) 3.01.39. Recidive bij rijden onder invloed Beschrijving De invloed van recidive op het aantal strafpunten wijkt bij handelen in strijd met [artikel 8 WVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) af van dat bij andere Polaris delicten. De strafverhogende werking bij de 8 WVW-delicten is gebaseerd op de systematiek van vroegere richtlijnen en het schalentarief van [artikel 8, lid2, van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), volgens hetwelk elke schaal hoger vier extra strafpunten betekent. Is er sprake van recidive, dan wordt het aantal strafpunten eveneens met vier verhoogd. Recidive dient bepaald te worden door te tellen hoe vaak in de 5 jaar voorafgaand aan de datum waarop het nieuwe feit is gepleegd een soortgelijk delict heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling danwel strafbeschikking of tot een betaalde transactie. Het begrip ‘soortgelijk’ heeft zowel betrekking op de aard van het delict als de omvang er van. Beleidssepots dienen bij de recidivebepaling buiten beschouwing gelaten te worden. Aan first offenders en eenmalige recidivisten kan, indien het aantal sanctiepunten dat toelaat, een transactie worden aangeboden of een strafbeschikking worden uitgevaardigd. Meermalen recidive is altijd een indicatie voor dagvaarden, ongeacht het aantal sanctiepunten.Bij ernstige vormen van recidive kan natuurlijk worden afgeweken van de door de Polaris-richtlijnen aangegeven straf. Soort factor Basisfactor Antwoordmogelijkheden | • | Geen recidive | 0 pt | | --- | --- | --- | | – | 1 maal | 4 pt | | – | Meermalen | 4 pt | | | | + dagvaarden | Uitgangspunt indien onbekend Geen recidive. Bijzonderheden Geen. Zie basisdelicten - – besturen motorvoertuig op twee of meer wielen on"},{"b":"Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=3) en [8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8), In aanmerking nemende dat de Autoriteit Persoonsgegevens, gelet op het bepaalde in [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), inzicht wenst te geven in zijn openbaarmakingsbeleid met het oog op de hem in [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51) en [52 Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=52) opgedragen toezichthoudende en adviserende taken, Stelt de gewijzigde Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens vast en trekt de geldende [Beleidsregels actieve openbaarmaking door het CBP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034173) in: 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Autoriteit Persoonsgegevens:* het College bescherming persoonsgegevens, genoemd in [artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51) (Wbp); - b. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. *(bedrijfs)vertrouwelijke gegevens:* gegevens zoals bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=10) (Wob); - d. *belanghebbende:* degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken zoals bedoeld in [artikel 1:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2). - e. *bestuurlijke boete:* de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom als bedoeld in [artikel 5:40 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2); - f. *bindende aanwijzing:* een aanwijzing als bedoeld in [artikel 66, derde lid, Wbp]"},{"b":"Beleidsregels openbaarmaking informatie over vergunningen en vergunninghouders Kansspelen op afstand (Beleidsregels openbaarmaking VVKOA), kenmerk 01.243.714 Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *raad van bestuur:* raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - – *vergunning:* vergunning als bedoeld in [artikel 31a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - – *wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Openbaarmaking 1. De raad van bestuur maakt openbaar: - a. de vergunning en de wijziging van de vergunning, waaronder mede wordt verstaan de intrekking en schorsing van de vergunning; - b. de bij de vergunning behorende aanvullende voorschriften en wijzigingen daarvan; - c. de bij de vergunning behorende domeinnamen, merknamen en applicatienamen. 2. De raad van bestuur maakt de motivering van de bij de vergunning behorende aanvullende voorschriften niet openbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregels worden met de toelichting gepubliceerd in de Staatscourant en treden in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels openbaarmaking VVKOA."},{"b":"Beleidsregels proefplaatsing UWV 2023 Artikel 1. Algemene begrippen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Inlener:* iedere natuurlijke of rechtspersoon die een persoon onder zijn leiding en toezicht in het kader van een uitzend- of detacheringovereenkomst werkzaamheden laat uitvoeren; - b. *Proefplaatsing:* het verrichten van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaatsing door een uitkeringsgerechtigde bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de uitkeringsgerechtigde in arbeid bij deze werkgever te bevorderen; - c. *Startkwalificatie:* een mbo-diploma op niveau 2 of hoger of een havo- of vwo-diploma. - d. *Uitzendbeding:* een bepaling als bedoeld in [artikel 7:691, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691); - e. *Uitkeringsgerechtigden:* personen die al dan niet gedeeltelijk recht hebben op een uitkering op grond van de [WW-](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), [Wet Wia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) of [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), dan wel recht hebben op arbeidsondersteuning als bedoeld in [artikel 2:15 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:15); - f. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Doelgroep van de proefplaatsing UWV kan toestemming voor proefplaatsing verlenen aan de volgende uitkeringsgerechtigden: - a. ZW-gerechtigden; - b. WW-gerechtigden; - d. arbeidsongeschikten. Artikel 3. Voorwaarden voor proefplaatsing De proefplaatsing moet aan de volgende voorwaarden voldoen: - a. De werkzaamheden op de proefplaats"},{"b":"Beleidsregels projectsubsidie ontwikkeling imamopleidingen Artikel 1. Doelomschrijving De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie kan besluiten tot verlening van een subsidie ten behoeve van de ontwikkeling van een curriculum van een theologische opleiding voor islamitisch geestelijke bedienaren (imams) en/of islamitisch geestelijke verzorgers en een daarbij behorend beroepsprofiel. Artikel 2. Projectbudget 1. Ten behoeve van de realisatie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018218&artikel=1&z=2005-04-30&g=2005-04-30) bedoelde curriculum en het bijbehorende beroepsprofiel is een projectbudget beschikbaar van € 400.000,–. 2. Het projectbudget is bestemd voor de ontwikkeling van een curriculum, voor de activiteiten van de adviescommissie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018218&artikel=4&z=2005-04-30&g=2005-04-30), voor een eventuele kwartiermaker als bedoeld in [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018218&artikel=5&z=2005-04-30&g=2005-04-30), en een afsluitende conferentie in december 2005. Artikel 3. Randvoorwaarden 1. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018218&artikel=1&z=2005-04-30&g=2005-04-30) bedoelde curriculum en beroepsprofiel dient te worden ontwikkeld in de periode vanaf verlening van de subsidie tot uiterlijk 31 december 2005. 2. Projectvoorstellen komen niet voor subsidieverlening in aanmerking indien: - a. voor de opleiding overwegend docenten van buiten Nederland aangetrokken zullen worden; - b. de opleiding zich overwegend zal richten op studenten vanuit het buitenland; - c. de voertaal in de opleiding niet overwegend Nederlands zal zijn; - d. de lessen in de opleiding niet overwegend in de Nederlandse taal worden gegeven; - e. de aanvrager van de subsidie een bekostigde universiteit is; - f. sprake is van een betrokkenheid (inhoudelijk en/of financieel) vanuit het buitenland. 3. De opleiding dient in het jaar 2006 te starten. Artike"},{"b":"Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het protocol als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0029512) bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018198) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011."},{"b":"Beleidsregels Protocollaire Basisadministratie Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Buitenlandse Zaken; - b. PROBAS: de geautomatiseerde basisadministratie met persoonsgegevens over geprivilegieerden; - c. geprivilegieerden: leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten, de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en van consulaire posten, de inwonende gezinsleden van de hiervoor bedoelde personen en andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben, niet zijnde Nederlanders, en Nederlanders dan wel personen die op grond van de Vreemdelingenwet in Nederland verblijf hebben en werkzaam zijn bij internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen; - d. DPG: de Directie Protocol en Gastlandzaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - e. afnemer: een bestuursorgaan; - f. derde: elke andere persoon of instelling dan een afnemer en de geprivilegieerde. Artikel 2. PROBAS 1. De Minister is ten aanzien van PROBAS de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, onder 7, van de Algemene verordening gegevensbescherming. 2. DPG is ten aanzien van PROBAS de beheerder aan wie het feitelijk beheer en de bevoegdheden van de Minister ten aanzien van de verwerkingen van persoonsgegevens van geprivilegieerden zijn gemandateerd. Artikel 3. Doel PROBAS heeft tot doel: - a. de naleving te bevorderen van de verdragsverplichtingen en de verplichtingen uit internationale overeenkomsten daaronder begrepen de rechten en plichten van geprivilegieerden, en - b. de afnemers te voorzien van de persoonsgegevens, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014172&artikel=4&z=2019-02-08&g=2019-02-08), voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers. Artikel 4. Soorten opgenomen persoonsgegevens PROBAS omvat de volgende persoonsgegevens van geprivi"},{"b":"Beleidsregels RCN-unit SZW uitvoering Wav BES 1. Inleiding In de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Wav BES) is bepaald op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de lokale arbeidsmarkt zal plaatsvinden. Doel van de Wav BES is de bescherming van de lokale arbeidsmarkt, het tegengaan van verdringing van lokale arbeidskrachten en het tegengaan van illegale tewerkstelling. Doordat een tewerkstellingsvergunning voor werknemers van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen wordt afgegeven als geen lokaal aanbod aanwezig is, krijgen lokale arbeidskrachten de kans om te gaan werken en in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast moet de Wav BES de arbeidsverhoudingen beschermen en oneerlijke concurrentie tegengaan door te borgen dat arbeidsmigranten marktconform beloond worden en ten minste het minimumloon ontvangen. De Wav BES is een van de instrumenten om illegale tewerkstelling te voorkomen en te bestrijden. Kern van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=2), waarin staat dat het een werkgever verboden is een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Om omzeiling van het werkgeverschap te voorkomen, hanteert de wetgever een ruim werkgeversbegrip. In [artikel 1, onder b van de Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=1) is een werkgever gedefinieerd als: - a) degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; of - b) de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) geldt hiermee zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen. Het ruime werkgeversbegrip uit zich ook daarin dat het niet uitmaakt in welke (juridische) vorm of in welke verhouding de arbeid uitgeoefend wordt of waar de w"},{"b":"Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2026 Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *Arbeidsmarktrelevant:* De scholing draagt bij aan de invulling van de vraag naar arbeidskrachten op de arbeidsmarkt in loondienst of voorziet in het verwerven van een inkomen als zelfstandig ondernemer. - *Bemiddelingsberoep of functie:* het kansrijke beroep of functie waarnaar de cliënt bemiddeld wordt en dat past bij de vaardigheden en kwaliteiten van de cliënt. - *CREBO:* Centraal register Beroepsopleidingen; in dit register staan de door Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) erkende Mbo-opleidingen. - *Certificaat of Diploma:* Een bewijs waaruit blijkt dat de scholing: Uit dit bewijs blijkt dat een cliënt met goed gevolg heeft deelgenomen aan de scholing. - – Of is erkend door de Minister van OCW (CREBO, CROHO), afgegeven door een organisatie dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt dan wel verband houdt met onderdelen van een door de Minister van OCW vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding; - – Of is afgegeven door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF betreffende een ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NLQF-register; - – Of is afgegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau of een examenaanbieder die is opgenomen in het CRKBO-register of een vergelijkbaar keurmerk; - – Of is erkend door een landelijke branchesector, dan wel verband houdt met branchestandaarden of branchekwalificaties die worden gebruikt binnen sectoren en branches om de eisen die aan vakbekwame medewerkers worden gesteld aan te geven. - *Cliënt:* Een persoon aan wie een uitkering op grond van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), [Wet WIA]"},{"b":"Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 Artikel 1. Definities 1. Dit besluit verstaat onder: - a. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. schorsing: het tijdelijk stopzetten van de uitbetaling van een lopende uitkering; - c. opschorting: het tijdelijk niet uitbetalen van een uitkering die is toegekend maar waarvan nog geen uitbetaling heeft plaatsgevonden; - d. intrekking: het besluit een uitkering te beëindigen met ingang van een daarbij aangegeven dag; - e. herziening: het besluit een uitkering te verlagen met ingang van een daarbij aangegeven dag; - f. WW: [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - g. ZW: [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - h. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - i. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - j. Waz: [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - k. Wet Wajong: [Wet werk en arbeidondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - l. WAZO: [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008); - m. TW: [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - n. Wet IOW: [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394). 2. In dit besluit wordt onder uitkering tevens verstaan: ziekengeld ingevolge de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), inkomensondersteuning ingevolge de [Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) en toeslag ingevolge de [TW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043). 3. In dit besluit wordt onder verzekerde tevens verstaan: de werknemer ingevolge de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de jonggehandicapte ingevolge de [Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"b":"Beleidsregels ter overneming Beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen voor de premieheffing werknemersverzekeringen in het jaar 2005 Artikel 1 De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=1&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen gelden, voorzover deze het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) betreffen waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, in het jaar 2005 geheel voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 2 De in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=2&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen gelden, voorzover deze het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) betreffen waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, in het jaar 2005 gedeeltelijk voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 3 De in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=3&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen over het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, gelden in het jaar 2005 niet voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005."},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2011 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *regio:* regio zoals genoemd in de Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2008, nr. Z/VU-2892517, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 1067, 28 november 2008; - b. *budgethouder:* houder van een persoonsgebonden budget krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2011 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2011 een totaal bedrag van 155,483 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren. 2. Het college stelt in januari 2011 voor ieder verbindingskantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029456&paragraaf=2&artikel=3&z=2012-01-20&g=2012-01-20), genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een bedrag van 24,100 miljoen euro op basis van een bedrag van € 180,92 per budgethouder en 133.208 budgethouders op 30 juni 2011; - b. een bedrag van 4,893 miljoen euro op basis van een gelijk bedrag per verbindingskantoor; - c. een bedrag van 1,779 miljoen euro voor vier verbin"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2012 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. regio: regio zoals genoemd in de [Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030432), nr. Z/M-3074617, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 16602, 16 september 2011; - b. budgethouder: verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget is verleend krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). Het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget keert het college uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2012 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2012 een totaal bedrag van 162,550 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren. 2. Het college stelt in januari 2012 voor ieder verbindingskantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031226&paragraaf=2&artikel=3&z=2013-02-13&g=2013-02-13), genoemde totaalbedrag, verminderd met een bedrag van 6,000 miljoen euro, als volgt"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2013 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *regio:* regio zoals genoemd in de [Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031940) van 22 augustus 2012 nr. Z-3123635 houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 17683, 31 augustus 2012; - b. *budgethouder:* verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget is verleend krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. *nieuwe budgethouder:* een budgethouder aan wie op of na 1 januari 2013 een PGB wordt verstrekt; - d. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 1. Het college keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). 2. In afwijking van de in het eerste lid genoemde voorschotregeling, kan het CVZ de bevoorschottingstermijnen waar nodig aanpassen. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2013 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2013 een bedrag van 162,406 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren. 2. Het college stelt in januari 2013 voor ieder verbindingskantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032883&paragraaf=2&artikel=3&z=2014-02-20&g=2014-02-20), genoemde totaalbedrag"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2014 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *regio:* regio zoals genoemd in de [Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034132), kenmerk 152108-110428-Z houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 30391, 1 november 2013; - b. *budgethouder:* verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget is verleend krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. *nieuwe budgethouder:* een budgethouder aan wie op of na 1 januari 2014 een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; - d. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1) - e. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van zorgkantoren; - f. *bewuste-keuze-gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedereen die een PGB aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een PGB. Artikel 2 1. Het Zorginstituut Nederland keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2014 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). 3. Zorginstituut Nederland verdeelt voor het jaar 2014 een totaal bedrag van 214,320 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgkantoren. 3. In afwijking van de [Regeling voorschotregeling op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880) kan het Zorginstituut Nederland d"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten voor Wlz-uitvoerders Wlz 2015 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036415); - c. *Wlz-uitvoerder:* een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - d. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland. Artikel 2 1. Het Zorginstituut keert het voorlopig vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). 2. Het Zorginstituut verdeelt in het jaar 2015 een totaalbedrag van ten hoogste 78,529 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de Wlz-uitvoerders. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2015 Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in januari 2015 voor iedere Wlz-uitvoerder, anders dan in de hoedanigheid van zorgkantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor het kalenderjaar 2015 ten laste van het Fonds langdurige zorg (Flz). Artikel 4 Het Zorginstituut verdeelt het in de Aanwijzing voor de Wlz-uitvoerders bestemde totaalbedrag over de Wlz-uitvoerders als volgt: - a. een bedrag van 1.394.667 euro op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. een bedrag van 66.859.332 euro op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), waarbij verzekerden, die op 1 juli 2015 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen; - c. een bedrag van ten hoogste 10,000"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015 voor zorgkantoren § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036415); - c. *regio:* één van de regio’s zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987&artikel=1), houdende de aanwijzing van de zorgkantoren, Staatscourant 2014 nr. 36313, 18 december 2014; - d. *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. *nieuwe budgethouder:* een budgethouder aan wie op of na 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget voor de eerste keer wordt verleend; - f. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van zorgkantoren; - g. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland. Artikel 2 1. Het Zorginstituut keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2015 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). 2. Het Zorginstituut verdeelt over het jaar 2015 een totaalbedrag van 75,757 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgkantoren. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2015 Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in februari 2015 voor ieder zorgkantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Fonds langdurige zorg. Artik"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017 voor de Sociale Verzekeringsbank Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *SVB:* Sociale verzekeringsbank; - c. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111); - d. *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - e. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland. Artikel 2 Het Zorginstituut keert het ten behoeve van de SVB voorlopig vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2017 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in april 2017 een voorlopig beheerskostenbudget van 23,700 miljoen euro vast voor de SVB ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Fonds langdurige zorg. Artikel 4 1. Het Zorginstituut stelt uiterlijk in 2019 het beheerskostenbudget voor de SVB definitief vast met inachtneming van de [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039430) en de [Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040233). 2. Het Zorginstituut betaalt het verschil tussen het bedrag van het definitief vastgestelde en het voorlopig vastgestelde beheerskostenbudget in geval van een positief saldo voor de SVB uit. Indien het verschil tot een negatief saldo voor de SVB leidt, vordert het Zorginstituut het verschil in. Artikel 5 Deze bele"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019 § 1. Algemeen Artikel 1 In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041753); - – *beheerskostenbudget:* Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) ten laste van het Fonds langdurige zorg; - – *bewuste-keuze gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - – *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - – *huisbezoek:* bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *Nadere aanwijzing:* [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042285) - – *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - – *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - – *regio:* een regio zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424&artikel=1), Staatscourant 2015 nr. 47359, 24 december 2015; - – *SVB:* Sociale Verzekeringsbank;"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz-uitvoerders Wlz 2016 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037633); - c. *Wlz-uitvoerder:* een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - d. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland; - e. *Nadere aanwijzing:* [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038983). Artikel 2 1. Het Zorginstituut Nederland keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor Wlz-uitvoerders over het jaar 2016 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). 2. Het Zorginstituut verdeelt voor het kalenderjaar jaar 2016 een totaalbedrag van 78,016 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de Wlz-uitvoerders ten laste van het Fonds langdurige zorg. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2016 Artikel 3 1. Het Zorginstituut stelt in maart 2016 voor iedere Wlz-uitvoerder, anders dan in de hoedanigheid van zorgkantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor het kalenderjaar 2016. 2. Het Zorginstituut verdeelt het in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037743&paragraaf=1&artikel=2&z=2017-04-12&g=2017-04-12) genoemde totaalbedrag ten behoeve van de voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget als volgt over de Wlz-uitvoerders: - a. een bedrag van 1,418 miljoen euro op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz; - b. een bedrag van 0,400 miljoen euro"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz-uitvoerders Wlz 2017 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111); - c. *Wlz-uitvoerder:* een rechtspersoon als bedoel bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - d. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - e. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland; - f. *Nadere aanwijzing:* [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039430); - g. *Tweede nadere aanwijzing:* [Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040233). Artikel 2 Het Zorginstituut keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor Wlz-uitvoerders over het jaar 2017 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2017 Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in februari 2017 voor iedere Wlz-uitvoerder een voorlopig beheerskostenbudget vast ten laste van het Fonds langdurige zorg. Artikel 4 Het Zorginstituut verdeelt het bedrag dat in [artikel 2 van de Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111&artikel=2) voor de taken op grond van [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) beschikbaar is gesteld als volgt over de Wlz-uitvoerders: - a. een bedrag van 1.422.667 euro op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 1 juli 2016 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. een bedrag van 2.845."},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgkantoren Wlz 2016 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037633); - c. *regio:* één van de regio’s zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424&artikel=1), Staatscourant 2015 nr. 47359, 24 december 2015; - d. *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - f. *bewuste keuze gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget. - g. *huisbezoek:* bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten. - h. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424); - i. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland; - j. *Meerzorg:* recht op zorg op basis van de regeling bedoeld voor cliënten die, gezien hun behoeften aan zorg meer zorg nodig"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgkantoren Wlz 2017 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111); - c. *regio:* een regio zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424&artikel=1), Staatscourant 2015 nr. 47359, 24 december 2015; - d. *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - f. *bewuste keuze gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - g. *huisbezoek:* bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - h. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424); - i. *Meerzorg:* recht op zorg op basis van de regeling bedoeld voor cliënten die, gezien hun behoeften aan zorg meer zorg nodig hebben dan vanuit het zorgprofiel gefinancierd kan worden"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2011 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019198). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2011 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2011 een totaal bedrag van 6,390 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2011 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2011 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt een bedrag van 3,890 miljoen euro als volgt: - a. een derde deel van het bedrag, welk deel betrekking heeft op de op verzekerden gerichte administratiedelen, verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - b. twee derde deel van het bedrag, welk deel betrekking heeft op de op de zorg gerichte administratiedelen, verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)."},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2012 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *zorgverzekeraar:* een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003165&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). Het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget keert het college uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2012 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2012 een totaal bedrag van 8,799 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2012 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2012 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031225&paragraaf=2&artikel=3&z=2013-02-13&g=2013-02-13) genoemde totaalbedrag, verminderd met 4,800 miljoen euro, als volgt: - a. Een bedrag van 1,333 miljoen euro verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - b. Een bedrag van 2,666 miljoen euro verdeelt het college over"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2013 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2013 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2013 een totaal bedrag van 4,108 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2013 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2013 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032882&paragraaf=2&artikel=3&z=2013-02-13&g=2013-02-13) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een derde deel van het bedrag verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de AWBZ; - b. twee derde deel van het bedrag verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de AWBZ. Daarbij tellen verzekerden, die op 1 juli 2012 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel. Artikel 5 Ter vaststelling van de beheerskostenbudgetten"},{"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2014 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *zorgverzekeraar:* een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1); - c. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van zorgkantoren; - d. *Wlz-uitvoerder:* rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.1.1 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1). Artikel 2 1. Het Zorginstituut Nederland keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). 2. Zorginstituut Nederland verdeelt over het jaar 2014 een totaalbedrag van 4,567 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de Wlz-uitvoerders. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2014 Artikel 3 Het college stelt in januari 2014 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2014 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Zorginstituut Nederland verdeelt het in de [Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987) voor de Wlz-uitvoerders bestemde totaalbedrag, verminderd met 390.000 euro, als volgt: - a. een derde deel van het bedrag verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan mak"},{"b":"Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert bij de toepassing van [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) en [artikel 24, vijfde lid WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24), een beleid als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0020336) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006. Artikel 3 Het [Besluit vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009312), het Besluit wet Flexibiliteit en zekerheid en recht op WW, en de Mededelingen M 98.06, M 98.119 en M 01.026, van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006."},{"b":"Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert ter zake van de uitvoering van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [27 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27) en het overgangsrecht met betrekking tot deze artikelen, zoals dat is neergelegd in [artikel 130o WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130o), een beleid als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0020335) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006, met uitzondering van paragraaf 5. Deze paragraaf treedt in werking op 1 januari 2007. Artikel 3 Het Besluit verweer tegen ontslag en Mededeling M 96.87b d.d. 21 juni 1996, van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006."},{"b":"Beleidsregels Toepassing Wet Bibob door De Nederlandsche Bank Paragraaf 1. Inleidende bepalingen *DNB is bij algemene maatregel van bestuur aangewezen als rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 2 van de Wet Bibob en is daarmee bevoegd tot het doen van een Bibob onderzoek. De Wet Bibob stelt DNB in staat zich – voor zover mogelijk – te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd bij het gunnen van opdrachten en het aangaan van vastgoedtransacties. Bij toepassing van de Wet Bibob wordt de integriteit van de contractspartij en de bij de transactie betrokken (rechts)personen beoordeeld.* Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: - a) *Aanbesteding:* een selectieprocedure waarbij marktpartijen kunnen meedingen naar een opdracht van DNB; - b) *Bibob advies:* het advies als bedoeld in [artikel 9 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - c) *Beleidsregels:* de onderhavige beleidsregels; - d) *Bibob beslissing:* beslissing van DNB op basis van het Bibob-onderzoek; - e) *Betrokkene:* de gegadigde, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een opdracht is of zal worden gegund, met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of een onderaannemer; - f) *Bibob onderzoek;* een Eigen onderzoek verricht door DNB op grond van de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) al dan niet gevolgd door een onderzoek door het Bureau Bibob; - g) *Bibob vragenformulier:* het formulier als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder c, van de Regeling Bibob-formulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033634&artikel=2); - h) *Bureau Bibob:* het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; - i) *DNB:* De Nederlandsche Bank; - j) *Eigen onderzoek:* een onderzoek verricht door DNB zelf, waarbij de daartoe beschikbare onderzoeksmiddelen zoals genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/"},{"b":"Beleidsregels toetsing eindtermen praktijkopleiding Regels Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *Aanbieders:* de RPO en het geheel van de stagebureaus, opleidingsplaatsen, onderwijsinstellingen en andere serviceorganisaties die middels (onder)mandaat en machtiging van de NBA verantwoordelijk zijn voor het (ten dele) uitvoeren (van de opleidingsoriëntaties) van de praktijkopleiding; - b. *Aanwijzing:* een last tot het verrichten van bepaalde handelingen die erop gericht zijn het beleid en/of de uitvoering van de praktijkopleiding zodanig aan te passen dat deze voldoen aan de eindtermen voor de praktijkopleiding; - c. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - d. *Basisset van informatie:* een periodiek set van informatie die CEA minimaal nodig acht om te toetsen of de praktijkopleiding aan de eindtermen voldoet; - e. *Actoren:* functionarissen betrokken bij de begeleiding, toetsing en examinering van de trainees of de kwaliteitscontrole en -borging van de praktijkopleiding; - f. *Eindtermen:* de normen zoals bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onder a Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) waarin is vastgelegd welke kennis, vaardigheden en gedrag onderdeel moeten vormen van een accountantsopleiding; - g. *CEA:* Commissie Eindtermen Accountantsopleiding als bedoeld in [artikel 49, eerste lid Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - h. *Stelsel van kwaliteitsbeheersing:* stelsel van kwaliteitsbeheersing bestaande uit regelgeving, voorschriften, vastgestelde (beleids)kaders, controleerbare processen en procedures met als doel de eindtermen van de praktijkopleiding te borgen; - i. *Praktijkopleiding:* (de opleidingsoriëntaties van) de praktijkopleiding (tot AA of RA) als bedoeld in [artikel 47 Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47), onderdeel van de opleiding tot accountant zoals bepaald in [artikel 46 Wab](h"},{"b":"Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 1. Doel van verplichtstelling Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. De Minister van SZW ondersteunt met het instrument van verplichtstelling deze verantwoordelijkheid van sociale partners en het sluit aan op het streven van het kabinet naar een situatie waarin witte vlekken op het terrein van de aanvullende pensioenen niet langer voorkomen. Door een besluit tot verplichtstelling wordt de deelname in een bedrijfstakpensioenfonds (verder: bpf) voor iedereen in een omschreven bedrijfstak verplicht. De verplichtstelling levert hierdoor een belangrijke bijdrage aan de verkleining van de witte vlekken. 2. Reikwijdte van de verplichtstelling In de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) (Wet Bpf 2000) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen ([artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2)). Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn ongeorganiseerden niet gebonden aan arbitrale bedingen in de pensioenregeling van het bpf. Statutaire werkingssfeer Een bpf heeft een statutaire werkingssfeer. Het hoeft echter niet deze hele statutaire werkingssfeer te zijn waarvoor de verplichtstelling geldt. De verplichtstelling kan ook worden aangevraagd voor een deel van die statutaire werkingssfeer. Omschrijving van de werkingssfeer van de verplichtstelling Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door sociale partners. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Ongeorganiseerden moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in het verplichtgestelde bpf. De"},{"b":"Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie Het Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling (Toetsingskader Wvb) is na de inwerkingtreding van de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) (Wvb) ingevoerd per 1 september 2006. Beroepsgenoten, belanghebbenden en derden krijgen via het Toetsingskader Wvb inzicht in de criteria waaraan aanvragen om verplichtstelling en ook om wijziging of intrekking ervan, worden getoetst evenals in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wvb. 1. Doel van de verplichtstelling Met de verplichtstelling wordt tegemoetgekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de [Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) opgenomen. 2. Reikwijdte van de verplichtstelling In [artikel 5, tweede lid, Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=5) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling. Werkingssfeer Eisen aan de omschrijving van de werkingssfeer Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door de beroepspensioenvereniging. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspe"},{"b":"Beleidsregels uitgifte bedrijfsnummers In het kader van een snelle behandeling van aanvragen, efficiënt nummerbeheer en het tegengaan van nummerhandel hanteert Autoriteit Consument en Markt de volgende regels bij de uitgifte van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen (kortweg: bedrijfsnummers): - 1. voor aanvragen van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen moeten aanvragers gebruik maken van het aanvraagformulier voor nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen; - 2. aanvragers kunnen in hun aanvraag eenmalig hun voorkeur voor bepaalde nummers kenbaar maken. Wijzigingen en/of aanvullingen van voorkeuren worden door Autoriteit Consument en Markt niet gehonoreerd; - 3. uitgifte van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen vindt plaats in blokken van tenminste honderd aaneengesloten nummers waarvan het eerste nummer eindigt met de cijfers 00. Dit houdt in dat ook aanvragers voor een kleinere hoeveelheid dan honderd nummers een aaneengesloten blok van honderd nummers krijgen toegewezen; - 4. de hoofdregel bij de uitgifte van aanvragen voor meer dan honderd nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen is dat dit zoveel mogelijk plaatsvindt in aaneengesloten reeksen. Aanvragers met een voorkeur voor een niet aaneengesloten reeks moeten bij hun aanvraag deze voorkeur toelichten. Autoriteit Consument en Markt kan op grond van het belang van een aanvrager van de hoofdregel afwijken en niet aaneengesloten reeksen uitgeven in het geval de aanvrager in zijn toelichting aannemelijk maakt dat op die manier zijn huidige interne nummerplan zoveel mogelijk kan worden gehandhaafd. Voor aanvragen voor minder dan honderd nummers wijst Autoriteit Consument en Markt alleen aaneengesloten blokken van honderd nummers toe. - 5. de in tabel 1 genoemde nummerblokken worden slechts als blokken van 10.000 nummers uitgegeven aan aanvragers die deze hoeveelheid nummers nodig hebben. Aanvragen voor minder dan 10.000 nummers worden"},{"b":"Beleidsregels uitgifte en beheer van nummers met bestemming mobiele telefonie (Uitgiftebeleid mobiele nummers OPTA 2011) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels verstaat de Autoriteit Consument en Markt onder: - *Mobile Global Title (MGT):* internationale standaard voor het doorgeven van IMSI-nummers zoals beschreven in ITU Aanbeveling E.214 ‘Structure of the land Mobile Global Title for the signalling connection control Part (SCCP)’. § 2. Bepalingen met betrekking tot de uitgifte en beheer Artikel 2 De Autoriteit Consument en Markt kent mobiele nummers alleen toe aan aanvragers die: - a. aantoonbaar beschikken over een geldende licentie voor de betreffende Nederlandse radiofrequenties voor mobiele communicatie, of - b. aantoonbaar beschikken over een rechtsgeldige overeenkomst met een aanbieder die het recht heeft van de betreffende Nederlandse radiofrequentie gebruik te maken. Artikel 3 Bij de beoordeling van een vervolgaanvraag voor mobiele nummers betrekt de Autoriteit Consument en Markt de manier waarop de aanvrager zijn bedrijfsprocessen heeft ingericht en of deze tot een efficiënt gebruik van eerder toegekende en nog toe te kennen nummers leidt. Artikel 4 1. ACM kent mobiele nummers toe in blokken van een veelvoud van minimaal 10.000 nummers, ongeacht welke aanbieder naastgelegen nummerblokken toegekend heeft gekregen. 2. Bij de toekenning bedoeld in het eerste lid concentreert ACM de toegekende blokken van 10.000 nummers in zo min mogelijk blokken van 100.000 nummers. 3. Bij de toekenning bedoeld in het eerste lid concentreert ACM de toegekende blokken van 100.000 nummers in zo min mogelijk blokken van 1.000.000 nummers. Artikel 5 De cijfers en de lengte van de MGT van nummerhouders die een eigen MGT gebruiken, dient in overeenstemming zijn met de door de Autoriteit Consument en Markt aan hen toegekende nummers met mobiele bestemming in die zin dat: - a. voor nummerhouders aan wie ten minste een aaneengesloten blok met een grootte van 1.000.00"},{"b":"Beleidsregels uitvoering Regeling beëindiging veehouderijtakken Artikel 1 1. Dit besluit bevat beleidsregels die door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden toegepast bij overtreding van de voorwaarden welke van toepassing zijn op het verlenen van subsidie op grond van de [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234). 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. regeling: [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234); - b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. aanvrager: degene die overeenkomstig [paragraaf 5 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&paragraaf=5) een aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend. Artikel 2 Indien niet is voldaan aan [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=7), in samenhang met [artikel 27, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=27), wordt het totale subsidiebedrag met 10 procent verminderd. Artikel 3 Indien niet is voldaan aan [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=7), wordt de subsidieverlening ingetrokken. Artikel 4 1. Indien niet is voldaan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde voorwaarde dat de gebouwen zijn afgebroken, zullen de desbetreffende gebouwen alsnog binnen een door de minister te stellen termijn moeten worden afgebroken. Het deel van het subsidiebedrag op grond van [artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 4° en 5°, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=14) dat betrekking heeft op de nog niet afgebroken gebouwen, wordt op nihil vastgesteld. 2. Indien de gebouwen niet binnen de op grond van het eerste lid gestelde termijn alsnog worden afgebroken, wordt het restant van het deel van het subsidiebedrag op"},{"b":"Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 Artikel 1. Definities IIIn dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *dagloon:* het dagloon, bedoeld in het [Dagloonbesluit werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033471); - c. *gemiddeld aantal arbeidsuren:* het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16); - d. *arbeidsverleden:* de kalenderjaren op basis waarvan de uitkeringsduur wordt bepaald, zoals bedoeld in [artikel 42 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [artikel 15 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15); - e. *wekeneis:* het aantal kalenderweken dat de werknemer gewerkt moet hebben, om in aanmerking te komen voor het recht op uitkering, zoals bedoeld in [artikel 17 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17) en [artikel 58 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=58); - f. *verrekenen van inkomsten:* het geheel of gedeeltelijk niet uitbetalen van uitkering als bedoeld in de [artikelen 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44), [artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=58) en [artikel 3:48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:48) en het korten van inkomen als bedoeld in de [artikelen 31 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=31), [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=21), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen REA-voorzieningen 2004 Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen als bedoeld in de artikelen 16, 22 en 31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, worden met ingang van 1 maart 2004 vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de kilometervergoedingen volgens de code's C11, C13, C21-II, C25-I, C25-II en C25-V op basis van maximaal de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode “snelste route” en op basis van volledige postcodes. 2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de aftrek, als bedoeld onder de code's C26-I en C26-II, vast op basis van maximaal de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode “snelste route” en op basis van volledige postcodes. 3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de uurvergoeding met code E17 bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties of - b. een half uur in overige situaties. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt vergoed in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur - b. 130% op zaterdag tussen 06.00 en 22.00 uur - c. 140% op maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 06.00 uur - d. 145% op zondagen en algemeen erkende feest- of gedenkdagen. 5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de kilometervergoedingen volgens de code's E17-A1 t/m -A3 op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode 'snelste route' en op basis van volledige postcodes. 6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de vergoeding, bedoeld in het vierde lid, bij een reisafstand van minimaal tien kilometer en van maximaal 220 kilometer. 7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in het vijfde lid ten aanzien van het m"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2008 Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – de [artikelen 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34), en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - – [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - – [artikel 59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), - – [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - – [artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.17), worden met ingang van 1 januari 2008 vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023061) bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 3. De uurvergoeding met code E17 wordt verstrekt bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste maximumvergoeding verstrekt per dagdeel of verlengd dagdeel. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt verhoogd in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag t"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009 Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – de [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - – [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - – [artikel 59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), - – [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0025178) bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 3. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties. In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste vergoeding verstrekt per twee klokuren. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt verhoogd in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 2"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2010 Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - – [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - – de [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22), [2:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23) en [3:64 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:64), - – [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0027068) bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers afgerond naar boven, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers afgerond naar boven, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. Artikel 3 1. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste vergoeding verstrekt per twee klo"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2011 Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - – [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - – [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0029682) bij dit besluit. Artikel 2. : Uurvergoeding doventolken 1. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van één kwartier in alle voorkomende situaties. 2. Voor opdrachten in het onderwijs wordt de vergoeding per uur als volgt gedifferentieerd: - – In wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs: 105% van het normbedrag E17-1 en E17-3 - – In het middelbaar (beroeps) onderwijs: 100% van he"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2012 Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - − [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - − [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - − [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - − [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - − [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031174) bij dit besluit. Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometervergoedingen volgens de normbedragen C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’, op basis van volledige postcodes en per enkele reis afgerond naar boven op de eerstvolgende hele kilometer. 2. De aftrek, als bedoeld onder de normbedragen C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op de wijze als in het eerste lid aangegeven. Arti"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2013 Hoofdstuk 1. : Wettelijk kader Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen als bedoeld in: - – [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), - – [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15b) en [18 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=18), - – [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=7) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0032872) bij dit besluit. Hoofdstuk 2. : Vervoersvoorzieningen algemeen Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometer"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014 Hoofdstuk 1. Wettelijk kader Artikel 1. Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), - – [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15b) en [18 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=18), - – [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=7) en [8 van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034890) bij dit Besluit. Artikel 2. Algemene begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - – *Voorziening:"},{"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2e halfjaar 2011 Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - – [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a)en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - – [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - – [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - – [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - – [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030325) bij dit besluit. Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometervergoedingen volgens de normbedragen C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’, op basis van volledige postcodes en per enkele reis afgerond naar boven op de eerstvolgende hele kilometer. 2. De aftrek, als bedoeld onder de normbedragen C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op de wijze als in het eerste lid aange"},{"b":"Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. *Wet SUWI:* [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). - 2. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). - 3. *UWV Kennisagenda:* UWV-brede agenda die periodiek op uwv.nl verschijnt en inzicht geeft in het onderzoek en de kennisontwikkeling die binnen UWV plaatsvindt. - 4. *Subsidie:* een subsidie ten behoeve van onderzoek als bedoeld in [artikel 32b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b). - 5. *Subsidiethema:* onderwerp ten behoeve waarvan onderzoeksinstellingen aanvragen voor onderzoekssubsidie kunnen indienen. - 6. *Project:* het onderzoek dat de onderzoeksinstelling met subsidie wil gaan uitvoeren of een afgebakend deel daarvan. - 7. *Aanvrager:* een instelling of organisatie als bedoeld in [artikel 32b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b). - 8. *Themabesluit:* besluit waarin een subsidiethema en het bijbehorende maximale subsidiebedrag per project en voor het thema als geheel wordt vastgesteld en waarin eventuele aanvullende eisen zijn opgenomen. - 9. *Beoordelingscommissie:* vertegenwoordigers van UWV en van externe stakeholders die gezamenlijk bijdragen aan het opstellen van subsidiethema’s en beoordelingen van subsidieaanvragen. - 10. *Begeleidingscommissie:* vertegenwoordigers van externe stakeholders, eventueel aangevuld met inhoudelijke deskundigen van UWV, die gezamenlijk de kwaliteit en voortgang van het project bewaken. - 11. *Startnotitie:* bijlage bij het themabesluit waarin de context, probleemstelling en beoordelingscriteria van het subsidiethema nader worden toegelicht. Artikel 2. Subsidiethema’s 1. UWV stelt een subsidiethema vast op basis van kennisthema’s die in de UWV Kennisagenda zijn gepubliceerd o"},{"b":"Beleidsregels UWV pilot participatiebudget Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. netto persoonsgebonden budget: een subsidie als bedoeld in [artikel 2.6.1, onderdeel f, van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&artikel=2.6.1); - b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. werkvoorziening: een voorziening als bedoeld in [artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35); - d. zorgkantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2. Personen die in aanmerking komen voor subsidie UWV kan op aanvraag in plaats van een werkvoorziening subsidie verlenen aan de persoon: - a. aan wie een netto persoonsgebonden budget is verleend; - b. aan wie door UWV een werkvoorziening is toegekend, en - c. die woonachtig is in de regio’s Groningen, Twente, Arnhem, Nijmegen of Noord en Midden Limburg genoemd in bijlage 2 van de beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2005, Z/VU-2643638, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Stcrt. 2005, 245, zoals deze is gewijzigd bij besluit van 30 juli 2007, Stcrt. 2007, 150. Artikel 3. Verplichtingen subsidieontvanger 1. Bij de subsidieverlening gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: - a. de subsidieontvanger bewaart betaalde facturen gedurende zeven jaar en stelt deze desgevraagd ter beschikking van UWV en het zorgkantoor; - b. de subsidieontvanger deelt het zorgkantoor op diens verzoek en uit eigen beweging onverwijld alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duid"},{"b":"Beleidsregels UWV pilot plaatsingssubsidie Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. *school:* een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=10f) dan wel een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor voortgezet speciaal onderwijs of een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - c. *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1); - d. *leerling:* een leerling met een structurele functionele beperking en met een indicatiestelling voor het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; - e. *plaatsing:* er is sprake van een plaatsing indien en voorzover sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van tenminste 19 uur in reguliere arbeid, niet zijnde arbeid in een arbeidstrainingscentrum, voor de duur van 6 maanden; Artikel 2. Toekennen van subsidie 1. UWV verstrekt op aanvraag van het bevoegd gezag van een school een plaatsingssubsidie indien: - a. het bevoegd gezag van de school gevestigd is in de provincies Groningen, Gelderland, Utrecht of Zeeland. - b. er sprake is van een door de school bewerkstelligde plaatsing van een leerling bij een werkgever aansluitend aan de stage of einde van het schooljaar. - c. voor de leerling geen aanspraak is gemaakt op een subsidie voor de inzet van een stagejobcoach in het onderwijs. 2. Indien de"},{"b":"Beleidsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens van 6 juni 2023 met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes (Boetebeleidsregels Autoriteit Persoonsgegevens 2023) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *Autoriteit Persoonsgegevens:* de Autoriteit persoonsgegevens, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - b. *basisboete:* het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie, voordat toepassing is gegeven aan [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049034&hoofdstuk=2&paragraaf=2.6&z=2023-12-12&g=2023-12-12); - c. *betrokkene:* degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft als bedoeld in artikel 4, onder 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - d. *recidive:* de omstandigheid dat de Autoriteit Persoonsgegevens of een rechterlijke instantie reeds eerder onherroepelijk eenzelfde of een vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld, zulks behoudens het bepaalde in [artikel 15.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4). Artikel 2. Toepassingsbereik bij overtredingen van de Algemene verordening gegevensbescherming Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op de vaststelling van bestuurlijke boetes voor overtredingen van de Algemene verordening gegevensbescherming waarop reeds de richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming 04/2022 van toepassing zijn. Ingeval de richtsnoeren 04/2022 toepasselijk zijn, dan hanteert de Autoriteit Persoonsgegevens deze bij de berekening van bestuurlijke boetes voor overtredingen van de Algemene verordening gegevensbescherming. Hoofdstuk 2. Bepalen van de hoogte van b"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 september 2013, nr. 2013-0000459488, omtrent het verlenen, bevestigen en wijzigen van wapens overeenkomstig het bepaalde in het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nr. 32 en in het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Staatsblad 181, tot intrekking van de Koninklijke besluiten van 20 februari 1816, no. 69, en 3 januari 1818, no. 91, en tot vaststelling van nieuwe bepalingen nopens het bekomen, wijziging, enz, van wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen, zoals dit is aangevuld bij het Koninklijk besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605 artikel Enig 1. Voordrachten voor Koninklijke besluiten houdende de verlening van nieuwe wapens of de bevestiging of wijziging van reeds vastgestelde wapens kunnen uitsluitend betrekking hebben op provincies, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001895&artikel=1) en [2 van het Koninklijk besluit van 23 april 1919](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001895&artikel=2), Staatsblad 181, zoals dit is aangevuld bij het Koninklijk besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605. 2. De in het eerste lid vermelde beleidsregel is niet van toepassing op aanvragen tot verlening van nieuwe wapens aan of tot bevestiging of wijziging van reeds vastgestelde wapens van privaatrechtelijke instellingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds waren ingediend. 3. Deze beleidsregels worden gepubliceerd in de Staatscourant en treden in werking met ingang van 1 januari 2014."},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2013, nr. 2013-0000217474, omtrent de uitleg van de begrippen ‘bijdrage in natura’ en ‘neveninstelling’ in de Wet financiering politieke partijen (Beleidsregels Wet financiering politieke partijen) Algemeen Bij brief van 8 februari 2012 (*Kamerstukken 2011/12,**32 752, nr. 24*) heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) aangekondigd dat beleidsregels zullen worden vastgesteld om twee begrippen die in de Wet financiering politieke partijen worden gehanteerd – ‘bijdrage in natura’ en ‘neveninstelling’ – te verduidelijken. De minister van BZK houdt toezicht op de registratie door een politieke partij van de ontvangen bijdragen van meer dan € 1 000. Van die bijdragen moeten op grond van [artikel 21, eerste lid, van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=21) de naam en het adres van de gever en de datum en het bedrag of de waarde van de bijdrage worden opgenomen in de administratie. Ook bijdragen in natura moeten op deze manier worden geregistreerd. Mocht bij het toezicht blijken dat een partij dit ten onrechte heeft nagelaten, dan kan de minister van BZK een bestuurlijke boete opleggen. Bij het gebruik van de bevoegdheid een boete op te leggen vanwege het ten onrechte niet registreren van een bijdrage in natura en bij de uitoefening van de bevoegdheid tot aanwijzing van een neveninstelling, zullen voor de invulling van de beoordelingsruimte die de begrippen ‘bijdrage in natura’ en ‘neveninstelling’ bevatten, de hierna volgende kaders worden gehanteerd. Bijdrage in natura Bijdragen in natura kunnen worden gedaan aan politieke partijen, aan neveninstellingen, aan verenigingen die deelnemen aan de verkiezingen maar nog niet vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer, en aan kandidaten op de kandidatenlijst. Op grond van [artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Wet financiering politiek"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 december 2009, nr. DGV/DVB/VIT, over de toelating en het gebruik van het radiocommunicatienetwerk C2000 door derden. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a) *de eigenaar van het C2000 netwerk:* de staat der Nederlanden, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b) *strategisch beheerder:* de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c) *tactisch en operationeel beheerder:* de beheerorganisatie van C2000, Voorziening tot samenwerking Politie Nederland/Unit Meldkamer Systemen; - d) *aangewezen gebruiker:* een organisatie die op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening een wettelijk opgedragen taak heeft en ten behoeve van haar operationele processen gebruik maakt van C2000; - e) *gelieerde:* een organisatie die de aangewezen gebruiker ondersteunt bij de uitvoering van zijn taken op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening en die daarbij met behulp van mobiele communicatie door de aangewezen gebruiker wordt aangestuurd. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026900&bijlage=1&z=2009-12-21&g=2009-12-21) bevat per aangewezen gebruiker een referentielijst van organisaties die naar het oordeel van de strategisch beheerder, gehoord het advies van het adviesorgaan C2000, in beginsel in aanmerking komen voor gelieerd gebruik van C2000; - f) *adviesorgaan C2000:* het overleg van gebruikers dat de strategisch beheerder adviseert over C2000. De adviestaak met betrekking tot C2000 wordt ingevuld door de Bestuurscommissie Informatievoorziening van het Veiligheidsberaad. Ten aanzien van C2000 wordt dit gedaan in afstemming met het Korpsbeheerdersberaad; - g) *tijdelijk gelieerde:* een organisatie waarvan een aangewezen gebruiker het noodzakelijk acht dat deze in de uitvoering van diens wettelijke taken ten tijde van een bijzondere gebeurtenis met de aangewezen gebruiker samenwerkt. Daartoe stelt de aangewe"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 2 juni 2005, nr. WJZ 5032571, over door het college als bedoeld in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit uit te oefenen taken op het gebied van duurzame concurrentie, efficiënte kosten, kwaliteit, toegang en tarieftransparantie in de elektronische communicatiesector (Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken over door het college uit te oefenen taken in de elektronische communicatiesector) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. prijsmaatregel: een verplichting als bedoeld in [artikel 6a.7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.7) betreffende het beheersen van tarieven of een verplichting als bedoeld in [artikel 6a.13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.13); - c. *ACM:* de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). 2. De definities, bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) en [artikel 1.1 van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1), zijn van toepassing. § 2. Duurzame concurrentie Artikel 2 1. Het onderzoek als bedoeld in [artikel 6a.1, derde en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.1) heeft mede betrekking op de gevolgen van een voorgenomen verplichting voor investeringen in alternatieve elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten. 2. De ACM oefent de krachtens [artikel 6a.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.2) aan haar verleende bevoegdheid om passende verplichtingen op te leggen zo uit dat"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 30 november 2016, nr. WJZ/16138270, houdende vaststelling van de beleidsregels omtrent het omzetten van S&O-verklaringen (Beleidsregels omzetten S&O-verklaringen) Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Economische Zaken; - *omzettingsverzoek:* verzoek om één of meer S&O-verklaringen die op naam van de overdragende S&O-inhoudingsplichtige zijn afgegeven, over te dragen aan een overnemende S&O-inhoudingsplichtige; - *overdragende S&O-inhoudingsplichtige:* S&O-inhoudingsplichtige wiens S&O-verklaring wordt overgedragen; - *overnemende S&O-inhoudingsplichtige:* S&O-inhoudingsplichtige die het verzoek doet om een S&O-verklaring overgedragen te krijgen; - *wet:* [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 2 1. Een overnemende S&O-inhoudingsplichtige kan met een beroep op [artikel 30, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=30) juncto [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) een omzettingsverzoek indienen bij de minister. 2. Een omzettingsverzoek heeft betrekking op de overdracht van de gehele S&O-verklaring. Artikel 3 De minister kan een omzettingsverzoek goedkeuren indien: - a. sinds het tijdstip van afgifte van de S&O-verklaring niet meer dan vijf jaren zijn verstreken; - b. de S&O-verklaring betrekking heeft op een periode vallende binnen het kalenderjaar 2016 of later; - c. er sprake is van: - 1.° een overgang onder algemene titel, zoals een fusie als bedoeld in [artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=309) of splitsing als bedoeld in [artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=334a), - 2.° een overdracht waarbij alle rechten en plichten"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 31 maart 2013, nr. WJZ / 12354959, met betrekking tot de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van artikel 6 van de Mededingingswet ten aanzien van combinatieovereenkomsten (Beleidsregels Combinatieovereenkomsten 2013) De Minister van Economische Zaken, Gelet op de [artikelen 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d); Besluit: 1). Inleiding - 1. Deze beleidsregels zijn vastgesteld op grond van [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d) (hierna: de wet) en hebben betrekking op de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) van [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) ten aanzien van combinatieovereenkomsten. - 2. Deze beleidsregels vervangen de Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2009 van 11 september 2009.1Strct. 2009, nr. 14 082, 5 november 2009. Aanleiding hiervoor is de [Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043), die zorgt voor de instelling van de ACM en de gelijktijdige opheffing van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Ook zijn de Europese richtsnoeren voor horizontale samenwerkingsovereenkomsten waarnaar in de oude beleidsregels werd verwezen, vervangen door nieuwe Europese richtsnoeren.2Mededeling van de Commissie Richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van het artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op horizontale samenwerkingsovereenkomsten, PbEU 2011/C 11/01. Ten slotte is de zogenoemde ‘bagatelvrijstelling’ uit [artikel 7, tweede lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken, van 5 oktober 2007, nr. WJZ 7105478, houdende vaststelling van de beleidsregels bestuurlijke boeten S&O-afdrachtvermindering Artikel 1. (Definities) In deze beleidsregels wordt verstaan onder wet: de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 2. (Toepassing vierde tranche Awb) *Vervallen* Artikel 3. (Verwijtbaarheid) Bij het vaststellen van een bestuurlijke boete op grond van [artikel 26, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=26), wordt betrokken in hoeverre de overtreding licht verwijtbaar, verwijtbaar of ernstig verwijtbaar is. Artikel 4. (Boeten) Bestuurlijke boeten worden afgerond op hele bedragen van € 100, met een minimumbedrag van € 100. Artikel 5. (Boeten nihil) *Vervallen* Artikel 6. (Mededeling art. 24, tweede, derde en vierde lid) 1. Na het verlopen van de termijn, bedoeld in [artikel 24, derde en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=24), volgt een rappel waarin wordt aangegeven dat indien de mededeling niet wordt gedaan binnen de gestelde termijn, aannemelijk wordt bevonden dat het aantal bestede S&O-uren 0 is en, ingeval aan de S&O-inhoudingsplichtige een S&O-verklaring is afgegeven die ook een bedrag aan kosten en uitgaven bevat, tevens aannemelijk wordt bevonden dat het bedrag aan kosten en uitgaven 0 is. 2. De hoogte van de op grond van [artikel 26, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=26) op te leggen bestuurlijke boete bedraagt voor de volgende categorieën: - a. geen mededeling: € 300; - b. niet tijdige mededeling, waarbij de realisatie van het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering lager is dan het bedrag dat op de S&O-verklaring is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering: € 200; - c. niet tijdige mededeling, waarbij de realisatie van het bedrag aan S&O-afdrachtverminderin"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 13 januari 2016, nr. IENM/BSK-2015/170540, houdende uitvoering van de last onder dwangsom voor de handhaving van gedelegeerde ITS-verordeningen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *overtreding:* overtreding als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037545&artikel=2&z=2016-01-15&g=2016-01-15). Artikel 2. (opleggen last onder dwangsom) 1. Een last onder dwangsom kan worden opgelegd vanwege een overtreding van de eisen, gesteld in de gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 en de gedelegeerde verordening (EU) 886/2013, bedoeld in [artikel 1.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=1.1). 2. Overtredingen worden onderscheiden in lichte en zware overtredingen. Artikel 3. (zware overtreding) 1. Een zware overtreding is: - a. het niet meewerken aan het toezicht op de naleving van de eisen, gesteld in gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 en gedelegeerde verordening (EU) 886/2013; - b. een overtreding waarmee de verkeersveiligheid in gevaar komt of die ernstige gevolgen heeft voor de gebruiker respectievelijk eindgebruiker van de dienstverlening voortkomende uit de genoemde gedelegeerde verordeningen. 2. De volgende overtredingen worden in ieder geval aangemerkt als een zware overtreding: - a. het indienen van een onjuiste verklaring van conformiteit, bedoeld in artikel 9 van gedelegeerde verordening (EU) 886/2013, met betrekking tot verkeersveiligheidsinformatie; - b. dienstverlening die niet overeenkomstig de verklaring van conformiteit met betrekking tot verkeersveiligheidsinformatie is; - c. het niet of niet tijdig inleveren van de verklaring van conformiteit en het niet adequaat reageren op een herhaalde melding van gebruikers respectievelijk eindgebruikers; - d. het in rekening brengen van meer dan een redelijke heffing voor toegang tot en uitwisseling en hergebruik van dat"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 december 2008, nr. TRCJZ/2008/3638, houdende vaststelling van beleidsregels inzake dierenwelzijn Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *besluit:* [Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217); - *minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - *transportverordening:* verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3). Artikel 2. (definities) *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4. (hoogte dwangsommen) *Vervallen* Artikel 4a. (verhouding met bestuurlijke boete) *Vervallen* Artikel 5. (geringe overtredingen) *Vervallen* Artikel 6. (overtredingen) *Vervallen* Artikel 7. (ernstige overtredingen) *Vervallen* Artikel 7a. (bestuurlijke boete en schorsen vergunning) *Vervallen* Artikel 7b *Vervallen* Artikel 8. (getuigschrift van vakbekwaamheid) *Vervallen* Artikel 9. (certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel) *Vervallen* Artikel 10. (verzamelcentra) *Vervallen* Artikel 11. (houders) *Vervallen* Artikel 12. (organisatoren) *Vervallen* Artikel 13. (bepaling aantal overtredingen) *Vervallen* Artikel 14. (opheffing schorsing) *Vervallen* Artikel 15. (inhoud protocol) *Vervallen* Artikel 16. (bestuursdwang) *Vervallen* Artikel 16a. (stahoogte dieren tijdens transport) 1. Als voldoende stahoogte als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van de transportverordening wordt beschouwd: - a. Voor runderen, behoudens voor slachtrunderen ouder dan één jaar: ten minste 20 centimeter ruimte boven de kruin van het grootste dier; - b. Voor slachtrunderen ouder dan één jaar: ten minste 25 centimeter boven de schofthoogte van het hoogste dier; - c. Voor schapen en geiten: ten minste 20 centimeter ruimte boven de k"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2012, Directie Kinderopvang, nr. KO/ 2012/16947, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013) Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - b. *toezichthouder:* toezichthouder, bedoeld in [artikel 1. 61 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.61); - c. *inspectierapport:* inspectierapport, bedoeld in [artikel 1.63 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.63); - d. *risicomodel:* het door GGD GHOR Nederland ontwikkelde risicomodel voor toezicht; - e. *risicoprofiel:* inschatting van de mate waarin: - 1° in het kindercentrum op verantwoorde wijze kinderopvang geboden wordt en blijft worden; - 2° door tussenkomst van het gastouderbureau op verantwoorde wijze gastouderopvang geboden wordt en blijft worden; - f. *vestiging:* een vestiging als bedoeld in [artikel 1, onder j, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=1), van een gastouderbureau of waar buitenschoolse opvang of dagopvang plaatsvindt. Paragraaf 2. Onderzoek toezichthouder kindercentrum en gastouderbureau Artikel 2. Onderzoek voor registratie 1. De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.62) in verband met het kindercentrum of het gastouderbureau bestaan in ieder geval uit: - a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gegevens en bescheiden betreffende dat kindercentrum of dat gastouderbureau; of - b. een locatiebezoek. 2. Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2014, houdende wettelijke erkenning van specialistentitels als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Beleidsregels wettelijke erkenning specialistentitel Wet BIG) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het wettelijk erkennen van een specialistentitel als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) ‘Wet BIG’: 1. Inleiding Deze beleidsregels bevatten het toetsingskader van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: ‘de Minister’) voor de behandeling van verzoeken tot een wettelijke erkenning van specialistentitels conform [artikel 14 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14). Deze beleidsregels dienen er toe het beleid betreffende de beoordeling van dergelijke verzoeken nader bekend te maken. De Minister kan bepalen dat een titel als wettelijk erkende specialistentitel van een beroep in de individuele gezondheidszorg wordt aangemerkt. De Minister dient verzoeken tot wettelijke erkenning van een specialistentitel te beoordelen op wenselijkheid ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Een dergelijk verzoek dient ingediend te worden door middel van een aanvraag door een organisatie van beoefenaren van een beroep als bedoeld in [artikel 3 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3). Voorwaarde is dat deze organisatie een specialistenregister heeft ingesteld en daaraan een privaatrechtelijke titel heeft verbonden. In een specialistenregister staan ingeschreven beroepsbeoefenaren die een bijzondere deskundigheid hebben verworven met betrekking tot de uitoefening van een deelgebied van hun beroep. Verzoeken worden beoordeeld aan de hand van de wettelijke cri"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2011, nr. CZ-3082275, ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke wet ambulancevoorziening Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 Ten behoeve van de aanwijzing als Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6) worden naast de eisen in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg, de eisen gehanteerd, zoals voor een Regionale Ambulancevoorziening opgenomen in de hierna volgende artikelen. Artikel 2 In de hierna volgende artikelen wordt verstaan onder: - a. *A1-rit:* een spoedeisende rit in opdracht van de centralist in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten; - b. *ambulancebijstandsplan:* protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances; - c. *directeur publieke gezondheid:* de directeur publieke gezondheid, bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - d. *gewondenspreidingsplan:* overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen; - e. *partners in de zorgketen:* huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio; - f. *referentiekader spreiding en beschikbaarheid:* referentiekader spreiding en beschikbaarheid als bedoeld in de bijlage bij deze beleidsregels; - g. *ROAZ:* het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge [artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=4); - h. *triage:* selectie en rangschikking van zieken of gewonden ten behoeve van een snelle hulpverlening. Hoofdstuk II. Landelijke eisen ambulancezorg § 1. Algemeen Artikel 3 De Regionale Ambulancevoorziening is"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2021, kenmerk 3290096-1020857-PZO, inzake het gebruik van de bevoegdheid om een verklaring omtrent het gedrag op te vragen in het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Beleidsregels VOG Wtza) Hoofdstuk 1. Definities en inleiding Paragraaf 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *betrokkene:* degene waarop een VOG betrekking heeft of kan hebben; - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *toelatingsvergunning:* toelatingsvergunning als bedoeld in [artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=4); - – *Uitvoeringsbesluit:* [Uitvoeringsbesluit Wtza](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045000); - – *VOG:* verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in [artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=28); - – *wet:* [Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797). Paragraaf 2. Inleiding Dit beleid heeft betrekking op de manier waarop de minister zijn bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), en [7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7) uitoefent. Deze artikelen en [artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045000&artikel=4) brengen met zich dat de minister een zorgaanbieder kan verzoeken om een VOG te verstrekken, indien de minister kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Wanneer een VOG verstrekt moet worden, dient de aanvrager of houder van een toelatingsvergunning hiervoor bij de dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een aanvraag in. Justis beoordeelt of een VOG word"},{"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2021, kenmerk 3290096-1020857-PZO, inzake het toepassen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Beleidsregels Wet Bibob Wtza) Hoofdstuk 1. Algemeen Het onderhavige beleid heeft betrekking op de manier waarop de minister zijn bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 5, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), en [7, derde lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7) uitoefent. Deze artikelen brengen met zich dat de minister de toelatingsvergunning kan weigeren of intrekken ingeval en onder de voorwaarden, bedoeld in [artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3), of voorschriften aan de toelatingsvergunning kan verbinden als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van die wet. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *aanvraag:* een aanvraag om een toelatingsvergunning; - – *betrokkene:* een aanvrager of houder van een toelatingsvergunning en diens relaties; - – *Bibob-onderzoek:* het onderzoek dat in het kader van de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) plaatsvindt; - – *Bureau:* Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in [artikel 8 Wet bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8); - – *houder:* degene die beschikt over een toelatingsvergunning; - – *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *toelatingsvergunning:* een toelatingsvergunning als bedoeld in [artikel 4 Wtza](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=4); - – *Wet Bibob:* [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - – *Wtza:* [Wet toetreding zorgaa"},{"b":"Beleidsregels van de Minister voor Medische Zorg van 19 februari 2018, kenmerk 1296993-173358-GMT, inzake gunstbetoon als bedoeld in artikel 94 van de Geneesmiddelenwet (Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet 2018) De Minister voor Medische Zorg besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het begrip gunstbetoon als bedoeld in de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505): 1. Inleiding De beslissing tot het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van een geneesmiddel moet zijn gebaseerd op gezondheidsbelangen. De kwaliteit van zo’n beslissing dient niet op onwenselijke wijze te worden beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten. Deze gedachte heeft geleid tot regelgeving over geneesmiddelenreclame in Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEU 2001, L311) en in de [artikelen 82 tot en met 96 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=82). De richtlijn en de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) gaan onder meer over het begrip gunstbetoon. In de onderhavige beleidsregels gunstbetoon worden de inhoud en reikwijdte van het begrip gunstbetoon meer concreet gemaakt. Deze beleidsregels zullen door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd worden gehanteerd bij het toezicht op de naleving van de reclamebepalingen van de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505). Onder gunstbetoon wordt verstaan het in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen (zie [artikel 1, eerste lid, onder zz, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1)). De regels voor gunstbetoon zijn wederkerig en z"},{"b":"Beleidsregels van de Minister voor Medische Zorg van 25 april 2019, kenmerk 1518521-189623-S, inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport Artikel 1 De Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport worden vastgesteld overeenkomstig de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042167) bij dit besluit. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2019. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport."},{"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 juni 2021, kenmerk 2772918, betreffende de tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Titel 1.1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - – *administratiekosten:* de kosten bedoeld in [artikel 4.11 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:11) of [11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a); - – *administratieve sanctie:* administratieve sanctie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=1); - – *besluit:* het [Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962); - – *betalingsregeling:* verlening van uitstel van betaling of het toestaan van betaling in termijnen bedoeld in [artikel 6:4:1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:1) met betrekking tot geldelijke sancties, alsmede met betrekking tot administratieve sancties; - – *betalingsplichtige:* degene aan wie een geldelijke sanctie is opgelegd; - – *CJIB:* het Centraal Justitieel Incassobureau, onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - – *CJIB/AICE:* het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen, onderdeel van het CJIB; - – *DJI:* de Dienst Justitiële Inrichtingen, onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - – *geldelijke sanctie:* een opgelegde sanctie, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldsom bedoeld in [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23), [36e](https://wetten.overheid."},{"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 april 2024, nr. 5344369, over de toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Beleidsregels Wet kwaliteit incassodienstverlening) 1. Algemeen De onderhavige beleidsregels hebben betrekking op de toepassing van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7) door of namens de Minister voor Rechtsbescherming. 2. Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *Wki:* [Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685); - *Aanvrager:* degene die een aanvraag tot inschrijving in het register als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=3) doet; - *bestuurder:* een bestuurder als bedoeld in [artikel 1 Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=1); - *incassodienstverlener:* een incassodienstverlener als bedoeld in [artikel 1.1 Besluit kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422&artikel=1.1); - *Minister:* de Minister voor Rechtsbescherming; - *betrouwbaarheidstoets:* het onderzoek naar de antecedenten van de aanvrager en, voor zover van toepassing, de bestuurders, als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7). 3. Beoordeling voornemens en betrouwbaarheid aanvrager en bestuurders [Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7) bepaalt dat de inschrijving in het incassoregister wordt geweigerd, indien gelet op de voornemens van de aanvrager en de antecedenten van de aanvrager en, voor zover van toepassing, de bestuurders, naar redelijke verwachting niet zal worden voldaan aan een bij of krachtens [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel"},{"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 juli 2021, nr. 3386950, betreffende de afdracht voor de Nederlandse draf- en rensport uit de totalisator, bedoeld in artikel 23 van de Wet op de kansspelen (Beleidsregels totalisatorafdracht) Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *koa-vergunninghouders:* vergunninghouders die weddenschappen op harddrijverijen en paardenrennen op afstand mogen organiseren als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=2.1); - – *raad van bestuur:* de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - – *totalisatorvergunning:* de vergunning, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - – *wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2 1. Ter uitvoering van [artikel 25, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) verbindt de raad van bestuur in ieder geval voorschriften aan de totalisatorvergunning met betrekking tot de inhouding van bedragen uit de inleg van weddenschappen op harddrijverijen en paardenrennen alsmede de bestemming daarvan die overeenkomen met hetgeen daarover in de [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767) is geregeld ten aanzien van koa-vergunninghouders. 2. De raad van bestuur bepaalt dat het besluit waarmee de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, aan de totalisatorvergunning worden verbonden, in werking treedt op 1 oktober 2021. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels totalisatorafdracht. Artikel 4 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst."},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit als bedoeld in artikel 33da, vierde lid, van de Wet op de kansspelen (Beleidsregels onvrijwillige inschrijving register) Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. *speler:* persoon van wie de inschrijving wordt aangevraagd of op wie een kennisgeving betrekking heeft; - 2. *vergunninghouder:* de houder van een vergunning tot het organiseren van speelcasino’s als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g), tot het aanwezig hebben van speelautomaten in inrichtingen als bedoeld in [artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c) of tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31); - 3. *derde:* de persoon die de inschrijving van een speler aanvraagt; - 4. *kennisgeving:* de procedure bedoeld in [artikel 27ja, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27ja), [artikel 30v, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30v), en [artikel 31m, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m); - 5. *deskundige:* een door de raad van bestuur ingeschakelde expert op het gebied van kansspelverslaving; - 6. *inschrijving:* de inschrijving bedoeld in [artikel 33da, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33da); - 7. *raad van bestuur:* de raad van bestuur, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 8. *register:* het register, bedoeld in [artikel 33h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h); - 9. *wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 1.2 Deze beleidsregels hebben betrekking"},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake de beoordeling van het levensgedrag bij vergunningen voor de exploitatie van speelautomaten (Beleidsregels levensgedragtoets) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. *aanvraag:* aanvraag voor een vergunning; - 2. *aanvrager:* de (rechts)persoon die een vergunning aanvraagt; - 3. *besluit:* het [Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373); - 4. *levensgedragtoets:* de beoordeling of de aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleiders en beheerders van een exploitatie in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=4), en [artikel 7 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=7); - 5. *raad van bestuur:* raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 6. *vergunning:* vergunning voor het exploiteren van speelautomaten als bedoeld in [artikel 30h van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h); - 7. *vergunninghouder:* de (rechts)persoon die een vergunning heeft; - 8. *Wok:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassing 1. De raad van bestuur voert in alle gevallen een levensgedragtoets uit: - a. bij een aanvraag; - b. indien een vergunninghouder een nieuwe bedrijfsleider of beheerder krijgt. 2. De raad van bestuur kan ook in andere gevallen een levensgedragtoets uitvoeren bij een reeds verleende vergunning. 3. De raad van bestuur weigert een vergunning of trekt een vergunning in indien de aanvrager, de vergunninghouder, een bedrijfsleider of een beheerder van een exploitatie in enig opzicht van slecht levensgedrag is als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=4), en [artikel 7 van het besluit](https:"},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake het gebruik van het woordmerk door houders van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand (Beleidsregels woordmerk kansspelen op afstand) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *kansspelinterface:* het geheel van elektronische communicatie waarmee de vergunninghouder de vergunde kansspelen aanbiedt; - – *raad van bestuur:* de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - – *spelersinterface:* het voor de speler na aanmelding toegankelijke gedeelte van de kansspelinterface; - – *vergunning:* een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - – *vergunninghouder:* de houder van een vergunning; - – *wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Woordmerk 1. De raad van bestuur stelt een woordmerk ter beschikking aan vergunninghouders, om hen te ondersteunen bij het voldoen aan de verplichtingen op grond van [artikel 4.34, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.34), en artikel 4.34, vierde lid, van het Besluit kansspelen op afstand. 2. Indien de vergunninghouder gebruikmaakt van het woordmerk, moet dit worden geplaatst op het voor een ieder toegankelijke deel van de kansspelinterface en op de spelersinterface. Het is niet toegestaan om het woordmerk te gebruiken in en bij wervings- en reclameactiviteiten. 3. Indien de vergunninghouder overeenkomstig de in het vierde lid gestelde voorwaarden gebruikmaakt van het woordmerk en op het voor een ieder toegankelijke deel van de kansspelinterface en op de spelersinterface toegang biedt tot informatie met betrekking tot zijn vergunning, gaat de raad van bestuur ervan uit dat is voldaan aan: - a. de verpl"},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake tijdelijke ontheffing keuringsinstelling (Beleidsregels tijdelijke ontheffing keuringsinstelling) Paragraaf 1. Definities Artikel 1.1. Definities - 1. *aanvraag:* aanvraag voor een tijdelijke ontheffing van het vereiste als bedoeld in [artikel 31h, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h); - 2. *aanvrager:* aanbieder van een kansspel op afstand die in verband met zijn vergunning of vergunningsaanvraag een tijdelijke ontheffing van het vereiste als bedoeld in [artikel 31h, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h) aanvraagt; - 3. *besluit:* [Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773); - 4. *lidstaat:* staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - 5. *raad van bestuur:* raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 6. *regeling:* [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767); - 7. *spelsysteem:* de organisatie, de werkwijze en de middelen, waaronder de elektronische middelen, die voor het organiseren van de vergunde kansspelen worden gebruikt; - 8. *vergunning:* vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 9. *vergunningsaanvraag:* een aanvraag voor een vergunning; - 10. *wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Paragraaf 2. Algemene bepalingen Artikel 2.1. Aanvraag De aanvraag wordt ingediend via een formulier op een speciaal daartoe bestemd gedeelte op de website van de Kansspelautoriteit. Artikel 2.2. Taal 1. Het formulier als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten"},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake toepassing van de Wet Bibob bij exploitatievergunningen (Beleidsregels Bibob-toets) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. *aanvraag:* een aanvraag voor een vergunning; - 2. *aanvrager:* de natuurlijke persoon, dan wel de rechtspersoon die een vergunning aanvraagt; - 3. *Bibob-advies:* een advies als bedoeld in [artikel 30k, vierde lid, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30k); - 4. *Bibob-toets:* het eigen onderzoek en de beoordeling van een aanvraag, dan wel een verleende vergunning, door de raad van bestuur, op grond van de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - 5. *LBB:* het landelijke Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in [artikel 8 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8); - 6. *raad van bestuur:* de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 7. *vergunning:* de vergunning voor het exploiteren van speelautomaten als bedoeld in [artikel 30h, eerste lid, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h); - 8. *vergunninghouder:* de natuurlijke persoon, dan wel de rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend; - 9. *Wet Bibob:* de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798): - 10. *Wok:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassing 1. De raad van bestuur voert een Bibob-toets uit: - 1. bij een aanvraag; - 2. indien een vergunninghouder een nieuwe bedrijfsleider of beheerder krijgt; - 3. indien een vergunninghouder een nieuwe zeggenschaphebbende of leidinggevende krijgt. 2. De raad van bestuur kan ook in andere gevallen dan genoemd in het eerste lid, onder b en c, e"},{"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake vergunningen voor het op afstand organiseren van kansspelen 2026 (Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand 2026) Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. *aanvraag:* aanvraag voor een vergunning als bedoeld in [artikel 31a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 2. *aanvrager:* degene die een vergunning als bedoeld in [artikel 31a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a) aanvraagt; - 3. *CRUKS:* het centraal register uitsluiting kansspelen als bedoeld in [artikel 33h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h); - 4. *inschrijving:* de inschrijving als speler als bedoeld in [artikel 31k van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31k); - 5. *keuringsrapport:* rapport als bedoeld in [artikel 4.53, derde lid, van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.53); - 6. *kwetsbare groepen van personen:* kwetsbare groepen als bedoeld in [artikel 2, derde lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2), waaronder in ieder geval worden begrepen minderjarigen, personen die kenmerken van risicovol spelgedrag vertonen, consumenten met een lage sociaaleconomische status, laaggeletterden, consumenten met een beperkte kennis van de Nederlandse taal, consumenten op hoge leeftijd en consumenten met een verstandelijke beperking; - 7. *matchfixing:* de manipulatie van gebeurtenissen tijdens wedstrijden of sportcompetities of van uitslagen van wedstrijden of sportcompetities door op oneigenlijke wijze een wedstrijd of sportcompetitie te beïnvloeden; - 8. *raad van bestuur:* raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/j"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 10 oktober 2023, kenmerk 2023018931, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2024 (Beleidsregels Risicoverevening 2024) 1. Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - *aanpassingsklasse:* een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - *AVI:* AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - *Bzv:* [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - *correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichting op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *COVID-19:* de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - *COVID-correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *criterium:* een vereveningscriterium; - *DKG_C:* DKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DKG"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 12 oktober 2021, kenmerk 2021031251, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2022 (Beleidsregels Risicoverevening 2022) Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - *AVI:* AVI als bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *BASIC:* databestand van Vektis met zorgkosten en kenmerken van Zvw-verzekerden; - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - *Bzv:* [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - *COVID-19:* de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - *COVID-correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2022 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *criterium:* een vereveningscriterium; - *DKG_C:* DKG’s als bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DKG_G:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FDG_C:* FDG’s als bedoeld in [artikel 1, onderdeel jj, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FKG_C:* FKG’s als bedoeld in [artikel 1, onderdeel p, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FKG_G:* FKG’s psychische aandoeningen als b"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 12 oktober 2022, kenmerk 2022039003, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2023 (Beleidsregels Risicoverevening 2023) Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - *aanpassingsklasse:* een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - *AVI:* AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *BASIC:* databestand van Vektis met zorgkosten en kenmerken van Zvw-verzekerden; - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - *Bzv:* [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - *COVID-19:* de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - *COVID-correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2023 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *criterium:* een vereveningscriterium; - *DKG_C:* DKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DKG_G:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FDG_C:* FDG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FKG_C:* FKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&arti"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 januari 2025, kenmerk 2023045149, met het oog op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet langdurige zorg door de zorgkantoren en het CAK Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *CAK:* het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - – *NZa:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordering gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - – *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - – *Wlz-zorgaanbieder:* rechtspersoon die zorg of een dienst levert als omschreven bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) is toegelaten voor één of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling, als bedoeld in de Wlz; - – *Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - – *zorgkantoor:* rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 2 1. Het zorgkantoor kan aan het CAK opdracht geven tot betaling van een voorschot aan een Wlz-zorgaanbieder in de regio of regio’s waarvoor hij is aangewezen en de in [artikel 4.2.2 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.2) aangegeven werkzaamheden uitvoert. 2. Verlening van een voorschot aan een Wlz-zorgaanbieder kan alleen plaatsvinden als dit voorschot betrekking heeft op prestaties waarvoor een beschikking is afgegeven door de NZa. 3. In uitzonderingsgevallen kan het Zorginstituut aan de zorgkantoren schriftelijk toestemming geven tot het verlenen va"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 oktober 2020, kenmerk 2020043936, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2021 (Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2021) Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomen met gepseudonimiseerde adresgegevens voor een peiljaar; - *catastrofebijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 33, tweede lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - *catastrofeschadelast:* de catastrofeschadelast bedoeld in [artikel 6.6.5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.6.5); - *coronakosten:* kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie; - *coronapandemie:* pandemie ten gevolge van het SARS-CoV-2 virus die een catastrofe is als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - *COVID-19:* de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DX-groep:* Een DX-groep bestaat uit een in het referentiebestand DKG’s gedefinieerde combinatie van specialisme- en diagnosecodes die dient om verzekerden in te delen. Eén of meer DX-groepen vormen samen een klasse voor het criterium DKG’s. Indeling in een DX-groep leidt tot indeling in de bijbehorende klasse voor het criterium DKG’s; - *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *jaarsta"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017055452, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor Wlz-uitvoerders § 1. Algemeen Artikel 1 Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. *beheerskostenbudget:* Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - d. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - e. *Wlz-uitvoerder:* een rechtspersoon als bedoel bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - f. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland; - g. *zorgkantoor:* een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987); - h. *Nadere aanwijzing:* [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041530). Artikel 2 Het Zorginstituut keert het voor iedere Wlz-uitvoerder voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2018 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2018 Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in februari 2018 voor iedere Wlz-uitvoerder een voorlopig beheerskostenbudget vast. Artikel 4 Het Zorginstituut verdeelt het bedrag dat in [artikel 2 van de Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273&artikel=2) beschikbaar is gesteld voor de overige taken, bedoeld in [artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overhe"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017055845, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor zorgkantoren § 1. Algemeen Artikel 1 In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. *beheerskostenbudget:* Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. *bewuste-keuze gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - d. *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. *huisbezoek:* bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - f. *Meerzorg:* recht op zorg op basis van de regeling bedoeld voor cliënten die, gezien hun behoeften aan zorg meer zorg nodig hebben dan vanuit het zorgprofiel gefinancierd kan worden onder toepassing van [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2); - g. *minister:* minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - h. *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - i. *regio:* een regio zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017056354, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor de Sociale Verzekeringsbank Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. *beheerskostenbudget:* Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. *SVB:* Sociale verzekeringsbank; - d. *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - e. *Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland. Artikel 2 Het Zorginstituut keert het voor de SVB voorlopig vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2018 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in februari 2018 voor de SVB een voorlopig beheerskostenbudget vast van € 27,416 miljoen zoals genoemd in de [Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273). Artikel 4 1. Het Zorginstituut stelt uiterlijk in 2020 het beheerskostenbudget definitief vast. 2. Het Zorginstituut betaalt het verschil tussen het bedrag van het definitief vastgestelde en het voorlopig vastgestelde beheerskostenbudget in geval van een positief saldo uit. Indien het verschil tot een negatief saldo leidt, vordert het Zorginstituut het verschil terug. Artikel 5 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze worden geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 6 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor de Sociale Verzekeringsbank."},{"b":"Beleidsregels van de Raad van bestuur van Zorginstituut Nederland van 25 februari 2020, kenmerk 2019059528, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020 § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *Aanwijzing:* [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042861); - – *beheerskostenbudget:* Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) ten laste van het Fonds langdurige zorg; - – *Besluit houdende de aanwijzing van de zorgkantoren;* [besluit van de Minister waarin hij Wlz-uitvoerders aanwijst als zorgkantoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987); - – *bewuste-keuze gesprek:* gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - – *budgethouder:* verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - – *huisbezoek:* bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - – *Minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *Minister voor MZ:* Minister voor Medische Zorg; - – *nadere aanwijzing:* Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020 - – *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit; - – *persoonsgebonden budget:* een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - – *regio:* een regio zoals genoemd in [artikel 1 van he"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 26 januari 2021, kenmerk 2020032052, met het oog op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet langdurige zorg door de zorgkantoren en het CAK Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - − *CAK:* het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - − *NZa:* de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordering gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - − *Wlz:* [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - − *Wlz-zorgaanbieder:* rechtspersoon die zorg of een dienst levert als omschreven bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen (WTZi)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) is toegelaten voor één of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling, als bedoeld in de Wlz; - − *Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - − *zorgkantoor:* rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 2 1. Het zorgkantoor kan aan het CAK opdracht geven tot betaling van een maandelijks voorschot aan een Wlz-zorgaanbieder in de regio of regio’s waarvoor hij is aangewezen. 2. Verlening van een voorschot aan een Wlz-zorgaanbieder kan alleen plaatsvinden als dit voorschot betrekking heeft op prestaties waarvoor een tariefbeschikking is afgegeven door de NZa. 3. In uitzonderingsgevallen kan het Zorginstituut aan de zorgkantoren schriftelijk toestemming geven tot het verlenen van voorschotten aan Wlz-zorgaanbieders, vooruitlopend op de afgifte van een tariefbeschikking door de NZa. Artikel 3 Het zorgkantoor geef"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 7 oktober 2025, kenmerk 2025015883, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2026 (Beleidsregels Risicoverevening 2026) 1 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze Beleidsregels verstaan onder: - *aanpassingsklasse:* een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - *AVI:* AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - *Bzv:* [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - *correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichtingen op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2026 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *criterium:* een vereveningscriterium; - *criteriumneutraliteit:* criteriumneutraliteit corrigeert ongewenste effecten van hogere of lagere (ex post) landelijke verzekerdenaantallen dan ex ante verwacht per vereveningskenmerk. Bij toepassing van criteriumneutraliteit worden een of meer gewichten van het betreffende vereveningscriterium bij de vaststelling aangepast zodat het effect van een (landelijk) verschil tussen raming en realisatie van de verzekerdenaantallen voor het vereveningscriterium of een aantal klassen van dat vereveningscriterium teniet wordt gedaan; - *DKG_C:* DKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DKG_G:* DK"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 8 oktober 2019, kenmerk 2019043230, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2020 (Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2020) Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomen met gepseudonimiseerde adresgegevens voor een peiljaar; - *catastrofebijdrage:* bijdrage als bedoeld in [artikel 33, tweede lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - *continuïteitsbijdrage GGZ:* dat deel van de prestatie continuïteitsbijdrage dat betrekking heeft op de GGZ; - *coronakosten:* kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie; - *coronapandemie:* pandemie ten gevolge van het SARS-CoV-2 virus die een catastrofe is als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - *COVID-19:* de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in[artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *FKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *jaarstaat:* de jaarstaat, bedoeld in de regeling, bedoeld in [artikel 90 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90); - *macroverzekerden-raming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2020; - *PKB:* persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de"},{"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 8 oktober 2024, kenmerk 2024021132, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2025 (Beleidsregels Risicoverevening 2025) 1 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze Beleidsregels verstaan onder: - *aanpassingsklasse:* een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - *AVI:* AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *belastingdienstbestand:* het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - *Bzv:* [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - *correctiefactor:* een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichtingen op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - *criterium:* een vereveningscriterium; - *criteriumneutraliteit:* criteriumneutraliteit corrigeert ongewenste effecten van hogere of lagere (ex post) landelijke verzekerdenaantallen dan ex ante verwacht per vereveningskenmerk. Bij toepassing van criteriumneutraliteit worden een of meer gewichten van het betreffende vereveningscriterium bij de vaststelling aangepast zodat het effect van een (landelijk) verschil tussen raming en realisatie van de verzekerdenaantallen voor het vereveningscriterium of een aantal klassen van dat vereveningscriterium teniet wordt gedaan; - *DKG_C:* DKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - *DKG_G:* DK"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 april 2016, nr. WJZ/16009144, houdende de regels betreffende het verstrekken van een tegemoetkoming aan beroepsvissers die schade hebben geleden als gevolg van het verbod op grond van artikel 5.10 van de Wet dieren (Beleidsregel tegemoetkoming visverbod voor het jaar 2015) Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *afschrijving:* afschrijving als bedoeld in de [artikelen 3.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.30) en [3.34 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34); - *de-minimisverordening:* Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2014, L 190); - *Minister:* de Minister van Economische Zaken; - *netto jaarresultaat:* omzet verminderd met de vaste en de variabele kosten, voordat dit bedrag is verminderd met de verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting. Artikel 2 1. De Minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan degene die tot en met 31 december 2014 viste in de wateren, bedoeld in [bijlage 16 van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&bijlage=16), en wiens overeenkomst van huur van visrecht of schriftelijke toestemming voor het stellen van vaste vistuigen in 2015 door de Minister is opgezegd onderscheidenlijk ingetrokken als gevolg van het visverbod, bedoeld in [artikel 28b van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=28b), voor zover door de aanvrager geen vervangende vislocatie is geaccepteerd. 2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het gemiddelde netto jaarresultaat, berekend uit de netto jaarresultaten die zijn behaald in de jaren 2013 en 2014 uit de visserij op aal en wolhandkrab i"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2014, nr. WJZ / 14104616, voor het verlenen van een ontheffing voor het gebruik van aalvistuigen voor de visserij op wolhandkrab en Noordzeekrab (Beleidsregels ontheffing wolhandkrab- en Noordzeekrabvisserij) Artikel 1 1. Een vergunning als bedoeld in [artikel 36, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=36) voor het gebruik van vistuigen, genoemd in [artikel 32a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=32a), van die regeling, ten behoeve van de visserij op andere soorten dan aal, wordt op aanvraag verleend. 2. Een vergunning wordt verleend indien: - a. uit de aanvraag naar het oordeel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur blijkt dat voldoende is geborgd dat geen aal aan de wateren wordt onttrokken, doordat in ieder geval: - 1°. door de aanvrager voor adequate controle op de naleving van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035289&artikel=3&z=2025-08-26&g=2025-08-26) bedoelde voorschriften wordt gezorgd door onafhankelijke controleurs, en in elk geval is voorzien in onaangekondigde controles; - 2°. door de aanvrager is voorzien in voldoende afschrikwekkende sancties voor degene ten aanzien waarvan bij de controles, bedoeld in subonderdeel 1°, is gebleken dat hij de in dat subonderdeel bedoelde voorschriften heeft overtreden; - 3°. de aanvrager heeft voorzien in een systeem waarin de locatie van in het water geplaatste vistuigen als bedoeld in het eerste lid, en de visserijactiviteit van degenen die voor de vergunninghouder de visserij verrichten, worden geregistreerd, en - 4°. uit de aanvraag blijkt dat de visserij zal plaatsvinden met vistuigen die zijn vormgegeven volgens de nieuwste inzichten met betrekking tot beperking van bijvangst van aal, en - b. ambtenaren als bedoeld in [artikel 54a van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 6 juni 2012, nr. 267278, houdende vaststelling van beleidsregels inzake schelpdierverplaatsingen Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Economische Zaken; - *probleemsoorten:* een soort waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kan hebben voor de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Artikel 1a Deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). Hoofdstuk II. Importvoorwaarden Oosterschelde Artikel 2 De minister kan voor het importeren en uitzaaien in de Oosterschelde van mariene schelpdieren een vergunning op grond van [artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7) verlenen als is voldaan aan de volgende voorwaarden: - 1. De vergunningaanvraag heeft betrekking op mariene schelpdieren afkomstig uit kustgebieden uit OSPAR regio II (Noordzee) en regio III (Keltische zee). - 2. Er is aangetoond dat voldoende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat probleemsoorten levend in de Oosterschelde terecht kunnen komen. - 3. Er is gebruik gemaakt van een integrale risicobeoordeling en er zijn kritische beheerspunten opgesteld in een control- en managementplan. - 4. Het control- en managementplan bevat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor het importgebied in het herkomstgebied zijn aangetroffen. - 5. Onderdeel van het control- en managementplan is een retrospectieve monitoring om te bewaken dat er toch geen probleemsoorten zijn of worden geïntroduceerd in het importgebied. - 6. Indien uit d"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, betreffende het beoordelingskader voor wijzigingen in functionele systemen van de Luchtverkeersleiding Nederland en het daarbij te borgen veiligheidsniveau (Beleidsregels veiligheidsnormen ATC) Artikel 1 Voor de toepassing van de artikelen 9, eerste lid, en 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1034/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 betreffende het veiligheidstoezicht op het gebied van luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271) en onderdeel 3.1 van Bijlage I en de onderdelen 3.1.1, onder d, 3.1.2, onder c, 3.2.1, onder c, en 3.2.4 van Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 482/2008 en (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271), gelden de beleidsregels opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036878) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit zal twee jaar na de datum van inwerkingtreding worden geëvalueerd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels veiligheidsnormen ATC."},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de voorzitter van het CAK, de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit, de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën, de Directeur-Generaal Dienst Uitvoering Onderwijs, de Directeur-Generaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de waarnemend inspecteur-generaal Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspecteur-Generaal Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, van 1 november 2025, nr. 6815099, betreffende betalingsregelingen bij rijksincassovorderingen (Beleidsregels betalingsregelingen Rijk 2026) Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *ATKM:* Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2); - – *betalingsplichtige:* persoon die één of meerdere vorderingen als bedoeld in [artikel 1:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052067&paragraaf=1&artikel=1:3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) moet voldoen; - – *betalingsregeling:* afspraak tussen het CJIB en de betalingsplichtige tot verlening van uitstel van betaling of het toestaan van betaling in termijnen met betrekking tot één vordering als bedoeld in [artikel 1:3, onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, j of k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052067&paragraaf=1&artikel=1:3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dan wel een combinatie van vorderingen als bedoeld in artikel 1:3; - – *CAK:* CAK als bedoeld in [artikel 6.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - – *CJIB:"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 januari 2019, nr 2018-0000172386, tot vaststelling van beleidsregels op grond van het Besluit onderstand BES (Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2019) Hoofdstuk 1. Inhoudsopgave Artikel 1. Inhoudsopgave Met deze beleidsregels wordt voorzien in het regelen van de volgende onderwerpen: In [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) ‘Kring van rechthebbenden’ - – Onderstand teruggekeerde eilandskinderen ([artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - – Opname inrichting buiten Caribisch Nederland ([artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) In [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) ‘Verplichtingen arbeidsinschakeling’ - – Inspanningsverplichtingen met het oog op arbeidsinschakeling ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=3&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - – Vrijstelling verplichtingen arbeidsinschakeling ([artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=3&artikel=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) In [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01) ‘Toepassing algemene onderstand’ - – Vrijlatingsregeling vergoedingen medische uitzending ([artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=4&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - – Vrijlatingsregeling uitkering Wet schadefonds geweldsmisdrijven ([artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=4&artikel=7a&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - – Basisbedrag bij opname in instelling ([artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=4&artikel=8&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - – Tegemoetkoming AOV-gerechtigden ([artikel 9](https:"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, kenmerk 782071, betreffende de verlening van niet-incidentele kansspelvergunningen door de raad van bestuur van de kansspelautoriteit op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen voor het organiseren van loterijen (Beleidsregels niet-incidentele artikel 3 loterijvergunningen) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *aanvrager:* aanvrager van een vergunning; - – *afdracht:* afdracht als bedoeld in [artikel 2, onder b, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - – *algemeen belang:* algemeen belang als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), niet-zijnde een particulier of een commercieel belang; - – *ANBI-status:* omstandigheid dat een instelling is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling als bedoeld in [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b); - – *begunstigde:* begunstigde als bedoeld in [artikel 2, onder b, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - – *incident:* situatie die het vertrouwen van de consument in vergunde kansspelen kan schaden; - – *opbrengst:* opbrengst van de door de vergunninghouder verkochte deelnemingsbewijzen verminderd met het prijzengeld en de noodzakelijke kosten; - – *prijzen en premies:* prijzen en premies als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waaronder in ieder geval prijzen en premies in natura; - – *raad van bestuur:* de raad van bestuur, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - – *vergunning:* vergunning als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), voor zover deze vergunning door de"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 mei 2015, nummer 644356, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Beleidsregels AMIF en ISF 2014–2020) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - • *subsidieregeling:* [Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487) Artikel 2. Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen 1. Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen bestaan overeenkomstig de in [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=A), [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=B), [C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=C), [Hg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hg), [Hh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hh) en [Hi van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hi) omschreven subsidiabele activiteiten in volledige of gedeeltelijke ondersteuning in de vorm van: - a. een vergoeding van kosten gemaakt door de subsidieontvanger ten behoeve van de doelgroepen, of - b. een vergoeding van door de doelgroepen gemaakte kosten die vervolgens door de subsidieontvanger worden terugbetaald. 2. In het geval van activiteiten waarvoor de deelname noodzakelijk is van personen die onder de reikwijdte van [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=A), [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=B) of [Hg van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hg) vallen, zoals bijvoorbeeld een opleiding en cursus, kunn"},{"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2025, kenmerk 4314698-1091860-SB, inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026 Artikel 1 De Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de [Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049559) worden vastgesteld overeenkomstig de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051984) bij dit besluit. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 2024. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 september 2027. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026."},{"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 1 januari 2016 houdende beleidsregels omtrent nevenactiviteiten publieke media-instellingen (Beleidsregels nevenactiviteiten 2016) Artikel 1. Definities en reikwijdte In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *wet:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - – *besluit:* het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - – *regeling:* de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - – *Awb:* de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - – *Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media; - – *nevenactiviteiten:* activiteiten als bedoeld in [artikel 2.132, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132); - – *experimentele nevenactiviteiten:* activiteiten als bedoeld in [artikel 2.132, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132); - – *netto omzet:* netto omzet als bedoeld in [artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=377); - – *ACM:* Autoriteit Consument & Markt; - – *onderwijsinstelling:* een instelling die is erkend door het Ministerie van OC&W en is opgenomen in één van de registers van OC&W. Artikel 2 Overeenkomstig [artikel 2.132, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132) kan alleen toestemming worden gegeven voor een nevenactiviteit die verband houdt met of ten dienst staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. Artikel 3. Clusterindeling Het Commissariaat onderscheidt de volgende clusters van nevenactiviteiten: - 1. De exploitatie van onverkort media-aanbod of publieke formats buiten de publieke media-opdracht. - 2. Het verhuren van"},{"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 25 juni 2019 over bestuurlijke boetes in het kader van de Mediawet 2008 (Beleidsregels bestuurlijke boetes 2019) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *cmoa:* commerciële mediadienst op aanvraag; - – *de Awb:* de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - – *het Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle overtredingen waarbij het Commissariaat op basis van [artikel 7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) bevoegd is om een bestuurlijke boete op te leggen. Artikel 3. Hoogte boete 1. Het Commissariaat bepaalt de hoogte van een bestuurlijke boete overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042389&artikel=4&z=2019-07-11&g=2019-07-11) en verder van deze beleidsregels, tenzij de boete betrekking heeft op overtreding van [artikel 2.34, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.34). 2. Het Commissariaat bepaalt de hoogte van een bestuurlijke boete bij overtreding van [artikel 2.34, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.34) overeenkomstig het bepaalde in [artikel 7.12, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12). Artikel 4. Overtreden norm De door het Commissariaat te handhaven normen zijn, afhankelijk van een algemene waardering van de aard van de betreffende norm, onderverdeeld in de volgende categorieën: - a. Categorie A: overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.1), [2.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.34), [2.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.50), [2.52](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 26 november 2019 over bestuurlijke boetes in het kader van de Wet op de vaste boekenprijs (Beleidsregels bestuurlijke boetes vaste boekenprijs 2019) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *de Wvbp:* de [Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452). - – *het Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media; - – *de Wvbp:* de [Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle overtredingen waarbij het Commissariaat op basis van de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=17) en [22 van de Wvbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=22) bevoegd is om een bestuurlijke boete op te leggen. Artikel 3. Hoogte boete overtreding Awb 1. Bij de vaststelling van de hoogte van een bestuurlijke boete wegens overtreding van [artikel 5:20, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) neemt het Commissariaat de helft van het boetemaximum van € 4.500 als uitgangspunt. Dit komt neer op een bedrag van € 2.250. 2. Overeenkomstig [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042847&artikel=8&z=2019-12-06&g=2019-12-06) van deze beleidsregels, neemt het Commissariaat bij de vaststelling van de hoogte van de boete bij overtreding van [artikel 5:20, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) eventuele boeteverhogende en -verlagende omstandigheden in aanmerking. Dit kan leiden tot een verhoging of verlaging van het op basis van het eerste lid van dit artikel als uitgangspunt gehanteerde boetebedrag. Artikel 4. Hoogte boete overtreding Wvbp Het Commissariaat bepaalt de hoogte van een bestuurlijke boete wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [Wvbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452) overeenkomstig het bepaalde in de ["},{"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 26 september 2017 over de governance en interne beheersing van de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen (Beleidsregels governance en interne beheersing 2017) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - – *bestuur:* het orgaan belast met het besturen van de organisatie; - – *Commissariaat:* het Commissariaat voor de Media als bedoeld in [artikel 7.1 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - – *Handboek financiële verantwoording:* het Handboek financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen en de NPO, respectievelijk het Handboek financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO, althans de geldende nadere regels als bedoeld in [artikel 2.172 derde lid van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.172); - – *NPO:* de stichting Nederlandse Publieke Omroep als bedoeld in [afdeling 2.2.1 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&afdeling=2.2.1); - – *publieke media-instelling:* de instelling die op grond van [hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&hoofdstuk=2) landelijke of regionale publieke mediadiensten verzorgt; - – *raad van toezicht:* het orgaan belast met het toezicht op het bestuur en op de algemene gang van zaken en de daaraan verbonden organisatie, zoals bedoeld in [artikel 2.142a, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.142a), ongeacht de benaming van dit orgaan; - – *RPO:* de stichting Regionale Publieke Omroep als bedoeld in [paragraaf 2.3.1 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&paragraaf=2.3.1); - – *wet- en regelgeving:* de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036), de [Mediare"},{"b":"Beleidsregels van raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 1 november 2016, kenmerk 00.081.851, betreffende de verlening van incidentele artikel 3 loterijvergunningen (Beleidsregels incidentele artikel 3 loterijvergunningen) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. *aanvrager:* aanvrager van een vergunning; - b. *afdracht:* afdracht als bedoeld in [artikel 2, onder b. van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - c. *algemeen belang:* algemeen belang als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), niet-zijnde een particulier of een commercieel belang; - d. *begunstigde:* begunstigde als bedoeld in [artikel 2, onder b. van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - e. *prijzen en premies:* prijzen en premies als bedoeld in [artikel 1, onder a. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waaronder in ieder geval prijzen en premies in natura; - f. *raad van bestuur:* de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - g. *vergunning:* vergunning als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), voor zover deze vergunning door de raad van bestuur wordt verleend en deze betrekking heeft op een incidenteel kansspel als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet; - h. *wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op de verlening van vergunningen voor het organiseren van incidentele loterijen die verleend worden door de Kansspelautoriteit. Artikel 3. Aanvraagprocedure - a. De aanvraag geschiedt door middel van een aanvraagformulier, verkrijgbaar bij de Kansspelautoriteit. - b. De kostenbegroting, die d"},{"b":"Beleidsregels verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2010 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *regio:* regio zoals genoemd in de Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2008, nr. Z/VU-2892517, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 232, 28 november 2008; - b. *budgethouder:* houder van een persoonsgebonden budget krachtens [subsidieparagraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2010 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2010 een totaal bedrag van 159,117 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren. 2. Het college stelt in januari 2010 voor ieder verbindingskantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027147&paragraaf=2&artikel=3&z=2011-01-26&g=2011-01-26), genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een bedrag van 22,429 miljoen euro op basis van een bedrag van € 178,69 per budgethouder uitgaande van 125.519 budgethouders; - b. een bedrag van 4,833 miljoen euro op basis van een gelijk bedrag per verbindingskantoor; - c. een bedrag van 0,375 miljoen euro voor een verbindingskan"},{"b":"Beleidsregels verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2010 § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. *zorgverzekeraar:* een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. *verbindingskantoor:* een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2010 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2010 een totaal bedrag van 3,785 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2010 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2010 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027146&paragraaf=2&artikel=3&z=2011-01-26&g=2011-01-26) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een derde deel van het bedrag, welk deel betrekking heeft op de op verzekerden gerichte administratiedelen, verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - b. twee derde deel van het bedrag, welk deel betrekking heeft op de op de zorg gerichte administratiedelen, verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2009 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen; - b. *risicoklasse naar leeftijd en geslacht:* een een- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig [tabel B4.1 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.1 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.1 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.1 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. *aard van het inkomenklasse:* een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig [tabel B4.4 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.4 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.4 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.2 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - d. *regioklasse:* een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is overeenkomstig [tabel B4.5 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel 6.5 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.3 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7), waarin de indeling regioklasse voor de deelbedragen B-dbc’s, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp en overige prestaties is weergegeven; - e. *GGZ-regioklasse:* een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is overeenkomstig [tabel B5.2 van Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.n"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2010 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen; - b. *risicoklasse naar leeftijd en geslacht:* een één- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig tabel B4.1 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.2 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), tabel B6A.1 van [Bijlage 6A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a) en tabel B7.1 van [Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. *risicoklasse naar farmacie kostengroep (FKG):* een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B4.2 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.2 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a); - d. *risicoklasse naar farmacie kostengroep voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (FKG -GGZ):* een klasse gebaseerd geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B5.4 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - e. *risicoklasse naar diagnose kostengroep (DKG):* een klasse gebaseerd op kostenhomogene aandoeningengroepen, overeenkomstig tabel B4.3 van [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.3 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a); - f. *aard van het inkomenklasse:* een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig tabel B4.4 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.5 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00187"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2011 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen; - b. *risicoklasse naar leeftijd en geslacht:* een één- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig tabel B4.1 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.2 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), tabel B6A.1 van [Bijlage 6A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a) en tabel B7.1 van [Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. *risicoklasse naar farmacie kostengroep (FKG):* een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B4.2 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.2 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a); - d. *risicoklasse naar farmacie kostengroep voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (FKG-GGZ):* een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B5.4 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - e. *risicoklasse naar diagnose kostengroep (DKG):* een klasse gebaseerd op kostenhomogene aandoeningengroepen, overeenkomstig tabel B4.3 van [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.3 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a); - f. *aard van het inkomenklasse:* een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig tabel B4.4 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.5 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2012 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. *MHK:* meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *GGZ-kosten lage drempel:* Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. *GGZ-kosten hoge drempel:* Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel y van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - h. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - i. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit a) de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, vie"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2013 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. *MHK* :meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *GGZ-kosten lage drempel:* Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. *GGZ-kosten hoge drempel:* Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel y van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - h. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - i. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, g"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2014 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *college:* het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. *HKG:* hulpmiddelen kostengroepen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Regeling risicoverevening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&artikel=5); - e. *MHK:* meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. *DKG GGZ:* diagnose kostengroepen psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 5, tweede lid van de Regeling risicoverevening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&artikel=5); - h. *GGZ-kosten lage drempel:* kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - i. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - j. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd ge"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2015 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. *MHK:* meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *DKG GGZ:* diagnose kostengroepen psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ff, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) - g. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - h. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verze"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2016 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. *MHK:* meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ff, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) - g. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - h. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verzekerde periode, de"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2018 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerden- raming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2018; - d. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *PKB:* persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2017 is de peildatum 1 mei 2017 en de aanleverdatum 1 juni 2017; - g. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de ver"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerdenraming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2019; - d. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *PKB:* persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2018 is de peildatum 1 mei 2018 en de aanleverdatum 1 juni 2018; - g. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verze"},{"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2017 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. *het Zorginstituut:* Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. *zwaarte:* het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. *macroverzekerden-raming:* de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2017; - d. *FKG GGZ:* FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. *DKG GGZ:* DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. *PKB:* persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2016 is de peildatum 1 mei 2016 en de aanleverdatum 1 juni 2016; - g. *VPPKB:* verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verzekerde perio"},{"b":"Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. WV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2) en [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. reïntegratieverplichtingen: de verplichtingen van de werkgever, genoemd in [artikel 71a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a) en de in dat artikel bedoelde regelingen; - d. reïntegratie-inspanningen: maatregelen, voorschriften en aanpassingen als bedoeld in [artikel 658a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=658a) en de [artikelen 8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=8), en [9, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=9); - e. functionele mogelijkheden: krachten en bekwaamheden als bedoeld in [artikel 18, vijfde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18); - f. deugdelijke grond: een door de werkgever voor enig handelen of nalaten aangevoerd motief dat zodanig zwaarwegend en gerechtvaardigd is dat het nadelig gevolg van dit handelen of nalaten niet in redelijkheid aan de werkgever kan worden toegerekend; - g. deskundigenoordeel: een oordeel als bedoeld in [artikel 30, eerste lid, onder e, f en g van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30); - h. looninhouding: het niet betalen van het loon, bedoeld in [artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=629), wegens een om"},{"b":"Beleidsregels verwerking persoonsgegevens gezondheid zieke werknemers Voorwoord Voor u liggen de beleidsregels ‘De zieke werknemer’. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving, nieuwe jurisprudentie en recente onderzoeksrapporten van de Autoriteit Persoonsgegevens is besloten de publicatie ‘De zieke werknemer en privacy’ van februari 2008 te herzien en te actualiseren. De beleidsregels ‘De zieke werknemer’ vervangen dan ook deze oudere publicatie. Met de publicatie van deze beleidsregels biedt de Autoriteit Persoonsgegevens informatie aan werknemers, werkgevers en andere partijen die gegevens over de gezondheid van (zieke) werknemers verwerken. De beleidsregels zijn gebaseerd op nadere invulling van wettelijke regels voor het verwerken van persoonsgegevens, jurisprudentie en algemene normen voor uitwisseling van gegevens over de gezondheid. Daarnaast zijn de normen in deze beleidsregels het uitgangspunt voor de Autoriteit Persoonsgegevens bij het toepassen van handhavende maatregelen. De beleidsregels zijn in een consultatieronde in 2015 aan vertegenwoordigers van betrokken partijen voorgelegd. Het merendeel van de geconsulteerde partijen heeft gereageerd op de consultatieversie van de beleidsregels. Op meerdere plaatsen waaronder de paragraaf over het wettelijk kader en de paragraaf over betrokken partijen bij de ziekteverzuimbegeleiding en re-integratie zijn naar aanleiding van de consultatie wijzigingen aangebracht ten opzichte van de consultatieversie. Overigens hebben niet alle reacties tot wijziging van de beleidsregels geleid bijvoorbeeld omdat deze te algemeen waren of de voorgestelde wijzigingen/geschetste praktijkvoorbeelden niet conform wet- en regelgeving bleken. De zieke werknemer in het kort De sollicitatieprocedure Het sollicitatiegesprek Een toekomstige werkgever mag geen vragen stellen over de gezondheid van een sollicitant of diens ziekteverzuim in het verleden. ([Hoofdstuk 3.1.](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037896)) De aanstellingskeuring Alleen onde"},{"b":"Beleidsregels VOG-NP-RP 202 De minister besluit dat de [Beleidsregels 2024 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049901), vastgesteld bij besluit van 1 juli 2024 worden ingetrokken en vervangen door onderstaande beleidsregels. De nieuwe beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2025. Paragraaf 1. Inleiding Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) (Wjsg) namens de bewindspersoon een Verklaring Omtrent het Gedrag af aan natuurlijke personen (VOG) en aan rechtspersonen (VOG RP). Voor aanvragen van een VOG door een natuurlijk persoon wordt een onderscheid gemaakt tussen aanvragen waarbij, naast dat justitiële gegevens een weigeringsgrond opleveren, ook politiegegevens wel of geen zelfstandige weigeringsgrond mogen zijn. Resumerend bestaan de volgende drie soorten aanvragen van een VOG: 1. VOG Bij een aanvraag voor een VOG wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijk persoon. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG. 2. VOG politiegegevens Bij een aanvraag voor een VOG politiegegevens wordt onderzoek gedaan naar de justitiële gegevens en politiegegevens van een natuurlijk persoon. Zowel justitiële gegevens als politiegegevens mogen voor deze aanvraag een zelfstandige weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG politiegegevens. 3. VOG RP Bij een aanvraag voor een VOG-RP wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een rechtspersoon en haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG RP. Voor alle soorten VOG-aanvragen geldt dat het belang van de aanvrager wordt"},{"b":"Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 Berekeningswijze Het in aanmerking te nemen schadebedrag wegens teeltplanschade, bedoeld in onderdeel e van de wet, wordt berekend volgens de formule: A x B x C - D waarbij - A = de oppervlakte van het teeltareaal dat schade heeft ondervonden als gevolg van de gebeurtenissen van 13 en 14 september jl.; - B = het percentage van de redelijkerwijze te verwachten opbrengst die in de schadetermijn verloren gaat door vermindering van kwaliteit of kwantiteit als gevolg van het evenement; - C = het bedrag dat volgens de bijlage als opbrengst voor de aangetaste categorie gewassen is vastgesteld, dan wel, bij gebreke daarvan, de opbrengst welke redelijkerwijze mocht worden verwacht voor de geteelde gewassen (uitgedrukt in een bedrag per oppervlakte-eenheid); - D = de kosten welke redelijkerwijze geacht kunnen worden te zijn bespaard voor de productie, oogst, bewerking, bewaring en afzet van de verloren gegane opbrengst. Toelichting Op grond van [artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) heeft de gedupeerde recht op een tegemoetkoming in (onder meer) teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies door een mindere opbrengst dan redelijkerwijze mocht worden verwacht in de schadeperiode. De hoogte van de tegemoetkoming is gerelateerd aan de hoogte van deze schade. Bij de vraag welke opbrengst redelijkerwijze mocht worden verwacht doet zich het probleem voor dat een belangrijk deel van de betrokken producten op dat moment nog niet geoogst en verhandeld werd. In dit opzicht verschilt de situatie van die van 1995. Bovendien heeft de ervaring uit 1995 geleerd dat het vaststellen van een schadebedrag van grote aantallen gedupeerden een bewerkelijk en weinig transparant proces is vanwege de vele onzekerheden die daarbij in"},{"b":"Beleidsregels voor de uitvoering van artikel 7A van de Woningwet Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: *de Minister,* de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM); *dubo-voorzieningen,* voorzieningen waarvan het bewezen milieurendement hoger is dan dat van conventionele voorzieningen; *de bouwkosten,* de stichtingskosten verminderd met de grondkosten; *de meerkosten,* het verschil in prijs tussen enerzijds conventionele voorzieningen en anderzijds dubo-voorzieningen; en *ontheffing,* toestemming van de Minister als bedoeld in [artikel 7a, lid 2 en 3 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7a). Artikel 2. Reikwijdte In deze beleidsregels wordt onder een project verstaan de op bepaalde percelen nieuw te bouwen bouwwerken of het op een bepaald perceel nieuw te bouwen bouwwerk óf de te verrichten werkzaamheden aan bouwwerken op bepaalde percelen of aan het bouwwerk op een bepaald perceel, waarvoor door burgemeester en wethouders een aanvraag om ontheffing bij de Minister is ingediend. Artikel 3. Inhoudelijke voorwaarden verkrijgen ontheffing Een ontheffing kan slechts door de Minister worden verleend indien is voldaan aan de volgende inhoudelijke criteria: - a. een project komt zonder ontheffing niet tot stand, gezien het te verwachten economische rendement in verhouding tot het risico en het milieubelang; - b. de in het project toegepaste dubo-voorzieningen zijn voor de categorie waartoe het bouwwerk behoort nog onvoldoende toegepast, zodat nog onvoldoende inzicht is verkregen in - 1° de milieuwinst die met de toegepaste dubo-voorzieningen wordt bereikt of - 2° de consequenties van deze voorzieningen voor kosten, uitvoering of beheer; - c. het project kent geen grotere omvang dan nodig is om inzicht te krijgen in de milieuwinst, meerkosten of consequenties voor uitvoering en beheer van de dubo-voorzieningen als toegepast bij de categorie waartoe het bouwwerk behoort; en - d."},{"b":"Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register II § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - *Advocaat-bewindvoerder:* de bewindvoerder Wsnp die als advocaat is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten; - *Audit:* Toetsing of de bewindvoerderorganisatie Wsnp en/of bewindvoerder Wsnp voldoet aan het *Profiel bewindvoerderorganisatie Wsnp* en overige inschrijfvoorwaarden. - *Basisopleiding:* een door de Raad erkende opleiding die wordt afgerond met een diploma bewindvoerder Wsnp; - *Bewindvoerder Wsnp:* de door de rechtbank op grond van [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287) benoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon; - *Bewindvoerderorganisatie Wsnp:* organisatie die voldoet aan de voorwaarden gesteld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051930&paragraaf=5&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - *De Raad:* de Raad voor Rechtsbijstand; - *Eenzijdige webinar:* een webinar waarbij geen *live* contact is met de docent en waarbij geen toezicht is op deelname. - *Erkende opleidingsinstelling:* een door de Raad aangewezen opleidingsinstelling, die voldoet aan de voorwaarden van het [Besluit aanwijzing opleidingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037321) (Staatscourant 2015, nr. 44931); - *Gedragscode:* De meest recente versie van de [gedragscode voor bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034033) (Staatscourant 18 oktober 2013, 29039); - *Herintredende bewindvoerder Wsnp:* bewindvoerder Wsnp zoals bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051930&paragraaf=4&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - *Intercollegiaal overleg:* overleg tussen bewindvoerders Wsnp onder supervisie/met ondersteuning van een begeleider ter bevordering van de kwaliteit van de uitvoering van het Wsnp-bewind; - *Klachtenregeling:* de meest re"},{"b":"Beleidsregels voorschotverstrekking WW 2015 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - – *aanvraag van WW-uitkering:* een aanvraag van WW-uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) die voldoet aan alle vereisten die bij en krachtens de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) aan een geldige aanvraag van een dergelijke uitkering zijn gesteld. Bij voorkomende verdragsgevallen geldt dat de aanvraag vergezeld moet gaan van het EU-formulier E 301 dan wel van het SED-document U1 of U002 , dan wel van bescheiden die gelijkwaardig zijn aan het genoemde EU-formulier of de genoemde SED-documenten; - – *het UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - – *WW:* [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). Artikel 2. Voorschot op eerste betaling uitkering hoofdstuk II WW 1. De werknemer ontvangt van het UWV een voorschot op een uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: - a. de werknemer heeft een aanvraag van WW-uitkering ingediend; - b. de werknemer heeft een aanvraag van een voorschot op de eerste betaling van de uitkering ingediend; - c. de werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij verkeert in een zodanige omstandigheid dat hij mede als gevolg van de latere betaling van uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) niet in staat is te voorzien in noodzakelijke en niet te vermijden kosten van het bestaan van hem en van zijn gezin. 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, is eenmalig en heeft alleen betrekking op de eerste betaling na de betreffende aanvraag van WW-uitkering en wordt verrekend met de eerstvolgende bet"},{"b":"Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de WAO: de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. de regeling: de [Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540); - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015184&artikel=2&z=2005-12-21&g=2005-12-21) en [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. werkgever: de werkgever, bedoeld in [artikel 71a, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a), en de eigenrisicodrager, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=1); - e. bedrijfsarts: de persoon, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14), die belast is met de bijstand, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14); - f. reïntegratieverslag: het reïntegratieverslag, bedoeld in [artikel 71a, derde lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a) en [artikel 38, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38); - g. probleemanalyse: het oordeel en het advies van de bedrijfsarts of de arbodienst, bedoeld in [artikel 2, tweede en derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=2); - h. plan van aanpak: het plan van aanpak, bedoeld in [artikel 71a, tweede lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a); - i. bijstelling van de probleemanalyse: een oordeel of advies van de bedrijfsarts o"},{"b":"Beleidsregels waarderen en belonen medewerkers EZ Artikel 1 Het gesprek als bedoeld in [artikel 71, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=71) vindt voor medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de Nota waarderen en belonen medewerkers EZ, die is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 *Wijzigt het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Economische Zaken 1998.* Artikel 3 Ingetrokken worden: - a. het Beoordelingsvoorschrift CBS en - b. de Beleidsregels bewust belonen EZ. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels waarderen en belonen medewerkers EZ."},{"b":"Beleidsregels waarderingskader uitvoering Wet kinderopvang *Het door de Inspectie van Onderwijs gehanteerde WAARDERINGSKADER* Uitvoering gemeentelijk toezicht in het kader van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen augustus 2014 1. Inleiding Gemeenten zijn in Nederland verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang en peuterspeelzalen. Bij wet hebben zij taken opgedragen gekregen om erop toe te zien dat de opvang van kwetsbare kinderen aan een aantal minimumeisen voldoet. Zij hebben ook de bevoegdheid om te handhaven wanneer een opvangorganisatie niet aan de kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast hebben zij de beleidsvrijheid om aanvullende eisen te stellen aan de kwaliteit van de kinderopvang. De minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid van het toezicht op de kinderopvang en peuterspeelzalen. De [Wet revitalisering generiek toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031628)1Sinds 1 oktober 2012 legt vast dat de gemeenteraden binnen het toezicht als eerste verantwoordelijk zijn voor de controle op het gemeentelijk bestuurlijk handelen. Pas daarna is de provincie/het rijk, als interbestuurlijk toezichthouder op de gemeenten, aan zet. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) is tweedelijns toezichthouder2Aangewezen als interbestuurlijk toezichthouder via aanwijzingsbesluit Staatscourant nr. 19731 d.d. 28 september 2012 voor gemeenten op het gebied van kinderopvang. Zij vult die taak in door middel van thematisch onderzoek naar trends en ontwikkelingen. Recent wees de minister de inspectie via een [Aanwijzingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032033) (Staatscourant nr. 19731 d.d. 28 september 2012) aan om interbestuurlijk toezicht uit te voeren op gemeenten op het gebied van toezicht en handhaving kinderopvang. Interbestuurlijk toezicht betreft het toezicht van de ene bestuurslaag op de andere. De inspectie heeft hiertoe op 20 februari 2014 een Toezichtkader opgesteld en"},{"b":"Beleidsregels wegingsfactoren kosten bestuurlijke voorprocedure Artikel 1. Doel van de regeling Het [Besluit proceskosten bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358) (Bpb) regelt de vergoeding van kosten als bedoeld in [artikel 7:15 lid 4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15) (Awb). Het Bpb bevat regels inzake de vergoeding van de kosten van het bezwaarschrift. In de [bijlage bij het Bpb](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006358), onderdeel CI, is bepaald dat het gewicht van de zaak tot uiting kan worden gebracht in wegingsfactoren. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om in beleidsregels vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren worden gehanteerd. Deze regeling bepaalt dan ook welke categorieën zaken als gemiddeld, licht en zeer licht worden gekwalificeerd en derhalve op grond van de [bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006358), onderdeel CI, met een wegingsfactor van respectievelijk 1, respectievelijk 0,5, respectievelijk 0,25 punt worden gewaardeerd. Artikel 2. Categorieën zaken die met een wegingsfactor van 1 worden gewaardeerd 1. Een bezwaar in een zaak die niet tot een van de categorieën van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037966&artikel=3&z=2016-05-12&g=2016-05-12) of [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037966&artikel=4&z=2016-05-12&g=2016-05-12) behoort, zal in beginsel als gemiddeld met een wegingsfactor van 1 gekwalificeerd worden. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft de Raad de bevoegdheid om op grond van het [Bpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358), een lagere of hogere wegingsfactor toe te kennen naarmate de betreffende zaak lichter of zwaarder is dan een gemiddelde zaak. Artikel 3. Categorieën zaken die met een wegingsfactor van 0,5 worden gewaardeerd - a. Zaken waarin de rechtzoekende een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent en in bezwaar wordt gesteld dat"},{"b":"Beleidsregels WSW 2008 Artikel 1. Aanvraag In geval van een herindicatie bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Wet Sociale Werkvoorziening, bevat de aanvraag het re-integratieverslag bedoeld in [artikel 6 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=6), met uitzondering van het gestelde onder h daarvan. Artikel 2. Onderzoek 1. UWV maakt bij het onderzoek als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3) gebruik van: - a. de reeds bij UWV geregistreerde gegevens; - b. de door de aanvrager verstrekte gegevens; - c. de door of namens UWV bij derden, waaronder de behandelend artsen en/of psychologen, opgevraagde gegevens; - d. in geval van een herindicatie, de van het college van burgemeester en wethouders ontvangen informatie als bedoeld in [artikel 6 van het besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=6); - e. in geval van een herindicatie als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet Sociale Werkvoorziening, het reïntegratieverslag bedoeld in [artikel 6 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=6). 2. Indien uit de beschikbare gegevens als bedoeld in het vorige artikellid, onduidelijk is of de aanvrager behoort tot de doelgroep, vraagt UWV – al dan niet in multidisciplinair verband – medisch, psychologisch en/of arbeids(des)kundig advies. 3. In de in het vorige lid bedoelde deskundigheid wordt voorzien door deskundigen die in dienst zijn van UWV of door deskundigen die door UWV op grond van een raamovereenkomst van een derde worden ingehuurd. 4. De deskundigen, bedoeld in het derde lid, voldoen aan de volgende opleidings- en ervaringseisen: - a. een arbeidsdeskundige is in het bezit van een getuigschrift arbeidsdeskundige van een op grond van de [Wet op h"},{"b":"Beleidstelling beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2003 - 2004 1. Inleiding Vanaf 1 april 2004 zal de beleidstelling beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2003 - 2004 worden gehouden. In deze publicatie wordt informatie verstrekt over de procedure en de op te vragen gegevens. Bij deze telling worden gegevens verzameld over het studiejaar 2003 - 2004. Deze gegevensopvraag vindt plaats op basis van het [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646) (UWEB) (gelijk aan de [Regeling Informatievoorziening Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie, bijlage 4, overzicht nummer 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009777&bijlage=4)). De telformulieren met de toelichtingsbrochure zullen vóór 1 april 2004 worden verzonden. Wijzigingen ten opzicht van de vorige telling 2002 - 2003, zijn opgenomen onder [punt 6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0016475). 2. Doel van de telling Het doel van deze beleidstelling is om gegevens over het schooljaar 2003 -2004 te verzamelen ten behoeve van het door de minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs. Het gaat daarbij om: - Gegevens die noodzakelijk zijn voor de onderwijsmatrix; - In deze matrix worden de deelnemersstromen tussen de verschillende onderwijssoorten zichtbaar gemaakt. De matrix wordt voorts gebruikt om de toekomstige bewegingen van de onderwijsdeelnemers in te schatten en op deze manier tot valide deelnemersramingen te komen. De ramingen zijn een belangrijk instrument in het proces om te komen tot de rijksbegroting van het ministerie, - Gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoordingsplicht van de minister met betrekking tot de behaalde resultaten en prestaties in het onderwijs; - Gegevens die noodzakelijk zijn voor het voeren van beleid ten aanzien van de doelgroepen. Om inzicht te krijgen in het aandeel van deze doelgroepen in voornoemd onderwijs en de effecten van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en instellingen genomen maatregelen, w"},{"b":"Beleidswijziging naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 5 maart jl. (LJN BZ3230 en LJN BZ3257) betreffende artikel 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), inzake onverzekerd rijden en de recidiveregeling in het strafvorderingsbeleid van het Openbaar Ministerie Naar aanleiding van deze arresten kan in zaken met pleegdatum van vóór 1 juli 2011 de recidiveregeling van de [Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029643) (2011R001) weer worden toegepast. Deze regeling luidt als volgt. 4.1.1. Recidiveregeling overtredingen artikelen 30 en 34 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM)(uitgezonderd bromfietsen) De recidiveregeling t.a.v. de overtredingen van [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 WAM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) luidt voor de met motorrijtuigen, uitgezonderd bromfietsen,1Onverzekerd rijden: zie in de bijlage de feitnummers A 914a t/m d, A 915, A 917a t/m c en A 918. gepleegde overtredingen als volgt: | Eerste overtreding: | OM-transactie of OM-strafbeschikking: € 440 Eis ter zitting: geldboete € 500 | | --- | --- | | Tweede overtreding (binnen twee jaar na afdoening van de eerste overtreding): | Geen transactie. OM-strafbeschikking of eis ter zitting: geldboete € 600 en vier maanden ontzegging van de rijbevoegdheid onvoorwaardelijk | | Derde overtreding (binnen vier jaar na afdoening van de eerste overtreding): | Geen transactie of strafbeschikking, eis ter zitting: twee weken hechtenis onvoorwaardelijk1 en zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid onvoorwaardelijk; eventueel verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig | 1 Hechtenis kan in geval van een overtreding door een minderjarig niet worden geëist. 4.1.2. Recidiveregeling overtredingen artikelen 30 en 34 WAM (bromfietsen) Voor de met een bromfiets gepleegde overtreding van de [artikelen 30](https:/"},{"b":"Belgische uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-België Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 19 oktober 1970 tussen Nederland en België gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing (Trb. 1970, 192 en Trb. 1971, 174) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. vermindering tot 15% van de Belgische roerende voorheffing op dividenden, betaald door een vennootschap die inwoner van België is ( artikel 10, par. 2, 2°); - b. verdere vermindering tot 5% van de Belgische roerende voorheffing op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlandse vennootschap op aandelen is die onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van de Belgische vennootschap die de dividenden betaalt en de dividenden in Nederland niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen ( artikel 10, par. 2, 1°, en onderdeel IV van het Protocol); - c. algehele vrijstelling van de Belgische roerende voorheffing op interest, afkomstig uit België betaald aan een door een inwoner van Nederland gedreven onderneming, met uitzondering van: - interest van obligaties en andere in effecten belichaamde leningen, daaronder niet begrepen handelspapier dat handelsschuldvorderingen vertegenwoordigt; - interest betaald door een vennootschap op aandelen of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die inwoner van België is, aan een zodanige vennootschap die inwoner van Nederland is, indien een van de beide vennootschappen onmiddellijk ten minste 25 percent van het kapitaal van de andere vennootschap bezit ( artikel 11, par. 3 en 4); - d. vermindering tot 10% van de Belgische roerende voorheffing op interest, afkomstig uit België, waarop niet de onder c bedoel"},{"b":"Benelux-Overeenkomst betreffende de uitoefening van de advocatuur *De Regeringen van de Beneluxlanden, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat de voortdurend verdergaande economische integratie van de Beneluxlanden en de toeneming van de gemeenschappelijke rechtsregels het gewenst maken de uitoefening van de advocatuur en daarmede de rechtsbedeling te vergemakkelijken; Zijn als volgt overeengekomen:* Artikel 1 1. De advocaten die in een van de Overeenkomstsluitende Staten zijn ingeschreven, kunnen in burgerlijke zaken, strafzaken en administratieve zaken pleiten voor de rechtsprekende instanties van de andere Overeenkomstsluitende Staat, mits zij worden bijgestaan door een advocaat die gerechtigd is te pleiten ter plaatse waar zij aldus werkzaam zijn, en wel met dezelfde voorrechten en dezelfde verplichtingen als de advocaat die hen bijstaat. 2. Het recht om te pleiten omvat het recht het dossier in te zien en het recht om de gedetineerde te bezoeken. Artikel 2 De advocaten dragen in voorkomend geval het costuum van de balie waartoe zij behoren of het costuum van de ontvangende balie. Artikel 3 1. De beoordeling van overtredingen van de ereregelen door de advocaat in de uitoefening van de in artikel 1 genoemde werkzaamheden behoort tot de bevoegdheid van de tuchtrechtelijke autoriteiten van de ontvangende balie, onverminderd de bevoegdheid van de tuchtrechtelijke autoriteiten van de balie waartoe de betrokken advocaat behoort. 2. De raad van toezicht van de orde der ontvangende balie kan de advocaat voor een periode van ten hoogste een jaar het recht ontzeggen om de in artikel 1 genoemde werkzaamheden te verrichten binnen het arrondissement waar de ontvangende balie is gevestigd. Indien en voor zover de spoed zulks vereist, heeft de deken of stafhouder van de raad dezelfde bevoegdheid. 3. De tuchtrechtelijke autoriteiten van de balie waartoe de betrokken advocaat behoort worden ingelicht omtrent de beslissing en de omstandigheden die tot die beslis"},{"b":"Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door het verlangen naar gelijkvormigheid in de rechtsbeginselen en de overeenstemming in de juridische oplossingen voor hun landen, Van mening zijnde, dat er aanleiding bestaat om de rechten van de slachtoffers van ongevallen, welke door motorrijtuigen op hun grondgebied worden veroorzaakt, door de invoering van een stelsel van verplichte verzekering te waarborgen, Overwegende anderzijds, dat volkomen eenmaking van het recht voor dit onderwerp bezwaren blijkt op te leveren en dat voorts er mede kan worden volstaan, dat de voornaamste, onmisbaar te achten regelen gemeenschappelijk zijn voor de drie landen, met dien verstande dat ieder der landen de vrijheid behoudt voor zijn grondgebied bepalingen af te kondigen, die de waarborg ten behoeve van de benadeelden vergroten, Overwegende tenslotte, dat de aanvaarding door de drie landen van een gelijksoortig stelsel met betrekking tot de verplichte verzekering inzake de wettelijke aansprakelijkheid de mogelijkheid biedt om overeenkomstig de doelstellingen van het Benelux-Unieverdrag bij te dragen tot de verwezenlijking van het vrije verkeer van personen en goederen in Benelux door aan de binnengrenzen der drie landen de controle op de verzekering van motorrijtuigen af te schaffen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:* Artikel 1 § 1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich uiterlijk op de dag van het in werking treden van deze Overeenkomst hun nationale wetgeving op de verplichte verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven, aan te passen aan de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen. § 2. Ieder der Verdragsluitende Partijen behoudt de bevoegdheid, de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappe"},{"b":"Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Verlangende in de drie landen de mogelijkheid van een eenvormige wetgeving op het stuk van de dwangsom te openen; Overwegende, dat deze eenmaking kan bijdragen tot verhoging van de met het oog op de ontwikkeling van de Benelux Economische Unie geboden rechtszekerheid; Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 16 juni 1972 uitgebrachte advies, Hebben besloten, te dien einde, een Overeenkomst te sluiten inzake het vaststellen in België, in Luxemburg en in Nederland van een eenvormige wet betreffende de dwangsom en zijn overeengekomen als volgt:* Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verbindt zich de eenvormige wet betreffende de dwangsom, vervat in de bijlage van deze Overeenkomst, in haar wetgeving op te nemen met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in beide teksten. Artikel 2 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht in haar wetgeving de eenvormige wet aan te vullen met bepalingen waarin aangelegenheden worden geregeld waarvoor geen regeling is voorzien, mits die bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst en met voornoemde wet. Artikel 3 1. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat het vrij alle of sommige rechtsvorderingen tot nakoming van arbeidsovereenkomsten van het toepassingsgebied van de eenvormige wet uit te sluiten. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan ten aanzien van deze Overeenkomst en de eenvormige wet geen enkel voorbehoud worden gemaakt. Artikel 4 Ter uitvoering van [artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) worden de bepalingen van deze Overeenkomst en van de eenvormige wet aangewezen als gemeens"},{"b":"Benelux-Overeenkomst inzake commorientes *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door het verlangen naar gelijkvormigheid in hun rechtsbeginselen en naar overeenstemming in juridische oplossingen voor hun landen, Van mening zijnde dat het van belang is hun wetgevingen inzake commorientes te unificeren, Overwegende dat een Overeenkomst met Bijlage, waaraan de Overeenkomstsluitende Partijen zich verbinden hun nationale wetgevingen aan te passen, in het onderhavige geval de meest adequate vorm is, Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 17 december 1971, Zijn overeengekomen als volgt:* Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich uiterlijk op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst hun nationale wetgeving inzake commorientes aan te passen aan de bepalingen van de Bijlage bij deze Overeenkomst. Artikel 2 De bepalingen van deze Overeenkomst en van de Bijlage worden aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de [hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III) en [IV van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=IV). Artikel 3 1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het Rijk in Europa. 2. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot Suriname en de Nederlandse Antillen, door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk kennis geeft aan de beide andere Overeenkomstsluitende Partijen. Deze verklaring wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal haar heeft ontvangen. Artikel 4 1. Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd. De"},{"b":"Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen* Artikel 13 *Vervallen*"},{"b":"Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op artikel 6 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958; Gelet op het op 18 oktober 1950 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot Bescherming van Vogels, waarbij de drie Beneluxlanden partij zijn; Bezield door de wens een harmonisatie tot stand te brengen van de beginselen van hun, in het belang van de grondgebruikers, van de landbouw en van een doeltreffende natuurbescherming vastgestelde wettelijke bepalingen op het gebied van de jacht en de bescherming van in het wild levende vogels; Overwegende dat deze harmonisatie kan bijdragen tot een toenadering tussen de wetgevingen inzake het vervoer van wild en van in het wild levende vogels, alsmede tot de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux; Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 25 april 1970; Zijn het volgende overeengekomen:* DEEL I. Jacht Artikel 1 1. Elk der Regeringen verbindt zich in haar nationale of gewestelijke wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild. 2. In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a) grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon) en wilde zwijnen (Sus scrofa); - b) klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix), houtsnippen (Scolopax rusticola); - c) waterwild: alle soorten ganzen en eenden (Anatidae), goudplevieren (Pluvialis apricarius), watersnippen (Gallinago gallinago), poelsnippen (Gallinago media), bokjes (Lymnocryptes minimus) en meerkoeten (Fulica atra); - d) overig wild: houtduiven (Columba palu"},{"b":"Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming *De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel, op 20 en 21 oktober 1975, besloten is dat, in het raam van een actief Benelux-beleid op het gebied van het leefmilieu, het natuurbehoud, het behoud van natuurgebieden en de bescherming van waardevolle landschappen als een concrete doelstelling worden gezien, Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 13 december 1980 uitgebrachte advies, Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:* Artikel 1 1. De onderhavige Overeenkomst heeft tot doel het overleg en de samenwerking tussen de drie Regeringen te regelen op het gebied van het behoud, het beheer en het herstel van het natuurlijk milieu en van het landschap. 2. In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - - natuurlijk milieu: de stoffelijke omgeving van de mens, bestaande uit a-biotische (niet levende) componenten (gesteenten, water en atmosfeer) en biotische (levende) componenten, die bestaan uit natuurlijke en half-natuurlijke levensgemeenschappen met inbegrip van wilde flora en fauna; - - natuurgebied: een gebied waarin de aanwezige levensgemeenschappen niet, niet meer of slechts in geringe mate worden beïnvloed door menselijk ingrijpen, voor zover dit ingrijpen niet de instandhouding of ontwikkeling van deze levensgemeenschappen ten doel heeft; - - landschap: het waarneembare deel van de aarde dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de factoren bodem, reliëf, water, klimaat, flora, fauna en de mens. Binnen een bepaalde landschappelijke eenheid leidt dit samenspel tot een bepaald patroon opgebouwd uit een combinatie van natuurlijke, cultuurhistorische, functionele en visuele aspecten. Het landschap kan beschouwd worden als een"},{"b":"Benelux-verdrag betreffende grensoverschrijdende samenwerking inzake wegvervoerinspectie *Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: De Federale Regering, De Vlaamse Regering, De Waalse Regering, De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Het Groothertogdom Luxemburg en Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”, Gelet op artikel 6, tweede lid, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, Gezien artikel 3, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, alsmede hoofdstuk 3.5 van het Gemeenschappelijk Werkprogramma 2013-2016, Gezien Beschikking M (2013) 6 van het Benelux Comité van Ministers van 18 november 2013 betreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen de inspectiediensten inzake wegvervoer, Overwegende dat Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, de bestuurlijke samenwerking tussen lidstaten en wederzijdse bijstand bepaalt, Overwegende dat Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad, intracommunautaire contacten in de vorm van uitwisseling van gegevens, ervaringen en inlichtingen tussen de lidstaten aanmoedigt, Overwegende dat Richtlijn 2000/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2000 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Gemeenschap deelnemen aan het verkeer, de lidstaten gelast elkaar wederzijds bijstand te verlenen voor de toepassing van die Richtlijn, Overwegende dat Richtlijn 95/50/EG van de Raad van"},{"b":"Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) *Het Koninkrijk België, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door de wens: – de verdragen, de eenvormige wetten en de wijzigingsprotocollen inzake Benelux merken en tekeningen of modellen te vervangen door een enkel verdrag waarin zowel het merkenrecht als het tekeningen- of modellenrecht systematisch en overzichtelijk geregeld worden; – snelle en efficiënte procedures in te voeren voor de aanpassing van de Benelux-regelgeving aan de Gemeenschapsregelgeving en reeds door de drie Hoge Verdragsluitende Partijen bekrachtigde internationale verdragen; – het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen te vervangen door de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken, tekeningen of modellen) die door middel van beslissings- en uitvoeringsorganen met eigen en aanvullende bevoegdheden haar taak uitoefent; – de nieuwe Organisatie een structuur te geven die de huidige opvattingen inzake internationale organisaties weerspiegelt en de onafhankelijkheid ervan, met name door middel van een protocol inzake voorrechten en immuniteiten, garandeert; – de nieuwe Organisatie dichter bij het bedrijfsleven te brengen door de bevoegdheden ervan ten volle te benutten zodat ze nieuwe taken op het gebied van de intellectuele eigendom kan vervullen en decentrale bijkantoren kan oprichten; – aan de nieuwe Organisatie, op niet-exclusieve basis, een evaluatiebevoegdheid en initiatiefrecht toe te kennen bij de aanpassing van het Benelux-recht inzake merken en tekeningen- of modellen; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben hiertoe als hun Gevolmachtigden aangewezen: Zijne Excellentie de Heer K. DE GUCHT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer B. R. BOT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer J. ASSELBORN, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm b"},{"b":"Benelux-Verdrag inzake grensoverschrijdende en interterritoriale samenwerking *Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Duitstalige Gemeenschapsregering, de Waalse Regering, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Partijen”, Gelet op het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, en in het bijzonder artikel 6, tweede lid, onder f), Gelet op de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten, ondertekend te Madrid op 21 mei 1980 alsmede het Aanvullend Protocol nr. 1 van 9 november 1995, Protocol nr. 2 van 5 mei 1998 en Protocol nr. 3 van 16 november 2009 bij deze kaderovereenkomst; Gelet op de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten, ondertekend te Brussel op 12 september 1986, en het Protocol, gedaan te Brussel op 22 september 1998, tot aanvulling van deze Benelux-Overeenkomst; Met voldoening vaststellende dat territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten op het grondgebied van de Lidstaten van de Benelux Unie, de hiervoor vermelde Benelux-Overeenkomst veelvuldig voor hun onderlinge grensoverschrijdende samenwerking gebruiken; Vaststellende dat de samenwerkingsverbanden die tot stand zijn gekomen op basis van deze Benelux-Overeenkomst de deelnemende leden bij een efficiënte grensoverschrijdende samenwerking hebben ondersteund, maar tegelijkertijd ook belemmeringen in de samenwerking aan het licht hebben gebracht; Overwegende dat een actualisering van de Benelux-Overeenkomst gewenst is om een oplossing voor deze belemmeringen te bieden; Overwegende dat deze actualisering mede gewenst is in het licht van de in Europees verband tot stand gekomen nieuwe mogelijkheden om grensoverschrijdend en interterritoriaal samen te werken; Gezien de belangstelling in"},{"b":"Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van de sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden *Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: – De Federale Regering, – De Vlaamse Regering, – De Regering van de Franse Gemeenschap, – De Waalse Regering, – De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, – De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen: „de Verdragsluitende Partijen”, Geleid door de wens de nauwe grensoverschrijdende samenwerking tussen de drie landen van de Benelux Unie inzake de bestrijding van grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te verbeteren en te versterken, Vanuit het perspectief van het garanderen van het vrije verkeer en de rechten van sociaal verzekerden, Verlangend onjuistheden en misbruik te vermijden en grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te bestrijden, Overwegende dat sociale fraude in haar vele facetten zoals sociale dumping, schijnconstructies, detacheringsfraude, premie- en uitkeringsfraude, frauduleuze uitzendkantoren, illegale arbeid en zwartwerk dan wel bedrieglijk gemeld werk, een groeiend maatschappelijk probleem vormt en steeds vaker een georganiseerd karakter vertoont, Overwegende dat moet worden gezorgd voor een efficiënte bescherming van de werkgelegenheid, de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk, alsmede voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, met name voor werkenden die zich in een kwetsbare situatie bevinden, Overwegende dat de controle- en inspectiediensten worden geconfronteerd met juridische, administratieve, praktische en territoriale beperkingen, Gelet op artikel 6, lid 2, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, ondertekend te ’s-Gravenhage op 17 juni 20"},{"b":"Benoemingen Commissie Auteursrecht Instelling en taak Artikel 1 1. Er is een commissie auteursrecht die tot taak heeft de Minister van Justitie desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten. 2. Van het voornemen om uit eigen beweging advies uit te brengen stelt de commissie de Minister van Justitie vooraf in kennis teneinde de mening van de minister dienaangaande te vernemen. Artikel 2 De commissie wordt ingesteld voor een periode van vier jaar. Samenstelling Artikel 3 1. De commissie telt ten hoogste negen gewone leden, waaronder de voorzitter, alsmede een adviserend lid en een secretaris. De minister kan één of meer adjunct-secretarissen aan de commissie toevoegen. 2. De voorzitter en de overige gewone leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid. Artikel 4 In de commissie worden benoemd: - a. tot lid en voorzitter van de commissie: Prof. Mr. D.W.F. Verkade te Leiden; - b. tot leden van de commissie: Prof. Mr. J.J. Brinkhof te 's-Gravenhage; Prof. Mr. H. Cohen Jehoram te Amsterdam; Prof. Mr. E.J. Dommering te 's-Gravenhage; Prof. Mr. F.W. Grosheide te Utrecht; Prof. Mr. K.J.M. Mortelmans te Utrecht. Prof. Mr. J.H. Spoor te Amsterdam; - c. tot adviserend lid van de commissie: Mr. E. Lukács, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage; - d. tot secretaris van de commissie: Mr. M.Tj. Bouwes, werkzaam bij het Minsterie van Justitie te 's-Gravenhage. Werkwijze Artikel 5 1. De commissie kan zich wenden tot openbare en particuliere diensten en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft. 2. De commissie kan voorts met toestemming van de Minister van Justitie studie-opdrachten verlenen aan derden. 3. De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen in de commissie deel te nemen. Slotbepalingen Artikel 6 De kosten voortvloeiende uit de werkzaamheden van de commissie komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Jus"},{"b":"Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT Artikel 1. Benoeming 1. Tot lid van de Toezichtsraad BIT worden benoemd: - a. Prof. dr. H. Verkruijsse; - b. Prof. dr. P. Klint. 2. De benoeming geldt voor de periode van 16 oktober 2015 tot 16 april 2018. Artikel 2. Vergoeding 1. De leden ontvangen een vergoeding per vergadering van 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 2. De leden ontvangen een vergoeding van reiskosten op grond van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT."},{"b":"Benoemingsbesluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit van 7 juli 2026, houdende de aanwijzing van de Functionaris voor gegevensbescherming voor de AVG bij de NZa Artikel 1 Als Functionaris voor gegevensbescherming (FG) voor de Algemene Verordening Gegevensbescherming wordt benoemd mevrouw mr. M.M. Hoff. Artikel 2 1. De FG is belast met de taken zoals omschreven in artikel 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en voert deze taken uit in volledige onafhankelijkheid. 2. De FG vervult haar taken voor alle situaties waarin de Raad van Bestuur van de NZa geldt als (al dan niet gezamenlijk) verwerkingsverantwoordelijke of als verwerker. Artikel 3 Dit besluit geldt voor de gehele NZa. Artikel 4 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Dit besluit werkt terug tot en met 1 augustus 2024."},{"b":"Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m. 1. Samenvatting In deze circulaire adviseer ik u over de vergunningverlening op grond van [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8) met betrekking tot de geluidhinder veroorzaakt door wegverkeersbewegingen van en naar de inrichting. Ik adviseer u om dergelijke geluidhinder in het vervolg te beoordelen op een wijze die nagenoeg overeenkomt met de wijze waarop verkeerslawaai wordt beoordeeld. Hiermee wordt de beoordelingswijze voor industrielawaai op basis van de Circulaire industrielawaai uit 1979 op dit punt verlaten. De nieuw voorgestelde beoordelingswijze houdt in dat aan de geluidsbelasting, veroorzaakt door aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting, uitsluitend een maximum wordt gesteld in de vorm van een gemiddelde geluidsbelasting in een etmaal, en niet meer tevens een maximum aan de geluidsbelasting op een bepaald moment (piekniveau). Voorts acht ik het onder bepaalde voorwaarden acceptabel wanneer u bij vergunningverlening gebruik maakt van de bandbreedte tussen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximale grenswaarde van 65 dB(A) op de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen. Ik geef u hierbij in overweging om geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toe te staan indien een dergelijke overschrijding kan worden voorkomen door het treffen van bronmaatregelen of door (op kosten van de vergunningaanvrager te treffen) geluidwerende maatregelen in de overdrachtsweg. Wanneer het bevoegd gezag toch een hogere grenswaarde overweegt, kan rekening worden gehouden met de bestaande situatie, de mogelijkheden om geluidsgevoelige ruimten van betrokken woningen door gevelmaatregelen voldoende te beschermen en met de geldende grenswaarden uit de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227). Tot slot ga ik aan het einde van deze brief in op de be"},{"b":"Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland December 2016 Inleiding Met het *Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland* voor het beoordelen van de kwaliteit van hogeronderwijsopleidingen en -instellingen heeft het Nederlandse kwaliteitszorgstelsel een volgende fase bereikt. Het nieuwe kader brengt een belangrijke optimalisatie tot stand, passend bij het huidige tijdsbeeld. Tevens komt het kader tegemoet aan een kwaliteitszorgstelsel dat is gebaseerd op vertrouwen in de bestaande, hoge kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs. Het stelsel beoogt, binnen het geldende wettelijke raamwerk van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) (WHW), het eigenaarschap van docenten en studenten over de opleidingen te bevestigen en de administratieve lasten rond accreditatie bij de opleidingen en instellingen te verminderen. Tegelijkertijd dient het stelsel voldoende robuust te zijn om de kwaliteit van opleidingen en instellingen te waarborgen, verbetering te kunnen afdwingen en de geboden kwaliteit zichtbaar te maken voor studenten, werkgevers en de samenleving. De vorige twee Nederlandse accreditatiestelsels traden in 2002 en in 2011 in werking. Nu, met de start van de derde fase van het accreditatiestelsel in 2017 begint tegelijk de tweede ronde van de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). De eerste ronde van ITK’s heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van een kwaliteitszorgsysteem op instellingsniveau en een kwaliteitscultuur op het gebied van onderwijs. In de tweede ronde wordt beoordeeld in hoeverre het genoemde kwaliteitszorgsysteem en de daarbij horende werkwijzen robuust zijn en of binnen de instellingen een duurzame kwaliteitscultuur tot stand is gekomen. Een positief oordeel over alle standaarden bevestigt dan het vertrouwen in de instelling. Daarmee vormt de tweede ronde ITK’s een belangrijke bouwsteen voor een stelsel dat is gebas"},{"b":"Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland Inleiding De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is het accreditatieorgaan voor het Nederlands hoger onderwijs. De NVAO accrediteert associate degree, bachelor- en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs en beoordeelt instellingen voor hoger onderwijs in een instellingstoets. Voor deze beoordelingen stelt de NVAO een accreditatiekader op. Het accreditatiekader bevat de standaarden en beslisregels voor de erkenning ITK, de accreditatie nieuwe opleiding, de accreditatie bestaande opleiding en het bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs (BKKI). Daarnaast bevat het kader de vereisten waaraan panels voor de genoemde beoordelingen moeten voldoen en beschrijft het de indeling van opleidingen in het visitatierooster. Het kader is een uitwerking van de in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) (WHW) opgenomen kwaliteitsaspecten. Het volgt tevens de Europese afspraken over inrichting van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs zoals vastgelegd in de European Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (ESG) van 2015. Het accreditatiekader volgt de lijn van de kaders die de NVAO in 2016 en 2018 heeft opgesteld. Het is gebaseerd op het vertrouwen in de bewezen, hoge kwaliteit van het Nederlands hoger onderwijs. Het eigenaarschap van docenten, studenten en bestuurders voor de kwaliteit van het onderwijs staat daarom centraal in dit kader. De criteria voor accreditatie zijn niet veranderd. Er zijn wel twee belangrijke wijzigingen aangebracht ten opzichte van eerdere kaders. - 1. Het kader maakt onderscheid tussen opleidingen van instellingen met en zonder erkenning ITK. Dit onderscheid is als volgt vormgegeven: voor alle opleidingen gelden dezelfde standaarden voor de beoogde en gerealiseerde leerresultaten, de onderwijsleeromgeving en de"},{"b":"Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen In deze circulaire adviseer ik u over de vergunningverlening aan spoorwegemplacementen op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer (Wm) met betrekking tot activiteiten die piekgeluiden veroorzaken. Ik adviseer u deze geluiden in het vervolg te beoordelen op een nieuwe wijze die in deze circulaire wordt beschreven. Hiermee wordt de beoordelingswijze van piekgeluiden voor spoorwegemplacementen op basis van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening [3] (blz. 17 e.v.) op dit punt verlaten. De nieuwe beoordelingswijze van piekgeluiden geeft naar mijn oordeel afdoende bescherming tegen optredende schrik- en ontwaakreacties. Om de kans op schrikreacties te verkleinen, adviseer ik u zonodig een straffactor toe te passen op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor de betreffende etmaalperiode, het aantal geluidgebeurtenissen met een stijgsnelheid groter dan 15 decibel per seconde (dB/s) te beperken en/of de stijgsnelheid zelf te beperken. Teneinde de kans op ontwaakreacties te beperken adviseer ik u om wanneer de noodzaak daartoe aanwezig is, een aanvullende eis te stellen aan het equivalente geluidsniveau gedurende de nachtperiode (Lnight). De in deze brief voorgestelde andere beoordelingswijze van piekgeluiden moet worden bezien in het licht van een bredere aanpak van de milieuproblematiek van het spoor. Kortheidshalve verwijs ik u in dit verband naar de gezamenlijke brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en ondergetekende die binnenkort aan de Voorzitter van de Tweede Kamer wordt verzonden. 1. Schets van de problematiek In ons land zijn ca. 100 spoorwegemplacementen die op grond van [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8)(Wm) vergunningplichtig zijn. Op deze spoorwegemplacementen vinden activiteiten plaats die geluid veroorzaken, zoals het rijden door wissels en bogen, (ont)koppelen, remmen, ontluchten van rem"},{"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van de archieven van de Centrale Dienst voor Sibbekunde van het Departement van Binnenlandse Zaken 1941-1944, de volgende beperking gesteld: - 1. De openbaarheid van de inventaris van het archief is beperkt tot en met 31 december 2019; in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief wordt van deze inventaris een versie zonder bijlagen geplaatst; op specifieke personen gerichte vragen moeten door de onderzoeker worden voorgelegd aan de studiezaalbeambten; - 2. De directeur van het Algemeen Rijksarchief bereidt de beschikbaarstelling van de dossiers voor; indien blijkt dat een dossier dat ter inzage is gevraagd gegevens van derden bevat is het vierde lid, onderdeel c van toepassing; - 3. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 11-92, is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0011771) bij dit besluit gevoegd; - 4. Het formulier, bedoeld in het derde lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen, waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft, toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen; - 5. Het formulier, bedoeld in het derde lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Al"},{"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden 2001 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van de Raad van Advies en van Toezicht op het Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1913 - 1983, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 31, 76, 80, 81 en 82 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde *Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven;* een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0012254) bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden Bureau invordering Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van het Bureau Invordering van het ministerie van Binnenlandse Zaken (1942) 1945-1960 (1976), de hierna volgende beperking gesteld. 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 1 tot en met 1984 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0011783) bij dit besluit gevoegd. 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Beperkende bepalingen t.a.v. de openbaarheid van archiefbescheiden Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van de archieven van de Opbouwdienst/Afwikkelingsbureau Opbouwdienst/Nederlandse Arbeidsdienst/Arbeidsdienst voor Meisjes/Bureau Afwikkeling Nederlandse Arbeidsdienst, 1940-1968, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 57-130, 135-206, 237, 238, 256-665, 684, 685, 687-756, 772-776, 840-853 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0011748) bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Beperkende bepalingen t.a.v. openbaarheid archiefbescheiden Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten afkomstig van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) 1942-1996, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0012618) bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Beperking geluidhinder militaire luchtvaart Artikel 1 Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen binnen de plaatselijke verkeersleidingsgebieden rond militaire luchthavens moeten de volgende voorschriften worden nagekomen: - a. Het verkeerscircuit, de routering, de snelheid en de hoogte van vertrekkende en binnenkomende luchtvaartuigen moeten zodanig worden gekozen, dat het optreden van vermijdbare geluidhinder, met name in de bebouwde kommen en in de omgeving van bijzondere bebouwing, zoals ziekenhuizen en sanatoria, wordt voorkomen. - b. Een van de luchthaven opstijgend luchtvaartuig moet na de start zo snel mogelijk het startvermogen van de motor of motoren verminderen tot normaal klimvermogen en klimmen naar de voor het luchtvaartuig vastgestelde vlieghoogte. - c. Het aantal starts en doorstarts voor oefendoeleinden moet worden beperkt tot het, voor het verkrijgen dan wel het behouden van de vaardigheid door iedere individuele vlieger, noodzakelijk minimum. - d. Het overvliegen van de luchthaven beneden de voor het type luchtvaartuig vastgestelde verkeerscircuithoogte is niet toegestaan, tenzij door de commandant van de militaire luchthaven – om redenen van operationele aard, bijvoorbeeld in het kader van een onderdeelsoefening – anders is bepaald. - e. - 1°. Het vliegen voor oefendoeleinden is voor militaire luchtvaartuigen niet toegestaan op werkdagen na 00.00 uur plaatselijke tijd tot 07.00 uur plaatselijke tijd of zoveel eerder als de uniforme daglichtperiode aanbreekt, en op vrijdagen vanaf 17.00 uur, zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen. - 2°. Het vliegen voor oefendoeleinden is voor militaire luchtvaartuigen, belast met de SAR-taak, niet toegestaan op werkdagen na 01.00 uur plaatselijke tijd tot 07.00 uur plaatselijke tijd of zoveel eerder als de uniforme daglichtperiode aanbreekt, en op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen. - f. - 1°. Militaire luchtvaartuigen mogen na 22.00 uur plaatselijke"},{"b":"Beperking openbaarheid archiefbescheiden Stichting Landelijke Bezettingsschade (SLB) 1942-1945 en de Stichting Beheer Landbouwgronden (SBL) 1946-1982 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief over te brengen archiefbescheiden van het archief van Stichting Landelijke Bezettingsschade (SLB) 1942-1945 en de Stichting Beheer Landbouwgronden (SBL) 1946-1982, de volgende beperking gesteld: Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 136-137, 141-156, 188-194, 200, 204, 211, 220, 274, 275, 280-297, 303, 317, 322-325, 356-368, 372, 386-389, 394, 407-413, 429-433, 443-447, 454-458, 473-480, 496, 508, 512-514, 520, 525-528, 555-567, 599-604, 625-640, 658-661, 676, 687-689 en 694-704 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde *Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven*; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0013567) bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid geldt tot 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier. Artikel 3 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Beperking operaties met niet-geluidgecertificeerde straalvliegtuigen Artikel 1 Met ingang van 1 januari 1988 is het opstijgen van of landen op de krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) aangewezen luchtvaartterreinen verboden voor civiele vleugelvliegtuigen met straalturbineaandrijving, waarvoor de maximaal toegelaten snelheid kleiner is dan die van het geluid voor zover deze niet voldoen aan de bepalingen en voorschriften, welke ten minste gelijk zijn aan de minimum maatstaven, die zijn vastgesteld op grond van Bijlage 16, le editie 1981, Titel I, Deel II, Hoofdstuk 2, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. H 165). Artikel 2 De Minister van Verkeer en Waterstaat kan tot uiterlijk 1 januari 1990 ontheffing verlenen van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003673&artikel=1&z=1984-05-27&g=1984-05-27) indien naar zijn genoegen wordt aangetoond dat het voor de aanvrager vooralsnog onmogelijk is vluchten uit te voeren met vliegtuigen, welke aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003673&artikel=1&z=1984-05-27&g=1984-05-27) bedoelde bepalingen en voorschriften voldoen."},{"b":"Beperkingen aan de openbaarheid van de Adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om dossiers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2068 | | 2 | 2067 | | 3 | 2068 | | 4 | 2070 | | 5 | 2070 | | 6 | 2063 | | 7 | 2069 | | 8 | 2070 | | 9 | 2065 | | 10 | 2063 | | 11 | 2065 | | 12 | 2067 | | 13 | 2068 | | 14 | 2067 | | 15 | 2066 | | 16 | 2066 | | 17 | 2066 | | 18 | 2070 | | 19 | 2069 | | 20 | 2068 | | 21 | 2069 | | 22 | 2064 | | 23 | 2065 | | 24 | 2069 | | 25 | 2069 | | 26 | 2067 | | 27 | 2065 | | 28 | 2064 | | 29 | 2065 | | 30 | 2070 | | 31 | 2066 | | 32 | 2070 | | 33 | 2062 | | 34 | 2065 | | 35 | 2065 | | 36 | 2067 | | 37 | 2067 | | 38 | 2064 | | 39 | 2068 | | 40 | 2063 | | 41 | 2066 | | 42 | 2068 | | 43 | 2069 | | 44 | 2067 | | 45 | 2069 | | 46 | 2069 | | 47 | 2068 | | 48 | 2069 | | 49 | 2069 | | 50 | 2068 | | 51 | 2065 | | 52 | 2070 | | 53 | 2065 | | 54 | 2067 | | 55 | 2068 | | 56 | 2065 | | 57 | 2069 | | 58 | 2070 | | 59 | 2066 | | 60 | 2068 | | 61 | 2069 | | 62 | 2069 | | 63 | 2068 | | 64 | 2062 | | 65 | 2068 | | 66 | 2066 | | 67 | 2066 | | 68 | 2062 | | 69 | 2069 | | 70 | 2068 | | 71 | 2066 | | 72 | 2063 | | 73 | 2069 | | 74 | 2063 | | 75 | 2069 | | 76 | 2070 | | 77 | 2068 | | 78 | 2066 | | 79 | 2064 | | 80 | 2069 | | 81 | 2066 | | 82 | 2066 | | 83 | 2069 | | 84 | 2068 | | 85 | 2070 | | 86 | 2062 | | 87 | 2067 | | 88 | 2068 | | 89 | 2064 | | 90 | 2068 | | 91 | 2065 | | 92 | 2066 | | 93 | 2067 | | 94 | 2068 | | 95 | 2067 | | 96 | 2063 | | 97 | 2069 | | 98 | 2062 | | 99 | 2066 | | 100 | 2069 | | 101 | 2066 | | 102 | 2070 | | 103 | 2068 | | 104 | 2063 | | 105 | 2068 | | 106 | 2062 | | 107 | 2067 | | 108 | 2065 | | 109 | 2063 | | 110 | 206"},{"b":"Berner Conventie tot bescherming van letterkundige en kunstwerken van 9 september 1886, herzien te Berlijn op 13 november 1908 en te Rome op 2 juni 1928 *Le Président du Reich Allemand; le Président Fédéral de la République d'Autriche; Sa Majesté le Roi des Belges; le Président des Etats-Unis du Brésil; Sa Majesté le Roi des Bulgares; Sa Majesté le Roi de Danemark; Sa Majesté le Roi d'Espagne; le Président de la République d'Esthonie; le Président de la République de Finlande; le Président de la République Française; Sa Majesté le Roi de Grande-Bretagne, d'Irlande et des Territoires Britanniques au Delà des mers, Empereur des Indes; le Président de la République Hellénique; Son Altesse Sérénissime le Régent du Royaume de Hongrie; Sa Majesté le Roi d'Italie; Sa Majesté l'Empereur du Japon; Son Altesse Royale la Grande Duchesse de Luxembourg; Sa Majesté le Sultan du Maroc; Son Altesse Sérénissime le Prince de Monaco; Sa Majesté le Roi de Norvège; Sa Majesté la Reine des Pays Bas; le Président de la République Polonaise au nom de la Pologne et de la Ville Libre de Dantzig; le Président de la République Portugaise; Sa Majesté le Roi de Roumanie; Sa Majesté le Roi de Suède; le Conseil Fédéral de la Confédération Suisse; les Etats de Syrie et du Grand Liban; le Président de la République Tchécoslovaque; Son Altesse le Bey de Tunis, Egalement animés du désir de protéger d'une manière aussi efficace et aussi uniforme que possible les droits des auteurs sur leurs œuvres littéraires et artistiques, Ont résolu de réviser et de compléter l'Acte signé à Berlin le 13 novembre 1908. Ils ont, en conséquence, nommé pour leurs plénipotentiaires, savoir: Le Président du Reich Allemand: Son Excellence M. le Dr. h. c. Baron Constantin von Neurath, Ambassadeur d'Allemagne à Rome; M. Georg Klauer, Conseiller Ministériel au Ministère de la Justice; M. Wilhelm Mackeben, Conseiller de Légation au Ministère des Affaires Etrangères; M. le Dr. Eberhard Neugebauer, Conseiller Ministériel au Mini"},{"b":"Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971 *The countries of the Union, being equally animated by the desire to protect, in as effective and uniform a manner as possible, the rights of authors in their literary and artistic works, Recognizing the importance of the work of the Revision Conference held at Stockholm in 1967, Have resolved to revise the Act adopted by the Stockholm Conference, while maintaining without change Articles 1 to 20 and 22 to 26 of that Act. Consequently, the undersigned Plenipotentiaries, having presented their full powers, recognized as in good and due form, have agreed as follows:* Article 1 The countries to which this Convention applies constitute a Union for the protection of the rights of authors in their literary and artistic works. Article 2 (1). The expression “literary and artistic works” shall include every production in the literary, scientific and artistic domain, whatever may be the mode or form of its expression, such as books, pamphlets and other writings; lectures, addresses, sermons and other works of the same nature; dramatic or dramatico-musical works; choreographic works and entertainments in dumb show; musical compositions with or without words; cinematographic works to which are assimilated works expressed by a process analogous to cinematography; works of drawing, painting, architecture, sculpture, engraving and lithography; photographic works to which are assimilated works expressed by a process analogous to photography; works of applied art; illustrations, maps, plans, sketches and three-dimensional works relative to geography, topography, architecture or science. (2). It shall, however, be a matter for legislation in the countries of the Uni"},{"b":"Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend de 9de September 1886, aangevuld te Parijs de 4de Mei 1896, herzien te Berlijn de 13de November 1908, aangevuld te Bern de 20ste Maart 1914, herzien te Rome de 2de Juni 1928, en herzien te Brussel de 26ste Juni 1948 *L'Australie, l'Autriche, la Belgique, le Brésil, le Canada, le Danemark, l'Espagne, la Finlande, la France, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord, la Grèce, la Hongrie, l'Inde, l'Irlande, l'Islande, l'Italie, le Liban, le Liechtenstein, le Luxembourg, le Maroc, Monaco, la Norvège, la Nouvelle-Zélande, le Pakistan, les Pays-Bas, la Pologne, le Portugal, la Suède, la Suisse, la Syrie, la Tchécoslovaquie, la Tunisie, l'Union Sud-Africaine, la Cité du Vatican et la Yougoslavie, Egalement animés du désir de protéger d'une manière aussi efficace et aussi uniforme que possible les droits des auteurs sur leurs œuvres littéraires et artistiques, Ont résolu de reviser et de compléter l'acte signé à Berne le 9 septembre 1886, complété à Paris le 4 mai 1896, revisé à Berlin le 13 novembre 1908, complété à Berne le 20 mars 1914 et revisé à Rome le 2 juin 1928. En conséquence, les Plénipotentiaires soussignés, après présentation de leurs pleins pouvoirs, reconnus en bonne et due forme, sont convenus de ce qui suit:* Article 1er Les Pays auxquels s'applique la présente Convention sont constitués à l'état d'Union pour la protection des droits des auteurs sur leurs œuvres littéraires et artistiques. Article 2 (1). Les termes „œuvres littéraires et artistiques” comprennent toutes les productions du domaine littéraire, scientifique et artistique, quel qu'en soit le mode ou la forme d'expression, telles que: les livres, brochures et autres écrits; les conférences, allocutions, sermons et autres œuvres de même nature; les œuvres dramatiques ou dramatico-musicales; les œuvres chorégraphiques et les pantomimes, dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; les comp"},{"b":"Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen Artikel I De verordening, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353), wordt als volgt vastgesteld: *Verordening inzake een goede beroepsuitoefening door registerloodsen (Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen)* Artikel 1 - 1. Alvorens de registerloods enige dienst als registerloods mag uitoefenen, dient deze de navolgende eed (belofte) af te leggen: ‘Ik zweer, (beloof), dat ik in de uitoefening van mijn diensten als registerloods mij stipt zal gedragen naar de bestaande of nader uit te vaardigen regels, verordeningen en nadere voorschriften betreffende mijn beroepsuitoefening als registerloods en dat ik voorts als registerloods zal handelen, zoals een goed registerloods schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (dat beloof ik)’. - 2. Deze eed (belofte) wordt afgelegd in handen van de voorzitter van de corporatie of diens plaatsvervanger, voor zover mogelijk direct aansluitend op de ontvangst van de verklaring van inschrijving als registerloods in het register. - 3. De voorzitter of diens plaatsvervanger maakt van een afgelegde eed (belofte) een proces-verbaal in tweevoud op, dat door hem en de registerloods dient te worden ondertekend, waarvan een exemplaar bestemd is voor betrokkene en een exemplaar ten bewijze van het afleggen van de eed (belofte) voor de algemene raad van de corporatie. Artikel 2 De registerloods dient zich in het openbaar zodanig te gedragen dat het vertrouwen in het beroep van registerloods of in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. Artikel 3 De registerloods moet vermijden enige verplichting aan te gaan die zijn vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zou kunnen brengen. Artikel 4 - 1. De registerloods dient er voor zorg te dragen dat hij zijn beroepsuitoefening fit en uitgerust aanvangt. - 2. De registerloods is verplicht zich"},{"b":"Beschikking aanwijzing advocaat Gelet op de [artikelen 40, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=40), en [47 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=47); Besluit: Artikel 1 De aanwijzing van een advocaat op de voet van [artikel 40, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=40) geschiedt schriftelijk. Zij wordt slechts gedaan naar aanleiding van een schriftelijke, aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement gerichte verklaring van de advocaat dat hij bereid is om, binnen de grenzen van het praktisch mogelijke: - a. zo spoedig mogelijk nadat hem een inverzekeringstelling is gemeld de verdachte, ten einde hem bijstand te verlenen, te bezoeken in het politiebureau waar deze verblijft, indien dit politiebureau is gelegen in de plaats van vestiging van de advocaat of in de omgeving daarvan; - b. de verdachte van wie hem de inverzekeringstelling is gemeld bijstand te verlenen bij voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter gelegenheid van de behandeling van een vordering tot bewaring. Artikel 2 De officier van justitie of de hulpofficier doet van een inverzekeringstelling telefonisch mededeling aan een daartoe door de deken aangewezen vast centraal contactpunt in het arrondissement. Dit contactpunt is telefonisch bereikbaar: - a. op maandag tot en met vrijdag; ten minste gedurende de kantooruren; - b. in het weekeinde: gedurende per arrondissement door de deken te bepalen en aan de hoofdofficier van justitie op te geven tijdvakken van ten minste een uur op zaterdag en zondag. Artikel 3 Aan degene die de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004105&artikel=2&z=2010-07-28&g=2010-07-28) geregelde mededeling heeft gedaan wordt vanuit het contactpunt terstond of in ieder geval zo spoedig mogelijk telefonisch medegedeeld of een advocaat beschikbaar is. Indien een in verzekering gestelde verdachte vraag"},{"b":"Beschikking aanwijzing landen Kernenergiewet Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=3), jo. 3, eerste lid, onder h, onder 1°, [6, eerste lid, onder b, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=6), [14, eerste lid, onder c, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=14), en [16, eerste lid, onder c, onder 2°, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=16) worden de volgende landen aangewezen: - a. voor alle wijzen van vervoer: België, Bondsrepubliek Duitsland, Bulgarije, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Irak, Joegoslavië, Liechtenstein, Luxemburg, Marokko, Noorwegen, Oost-Duitsland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Syrië, Spanje, Tjechoslowakije, Tunesië, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland; - b. voor vervoer over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren, en voor het aansluitende vervoer in hetzelfde schip over Nederlandse binnenwateren, zomede voor vervoer in een luchtvaartuig: bovendien Canada, Japan en de Verenigde Staten van Amerika. Artikel 2 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking aanwijzing landen Kernenergiewet. Artikel 3 1. Deze beschikking wordt in de *Staatscourant* bekendgemaakt. 2. Zij treedt in werking op het tijdstip, waarop het [Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668) in werking treedt."},{"b":"Beschikking aanwijzing opsporingsambtenaren Wet op de economische delicten In overeenstemming met de Minister van Economische Zaken: - 1. de ambtenaren van de Economische Controledienst van het Ministerie van Economische Zaken aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij de [Wet uitvoering Internationaal Energie Programma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003235), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgend op die der bekendmaking."},{"b":"Beschikking aanwijzing opsporingsambtenaren Wet op het afbetalingsstelsel 1961 - 1. Als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de wet van 13 juli 1961, *Stb.* 218, houdende regelen tot bevordering van een goede toepassing van het afbetalingsstelsel (Wet op het Afbetalingsstelsel 1961), worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst. - 2. Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de *Nederlandse Staatscourant* en treedt in werking op de dag na die harer bekendmaking."},{"b":"Beschikking aanwijzing overheidsinstanties Artikel 1 Als overheidsinstanties belast met de zorg voor de veiligheid van de Staat, bedoeld in artikel 3ter, dertiende lid onder c van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. nr. 7) worden aangewezen: - a. de krijgsmacht, de Koninklijke Marechaussee, de inter-serviceorganen ressorterende onder de minister van Defensie, alsmede de op grond van door de Nederlandse regering gesloten internationale overeenkomsten hier te lande aanwezige buitenlandse strijdkrachten voor zover de coördinatie van de bij deze strijdkrachten in gebruik zijnde frequenties geschiedt namens de minister van Defensie; - b. het korps Rijkspolitie, de gemeentelijke politie, de Politieverbindingsdienst, de afdeling Interpol La Haye, alsmede het Direktoraat-Generaal Politie- en Vreemdelingenzaken en het Direktoraat-Generaal Jeugdbescherming- en Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie met inbegrip van de daaronder ressorterende instellingen; - c. de onder de minister van Algemene Zaken en de minister van Binnenlandse Zaken ressorterende instanties belast met de zorg voor de interne veiligheid van de Staat. Artikel 2 De [aanwijzing in artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003836&artikel=1&z=1985-09-16&g=1985-09-16) geldt uitsluitend voor zover de inrichtingen worden gebruikt voor de uitvoering van de specifieke taken die aan deze instanties zijn opgedragen. Artikel 3 De aangewezen overheidsinstanties dienen bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van de inrichtingen de voorschriften en aanwijzingen na te leven van de deelbeheerders, bedoeld in artikel 3 van de Regeling Etherbeheer (Stcrt. 1983, 253), aan wie de frequentiebanden, waarin het gebruik van de inrichtingen plaatsvindt, zijn toegewezen. Artikel 4 De aangewezen overheidsinstanties dienen de inrichtingen te voorzien van een kenmerk, dan wel verklaringen bij de inrichtingen te voegen, waaruit voor de toezichthoudende instanties kan blijken dat de betreffende inrichting"},{"b":"Beschikking Aanwijzing Voedselcommissaris 's-Gravenhage Artikel 1 Er wordt een voedselcommissaris, bedoeld in [artikel 3 van de Noodwet Voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3) aangewezen in het gebied omvattende de gemeenten 's-Gravenhage, Rijswijk en Voorburg. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002701&artikel=1&z=1970-05-06&g=1970-05-06) aangewezen voedselcommissaris staat onder bevelen van de voedselcommissaris in de provincie Zuid-Holland. Artikel 3 1. Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking Aanwijzing Voedselcommissaris 's-Gravenhage. 2. Zij wordt bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"b":"Beschikking aanwijzing voedselcommissarissen Artikel 1 Als voedselcommissarissen, bedoeld in [artikel 3 van de Noodwet voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3), worden aangewezen: - a. in iedere provincie de districtsbureauhouders van de Stichting Uitvoering Landbouwmaatregelen; - b. de bij beschikking benoemde voedselcommissaris te Amsterdam, voor de gemeenten Amstelveen, Amsterdam en Diemen; - c. de bij beschikking benoemde voedselcommissaris te Nijmegen, voor de gemeenten Appeltern, Batenburg, Bergharen, Beuningen, Dreumel, Druten, Ewijk, Groesbeek, Heumen, Horssen, Millingen aan den Rijn, Nijmegen, Overasselt, Ubbergen, Wamel en Wijchen. Artikel 2 De bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002499&artikel=1&z=1965-08-16&g=1965-08-16) aangewezen voedselcommissarissen, die standplaats hebben in het ambtsgebied van een voedselcommissaris in de provincie, staan onder de bevelen van die voedselcommissaris. Artikel 3 1. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking aanwijzing voedselcommissarissen. 2. Zij wordt bekend gemaakt in de *Staatscourant*."},{"b":"Beschikking bescherming persoonlijke levenssfeer (Registratie artikel 24 Landbouwwet) Artikel 1 In de beschikking wordt verstaan onder: *de Minister:* de Minister van Landbouw en Visserij; *wet:* [Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252); *de registratie:* het geautomatiseerde systeem, waarin gegevens zijn opgenomen van op basis van de wet gehouden tellingen en enquêtes; *het L.E.I.:* het Landbouw-Economisch Instituut; *de commissie:* de Commissie voor de Landbouw- en voedselvoorzieningsstatistiek; *de geregistreerde:* de persoon van wie gegevens in de registratie zijn opgenomen; *de voedselcommissaris:*de Provinciale voedselcommissaris, tevens gewestelijk directeur van de Stichting tot Uitvoering van Landbouwmaatregelen, voor zover het zijn ambtsgebied betreft. Artikel 2 Doel van de registratie is het kunnen beschikken over informatie in de vorm van op de persoon herleidbare gegevens ten behoeve van het nationale en internationale landbouwbeleid alsmede onderzoek en voorlichting op het gebied van de landbouw. Artikel 3 In de registratie worden gegevens opgenomen uitsluitend van personen, die ingevolge het bepaalde in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) zijn verplicht tot het doen van opgave van de landbouwkundige en technische gegevens van hun onderneming. Artikel 4 1. De in de registratie opgenomen gegevens betreffen uitsluitend die landbouwkundige en technische bedrijfsgegevens die op grond van [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) zijn verkregen. 2. Deze voor de registratie benodigde gegevens worden verschaft op beschrijvingsbiljetten als bedoeld in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24). Artikel 5 De directeur-generaal voor Landbouw en Voedselvoorziening treedt op als houder van de registratie. Artikel 6 Ten behoeve van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003333&artikel=2&z=1983-09"},{"b":"Beschikking bescherming persoonlijke levenssfeer ingeschrevenen voor de dienstplicht Artikel 1. Begripsbepalingen registratie: de geautomatiseerde administratie bij de Directie Dienstplichtzaken van ingeschrevenen voor de dienstplicht; houder: de directeur Dienstplichtzaken; geregistreerde: degene over wie de registratie gegevens bevat; uitvoerders: - 1. de staffunctionaris Automatisering bij de Directie Dienstplichtzaken, - 2. het hoofd van het Defensie-computercentrum. Artikel 2. Doelstelling van de registratie De doelstelling van de registratie is de bestuurlijke informatieverstrekking ten behoeve van de uitvoering van de Dienstplichtwet. Artikel 3. In de registratie opgenomen gegevens De registratie kan omtrent de geregistreerde ten hoogste de gegevens bevatten, die zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=I&z=1978-08-01&g=1978-08-01). Artikel 4. Verwijdering van gegevens 1. De gegevens vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=I&z=1978-08-01&g=1978-08-01) – met uitzondering van de gegevens die tevens in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=II&z=1978-08-01&g=1978-08-01) zijn opgenomen-, worden na een door de houder vast te stellen termijn uit de registratie verwijderd, met dien verstande, dat na opkomst in werkelijke dienst, verklaring tot buitengewoon dienstplichtige e.d., die gegevens niet langer worden gemuteerd en uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt. 2. De gegevens vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=II&z=1978-08-01&g=1978-08-01) worden behouden tot het 35e levensjaar van de geregistreerden. Artikel 5. Functionering registratie 1. De diverse bureaus van de Directie Dienstplichtzaken (inclusief de Indelingsraden) verschaffen de uitvoerders de in de registratie op te nemen gegevens, alsmede de wijzigingen die daarin dienen te worden aangebracht. 2. De uitvoerders zijn belast met de te"},{"b":"Beschikking Casinospelen 1996 Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de Wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de Minister:* de Minister van Veiligheid en Justitie; - c. *de Kansspelautoriteit:* de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - d. *de vergunninghouder:* de rechtspersoon aan welke in artikel 2 vergunning wordt verleend; - e. *speelcasino:* een inrichting als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g); - f. *speelzaal:* een zich binnen een speelcasino bevindende ruimte bestemd voor de organisatie van casinospelen of de opstelling van kansspelautomaten; - g. *kansspelautomaat:* kansspelautomaat zoals bedoeld in [artikel 30, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30); - h. *spelreglement:* reglement als bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009234&artikel=4&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - i. *huisreglement:* reglement als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009234&artikel=10&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - j. *incidenten:* alle situaties die het vertrouwen van de consument in de vergunde kansspelen kunnen schaden; - k. *compliance officer:* de functionaris als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009234&artikel=16&z=2017-12-01&g=2017-12-01). Artikel 2 1. Aan Holland Casino N.V., een naamloze vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Den Haag met KvK-nummer 68662289 wordt voor onbepaalde duur vergunning verleend tot: - a. het organiseren van een speelcasino in de gemeenten Zandvoort, Valkenburg, ’s-Gravenhage, Breda, Groningen, Nijmegen, Rotterdam, Amsterdam, Eindhoven, Utrecht, Enschede, Haarlemmermeer, Venlo en Leeuwarden; - b. het organiseren van een speelcasi"},{"b":"Beschikking Commissie Geneeskundigen Immunisatie Militairen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: „de Minister”: de Minister van Oorlog of de Minister van Marine, al naargelang het betreft een onderzoek van geneeskundige bezwaren tegen immunisatie van een militair van de landmacht dan wel van de zeemacht; „de wet”: de [Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117); „verzoekschrift”: een geschrift, houdende een verzoek om vrijstelling van immunisatiemaatregelen wegens geneeskundige redenen. Artikel 2 Tot het uitbrengen aan de Minister van een advies, als bedoeld in [artikel 6 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=6), worden naar behoefte één of meer commissies ingesteld. Artikel 3 1. Een commissie bestaat uit drie leden, benevens drie plaatsvervangende leden. Als leden worden aangewezen een dermatoloog, een internist en een neuroloog. Als plaatsvervangende leden worden aangewezen onderscheidenlijk een dermatoloog, een internist en een neuroloog. 2. Een commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris, als hoedanig een officier-arts of een officier van gezondheid optreedt. Deze wordt in onderling overleg door de chef geneeskundige dienst der zeemacht en de inspecteur van de geneeskundige dienst der Koninklijke landmacht aangewezen. 3. De leden en de plaatsvervangende leden worden als zodanig benoemd door de Ministers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002125&artikel=1&z=1954-01-18&g=1954-01-18). Deze Ministers wijzen één der leden aan als voorzitter der commissie. Bij ontstentenis of afwezigheid van de voorzitter treedt als zodanig op het oudste lid of, indien geen lid aanwezig is, het oudste plaatsvervangend lid. Artikel 4 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de commissie en roept haar bijeen zo dikwijls hij zulks in verband met de werkzaamheden nodig acht. 2. De voorzitter bepaalt de plaats, waar de commissie zitting zal houden. Artikel 5"},{"b":"Beschikking Commissie Gewetensbezwaren Immunisatie Militairen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: „de Minister”: de Minister van Oorlog of de Minister van Marine, al naargelang het betreft een onderzoek van gewetensbezwaren tegen immunisatie van een militair van de landmacht dan wel van de zeemacht; „gewetensbezwaren”: gewetensbezwaren, als bedoeld in [artikel 5 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=5). Artikel 2 Tot het uitbrengen van advies bij de beslising omtrent de erkenning van de in een verzoekschrift naar voren gebrachte gewetens bezwaren wordt een commissie ingesteld. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste vier leden. 2. De commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris of een secretaresse. 3. De voorzitter, de leden en de secretaris of secretaresse worden als zodanig benoemd door de Ministers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002121&artikel=1&z=1953-11-18&g=1953-11-18). Artikel 4 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de commissie. 2. De voorzitter roept de commissie bijeen zo dikwijls hij zulks in verband met de werkzaamheden nodig acht. 3. Hij bepaalt de plaats, waar de commissie zitting zal houden. Artikel 5 De commissie kan zitting houden, indien ten minste drie leden aanwezig zijn. Artikel 6 De commissie kan ter zake van een haar om advies gezonden verzoekschrift een voorlopig onderzoek doen instellen door één of meer, al dan niet uit haar midden daartoe aan te wijzen personen. Artikel 7 De commissie brengt een afwijzend advies niet uit dan nadat zij de verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld zijn of haar bezwaren ter zitting van de commissie toe te lichten. De commissie kan de verzoeker toestemming verlenen zich ter zitting te doen bijstaan. Artikel 8 1. De commissie beslist voor het uitbrengen van haar advies met eenvoudige meerderheid van stemmen. 2. Indien de stemmen staken, besl"},{"b":"Beschikking consignatie van gelden Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder wet: de wet van 27 augustus 1980, Staatsblad 473 ([Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338)). Artikel 2 Als rekening als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=3), wordt aangewezen de rekening, nr. 552770 van het Ministerie van Financiën bij de Postbank. Artikel 3 Als ambtenaar bedoeld in [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=4), wordt aangewezen de Directeur van de Centrale Directie Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Financiën. Artikel 4 Het model van het bewijs van consignatie, bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=6) wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003370&bijlage=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) van deze beschikking. Artikel 5 1. De bekendmakingen bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=7), en [artikel 10, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=10) vinden plaats in de loop van de maand februari. 2. De in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=11) alsmede de in het vorige lid bedoelde bekendmakingen bevatten: - a. een opgaaf van de dagtekeningen van de consignaties; - b. een opgaaf van de ambtenaren bij wie de in [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=6) bedoelde bescheiden worden bewaard; - c. een opgaaf van de personen door of namens wie de gelden ter consignatie zijn aangeboden; - d. waar mogelijk een opgaaf van de rechtsgrond van de consignatie. 3. Aan de bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant zal nadere bekendmaking worden gegeven door middel van een publikatie in de dagbladen. Artikel 6 1. Het schriftelijke verzoe"},{"b":"Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bepaalde, worden navolgende natuurlijke personen als ingezetenen aangewezen: de aan vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland verbonden diplomatieke, beroepsconsulaire, administratieve en technische ambtenaren van Nederlandse nationaliteit, alsmede de in [artikel 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=120) (Stb. 1986, 611) bedoelde uitgezonden werknemers van Nederlandse nationaliteit, alsmede hun echtgenoten en bij hen inwonende kinderen. Artikel 2 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers. Artikel 3 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. Zij treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 mei 1994."},{"b":"Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse militairen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bepaalde, worden de navolgende natuurlijke personen als ingezetenen aangewezen, voorzover zij geen ingezetenen zijn ingevolge [artikel 1, onder a, ten eerste, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=1): - a. vrijwillig dienende leden van de Nederlandse krijgsmacht, die zich voor de uitoefening van de dienst in het buitenland bevinden; - b. dienstplichtige leden van de Nederlandse krijgsmacht, die zich voor de uitoefening van de dienst in het buitenland bevinden; - c. burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie, dat bij een onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht in het buitenland te werk is gesteld; - d. burgerambtenaren in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die zijn geplaatst bij een ten behoeve van de Nederlandse krijgsmacht in het buitenland opgerichte Nederlandse school; - e. Nederlandse personen, werkzaam in dienst van de hiernagenoemde Nederlandse, niet commerciële organisaties, die in het buitenland militaire tehuizen beheren: - 1. de Koninklijke Nederlandse Bond ‘Pro Rege’, - 2. de Stichting Militaire Tehuizen van het Humanistisch Thuisfront, en, - 3. de Stichting Jeugdwerk West-Duitsland; - f. de bij een persoon behorende tot één van de hierboven genoemde categorieën inwonende echtgenoot en kinderen; en, - g. naaste bloedverwanten van een persoon behorende tot één van de hierboven genoemde categorieën, die financieel of om gezondheidsredenen afhankelijk zijn voor zodanige personen en die bij zodanige personen in het buitenland wonen. Artikel 2 Deze regeling kan worden aangehaald als: Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse militairen. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. Zij treedt in werking met ingang van de tweede dag na de da"},{"b":"Beschikking financieel beheer bureau beheer landbouwgronden Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze beschikking is het bureau te beschouwen als een departementale organisatie-eenheid van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2. Met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005618&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) van deze beschikking en onverminderd het bepaalde in de [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) (Stb. 1981, 248), hierna verder te noemen de wet, is voor het bureau met betrekking tot het beheer van de begroting en het beheer der geldmiddelen het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 5 van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) 1976, van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. Onder inkomsten en uitgaven, als bedoeld in artikel 33 van de wet, worden zowel voor de begroting als voor de rekening en verantwoording, verstaan de geldelijke ontvangsten en bepalingen, als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=16) 1976. 2. De begroting van het bureau wordt onderverdeeld in artikelen, die betrekking hebben op de inkomsten en de uitgaven. 3. Voor de in een kalenderjaar aan te gane verplichtingen wordt, voor zover deze tot uitgaven in latere jaren zullen leiden, naast de raming van de uitgaven van het kalenderjaar een raming van die verplichtingen opgenomen, tenzij de omvang daarvan niet kan worden bepaald, danwel die verplichtingen per begrotingsartikel een bedrag van € 115.000,- niet te boven gaan. Artikel 3 De aan de in artikel 30 van de Wet bedoelde commissie beheer landbouwgronden en vervolgens aan de Minister van Landbouw, natuurbeheer en Visserij, hierna verder te noemen de Minister, ter goedkeuring voor te leggen begroting gaat vergezeld van een toelichting, die de grondslagen van het te voeren beleid"},{"b":"Beschikking grondbankstelsel Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *'commissie':* commissie beheer landbouwgronden als bedoeld in [artikel 30 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30); - b. *'uitgifte':* uitgifte in erfpacht van landbouwgronden door het bureau; - c. *'aanvrager':* degene, die op de voet van deze beschikking een aanvrage voor uitgifte heeft ingediend; - d. *'sub-commissie':* subcommissie van de provinciale commissie beheer landbouwgronden, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Instellingsbeschikking provinciale commissies beheer landbouwgronden (Stcrt. 1982, 236); - e. *'bedrijfsomvang':* de bedrijfsomvang naar de toestand op het tijdstip van de, bij het indienen van de aanvrage, laatst bekende, in [artikel 24 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) bedoelde, landbouwtelling; - f. *'s.b.e.':* standaardbedrijfseenheden, te weten de door het Landbouw-Economisch Instituut berekende verhoudingsgetallen, die een beoordeling mogelijk maken van de produktie-omvang van het gehele bedrijf, alsmede van de afzonderlijke produktierichtingen, zoals aangegeven op de bij deze beschikking behorende bijlage; - g. *'akkerbouwbedrijf':* bedrijf waarvan de bedrijfsomvang van de sector akkerbouw, in s.b.e. uitgedrukt, ten minste 80% van de totale bedrijfsomvang uitmaakt; - h. *'Landinrichtingcommissie':*commissie als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Landinrichtingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003793&artikel=27); - i. *'directeur':* directeur van het bureau; - j. *'besluit':* [Besluit grondbankstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548) (Stb. 1982, 692). 2. Voor de toepassing van deze beschikking wordt: - a. onder landinrichtingscommissie mede begrepen de reconstructiecommissie als bedoeld in [artikel 1 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Beschikking houdende onttrekking van het gedeelte van de traverse van de Zuid-Willemsvaart door Helmond, tussen de Houtse Parallelbrug en de Aarle-Rixtelsebrug, aan de bestemming voor het openbare scheepvaartverkeer Met ingang van heden aan de bestemming voor het openbare scheepvaartverkeer te onttrekken het gedeelte van de traverse door Helmond van de Zuid-Willemsvaart, tussen de Houtse Parallelbrug en de Aarle-Rixtelsebrug."},{"b":"Beschikking houdende voorschriften inzake het organiseren van de instantloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: de wet: de Wet op de kansspelen; de ministers: de Minister van Justitie en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; de stichting: de Stichting Nationale Instantloterij, gevestigd te 's-Gravenhage; verkooppunt: een inrichting als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, onderdeel b, van de wet; uitgifte van deelnamebewijzen: het door de stichting leveren van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; het college: het college van toezicht op de kansspelen als bedoeld in artikel 33 van de wet. Artikel 2 1. Aan de Stichting Nationale Instantloterij wordt voor de duur van twee jaren en vier maanden, te rekenen van 1 januari 1994 tot en met 30 april 1996, vergunning verleend tot het organiseren van de instantloterij. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006381&artikel=3&z=1996-01-01&g=1996-01-01) tot en met [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006381&artikel=22&z=1996-01-01&g=1996-01-01) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 1. De instantloterij wordt georganiseerd met inachtneming van de statuten en reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de ministers, gehoord het college. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnamevoorwaarden, de prijzenschema's, de prijzenreserve de voorschriften en vergoedingen voor de verkooppunten alsmede de bestemming van de netto-opbrengst van de krachtens deze vergunning georganiseerde kansspelen. 4. De statuten bevatten in ieder geval de bepaling dat één door het bestuur van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij aan te wijzen persoon deel zal uitmaken van het bestuur van de stichting. Bepalingen in de statuten die betrekk"},{"b":"Beschikking individueel MBI-omzetplafond De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ en de regeling ‘Informatieverstrekking geriatrische revalidatiezorg’ en van de onderstaande definities voor elke afzonderlijke instelling die geriatrische revalidatiezorg levert voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld voor de omzet. Deze bovengrens luidt: - (a) *Indien de minister aan de NZa zal meedelen dat er geen sprake is van overschrijding van het landelijk MBI-omzetplafond over het jaar 2013:* *Bovengrens (2013) = omzet (2013)* - (b) *Indien de minister aan de NZa zal meedelen dat er sprake is van een overschrijding van het landelijk MBI-omzetplafond over het jaar 2013:* Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Geriatrische revalidatiezorg Revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden. Landelijke omzet De omzet als bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ van alle instellingen die onder de reikwijdte van die beleidsregel vallen. Minister De minister van Volksgezondheid, welzijn en sport. Omzet De omzet als bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ van de instelling die onder de reikwijdte van die b"},{"b":"Beschikking individueel MBI-omzetplafond 2013 De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de [regeling “Macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030927)” en van de onderstaande definities voor elk(e) afzonderlijk(e) - – instelling voor medisch specialistische zorg1Ook bekend als: (algemene en categorale) ziekenhuizen, universitaire medische centra, zelfstandige behandelcentra, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra, dialysecentra, longrevalidatie-instellingen (sanatoria).; - – audiologisch centrum; - – centrum voor erfelijkheidsadvisering; - – laboratorium, niet zijnde een huisartsenlaboratorium en voor zover het werkzaamheden verricht ten behoeve van de in deze opsomming bedoelde instellingen voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld voor de omzet. Deze bovengrens luidt: - (a) Indien de minister aan de NZa zal meedelen dat er geen sprake is van overschrijding van het landelijk MBI-omzetplafond over het jaar 2013: *Bovengrens (2013) = omzet (2013)* - (b) Indien de minister aan de NZa zal meedelen dat er sprake is van een overschrijding van het landelijk MBI-omzetplafond over het jaar 2013: Met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de voorgaande tariefbeschikking (kenmerk TB/CU-2003-01) beperkt tot en met 31 december 2012."},{"b":"Beschikking ingevolge artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (vermoedelijk overlijden) Artikel 1 1. Voor de toepassing van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) wordt iemand vermoed te zijn overleden, wanneer hij gedurende één jaar afwezig is, zonder dat er bericht is ingekomen, waaruit blijkt, dat hij in leven is, of wanneer er één jaar verlopen is na de dag, waarop hij volgens de laatste tijding nog in leven was, een en ander mits de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken. 2. Ingeval iemand zich aan boord van een vaartuig bevond en hij vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis aan dat vaartuig, aan een deel van de bemanning of passagiers overkomen, wordt hij, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden, wanneer gedurende drie maanden na het tijdstip, waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden, geen bericht is ingekomen, waaruit blijkt, dat hij in leven is. Onder vaartuig is mede begrepen een luchtvaartuig. 3. Ingeval iemand wegens omstandigheden in verband met de tweede wereldoorlog is vermist en het bepaalde in het vorige lid niet op hem van toepassing is, wordt hij, ook zonder dat overigens omstandigheden aanwezig zijn, welke zijn dood waarschijnlijk maken, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden. Artikel 2 1. Uit de omstandigheden wordt afgeleid, welke dag als dag van vermoedelijk overlijden moet worden vastgesteld. 2. Wanneer iemand vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis, als bedoeld in het [tweede lid van artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002321&artikel=1&z=1996-11-28&g=1996-11-28), en vermoed wordt te zijn overleden, wordt als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de dag, waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden. 3. Wanneer iemand zich aan boord van een vaartuig of een luchtvaart"},{"b":"Beschikking instantloterij 2011–2015 Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. *de stichting:* Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. *instantloterij:* een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. *verkooppunt:* een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. *uitgifte van deelnamebewijzen:* het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. *prijzenreserve:* een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van drie jaar en drie maanden, te rekenen van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2014 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030500&artikel=3&z=2013-02-28&g=2013-02-28) vervatte voorschriften verbonden. Artikel 3 1. De stichting spant zich in voor de inachtneming van de vergunningsvoorschriften, de statuten en de reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de staatssecretaris. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnemingsvoorwaarden alsmede de wijze waarop de prijzenreserve kan worden benut. Artikel 4 1. De stichting zorgt voor een doelmatige administratie, organisatie en uitvoering van de instantloterijen. 2. De stichting treft alle noodzakelijke maatregelen en voorzi"},{"b":"Beschikking Landelijk MBI-omzetplafond 2013 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de [regeling “Macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030927)” en van de onderstaande definities voor de gezamenlijke - • instellingen voor medisch specialistische zorg1Ook bekend als: (algemene en categorale) ziekenhuizen, universitaire medische centra, zelfstandige behandelcentra, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra, dialysecentra, longrevalidatie-instellingen (sanatoria).; - • audiologische centra; - • centra voor erfelijkheidsadvisering; - • laboratoria, niet zijnde een huisartsenlaboratorium en voor zover zij werkzaamheden verrichten ten behoeve van de in deze opsomming bedoelde instellingen. voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld van € 17.578.000.000 (zeventien miljard vijfhonderdachtenzeventig miljoen euro) (prijsniveau 2012) voor de tarieven voor medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg en zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1 onder d van de Zorgverzekeringwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat en niet zijnde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de [voorgaande tariefbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032418) (kenmerk T"},{"b":"Beschikking landelijk MBI-omzetplafond Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ en de regeling ‘Informatieverstrekking geriatrische revalidatiezorg’ en van de onderstaande definities voor de gezamenlijke instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren wordt voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld van € 730.000.000 (zevenhonderd dertig miljoen euro) (prijsniveau 2012) voor geriatrische revalidatiezorg waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1 onder d van de Zorgverzekeringwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat. Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Geriatrische revalidatiezorg Revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die - • krachtens de sociale ziektekostenwetgeving van een andere staat verzekerd is en - • in Nederland woont of hier tijdelijk verblijft en - • krachtens een Verordening van de Raad van de Europese Unie, dan wel krachtens enig ander door Nederland gesloten bilateraal of multilateraal verdrag, recht heeft op verstrekkingen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de [Zo"},{"b":"Beschikking oplegging van de verplichting tot immunisatie tegen tuberculose aan bepaalde groepen van militairen der koninklijke landmacht en der koninklijke luchtmacht overeenkomstig vorenbedoeld advies aan militairen der Koninklijke Landmacht en der Koninklijke Luchtmacht, die behoren tot of hun opleiding krijgen bij: - a. het dienstvak van de geneeskundige dienst; - b. de onderafdeling geneeskundige dienst van de militaire vrouwenafdeling, de verplichting op te leggen zich te onderwerpen aan inenting en herinenting tegen tuberculose."},{"b":"Beschikking Overdracht en Aflossing Grootboek 1946 Artikel 1 1. Degene, op wie een inschrijving of een deel van een inschrijving in het Grootboek 1946 in eigendom overgaat, kan daarbij op de wijze en binnen de termijn, te bepalen door de Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, hierna te noemen Directeur, verzoeken: - a. bijschrijving van het verkregen bedrag op een bestaande rekening in het Grootboek 1946; - b. opening van een nieuwe rekening, waarop het verkregen bedrag wordt bijgeschreven, mits na de bijschrijving, of na alle op één dag uit te voeren bijschrijvingen en omzettingen, als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=6&z=1950-11-01&g=1950-11-01), een bedrag van ten minste f 100 000 is ingeschreven; - c. overboeking van het verkregen bedrag ten gunste van een ontvanger der belastingen ter voldoening van zekerheidstellingen en aanslagen in de vermogensaanwasbelasting en de vermogensheffing ineens. 2. Een verzoek, ingediend op een tijdstip, waarop bijschrijving op de aangewezen rekening niet kan plaats vinden, of met een onjuist ingevuld formulier, kan als niet voor inwilliging vatbaar worden aangemerkt. 3. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Directeur, is deze bevoegd een nieuwe rekening te openen, alhoewel het verzoek niet voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, sub *b*. Artikel 2 De rente van de in het Grootboek 1946 ingeschreven kapitalen wordt halfjaarlijks op 1 Mei en 1 November uitbetaald. Artikel 3 1. Aan de rechthebbende op een inschrijving of een deel van een inschrijving in het Grootboek 1946, die geen verzoek, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=1&z=1950-11-01&g=1950-11-01), heeft ingediend of wiens zodanig verzoek niet voor inwilliging vatbaar is, worden schuldbewijzen aan toonder afgegeven; voorzien van alle nog niet verschenen coupons. Artikel 4 1. De schuldbewijzen aan toonder worden uitgegeven in coupures van f 1000, f 500"},{"b":"Beschikking overschrijving stukken betreffende schepen Artikel 1 1. Ter gelegenheid van de aanbieding van een stuk betreffende schepen en bestemd om te worden overgeschreven in de openbare registers gehouden aan de kantoren van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, moet, in afwijking van het bepaalde in onderdeel 1, tweede lid, van de beschikking van de Minister van Financiën van 9 november 1949, nr. 188 (Stcrt. 1949, 222) , behoudens hetgeen hierna in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003541&artikel=2&z=1983-01-01&g=1983-01-01) is bepaald, mede worden ingeleverd een afschrift van dat stuk, voldoende aan bepaalde vormvereisten. 2. Onderdeel II van de beschikking van de Minister van Financiën van 9 november 1949, nr. 188 (Stcrt. 1949, 222), is van toepassing. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003541&artikel=1&z=1983-01-01&g=1983-01-01) wordt geen afschrift ingeleverd van de volgende, ingevolge de Maatregel teboekgestelde schepen (Stb. 1982, 626) ingediende stukken: - 1. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip in aanbouw; - 2. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip in aanbouw; - 3. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een zeeschip of zeevissersschip dat reeds als schip in aanbouw is teboekgesteld; - 4. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een binnenschip dat reeds als schip in aanbouw is teboekgesteld; - 5. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip; - 6. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip; - 7. verklaring dat een schip de hoedanigheid van Nederlands schip zal behouden; - 8. aangifte tot wijziging van de beschrijving van een teboekgesteld schip en mededeling omtrent gekozen woonplaats betreffende een binnenschip; - 9. aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip; - 10. aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een binnenschip; - 11. verzoek tot doorhaling"},{"b":"Beschikking pensioenvervangende uitkeringen Ambonezen Artikel 1 Aan de hier te lande verblijvende - a. gewezen K.N.I.L.-militairen van niet-Nederlandse nationaliteit, en - b. nagelaten betrekkingen van zodanige militairen van niet-Nederlandse nationaliteit, die in 1951 in groepsverband naar Nederland zijn gekomen en in de zorg van het Commissariaat van Ambonezenzorg zijn of zijn geweest, kan, voor zover aan hen volgens de op hen toepasselijke Indische militaire pensioenvoorschriften een pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand is of zou kunnen zijn toegekend en zij daarop jegens de Republiek Indonesië aanspraak kunnen maken, met ingang van het tijdstip, waarop die aanspraak bestaat, doch niet eerder dan te rekenen van 1 januari 1964, tot wederopzeggens worden uitbetaald een periodieke uitkering, overeenkomende met dat pensioen, weduwenpensioen of die wezenonderstand, vermeerderd met alle daarbij behorende bijkomstige betalingen en verminderd met de toe te passen inhoudingen, beperkingen en kortingen, een en ander overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen. Artikel 2 Aan de hier te lande verblijvende nagelaten betrekkingen van niet-Nederlandse nationaliteit van de in [artikel 1, sub *a*](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002411&artikel=1&z=1963-06-05&g=1963-06-05), bedoelde militairen kan, voor zover zij volgens de Indische militaire voorschriften jegens de Republiek Indonesië aanspraak kunnen maken op weduwenpensioen of wezenonderstand, met ingang van het tijdstip, waarop die aanspraak bestaat, doch niet eerder dan te rekenen van 1 januari 1964, tot wederopzeggens worden uitbetaald een periodieke uitkering, overeenkomende met dat weduwenpensioen of die wezenonderstand, vermeerderd met alle daarbij behorende bijkomstige betalingen en verminderd met de toe te passen inhoudingen, beperkingen en kortingen, een en ander overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen. Artikel 3 Op de uitkeringen, bedoeld in de voorgaande artikelen, kunnen vorderingen van de"},{"b":"BESCHIKKING REGISTRATIE VERPLAATSTE PERSONEN Artikel 1 Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder: a. „intern-verplaatste persoon”: de verplaatste persoon, die huisvesting heeft verkregen in de gemeente, in welker bevolkingsregister hij is opgenomen; b. „extern-verplaatste persoon”: de verplaatste persoon, die huisvesting heeft verkregen buiten de gemeente, in welker bevolkingsregister hij is opgenomen; c. „verplaatsingsformulier”: het formulier, waarvan het model als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002254&bijlage=I&z=1957-10-27&g=1957-10-27) bij deze beschikking is gevoegd; d. „verwijzingskaartje”: het kaartje, waarvan het model als [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002254&bijlage=II&z=1957-10-27&g=1957-10-27) bij deze beschikking is gevoegd. Artikel 2 Zowel het verplaatsingsformulier als het verwijzingskaartje worden van rijkswege kosteloos beschikbaar gesteld. Artikel 3 De invulling van het verplaatsingsformulier en het verwijzingskaartje geschiedt bij voorkeur met behulp van een schrijfmachine. Indien van een schrijfmachine geen gebruik kan worden gemaakt, geschiedt de invulling met anilinepotlood. Artikel 4 De extern-verplaatste persoon wordt geregistreerd door de burgemeester van de gemeente van werkelijk verblijf, met gebruikmaking van het verplaatsingsformulier. Artikel 5 Van het verplaatsingsformulier is deel A bestemd voor de burgemeester van de gemeente, waar de extern-verplaatste persoon is gehuisvest, deel B voor de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de extern-verplaatste persoon is opgenomen, en deel C voor een nader aan te wijzen centrale instantie. Artikel 6 1. De delen A van de verplaatsingsformulieren, te zamen vormende het verplaatsingsregister A, worden terstond na registratie gezinsgewijze gerangschikt in één alfabetisch-lexicografische verzameling volgens de geslachtsnamen van de gezinshoofden en de afzonderlijk levende personen. Voor gehuwde vrouwen en weduwen g"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 april 2004, doch niet later dan 15 mei 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,868 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2004 en eindigende met 15 mei 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016626&artikel=2&z=2004-06-01&g=2004-06-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 april 2005, doch niet later dan 15 mei 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,680 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2005 en eindigende met 15 mei 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018253&artikel=2&z=2005-07-01&g=2005-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2006, doch niet later dan 15 mei 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,463 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2006 en eindigende met 15 mei 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,60 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019752&artikel=2&z=2006-06-01&g=2006-06-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2007, doch niet later dan 15 mei 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,436 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2007 en eindigende met 15 mei 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021781&artikel=2&z=2007-07-01&g=2007-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2008, doch niet later dan 15 mei 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,825 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2008 en eindigende met 15 mei 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023818&artikel=2&z=2008-07-01&g=2008-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2009, doch niet later dan 15 mei 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,718 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2009 en eindigende met 15 mei 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025745&artikel=2&z=2009-06-01&g=2009-06-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2010, doch niet later dan 15 mei 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,234 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2010 en eindigende met 15 mei 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027544&artikel=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2011, doch niet later dan 15 mei 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,294 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2011 en eindigende met 15 mei 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029879&artikel=2&z=2011-06-01&g=2011-06-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,750 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2012, doch niet later dan 15 mei 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,695 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2012 en eindigende met 15 mei 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,40 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 augustus 2005, doch niet later dan 15 september 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,637 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2005 en eindigende met 15 september 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018713&artikel=2&z=2005-11-01&g=2005-11-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2006, doch niet later dan 15 september 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,530 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2006 en eindigende met 15 september 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020170&artikel=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2007, doch niet later dan 15 september 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,475 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2007 en eindigende met 15 september 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022431&artikel=2&z=2007-10-01&g=2007-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2008, doch niet later dan 15 september 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,495 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2008 en eindigende met 15 september 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024411&artikel=2&z=2008-11-01&g=2008-11-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2009, doch niet later dan 15 september 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,608 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2009 en eindigende met 15 september 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026279&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2010, doch niet later dan 15 september 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,361 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2010 en eindigende met 15 september 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,10 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028083&artikel=2&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2011, doch niet later dan 15 september 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,355 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2011 en eindigende met 15 september 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 december 2004, doch niet later dan 15 januari 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,688 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2004 en eindigende met 15 januari 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017811&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2005, doch niet later dan 15 januari 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,495 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2005 en eindigende met 15 januari 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019369&artikel=2&z=2006-02-01&g=2006-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2006, doch niet later dan 15 januari 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,417 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2006 en eindigende met 15 januari 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020810&artikel=2&z=2007-02-01&g=2007-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2007, doch niet later dan 15 januari 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,626 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2007 en eindigende met 15 januari 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023152&artikel=2&z=2008-02-01&g=2008-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2008, doch niet later dan 15 januari 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,571 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2008 en eindigende met 15 januari 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025026&artikel=2&z=2009-02-01&g=2009-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2009, doch niet later dan 15 januari 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,194 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2009 en eindigende met 15 januari 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026873&artikel=2&z=2010-02-01&g=2010-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2010, doch niet later dan 15 januari 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,439 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2010 en eindigende met 15 januari 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029111&artikel=2&z=2011-02-01&g=2011-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2011, doch niet later dan 15 januari 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,395 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2011 en eindigende met 15 januari 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,50 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 februari 2004, doch niet later dan 15 maart 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,785 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2004 en eindigende met 15 maart 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Voor standplaatsen voor woonwagens, gereedgekomen in de maand januari 2004, waarvoor een jaarlijkse bijdrage wordt verstrekt op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens, dan wel de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989, bedraagt het rendement dat voor de berekening van de jaarlijkse bij"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 februari 2005, doch niet later dan 15 maart 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,654 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2005 en eindigende met 15 maart 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,60 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018022&artikel=2&z=2005-04-01&g=2005-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2006, doch niet later dan 15 maart 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,462 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2006 en eindigende met 15 maart 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019585&artikel=2&z=2006-04-01&g=2006-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2007, doch niet later dan 15 maart 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,414 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2007 en eindigende met 15 maart 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021273&artikel=2&z=2007-04-01&g=2007-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2008, doch niet later dan 15 maart 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,695 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2008 en eindigende met 15 maart 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023525&artikel=2&z=2008-04-01&g=2008-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2009, doch niet later dan 15 maart 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,670 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2009 en eindigende met 15 maart 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,80 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025356&artikel=2&z=2009-05-01&g=2009-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2010, doch niet later dan 15 maart 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,223 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2010 en eindigende met 15 maart 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027279&artikel=2&z=2010-04-01&g=2010-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2011, doch niet later dan 15 maart 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,383 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2011 en eindigende met 15 maart 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029649&artikel=2&z=2011-04-01&g=2011-04-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2012, doch niet later dan 15 maart 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,697 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2012 en eindigende met 15 maart 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,40 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2003 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2003, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 januari 2003, doch niet later dan 15 februari 2003 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,729 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2003 en eindigende met 15 februari 2003 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,40 procent. Artikel 4 Voor standplaatsen voor woonwagens, gereedgekomen in de maand december 2002, waarvoor een jaarlijkse bijdrage wordt verstrekt op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens, dan wel de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989, bedraagt het rendement dat voor de berekening van de jaarlijkse"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1 van die regeling, stelt op 16 januari 2004, doch niet later dan 15 februari 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,717 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2004 en eindigende met 15 februari 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Voor standplaatsen voor woonwagens, gereedgekomen in de maand december 2003, waarvoor een jaarlijkse bijdrage wordt verstrekt op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens, dan wel de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989, bedraagt het rendement dat voor de berekening van de jaarlijkse b"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 januari 2005, doch niet later dan 15 februari 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,671 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2005 en eindigende met 15 februari 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,80 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017920&artikel=2&z=2005-03-01&g=2005-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2006, doch niet later dan 15 februari 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,487 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2006 en eindigende met 15 februari 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019465&artikel=2&z=2006-03-01&g=2006-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2007, doch niet later dan 15 februari 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,404 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2007 en eindigende met 15 februari 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021071&artikel=2&z=2007-03-01&g=2007-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2008, doch niet later dan 15 februari 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,618 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2008 en eindigende met 15 februari 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023355&artikel=2&z=2008-03-01&g=2008-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2009, doch niet later dan 15 februari 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,692 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2009 en eindigende met 15 februari 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in artikel 2 van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2010, doch niet later dan 15 februari 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,221 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2010 en eindigende met 15 februari 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027127&artikel=2&z=2010-03-01&g=2010-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2011, doch niet later dan 15 februari 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,445 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2011 en eindigende met 15 februari 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029443&artikel=2&z=2011-03-01&g=2011-03-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2012, doch niet later dan 15 februari 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,573 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2012 en eindigende met 15 februari 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,50 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2004, augustus 2004, september 2004 en oktober 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maanden juli 2004, augustus 2004, september 2004 en oktober 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, respectievelijk 4,625, 4,50, 4,50 en 4, 375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op: - a. 16 juli 2004, doch niet later dan 15 augustus 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,771 procent; - b. 16 augustus 2004, doch niet later dan 15 september 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,720 procent; - c. 16 september 2004, doch niet later dan 15 oktober 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,682 procent; - d. 16 oktober 2004, doch niet later dan 15 november 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,655 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met: - a. 16 juli 2004 en eindigende met 15 augustus 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://w"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2005, doch niet later dan 15 augustus 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,725 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2005 en eindigende met 15 augustus 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018591&artikel=2&z=2005-09-01&g=2005-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juli 2006, doch niet later dan 15 augustus 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,550 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2006 en eindigende met 15 augustus 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020067&artikel=2&z=2006-09-01&g=2006-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2007, doch niet later dan 15 augustus 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,450 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2007 en eindigende met 15 augustus 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022280&artikel=2&z=2007-09-01&g=2007-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2008, doch niet later dan 15 augustus 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,411 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2008 en eindigende met 15 augustus 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,60 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024309&artikel=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2009, doch niet later dan 15 augustus 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,704 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2009 en eindigende met 15 augustus 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026258&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2010, doch niet later dan 15 augustus 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,437 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2010 en eindigende met 15 augustus 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027962&artikel=2&z=2010-09-01&g=2010-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2011, doch niet later dan 15 augustus 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,364 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2011 en eindigende met 15 augustus 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2012, doch niet later dan 15 augustus 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,540 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2012 en eindigende met 15 augustus 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,20 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juni 2004, doch niet later dan 15 juli 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,791 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2004 en eindigende met 15 juli 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017037&artikel=2&z=2004-09-01&g=2004-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juni 2005, doch niet later dan 15 juli 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,723 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2005 en eindigende met 15 juli 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018469&artikel=2&z=2005-10-01&g=2005-10-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2006, doch niet later dan 15 juli 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,557 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2006 en eindigende met 15 juli 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019982&artikel=2&z=2006-08-01&g=2006-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2007, doch niet later dan 15 juli 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,410 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2007 en eindigende met 15 juli 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022167&artikel=2&z=2007-09-01&g=2007-09-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2008, doch niet later dan 15 juli 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,574 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2008 en eindigende met 15 juli 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024055&artikel=2&z=2008-08-01&g=2008-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2009, doch niet later dan 15 juli 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,919 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2009 en eindigende met 15 juli 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026002&artikel=2&z=2009-08-01&g=2009-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2010, doch niet later dan 15 juli 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,426 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2010 en eindigende met 15 juli 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027820&artikel=2&z=2010-08-01&g=2010-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2011, doch niet later dan 15 juli 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,304 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2011 en eindigende met 15 juli 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2012, doch niet later dan 15 juli 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,655 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2012 en eindigende met 15 juli 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,30 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2003 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2003, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 maart 2003, doch niet later dan 15 april 2003 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,852 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2003 en eindigende met 15 april 2003 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Voor standplaatsen voor woonwagens, gereedgekomen in de maand februari 2003, waarvoor een jaarlijkse bijdrage wordt verstrekt op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens, dan wel de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989, bedraagt het rendement dat voor de berekening van de jaarlijkse bijdrage bij"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel l van die regeling, stelt op 16 maart 2004, doch niet later dan 15 april 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,829 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2004 en eindigende met 15 april 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Voor standplaatsen voor woonwagens, gereedgekomen in de maand maart 2004, waarvoor een jaarlijkse bijdrage wordt verstrekt op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens, dan wel de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989, bedraagt het rendement dat voor de berekening van de jaarlijkse bijdrage bij de a"},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 maart 2005, doch niet later dan 15 april 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,633 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2005 en eindigende met 15 april 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018136&artikel=2&z=2005-05-01&g=2005-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2006, doch niet later dan 15 april 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,481 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2006 en eindigende met 15 april 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019654&artikel=2&z=2006-05-01&g=2006-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2007, doch niet later dan 15 april 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,425 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2007 en eindigende met 15 april 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021555&artikel=2&z=2007-05-01&g=2007-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2008, doch niet later dan 15 april 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,828 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2008 en eindigende met 15 april 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023690&artikel=2&z=2008-05-01&g=2008-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2009, doch niet later dan 15 april 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,718 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2009 en eindigende met 15 april 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025536&artikel=2&z=2009-05-01&g=2009-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2010, doch niet later dan 15 april 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,265 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2010 en eindigende met 15 april 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,60 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027398&artikel=2&z=2010-05-01&g=2010-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2011, doch niet later dan 15 april 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,351 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2011 en eindigende met 15 april 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029734&artikel=2&z=2011-05-01&g=2011-05-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2012, doch niet later dan 15 april 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,677 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2012 en eindigende met 15 april 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,40 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 mei 2004, doch niet later dan 15 juni 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,810 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2004 en eindigende met 15 juni 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016856&artikel=2&z=2004-08-01&g=2004-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2005, doch niet later dan 15 juni 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,704 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2005 en eindigende met 15 juni 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018361&artikel=2&z=2005-08-01&g=2005-08-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 mei 2006, doch niet later dan 15 juni 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,516 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2006 en eindigende met 15 juni 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019879&artikel=2&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2007, doch niet later dan 15 juni 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,433 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2007 en eindigende met 15 juni 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021911&artikel=2&z=2007-07-01&g=2007-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2008, doch niet later dan 15 juni 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,674 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2008 en eindigende met 15 juni 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023893&artikel=2&z=2008-07-01&g=2008-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2009, doch niet later dan 15 juni 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,908 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2009 en eindigende met 15 juni 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025884&artikel=2&z=2009-07-01&g=2009-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2010, doch niet later dan 15 juni 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,229 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2010 en eindigende met 15 juni 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027689&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2011, doch niet later dan 15 juni 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,299 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2011 en eindigende met 15 juni 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2012, doch niet later dan 15 juni 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,665 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2012 en eindigende met 15 juni 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,40 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2004 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 november 2004, doch niet later dan 15 december 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,694 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2004 en eindigende met 15 december 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,10 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017576&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2005, doch niet later dan 15 december 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,513 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2005 en eindigende met 15 december 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019065&artikel=2&z=2006-02-01&g=2006-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2006, doch niet later dan 15 december 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,454 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2006 en eindigende met 15 december 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,80 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020545&artikel=2&z=2007-01-01&g=2007-01-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2007, doch niet later dan 15 december 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,537 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2007 en eindigende met 15 december 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022883&artikel=2&z=2008-01-01&g=2008-01-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2008, doch niet later dan 15 december 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,038 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2008 en eindigende met 15 december 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024736&artikel=2&z=2009-01-01&g=2009-01-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2009, doch niet later dan 15 december 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,279 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2009 en eindigende met 15 december 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026683&artikel=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2010, doch niet later dan 15 december 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,321 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2010 en eindigende met 15 december 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,70 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028971&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2011, doch niet later dan 15 december 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,386 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2011 en eindigende met 15 december 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,60 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2005, doch niet later dan 15 november 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,545 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2005 en eindigende met 15 november 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,20 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018894&artikel=2&z=2006-02-01&g=2006-02-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2006, doch niet later dan 15 november 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,472 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2006 en eindigende met 15 november 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020424&artikel=2&z=2006-12-01&g=2006-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2007, doch niet later dan 15 november 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,536 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2007 en eindigende met 15 november 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022703&artikel=2&z=2007-12-01&g=2007-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2008, doch niet later dan 15 november 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,748 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2008 en eindigende met 15 november 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,50 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024655&artikel=2&z=2008-12-01&g=2008-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2009, doch niet later dan 15 november 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,383 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2009 en eindigende met 15 november 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,80 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026539&artikel=2&z=2009-12-01&g=2009-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2010, doch niet later dan 15 november 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,320 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2010 en eindigende met 15 november 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,80 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028874&artikel=2&z=2010-12-01&g=2010-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2011, doch niet later dan 15 november 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,452 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2011 en eindigende met 15 november 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,90 procent."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2005 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2005, doch niet later dan 15 oktober 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,555 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2005 en eindigende met 15 oktober 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,30 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018810&artikel=2&z=2005-12-01&g=2005-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2006 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2006, doch niet later dan 15 oktober 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,498 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2006 en eindigende met 15 oktober 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020293&artikel=2&z=2006-11-01&g=2006-11-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2007 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2007, doch niet later dan 15 oktober 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,550 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2007 en eindigende met 15 oktober 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 5,40 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022547&artikel=2&z=2007-12-01&g=2007-12-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2008 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent; en voor het rendement in de maand augustus 2008 als volgt te lezen: ‘Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent, in plaats van 4,75 procent.’ Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2008, doch niet later dan 15 oktober 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,638 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2008 en eindigende met 15 oktober 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in ["},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2009 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2009, doch niet later dan 15 oktober 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,525 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2009 en eindigende met 15 oktober 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,90 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026408&artikel=2&z=2009-11-01&g=2009-11-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2010 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2010, doch niet later dan 15 oktober 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,307 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2010 en eindigende met 15 oktober 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,0 procent. Artikel 4 Het in artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 bedoelde opslagpercentage is gelijk aan het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028436&artikel=2&z=2010-11-01&g=2010-11-01) van deze beschikking genoemde percentage en is geldig voor de genoemde periode."},{"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2011 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2011, doch niet later dan 15 oktober 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,491 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2011 en eindigende met 15 oktober 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 4,20 procent."},{"b":"Beschikking Sporttotalisator Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (Stb. 1964, 483); b. de ministers: de Minister van Justitie en de Minister van Welzijn, Volksge-zondheid en Cultuur; c. de stichting: de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te ’s-Gravenhage; d. cijferspel: een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), en [artikel 27a, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); e. prijzenreserve: een reservering ten laste van het voor uitkering aan prijzen bestemde bedrag; f. medewerkende verenigingen: verenigingen en stichtingen aangesloten bij sportbonden die op hun beurt zijn vertegenwoordigd in de Vereniging ’N.O.C.*N.S.F.’, bij welke formulieren ten behoeve van het afsluiten van een abonnement voor deelneming aan Lotto Jackpot Abonnement verkrijgbaar worden gesteld; g. verkooppunten: ondernemers bij welke de deelnameformulieren aan lotto’s en sportprijsvragen verkrijgbaar worden gesteld; h. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen van 12 december 1999 tot en met 11 december 2004, vergunning verleend tot het organiseren van de sportprijsvraag, de lotto en het cijferspel. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009239&artikel=3&z=2002-05-31&g=2002-05-31) tot en met [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009239&artikel=18&z=2002-05-31&g=2002-05-31) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 1. De sportprijsvragen en de lotto, alsmede het aan deze kansspelen verbonden cijferspel, worden georganiseerd met inachtneming van d"},{"b":"Beschikking Staatsloterij Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 De vergunning tot het organiseren van de staatsloterij als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=9) (hierna: de wet) is voor onbepaalde tijd verleend aan Staatsloterij B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Den Haag met KvK-nummer 27139788 (hierna: de vergunninghouder). Artikel 3 Aan de vergunning worden onderstaande voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de staatsloterij inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. Algemeen - 1. De vergunninghouder moet de staatsloterij op doelmatige en doeltreffende wijze exploiteren. - 2. De vergunninghouder waarborgt de veiligheid en betrouwbaarheid van de staatsloterij. - 3. De vergunninghouder onderwerpt de mechanische, elektrische en elektronische processen die gebruikt worden bij de prijsbepaling aan een voorafgaande goedkeuring en jaarlijkse controle door een door de Minister conform [artikel 4, derde lid, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=4) aangewezen onafhankelijke deskundige of keuringsinstelling. - 4. De vergunninghouder heeft voor de staatsloterij een afzonderlijke, overzichtelijke en doelmatige administratie. - 5. De vergunninghouder maakt uitsluitend noodzakelijke kosten. Dit betekent dat de vergunninghouder alleen kosten mag maken die rechtstreeks verband houden met het organiseren van de staatsloterij en die tot de normale bedrijfskosten gerekend kunnen worden. - 6. De vergunninghouder waarborgt dat zijn betrouwbaarheid, die van de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen, en die van zijn uiteindelijke belanghebbende(n), buiten twijfel staat. Hij heeft een beleid om de betrouwbaarheid te waarborgen van de leidinggevenden, van personen op sleutelposities, en van personen die met"},{"b":"Beschikking standplaatsen en ambtsgebieden van de secretariaten van de huurcommissies Artikel 1 Secretariaten van de Huurcommissie zijn gevestigd | Te | Ten behoeve van de commissies in de ressorten | | --- | --- | | Amsterdam | Amsterdam | | Arnhem | Arnhem, Terborg, Zutphen, Wageningen, Groenlo, Nijmegen, Tiel, Harderwijk en Apeldoorn | | Breda | Breda, Tilburg, Bergen op Zoom, Zevenbergen, Middelburg, Terneuzen en Zierikzee | | Groningen | Groningen, Leeuwarden, Heerenveen, Beetsterzwaag, Sneek, Assen, Emmen, Meppel, Winschoten en Zuidbroek | | Haarlem | Haarlem, Alkmaar, Den Helder, Hilversum, Hoorn en Zaandam | | 's-Hertogenbosch | 's-Hertogenbosch, Eindhoven, Boxmeer en Helmond | | Maastricht | Maastricht, Heerlen, Sittard, Venlo en Roermond | | Rijswijk | 's-Gravenhage, Delft, Leiden, Alphen aan den Rijn en Gouda | | Rotterdam | Rotterdam, Schiedam, Dordrecht, Gorinchem, Oud Beijerland, Sommelsdijk en Brielle | | Utrecht | Utrecht en Amersfoort | | Zwolle | Zwolle, Deventer, Enschede, Almelo en Lelystad | Artikel 2 De beschikking van 15 augustus 1988, nr. MOI 1588001 (Stcrt. 158) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beschikking wordt geplaatst in de Staatscourant. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 1994. Artikel 5 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking standplaatsen en ambtsgebieden van de secretariaten van de huurcommissies."},{"b":"Beschikking toewijzing radio-frequenties ten behoeve van de concessiehouder van de telecommunicatie-infrastructuur 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: a. de Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; b. de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post: de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 2. Voorschriften met betrekking tot het etherbeheer en -gebruik Artikel 2 Aan de houder van de concessie voor de telecommunicatie-infrastructuur worden de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0004786), behorende bij deze beschikking, opgenomen frequenties voor de daarbij aangegeven toepassingsdoeleinden toegewezen. Artikel 3 Indien één of meer toegewezen frequenties of frequentie-banden in het kader van een doelmatige uitoefening van de concessie niet meer nodig zijn, kan de toewijzing ten aanzien van de betreffende frequenties of frequentiebanden worden ingetrokken. Artikel 4 1. De houder van de concessie is belast met de uitvoering van het door de Minister vastgelegde beleid ten aanzien van de verdeling, het beheer en het gebruik van de onderscheidenlijk aan hem toegewezen frequentiebanden. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde taak behoren onder meer: - a. het bepalen van het toelatingsbeleid en het toewijzen van frequenties voor het gebruik; - b. het voorbereiden van gebruiks- en technische voorschriften; - c. het verzorgen van de frequentieadministratie en het verlenen van medewerking aan den Hoofddirectie Telecommunicatie en Post bij de nationale en internationale registratie en de internationale notificatie; - d. zo nodig plegen van overleg met de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post, met andere organen en instellingen, aan wie frequentiebanden ter beschikking zijn gesteld, met beheersinstanties van andere hetlanden en het deelnemen aan overleg in internationale organisaties; - e. het verlenen van medewerking aan de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post bij het voorbereiden en ontwerpen"},{"b":"Beschikking tot instelling van de Leerling- en Ouderkamer Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - *bewindspersoon:* de minister of staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen; ouders: ouders, voogden of verzorgders; - *primair onderwijs:* de onderwijssoorten als bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) en de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - *voortgezet onderwijs:* de onderwijssoorten als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Instelling Leerling- en Ouderkamer 1. Er is een Leerling- en Ouderkamer waarin overleg wordt gevoerd tussen de bewindspersoon en vertegenwoordigers van organisaties voor leerlingen en de ouders van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. 2. Het overleg wordt gevoerd over de hoofdlijnen van beleid die mede van invloed kunnen zijn op de positie van leerlingen en/of hun ouders in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Artikel 3. Samenstelling Leerling- en Ouderkamer Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met een vaste vertegenwoordiger van de hierna genoemde organisaties: - Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS); - Landelijke Oudervereniging Bijzonder Onderwijs op algemene grondslag (LOBO); - Nederlandse Katholieke Oudervereniging (NKO); - Vereniging voor Ouders, Christelijk Onderwijs en Opvoeding (Ouders & COO); - Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO). In beginsel geldt dat van het LAKS twee vertegenwoordigers aan het overleg deelnemen en dat van de ouderorganisaties per instelling één vertegenwoordiger deelneemt. Het is mogelijk een plaatsvervanger aan het overleg te laten deelnemen. Artikel 4. Voorzitter en secretariaat Leerling- en Ouderkamer 1. De bewindspersoon of een gemandateerde ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is voorzitter van de Leerling- en Ouderkamer. 2. De"},{"b":"Beschikking tot instelling van het Strategisch Regieoverleg primair onderwijs en Strategisch Regieoverleg voortgezet onderwijs Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - bewindspersoon: de minister of staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen; - primair onderwijs: de onderwijssoorten als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra; - voortgezet onderwijs: de onderwijssoorten als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel 2. Instelling Strategisch Regieoverleg primair onderwijs en voortgezet onderwijs Er is een Strategisch Regieoverleg voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs voor het bespreken van hoofdlijnen van beleid. Het overleg heeft als doel deze hoofdlijnen vanuit een integrale visie op het onderwijs en in samenhang met het onderwijsbestel aan de orde te stellen. Het overleg leidt tot kaderstellende afspraken voor de uitwerking van die hoofdlijnen. Artikel 3. Samenstelling van het Strategisch Regieoverleg primair onderwijs 1. Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met de hierna te noemen organisaties voor bestuur en management: - de Vereniging Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (Besturenraad); - de Vereniging Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag (VBS); - de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs (VBKO); - de Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen (VOS/ABB). 2. Aan het overleg wordt deelgenomen door - a. de hierna te noemen personeelsvakorganisaties: - Algemene Onderwijsbond (AOb); - Onderwijsbond CNV; - Federatie van Onderwijsbonden CMHF/MHP. - b. de Algemene Vereniging Schoolleiders in het Primair Onderwijs (AVS). Artikel 4. Samenstelling van het Strategisch Regieoverleg voortgezet onderwijs 1. Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met de hierna te noemen organisaties voor bestuur en management: - de Vereniging Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (Besturenraad); - de Ver"},{"b":"Beschikking totalisator 2013 Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de raad van bestuur:* de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit; - c. *vennootschap:* besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sportech Racing B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage; - d. *NDR:* Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport, gevestigd te Wassenaar, daaronder mede begrepen de als rechtsopvolger van de Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport aan te merken stichting; - e. *totalisator:* een kansspel als bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - f. *wedkantoor:* door of namens de vennootschap opengestelde gelegenheid waar in hoofdzaak activiteiten worden verricht die verband houden met het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen en waar tevens, voor zover door de raad van bestuur toegestaan, andere kansspelen kunnen worden aangeboden; - g. *wedcafé:* inrichting, verbonden met een horecalokaliteit als bedoeld in [artikel 1 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=1), waar onafhankelijk van de horecalokaliteit door de vennootschap de gelegenheid wordt opengesteld tot het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen; - h. *verkooppunt:* inrichting, niet zijnde een wedcafé, waar in overwegende mate activiteiten worden verricht welke geen verband houden met kansspelen en waar tevens door de vennootschap de gelegenheid wordt opengesteld tot het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen; - i. *speelautomatenhal:* nrichting als bedoeld in [artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c); - j. *speelcasino:* inrichting als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"b":"Beschikking Transitiebedrag instellingen voor medisch specialistische zorg, audiologische centra, centra voor erfelijkheidsadvisering De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de regeling ‘Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg’ en van de onderstaande definities voor elk(e) afzonderlijk(e) - – (categorale) instelling voor medisch specialistische zorg1Ook bekend als: algemene ziekenhuizen en universitaire medische centra, zelfstandige revalidatiecentra, zelfstandige dialysecentra en zelfstandige radiotherapeutische instellingen. - – audiologisch centrum - – centrum voor erfelijkheidsadvisering voor het jaar 2012 ambtshalve een vaste grens voor de som van de tarieven voor zorgprestaties onder het transitiemodel vastgesteld. De vaste grens is gelijk aan de omzet uit prestatiebekostiging plus het verrekenbedrag. *Zie voor een nadere toelichting de beleidsregel Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg en de bijbehorende circulaire.* Definities - *De beleidsregel* De beleidsregel Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg. - *Vaste grens* Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - *Omzet uit prestatiebekostiging* De omzet bedoeld bedoeld in artikel 11 van de beleidsregel. - *Verrekenbedrag* Het bedrag bedoeld in artikel 15 van de beleidsregel. - *Zorgprestaties onder het transitiemodel* De zorg en diensten als bedoeld in artikel 10.1 v"},{"b":"Beschikking vacatiegeld voor de luchtvaartexamencommissies Artikel 1 Geen vacatiegeld wordt toegekend aan - a. functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel van een instelling welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen; - b. deskundigen, secretarissen en adjunct-secretarissen die op andere wijze voor hun aandeel in de werkzaamheden van de commissie worden beloond. Artikel 2 Het vacatiegeld voor de leden van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen en vliegtuigonderhoudstechnicus wordt vastgesteld op € 68,07 per dag. Artikel 3 Het vacatiegeld voor de leden van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen wordt vastgesteld op € 86,22 per dag. Artikel 4 Het vacatiegeld voor de voorzitter van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen, vliegtuigonderhoudstechnicus en zweefvliegen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 136,13 per dag. Artikel 5 Het vacatiegeld voor de plaatsvervangend voorzitters van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen en vliegtuigonderhoudstechnicus, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het plaatsvervangend voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 108,91 per dag. Artikel 6 Het vacatiegeld voor de voorzitter van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 72,44 per dag. Artikel 7 Het vacatiegeld voor de plaatsvervangend voorzitters van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het plaatsvervangend voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 136,13 per dag. Artikel 8 Voor het buiten examentijd corrigeren en beoordelen van schriftelijk examenwerk en het opstellen van examenvragen, wordt aan de leden van de examencommissies voor beroepsvlieg- bewijzen, privé-vlie"},{"b":"Beschikking van 17 juni 2003, nummer 5229347, houdende toekenning vacatiegeld voorzitter Begeleidingscommissie BIBOB Artikel 1 Met ingang van 1 mei 2003 wordt aan de heer H.F. Dijkstal, voorzitter van de Begeleidingscommissie BIBOB, een vacatiegeld toegekend van € 249,58 voor iedere dag waarop hij één of meer vergaderingen van de commissie heeft bijgewoond. Artikel 2 Deze beschikking wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 17 oktober 2013, nr. 13174565 tot verlening van de concessie voor postdienstverlening voor Caribisch Nederland Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263); - b. *minister:* Minister van Economische Zaken; - c. *ACM:* Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - d. *de eilanden:* Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. *Caribisch Nederland:* het Caribische deel van Nederland, bestaande uit Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - f. *universele postdienst:* vervoersdienst, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2); - g. *poststuk:* postzending als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=1); - h. *voor het publiek bestemde brievenbus:* brievenbus of andere faciliteit voor het ten vervoer aanbieden van poststukken; - i. *postbus:* in een gebouw aanwezige afgesloten ruimte die bestemd is voor de aflevering van de voor de gebruiker daarvan bestemde poststukken. Artikel 2. Concessieverlening 1. Aan Flamingo Communications N.V., te Bonaire, wordt met ingang van 1 januari 2014 voor een periode van tien jaar de concessie voor postdiensten verleend, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2). 2. Aan de concessieverlening worden de voorwaarden verbonden die in deze beschikking zijn vermeld. 3. De concessie wordt met ingang van 1 januari 2024 verlengd met een periode van drie jaar. Artikel 3. Naamvoering De concessiehouder treedt bij het verrichten van de universele postdiensten op onder de naam Flamingo Express Dutch Caribbean. Artikel 4. Uitvoering door dochtermaatschappij Indien de concessiehouder universele"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie (nr. 432592/594/NE) houdende aanwijzing van de direct toezichthouder van de Spoorwegpolitie Artikel 1 De korpschef van het Korps landelijke politiediensten treedt op als direct toezichthouder voor de opsporingsambtenaren en de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij het onderdeel Spoorwegpolitie van de NS Beveiliging Services. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 1994. Deze beschikking wordt geplaatst in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2004, nr. L.O. 640/0073/0452482, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (Stb. 1964, 483); - b. de minister: de Minister van Justitie; - c. de staatssecretaris: de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. de stichting: de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - e. cijferspel: een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), en [artikel 27a, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - f. prijzenreserve: een reservering ten laste van het voor uitkering aan prijzen bestemde bedrag; - g. medewerkende verenigingen: verenigingen en stichtingen aangesloten bij sportbonden die op hun beurt zijn vertegenwoordigd in de Vereniging ‘NOC*NSF’, bij welke formulieren ten behoeve van het afsluiten van een abonnement voor deelneming aan Lotto Jackpot Abonnement verkrijgbaar worden gesteld; - h. verkooppunten: ondernemers bij welke de deelnameformulieren aan Lotto’s en sportprijsvragen verkrijgbaar worden gesteld; - i. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen van 12 december 2004 tot en met 11 december 2009 vergunning verleend tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017669&artikel=3&z=2005-01-01&g=2005-01-01) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewij"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 10 oktober 2006, nr. 5445876/06/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2007 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2007) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2007 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.8. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2007."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 11 december 2009, nr. 5634022/09/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (Stb. 1964, 483); - b. *de minister:* de Minister van Justitie; - c. *de stichting:* de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - d. *cijferspel:* een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), en [artikel 27a, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - e. *prijzenreserve:* een reservering ten laste van het voor uitkering aan prijzen bestemde bedrag; - f. *medewerkende verenigingen:* verenigingen en stichtingen aangesloten bij sportbonden die op hun beurt zijn vertegenwoordigd in de Vereniging ‘NOC*NSF’, bij welke formulieren ten behoeve van het afsluiten van een abonnement voor deelneming aan Lotto Jackpot Abonnement verkrijgbaar worden gesteld; - g. *verkooppunten:* ondernemers bij welke de deelnameformulieren aan Lotto’s en sportprijsvragen verkrijgbaar worden gesteld; - h. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 1. Aan de stichting wordt vergunning verleend tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel van 12 december 2009 tot en met 15 januari 2010. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029705&artikel=3&z=2009-12-12&g=2009-12-12) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 1. De sportprijsvragen en de lotto, alsmede het aan deze kansspelen verbonden cijferspel, worden georganiseerd met inachtneming van de statuten en re"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 14 januari 2010, nr. 5637097/10/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, lotto en het cijferspel Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de minister:* de Minister van Justitie; - c. *de stichting:* de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - d. *sportprijsvraag:* een kansspel als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15); - e. *lotto:* een kansspel als bedoeld in [artikel 27a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - f. Eurojackpot is een lotto als bedoeld in artikel 1, sub e, welke in Europees verband op gelijktijdige en gecoördineerde wijze in verschillende Europese landen wordt georganiseerd; - g. *cijferspel:* een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), en [artikel 27a, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - h. *prijzenreserve:* een reservering ten behoeve van het voor uitkering aan prijzen bestemde bedrag; - i. *medewerkende verenigingen:* verenigingen en stichtingen aangesloten bij sportbonden die op hun beurt zijn vertegenwoordigd in de Vereniging ‘NOC*NSF’, bij welke de deelname aan lotto’s en sportprijsvragen wordt mogelijk gemaakt; - j. *verkooppunten:* ondernemers bij wie de deelname aan lotto’s en sportprijsvragen wordt mogelijk gemaakt; - k. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen, bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). - l. *afdracht:* de opbrengst, bedoeld in [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16), en [artikel 27b, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artike"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 15 oktober 2007, nr. 5509595/07/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2008) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2008."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 19 juni 2008, nr. 5551529/08/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een totalisator Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. de Minister: de Minister van Justitie; - c. vennootschap: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sportech Racing B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage; - d. college: College van toezicht op de kansspelen bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. NDR: Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport, gevestigd te Wassenaar, daaronder mede begrepen de als rechtsopvolger van de Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport aan te merken stichting; - f. totalisator: een kansspel als bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - g. wedkantoor: door of namens de vennootschap opengestelde gelegenheid waar in hoofdzaak activiteiten worden verricht die verband houden met het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen en waar tevens, voorzover door de Minister toegestaan, andere kansspelen kunnen worden aangeboden; - h. wedcafé: inrichting, verbonden met een horecalokaliteit als bedoeld in [artikel 1 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=1), waar onafhankelijk van de horecalokaliteit door de vennootschap de gelegenheid wordt opengesteld tot het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen; - i. verkooppunt: inrichting, niet zijnde een wedcafé, waar in overwegende mate activiteiten worden verricht welke geen verband houden met kansspelen en waar tevens door de vennootschap de gelegenheid wordt opengesteld tot het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen; - j. speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in [artikel 3"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 21 december 2007, nr. 5523483/07/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een postcodeloterij Artikel I Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de Minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: Nationale Postcode Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: de Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. Nationale Postcode Loterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waarbij een postcode, zijnde een combinatie van 4 cijfers en 2 letters, deel uitmaakt van het lotnummer waarmee de deelnemers mededingen naar prijzen die door loting of trekking worden verkregen; - h. toegevoegd spel: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), zijnde een loterij waaraan de deelnemers aan de Nationale Postcode Loterij kunnen deelnemen, middels door de vennootschap om niet verstrekte deelnamebewijzen; - i. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 1. Aan de vennootschap wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, vergunning verleend tot het organiseren van de Nationale Postcode Loterij en het toegevoegd spel. 2. De vergunning wordt verleend onder de voorwaarde dat en is slechts geldig indien de holding enig aandeelhouder van de vennootschap is en de stichting aandelen op haar beurt enig aandeelhouder van de holding is, en onder gehoudenhei"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 22 september 1956, houdende vaststelling van bepalingen nopens het genot van een vacatiegeld van de door de Kroon benoemde leden van het Hof van Discipline bedoeld in de Advocatenwet Artikel 1 De voorzitter van het Hof van Discipline bedoeld in de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), geniet een vacatiegeld van f 150,- *per 1 januari 1995: fl 380,-**per 1 januari 1996 fl 560,-* voor elke dag, waarop hij een vergadering bijwoont. Artikel 2 De overige door de Koningin benoemde leden en de door de Koningin benoemde plaatsvervangende leden van het Hof van Discipline genieten voor elke dag, waarop zij een vergadering bijwonen, een vacatiegeld van f 100,- *per 1 januari 1995: fl 310,-**per 1 januari 1996 fl 420,-*, of voor zover zij de voorzitter vervangen, van f 150,- *per 1 januari 1995: fl 380,-**per 1 januari 1996 fl 560,-*. Artikel 3 De beschikking van 28 april 1953 (*Stb.* 196) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin zij wordt geplaatst"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 23 december 2005, nr. L.O. 730/0002/5393381, tot afgifte van de Beschikking Sponsorloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: Vriendenloterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. begunstigden: de overeenkomstig [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019398&artikel=13&z=2011-01-01&g=2011-01-01), toegelaten instellingen; - h. Vriendenloterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), zijnde een loterij waarbij door de onderscheidene deelnemers wordt aangegeven aan welke begunstigde 50% van hun inleg ten goede dient te komen, dan wel waar de deelnemers hun inleg ten goede laten komen aan de door de vennootschap voorgestelde begunstigden. De Vriendenloterij wordt gespeeld als de ‘Vriendenloterij’ waarvan de deelnemers meedoen middels aan hen toegekende bingogetallen. - i. sponsorcertificaat: deelnemingsbewijs aan de Vriendenloterij, dat werd verstrekt aan degene die een terug te vorderen bedrag van € 453,78 aan de vennootschap heeft voldaan. Vanaf 1 mei 1999 is deze deelnamemogelijkheid beëindigd; - j. toegevoegd spel: een gelegenheid als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waaraan de deelnemers aan de Vriendenloterij kunnen deelnemen middels door de vennootschap om niet verstrekte deelnemingsbewijzen; - k. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://we"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 25 oktober 2005, nr. 5380212/05/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2006 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2006) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2006 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0.9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2006."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 25 september 2003, kenmerk 5247167/503, houdende aanwijzing van functionarissen en ambtenaren in het arrondissement Amsterdam voor de uitvoering van de dienst bij de gerechten en het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd Artikel 1 De functionaris, werkzaam bij de dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in het arrondissement Amsterdam, is bevoegd tot het verrichten van de volgende werkzaamheden: - a. de dienst bij de gerechten als bedoeld in [artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=124); - b. de werkzaamheden, bedoeld in de [artikelen 36d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36d), [373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=541), en [6:1:5, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5) met betrekking tot personen die zich bevinden in de gerechtsgebouwen in het arrondissement Amsterdam. Artikel 2 De ambtenaar, werkzaam bij de dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in het arrondissement Amsterdam, is bevoegd tot het verrichten van het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen als bedoeld in [artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9). Artikel 3 De regeling van 11 september 1995, kenmerk 514603/595/NE, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2003."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 28 april 2006, nr. L.O. 640/0073/0653168, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. de minister: de Minister van Justitie; - c. de stichting: Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. instantloterij: een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. verkooppunt: een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. uitgifte van deelnamebewijzen: het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. prijzenreserve: een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2011 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019812&artikel=3&z=2006-05-01&g=2006-05-01) vervatte voorschriften verbonden. Artikel 3 1. De stichting spant zich in voor de inachtneming van de vergunningsvoorschriften, de statuten en de reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de minister. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnemingsvoorwaarden, de wijze waarop de prijzenreserve kan worden benut, alsmede de voorschriften en vergoedingen voor de verkooppunten. Artikel 4 1. De stichting zorgt voor een doelmatige administratie, organisatie en uitvoering van de ins"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 28 oktober 2009, nr. 5625586/09/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2010 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2010) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2010 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2010."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 4 april 2008, nr. 5539317/08/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een BankGiro Loterij Artikel I Een beschikking af te geven die komt luiden als volgt: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de Minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: BankGiro Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: de Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. BankGiro Loterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waarbij het nummer van een bankrekening, onderscheidenlijk een girorekening, deel uitmaakt van het lotnummer waarmee de deelnemers meedingen naar prijzen die door loting of trekking worden verkregen; - h. extra spel: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waaraan de deelnemers aan de BankGiro Loterij kunnen deelnemen door middel van door de vennootschap om niet verstrekte deelnemingsbewijzen; - i. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 - 1. Aan de vennootschap wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen vanaf 1 mei 2008 tot en met 30 april 2013, vergunning verleend tot het organiseren van de BankGiro Loterij en het extra spel. - 2. De vergunning wordt verleend onder de voorwaarde dat en is slechts geldig indien de holding enig aandeelhouder van de vennootschap is en de stichting aandelen op haar beurt enig aandeelhouder van de holding is, en onder gehoudenheid van"},{"b":"Beschikking van de minister van Justitie van 6 november 2009, nr. 5627198/09, houdende instelling van de taskforce aanpak kinderporno en kindersekstoerisme Artikel 1 Er is een taskforce bestrijding vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografisch materiaal en bestrijding kindersekstoerisme. Artikel 2 De taskforce levert een bijdrage aan het bereiken van de volgende doelstellingen: - • het reduceren van het vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografisch beeldmateriaal en het bestrijden van kindersekstoerisme; - • het bevorderen van de verandering in de aanpak van kinderporno bij de politie en openbaar ministerie zoals voorzien in het landelijk verbeterprogramma politie en op basis van de versterkte coördinatie van kinderporno bij het OM; - • het volgen van de resultaten van de proeftuin kinderpornografie en het tot een oplossing brengen van de knelpunten die zich hierin voordoen; - • het bevorderen van de samenwerking met private partijen, zoals onder andere in de ICT dienstverlening, om de verspreiding en het downloaden van kinderpornografische afbeeldingen te verstoren in Nederland; - • het bevorderen van de ontwikkeling en het toepassen van innovatieve opsporingsmethoden; - • het bevorderen van een bewustwordingsproces van de risico’s die kleven aan het gebruik van internet. Artikel 3 De taskforce bestaat uit de daarvoor aangewezen partijen die betrokken zijn bij de problematiek van de kinderpornografie en die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en aanpakken daarvan. De partijen die aan de taskforce deelnemen, doen dat met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid. Artikel 4 De taskforce heeft als taken: - • het signaleren van knelpunten bij de aanpak van het vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografie en bestrijding kindersekstoerisme, het oplossen dan wel het adresseren daarvan; - • het ondersteunen van de programmatische aanpak met behulp van het barrièremodel; - • het volgen van een aantal voorbeeldza"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 7 december 2009, nr. 5631620/09/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een loterij (Beschikking SNL Loterij 2009) Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *het besluit:* het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) - c. *de minister:* de Minister van Justitie; - d. *de stichting:* de Stichting Samenwerkende non-profit Loterijen, gevestigd te Tilburg; - e. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - f. *SNL Loterij:* een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), georganiseerd door de stichting, waarbij de deelnemers mededingen naar prijzen die door trekking worden verkregen. - g. *trekking:* aanwijzing van één of meerdere winnende deelnamebewijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 vergunning verleend tot het organiseren van de SNL Loterijen. 2. De SNL Loterijen bestaan uit de Grote Clubactie, de Support Actie, de Nationale Scoutingloterij, de KWF Seizoenloterij, de Zonnebloemloterij en de Jantje Beton Loterij. 3. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026979&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd of aangevuld. Artikel 3 1. De loterijen worden georganiseerd met inachtneming van de statuten en reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de minister. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnamevoorwaarden, de p"},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 7 november 2008, nr. 5572475/08/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2009) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2009."},{"b":"Beschikking van de Minister van Justitie, van 5 april 2005, inhoudende de aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Scheepvaart- en Luchtvaartinspectie Artikel 1 De ambtenaren van de divisie Scheepvaart van Inspectie Verkeer en Waterstaat, bedoeld in [artikel 10 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10), worden aangewezen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 2 De ambtenaren van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, aangewezen op grond van [artikel 71 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=71) en bedoeld in [artikel 102 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=102), worden aangewezen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Justitie van 20 december 1991, nr. 175864/91/Pol houdende de aanwijzing van bijzonder opsporingsambtenaren Scheepvaart- en Luchtvaartinspectie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005351) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 november 2004."},{"b":"Beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 2017, nr. 2017-0000140896, tot het aanwijzen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten als de instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet Artikel 1. Aanwijzing Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, verder te noemen het NCvB, wordt voor de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2022 aangewezen als de instelling waar arbodiensten en bedrijfsartsen melding doen van een bij een werknemer aangetoonde beroepsziekte. Artikel 2. Taken en activiteiten Het NCvB is belast met: - a. de registratie van en het rapporteren over beroepsziekten, onder meer door: - 1°. het beheer, onderhoud en ontwikkelen van registratiesystemen en peilstations met inachtneming van het gestelde over gegevens beroepsziekten in [artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=1.11); - 2°. het verwerken, beoordelen en analyseren van meldingen van beroepsziekten; - 3°. het signaleren en monitoren van nieuwe risico’s in relatie tot beroepsziekten; - 4°. het rapporteren over het vóórkomen van beroepsziekten in Nederland aan de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid, verder te noemen Minister van SZW, en aan de Europese Commissie (Eurostat) op grond van Verordening (EG) nr. 13338/2008 van 16 december 2008. De vorm van de rapportages en de periodiciteit worden in overleg met de Minister van SZW bepaald. Het NCvB draagt er zorg voor dat gegevens en rapportages op zodanige wijze worden gepresenteerd dat geen enkele relatie kan worden gelegd naar individuele werknemers en werkgevers; - 5°. het onderhouden van intensief contact met meldingsplichtigen over het (verbeteren van het) melden van beroepsziekten, en - 6°. het zo mogelijk onderzoeken, benutten en verwerken van overige kennis en registratiegegevens over beroepsziekten die beschikbaar zijn op nationaal en internationa"},{"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2017, nr. 2141865, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018."},{"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 oktober 2016, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 2006929, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2017 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2017 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,1. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017."},{"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 30 oktober 2015, nr. 696918, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2016 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2016) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2016 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2016."},{"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 september 2004, nr. DGP/WV/U/04.03336, tot aanwijzing Stichting Automotive Belangen Nederland als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt Artikel 1 1. Als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt, aan welke gegevens uit het kentekenregister kunnen worden verstrekt, wordt aangewezen: de Stichting Automotive Belangen Nederland. 2. Met ingang van 1 maart 2007 heeft de verstrekking van de gegevens uit het kentekenregister geen betrekking op: - a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens; - b. overige direct aan de geregistreerde natuurlijke persoon gerelateerde gegevens. Artikel 2 De verstrekking van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017158&artikel=1&z=2006-05-01&g=2006-05-01) bedoelde gegevens aan de Stichting Automotive Belangen Nederland geschiedt slechts voor zover de Stichting Automotive Belangen Nederland deze gegevens behoeft voor de volgende doeleinden: - 1. wetenschappelijk onderzoek en statistiek, - 2. het terugroepen van voertuigen in geval van geconstateerde technische gebreken die kunnen leiden tot verkeersonveilige situaties, en - 3. het beheer van de volgende voertuiginformatiesystemen van de Stichting Automotive Belangen of van derden ten behoeve van de automobielbranche: - a. veiligheids- en milieu-inspecties; - b. systemen voor de controle van kilometerstanden van voertuigen; - c. systemen voor het overschrijven van de motorrijtuigenbelasting; - d. systemen voor het bevragen van gegevens omtrent de belasting van voertuigen; - e. systemen waarin productinformatie, technische gegevens en prijzen van voertuigen zijn opgenomen; - f. systemen die gericht zijn op het aanmelden van uit te voeren onderhoud en reparaties alsmede het monteren van banden aan voertuigen; - g. systemen die gericht zijn op het complementeren van voertuiginformatiesystemen; - h. systemen die gericht zijn op het in de bedrijfsvoorraad nemen en uit de bedrijfsvoo"},{"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende toekenning van frequenties aan KPN als houdster van een vergunning voor GSM § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; - b. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - c. GSM: het systeem voor openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987, inzake de gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land in de Gemeenschap (PbEG L 196); - d. CEPT: Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications; - e. vergunning: de aan KPN B.V. krachtens artikel 13i, eerste lid, van de wet verleende vergunning voor GSM; - f. vergunninghouder: KPN B.V. als de houdster van de onder e genoemde vergunning; - g. actieve SIM-kaart: een chipkaart met informatie die toegang tot GSM diensten geeft; - h. drukste uur: het klokuur waarin de hoeveelheid verkeer het grootste is; - i. frequentie-economie: teller/noemer, waarbij de teller is het aantal actieve SIM-kaarten aan het eind van het jaar X het verkeer tijdens het drukste uur per actieve SIM-kaart (in Erlangs) X het gemiddelde totale verkeer (in Erlangs), en de noemer is het aantal GSM-kanalen (2x200kHz) X het totale verkeer tijdens het drukste uur (in Erlangs); - j. 900 MHz-band: frequentiebereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz; - k. 1800 MHz-band: frequentiebereik van 1710–1785 MHz en 1805–1880 MHz; - l. transitiedatum 900: de dag na de datum waarop alle vergunningen, bedoeld in [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.2), voor zover zij betrekking hebben op de 900 MHz-band, en met inbegrip van verlengingen, zijn afgelopen; - m. transitiedatum 1800: de dag na de datum waarop alle vergunningen, bedoeld in [artike"},{"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende toekenning van frequeties aan MT 2 Mobiele Communicatie B.V. als houder van een vergunning voor GSM § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; - b. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - c. GSM: het systeem voor openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987, inzake de gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land in de Gemeenschap (PbEG L 196); - d. CEPT: Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications; - e. vergunning: de aan MT 2 Mobiele Communicatie B.V. (Vodafone Libertel B.V.) krachtens artikel 13a, eerste lid, van de wet verleende vergunning voor GSM; - f. vergunninghouder: MT 2 Mobiele Communicatie B.V. (Vodafone Libertel B.V.) als de houder van de onder e genoemde vergunning; - g. actieve SIM-kaart: een chipkaart met informatie die toegang tot GSM diensten geeft; - h. drukste uur: het klokuur waarin de hoeveelheid verkeer het grootste is; - i. frequentie-economie: teller/noemer, waarbij de teller is het aantal actieve SIM-kaarten aan het eind van het jaar X het verkeer tijdens het drukste uur per actieve SIM-kaart (in Erlangs) X het gemiddelde totale verkeer (in Erlangs), en de noemer is het aantal GSM-kanalen (2x200kHz) X het totale verkeer tijdens het drukste uur (in Erlangs); - j. 900 MHz band: frequentiebereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz; - k. 1800 MHz-band: frequentiebereik van 1710–1785 MHz en 1805–1880 MHz; - l. transitiedatum 900: de dag na de datum waarop alle vergunningen, bedoeld in [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.2), voor zover zij betrekking hebben op de 900 MHz-band, en met inbegrip van ver"},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 november 2021, nr. 3613881, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2022 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2022) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2022 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2022."},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 oktober 2020, nr. 3052992, directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2021) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in[artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2021."},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 oktober 2019, nr. 2727242, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2020 worden verhoogd Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2020 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2020."},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 oktober 2018, nr. 238277, Directie Wetgeving Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2019) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2019."},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 oktober 2023, nr. 4962664, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2024 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2024) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2024 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2024."},{"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 november 2022, nr. 4269574, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2023 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2023) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2023 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,4. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2023."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 16 oktober 2024, nr. 5832964, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2025 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2025) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2025 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2025."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 13 november 2025, nr. 6855335 Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,6. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2018, nr. 2017-0000012131, tot aanwijzing van de Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland Artikel 1. Aanwijzing De Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland van de Vereniging Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland te Utrecht, verder te noemen, de Stichting, voor de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2027 aan te wijzen als de instelling, bedoeld in [artikel 1.61a van de Wko](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.61a). Artikel 2. Taken en activiteiten 1. De Stichting heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit en uniformiteit van het toezicht op de kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid verricht de Stichting taken en activiteiten die gericht zijn op de ontwikkeling en verbetering van de kwaliteit van het toezicht op de kinderopvang, teneinde de effectiviteit, uniformiteit, continuïteit en proportionaliteit van het toezicht waar te borgen. Hieronder valt onder meer: - a. het ondersteunen en adviseren van Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdiensten (GGD-en) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) met betrekking tot het toezicht op de kinderopvang; - b. het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de in het eerste lid, genoemde taken; - c. het ontwikkelen en onderhouden van landelijke toezichtinstrumenten; - d. het uitvoeren van aanvullende activiteiten, die samenhangen met de in het eerste lid genoemde taken. Artikel 3. Werkwijze en vergoeding 1. SZW en de Stichting leggen afspraken en verplichtingen over het samenwerken en de uitoefening van de wettelijke taken vast in Uitvoeringsafspraken. 2. Met inachtneming van de Uitvoeringsafspraken worden Jaarafspraken gemaakt waarin is vastgelegd welke specifieke Diensten door de Stichting worden geleverd en welke financiële middelen daartoe door mij beschikbaar word"},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 november 2014, nr. 580132, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2015 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2015) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2015 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,8. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2015."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 oktober, nr. 438935, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2014 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2014) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2014 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2014."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 december 2010, nr. 5664428/10/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van de Vriendenloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *het besluit:* het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. *de staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - d. *de vennootschap:* Vriendenloterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. *de holding:* Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. *de stichting aandelen:* Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. *begunstigden:* de overeenkomstig [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029744&artikel=13&z=2013-08-06&g=2013-08-06), toegelaten instellingen; - h. *Vriendenloterij:* een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), zijnde een loterij waarbij door de onderscheidene deelnemers wordt aangegeven aan welke begunstigde 50% van hun inleg ten goede dient te komen, dan wel waar de deelnemers hun inleg ten goede laten komen aan de door de vennootschap voorgestelde begunstigden. De Vriendenloterij wordt gespeeld als de ‘Vriendenloterij’ waarvan de deelnemers meedoen middels aan hen toegekend lotnummer, waarbij het mobiele nummer van de deelnemer beginnend met 06 dan wel een fictief toegewezen nummer, aangevuld met twee letters, deel uitmaakt van het lotnummer; - i. *sponsorcertificaat:* deelnemingsbewijs aan de Vriendenloterij, dat werd verstrekt aan degene die een terug te vorderen bedrag van € 453,78 aan de vennootschap heeft voldaan. Vanaf 1 mei 1999 is deze deelnamemogelijkheid beëindigd; - j. *toegevoegd spel:* een gelegenheid als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002"},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 oktober 2011, nr. 5712808/11/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2012 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2012) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2012 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2012."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 oktober 2012, nr. 316193, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2013) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,7. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2013."},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 april 2011, nr. 5686299/11/DSP, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. *de stichting:* Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. *instantloterij:* een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. *verkooppunt:* een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. *uitgifte van deelnamebewijzen:* het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. *prijzenreserve:* een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van twee maanden, te rekenen van 1 mei 2011 tot en met 30 juni 2011 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030047&artikel=3&z=2011-05-01&g=2011-05-01) vervatte voorschriften verbonden. Artikel 3 1. De stichting spant zich in voor de inachtneming van de vergunningsvoorschriften, de statuten en de reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de staatssecretaris. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnemingsvoorwaarden, de wijze waarop de prijzenreserve kan worden benut, alsmede de voorschriften en vergoedingen voor de verkooppunten. Artikel 4 1. De stichting zorgt v"},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 juni 2011, nr. 5701073/11/DSP, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. *de staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. *de stichting:* Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. *het college:* het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. *instantloterij:* een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. *verkooppunt:* een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. *uitgifte van deelnamebewijzen:* het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. *prijzenreserve:* een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van drie maanden, te rekenen van 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3 tot en met artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030229&artikel=3&z=2011-07-01&g=2011-07-01) vervatte voorschriften verbonden. Artikel 3 1. De stichting spant zich in voor de inachtneming van de vergunningsvoorschriften, de statuten en de reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de staatssecretaris. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnemingsvoorwaarden, de wijze waarop de prijzenreserve kan worden benut, alsmede de voorschriften en vergoedingen voor de verkooppunten. Artikel 4 1. De stichting zo"},{"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 november 2010, nr. 5674611/10/6 tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2011 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2011) Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2011 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2011."},{"b":"Beschikking vaststelling examenprogramma Artikel 1 Het examen omvat het volgende programma: - I. *Mondeling gedeelte* - A. kennis van beroep en functie: - 1. het beroep van accountant-administratieconsulent; - 2. uitoefening van de functie; - B. kennis van het midden- en kleinbedrijf in de onderscheiden sectoren van het maatschappelijk bestel: - 1. omschrijving en betekenis van het midden- en kleinbedrijf; - 2. ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf; - 3. produktie- en afzetbevordering; - 4. persoonlijke relaties in het midden- en kleinbedrijf; - 5. wetgeving; - 6. instellingen ten behoeve van het midden en kleinbedrijf. - II. *Schriftelijk gedeelte* - A. kennis van de hoofdzaken van de administratieve organisatie en van de administratieve techniek (waaronder de controlemogelijkheden), in het bijzonder ten aanzien van het midden- en kleinbedrijf: - 1. administratieve organisatie; - 2. informatieverstrekking en -verwerking; - 3. hulpmiddelen ten dienste van de administratieve organisatie; - 4. controlemogelijkheden; - 5. speciale onderzoekingen; - B. kennis van de toepassing der fiscale wetgeving; - C. kennis van het sociaal recht; - D. kennis van het privaatrecht, een en ander zoals deze laatste drie onderdelen nader zijn omschreven in het Programma, Eerste gedeelte, onder E, en Tweede gedeelte, onder D, vastgesteld bij het Koninklijk besluit van 25 augustus 1949 (Stb. 407) tot instelling van een Staatspraktijkdiploma voor Bedrijfsadministratie, overeenkomstig de op 30 april 1974 geldende tekst van dat besluit. Artikel 2 Bij de voorbereiding van het in 1974 af te nemen examen dient als leidraad te worden gebezigd de bij deze beschikking als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0002927) behorende litteratuurlijst. Artikel 3 1. Deze beschikking wordt met de daarbij behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0002927) in de Staatscourant bekendgemaakt. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"b":"Beschikking vaststelling omzetgrens Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2017 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4, paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), *en meer in het bijzonder:* de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), *alsmede de beleidsregels:* - – Beleidsregel Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2017; - – Beleidsregel Afronding tarieven; *en de nadere regels:* - – [Nadere regel Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038464); *ambtshalve besloten:* - A. *Macro (omzet)grens* - 1. dat voor het jaar 2017 een macro (omzet)grens1Ook wel collectieve bovengrens genoemd., zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), wordt vastgesteld; - 2. dat de hoogte van deze macro (omzet)grens wordt vastgesteld op € 3.528 miljoen; - 3. dat de som van de door zorgaanbieders2Het gaat in deze beschikking om zorgaanbieders van verpleging en verzorging als bedoeld in artikel 3.3 van de Beleidsregel Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2017’. van verpleging en verzorging en/of intensieve kindzorg gezamenlijk in het jaar 2017 gedeclareerde prestaties verpleging en verzorging3Prestaties verpleging en verzorging zijn: De prestaties verpleging en verzorging als omschreven in artikel 4.1 van de ‘Beleidsregel Verpleging en verzorging’. Alsmede de prestaties op basis van de ‘Beleidsregel experiment regelarme instellingen Zvw’, de ‘Beleidsregel Experiment bekostiging verpleging en verzorging’, de ‘Beleidsregel Regiefunctie complexe wondzorg’ en de ‘Beleidsregel Verple"},{"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigen belasting 1984 Artikel 1 1. de gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 0,7 percent. 2. Gelet op het voor 1983 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 25,8 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten in 1984 derhalve ten hoogste 26,0. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1984."},{"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1982 Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 7,363 percent. 2. Gelet op het voor 1981 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 23 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincie te heffen aantal opcenten in 1982 derhalve ten hoogste 24,7. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1982."},{"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1983 Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 4,333 percent. 2. Gelet op het voor 1982 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 24,7 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincie te heffen aantal opcenten in 1983 derhalve ten hoogste 25,8. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1983."},{"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1985 Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,8 percent. 2. Gelet op het voor 1984 bijgestelde maximum aantal te heffen opcenten, van 26,3 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986 derhalve ten hoogste 27,1. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1985."},{"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1986 Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,9 percent. 2. Gelet op het voor 1985 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 27,1 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1986 tot en met 31 maart 1987 derhalve ten hoogste 27,9. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1986."},{"b":"Beschikking vaststelling vacatiegelden adviescommissie medische verklaringen voor de luchtvaart 2004 Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. adviescommissie: commissie, bedoeld in [artikel 32, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=32); - b. hoorzitting: een bijeenkomst van de adviescommissie voor het in [artikel 22 van de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010686&artikel=22) bedoelde horen van belanghebbenden en uitbrengen van advies. - c. vergadering: een bijeenkomst van de adviescommissie, niet zijnde een hoorzitting, bijeengeroepen door of vanwege de minister; Artikel 2 1. Het vacatiegeld voor de adviescommissie bedraagt: - a. voor de leden: € 124,79 per dag, - b. voor de voorzitter en de fungerend plaatsvervangend voorzitter: tweemaal het bedrag, genoemd onder a. 2. De leden respectievelijk de voorzitter dan wel de fungerend plaatsvervangend voorzitter, genoemd in het eerste lid, ontvangen per: - a. hoorzitting: een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, genoemd in onderdeel a respectievelijk bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, waarbij per hoorzitting wordt uitgegaan van één dag in totaal voor de voorbereiding van de hoorzitting en het uitbrengen van advies en van één dag voor het bijwonen van de hoorzitting. - b. bijgewoonde vergadering: een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, genoemd in onderdeel a respectievelijk bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, met een maximum van twee vergaderingen per jaar. Artikel 3 De [Beschikking vaststelling vacatiegelden adviescommissie medische verklaringen voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011864) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 200"},{"b":"Beschikking vaststelling van de eisen, waaraan de lokalen moeten voldoen, welke door de gemeentebesturen beschikbaar worden gesteld voor de herkeuring, bedoeld in de IJkwet 1997 (Staatsblad no. 693) 1. Het voor een zitting voor de herkeuring, bedoeld in [artikel 11, vierde lid, onder *a*, van de IJkwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=11) (Stb. 1989, 10), door het gemeentebestuur aan te wijzen lokaal moet bij voorkeur in het gemeentehuis gelegen zijn en dient van de openbare weg af gemakkelijk toegankelijk te zijn. Het dient ten minste vier meter in het vierkant te zijn, voor grootere gemeenten evenwel ruimer. Het moet voorts goed verlicht zijn en in het koude jaargetijde behoorlijk verwarmd zijn, een stevige vloer bezitten en geheel ter beschikking staan van degene die met de herkeuring is belast. De toegangsdeur tot het lokaal mag niet in de buitenlucht uitkomen, maar moet verbinding geven met een vestibule, gang of kamer, die als wachtvertrek dienst kan doen. 2. Het lokaal moet aan redelijke eischen van netheid en ordelijkheid voldoen en niet zijn een pakhuis, bergplaats of dergelijke ruimte. Een lokaal is ongeschikt voor het houden van hoogerbedoelde zitting, indien daarin gedurende het tijdvak van twee uren vóór het begin tot twee uren na afloop van de zitting sterke drank in het klein zou worden verkocht, geschonken, toegediend of verstrekt. 3. Het lokaal moet goed zijn schoongemaakt en ten minste één uur vóór den aanvang der zitting in order gebracht, van de na te noemen meubelen voorzien en geheel beschikbaar zijn. 4. In het lokaal dienen aanwezig te zijn vier stoelen en vier stevige tafels (geen planken op schragen), waarvan één ter lengte van ten minste 2,25 meter en ter breedte van ongeveer 0,8 meter, tot het opstellen der balansen (weegtafel), twee elk lang ongeveer 0,8 meter en breed ongeveer 0,6 meter voor het onderzoek van maten en één tot het verrichten van schrijfwerk. De weegtafel is ook bruikbaar in afmetingen van ten minst"},{"b":"Beschikking verlening vrijstelling luchtvervoersvergunning sportvliegers Artikel 1 Aan de gezagvoerder van een vrije gas- of hete luchtballon, een zweefvliegtuig, een motorzweefvliegtuig of een vliegtuig, dat wordt gebruikt voor het uitvoeren van een niet commerciële vlucht, wordt vrijstelling verleend van de in het [eerste lid van artikel 16 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16) vervatte verplichting tot het hebben van een vergunning voor het vervoer van personen. Artikel 2 De gezagvoerder, die van de in het vorige artikel bedoelde vrijstelling gebruik maakt, moet de volgende voorwaarden in acht nemen: - a. de maximaal toegelaten totaalmassa van het gebruikte luchtvaartuig mag niet hoger zijn dan 2000 kg; - b. het doel van de vluchten moet van recreatieve aard zijn; - c. voor de vluchten mag geen werving plaatsvinden."},{"b":"Beschikking verslag commissie beheer landbouwgronden Artikel 1 1. Het verslag van de commissie beheer landbouwgronden over de werkzaamheden-van het bureau, wordt jaarlijks vóór 1 juli uitgebracht. 2. Het in het eerste lid bedoelde verslag heeft betrekking op de werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. Artikel 2 1. Het verslag wordt in een vergadering van de commissie vastgesteld. 2. Nadat het verslag is uitgebracht wordt het verschijnen ervan in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 1982 en wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt."},{"b":"Beschikking verwisseling grootboek 1946 Artikel 1 (1). Het saldo van een rekening in het Grootboek 1946 wordt op een door de Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld te Amsterdam (hierna te noemen Directeur) te bepalen datum binnen het tijdvak 1 November 1949 tot en met 31 October 1950, onder kennisgeving aan de betrokkenen, verwisseld in schuldbewijzen aan toonder, indien dit saldo op die datum minder dan f 10 000 bedraagt. (2). Aan de leden van de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel), die hun bemiddeling bij deze ambtshalve uitgevoerde verwisseling hebben verleend, wordt een provisie uitgekeerd van f 1 per rekening. (3). De Directeur is gerechtigd in bijzondere gevallen de verwisseling op een later tijdstip te doen plaats vinden. (4). De bepaling, vervat in het eerste lid, is niet van toepassing op de in [artikel 12 van de Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=12) bedoelde commissionnairsrekeningen. Artikel 2 (1). Ten laste van elke rekening in het Grootboek 1946 kunnen—behalve in de gesloten perioden, bedoeld in artikel 8 van het Koninklijk besluit van 8 Januari 1946 (*Staatsblad* no. G 9)—schuldbewijzen aan toonder voorzien van alle nog niet verschenen coupons worden verkregen. Artikel 3 De [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=5) en [13 van de Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=13) zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 Deze beschikking, die in de *Nederlandse Staatscourant* zal worden geplaatst, kan worden aangehaald als: Beschikking verwisseling Grootboek 1946. Zij treedt in werking met ingang van 1 November 1949."},{"b":"Beschikking vrijstelling Rijksluchtvaartdienst en Hoofddirectie Telecommunicatie en Post Artikel 1 Aan de Rijksluchtvaartdienst (RLD) en de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (HTP) wordt vrijstelling verleend van een machtiging voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van zendinrichtingen. Artikel 2 De vrijstelling van Rijksluchtvaartdienst is van toepassing voor zover de zendinrichtingen worden gebruikt ten behoeve van de eigen dienstuitoefening. Artikel 3 De vrijstelling van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post is van toepassing voor zover de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van zendinrichtingen noodzakelijk is voor de uitoefening van de haar opgedragen taak. Artikel 4 De inrichtingen behoeven niet te zijn van een toegelaten type. Artikel 5 1. De beschikkingen aanwijzing dienstonderdelen PTT en vrijstelling machtigingsvereiste Rijksluchtvaartdienst van 22 augustus 1985 worden ingetrokken. 2. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de inwerkingtreding van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en kan worden aangehaald als: Beschikking vrijstelling Rijksluchtvaartdienst en Hoofddirectie Telecommunicatie en Post."},{"b":"Beschikking waarbij een tweetal gebieden wordt aangewezen als Speciale beschermingszone in het kader van de EG-Vogelrichtlijn ('Eemmeer, Gooimeer en IJmeer' en 'Kwade Hoek') Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) worden de volgende gebieden aangewezen: - a. het op bijlage A van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Eemmeer, Gooimeer en IJmeer’; - b. het op bijlage B van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Kwade Hoek’. 2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toelichtende nota. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1975 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1975 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 16. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1975."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1979 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1979 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1979."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1980 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1980 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1980."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1981 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1981 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1981."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1982 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1982 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1982."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1985 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1985 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1985."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1989 Artikel 1 Het percentage bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1989 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1989."},{"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1999 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1999 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1999."},{"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1976 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1976 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 13. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1976."},{"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1977 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1977 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1977."},{"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1978 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1978 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 8. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1978."},{"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1983 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 april 1983 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,4. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1983."},{"b":"Beschikking wijziging-percentages levensonderhoud 1974 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede in het jaar 1973 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 12. Artikel 2 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390). waarmede in het jaar 1972 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 23. Artikel 3 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390), waarmede in het jaar 1971 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 40. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390), waarmede bedragen voor levensonderhoud, vóór 1 januari 1971 vastgesteld, met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 54. Artikel 5 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 6 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentages levensonderhoud 1974."},{"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1988 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1988 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1988."},{"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1990 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1990 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1990."},{"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1993 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402*a*, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1993 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1993."},{"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1998 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1998 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2.3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1998."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1987 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1987 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1987."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1991 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1991 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1991."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1992 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1992 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1992."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1994 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1994 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1994."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1995 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1995 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1995."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1996 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1996 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1996."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1997 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1997 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingsper-centage levensonderhoud 1997."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2000 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2000 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2.5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2000."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2001 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2001 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3.3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2001."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2002 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2002 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2002."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2003 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2003 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3.9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2003."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2004 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402*a*, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2004 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2004."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2005 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2005 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2005."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2008. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 0,9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2006."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2007. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2004. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2005 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2005. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2005."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2009 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 3,9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2009. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2009."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2012 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2012. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2012."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2013 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2013. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2013."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2014 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2014. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2014."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2015 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2015. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2015."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2016 van 28 juli 2015, nummer 2015/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2016. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2016."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2017 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,8%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2017. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2017."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2018 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2018. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2018."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2019 van 27 augustus 2018, nummer 2018/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2019. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2019."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2020 van 18 augustus 2019, nummer 2019/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2020."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2021 van 6 september 2020, nummer 2020/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2021."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2022 van 29 augustus 2021, nummer 2021/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,1%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2022."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2023 van 8 augustus 2022, nummer 2022/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2023."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2024 van 6 augustus 2023, nummer 2023/1 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 5,4%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2024."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2025 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 6,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2025."},{"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2026 Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 4,4%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2026."},{"b":"Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom *De Raad van de Europese Unie, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea, Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Parlement,3)Advies van 16 september 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: 1. Het stelsel van eigen middelen van de Unie moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, zonder dat daarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline uit het oog wordt verloren. De ontwikkeling van het stelsel van eigen middelen kan en moet tevens zoveel mogelijk bijdragen tot de ontwikkeling van beleidsinitiatieven van de Unie. 2. Met het Verdrag van Lissabon zijn wijzigingen aangebracht in de bepalingen met betrekking tot het stelsel van eigen middelen van de Unie, die de afschaffing van een bestaande categorie eigen middelen en de vaststelling van een nieuwe categorie mogelijk maken. 3. De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft een beroep gedaan op de Raad om te blijven voortwerken aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe bron eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om die zo eenvoudig en transparant mogelijk te maken, het verband met het Uniebeleid inzake btw en de feitelijke btw-inkomsten te versterken en een gelijke behandeling van de belastingbetalers in alle lidstaten te waarborgen. 4. In juni 2017 heeft de Commissie een discussienota aangenomen over de toekomst van de EU-financiën. De"},{"b":"Besluit 1-1-2 alarmcentrales Artikel 1 Als beheerder van de alarmnummers voor publieke diensten, bedoeld in [artikel 11.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10), wordt aangewezen de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27). Artikel 2 Als publieke diensten belast met hulpverleningstaken, bedoeld in [artikel 11.10, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10), worden aangewezen de gemeentelijke en regionale brandweerkorpsen, de Regionale Ambulancevoorzieningen, bedoeld in [artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4), en de politie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 11.10 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10) in werking treedt. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 1-1-2 alarmcentrales."},{"b":"Besluit 13 juli 2002 tot uitvoering van artikel 10f van de Sanctiewet 1977 (Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296); - b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - c. de rechtspersonen: de door Onze Minister op grond van [artikel 10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) aangewezen rechtspersonen. Artikel 2 Met inachtneming van het bepaalde in [artikel 10f, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10f) worden de bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10b), [10ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10ba), [10c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10c), [10d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10d), en [10e, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10e), alsmede de bevoegdheid die Onze Minister heeft op grond van [artikel 10h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10h), voor zover de in het laatstgenoemde artikel bedoelde gegevens en inlichtingen door de in dat artikel bedoelde instellingen rechtstreeks bij de rechtspersonen worden opgevraagd, overgedragen aan de rechtspersonen, voor zover deze ingevolge [artikel 10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) met toezicht zijn belast. Artikel 3 Aan de overdracht van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013887&artikel=2&z=2015-01-01&g=2015-01-01), worden de volgende beperkingen gesteld en voorschriften verbonden: - a. de rechtspersonen verstrekken onverwijld aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen die van belang kunnen zijn voor: - 1°. de nakoming van internationale afspraken en ve"},{"b":"Besluit 26 juni 2024 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte (modernisering van het waarderingsstelsel voor onzelfstandige woonruimte) Artikel I *Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte.* Artikel II Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit 26 juni 2024 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Besluit betaalbare huur) Artikel I *Onderdelen A t/m G, onder 1, en H t/m K wijzigen het Besluit huurprijzen woonruimte.* *Onderdeel G, onder 2, luidt:* In afwijking van [artikel 12, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=12) worden op 1 juli 2024 de krachtens dat besluit geldende maximale huurprijsgrenzen gewijzigd met de verhouding van het gemiddelde van de consumentenprijsindex van januari 2023 tot en met juni 2023 tot het gemiddelde van de consumentenprijsindex van januari 2022 tot en met juni 2022 maal 6/12, met dien verstande dat de op basis daarvan berekende bedragen naar boven worden afgerond op hele eurocenten. Artikel II *Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving.* Artikel III Als voor de inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049892&artikel=II&z=2024-07-01&g=2024-07-01) van dit besluit een ontwerp van een wijziging van het omgevingsplan of een projectbesluit ter inzage is gelegd of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Artikel IV Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Vervolgens wordt telkens na vijf jaar een verslag gezonden aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van de hoogte van de liberalisatiegrens, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2). Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan v"},{"b":"Besluit aandachtspunten voor de accountantscontrole Dienst Wegverkeer Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: a. de dienst: de Dienst Wegverkeer b. de wet: de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) Artikel 2. Aandachtspunten voor de accountantscontrole 1. De volgende elementen zijn aandachtspunten voor de accountantscontrole: - a. de wijze van toepassing van het in [artikel 4y van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4y) bedoelde [Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006836); - b. beoordeling van de toepassing van de uitgangspunten van het door de dienst gehanteerde kostprijscalculatiemodel; - c. beoordeling van de door de dienst gehanteerde kostprijscalculatie in relatie tot de gehanteerde waarderingsgrondslagen; - d. beoordeling van de mate van kruissubsidiëring tussen de vastgestelde tarifieerbare produkten zoals opgenomen als bijlage 20 bij de Gemeenschappelijke Verklaring ter gelegenheid van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, alsmede tussen het geheel van de in voornoemde bijlage bedoelde produkten en het geheel van de in artikel 2 van bijlage 7 van voornoemde verklaring bedoelde produkten; - e. beoordeling van de toepassing van het bepaalde in het [besluit Departementale uitgangspunten tarievenbeleid Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008146). 2. De dienst draagt er zorg voor dat naast de accountantscontrole - a. een onafhankelijke deskundige een oordeel zal uitspreken over het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde element, en - b. de in [artikel 4s, vierde lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4s), bedoelde externe accountant tevens een oordeel zal uitspreken over de in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, bedoelde elementen. Artikel 3. Informatie-uitwisseling De dienst stelt jaarlijks, tesamen met de toe"},{"b":"Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het aanvragen van algemeen verbindend verklaring § 1. Aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten Inhoud van de mededeling Artikel 1:1 1. De mededeling van het sluiten of wijzigen van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 4 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=4), wordt ingediend en ondertekend door of namens partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst. Deze mededeling en alle daaropvolgende communicatie geschiedt uitsluitend langs elektronische weg, tenzij naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sprake is van omstandigheden die zich daartegen verzetten. 2. Voor het opzeggen van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 4 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=4), is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3. De mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, vermeldt dat een collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten, gewijzigd of opgezegd. 4. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, vermeldt: - a. door welke partijen een collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten dan wel is gewijzigd; - b. het tijdvak waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst als geheel is gesloten, dan wel, indien de collectieve arbeidsovereenkomst bepalingen kent met uiteenlopende expiratiedata, de expiratiedatum van de langstlopende bepaling en de expiratiedatum van de bepaling dan wel bepalingen met een kortere looptijd; - c. het aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst valt, met inbegrip van de werknemers, bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001937&artikel=14). Bijlagen bij de mededeling Artikel 1:2 1. Bij de mededeling van het sluiten van een eerste collectieve arbeidsovereenkomst met een werkingssfeer waarvoor nog geen collectieve"},{"b":"Besluit aanpassing mandaatbesluiten AZ in verband met invoering euro Artikel 1 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging diensthoofden Algemene Zaken staat `f 5.000', dient te worden gelezen `€ 2.500'. Artikel 2 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `tienduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfduizend euro'; 2. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `vijftigduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintigduizend euro'; 3. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `vijfduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintighonderd euro'. Artikel 3 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Informatie en Communicatie Technologie staat `tienduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfduizend euro'. Artikel 4 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging P&O Algemene Zaken staat `vijfentwintigduizend gulden', dient te worden gelezen `twaalf-en-een-half-duizend euro'. Artikel 5 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RVD Algemene Zaken staat `vijftigduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintigduizend euro'; 2. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RVD Algemene Zaken staat `drieduizend gulden', dient te worden gelezen `vijftienhonderd euro'. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 7 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit aanpassing mandaatbesluiten AZ in verband met invoering euro. Artikel 8 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer, de accountantsdienst van het Ministerie van Economische Zaken en de diensthoofden."},{"b":"Besluit aanpassing vergoedingen Raad van Beheer SAIP 2018 Artikel 1 1. De vergoeding van de voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 820,36 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 836,77 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 853,50 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 42,55 uitgekeerd. Artikel 2 1. De vergoeding van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 538,72 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 549,50 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 560,49 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 27,63 uitgekeerd. Artikel 3 1. De vergoeding van de leden en het plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 187,77 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 191,52 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 195,35 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 9,63 uitgekeerd. Artikel 4 1. De vergoeding voor het voorzitten van een hoorzitting door een lid of een plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, niet zijnde de voorzitter van de Raad van Beheer vast te stellen op € 204,71 per dag met ingang van 1 juli 2018; € 208,80 per dag met ingang van 1 juli 2019, en € 212,98 per dag met ingang van 1 januari 2020 Artikel 5 De bedragen genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041427&artikel=1&z=2018-10-10&g=2018-10-10), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041427&artikel=2&z=2018-10-10&g=2018-10-10), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041427&artikel=3&z=2018-10-10&g=2018-10-10) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041427&artikel=4&z=2018-10-10&g=2018-10-10) zijn gebaseerd"},{"b":"Besluit aanpassing vergoedingen Raad van Beheer Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover hij niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 785,47 bruto per maand. Artikel 2 De vergoeding van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover hij niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 515,81 bruto per maand. Artikel 3 De vergoeding van de leden en het plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover zij niet in dienst zijn van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 179,78 bruto per maand. Artikel 4 De vergoeding voor het voorzitten van een hoorzitting door een lid of een plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, niet zijnde de voorzitter van de Raad van Beheer, voor zover deze niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 196,– per dag. Artikel 5 De bedragen genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=1&z=2016-05-27&g=2016-05-27), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=2&z=2016-05-27&g=2016-05-27), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=3&z=2016-05-27&g=2016-05-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=4&z=2016-05-27&g=2016-05-27) zijn gebaseerd op het maximum van schaal 17, genoemd in [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), zoals dat per 1 januari 2016 geldt, en volgen de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel. Artikel 6 Het besluit van 20 augustus"},{"b":"Besluit aanpassing zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidies Wsnp Artikel 1 De Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch stelt bij het begin van elke nieuwe Wsnp-zaak de zaaksoort vast en de bijbehorende subsidie (art 4 Besluit Subsidie Bewindvoerder Schuldsanering). Hij baseert deze uitspraak op de informatie in de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de arrondissementsrechtbanken. De Raad informeert de bewindvoerder over zijn besluit via het rekening-courantoverzicht dat binnen twee maanden na ontvangst van het vonnis tot toepassing van de wettelijke schuldsanering aan de bewindvoerder wordt toegestuurd. Artikel 2 Indien de bewindvoerder tijdens de looptijd van de schuldsanering signaleert dat de werkelijke zaaksoort afwijkt van de aanvankelijk vastgestelde, dient hij de Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch daarover te informeren. Artikel 3 De bewindvoerder verzoekt schriftelijk om aanpassing van de zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidie uiterlijk op de dag van de beëindigingzitting. Het verzoek gaat vergezeld van documentatie aan de hand waarvan de Raad voor Rechtsbijstand de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. Artikel 4 De Raad voor Rechtsbijstand kan de bewindvoerder ook actief benaderen met het verzoek informatie beschikbaar te stellen waarmee hij de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. De bewindvoerder dient hieraan medewerking te verlenen. Verleent hij geen medewerking, dan kan de Raad voor Rechtsbijstand een lagere bewindvoerdersubsidie vaststellen en uitbetalen. Artikel 5 De Raad voor Rechtsbijstand informeert de bewindvoerder zo spoedig mogelijk en schriftelijk over zijn bevindingen. Artikel 6 De bewindvoerder kan uiterlijk vier weken na verzending van de bevindingen aanvullende informatie naar de Raad sturen. Na afloop van deze termijn beslist de Raad over de zaaksoort en informeert de bewindvoerder daarover. Artikel 7 Tegen dit besluit kan de bewindvoerder op grond van het bepaalde in de Algemene wet b"},{"b":"Besluit aanvullend beleid bewindvoerdersubsidie 1. Indien de Raad, in het kader van de vaststelling van de bewindvoerdersubsidie, niet over de benodigde gegevens beschikt betreffende het verloop c.q. de afloop van een schuldsanering vraagt hij deze informatie schriftelijk op bij de bewindvoerder. 2. De bewindvoerder dient naar aanleiding van dit verzoek de gevraagde gegevens binnen een periode van vier weken aan de Raad te overleggen. Indien de bewindvoerder niet binnen deze periode aan het verzoek kan voldoen dient hij de Raad schriftelijk om uitstel te vragen. Dit uitstel wordt verleend voor een periode van maximaal vier weken. 3. De Raad kan, indien de benodigde gegevens voor uitbetaling van de bewindvoerdersubsidie niet binnen de in artikel 2 gestelde termijn bij de Raad zijn aangeleverd, tot vijf jaar na de datum van verzending van het in artikel 1 gedane verzoek, de aanspraak op de bewindvoerdersubsidie voor de desbetreffende zaak aan de bewindvoerder geheel of gedeeltelijk ontzeggen. 4. Tegen het besluit van de Raad om het vastgestelde subsidiebedrag te verlagen kan de bewindvoerder op grond van het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) bezwaar aantekenen bij de Raad. Het bezwaar moet worden ingediend bij de bezwaarcommissie Wsnp. 5. De toelichting bij dit besluit bevat nadere uitleg over de achtergrond van de bepalingen."},{"b":"Besluit aanwijzen kanalen elektronische berichten UWV 2026 Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Awb:* de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. *UWV:* het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. *Kanaal:* een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten, bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzen kanalen voor het indienen van elektronische berichten bij UWV 1. Het elektronisch indienen bij UWV van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) vindt plaats via digitale formulieren die beschikbaar worden gesteld via de website van UWV. Deze digitale formulieren zijn te vinden via [www.uwv.nl/Awb](http://www.uwv.nl/Awb). 2. Voor bedrijven/werkgevers bestaat, naast elektronische communicatie via de digitale formulieren, bedoeld in het eerste lid, ook de mogelijkheid om geautomatiseerd berichten in te sturen via het geautomatiseerde berichtensysteem Digipoort. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzen kanalen elektronische berichten UWV 2026. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit aanwijzen Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk als klachtadviescommissie Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - 1. De Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk, zoals ingesteld met het [Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145) (Stcrt 2025, 19890), aan te wijzen als klachtadviescommissie als bedoeld in [artikel 9:14, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) voor alle organisaties die conform [artikel 2 van het Organisatiebesluit BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449&artikel=2) vallen onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. - 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 2025."},{"b":"Besluit aanwijzen Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk als klachtadviescommissie Ministerie van Justitie en Veiligheid - 1. De Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk, zoals ingesteld met het [Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145) (Stcrt. 2025, 19890), aan te wijzen als klachtadviescommissie als bedoeld in [artikel 9:14, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de daarbij behorende clusters, diensten en agentschappen overeenkomstig het geldende organisatiebesluit. - 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 2025."},{"b":"Besluit aanwijzen specialisaties Aanwijzen specialisaties Artikel 1 De specialisaties die op verzoek in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) bij een inschrijving op C1-niveau van het ERK kunnen worden vermeld, worden aangewezen en neergelegd in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045488&bijlage=1&z=2021-09-01&g=2021-09-01) bij dit besluit. Artikel 2 Een specialisatie wordt aangewezen indien daar naar het oordeel van de Raad aanleiding toe bestaat. Inwerkingtreding Artikel 3 Het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663) van 18 juni 2012 (Staatscourant 2012, 12136) met de daarbij behorende bijlagen wordt hierbij ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit met de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045488&bijlage=1&z=2021-09-01&g=2021-09-01) treedt in werking op 1 september 2021 en wordt aangehaald als het ‘Besluit aanwijzen specialisaties’."},{"b":"Besluit aanwijzen specialisaties Aanwijzen specialisaties Artikel 1 De specialisaties die op verzoek in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) bij een inschrijving op C1-niveau van het ERK kunnen worden vermeld, worden aangewezen en neergelegd in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045982&bijlage=1&z=2022-10-01&g=2022-10-01) bij dit besluit. Artikel 2 Een specialisatie wordt aangewezen indien daar naar het oordeel van de Raad aanleiding toe bestaat. Inwerkingtreding Artikel 3 Het [Besluit aanwijzen specialisatie van 18 juni 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663) (Staatscourant 2012, 12136) met de daarbij behorende bijlagen wordt hierbij ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit met de daarbij behorende bijlagen treedt in werking op 1 september 2021 en wordt aangehaald als het ‘Besluit aanwijzen specialisaties’."},{"b":"Besluit aanwijzing ambtenaren Schepenwet Artikel 1 Als ambtenaren bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst, en werkt terug tot en met 1 november 2004."},{"b":"Besluit aanwijzing controleurs Belastingdienst/FIOD-ECD voor de opsporing van economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 Artikel 1 De controleurs van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst - Economische Controle Dienst (Belastingdienst/FIOD-ECD) worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012373), voor zover deze overtredingen zijn aangemerkt als economische delicten in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 2 De beschikking van de Minister van Justitie van 7 maart 1977, kenmerk 141/277, houdende de aanwijzing van controleurs economische controledienst voor opsporing economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stcrt. 1977, 62), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2001. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing controleurs Belastingdienst/FIOD-ECD voor de opsporing van economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001."},{"b":"Besluit aanwijzing en machtiging medewerkers Belastingdienst ex Wid en Wet MOT Artikel 1 Met ingang van 24 november 2007 zijn de controlemedewerkers van de Belastingdienst/Holland-Midden Unit Mot belast met het toezicht op de naleving van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330&artikel=7) en [8 van de Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330&artikel=8) en [artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331&artikel=9), als bedoeld in de [artikelen 8a, eerste lid, onderdelen d en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006421&artikel=8a), en 9, tweede lid, onderdelen d en l, van de Uitvoeringsregeling. Artikel 2 De volgende functionarissen zijn gemandateerd om besluiten te nemen en gemachtigd om te handelen namens ‘Onze Minister’ ter uitvoering van [artikel 5a, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014748&artikel=5a): de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden."},{"b":"Besluit aanwijzing Erfgoedinspectie als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2014/60/EU De Erfgoedinspectie aan te wijzen als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2014/60/EU."},{"b":"Besluit aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg (taakstelling ziekenhuizen 2011) Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2011 een taakstelling van structureel € 150 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Deze aanwijzing beslaat vooralsnog niet de in de voorhangbrief aangekondigde korting van € 549 miljoen. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028924&artikel=2&z=2010-11-11&g=2010-11-11) vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van de macro taakstellingsbedragen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben ieder betrekking op het A- en B-segment tezamen. Bij de toedeling van het macro taakstellingsbedrag wordt de omvang van het vrije B-segment in de verdeelgrondslag betrokken. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s, inclusief schoning voor loonkosten medisch specialisten en agio’s academische component (waarbij de technische uitwerking van deze schoning"},{"b":"Besluit aanwijzing Functionaris voor Gegevensbescherming AVG bij de Autoriteit Persoonsgegevens Artikel 1 1. Als Functionaris voor Gegevensbescherming voor de Algemene verordening gegevensbescherming is aangewezen de heer mr. E.H.M. Daverveld. Artikel 2 1. De Functionaris voor Gegevensbescherming is belast met de taken zoals omschreven in artikel 39 van de Algemene verordening gegevensbescherming en voert deze taken uit in volledige onafhankelijkheid. 2. De Functionaris voor Gegevensbescherming vervult zijn taken voor alle situaties waarin het bestuur van de Autoriteit Persoonsgegevens geldt als (al dan niet gezamenlijk) verwerkingsverantwoordelijke of als verwerker. Artikel 3 Dit besluit geldt voor de gehele Autoriteit Persoonsgegevens. Artikel 4 1. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Dit besluit werkt voor de Functionaris voor Gegevensbescherming terug tot en met 1 juli 2022."},{"b":"Besluit aanwijzing gemeenten Tijdelijk experimentenbesluit Kiezen op Afstand (Europees Parlement 4 juni 2009/2) Artikel 1 Tijdens de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009 wordt een experiment als bedoeld in [artikel 1 van de Experimentenwet Kiezen op Afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016095&artikel=1) gehouden met stemmen in een stemlokaal naar eigen keuze als bedoeld in [hoofdstuk 2 van het Tijdelijk experimentenbesluit Kiezen op Afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016645&hoofdstuk=2) in de volgende gemeenten: Gemeente Kaag en Braassem Gemeente Albrandswaard."},{"b":"Besluit aanwijzing Geschillencommissie Auteurscontractenrecht De Geschillencommissie Auteurscontractenrecht, ondergebracht bij de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf, statutair gevestigd te Den Haag, met ingang van 1 oktober 2016 aan te wijzen als de geschillencommissie voor de beslechting van geschillen tussen een maker en zijn wederpartij of een derde inzake de toepassing van [artikel 25c, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c), [25d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25d), [25e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25e) of [25f van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25f)."},{"b":"Besluit aanwijzing Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen ex art. 6, eerste lid, Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen De Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen, ondergebracht bij de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf, statutair gevestigd te Den Haag, met ingang van 1 januari 2022 aan te wijzen als commissie als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045048&artikel=6), belast met het beslechten van geschillen tussen afnemers en leveranciers inzake de toepassing van de [artikelen 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045048&artikel=2) van die wet."},{"b":"Besluit aanwijzing gevaarlijke stoffen, beroepsziektes en letsels Wet ongevallenverzekering BES Artikel 1. Bepaling van gevaarlijke stoffen 1. Als gevaarlijke stoffen, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=1) worden de stoffen aangemerkt, die worden genoemd in kolom 1 van de tabel, vermeld in het tweede lid, mits daartoe grotere hoeveelheden van deze stoffen voorradig zijn of gebruikt worden dan de hoeveelheden, die in kolom 2 van de tabel, vermeld in het tweede lid, zijn aangegeven. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen en hoeveelheden worden verstaan: | Kolom 1 | Kolom 2 (in kilogrammen) | | --- | --- | | 1°. Buskruit niet in patronen. | 1.00 | | 2°. Buskruit in patronen. | 1.00 | | 3°. Mengsels van een of meer salpetersoorten met brandbare stoffen, zoals aanwezig zijn in vuurwerken: picrinezuur; mengsels van chroomzure of permangaanzure zouten met magnesium- of aluminiumpoeder, zoals worden gebruikt voor het voortbrengen van bliksemlicht voor fotografische doeleinden; mengsels van ammoniak, kali- of natrolsalpeter, permangaanzure of chroomzure zouten met nitroderivaten van een van de koolwaterstoffen van de aromatische reeks of met zwavel, pek, olie, paraffine, vet, lak of een andere brandbare, maar niet ontplofbare stof. | 2.00 | | 4°. Springgelatine, dynamiet en andere niet vloeibare mengsels van nitroglycerine en niet ontplofbare stoffen. | 1.00 | | 5°. Kalium- en ammoniumpicraat, ontplofbare mengsels van kaliumchloraat met andere stoffen, nitroglycerine, schietkatoen, collodiumwol en schiethout. | 0.050 | | 6°. Knalkwik, al of niet aanwezig in slagkwik of detonatorpijpjes of andere voorwerpen, indien niet in hetzelfde vertrek aanwezig met één of meer van de hiervoor vermelde ontplofbare stoffen. | 0.010 | | 7°. Knalkwik, al of niet aanwezig in slagkwik of detonatorpijpjes of andere voorwerpen, indien aanwezig in hetzelfde vert"},{"b":"Besluit aanwijzing KMCGS ex artikelen 11.1 en 11.3 Wet luchtvaart Artikel 1 Als ambtenaren in de zin van [artikel 11.1, eerste lid, onder c, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1), worden aangewezen de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen van de Koninklijke Marechaussee. Artikel 2 Met de opsporing van de in [artikel 11.9, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.9) strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen van de Koninklijke Marechaussee. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: [Besluit aanwijzing KMCGS ex artikelen 11.1 en 11.3 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015023). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018 Artikel 1 Het bestuur BFT wijst aan en belast in het kader van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), de [Gdw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) en de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) de medewerkers van het BFT, aangesteld in de functie van directeur, hoofd, toezichthouder of jurist. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 25 juli 2018. Artikel 4 1. Het ‘[Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039223)’ (gepubliceerd in de Staatscourant van 23 februari 2017; nr. 7258) wordt ingetrokken. 2. Dit Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018 zal in de Staatscourant worden geplaatst. 3. Tevens zal dit Aanwijzingsbesluit op de website van het BFT worden geplaatst."},{"b":"Besluit aanwijzing opleidingsinstelling Wsnp Artikel 1. Begrippen en definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wsnp:* [Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730); - b. *Vergoedingenbesluit:* [Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711); - c. *Basisopleiding:* opleiding die wordt afgerond met een diploma bewindvoerder Wsnp - d. *Beleid PE:* beleid permanente educatie Wsnp - e. *Raad:* de Raad voor Rechtsbijstand; - f. *Bewindvoerder:* een bewindvoerder die is ingeschreven in het Register voor bewindvoerders- en bewindvoerderorganisaties Wsnp; - g. *Deskundige:* een docent met praktijkervaring; - h. *Kwaliteitsplan:* een door een opleiding opgestelde beschrijving van de organisatie van de opleiding en van de wijze waarop de kwaliteit van de opleiding wordt geborgd; - i. *Opleidingsinstelling:* een instelling welke scholingsactiviteiten aanbiedt als bedoeld in art. 2.1.3 en hoofdstuk 2.4 van de beleidsregels inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register en voldoet aan de voorwaarden in het onderhavige besluit; - j. *Relevant:* een activiteit is relevant wanneer deze bijdraagt tot het op peil houden of uitbreiden van de competenties van een bewindvoerder Wsnp; - k. *Scholingsactiviteit:* relevante scholing verzorgd door een deskundige waarbij kennisoverdracht centraal staat. Voorwaarden Artikel 2. Verzoek tot aanwijzing 1. Een opleidingsinstelling dient de Raad schriftelijk te verzoeken om haar aan te wijzen als erkende opleidingsinstelling. De aanwijzing kan gelden voor een basisopleiding tot bewindvoerder Wsnp of een opleiding in het kader van permanente educatie Wsnp. 2. Het schriftelijke verzoek dient te worden onderbouwd met een kwaliteitsplan. 3. Een verzoek tot aanwijzing wordt afgewezen indien het kwaliteitsplan onvoldoende waarborgen biedt voor de kwaliteit van de scholingsactiviteiten. 4. De Raad"},{"b":"Besluit aanwijzing opleidingsinstellingen Wbtv Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wbtv:* [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. *Besluit btv:* [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033582); - c. *Beleid PE:* Beleid permanente educatie Wbtv - d. *Rbtv:* Register beëdigde tolken en vertalers; - e. *Uitwijklijst:* een lijst van tolken en vertalers, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - f. *Raad:* de Raad voor Rechtsbijstand; - g. *tolk:* een tolk die is ingeschreven in het Rbtv of is geplaatst op de Uitwijklijst; - h. *vertaler:* een vertaler die is ingeschreven in het Rbtv of is geplaatst op de Uitwijklijst; - i. *deskundige:* een docent met praktijkervaring; - j. *erkende opleiding:* een door de Raad aangewezen opleidingsinstelling; - k. *kwaliteitsplan:* een door een opleiding opgestelde beschrijving van de organisatie van de opleiding en van de wijze waarop de kwaliteit van de opleiding wordt geborgd; - l. *opleidingsinstelling:* een instelling welke scholingsactiviteiten aanbiedt als bedoeld in artikel 1, sub f van het Besluit PE en voldoet aan de nadere regels gesteld krachtens artikel 3, derde lid van het Besluit PE; - m. *relevant:* een activiteit is relevant wanneer deze bijdraagt tot het op peil houden of uitbreiden van de competenties uit het ‘Landelijk profiel van eindcompetenties vertalen hbo-opleidingen Vertalen en Tolken Nederland’; - n. *scholingsactiviteit:* relevante scholing verzorgd door een deskundige waarbij kennisoverdracht centraal staat. Voorwaarden Verzoek tot aanwijzing Artikel 2 1. Een opleidingsinstelling dient de Raad schriftelijk te verzoeken om haar aan te wijzen als erkende opleidingsinstelling. 2. Het schriftelijk verzoek dient te worden onderbouwd met een kwaliteitsplan. 3. Een verzoek tot aanwijzing wordt afgewezen indien het"},{"b":"Besluit aanwijzing organisaties voor mulitidisciplinaire adviescommissie ICT Artikel 1 Als rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland, worden aangewezen: - a. de politiekorpsen, bedoeld in [artikel 4 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=4); - b. de gemeentelijke brandweren, bedoeld in [artikel 1 van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=1); - c. de regionale brandweren, bedoeld in [artikel 4 van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4); - d. openbare lichamen als bedoeld in [artikel 4 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005276&artikel=4); - e. de Koninklijke marechaussee; - f. de gemeenten; - g. het directoraat-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en - h. het Ministerie van Justitie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2006."},{"b":"Besluit aanwijzing plaatsen in gebruik bij TNO als verboden plaats Artikel 1 Als verboden plaats in de zin van de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074) worden aangewezen de volgende bij TNO in gebruik zijnde gedeelten van gebouwen: - a. Locatie TNO Oude Waalsdorperweg 63 Den Haag 0D vleugel (kelder). Kadastraal bekend: gemeente ’s-Gravenhage, sectie X 5967. - b. Locatie TNO Lange Kleiweg 137 Rijswijk, ruimten 935 en 937 van gebouw 91 (Toxlab). Kadastraal bekend: gemeente Rijswijk, sectie G 3069. - c. Locatie TNO Ypenburgse Boslaan 2 Den Haag, gebouwen (bunkers) 8, 9, 10, 11 en 17. Kadastraal bekend: gemeente ’s-Gravenhage, sectie BG 3378. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046977&artikel=1&z=2022-07-28&g=2022-07-28) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven door borden met de tekst: Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074). Verboden toegang voor onbevoegden. 2. De in het eerste lid, bedoelde borden worden aangebracht binnen het gebouw bij elke ingang van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046977&artikel=1&z=2022-07-28&g=2022-07-28) genoemde gebouwen of gedeelten daarvan, duidelijk zichtbaar voor een ieder die het gebouw of deel daarvan betreedt. Artikel 3 Ingetrokken worden: - a. het [koninklijk besluit van 25 maart 1986, houdende aanwijzing van enige gebouwen te ’s-Gravenhage en Wassenaar als verboden plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003931) (Stb. 1986, 198); - b. het koninklijk besluit van 1 december 1988, nr. 28, houdende aanwijzing van enige gebouwen van TNO te ’s-Gravenhage, Rijswijk, Delft en Stompwijk als verboden plaats, zoals gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 februari 1991, nr. 91.001363, 17 december 1991, nr. 91.001363 en 13 november 1999, nr. 99.005320. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgift"},{"b":"Besluit aanwijzing politieholsters Artikel 1 Als holsters, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18), voor het verdekt dragen van het pistool merk Walther, type P5, worden goedgekeurd voor gebruik door politieambtenaren die optreden in burgerkleding: - 1. De holster van het merk 5.11 Tactical, ten behoeve van het pistool van het merk Walther type P5, in combinatie met het modulair draagsysteem van het merk 5.11 Tactical; - 2. De holster van het merk Blade Tech, type belt holster (molded loop) voor het pistool merk Walther, type P5; - 3. De holster van het merk De Buffel, type Yaqui. De voornoemde holsters zijn zowel in een linkshandige als in een rechtshandige uitvoering toegestaan. Artikel 2 Andere holsters voor het verdekt dragen van het pistool merk Walther, type P5 mogen gebruikt worden tot uiterlijk één maand na dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit aanwijzing Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden voor de regio Haaglanden als de Regionale Ambulancevoorziening ex artikel 4 Tijdelijke wet ambulancezorg Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden is voor regio Haaglanden de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet verdrag chemische wapens Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434) bepaalde, worden aangewezen: de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet verdrag chemische wapens."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet geneesmiddelenprijzen Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867) bepaalde worden aangewezen: - a. de projectleider en de medewerkers van het project uitvoering [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867), met uitzondering van de secretariaatsmedewerkers en - b. de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling Geneesmiddelenvoorziening van de directie Genees- en hulpmid-delenvoorziening van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met uitzondering van de secretariaatsmedewerkers. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet geneesmiddelenprijzen."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Commissariaat voor de Media artikel Enig - 1. Met het toezicht bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11), zijn naast de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media de medewerkers van het Commissariaat voor de Media belast, met uitzondering van het hoofd en de medewerkers van de stafeenheid Bedrijfsvoering. - 2. Met het toezicht als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=15) zijn naast de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media de medewerkers van het Commissariaat voor de Media belast, met uitzondering van het hoofd en de medewerkers van de stafeenheid Bedrijfsvoering. - 3. Het Besluit aanwijzing toezichthouders Commissariaat voor de Media van 12 september 2006 wordt ingetrokken. - 4. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 september 2013."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders DNB 2022 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *de Pw BES:* de [Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712);. - *de Wfm BES:* de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883); - *de Wwft BES:* de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824); - *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.; - *Verordening (EG) 1338/2001:* verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG 2001, L 181/6), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 44/2009 van de Raad van 18 december 2008 (PbEG 2009, L 17/1); - *Verordening (EU) 1210/2010:* verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europese Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (PbEU 2010, L 339/1). Artikel 2. Wet op het financieel toezicht Als belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) gestelde regels worden aangewezen de medewerkers van DNB werkzaam in het expertisegebied accounttoezicht of specialistisch toezicht, alsmede de divisiedirecteuren en de afdelingshoofden, van de organisatieonderdelen van DNB die zijn belast met de uitvoering van het toezicht op de naleving van de Wet op het financieel toezicht. Artikel 3. Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Als belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) en de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) gestelde regels worden aangewezen de medewerkers van DNB werkzaam in het expertisegebied accounttoezicht of specialisti"},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders en autoriteiten Caribisch Nederland Infrastructuur en Milieu Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Rijksdienst Caribisch Nederland:het organisatieonderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bedoeld in het [Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028832). Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 6.2, tweede lid, van de Wet elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=6.2). Artikel 2 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642), voor zover van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en de [Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in voornoemde openbare lichamen. Artikel 3 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de [Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550) en de [Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453) worden aangewezen de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de ambtenaren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 4 Als autoriteit, bedoeld in [artikel 14, derde lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=14) en [artikel 37, vierde lid, van de Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=37) wordt aangewezen de dienst Noordzee van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 4a Met het toezicht op de"},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Havenbeveiligingswet Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), alsmede van het bepaalde bij of krachtens de Havenbeveiligingswet zijn belast de inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Havenbeveiligingswet."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders luchtvaart Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving bedoeld in [artikel 73, eerste lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=73), [artikel 11.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1), de [artikelen 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=62), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=64) en [65 van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=65) en [artikel 8a.3, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=8a.3) worden aangewezen: - a. de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport, die zijn belast met toezicht; - c. de ambtenaren van de Dienst specialistische operaties van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie. Artikel 1a Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving bedoeld in [artikel 11.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1) worden aangewezen: - a. de directeur-generaal van het Directoraat-Generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken; - b. de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - c. de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport, die zijn belast met toezicht. Artikel 1b Dit besluit berust mede op [artikel 8a.3, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=8a.3). Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 1. Als personen, bedoeld in [artikel 73, eerste lid, onderdeel b, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=73) worden aangewezen, de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013478&artikel=1&z=2025-09-04&g=20"},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicatiewet Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2 1. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen, bedoeld in [artikel 15.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), zijn, voor zover het de bevoegdheden betreft van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 2. Met het toezicht op de naleving van [artikel 15.1, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), voor zover het betreft [artikel 18.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.7), zijn tevens belast de senior beleidsmedewerkers van de directie Digitale Economie van het directoraat-generaal Economie en Digitalisering. 3. Met het toezicht op de bepalingen, bedoeld in [artikel 15.1, eerste lid, onder a en onder g van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), voor zover dit bepalingen betreft die betrekking hebben op het gebruik van frequentieruimte met de bestemming ‘maritiemmobiele communicatie’, zijn voorts belast de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die zijn tewerkgesteld bij: - a. de dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid, en - b. de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam. 4. In afwijking van het eerste lid, zijn met het toezicht op de naleving van de bepalingen over de bescherming van het publiek belang bij infrastructuur en diensten als geregeld in [hoofdstuk 14a van de wet](h"},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders UWV Artikel 1 De onderzoekers handhaving en de senior onderzoekers handhaving van de directie Handhaving van UWV worden aangewezen als toezichthouders, belast met het toezicht op de naleving van in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30) en [artikel 32d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d) bedoelde wet- en regelgeving en het bepaalde in de [artikelen 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54) en [55 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55), voor zover het geen verplichtingen betreft die betrekking hebben op UWV. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders UWV."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Wet ruimtevaartactiviteiten Artikel 1 Met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=13), zijn belast de ambtenaren met de functiebenamingen coördinerend/specialistisch inspecteur, senior inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Zeevaartbemanningswet Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681) bepaalde zijn belast: - a. de ambtenaren van de politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en zijn tewerkgesteld bij het district Zeehavenpolitie van de Regionale Eenheid Rotterdam; - b. de ambtenaren van de politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en zijn tewerkgesteld bij de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie; en - c. de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 61, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=61). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet bemanning zeeschepen. Artikel 3 *Vervallen*"},{"b":"Besluit aanwijzing traangasgranaten Artikel 1 Als CS-traangasgranaten, bedoeld in [artikel 7, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=7), [artikel 8, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=8) en [artikel 9, sub c, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=9) worden goedgekeurd de CS-traangasgranaten van het merk: Pyrotechnik Silberhütte (Rheinmetall), type Traangasgranaat Buiten (40 mm) RP 743-15 CS; Nico Pyrotechnik (Rheinmetall), type Traangasgranaat Barricadebrekend LE (40 mm binnen); Pyrotechnik Silberhütte (Rheinmetall), type Traangashandgranaat Groot 15 CS; Nico Pyrotechnik (Rheinmetall), type Traangashandgranaat Klein 2.4 CS. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit aanwijzing verenigingen als bedoeld in artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES Artikel 1 1. Eene vereeniging, welke ten doel heeft: - 1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van eene algemeene verordening of eene keur; - 2°. aanranding of bederf der goede zeden; of - 3°. stoornis in de uitoefening van rechten van wien het ook zij; - 4°. het bedrijven, in stand houden of bevorderen van discriminatie van mensen wegens hun ras;is, als strijdig met de openbare orde, verboden. 2. Onder discriminatie wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Wetboek van Strafrecht BES. 3. Dit besluit berust op [artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=146). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing verenigingen als bedoeld in artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES."},{"b":"Besluit aanwijzing vijfde mei als nationale feestdag artikel Enig 1. De vijfde mei aan te wijzen als nationale feestdag waarop jaarlijks de bevrijding van het Koninkrijk in 1945 van de Duitse en Japanse bezetter wordt herdacht en gevierd. 2. In te trekken het besluit van 12 maart 1982, nr. 1."},{"b":"Besluit additieven in levensmiddelen BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *additieven:* levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen; - b. *quantum satis:* een hoeveelheid van een additief toegevoegd aan eet- en drinkwaren overeenkomstig goede productiemethoden, die niet groter is dan voor het beoogde doel nodig is, onder de voorwaarde dat de consument niet wordt misleid; - c. *onverwerkte eet- of drinkwaar:* een eet- of drinkwaar die geen behandeling heeft ondergaan welke een ingrijpende wijziging veroorzaakt in de oorspronkelijke staat daarvan, met dien verstande dat die eet- of drinkwaar gesneden, verdeeld, uitgebeend, gehakt, gepeld, geschild, gewassen, gemalen, schoongemaakt, diepgevroren, ingevroren, gekoeld, ontkorst, gedopt, verpakt of niet-verpakt kan zijn; - d. *conserveermiddelen:* stoffen die de houdbaarheid van eet- en drinkwaren vergroten door deze te beschermen tegen bederf door micro-organismen; - e. *anti-oxidanten:* stoffen die de houdbaarheid van eet- en drinkwaren vergroten door deze te beschermen tegen bederf door oxidatie; - f. *draagstoffen:* stoffen, met inbegrip van oplosmiddelen die als draagstoffen fungeren die gebruikt worden om een additief op te lossen, te verdunnen, te dispergeren of op een andere wijze fysisch te wijzigen zonder de technologische functie daarvan te veranderen en zonder zelf enig technologisch effect uit te oefenen ten einde de verwerking, de toepassing of het gebruik van het additief te vergemakkelijken; - g. *voedingszuren:* stoffen die de zuurtegraad van eet- en drinkwaren verhogen of er een zure smaak aan geven; - h. *zuurteregelaars:* stoffen die de zuurte of alkaliteit van eet- en drinkwaren veranderen of regelen; - i. *antiklontermiddelen:* stoffen die de neiging van afzonderlijke deeltjes van eet- en drinkwaren om aan elkaar te kleven verkleinen; - j. *antischuimmiddelen:* stoffen die schuimvorming verhinderen of verminderen; - k. *vulstoffen:* stoffen die het"},{"b":"Besluit administratieve verplichtingen omzetbelasting *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M (* *Stcrt. 2014, 36166* *). De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de volgende onderdelen.* *§ 3.3.1 (voorheen § 3.2.4) bevat een goedkeuring om een transactieoverzicht van een reis met het openbaar vervoer aan te merken als vervoersbewijs. Deze goedkeuring kan ook gelden bij gebruik van andere betaalmogelijkheden dan een OV-chipkaart of vergelijkbare kaart voor reizen op saldo.* *In § 4.1 (voorheen § 3.5.1) is het arrest van het HvJ van 30 januari 2024 (Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Lublinie) verwerkt inzake de verschuldigdheid van op een factuur vermelde btw door een niet-ondernemer.* *In § 4.2 (voorheen § 3.5.2) inzake herziening van ten onrechte gefactureerde btw is de toelichting op de onderzoeksverplichtingen van de ontvanger van een factuur geactualiseerd.* *In § 4.3 (nieuw) is een bijzondere regeling opgenomen voor ambtshalve verminderingen buiten de vijfjaarstermijn van te veel voldane btw bij afstandsverkopen en digitale diensten.* *In § 6.2 (nieuw) is opgenomen dat een dienstverrichter zijn B2B-dienst in rubriek 1e van zijn btw-aangifte kan verantwoorden als zijn afnemer geen btw-identificatienummer heeft omdat deze afnemer in zijn lidstaat onder de kleineondernemersregeling valt.* *In sommige onderdelen van het besluit zijn teksten van beschrijvende aard niet langer opgenomen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.* 1. Inleiding en juridisch kader Dit besluit bevat beleidsregels en goedkeuringen op het terrein van de administratieve, facturerings- en andere verplichtingen voor de omzetbelasting. De in dit besluit opgenomen beleidsregels vormen een aanvulling op: - – de [artikelen 1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1a), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=26), [34, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Besluit afgifte bewijzen van betrouwbaarheid ex artikel 37 Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (nr. 79/267/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1979, nr. L63, blz. 1, van 13 maart 1979). Artikel 2 De burgemeester wordt aangewezen als de instantie die bevoegd is tot afgifte van een bewijs van betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Richtlijn. Als bewijs van betrouwbaarheid dient de verklaring omtrent het gedrag, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de [Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194). Artikel 3 Ter vervanging van in artikel 37, eerste lid bedoelde document dat geen faillissement heeft plaatsgehad, wordt aangewezen een door een notaris afgegeven afschrift van een authentieke akte, waar in het afleggen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel is geconstateerd. Artikel 4 Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Besluit algemeen nut investeringen *In dit besluit is beleid opgenomen over de voorwaarden waaraan een investering moet voldoen om als algemeen nut investering te kwalificeren en daarmee binnen de kaders van het bestedings-criterium te blijven. Met dit beleid wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die ik in het kader van de verbetervoorstellen van de giftenaftrek en ANBI/SBBI-regeling heb gedaan aan de Tweede Kamer.* 1 Kamerstukken II, 2018/19, 35 026, nr. 63, blz. 9 en Kamerstukken II, 2018/19, 35 026, nr. 67, p. 7. 1. Inleiding In [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) en [hoofdstuk 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&hoofdstuk=1a) zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een instelling moet voldoen om de ANBI-status te kunnen verkrijgen of te behouden. Eén van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, is het bestedingscriterium. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over het antwoord op de vraag wanneer een zogenaamde ‘impact investment’ al dan niet in strijd is met het bestedingscriterium. In overleg met een werkgroep vanuit de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) zijn voorwaarden opgesteld waaraan een dergelijke investering moet voldoen om als algemeen nut investering te kunnen worden aangemerkt. Voldoet een investering aan deze voorwaarden, dan valt de investering in ieder geval binnen de kaders van het bestedingscriterium. De voorwaarden zijn opgenomen in dit besluit. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen - *Algemeen nut investering:* een investering die voldoet aan de voorwaarden van [onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049518) van dit besluit - *ANBI:* een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) - *AWR:* [Algemene wet inzake rijksbelastingen](ht"},{"b":"Besluit als bedoeld in artikel 120, eerste lid van de Wet personenvervoer 2000, houdende intrekking van de Aanwijzing ingevolge artikel 39 van de Wet personenvervoer (oud) Artikel 1 Het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 december 1997, houdende aanwijzing ex artikel 39 Wet personenvervoer (Stcrt. 1997, 249), wordt ingetrokken. Artikel 2 De bevoegdheden van ’s-Hertogenbosch, bedoeld in artikel IV van de Wet van 13 november 1997 tot wijziging van de Wet personenvervoer, worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004."},{"b":"Besluit ANBI *In dit besluit is nieuw beleid opgenomen over de regeling die geldt voor algemeen nut beogende instellingen. Ook zijn enkele onderdelen overgenomen uit het besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M (* *Stcrt. 2014, 36877* *), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 maart 2024, nr. 2024-4956 (* *Stcrt. 2024, 7392* *) en waar nodig geactualiseerd.* 1. Inleiding Een instelling – niet zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die aan de overige wettelijke vereisten voldoet kan, op verzoek, worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) en de [artikelen 1a tot en met 1e van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a). In dit besluit is beleid opgenomen over een aantal van deze voorwaarden, waarbij sommige onderdelen tot stand zijn gekomen naar aanleiding van een kennisgroepstandpunt. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen | Algemeen nut vereiste | Artikel 5b, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 1a, eerste lid, onderdeel b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 | | --- | --- | | ANBI | Een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen | | ANBI Expertisecentrum | Het ANBI Expertisecentrum behandelt de aanvragen van instellingen om te worden aangemerkt als ANBI. Verder houdt het team toezicht op de ANBI’s. Het adres is: Belastingdienst/Kantoor Eindhoven ANBI Expertisecentrum Postbus 90056 5600 PJ Eindhoven | | ANBI-register | Het register waarin de instellingen zijn opgenomen die bij beschikking zijn aange"},{"b":"Besluit artikel 10a Wet Vpb 1969 *Dit besluit bevat het beleid voor artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 maart 2013, nr. BLKB2013/110M (* *Stcrt. 2013, 8768* *) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 10 februari 2022, nr. 2022-1669 (* *Stcrt. 2022, 5018* *).* 1. Inleiding In [artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) is bepaald dat rente ter zake van schulden in bepaalde situaties niet aftrekbaar is. In dit beleidsbesluit is een aantal beleidsstandpunten opgenomen met betrekking tot de toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC) is verantwoordelijk voor de eenheid van beleid en uitvoering bij (onder andere) de toepassing van [artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a). Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur voor aan de CTC ([Instelbesluit CTC 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049409)). De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen | Wet Vpb 1969 | Wet op de vennootschapsbelasting 1969 | | --- | --- | 2. Artikel 10a Wet Vpb 1969 en fraus legis [Artikel 10a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) gaat vooraf aan [artikel 15b Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b) (vanaf 1 januari 2019), de [artikelen 12aa Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12aa) e.v., de [artikelen 15bd Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15bd) e.v. (vanaf 1 januari 2020) en aan de artikelen 13l en 15ad Wet Vpb"},{"b":"Besluit AVBZ-premie-inkomensgrens 2002 BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 21, zevende lid, van de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=21) wordt vastgesteld op: 188.173 USD. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit AVBZ-premie-inkomensgrens 2002 BES."},{"b":"Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208); - b. *verhuisbericht:* een bericht dat is opgemaakt bij de andere basisadministratie waar een persoon een aangifte van vertrek heeft gedaan. Hoofdstuk II. Het bijhouden van de basisadministratie Paragraaf 1. Inschrijving en vertrek Artikel 2 1. Vanwege hun bijzondere verblijfsrechtelijke status komen niet in aanmerking voor inschrijving personen die geen Nederlander zijn en die behoren tot de volgende categorieën: - a. de leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten; - b. de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en consulaire posten; - c. de inwonende gezinsleden van de onder a en b bedoelde personen; - d. andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben. 2. Leden van de Nederlandse krijgsmacht komen eveneens niet in aanmerking voor inschrijving, tenzij zij woonachtig zijn aan de wal. 3. Ten aanzien van een persoon die gaat behoren tot een van de in het eerste of tweede lid genoemde categorieën, terwijl hij reeds is ingeschreven, wordt de bijhouding van de persoonslijst opgeschort. Artikel 3 1. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&bijlage=I&z=2026-10-01&g=2026-10-01) bevat de algemene, bijzondere en administratieve gegevens, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=10). 2. [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&bijlage=II&z=2026-10-01&g=2026-10-01) bevat de verwijsgegevens en de administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens, als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=11). Artikel 4 1. De gegevens over de burgerlijke"},{"b":"Besluit basisopleiding bewindvoerder Wsnp niet-advocaten Artikel 1 De Raad kan opleidingen erkennen als basisopleiding bewindvoerder Wsnp. Met het succesvol afronden van zo’n opleidingstraject voldoet een kandidaat aan [art 1, lid 2 van het Reglement register bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022674) van 1 oktober 2007. Artikel 2 Een opleidingsinstituut kan de Raad schriftelijk om erkenning van de opleiding verzoeken. Het verzoek dient vergezeld te gaan van documentatie waarmee de Raad het verzoek kan beoordelen. Artikel 3 De Raad toetst het verzoek en de bijlagen aan de criteria die in dit besluit zijn vastgelegd. Mits het verzoek compleet is, neemt de Raad binnen zes weken na ontvangst een besluit. Tegen dit besluit is bezwaar mogelijk volgens de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Artikel 4 De erkenning geldt zolang de inhoud van een opleiding of de criteria voor erkenning niet wijzigen. Indien hier wel een wijziging in optreedt, vervalt de erkenning en dient de opleiding een nieuwe erkenningsprocedure te starten. Wijzigen de criteria voor erkenning, dan vervalt de erkenning eveneens automatisch. De Raad dient het opleidingsinstituut in de gelegenheid te stellen in een vooraf gestelde termijn de inhoud aan te passen. Na verloop van deze termijn zal de Raad de opleiding aan de gewijzigde criteria toetsen en opnieuw beslissen over erkenning. Artikel 5 De Raad kan, indien hij daartoe aanleiding ziet, ook bij een ongewijzigde inhoud, een opleiding opnieuw aan de criteria toetsen. Artikel 6 Met inwerkingtreding van dit besluit vervalt het besluit Basisopleiding bewindvoerders van 24 maart 2006. Artikel 7 Kandidaten die waren aangemeld voor de OSR basisopleiding bewindvoerder Wsnp in het voorjaar van 2007 maar niet konden deelnemen vanwege overschrijving of bijzondere omstandigheden, kunnen bij deelname aan de najaarsopleiding 2007 gebruikmaken van de subsidieregeling van het besluit basisopleiding bewindvoe"},{"b":"Besluit beantwoordingstermijn voor verzoeken om toegang tot, en levering van diensten in een dienstvoorziening Artikel 1. – Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Dienstvoorziening:* dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - b. *Exploitant:* exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - c. *Spoorwegonderneming:* spoorwegonderneming als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - d. *Toegangsverzoek:* verzoek van een spoorwegonderneming aan een exploitant om toegang tot, en levering van diensten in een dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van het Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037315&artikel=15). Artikel 2. – Toegangsverzoek Een toegangsverzoek van een spoorwegonderneming bevat alle gegevens die nodig zijn voor een exploitant om tijdig een onherroepelijk aanbod te kunnen maken met daarin opgenomen alle (tarief-) voorwaarden. Artikel 3. – Beantwoording toegangsverzoek 1. De exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in bijlage II, punt 2, onder a, b, c, d, e, f, g, h en i, van richtlijn 2012/34/EU informeert verzoeker binnen 5 werkdagen na ontvangst van een toegangsverzoek of dit toegangsverzoek voldoende gespecificeerd is en alle gegevens bevat als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039315&artikel=2&z=2017-03-14&g=2017-03-14). 2. De exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in bijlage II, punt 2, onder a, b, c, d, f, g, h en i, van richtlijn 2012/34/EU beantwoordt een voldoende gespecificeerd toegangsverzoek als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039315&artikel=2&z=2017-03-14&g=2"},{"b":"Besluit Beheer Documentaire Informatie Sociaal-Economische Raad Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *Conversie:* de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - *Documentaire informatie (DI):* - a. alle documenten, ongeacht hun vorm, door de Sociaal-Economische Raad ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op de Sociaal-Economische Raad zijn overgegaan; - c. alle documenten, ongeacht hun vorm, welke als gevolg van overeenkomsten met of beschikkingen van de Sociaal-Economische Raad in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. reproducties, ongeacht vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder het eerste, tweede of derde lid bedoelde documenten of welke op grond van [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) zijn vervaardigd; - *Duurzaam informatiebeheer:* informatiebeheer waarbij de toegankelijkheid, authenticiteit en betrouwbaarheid van documentaire informatie wordt gewaarborgd om achteruitgang te voorkomen en tegen te gaan, zodat tenminste honderd jaar na het ontstaan van de archiefstukken deze nog zijn te raadplegen. - *Migratie:* de overzetting van vastgelegde digitale documenten en toepassingsprogrammatuur naar een ander platform; - *Overbrenging:* het overbrengen van blijvend te bewaren archiefbescheiden naar een archiefbewaarplaats (Nationaal Archief); - *Selectie:* het geheel van activiteiten gericht op het scheiden van voor blijvende bewaring in aanmerking komende documenten en voor vernietiging op termijn bestemde documenten; - *Selectielijst:* ingevolge [artikel 5 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=5) voorgeschreven instrument ten behoeve van de waardering van documenten in te b"},{"b":"Besluit Beheer Haringvlietsluizen Artikel 1 1. Per 1 december 2010 worden de Haringvlietsluizen beperkt opengesteld. Dit betekent dat de sluizen, afhankelijk van de Rijnafvoer bij Lobith, ook bij vloed worden geopend met een maximale doorlaatopening zoals aangegeven in de bij dit Besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011395&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01). 2. In bijzondere omstandigheden als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011395&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01), kan van het in lid 1 bedoelde gewijzigde sluisbeheer worden afgeweken. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 1 van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=1) en [artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.9). Artikel 2 Onder het in [artikel 1, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011395&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde gewijzigde sluisbeheer wordt ernaar gestreefd de waterstand te Moerdijk niet onder Normaal Amsterdams Peil (NAP 0m) te laten dalen. Artikel 3 1. De Haringvlietsluizen worden zodanig beheerd dat de functionaliteit van de innamepunten, de noodinlaten en de intrekzones van de waterbedrijven, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende bijlage 2, behouden blijft. 2. De functionaliteit van de innamepunten, noodinlaten en intrekzones blijft behouden als - rekening houdend met de locatiespecifieke overbruggingsmogelijkheden - ter plaatse ten gevolge van de inwerkingtreding van dit besluit géén significante verhoging van het chloridegehalte optreedt, ten opzichte van de situatie vóór inwerkingtreding van dit besluit, rekening houdend met autonome ontwikkelingen. In een nog vast te stellen protocol zal een en ander nog nader worden uitgewerkt. 3. Ter bewaking van de functionaliteit van de bedoelde innamepunten, noodinlaten en intrekzones zal uiter"},{"b":"Besluit beheer sociale-huursector (BBSH). Toepassing van het toezicht Ad I. De meldingsplicht als bedoeld in artikel 11d BBSH In de ministeriële [regeling beperking meldingsplicht BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013429) en in de daarbij behorende MG 2002-06 is neergelegd, dat de verkoop van huurwoningen aan eigenaar-bewoners niet gemeld behoefde te worden, indien terzake die verkoop prestatieafspraken waren gemaakt tussen de gemeente en de aldaar werkzame toegelaten instelling(en). Deze prestatieafspraken dienden tevens gemeld te zijn bij de toenmalige Inspectie van de Volkshuisvesting. In genoemde MG is aangekondigd, dat de eis van het hebben van prestatieafspraken per 1 januari 2003 zal vervallen. Bij deze doe ik de toezegging van voormalig Staatssecretaris van VROM, de heer Remkes, gestand. Wel wijs ik u er op dat voor verkopen waarbij voor een lager percentage wordt verkocht dan 90% van de marktwaarde nog steeds ontheffing gevraagd dient te worden, tenzij het een woning betreft die verkocht wordt in het kader van de [Wet bevordering eigen woningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) (BEW). Een verzoek om ontheffing van het 90% criterium dient aan mij voorgelegd te worden p/a de Directeur Stad en Regio van het Directoraat-Generaal Wonen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer, Interne postcode 210, Postbus 30941, 2500 GX Den Haag. Ik zal dergelijke verzoeken overigens slechts honoreren, indien in de verkoopcontracten beperkende voorwaarden, zoals waardedeling en teruggave van de verleende 'korting' bij verkoop door de eigenaar-bewoner, zijn opgenomen. Dit vooruitlopend op de door mij voorgenomen wijziging van het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686), waarbij onder meer het minimum verkooppercentage van 90 zal worden verlaagd tot 70 (voor verkoop aan zittende bewoners), dan wel tot 80 (voor verkoop aan toekomstige eigenaar-bewoners). II. De wijziging van bijlagen I en II als b"},{"b":"Besluit beheer sociale-huursector (BTW-constructies) Geacht Bestuur/College, 1. Aanleiding In de periode tot 31 maart 1995 heeft een aantal toegelaten instellingen een zakelijk gebruiksrecht op nieuw gebouwde woningen gevestigd ten gunste van een aan de toegelaten instelling gelieerde rechtspersoon of vennootschap, met het oogmerk daarmee de af te dragen omzetbelasting te verminderen. Een en ander werd daarom ook wel BTW-constructie genoemd. Ik merk op dat de belastingrechter inmiddels in een aantal gevallen de Inspecteur der Directe Belastingen bij diens niet-acceptatie van de constructie in het gelijk heeft gesteld. Op grond van het destijds vigerende [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) was een dergelijke BTW-constructie een besluit van aanmerkelijk belang. Zowel voor het bezwaren van onroerend goed als voor de (financiële en bestuurlijke) deelneming in een andere rechtspersoon of vennootschap moest derhalve goedkeuring verkregen worden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente resp. de Staatssecretaris van VROM. De meeste toegelaten instellingen die een BTW-constructie hebben gerealiseerd, hebben daarvoor de instemming van de gemeente verkregen (doch niet van de betrokken staatssecretaris). Een twintigtal toegelaten instellingen heeft in strijd met het destijds geldende [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686), een dergelijke constructie niet bij de gemeente gemeld dan wel in weerwil van de onthouding van de gemeentelijke goedkeuring op het voorgenomen besluit, een dergelijke constructie toch gerealiseerd. Door de vestiging van een zakelijk gebruiksrecht is het beheer van (een deel van) het woningbezit van een toegelaten instelling overgedragen aan de houder van het beperkte recht, i.c. de gelieerde rechtspersoon resp. vennootschap. Reeds eerder heeft mijn ambtsvoorganger, ter nadere explicatie van het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686), zowel via de MG 94-46 d.d. 23-12-1994 als door mid"},{"b":"Besluit bekendmaking van het op 14 juli 2015 tussen de Ministers van Financiën van Duitsland en Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de intensivering van de spontane inlichtingenuitwisseling m.b.t. grensoverschrijdende belastingafspraken met en beslissingen van de belastingdiensten *Dit besluit bevat een bekendmaking van het op 14 juli 2015 tussen de ministers van Financiën van Duitsland en Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de intensivering van de spontane inlichtingenuitwisseling m.b.t. grensoverschrijdende belastingafspraken met en beslissingen van de belastingdiensten. Het Memorandum heeft betrekking op de spontane uitwisseling van de volgende informatie:* - • *Unilaterale advance pricing agreements (APA’s) en beslissingen,* - • *Bilaterale of multilaterale APA’s en beslissingen in geval de andere Staat geen partij is bij deze overeenkomst of beslissing,* - • *Andere typen rulings, zoals gedefinieerd door het OESO Forum on Harmful Tax Practices,* - • *Overeenkomsten en beslissingen betreffende preferentiële belastingregimes, zoals innovatieboxen.* *De eerste uitwisseling heeft betrekking op het jaar 2015, maar in onderling overleg kunnen beide ministeries overeenkomen dat ook informatie wordt uitgewisseld die betrekking heeft op voorgaande jaren.* Memorandum of understanding between the federal ministry of finance of germany and the ministry of finance of the netherlands on the intensification of the spontaneous exchange of information regarding cross-border tax agreements and decisions The Federal Ministry of Finance of Germany and the Ministry of Finance of the Netherlands (hereinafter referred to as ‘the Participants’), Having regard to, The provisions of Article 9 of the Council Directive number 2011/16/EU of 15 February 2011 on administrative cooperation in the field of taxation (hereinafter referred to as the ‘Directive’), The EU Model Instruction for the spontaneous exchange of cross-border rulings and unilateral"},{"b":"Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen *In dit besluit is beleid opgenomen over de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van stichtingen en verenigingen. Dit besluit is een actualisering van het beleid dat is opgenomen in het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2730M. Dit beleid is op onderdelen aangepast of verduidelijkt. Verder is in dit besluit beleid opgenomen over de regeling integrale belastingplicht voor culturele instellingen.* 1. Inleiding In [artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) zijn de rechtsvormen opgenomen die voor de heffing van de vennootschapsbelasting als binnenlandse belastingplichtigen worden aangemerkt. In de onderdelen *a*, *b*, *c en d* van het eerste lid en in het derde lid van dit artikel worden de lichamen genoemd die volledig belastingplichtig zijn. Deze lichamen worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.1Artikel 2, zesde lid, Wet Vpb 1969. De niet in voormelde onderdelen *a*, *b*, *c* en *d* genoemde verenigingen, stichtingen en andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen zijn belastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven ([artikel 2, eerste lid, onderdeel *e*, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2)). Dit besluit geeft een nadere invulling aan en uitleg over de belastingplicht van stichtingen en verenigingen. Dit besluit is een actualisering van het beleid dat is opgenomen in het [besluit van 23 december 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019400), nr. CPP2005/2730M. Dit beleid is op onderdelen aangepast of verduidelijkt. Het besluit bevat verder enkele nieuwe onderdelen. De belangrijkste wijzigingen zijn hieronder weergegeven. - – Er is beleid opgenomen over het criterium ‘deelname aan het economische verkeer’ ([onderdeel 2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048564)). - – Het onderdeel over ‘winstst"},{"b":"Besluit beleid kwaliteitsaudits voor bewindvoerderorganisaties 1. Alle erkende bewindvoerderorganisaties dienen zich te onderwerpen aan periodieke audits, waarbij de kwaliteit van de betreffende bewindvoerderorganisatie wordt getoetst. Dit geldt tevens voor advocatenkantoren, waar bewindvoerders niet-advocaat werkzaam zijn. Deze periodieke audits zullen in principe éénmaal in de drie jaar plaats vinden."},{"b":"Besluit beleidsregel bekendmaken delen A en B van het Registration Report (vastgesteld in vergadering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden C-276 d.d. 22 april 2015) Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 33, vierde lid; artikel 63 en artikel 75 Verordening (EG) nr. 1107/2009; [artikel 4, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=4) en [artikel 3:47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:47) en [artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); overwegende dat - − het College binnen de kaders van de wet en op basis van het principe van goed bestuur maximale transparantie wil bieden; - − het College daarom de volledige inhoudelijke onderbouwing bij besluiten tot toelating van gewasbeschermingsmiddelen wil bekendmaken op haar website, met uitzondering van vertrouwelijke informatie die in deze onderbouwing kan zijn opgenomen; - − het dRR format, dat gebruikt wordt bij de beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel, voorziet in een separaat deel voor vertrouwelijke informatie, part C, maar desalniettemin niet geheel kan worden uitgesloten dat in deel A en B vertrouwelijke informatie voorkomt; - − de aanvrager de mogelijkheid heeft om vertrouwelijke behandeling te verzoeken van de informatie die hij uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 indient, op basis van een verifieerbare verantwoording, die aantoont dat openbaarmaking zijn commerciële belangen of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit in het gedrang kan brengen; - − het wenselijk is om inzicht te geven omtrent de procedure voor het verwijderen van vertrouwelijke informatie voorafgaand aan bekendmaking van het RR; - − dat het dientengevolge wenselijk is inzake de bekendmaking van delen A en B van het Registration Report"},{"b":"Besluit beleidsregel naamgeving biociden en gewasbeschermingsmiddelen Artikel 1. Gebruikte afkortingen en termen - *College:* het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - *Verordening (EG) nr. 1107/2009:* Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad. - *Verordening (EG) nr. 528/2012:* Verordening (EG) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden. Artikel 2. Toepasselijkheid Dit beleidsregelbesluit is van toepassing op naamgeving c.q. handelsnamen van biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 3. Werkwijze voor naamgeving Het College accepteert geen benaming van biociden of gewasbeschermingsmiddelen die zou kunnen leiden tot verwarring bij de consument omtrent de identiteit, de risico’s of de werking van het middel. Daarbij wordt door het College met name doch niet uitsluitend gelet op het volgende: - a) Verwarring moet worden voorkomen door de geschreven handelsnaam. Ook mag er geen verwarring ontstaan wanneer deze handelsnaam wordt uitgesproken. - b) Er mag door de handelsnaam geen verwarring ontstaan over de samenstelling van het gewasbeschermingsmiddelen of de biocide. - c) De handelsnaam mag niet misleidend zijn met betrekking tot de hazards/risico’s van het gewasbeschermingsmiddelen of de biocide. - d) Er mag geen verwarring ontstaat doordat de handelsnaam van het gewasbeschermingsmiddelen of de biocide geen onderscheidend vermogen heeft ten opzichte van de reguliere benaming van één van de (werkzame) stoffen of van een reguliere beschrijving van de werking van het middel. Voorkomen moet worden dat reguliere aanduidingen (incl. cijfers en andere leestekens) gemonopoliseerd kunnen worden door gebruik als handelsnaam. In geval van twijfel of een handelsnaam aan h"},{"b":"Besluit beleidsregels maximale proeftijd VWS - 1. Voor aanstellingen door of namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op grond van artikel 6, lid 2, aanhef en onder a ARAR die ingaan op of na 1 april 2002 geldt voor de toepassing van de in die bepaling genoemde proeftijd van ten hoogste twee jaren, voor alle functies binnen het ministerie van VWS een termijn van 12 kalendermaanden of korter. - 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor functies ten aanzien waarvan met betrekking tot proeftijden regels als bedoeld in artikel 13 ARAR van toepassing zijn. - 3. Dit besluit zal worden bekendgemaakt door plaatsing daarvan in de Staatscourant. - 4. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit beleidsregels maximale proeftijd VWS."},{"b":"Besluit Beleidsregels SVB 2016 Artikel 1 Bij de uitvoering van de in [artikel 34 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34) genoemde wetten, de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424), de [Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498) de [Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035006) en de [Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022913), past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0038478) bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Beleidsregels SVB 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035096) (Stcrt. 2014, nr. 13017), het [Besluit Beleidsregels SVB 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036161) (Stcrt. 2015, nr. 562) en het [Besluit SVB Beleidsregels WWB 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032932) (Stcrt. 2013, nr. 4772) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Beleidsregels SVB 2016."},{"b":"Besluit bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 Artikel 1. Definities 1. In dit besluit worden overgenomen de begripsbepalingen van het vrijstellingsbesluit als bedoeld in [artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13). 2. In dit besluit wordt voorts verstaan onder: | a. | wet | : | Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; | | --- | --- | --- | --- | | b. | vrijstellingsbesluit | : | vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet; | | c. | Vereniging | : | Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen; | | d. | Verbond | : | Verbond van Verzekeraars | | e. | raad | : | Sociaal-Economische Raad. | Artikel 2. Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 1. Er is een bemiddelingsinstantie inzake het [vrijstellingsbesluit van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13). 2. De bemiddelingsinstantie is genaamd bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. 3. De bemiddelingsinstantie wordt hierna aangeduid als bemiddelaar. Artikel 3. Taak 1. De bemiddelaar heeft tot taak te bemiddelen in geschillen in het kader van verzoeken van ondernemingen aan bedrijfstakpensioenfondsen om toepassing van het vrijstellingsbesluit, welke geschillen betrekking kunnen hebben op: - a. toepassing van regels voor de meting van de beleggingsperformance; - b. toepassing van de rekenregels inzake verzekeringstechnische aangelegenheden. 2. Bij de uitvoering van deze taak wordt de bemiddelaar voor elk van de in het eerste lid genoemde beleidsgebieden bijgestaan door twee adviseurs. Voor elk beleidsgebied wordt één-adviseur benoemd op voordracht van de Vereniging en één adviseur op voordracht van het Verbond. 3. De bemiddelaar wordt voorts bijgestaan door een secretariaat. Dit secretariaat berust bij de raad. Artikel 4. Benoeming en ontslag 1. De bemiddelaar wordt benoemd en ontslagen door het Dagelijks Be"},{"b":"Besluit benoeming en vaststelling vergoeding leden Adviescommissie Wind op Zee Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 oktober 2012 worden voor een periode van vier jaar tot lid van de Adviescommissie Wind op Zee benoemd: - a. de heer dr. L. Folkerts, te Amersfoort, tevens voorzitter; - b. de heer dr. H.J.M. Beurskens, te Schagen; - c. de heer dr. T. Buhl, te Roskilde, Denemarken; - d. de heer ir. F.J.L. Van Hulle, te Leuven, België; - e. de heer prof. dr. M. Kühn, te Oldenburg, Duitsland; - f. de heer dr. J.C. Matthiesen, te Londen, Verenigd Koninkrijk; - g. de heer drs. H.P.G.M. den Rooijen, te Londen, Verenigd Koninkrijk. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Wind op Zee wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 56/1829. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Wind op Zee wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 48/1829."},{"b":"Besluit benoeming en vergoeding leden Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters Artikel 1 Te rekenen vanaf 2 juli 2015 worden voor een periode van twee jaar tot lid van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters benoemd: - a) de heer prof. dr. J.W.C.M. Cobbenhagen, te Maastricht, tevens voorzitter; - b) de heer J.F. Beernink, te Enschede; - c) mevrouw drs. ing. E.W.L. van Dijk, te Amsterdam; - d) de heer drs. C. A. Holland, te Arnhem; - e) de heer H. Siemerink, te Amsterdam; - f) de heer J.P. Wolters, te Groningen. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,028. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,028."},{"b":"Besluit benoeming en vergoeding leden Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen 1. Benoeming voorzitters en andere leden Met ingang van 7 juli 2020 zijn voor de duur van de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a van de Instellingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=2), tot lid benoemd: - a. mr. J.W. van den Berge, tevens voorzitter tot 30 mei 2023; - b. mr. J.E. Biesheuvel-Vermeijden, tevens voorzitter; - c. mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter tot 1 januari 2024 en lid tot 1 januari 2024; - d. mw. J. Aanzi; - e. mr. dr. J.J. van den Broek, tot 1 februari 2022; - f. mr. Th. Groeneveld; - g. mr. G. Lieuw LL.M; - h. mr. E.B. van de Loo; - i. mr. U. van de Pol, lid tot 1 januari 2024; Met ingang van 1 december 2021 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - j. mr. H.H.C. Visser, tevens voorzitter en per 1 januari 2026 voor de periode van één jaar voorzitter van het bestuur van de BAC. Met ingang van 1 januari 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - k. Prof. mr. G.T.K. Meussen. Met ingang van 1 juni 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - l. prof. mr. L.G. Verburg, tevens voorzitter per 1 januari 2024 en per 1 januari 2026 voor de periode van één jaar lid van het bestuur van de BAC. Met ingang van 1 augustus 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - m. Prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, lid tot 1 oktober 2025; - n. mr. A.C.M. Höppener. Met ingang van 1 september 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - o. mr. R.R. Winter; tevens voorzitter per 31 mei 2023; Met ingang van 1 oktober 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - p. Prof. dr. mr. R.E.C.M. Niessen, lid tot 1 februari 2024; - q. mr. P. van Dijken. Met ingang van 1 december 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: - r. mr. F.M.d.l.S. Goedgedrag, lid tot 1 april 2025. Met ingang van 1 augustus 202"},{"b":"Besluit beperkende bepalingen archiefbescheiden archief Statische Archieven Overzeese Rijksdelen 1925–1980 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Statische Archieven Overzeese Rijksdelen 1925–1980, de volgende beperking gesteld: - 1) Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in het inventarisnummer 34 is slechts mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. - 2) Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a) de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b) de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c) de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d) er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3) Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Besluit beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden archief afdeling Kabinet 1945–1991 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van de afdeling Kabinet 1945–1991, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 27844–27862, 27953–28686, 28689–28701 en 28715–28716 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerde *Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven;* een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0025137) bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Besluit beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de *Algemene Secretarie van het Ministerie van Oorlog, sinds 1959 Defensie, met betrekking tot het Beleidsterrein Dienstplicht (1947) 1954–1981 (1989)*, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 116 | 2056 | | 117 | 2056 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029102&artikel=1&z=2010-12-18&g=2010-12-18), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029102&artikel=1&z=2010-12-18&g=2010-12-18), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking aan de openbaarheid van het archief SoZa: ontslagen personeel Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de personeelsdossiers in de inventarisnummers in het archief SZW: ontslagen personeel, toegang 2.15.56, beperkt openbaar tot 100 jaar na de geboorte van de persoon op wie het dossier betrekking heeft Artikel 2 De onderstaande inventarisnummers worden openbaar op 1 januari van het volgende jaar | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 3 | 2016 | | 6 | 2027 | | 7 | 2027 | | 9 | 2015 | | 14 | 2030 | | 15 | 2047 | | 16 t/m 26 | 2047 | | 29 | 2032 | | 30 | 2036 | | 33 | 2022 | | 37 | 2027 | | 39 | 2015 | | 40 | 2016 | | 46 | 2015 | | 47 | 2018 | | 56 | 2053 | | 57 | 2026 | | 58 | 2022 | | 59 | 2026 | | 67 | 2020 | | 69 | 2027 | | 72 | 2023 | | 73 | 2015 | | 74 | 2015 | | 76 | 2020 | | 83 | 2030 | | 88 | 2044 | | 89 | 2040 | | 92 | 2024 | | 94 | 2024 | | 98 | 2020 | | 99 | 2055 | | 104 | 2017 | | 110 | 2024 | | 111 | 2034 | | 116 | 2022 | | 119 | 2025 | | 122 | 2043 | | 128 | 2016 | | 130 | 2015 | | 131 | 2015 | | 137 | 2022 | Artikel 3 Raadpleging van de bescheiden genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035934&artikel=2&z=2014-12-18&g=2014-12-18) is alleen mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Artikel 4 De beperking aan de openbaarheid vervalt zodra ten genoege van de algemene rijksarchivaris kan worden aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft is overleden."},{"b":"Besluit beperking kring verzekerden AVBZ BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *wet:* de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294). Artikel 2 1. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) is de ingezetene die uitsluitend buiten Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeid verricht. 2. Verricht de betrokkene zowel in de Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als daarbuiten arbeid dan is hij niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294), indien hij: - a. buiten Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in loondienst arbeid verricht; dan wel - b. niet overeenkomstig het gestelde in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=4) ingezetene is, tenzij hij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in loondienst werkzaam is. Artikel 3 1. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) is de ingezetene die uitsluitend in dienstbetrekking staat tot een orgaan van een buitenlandse overheid of tot een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, tenzij hij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is aangeworven dan wel onmiddellijk voorafgaand aan deze dienstbetrekking reeds verzekerd was ingevolge de wet. 2. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) zijn de echtgenoot, kinderen en inwonende overige gezinsleden van de in het eerste lid bedoelde persoon, tenzij zij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeid verrichten. 3. Het tweede lid blijft ingeval van overlijden van de in het eerste lid bedoelde persoon van overeenkomstige toepassing op de aldaar bedoelde echtgenoo"},{"b":"Besluit Beperking Openbaarheid Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de tabel in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046258) in de eerste kolom beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046258&artikel=1&z=2022-02-02&g=2022-02-02), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens). Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnum mers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046258&artikel=1&z=2022-02-02&g=2022-02-02) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 38, 39, 40, 42, 43, 44 | 2053 | | 367 | 2076 | De dossiers met inventarisnummers 38-40 en 42-44 bevatten persoonsgegevens van veroordeelde fraudeurs. De beperking geldt tot het jaar 2053, dit op basis van het geboortejaar van de jongste persoon (1952). Het dossier met inventarisnummer 367 wordt beperkt tot het jaar 2076 (75 jaar na einde dossier), omdat het fiscale identificatienummers bevat. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047450&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047450&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van het Directoraat-Generaal Belastingdiens"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid (MICIV) Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2069, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. Het betreft stukken die gerelateerd zijn aan de MICIV. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 6915 | 2069 | | 6916 | 2069 | | 6917 | 2069 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1993’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid aan inventarisnummer 12956A van het Archief van de Tweede Kamer 1980–1989, toegang 2.02.28 Aan inventarisnummer 12956A in het archief Tweede Kamer der Staten-Generaal 1945–1989, toegang 2.02.28, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een beperking aan de openbaarheid gesteld. Deze beperking is geldig tot 1 januari 2046 of tot de betrokkene aantoonbaar is overleden."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid aantal inventarisnummers die nucleaire informatie bevatten Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt de openbaarheid van de volgende archiefbescheiden beperkt: - − inventarisnummer 3245 van de inventaris (nummer toegang 2.05.149) van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974, tot 2119; - − inventarisnummer 3763 van de inventaris (nummer toegang 2.05.149) van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974, tot 2116; - − inventarisnummer 455 van de inventaris (nummer toegang 2.05.248) van de Nederlandse ambassade in de Sovjet-Unie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, tot 2111; - − inventarisnummer 237 van de inventaris (nummer toegang 2.13.180) van het archief Comité Chefs Staven, tot 2126; - − inventarisnummer 544 van de inventaris (nummer toegang 2.13.185) van het archief Commando tactische Luchtstrijdkrachten, tot 2113; - − inventarisnummer 88 van de inventaris (nummer toegang 2.13.5375) van het archief Algemene Secretarie van het Ministerie van Defensie, tot 2129; - − inventarisnummers 109 en 1256 van de inventaris (nummer toegang 2.08.5298) van het archief Directoraat-Generaal Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën, tot 2123. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt de beperkingstermijn van de archiefbescheiden van inventarisnummer 10640 van de inventaris (nummer toegang 2.03.01) van het Kabinet Minister President van het Ministerie van Algemene Zaken verlengd tot 2121.1Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003, nr. 03M449318, houdende beperkingen van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van d"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van het archief van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (DETAM) (BV18) over de periode (1930–1951) 1952–1997. Artikel 2 1. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023911&artikel=1&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archief wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | Inventaris- nummers: | geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 199 | 2043 | | 200 | 2062 | | 201 | 2070 | | 209 | 2071 | | 265, 267 | 057 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023911&artikel=2&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verzoeker vult daartoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’ in. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 5 Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden waarop de beperkende bepalingen van toepassing zijn, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dag"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief betreffende Oud-Spanjestrijders 1937–1941, toegang 2.09.99 De beperking die gesteld is aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 49, 50, 101, 160, 172, 189, 238, 253 en 270 van het archief Ministerie van Justitie: Oud-Spanjestrijders, toegang 2.09.99, wordt opgeheven."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken, (1945) 1990–1995 (1996) Inventaris CPB Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. De archiefbescheiden bevatten gewone persoonsgegevens. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 704 | 2053 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050070&artikel=1&z=2024-07-27&g=2024-07-27), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050070&artikel=1&z=2024-07-27&g=2024-07-27), is, tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050070&artikel=1&z=2024-07-27&g=2024-07-27), is, tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan haar toestemming voorwaarden kan verbi"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centrale Directies Ministerie van Financiën Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045007&bijlage=1&z=2021-04-01&g=2021-04-01) beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1314 | 2054 | en Artikel 3 Met het oog op de onevenredige bevoordeling of benadeling van personen of instanties zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045007&bijlage=2&z=2021-04-01&g=2021-04-01) beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Artikel 4 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 1 en 3*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 2. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2,* is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045007&artikel=1&z=2"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centrale Veiligheidsdienst (CVD) + Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de periode 9 april 1946–1952 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 7 | 2028 | | 22 | 2027 | | 24 | 2027 | | 25 | 2027 | | 27 | 2025 | | 30 | 2026 | | 37 | 2029 | | 38 | 2032 | | 39 | 2031 | | 40 | 2028 | | 41 | 2029 | | 42 | 2030 | | 43 | 2028 | | 44 | 2028 | | 67 | 2025 | | 86 | 2023 | | 87 | 2024 | | 88 | 2024 | | 89 | 2025 | | 90 | 2025 | | 91 | 2026 | | 92 | 2030 | | 119 | 2021 | | 141 | 2025 | | 203 | 2025 | | 208 | 2024 | | 209 | 2024 | | 210 | 2025 | | 211 | 2026 | | 212 | 2028 | | 259 | 2028 | | 301 | 2027 | | 317 | 2023 | | 331 | 2028 | | 334 | 2028 | | 341 | 2023 | | 361 | 2023 | | 363 | 2024 | | 365 | 2024 | | 369 | 2027 | | 374 | 2026 | | 387 | 2028 | | 388 | 2028 | | 398 | 2026 | | 410 | 2028 | | 420 | 2026 | | 421 | 2028 | | 423 | 2028 | | 426 | 2028 | | 428 | 2028 | | 452 | 2023 | | 454 | 2028 | | 455 | 2024 | | 456 | 2024 | | 467 | 2028 | | 554 | 2027 | | 578 | 2028 | | 580 | 2028 | | 592 | 2026 | | 596 | 2028 | | 603 | 2028 | | 604 | 2028 | | 605 | 2028 | | 606 | 2028 | | 607 | 2028 | | 608 | 2027 | | 609 | 2028 | | 610 | 2028 | | 611 | 2028 | | 612 | 2028 | | 613 | 2028 | | 614 | 2028 | | 615 | 2027 | | 650 | 2024 | | 663 | 2023 | | 669 | 2023 | | 672 | 2024 | | 681 | 2025 | | 688 | 2026 | | 691 | 2027 | | 692 | 2027 | | 693 | 2028 | | 697 | 2027 | | 698 | 2028 | | 699 | 2028 | | 700 | 2028 | | 705 | 2025 | | 717 | 2028 | | 718 | 2028 | | 722 | 2028 | | 728 | 2026 | | 732 | 2028 | | 733 | 2027 | | 736 | 2030 | | 754 | 2027 | | 771 | 2028 | | 800 | 2026 | | 829 | 2026 | | 832 | 2025 | | 851 | 2025 | | 868 | 2024 | | 870 | 2025 | | 872 | 2026 | | 875 | 2027 | | 901 | 2024 | | 914 | 2027 | | 917 | 2028 | | 918"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid Archief Chef van de Luchtmachtstaf (CLS) Ministerie van Defensie (1945) 1951 – 1986 (1996) Artikel 1 Het [besluit beperking openbaarheid van het archief van de Chef van de Luchtmachtstaf (CLS) van het Ministerie van Defensie (1945) 1951 – 1986 (1996)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031101) van 30 december 2011, zoals gepubliceerd op 17 januari 2012 in nr. 844 van de Staatscourant wordt ingetrokken vanwege onjuiste verwijzingen naar de inventaris. Artikel 2 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4530 | 2054 | | 4881 | 2054 | Artikel 3 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 117 | 2038 | | 182 | 2042 | | 570 | 2040 | | 571 | 2040 | | 2016 | 2037 | | 2246 | 2064 | | 2273 | 2042 | | 2606 | 2064 | | 2607 | 2064 | | 2725 | 2036 | | 2747 | 2065 | | 2748 | 2065 | | 2871 | 2049 | | 3010 | 2042 | | 3068 | 2042 | | 3196 | 2020 | | 3204 | 2040 | | 3420 | 2031 | | 4223 | 2035 | | 4294 | 2062 | | 5425 | 2042 | | 5426 | 2042 | | 5427 | 2042 | | 5582 | 2038 | | 5598 | 2037 | Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Chef van de Luchtmachtstaf (CLS) van het Ministerie van Defensie (1945) 1951 – 1986 (1996)."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen Provincie Gelderland LNV 1948–1993 Inventaris CLV-GELDER Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 1356 | 1-1-2035 | | 1357 | 1-1-2055 | | 1358 | 1-1-2037 | | 1359 | 1-1-2059 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief Consulentschappen in de Provincie"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Gelderland, Ministerie van LNV, 1913–1990 Inventaris RPG Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 108 | 1-1-2032 | | 139 | 1-1-2022 | | 142 | 1-1-2028 | | 285 | 1-1-2027 | | 913 | 1-1-2045 | | 994 | 1-1-2026 | | 1250 | 1-1-2029 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Noord-Holland, Ministerie van LNV, 1983–1990 (1995) Inventaris RPNH Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 183 | 1-1-2030 | | 425 | 1-1-2032 | | 530 | 1-1-2041 | | 637 | 1-1-2034 | | 1108 | 1-1-2053 | | 1109 | 1-1-2057 | | 1145 | 1-1-2037 | | 1236 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. De rijksarchivaris in Noord-Holland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklari"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Zeeland, Ministerie van LNV, 1902–1990 Inventaris RPZ Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 131 beperkt openbaar tot 1 januari 2032 en de inhoud van inventarisnummer 207 beperkt openbaar tot 1 januari 2039 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in Zeeland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. De rijksarchivaris in Zeeland kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. Deze kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Consulentschappen in de provincie Zeeland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1902–1990"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in de provincie Utrecht Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1965) 1984–1994 (1995) Inventaris DLNO-UTRCH Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 19 beperkt openbaar tot 1 januari 2029 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. De rijksarchivaris van de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief Directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in de provincie Utrecht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief directie Algemene Fiscale Zaken Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Deze dossiers bevatten onderzoeken naar personen, de behandeling van klachten en fraudezaken en gerechtelijke gegevens, waarmee een beperking van de openbaarheid gerechtvaardigd is. Daar waar mogelijk is gekozen voor een beperkingstermijn van geboortedatum plus honderd jaar. In het geval dat er geen geboortedatum vermeld staat, is er uitgegaan van de sluitingsdatum van het dossiers plus vijfenzeventig jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 144 | 2075 | | 321 | 2066 | | 379 | 2071 | | 1063 | 2069 | | 1064 | 2069 | | 1065 | 2069 | | 1066 | 2069 | | 1068 | 2067 | | 1069 | 2067 | | 1076 | 2076 | | 1078 | 2072 | | 1079 | 2074 | | 1080 | 2074 | | 1085 | 2064 | | 1091 | 2072 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047169&artikel=1&z=2022-09-22&g=2022-09-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047169&artikel=1&z=2022-09-22&g=2022-09-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de directie Algemene Fiscal"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directie Regionale Zaken Zuid van het Ministerie van LNV 2004 – 2011 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 164 | 1-1-2086 | | 195 | 1-1-2086 | | 196 | 1-1-2086 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. De beperkingen gesteld aan de openbaarheid genoemd in artikel 1 vervalt als de inhoud van het inventarisnummer betrekking heeft op de verzoeker zelf. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07) is tot het moment van openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. De rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07) is tot het moment van openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met de ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besl"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen en Projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en taakvoorgangers, 1946-2004 (2010) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 399 | 2042 | | 484 | 2078 | | 487 | 2076 | | 524 | 2059 | | 525 | 2061 | | 531 | 2066 | | 532 | 2061 | | 533 | 2067 | | 534 | 2063 | | 535 | 2063 | | 537 | 2063 | | 574 | 2044 | | 593 | 2083 | | 625 | 2035 | | 630 | 2037 | | 642 | 2076 | | 720 | 2078 | | 721 | 2075 | | 722 | 2074 | | 723 | 2074 | | 724 | 2074 | | 725 | 2074 | | 726 | 2074 | | 727 | 2074 | | 728 | 2074 | | 729 | 2075 | | 730 | 2079 | | 731 | 2075 | | 732 | 2075 | | 733 | 2078 | | 734 | 2080 | | 735 | 2079 | | 736 | 2074 | | 737 | 2079 | | 738 | 2078 | | 739 | 2083 | | 740 | 2082 | | 741 | 2079 | | 742 | 2078 | | 743 | 2078 | | 744 | 2079 | | 745 | 2078 | | 746 | 2077 | | 747 | 2084 | | 748 | 2078 | | 749 | 2080 | | 750 | 2077 | | 751 | 2079 | | 752 | 2080 | | 753 | 2078 | | 754 | 2079 | | 755 | 2077 | | 756 | 2079 | | 757 | 2078 | | 758 | 2078 | | 759 | 2078 | | 760 | 2079 | | 761 | 2079 | | 762 | 2079 | | 763 | 2079 | | 764 | 2077 | | 765 | 2078 | | 766 | 2078 | | 767 | 2081 | | 768 | 2077 | | 769 | 2079 | | 770 | 2080 | | 771 | 2078 | | 772 | 2081 | | 773 | 2083 | | 774 | 2078 | | 775 | 2077 | | 776 | 2079 | | 777 | 2080 | | 778 | 2080 | | 779 | 2080 | | 780 | 2079 | | 781 | 2083 | | 782 | 2084 | | 783 | 2083 | | 784 | 2079 | | 785 | 2077 | | 786 | 2079 | | 787 | 2079 | | 788 | 2079 | | 789 | 2079 | | 790 | 2081 | | 791 | 2078 | | 792 | 2079 | | 793 | 2079 | | 794 | 2079 | | 795 | 2078 | | 796"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Euroteam, directie Binnenlands Geldwezen en directie Financiële Markten, (1995) 1996 – 2002 Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot | Motivatie | | --- | --- | --- | | 131 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 132 | 2027 | | | 137 | 2027 | | | 139 | 2027 | | | 140 | 2027 | | | 141 | 2027 | | | 142 | 2027 | | | 144 | 2027 | | | 145 | 2027 | | | 147 | 2027 | | | 148 | 2027 | | | 151 | 2027 | | | 194 | 2027 | | | 232 | 2027 | | | 295 | 2027 | | en Artikel 2 Met het oog op de onevenredige bevoordeling of benadeling van personen of instanties is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot | Motivatie | | --- | --- | --- | | 146 | 2052 | Het inventarisnummer bevat het vertrouwelijk verslag van een crisisoefening. | | 266 | 2021 | Dit inventarisnummer bevat gegevens over een juridische claim, alsmede de beoordeling van de juridische positie van de Staat der Nederlanden. De beperking geldt tot het verstrijken van de wettelijke verjaringstermijn van 20 jaar. | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039240&artikel=1&z=2017-02-28&g=2017-02-28) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039240&artikel=2&z=2017-02-28&g=2017-02-28) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief H.C. van Hallinstituut te Groningen 1893 – 1995 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 88 | 1-1-2035 | | 229 | 1-1-2043 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Groningen heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. De rijksarchivaris in de provincie Groningen kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief H.C. van Hallinstituut te Groningen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1893 – 1995"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Hoofdingenieur-directeur voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer Limburg, Ministerie van LNV, (1943) 1955-1985 (1991) Inventaris 07.F24 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 16 beperkt openbaar tot 1 januari 2040 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Hoofdingenieur-directeur voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer Limburg van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1943) 1955-1985 (1991)"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Kantongerecht Zierikzee, 1970-1972, blok- en toegangsnummer 715, Rechtbank Zeeland – West-Brabant (inv. nrs. 2771–2857) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene en bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 2771–2803 | 2046 | | 2804–2853 | 2047 | | 2854–2857 | 2048 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 1* is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0053092&artikel=1&z=2026-09-11&g=2026-09-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie: Oorlogsmisdadigers 1950–1980, nummer toegang 2.09.106 Artikel 1 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 6, 7, 9–14, 16–20, 22, 23, 25–121, 123–145, 151–154, 156, 159, 166–204, 205–208, 211–215, 218–223, 225–230, 249, 253, 257–260, 262, 264–266, 269, 270, 273. 275, 277 en 280 wordt opgeheven. Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 24, 157, 158, 160–165, 209, 210, 217, 224, 231–248, 250, 254–256, 263, 268, 272 en 279 vervalt wanneer, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon op wie deze archiefbescheiden betrekking hebben is overleden en uiterlijk op 1 januari 2025. Artikel 3 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 1–5, 8, 15, 21, 122, 146-150, 155, 216, 251, 252, 261, 267, 271, 274, 276, 278 en 281 vervalt op 1 januari 2025."},{"b":"Besluit Beperking Openbaarheid archief Mondriaan Fonds Artikel 1 Met het oog op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [tabel 1 in de bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051644), beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. gewone persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Met het oog op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [tabel 2 in de bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051644), beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051644&artikel=1&z=2025-10-23&g=2025-10-23), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051644&artikel=1&z=2025-10-23&g=2025-10-23), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de 'Verklaring van Overbrenging van het archief"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nederlandsche Bank N.V., Commissie van Advies inzake Zuivering Personeel, 1945 – 1946 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 2642 | 2022 | | 2644 | 2022 | | 2645 | 2025 | | 2646 | 2023 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040093&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040093&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Archief van de Nederlandsche Bank N.V., de Commissie van Advies inzake Zuivering Personeel, 1945 – 1946’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nederlandse Vertegenwoordiging United Nations War Crimes Commission (UNWCC), 1945–1948 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 5–12 | 2021 | | 13–24 | 2022 | | 25–30 | 2023 | | 31–33 | 2022 | | 34 | 2024 | | 35–37 | 2021 | | 38–44 | 2022 | | 45 | 2023 | | 46–58 | 2022 | | 59–72 | 2023 | | 73–79 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039110&artikel=1&z=2017-01-21&g=2017-01-21) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039110&artikel=1&z=2017-01-21&g=2017-01-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van het archief van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) (BV26) over de periode (1949) 1950–1997. Artikel 2 1. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023912&artikel=1&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archief wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | inventaris- nummers: | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 224 en 228 | 2059 | | 225 en 229 | 2060 | | 226 en 230 | 2061 | | 227 en 2312062 | | | 479, 480 en 481 | 2063 | | 482 en 483 | 2064 | | 484, 485 en 486 | 2065 | | 487 en 488 | 2066 | | 489 tot en met 492 | 2067 | | 437, 438, 493 en 494 | 2068 | | 495 | 2069 | | 496, 497 en 498 | 2070 | | 499 | 2071 | | 500 tot en met 536 | 2072 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023912&artikel=2&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verzoeker vult daartoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’ in. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 5 Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden waarop de beperkende bepalingen van toepassing zijn, i"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Zeeland, Ministerie van LNV, (1962) 1963-1983 (1985) Inventaris PDBZ Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 31 | 1-1-2026 | | 32 | 1-1-2049 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland. De rijksarchivaris in de provincie Zeeland kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland. Deze kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfs"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Raad van Arbeid Amersfoort 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 18 | 2043 | | | | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037316&artikel=1&z=2015-12-11&g=2015-12-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk voor wetenschappelijk onderzoek en na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging kunnen alleen schriftelijk worden ingediend in de vorm van een onderzoeksopzet. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037316&artikel=1&z=2015-12-11&g=2015-12-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid Amersfoort 1919–1988’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Raad van Arbeid ’s-Gravenhage 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 28 | 2021 | | 31 | 2022 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037020&artikel=1&z=2015-09-25&g=2015-09-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk voor wetenschappelijk onderzoek en na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging kunnen alleen schriftelijk worden ingediend in de vorm van een onderzoeksopzet. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037020&artikel=1&z=2015-09-25&g=2015-09-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid ’s-Gravenhage 1919–1988’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Reclameraad Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, (1957) 1965-1988 (1989) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 137 | 2055 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047881&artikel=1&z=2023-02-17&g=2023-02-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzonder persoonsgegevens. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047881&artikel=1&z=2023-02-17&g=2023-02-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van archiefbescheiden van de Reclameraad van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, (1957) 1965-1988 (1989)’"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid Archief registraties bemanningsleden en door Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgegeven zee- en visvaartdiploma’s 1950 – 1985, Inspectie Leefomgeving en Transport Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen zijn de inventarisnummers uit het ‘Archief inzake registraties van bemanningsleden en door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgegeven zee- en visvaartdiploma’s, 1950 – 1985 genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | Registratiekaarten inzake aanmonstering en arbeidsplaatsen | | | 283 | 2066 | | 282 | 2066 | | 284 | 2066 | | 302 | 2066 | | 278 | 2066 | | 285 | 2066 | | 280 | 2066 | | 281 | 2066 | | 301 | 2066 | | 279 | 2066 | | 286 | 2066 | | 287 | 2066 | | 317 | 2066 | | 316 | 2066 | | 318 | 2066 | | 320 | 2066 | | 313 | 2066 | | 321 | 2066 | | 314 | 2066 | | 315 | 2066 | | 291 | 2066 | | 288 | 2066 | | 290 | 2066 | | | | | Registratiekaarten inzake diploma MDR | | | 289 | 2066 | | 298 | 2066 | | 303 | 2066 | | 296 | 2066 | | 294 | 2066 | | | 2066 | | Registratie diploma MDR Zeevisvaart I | 2066 | | 311 | 2066 | | 310 | 2066 | | | 2066 | | Registratie diploma MDR Zeevisvaart II | 2066 | | 319 | 2066 | | 299 | 2066 | | | 2066 | | Afgewezen examinandi | 2066 | | 293 | 2066 | | | 2066 | | MM oud O | 2066 | | 300 | 2066 | | 295 | 2066 | | | 2066 | | Verklaringen I | 2066 | | 292 | 2066 | | | 2066 | | Verklaringen II | 2066 | | 297 | 2066 | | | 2066 | | Registratiekaarten inzake bemanningsleden | 2066 | | 34 | 2066 | | 49 | 2066 | | 51 | 2066 | | 43 | 2066 | | 42 | 2066 | | 52 | 2066 | | 38 | 2066 | | 24 | 2066 | | 39 | 2066 | | 53 | 2066 | | 45 | 2066 | | 44 | 2066 | | 41 | 2066 | | 40 | 2066 | | 22 | 2066 | | 35 | 2066 | | 27 | 2066 | | 37 | 2066 | | 36 | 2066 | | 46 | 2066 | | 29 | 2066 | | 26 | 2066 | | 23 | 2066 | | 31 | 2066 | | 8 | 2066 |"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Rijksvreemdelingendienst (RVD) en taakvoorgangers over de periode 1918–1945 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden beschreven in de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 324 | 2018 | | 1505 | 2018 | | 1510 | 2021 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden beschreven in de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Wanneer het overlijden van een betrokkene ten genoege van de algemene rijksarchivaris is aangetoond, vervalt de beperking aan de openbaarheid van het dossier dat op die persoon betrekking heeft. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 369–393 | 2050 | | 457–462 | 2044 | | 490–502 | 2048 | | 532–534 | 2030 | | 823–824 | 2044 | | 871–872 | 2038 | | 873–880 | 2042 | | 883–891 | 2044 | | 897–898 | 2018 | | 917 | 2028 | | 930–1079 | 2048 | | 1090–1094 | 2049 | | 1095–1231 | 2050 | | 1240–1266 | 2047 | | 1278–1291 | 2051 | | 1307–1308 | 2042 | | 1411–1414 | 2026 | | 1429–1435 | 2016 | | 1488–1502 | 2048 | | 1507 | 2017 | | 1614–1615 | 2036 | | 1675–1687 | 2049 | | 1689–1696 | 2017 | | 1701–1702 | 2019 | | 1704–1726 | 2055 | | 1773 | 2017 | | 1810–1811 | 2034 | | 1863 | 2014 | | 1864 | 2014 | | 1958 | 2029 | | 1968–1969 | 2017 | | 1970–1973 | 2048 | | 1995–1996 | 2024 | Artikel 3 Inzage in de in de archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036942&artikel=1&z=2015-08-20&g=2015-08-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036942&artikel=2&z=2015-08-20&g=2015-08-20) is alleen mogelijk na voorafgaande schriftelijk toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze verleent zijn toestemming wanneer - • de persoon wiens dossier u wilt raadpl"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Staatscommissie Euthanasie, 1982-1985 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 60 | 2059 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048701&artikel=1&z=2023-09-28&g=2023-09-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzondere persoonsgegevens en de procedures voor andere beperkt openbare archieven. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048701&artikel=1&z=2023-09-28&g=2023-09-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van archiefbescheiden van de Staatscommissie Euthanasie, 1982-1985’"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Stichting Proefstation voor de Groenteteelt in de Vollegrond in Nederland, Ministerie van LNV, (1947) 1953-1979 (1989) Inventaris PAGV Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 69 beperkt openbaar tot 1 januari 2034 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief het archief van het archief van de Stichting Proefstation voor de Groenteteelt in de Vollegrond in Nederland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1953-1979 (1989)"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties Artikel 1 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. *Inventarisnummers: Beperkt openbaar tot 1 januari 2019:* | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 8305ED | 2019 | 8437ED | 2019 | 8522ED | 2019 | 8679ED | 2019 | 8779ED | 2019 | | 8306ED | 2019 | 8438ED | 2019 | 8523ED | 2019 | 8680ED | 2019 | 8780ED | 2019 | | 8308ED | 2019 | 8439ED | 2019 | 8529ED | 2019 | 8681ED | 2019 | 8782ED | 2019 | | 8309ED | 2019 | 8440ED | 2019 | 8530ED | 2019 | 8682ED | 2019 | 8784ED | 2019 | | 8310ED | 2019 | 8441ED | 2019 | 8534ED | 2019 | 8684ED | 2019 | 8785ED | 2019 | | 8313ED | 2019 | 8442ED | 2019 | 8538ED | 2019 | 8690ED | 2019 | 8787ED | 2019 | | 8315ED | 2019 | 8446ED | 2019 | 8545ED | 2019 | 8692ED | 2019 | 8788ED | 2019 | | 8317ED | 2019 | 8450ED | 2019 | 8560ED | 2019 | 8696ED | 2019 | 8790ED | 2019 | | 8320ED | 2019 | 8451ED | 2019 | 8561ED | 2019 | 8700ED | 2019 | 8793ED | 2019 | | 8324ED | 2019 | 8454ED | 2019 | 8562ED | 2019 | 8701ED | 2019 | 8796ED | 2019 | | 8327ED | 2019 | 8459ED | 2019 | 8569ED | 2019 | 8702ED | 2019 | 8799ED | 2019 | | 8337ED | 2019 | 8461ED | 2019 | 8572ED | 2019 | 8703ED | 2019 | 8800ED | 2019 | | 8338ED | 2019 | 8462ED | 2019 | 8590ED | 2019 | 8704ED | 2019 | 8805ED | 2019 | | 8342ED | 2019 | 8463ED | 2019 | 8591ED | 2019 | 8705ED | 2019 | 8807ED | 2019 | | 8344ED | 2019 | 8464ED | 2019 | 8596ED | 2019 | 8706ED | 2019 | 8808ED | 2019 | | 8350ED | 2019 | 8467ED | 2019 | 8602ED | 2019 | 8707ED | 2019 | 8809ED | 2019 | | 8355ED | 2019 | 8469ED | 2019 | 8632ED | 2019 | 8709ED | 2019 | 8811ED | 2019 | | 8356ED | 2"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief toegangsnummer 2.08.106 Directoraat-generaal Fiscale Zaken, periode (1954) 1990 – 2004, (1955) 1990 – 1994 (2004) Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 726 | 2045 | | 727 | 2045 | | 728 | 2045 | | 729 | 2045 | | 730 | 2045 | | 731 | 2045 | | 732 | 2045 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052467&artikel=1&z=2026-03-28&g=2026-03-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052467&artikel=1&z=2026-03-28&g=2026-03-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van het Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken van het Ministerie van Financiën’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief van de Deli Maatschappij, aanvulling 2015, nummer toegang 2.20.46 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 524 | 2037 | | 538 | 2040 | | 615 | 2041 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040217&artikel=1&z=2017-11-23&g=2017-11-23) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040217&artikel=1&z=2017-11-23&g=2017-11-23), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archief van De Nederlandsche Bank N.V., Stichting Voorzieningsfonds voor Personeelsleden en Pensioentrekkenden, 1914–2008 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 96311 | 2084 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040092&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040092&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Archief van de Nederlandsche Bank N.V. Stichting Voorzieningsfonds voor Personeelsleden en Pensioentrekkenden van de Nederlandsche Bank NV en voorganger, 1914–2008’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden bij overbrenging naar archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Bureau Secretaris-Generaal 1944–1975 (1980), niet openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Niet openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 60 | 2049 | | 61 | 2049 | | 62 | 2050 | | 63 | 2050 | | 64 | 2050 | | 65 | 2051 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Bureau Secretaris-Generaal 1944–1975 (1980), beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 18 | 2051 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026230&artikel=2&z=2009-08-12&g=2009-08-12), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening van de verzoeker van het *Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven.* De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten, danwel het publiceren van gegevens uit archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026230&artikel=2&z=2009-08-12&g=2009-08-12), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Legerraad 1945–1994, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1005 | 2049 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029454&artikel=1&z=2011-01-23&g=2011-01-23), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029454&artikel=1&z=2011-01-23&g=2011-01-23), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de *Algemene Secretarie van het Ministerie van Oorlog, sinds 1959 Defensie, met betrekking tot het Beleidsterrein Militair Personeel (1949) 1954–1981 (1984)*, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 380 | 2021 | | 382 | 2031 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029096&artikel=1&z=2010-12-18&g=2010-12-18), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029096&artikel=1&z=2010-12-18&g=2010-12-18), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Commissariaat voor Ambonezenzorg (CAZ) (1949) 1952–1970 (1985) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 100 | 2030 | | 101 | 2042 | | 102 | 2024 | | 103 | 2036 | | 105 | 2037 | | 106 | 2049 | | 107 | 2030 | | 109 | 2025 | | 110 | 2042 | | 111 | 2052 | | 112 | 2028 | | 113 | 2057 | | 114 | 2046 | | 115 | 2025 | | 116 | 2033 | | 119 | 2026 | | 120 | 2043 | | 121 | 2031 | | 122 | 2051 | | 123 | 2038 | | 124 | 2028 | | 127 | 2032 | | 128 | 2032 | | 129 | 2047 | | 130 | 2024 | | 131 | 2050 | | 136 | 2036 | | 138 | 2039 | | 139 | 2027 | | 145 | 2024 | | 146 | 2041 | | 147 | 2036 | | 149 | 2029 | | 150 | 2034 | | 153 | 2029 | | 154 | 2025 | | 157 | 2036 | | 160 | 2048 | | 228 | 2025 | | 229 | 2030 | | 231 | 2049 | | 232 | 2036 | | 233 | 2043 | | 234 | 2025 | | 235 | 2029 | | 238 | 2024 | | 239 | 2037 | | 240 | 2049 | | 241 | 2052 | | 242 | 2037 | | 243 | 2036 | | 244 | 2043 | | 245 | 2042 | | 246 | 2030 | | 247 | 2033 | | 248 | 2031 | | 249 | 2035 | | 250 | 2040 | | 1281 | 2024 | | 1282 | 2036 | | 1285 | 2025 | | 1291 | 2050 | | 1293 | 2050 | | 1296 | 2039 | | 1298 | 2030 | | 1299 | 2035 | | 1300 | 2029 | | 1308 | 2042 | | 1310 | 2023 | | 1311 | 2028 | | 1313 | 2026 | | 1316 | 2050 | | 1317 | 2025 | | 1318 | 2042 | | 1320 | 2030 | | 1327 | 2041 | | 1330 | 2026 | | 1332 | 2046 | | 1334 | 2030 | | 1335 | 2045 | | 1337 | 2051 | | 1338 | 2065 | | 1341 | 2025 | | 1343 | 2049 | | 1345 | 2049 | | 1346 | 2043 | | 1347 | 2050 | | 1348 | 2036 | | 1349 | 2037 | | 1350 | 2051 | | 1351 | 2036 | | 1352 | 2039 | | 1353 | 2049 | | 1354 | 2030 | | 1356 | 2028 | | 1357 | 2027 | | 1358 | 2043 | | 1359 | 2041 | | 1360 | 2039 | | 1361 | 2041 | | 1363 | 2022 | | 1364 | 2027 | | 1365 | 2033 | | 1366 | 2052 | | 1367 | 204"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Commissariaat voor Ambonezenzorg (CAZ) periode (1949) 1952–1970 (1985) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2029 | | 3 | 2030 | | 4 | 2031 | | 5 | 2036 | | 6 | 2043 | | 7 | 2036 | | 8 | 2033 | | 9 | 2040 | | 11 | 2048 | | 14 | 2032 | | 17 | 2029 | | 19 | 2030 | | 20 | 2027 | | 21 | 2034 | | 22 | 2049 | | 23 | 2037 | | 24 | 2051 | | 25 | 2026 | | 26 | 2050 | | 27 | 2029 | | 28 | 2047 | | 29 | 2048 | | 31 | 2050 | | 32 | 2047 | | 33 | 2026 | | 34 | 2032 | | 35 | 2054 | | 36 | 2037 | | 37 | 2049 | | 38 | 2023 | | 39 | 2042 | | 41 | 2038 | | 42 | 2048 | | 44 | 2037 | | 46 | 2048 | | 47 | 2049 | | 49 | 2029 | | 50 | 2051 | | 51 | 2041 | | 52 | 2035 | | 53 | 2037 | | 54 | 2041 | | 55 | 2027 | | 56 | 2043 | | 57 | 2050 | | 58 | 2038 | | 59 | 2049 | | 60 | 2052 | | 62 | 2051 | | 65 | 2050 | | 66 | 2047 | | 67 | 2049 | | 69 | 2034 | | 70 | 2049 | | 71 | 2051 | | 72 | 2037 | | 74 | 2038 | | 77 | 2050 | | 78 | 2052 | | 80 | 2050 | | 81 | 2048 | | 83 | 2039 | | 84 | 2050 | | 85 | 2049 | | 86 | 2032 | | 87 | 2048 | | 88 | 2050 | | 89 | 2049 | | 91 | 2052 | | 92 | 2050 | | 93 | 2049 | | 94 | 2029 | | 98 | 2050 | | 100 | 2030 | | 101 | 2042 | | 102 | 2024 | | 103 | 2036 | | 105 | 2037 | | 106 | 2049 | | 107 | 2030 | | 109 | 2025 | | 110 | 2042 | | 111 | 2052 | | 112 | 2028 | | 113 | 2057 | | 114 | 2046 | | 115 | 2025 | | 116 | 2033 | | 119 | 2026 | | 120 | 2043 | | 121 | 2031 | | 122 | 2051 | | 123 | 2038 | | 124 | 2028 | | 127 | 2032 | | 128 | 2032 | | 129 | 2047 | | 130 | 2024 | | 131 | 2050 | | 135 | 2030 | | 136 | 2036 | | 137 | 2050 | | 138 | 2039 | | 139 | 2027 | | 140 | 2031 | | 141 | 2052 | | 144 | 2042 | | 145 | 2024 | | 146 | 2041 | | 147 | 2036 | | 148 | 2024 | | 149 | 2029 | | 150 | 203"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Commissariaat voor de Media (1988–2008) A. Relevante feiten - 1. De archiefbescheiden van het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) over de periode 1988–2008 zijn beschreven in het document *Inventaris van het archief van het Commissariaat voor de Media (1984) 1988–2008 (2009)*. - 2. Bij brief van 19 mei 2020 (kenmerk: 800598/808771) heeft het Commissariaat het Nationaal Archief op de hoogte gesteld van het voornemen om het archief van het Commissariaat over de periode 1988–2008 over te brengen naar het Nationaal Archief en daarbij voor bepaalde archiefbescheiden beperkingen aan de openbaarheid te stellen. Het Commissariaat heeft de algemene rijksarchivaris gevraagd overeenkomstig [artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) te adviseren over de openbaarheid van deze archiefbescheiden. - 3. Bij brief van 27 maart 2023 (kenmerk: 17839541) heeft de algemene rijksarchivaris advies uitgebracht. Het advies is uitgebracht op basis van bovengenoemde adviesaanvraag van het Commissariaat, de beschrijvingen van de inventarisnummers in de archiefinventaris, de door het Commissariaat verstrekte nadere schriftelijke informatie en archiefonderzoek in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. B. Juridisch kader - 4. Voor een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen wordt verwezen naar [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048226&bijlage=1&z=2023-06-03&g=2023-06-03) bij dit besluit. C. Overwegingen Commissariaat - 5. Het Commissariaat overweegt dat de archiefbestanden over de periode 1988–2008 zijn beschreven in het document *Inventaris van het archief van het Commissariaat voor de Media (1984) 1988–2008 (2009)*. Bewerkingen1Onder bewerking van het archief wordt verstaan het verrichten van alle werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de archiefbescheiden die overgebracht moeten worden in de wettelijk ver"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989) Aan het archiefstuk 733613, behorende tot inventarisnummer 457, wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld met het oog op de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten ([artikel 15, eerste lid, sub b van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)). De beperking eindigt op 1 januari 2040."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ministerie van Justitie betreffende Slobodan Mitric, toegang 2.09.101 Artikel 1 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 1 en 6 t/m 10 wordt opgeheven."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ministerie vanWelzijn, Volksgezondheid en Cultuur, (1930) 1982-1994 (2000) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 68 | 2065 | | 69 | 2040 | | 78 | 2063 | | 161 | 2043 | | 163 | 2046 | | 164 | 2045 | | 165 | 2046 | | 166 | 2023 | | 167 | 2038 | | 168 | 2042 | | 169 | 2052 | | 170 | 2038 | | 171 | 2046 | | 172 | 2046 | | 173 | 2049 | | 174 | 2042 | | 175 | 2045 | | 176 | 2029 | | 177 | 2055 | | 178 | 2029 | | 179 | 2055 | | 180 | 2032 | | 181 | 2037 | | 182 | 2040 | | 183 | 2048 | | 184 | 2048 | | 185 | 2043 | | 186 | 2046 | | 187 | 2044 | | 188 | 2040 | | 189 | 2040 | | 190 | 2040 | | 191 | 2048 | | 192 | 2031 | | 193 | 2046 | | 194 | 2046 | | 195 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048109&artikel=1&z=2023-04-29&g=2023-04-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048109&artikel=1&z=2023-04-29&g=2023-04-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Di"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten en de afwikkeling daarvan, 1940–1947 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten en de afwikkeling daarvan, 1940–1947, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1564 | 2020 | | 1918-4823 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028886&artikel=1&z=2010-10-27&g=2010-10-27), is, tot verval van de beperking op de openbaarheid, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028886&artikel=1&z=2010-10-27&g=2010-10-27), is, tot verval van de beperking op de openbaarheid slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden rijksministerraad, ministerraad, onderraden en commissies (1 januari 2001 – 1 januari 2002) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om informatie die aan de persoonlijke levenssfeer van betrokken raakt, omdat het betrekking heeft op de privacy van nog levende en identificeerbare personen. Op de inventarisnummers 9149A en 9155A is een beperking opgelegd van 110 jaar na de geboorte van de jongst genoemde betrokkene. Deze openbaarheidsbeperkingen zullen vervallen bij het overlijden van de jongst genoemde betrokkene. Op inventarisnummer 9151A is een beperking van openbaarheid opgelegd van 75 jaar na sluiting van het dossier. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9149A | 2062 | | 9151A | 2077 | | 9155A | 2063 | De bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de ministerraad en de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. Op de stukken van de NAVO (9170A en 9287) is een beperking van openbaarheid opgelegd van 50 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9145A | 2077 | | 9146A | 2077 | | 9149B | 2077 | | 9154A | 2077 | | 9170A | 2052 | | 9287 | 2052 | | 9365A | 2077 | | 9365B | 2077 | | 9365C | 2077 | | 9365D | 2077 | | 9365E | 2077 | | 9365F | 2077 |"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden rijksministerraad, ministerraad, onderraden en ministeriële commissies (1 januari 1999 – 1 januari 2000) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom.Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen. Op de stukken van de ministerraad en rijksministerraad is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8587A | 2075 | | 8591A | 2075 | | 8679A | 2075 | | 8810A | 2075 | | 8811 | 2075 | | 8812 | 2075 | | 8813 | 2075 | Een aantal van de bovengenoemde dossiers is ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op het stuk van de ministerraad is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8585A | 2075 | | 8611A | 2075 | De bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050421&artikel=1&z=2024-11-16&g=2024-11-16), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Strijdkrachten in Nederlands Nieuw-Guinea van het Ministerie van Defensie, 1950–1962 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de *Strijdkrachten in Nederlands Nieuw-Guinea van het Ministerie van Defensie, 1950–1962*, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 79 | 2035 | | 207 | 2035 | | 224 | 2025 | | 225 | 2030 | | 226 | 2030 | | 228 | 2030 | | 229 | 2030 | | 230 | 2030 | | 231 | 2030 | | 232 | 2030 | | 233 | 2025 | | 234 | 2030 | | 235 | 2030 | | 236 | 2030 | | 237 | 2030 | | 238 | 2030 | | 239 | 2030 | | 240 | 2030 | | 241 | 2030 | | 242 | 2030 | | 243 | 2030 | | 333 | 2025 | | 436 | 2025 | | 439 | 2035 | | 443 | 2025 | | 444 | 2025 | | 445 | 2025 | | 448 | 2035 | | 449 | 2025 | | 451 | 2025 | | 452 | 2025 | | 454 | 2025 | | 461 | 2035 | | 462 | 2035 | | 463 | 2035 | | 466 | 2035 | | 489 | 2025 | | 561 | 2025 | | 580 | 2025 | | 712 | 2025 | | 760 | 2025 | | 761 | 2025 | | 761 | 2025 | | 763 | 2025 | | 764 | 2025 | | 765 | 2025 | | 766 | 2025 | | 767 | 2025 | | 768 | 2025 | | 769 | 2025 | | 770 | 2025 | | 871 | 2035 | | 872 | 2035 | | 999 | 2035 | | 1000 | 2035 | | 1001 | 2035 | | 1002 | 2035 | | 1003 | 2035 | | 1004 | 2035 | | 1005 | 2035 | | 1006 | 2035 | | 1007 | 2035 | | 1008 | 2035 | | 1090 | 2035 | | 1126 | 2035 | | 1142 | 2025 | | 1344 | 2035 | | 1345 | 2035 | | 1346 | 2035 | | 1346 | 2035 | | 1347 | 2035 | | 1366 | 2035 | | 1368 | 2035 | | 1535 | 2035 | | 1536 | 2035 | | 2031 | 2025 | | 2062 | 2035 | | 2063 | 2035 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029265&artikel=1&z=2010-12-29&g=2010-12-29) is, tot verval van de beperking op de openbaarheid, slechts m"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Zuurkast archief (1959-2000) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom.Het gaat om documenten met o.a. algemene en bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. De inventarisnummers worden van de openbaarheid beperkt tot 75 jaar na sluiting van het dossier. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 13020 | 2069 | | 13022 | 2070 | | 13025 | 2067 | | 13026 | 2068 | | 13027 | 2059 | | 13028 | 2060 | | 13030 | 2065 | | 13032 | 2076 | en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van het ‘Zuurkast’-archief is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 50 of 75 jaar. Zie de toelichting voor de specificatie van de verschillende beperkingstermijnen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 13000 | 2022 | | 13001 | 2045 | | 13007 | 2021 | | 13008 | 2022 | | 13009 | 2023 | | 13010 | 2024 | | 13011 | 2024 | | 13012 | 2025 | | 13013 | 2028 | | 13014 | 2033 | | 13015 | 2040 | | 13016 | 2045 | | 13017 | 2050 | | 13018 | 2050 | | 13019 | 2046 | | 13023 | 2027 | | 13029 | 2061 | | 13033 | 2045 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052349&artikel=1&z=2026-02-25&g=2026-02-25) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algem"},{"b":"Besluit Beperking openbaarheid archiefbestand Bureau Secretaris-Generaal / Kabinet 1946–1999 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 2086 | 2071 | | 2087 | 2070 | | 2088 | 2070 | | 2089 | 2071 | | 2090 | 2071 | | 2091 | 2070 | | 2092 | 2072 | | 2093 | 2072 | | 2094 | 2071 | | 2095 | 2069 | | 2096 | 2072 | | 2097 | 2071 | | 2098 | 2072 | | 2099 | 2072 | | 2100 | 2070 | | 2101 | 2069 | | 2102 | 2071 | | 2103 | 2072 | | 2104 | 2070 | | 2105 | 2072 | | 2106 | 2072 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044180&artikel=1&z=2020-10-07&g=2020-10-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044180&artikel=1&z=2020-10-07&g=2020-10-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de verklaring van overbrenging voor het bestand Bureau Secretaris-Generaal / Kabinet 1946–1999. Artikel 5 Dit besluit is een aanvulling op het besluit, genummerd 48276, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 29 augustus 2019."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven Bedrijfsvereniging voor de Steen-, cement-, glas- en keramische industrie, Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie en Bedrijfsvereniging voor de Voedings- en Genotmiddelenindustrie Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. Bedrijfsvereniging voor de steen-, cement-, glas- en keramische industrie (BV09) over de periode 1950-1992 met een omvang van 3,410 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie (BV13) over de periode (1949) 1950-1992 met een omvang van 2,69 strekkende meter; - c. Bedrijfsvereniging voor de Voedings- en Genotmiddelenindustrie (BV17) over de periode (1930) 1951-1988 met een omvang van 4,06 strekkende meter. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045975&artikel=1&z=2021-12-04&g=2021-12-04) genoemde archieven worden door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | BV-nr./inventarisnummers: | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | - a. *BV09* 123 2039 124 2039 125 2040 126 2043 127 2046 - b. *BV13* 98 2029 99 2030 100 2031 101 2032 102 2034 103 2036 104 2038 105 2039 106 2041 107 2043 108 2045 109 2047 110 2048 111 2049 112 2050 113 2051 114 2052 115 2053 116 2054 117 2055 118 2056 119 2057 120 2058 121 2059 122 2060 123 2062 124 2066 - c. *BV17* 101 2029 102 2030 103 2031 104 2033 105 2035 106 2037 107 2039 108 2041 109 2043 110 2045 111 112 2049 113 2051 114 2052 115 2053 116 2054 117 2055 118 2056 119 2057 120 2058 121 2059 122 2061 123 2063 124 2066 Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045975&artikel=2&z=2021-12-04&g=2021-12-04) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijk"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven bedrijfsverenigingen 2005 Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van: - a. Bedrijfsvereniging voor de het Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen (BV25) over de periode 1949–1997; - b. Grafische Bedrijfsvereniging (BV8) over de periode 1934–1997. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018920&artikel=1&z=2005-11-11&g=2005-11-11) genoemde archieven worden door het UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen is de openbaarheid van een deel van de archiefbescheiden beperkt. De beperking vervalt 75 jaar na sluiting van de dossiers die vallen onder de volgende inventarisnummers: - a. 266–306 en 381–387 133 van Bedrijfsvereniging voor de het Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen; - b. 60 van de Grafische Bedrijfsvereniging. Artikel 3 1. Raadpleging van de archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd; - b. De verzoeker vult hiertoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’ in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0018920) bij dit besluit is een exemplaar van het formulier opgenomen. 2. Voordat hij toestemming verlee"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven Consulentschappen provincie Limburg, Ministerie van LNV, 1932–1992 Inventaris 07.F23 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 56 | 1-1-2043 | | 98 | 1-1-2030 | | 172 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van de archieven van de Consulentschappen in de provincie Limburg van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1932–199"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid bestand Bureau Secretaris-Generaal/Kabinet 1946–1999 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 31 | 2027 | | 54 | 2031 | | 57 | 2043 | | 68 | 2044 | | 195 | 2030 | | 214 | 2030 | | 220 | 2048 | | 230 | 2032 | | 231 | 2040 | | 272 | 2034 | | 275 | 2030 | | 289 | 2058 | | 322 | 2042 | | 490 | 2040 | | 491 | 2040 | | 499 | 2059 | | 500 | 2064 | | 501 | 2066 | | 532 | 2052 | | 598 | 2046 | | 1136 | 2030 | | 1285 | 2025 | | 1501 | 2025 | | 1507 | 2062 | | 1652 | 2030 | | 1665 | 2043 | | 2020 | 2022 | | 2021 | 2021 | | 2022 | 2021 | | 2023 | 2025 | | 2024 | 2025 | | 2027 | 2059 | | 2044 | 2030 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 18 | 2059 | | 19 | 2059 | | 38 | 2059 | | 40 | 2051 | | 56 | 2030 | | 82 | 2042 | | 88 | 2041 | | 89 | 2041 | | 90 | 2042 | | 91 | 2043 | | 92 | 2044 | | 93 | 2044 | | 94 | 2046 | | 95 | 2049 | | 96 | 2048 | | 97 | 2054 | | 98 | 2046 | | 99 | 2048 | | 100 | 2056 | | 103 | 2056 | | 107 | 2056 | | 116 | 2033 | | 118 | 2037 | | 119 | 2034 | | 120 | 2035 | | 121 | 2036 | | 138 | 2055 | | 141 | 2062 | | 197 | 2062 | | 208 | 2067 | | 212 | 2069 | | 267 | 2058 | | 268 | 2054 | | 269 | 2055 | | 278 | 2034 | | 288 | 2053 | | 292 | 2031 | | 299 | 2034 | | 310 | 2039 | | 311 | 2045 | | 313 | 2028 | | 314 | 2061 | | 325 | 2050 | | 352 | 2058 | | 374 | 2050 | | 404 | 2052 | | 409 | 2055 | | 419 | 2061 | | 420 | 2062 | | 443 | 2054 | | 450 | 2055 | | 454 | 2040 | | 473 | 2066 | | 481 | 2052 | | 484 | 2063 | | 487 | 2047 | | 488 | 2062 | | 524 | 2061 | | 525 | 2052 | | 529 |"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid bij de Verklaring van overbrenging archief Raad van Arbeid Breda, 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 97 | 2021 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035092&artikel=1&z=2014-05-07&g=2014-05-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant i.c. het Brabants Historisch Informatie Centrum, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035092&artikel=1&z=2014-05-07&g=2014-05-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant i.c. het Brabants Historisch Informatie Centrum, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid Breda 1919–1988’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid digitale archief ‘Vreemdelingendossiers en Naturalisatie- en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 2006–2010’ Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen, zijn de thans naar het Nationaal Archief over te brengen digitale archief ‘Vreemdelingendossiers en Naturalisatie en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 2006–2010’ na overbrenging beperkt openbaar. Deze beperking geldt tot 100 jaar na geboortedatum van de persoon op wie het dossier betrekking heeft, dan wel, in geval van het ontbreken van een geboortedatum, tot 75 jaar na het eindjaar van het dossier, ingevolge [artikel 15 vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15). De beperking vervalt indien ten genoegen van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft is overleden. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040231&artikel=1&z=2017-11-24&g=2017-11-24) is binnen de termijn waarvoor de beperkingen zijn gesteld uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Een verzoek tot inzage zal worden behandeld volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedure voor inzage in archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de dossiers in het archief als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040231&artikel=1&z=2017-11-24&g=2017-11-24), is binnen de termijn waarvoor de beperkingen zijn gesteld uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit tree"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid Hoofdbedrijfschap Agragrische Groothandel (HBAG) en taakvoorgangers, [2011] 2003–2014 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | | | | Nummer 130 | 2085 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040369&artikel=1&z=2016-02-11&g=2016-02-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040369&artikel=1&z=2016-02-11&g=2016-02-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van ‘Verklaring van Overbrenging van Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel (HBAG en taakvoorgangers)’"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Den Bosch Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 83 | 2099 | | 19 | 2078 | | 15 | 2079 | | 43 | 2080 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050909&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02) en/of 3, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050909&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Haarlem Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | | 61 | 2074 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel *1 en/of 3*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050910&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Besluit Beperking Openbaarheid IJZ regio Noord-West (Haarlem)."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ hoofddirectie Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens met eventueel medische gegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 963 | 2069 | | 912 | 2074 | | 700 | 2076 | | 260 | 2080 | | 274 | 2080 | | 708 | 2081 | | 223 | 2081 | | 713 | 2083 | | 498 | 2083 | | 561 | 2083 | | 715 | 2082 | | 68 | 2086 | | 70 | 2087 | | 1005 | 2077 | | 475 | 2086 | | 441 | 2088 | | 1080 | 2095 | | 1076 | 2107 | | 1075 | 2105 | | 676 | 2066 | | 1082 | 2101 | | 1069 | 2100 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050908&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02)*en/of 3*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050908&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemmin"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Rijswijk Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot [datum] van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 4 | 2077 | | 21 | 2080 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel *1 en/of 3*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050911&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Besluit Beperking Openbaarheid IJZ regio West (Rijswijk)’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Zwolle Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot [datum] van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 48 | 2099 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel *1 en/of 3*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in *artikel 2*, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050912&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Besluit Beperking Openbaarheid IJZ regio Noordoost (Zwolle)’."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking archieven van de Consulentschappen in de provincie Noord-Brabant van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1937–1990 Inventaris 1719 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 115 | 1-1-2052 | | 323 | 1-1-2027 | | 324 | 1-1-2055 | | 325 | 1-1-2048 | | 326 | 1-1-2028 | | 327 | 1-1-2039 | | 328 | 1-1-2039 | | 329 | 1-1-2033 | | 330 | 1-1-2044 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant. De rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van Noord-Brabant. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Hoofdingenieur-directeur voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer in Noord-Brabant van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1972–1983 (1992) Inventaris 1716 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 28 | 1-1-2021 | | 29 | 1-1-2040 | | 30 | 1-1-2034 | | 31 | 1-1-2048 | | 32 | 1-1-2027 | | 35 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris provincie Noord Brabant. De rijksarchivaris van de provincie Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Noord-Brabant. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Friesland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1963–1983 (1985) Inventaris 56.10 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 79 | 1-1-2043 | | 80 | 1-1-2036 | | 82 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045286&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de van de rijksarchivaris in de provincie Friesland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045286&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de van de rijksarchivaris in de provincie Friesland. De rijksarchivaris in de provincie Friesland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045286&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de van de rijksarchivaris in de provincie Friesland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Rijksconsulentschappen in de provincie Friesland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1920–1986 Inventaris 56.07 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 61 | 1-1-2030 | | 62 | 1-1-2022 | | 63 | 1-1-2025 | | 186 | 1-1-2048 | | 187 | 1-1-2047 | | 188 | 1-1-2036 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Friesland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de van de rijksarchivaris in de provincie Friesland. De rijksarchivaris in de provincie Friesland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Friesland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Stichting Proefstation voor de Akker- en Weidebouw (te Wageningen) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1956–1974 Inventaris SPAW Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 49 | 1-1-2030 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op de archieven van de Consulentschappen in de provincie Groningen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1910–1987 (1992) Inventaris RG Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 167 | 1-1-2030 | | 484 | 1-1-2022 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. De rijksarchivaris in de provincie Groningen kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van de archieven van d"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op de archieven van de Rijksconsulentschappen in de provincie Drenthe van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1901–1986 Inventariskenmerk 0929 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 118 | 2024 | | 372 | 2038 | | 374 | 2048 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. De rijksarchivaris in de provincie Drenthe kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op het archief van de hoofdingenieur-directeur Landinrichting, Grond- en Bosbeheer in Drenthe van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1958) 1972–1983 (1995) Inventaris 0927 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 25 beperkt openbaar tot openbaar tot 1 januari 2022 van het jaar genoemd in de tweede kolom. Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045288&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045288&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. De rijksarchivaris in de provincie Drenthe kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045288&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief het archief van de ho"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op het archief van het Rijkslandbouwconsulentschap voor Noord-Oostelijk Noord-Brabant in Oss, 1947–1969 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 42 | 1-1-2024 | | 43 | 1-1-2029 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant. De rijksarchivaris van Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van Noord-Brabant. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging het archief van het Rijkslandbouwconsulentschap voor Noord-Oostelijk Noord"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking van de archieven van de Consulentschappen in de provincie Utrecht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1897–1987 Inventaris RPU Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 167 | 1-1-2042 | | 296 | 1-1-2033 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht. De rijksarchivaris in de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Utrecht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1963–1983 (1984) Inventaris PDBU Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 27 beperkt openbaar tot 1 januari 2027 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. De rijksarchivaris van de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Utrecht van het Ministerie van Landb"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid MH17-archief Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de derde kolom. | Inventarisnummers | Procesinformatie | Geheel openbaar met ingang van januari | | --- | --- | --- | | 2 | Stopzetten van de uitkering van slachtoffers van de vliegramp | 2090 | | 6 | Behandelen van een uitvoeringsvraagstuk over de bejegening van nabestaanden door UWV | 2090 | | 9 | Verzorgen van de communicatie richting de nabestaanden van uitkeringsgerechtigden | 2090 | | 11 | Correspondentie met uitkeringsgerechtigden | 2090 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 2, 6-9 en 11 genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049607&artikel=1&z=2024-04-26&g=2024-04-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.” Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgd onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049607&artikel=1&z=2024-04-26&g=2024-04-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid notulen en bescheiden van rijksministerraad, ministerraad, onderraden en ministeriële commissies (1 januari 1991 – 1 januari 1993) Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 6162a | 2067 | | 6311 | 2067 | | 6312 | 2067 | | 6313 | 2067 | | 6314 | 2067 | | 6627 | 2068 | | 6628 | 2068 | | 6629 | 2068 | | 6630 | 2068 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargangen 1991 en 1992."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid notulen en bescheiden van rijksministerraad, ministerraad, onderraden en ministeriële commissies (1 januari 2000 – 1 januari 2001) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Op de inventarisnummers is een beperking opgelegd van 110 jaar na de geboorte van de jongst genoemde betrokkene. Deze openbaarheidsbeperkingen zullen vervallen bij het overlijden van de jongst genoemde betrokkene. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8879A | 2050 | | 8881A | 2057 | | 8883A | 2051 | | 8884A | 2051 | | 9095 | 2063 | | 9096 | 2061 | | 9097 | 2061 | Enkele van de bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de ministerraad en de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8884B | 2076 | | 9077 | 2076 | | 9078 | 2076 | | 9079 | 2076 | | 9080 | 2076 | Het bovengenoemde dossier in 8884B is ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zal deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 3 Raadpleging"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid restarchief Centraal Bureau van Bijstand Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 266 | 2035 | | 267 | 2036 | | 268 | 2039 | | 269 | 2045 | | 270 | 2050 | | 271 | 2061 | | 272 | 2067 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050202&artikel=1&z=2024-09-17&g=2024-09-17) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050202&artikel=1&z=2024-09-17&g=2024-09-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de 'Verklaring van Overbrenging van de Gerechtsdeurwaarder 1923–1998."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid RGD, VGD en PGD 1917 (1941–2014) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | Nummer 22 | 2020 | | Nummer 25 | 2020 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040365&artikel=1&z=2017-09-30&g=2017-09-30), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040365&artikel=1&z=2017-09-30&g=2017-09-30), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van ‘Verklaring van Overbrenging van Rantsoeneringbureau voor Gedistilleerde Dranken (RGD), de Vakorganisatie Gedistilleerde Dranken (VGD), het Productschap voor Gedistilleerde Dranken (PGD)."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid taak- en personeelsarchief Ziekenfondsraad 1949-1999 respectievelijk 1966-1999 van archiefblok P79 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4295 | 2064 | | 5245 | 2075 | | | | | 875 | 2069 | | 945 | 2069 | | 946 | 2069 | | 949 | 2068 | | 975 | 2069 | | 1259 | 2069 | | 1260 | 2075 | | 1262 | 2068 | | 1263 | 2069 | | 1287 | 2068 | | 1295 | 2075 | | 1315 | 2070 | | 1336 | 2072 | | 1520 | 2072 | | 1612 | 2072 | | 2120 | 2071 | | 2275 | 2073 | | 2278 | 2046 | | 3443 | 2071 | | 3552 | 2075 | | 3553 | 2075 | | 3554 | 2075 | | 4202 | 2066 | | 5413 | 2072 | | 5425 | 2072 | | 5426 | 2068 | | 5553 | 2072 | | 5554 | 2072 | | 6040 | 2036 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043933&artikel=1&z=2020-07-25&g=2020-07-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043933&artikel=1&z=2020-07-25&g=2020-07-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de “Verklaring van Overbrenging van het taak- en personeelsarchief van de Ziekenfondsraad, 1949-1999 respectievelijk 1966-1999, van archiefblok P79: ‘Ziekenfondsraad’ (t"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid twee dossiers archief Rijksrecherche, (1919) 1940–2007 (toegangsnummer 2.09.130) Artikel 1 De termijn van de openbaarheidsbeperking van de archiefbescheiden onder de inventarisnummers 263 en 290 in het archief van de Rijksrecherche, (1919) 1940–2007 (toegangsnummer 2.09.130) wordt vastgesteld op 100 jaar na geboorte van de jongst betrokken persoon in het betreffende dossier. | Inventarisnummer | Oorspronkelijk beperkt tot 1 januari: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | --- | | 263 | 2063 | 2078 | | 290 | 2064 | 2078 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid van bescheiden uit het archief Beleidsbureau Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds 1970–1988 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van het Beleidsbureau Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds 1970–1988, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 88, 91–96, 102–104 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde *Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven*; een exemplaar van dit formulier is als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0020428) bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"b":"Besluit beperking openbaarheid van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Noord-Holland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1963–1983 (1995) Inventaris PDBNH Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 34 beperkt openbaar tot 1 januari 2034 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de Provincie Noord-Holland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. De rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Noord-Holland van het Ministerie van"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid van het archief van het Kabinet van de MinisterMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1901 – 1993 d.d. 20 februari 2024 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar per 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 232 | 1-1-2026 | | 240 | 1-1-2028 | | 266 | 1-1-2042 | | 267 | 1-1-2032 | | 273 | 1-1-2030 | | 278 | 1-1-2026 | | 279 | 1-1-2045 | | 280 | 1-1-2029 | | 311 | 1-1-2024 | | 312 | 1-1-2041 | | 332 | 1-1-2026 | | 345 | 1-1-2027 | | 346 | 1-1-2028 | | 348 | 1-1-2025 | | 352 | 1-1-2039 | | 357 | 1-1-2024 | | 361 | 1-1-2026 | | 363 | 1-1-2035 | | 364 | 1-1-2035 | | 365 | 1-1-2027 | | 379 | 1-1-2024 | | 385 | 1-1-2046 | | 388 | 1-1-2032 | | 394 | 1-1-2026 | | 395 | 1-1-2025 | | 405 | 1-1-2025 | | 409 | 1-1-2030 | | 424 | 1-1-2039 | | 442 | 1-1-2032 | | 444 | 1-1-2025 | | 448 | 1-1-2028 | | 450 | 1-1-2034 | | 463 | 1-1-2024 | | 467 | 1-1-2024 | | 469 | 1-1-2026 | | 470 | 1-1-2024 | | 473 | 1-1-2026 | | 477 | 1-1-2028 | | 479 | 1-1-2025 | | 480 | 1-1-2024 | | 481 | 1-1-2025 | | 483 | 1-1-2026 | | 486 | 1-1-2025 | | 501 | 1-1-2024 | | 502 | 1-1-2024 | | 503 | 1-1-2024 | | 515 | 1-1-2025 | | 516 | 1-1-2024 | | 517 | 1-1-2024 | | 526 | 1-1-2024 | | 527 | 1-1-2024 | | 529 | 1-1-2024 | | 533 | 1-1-2026 | | 535 | 1-1-2024 | | 536 | 1-1-2026 | | 538 | 1-1-2025 | | 540 | 1-1-2027 | | 542 | 1-1-2026 | | 547 | 1-1-2027 | | 555 | 1-1-2025 | | 558 | 1-1-2026 | | 562 | 1-1-2026 | | 565 | 1-1-2028 | | 567 | 1-1-2025 | | 568 | 1-1-2024 | | 569 | 1-1-2031 | | 572 | 1-1-2027 | | 574 | 1-1-2024 | | 577 | 1-1-2026 | | 581 | 1-1-2028 | | 582 | 1-1-2026 | | 587 | 1-1-2024 | | 589 | 1-1-2024 | | 593 | 1-1-2030 | | 600 | 1-1-2024 | | 605 | 1-1-2024 | | 617 | 1-1"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief Schadefonds geweldmisdrijven, (1973)1976–2004(2014) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 22 | 2044 | | 23 | 2045 | | 24 | 2038 | | 25 | 2041 | | 26 | 2043 | | 27 | 2059 | | 28 | 2059 | | 29 | 2064 | | 30 | 2059 | | 31 | 2048 | | 32 | 2065 | | 33 | 2060 | | 34 | 2030 | | 35 | 2040 | | 36 | 2070 | | 37 | 2069 | | 38 | 2047 | | 39 | 2070 | | 40 | 2067 | | 41 | 2065 | | 42 | 2058 | | 43 | 2051 | | 44 | 2073 | | 46 | 2050 | | 47 | 2038 | | 48 | 2029 | | 49 | 2043 | | 50 | 2020 | | 51 | 2047 | | 52 | 2043 | | 53 | 2051 | | 54 | 2050 | | 55 | 2025 | | 56 | 2049 | | 57 | 2025 | | 58 | 2049 | | 59 | 2029 | | 60 | 2040 | | 61 | 2035 | | 62 | 2058 | | 63 | 2018 | | 64 | 2032 | | 65 | 2070 | | 66 | 2025 | | 67 | 2059 | | 68 | 2028 | | 69 | 2047 | | 70 | 2043 | | 71 | 2035 | | 72 | 2067 | | 73 | 2035 | | 74 | 2032 | | 75 | 2061 | | 76 | 2037 | | 77 | 2024 | | 78 | 2059 | | 79 | 2065 | | 80 | 2048 | | 81 | 2058 | | 82 | 2037 | | 83 | 2065 | | 84 | 2062 | | 85 | 2044 | | 86 | 2055 | | 87 | 2051 | | 88 | 2054 | | 89 | 2065 | | 90 | 2056 | | 91 | 2050 | | 92 | 2062 | | 93 | 2061 | | 94 | 2059 | | 95 | 2061 | | 96 | 2070 | | 97 | 2023 | | 98 | 2068 | | 99 | 2023 | | 100 | 2075 | | 101 | 2058 | | 102 | 2067 | | 103 | 2065 | | 104 | 2053 | | 106 | 2062 | | 107 | 2050 | | 108 | 2051 | | 109 | 2068 | | 110 | 2040 | | 111 | 2062 | | 112 | 2066 | | 113 | 2055 | | 114 | 2060 | | 116 | 2057 | | 117 | 2048 | | 118 | 2035 | | 119 | 2061 | | 120 | 2037 | | 121 | 2038 | | 122 | 2064 | | 123 | 2056 | | 124 | 2059 | | 125 | 2061 | | 126 | 2079 | | 128 | 2047 | | 129 | 2042 | | 130 | 2067 | | 131 | 2068 | | 132 | 2030 | | 133 | 2041 | | 134 | 2052 | | 135 | 2043 | | 136 | 20"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid Veiligheidsonderzoeken Nederlandse Spoorwegen, Inspectie Leefomgeving en Transport Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 12 | 2053 | | 13–14 | 2058 | | 15 | 2057 | | 16 | 2067 | | 17 | 2067 | | 18 | 2069 | | 19 | 2061 | | 20 | 2063 | | 21 | 2065 | | 22 | 2066 | | 23 | 2051 | | 24 | 2054 | | 25 | 2067 | | 26 | 2067 | | 27 | 2050 | | 28 | 2053 | | 29 | 2056 | | 30 | 2057 | | 31 | 2058 | | 32 | 2059 | | 33 | 2060 | | 34 | 2065 | | 35 | 2066 | | 36 | 2067 | | 37 | 2066 | | 38 | 2069 | | 39 | 2069 | | 40 | 2068 | | 41–44 | 2042 | | 45 | 2050 | | 46 | 2050 | | 47 | 2050 | | 48 | 2051 | | 49 | 2051 | | 50 | 2052 | | 51 | 2057 | | 52 | 2055 | | 53–54 | 2058 | | 55 | 2057 | | 56 | 2058 | | 57–58 | 2059 | | 59 | 2059 | | 60 | 2062 | | 61 | 2066 | | 62 | 2066 | | 63 | 2068 | | 64 | 2067 | | 65 | 2068 | | 66 | 2069 | | 67 | 2068 | | 68 | 2069 | | 69 | 2069 | | 70 | 2038 | | 71 | 2051 | | 72 | 2063 | | 73 | 2057 | | 74 | 2063 | | 75 | 2066 | | 76 | 2066 | | 77 | 2069 | | 78 | 2069 | | 79 | 2047 | | 80 | 2048 | | 81 | 2049 | | 82 | 2050 | | 83 | 2052 | | 84 | 2052 | | 85 | 2053 | | 86 | 2053 | | 87 | 2055 | | 88 | 2057 | | 89 | 2058 | | 90 | 2058 | | 91 | 2059 | | 92 | 2060 | | 93 | 2061 | | 94 | 2063 | | 95 | 2066 | | 96 | 2067 | | 97–103 | 2069 | | 104 | 2069 | | 105 | 2069 | | 106 | 2069 | | 107 | 2069 | | 108 | 2069 | | 109 | 2049 | | 110 | 2049 | | 111 | 2050 | | 112 | 2050 | | 113 | 2050 | | 114 | 2050 | | 115 | 2050 | | 116 | 2050 | | 117 | 2051 | | 118 | 2051 | | 119 | 2052 | | 120 | 2052 | | 121 | 2052 | | 122 | 2052 | | 123 | 2052 | | 124 | 2052 | | 125–129 | 2059 | | 130 | 2053 | | 131 | 2053 | | 132 | 2053 | | 133 | 2053 | | 134 | 2053 | | 135 | 2053 | | 136 | 2054 | | 137 | 2054 | | 138 | 2054 | | 139 |"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid – Bureau Certificatie Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 17587 | 2034 | | 17588 | 2034 | | 17589 | 2034 | | 17590 | 2034 | | 17591 | 2034 | | 17592 | 2034 | | 17593 | 2034 | | 17678 | 2047 | | 17679 | 2047 | | 17680 | 2047 | | 17681 | 2047 | | 17682 | 2047 | | 17683 | 2047 | | 17684 | 2047 | | 17685 | 2047 | | 17686 | 2047 | | 17687 | 2047 | | 17688 | 2047 | | 17689 | 2047 | | 17690 | 2047 | | 17691 | 2047 | | 17692 | 2047 | | 17693 | 2047 | | 17694 | 2047 | | 17695 | 2047 | | 17696 | 2047 | | 17697 | 2047 | | 17698 | 2047 | | 17699 | 2047 | | 17700 | 2047 | | 17701 | 2047 | | 17702 | 2047 | | 17703 | 2047 | | 17704 | 2047 | | 17705 | 2047 | | 17706 | 2047 | | 17707 | 2047 | | 17708 | 2047 | | 17709 | 2047 | | 17710 | 2047 | | 17711 | 2047 | | 17712 | 2047 | | 17713 | 2047 | | 17714 | 2047 | | 17715 | 2047 | | 17716 | 2047 | | 17717 | 2047 | | 17718 | 2047 | | 17719 | 2047 | | 17762 | 2027 | | 17771 | 2024 | | 17915 | 2024 | | 17916 | 2024 | | 17936 | 2030 | | 17937 | 2030 | | 17938 | 2030 | | 17939 | 2030 | | 17940 | 2030 | | 17941 | 2030 | | 17942 | 2030 | | 17943 | 2030 | | 17944 | 2030 | | 17945 | 2030 | | 17946 | 2030 | | 17947 | 2030 | | 17948 | 2030 | | 17949 | 2030 | | 17950 | 2030 | | 17951 | 2030 | | 17952 | 2030 | | 17953 | 2030 | | 17954 | 2030 | | 17955 | 2030 | | 17956 | 2030 | | 17978 | 2029 | | 17991 | 2024 | | 17992 | 2023 | | 17997 | 2039 | | 17998 | 2039 | | 17999 | 2039 | | 18000 | 2034 | | 18001 | 2029 | | 18002 | 2039 | | 18003 | 2034 | | 18004 | 2038 | | 18005 | 2029 | | 18006 | 2035 | | 18007 | 2039 | | 18008 | 2036 | | 18009 | 2036 | | 18010 | 2035 | | 18011 | 2035 | | 18012 | 2031 | | 18013 | 2039 | | 18014 | 2036 | | 18015 | 2040 | | 18016 | 2034 | | 18017 | 2037 | | 18018 | 2"},{"b":"Besluit beperking openbaarheid, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9 | 2060 | | 10 | 2060 | | 11 | 2058 | | 12 | 2060 | | 13 | 2060 | | 14 | 2061 | | 15 | 2061 | | 16 | 2062 | | 17 | 2062 | | 18 | 2063 | | 19 | 2064 | | 20 | 2064 | | 21 | 2065 | | 22 | 2065 | | 23 | 2065 | | 24 | 2066 | | 25 | 2066 | | 26 | 2066 | | 27 | 2066 | | 28 | 2067 | | 29 | 2066 | | 30 | 2067 | | 31 | 2067 | | 32 | 2066 | | 33 | 2067 | | 34 | 2067 | | 35 | 2067 | | 36 | 2067 | | 37 | 2067 | | 38 | 2067 | | 39 | 2066 | | 40 | 2067 | | 41 | 2067 | | 42 | 2068 | | 43 | 2068 | | 44 | 2067 | | 45 | 2068 | | 46 | 2068 | | 47 | 2068 | | 48 | 2067 | | 49 | 2069 | | 50 | 2068 | | 51 | 2068 | | 52 | 2069 | | 53 | 2069 | | 54 | 2069 | | 55 | 2068 | | 56 | 2069 | | 57 | 2069 | | 58 | 2069 | | 59 | 2070 | | 60 | 2069 | | 61 | 2070 | | 62 | 2070 | | 63 | 2071 | | 64 | 2071 | | 65 | 2072 | | 66 | 2071 | | 67 | 2066 | | 68 | 2061 | | 69 | 2062 | | 70 | 2064 | | 71 | 2065 | | 72 | 2067 | | 73 | 2067 | | 74 | 2067 | | 75 | 2066 | | 76 | 2067 | | 77 | 2066 | | 78 | 2068 | | 79 | 2069 | | 80 | 2070 | | 81 | 2059 | | 82 | 2058 | | 83 | 2059 | | 84 | 2059 | | 85 | 2059 | | 86 | 2059 | | 87 | 2059 | | 88 | 2059 | | 89 | 2060 | | 90 | 2060 | | 91 | 2060 | | 92 | 2060 | | 93 | 2060 | | 94 | 2060 | | 95 | 2060 | | 96 | 2060 | | 97 | 2060 | | 98 | 2060 | | 99 | 2061 | | 100 | 2061 | | 101 | 2060 | | 102 | 2061 | | 103 | 2061 | | 104 | 2061 | | 105 | 2061 | | 106 | 2061 | | 107 | 2061 | | 108 | 2061 | | 109 | 2062 | | 110 | 2061 | | 111 | 2062 | | 112 | 2062 | | 113 | 2062 | | 114 | 2062 | | 115 | 2062 | | 116 | 2062 | | 117 | 2062 | | 118 | 2063 | | 119 | 2063 | | 120 | 2063 | | 121 | 2063 | | 122 | 2063 | | 123 | 2063 | | 124 | 2063 | |"},{"b":"Besluit beperking tabaksgebruik BES Artikel 1 Waar in dit besluit sprake is van een ruimte of van een inrichting worden daaronder niet begrepen ruimten of delen van een inrichting, gelegen in de open lucht. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2), en [artikel 3 van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=3). Artikel 2 1. Als categorieën van ruimten waarin ingevolge [artikel 2, tweede lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2), een verbod om te gebruiken ingesteld en gehandhaafd dient te worden, worden aangewezen alle in de openbare gebouwen. 2. Het bevoegd gezag kan indien een afzonderlijke ruimte in een openbare gebouw is, besluiten deze ruimte van dit verbod uit te zonderen voor zover geen hinder van tabaksprodukten wordt ondervonden in de ruimten waarin het verbod geldt. 3. In de ruimten waarvoor een verbod om tabaksprodukten te gebruiken is ingesteld, dient zulks te worden aangeduid met de goed leesbare tekst «roken verboden», danwel met een begrijpelijke aanduiding, anders dan in letters, met dezelfde betekenis. Artikel 3 1. Degenen die – anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2) – het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die inrichtingen behoren tot de in het tweede lid aangewezen categorieën, zijn verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=3). 2. De categorieën, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. op het terrein van de gezondheidszorg: inrichtingen waarin instellingen voor gezondheidszorg gevestigd zijn zoals ziekenhuize"},{"b":"Besluit beperking termijn openbaarheid van naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers archief Hoofdafdeling Privaatrecht Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921–1972 Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044797) genoemde, naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 wordt vastgesteld voor 100 jaar na geboorte van de betrokken persoon in het betreffende dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking termijn openbaarheid van naar de rijksarchiefbewaarplaatsen over te brengen dossiers archief diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013 Ministerie van Buitenlandse Zaken Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de volgende naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013 van het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt vastgesteld voor 100 jaar na afsluiting van het betreffende dossier: | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 178 | 2108 | | 201 | 2112 | | 202 | 2112 | | 821 | 2113 | | 822 | 2112 | | 823 | 2114 | | 824 | 2114 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van archieven bedrijfsverenigingen Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van: Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid (BV3) over de periode 1952–1997. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020250&artikel=1&z=2006-09-08&g=2006-09-08) genoemde archieven worden door het UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen is de openbaarheid van een deel van de archiefbescheiden beperkt. De beperking vervalt 75 jaar na sluiting van de dossiers die vallen onder de volgende inventarisnummers: 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 262, 263, 264, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 272, 273, 274, 275, 276, 277, 278, 279, 280, 281, 282, 283, 284, 285, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 304 van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Artikel 3 1. Raadpleging van de archiefbescheiden, waarvan de inventarisnummers onder [artikel 2, lid 2, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020250&artikel=2&z=2006-09-08&g=2006-09-08) staan vermeld, is slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd; - b. De verzoeker vult hiertoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’ in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0020250) bij dit besluit is een ex"},{"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van de Bedrijfsvereniging voor de Leder- en Lederverwerkende Industrie en van de Bedrijfsvereniging voor de Horeca, Pension- en Aanverwante Bedrijven Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. Bedrijfsvereniging voor de Leder- en Lederverwerkende Industrie (BV07) over de periode (1930) 1951–1988 met een omvang van 4,06 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Horeca, Pension- en Aanverwante Bedrijven (BV22) over de periode 1950–1997 met een omvang van 5,62 strekkende meter; Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027436&artikel=1&z=2010-03-30&g=2010-03-30) genoemde archieven wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | Inventarisnummers: | Geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 57 | 2033 | | 43 | 2034 | | 33, 44 en 58 | 2035 | | 59 | 2036 | | 34 en 45 | 2037 | | 60 | 2038 | | 35, 46 en 61 | 2039 | | 36 en 62 | 2040 | | 63 | 2041 | | 37 en 47 | 2042 | | 38 en 64 | 2043 | | 48 en 65 | 2044 | | 39 en 49 | 2045 | | 50, 66, 67 en 68 | 2046 | | 40, 51, 69 en 70 | 2047 | | 52, 53, 71 en 72 | 2048 | | 41, 54 en 73 | 2049 | | 42, 55 en 74 | 2050 | | 85 en 86 | 2051 | | 87 | 2052 | | 88 | 2053 | | 89 | 2054 | | 90 | 2055 | | 91 | 2056 | | 92 en 93 | 2057 | | 94, 95 en 96 | 2058 | | 97 en 98 | 2059 | | 99, 100, 101 en 102 | 2060 | | Inventarisnummers: | Geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 60 | 2029 | | 61 | 2030 | | 62 | 2030 | | 63 | 2031 | | 64 | 2034 | | 65 | 2036 | | 66 | 2038 | | 67 | 2041 | | 68 | 2044 | | 69 | 2047 | | 70 | 2070 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027436&artikel=2&z=201"},{"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van de Uitvoeringsinstelling Sociale zekerheid voor Overheid en Onderwijs, bestuurder Arbeidsvoorziening en de Centrale organisatie Werk en Inkomen Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer van het archief van de Uitvoeringsinstelling Sociale zekerheid voor Overheid en Onderwijs beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 171a | 2074 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers van het archief van bestuurder Arbeidsvoorziening, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 14 | 2024 | | 15 | 2024 | | 16 | 2024 | | 17 | 2025 | | 18 | 2025 | | 44 | 2025 | | 45 | 2023 | | 46 | 2023 | | 91 | 2025 | | 93 | 2025 | | 94 | 2025 | | 98 | 2025 | | 99 | 2025 | Artikel 3 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers van het archief van Centrale organisatie Werk en Inkomen, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 259 | 2025 | | 262 | 2025 | | 631 | 2019 | | 632 | 2021 | | 633 | 2021 | | 634 | 2021 | | 635 | 2020 | | 637 | 2021 | | 638 | 2021 | | 639 | 2021 | | 640 | 2023 | | 641 | 2023 | | 642 | 2023 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036836&artikel=1&z=2015-07-16&g=2015-07-16), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036836&artikel=2&z=2015-07-16&g=2015-07-16) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036836&artikel=3&z=2015-07-16&g=2015-07-16) is, tot openbaarwording"},{"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van ‘De Samenwerking’ Bedrijfsvereniging voor de Slagers- en Vleeswaren, de Groothandel in Vlees en Pluimveeslachterijen en Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. ‘De Samenwerking’ Bedrijfsvereniging voor de Slagers- en Vleeswaren, de Groothandel in Vlees en Pluimveeslachterijen (BV16) over de periode 1950-1991 met een omvang van 1,92 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen of BVG (BV23) over de periode 1950–1996 met een omvang van 3,00 strekkende meter. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030383&artikel=1&z=2011-09-01&g=2011-09-01) genoemde archieven wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | BV-nr./inventarisnummer: | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | a. BV16 | | | 25 | 2071 | | b. BV23 | | | 34 | 2048 | | 35 | 2050 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030383&artikel=2&z=2011-09-01&g=2011-09-01) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 5 Dit besluit treedt in"},{"b":"Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. *openbare lichamen:* de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. *medisch beroep:* beroep van geneeskundige, tandheelkundige, apotheker of verloskundige. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 Het is verboden op een openbaar lichaam een medisch beroep uit te oefenen. Artikel 3 1. Onze Minister kan op verzoek van een beoefenaar van een medisch beroep ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028397&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01). Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden of kan onder beperkingen worden verleend. Bij ministeriële regeling, kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in dit lid bedoelde voorschriften of beperkingen. 2. Een aanvraag om een ontheffing wordt door de verzoeker bij Onze Minister ingediend. 3. Onze Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek. Indien voorzienbaar is dat de beslissing niet binnen genoemde periode kan worden genomen, kan deze periode eenmaal met een gelijke periode worden verlengd. De verzoeker wordt van een zodanig uitstel in kennis gesteld. Artikel 4 1. Onze Minister weigert een ontheffing indien reeds voldoende is voorzien in de behoefte aan beoefenaren van het betrokken medische beroep, op grond van zwaarwegende redenen in het belang van de volksgezondheid of indien de beoefenaar van het medische beroep ten aanzien van wie de ontheffing wordt verzocht niet voldoet aan de regels, bedoeld in het [Besluit geneeskunde BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449), het [Besluit bevoegdheid uitoefen"},{"b":"Besluit beperkingen aan de openbaarheid supplement archief Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, 1999–2013 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1290 | 2079 | | 1292–1298 | 2079 | | 1299–1306 | 2080 | | 1307–1315 | 2081 | | 1316–1322 | 2082 | | 1323–1331 | 2083 | | 1332–1339 | 2084 | | 1340–1345 | 2085 | | 1346 | 2081 | | 1356 | 2081 | | 1357 | 2085 | | 1358 | 2079 | | 1359 | 2080 | | 1360 | 2082 | | 1361 | 2083 | | 1362–1363 | 2085 | | 1364 | 2085 | | 1365–1368 | 2083 | | 1369 | 2081 | | 1370–1371 | 2083 | | 1372 | 2085 | | 1373 | 2083 | | 1374 | 2085 | | 1375 | 2086 | | 1376 | 2084 | | 1377 | 2085 | | 1378 | 2083 | | 1379 | 2085 | | 1380 | 2084 | | 1381 | 2083 | | 1382 | 2087 | | 1407 | 2079 | | 1408 | 2079 | | 1409 | 2079 | | 1410 | 2079 | | 1411 | 2079 | | 1412 | 2088 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039577&artikel=1&z=2016-08-03&g=2016-08-03) is, tot 20 jaar na sluiting van de betreffende dossiers, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 De inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039577&artikel=1&z=2016-08-03&g=2016-08-03), kunnen, zolang zij ouder zijn dan 20 jaar en jonger dan 75, alleen worden geraadpleegd na ondertekening door de onderzoeker van de verklaring inzake de raadpleging, welke als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039577&artikel=1&z=2016-08-03&g=2016-08-03), is, tot openbaar"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid adoptiedossiers geboortejaren 1970 tot en met 2001 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om dossiers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. De betreffende inventarisnummers en de daarbij behorende datum van beperkte openbaarheid zijn vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052826) ‘Definitieve lijst openbaarheid, geboortejaren 1970 tot en met 2001’ Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052826&artikel=1&z=2026-07-10&g=2026-07-10), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052826&artikel=1&z=2026-07-10&g=2026-07-10), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming, geboortejaren 1970 tot en met 2001’."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid adoptiedossiers Raad voor de Kinderbescherming (aanvulling 2024) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om dossiers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 673 | 2065 | | 1143 | 2068 | | 2634 | 2067 | | 8963 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049843&artikel=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049843&artikel=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit Beperkingen Openbaarheid archief Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) 1945 – 2000 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ([artikel 15, lid 1, sub a Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer(s) | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 224 | 2022 | | 228 | 2030 | | 246 | 2046 | | 257 | 2052 | | 258 | 2059 | | 447–448 | 2061 | | 1959 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1963 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1966 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1989–1995 | 5 jaar na overlijden prinses Margriet / mr. Pieter van Vollenhoven (laatste) | | 2156 | 1 jaar na overlijden mr. Pieter van Vollenhoven | | 2163 | 2097 | | 2167 | 2086 | | 2389 | 1 jaar na overlijden prinses Margriet | | 2395–2396 | 1 jaar na overlijden mr. Pieter van Vollenhoven | | 3156 | 2087 | | 3974 | 2095 | | 4210 | 2075 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer(s) | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 537–538 | 2059 | | 539–540 | 2060 | | 541–542 | 2061 | | 543–544 | 2062 | | 547 | 2063 | | 551 | 2066 | | 729 | 2043 | | 730 | 2045 | | 1026–1033 | 2031 | | 1034–1043 | 2032 | | 1044–1055 | 2033 | | 1056–1068 | 2034 | | 1069–1083 | 2035 | | 1084–1098 | 2036 | | 1099–1115 | 2037 | | 1116–1128 | 2038 | | 1129–1143 | 2039 | | 1144–1161 | 2040 | | 1162–1184 | 2041 | | 1185–1198 | 2042 | | 1199–1221 | 2043 | | 1222–1241 | 2044 | | 1242–1264 | 2045 | | 1265–1288 | 2046 | | 1289–1314 | 2047 | | 1315–1336 | 2048 | | 1337–1365 | 2049 | | 1366–1386 | 2050 | | 1389 | 2033 | |"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archief Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, 1919–1982, nummer toegang 2.16.5240 Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot *1 januari*van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 6366–6367, 7397, 7399, 11069 | 2024 | | 1399, 6353, 7396, 7398, 7400 | 2025 | | 882–883, 2927, 6371, 6526, 7389–7393, 25751 | 2026 | | 886, 888, 2926, 2928, 2931, 2943, 3826, 3835, 22143 | 2027 | | 2930, 2933, 2945, 22144–22147 | 2028 | | 2932, 2934, 3824, 3831 | 2029 | | 884, 3833, 4809, 4816 | 2030 | | 775, 3828–3830, 3797, 22650 | 2031 | | 2941 | 2032 | | 885, 4811, 4815 | 2033 | | 2937, 2944, 3832, 4808, 4810, 4814, 4817–4818, 6203, 12481 | 2034 | | 745, 748, 881, 887, 2831–2833, 2854, 2935–2936, 2938–2940, 3834, 4067, 4812–4813, 4819, 5283, 5296–5298, 6204–6206, 7272, 12150, 20911–20913 | 2035 | | 3775–3776, 3778, 3785, 5540–5551, 8207, 8209–8211 | 2036 | | 2790, 2863, 2866, 2868–2870, 2875–2876, 3774, 3777, 3779–3782, 3783–3784, 3786, 3827, 4807, 8208, 8212 | 2037 | | 2864, 2867, 2871–2874, 2878, 2929, 3787–3788, 4798–4799, 4801–4804, 4806 | 2038 | | 2865, 2879–2880, 2882, 2885, 2891–2892, 2895–2896, 3789, 4796–4797, 4800, 4805, 5733, 6621, 6627, 12345, 22139 | 2039 | | 2881, 2883, 2886–2890, 2893–2894, 2897–2898, 2900–2902, 2906, 2908–2910, 2912, 3791–3796, 3798, 3800–3801, 3803–3805, 6114, 6169, 22140 | 2040 | | 1125–1127, 1976–1978, 2899, 2903–2905, 2907, 2913–2915, 2917–2922–2925, 3799, 3802, 3806, 3809–3811, 3813, 6993, 9191–9192, 22141 | 2041 | | 2717, 2785, 2916, 3808, 3812, 3814–3815, 3820–3822, 3836, 5268, 5277 | 2042 | | 2799, 2801–2802, 2808, 2811, 2816, 2818, 3790, 3816–3818, 3823, 5279–5280 | 2043 | | 735, 2789, 2795–2796, 2803–2807, 2809–2810, 2813, 2819–2821, 5270–5271, 5273, 5282 | 2044 | | 2786, 2788, 2791–2793, 2798, 2812, 2814, 2817, 2824, 2826, 5278, 5281, 5285, 9193"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archieven BZK Zuivering Ambtenaren (2.04.67), Nederlandse gezantschappen te Zweden en Finland (2.05.219), BZK Bureau Invordering (2.04.77) en Militair Gezag Zuid-Holland (3.09.34) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Zuivering Ambtenaren en Nederlandse Orden, (1940) 1945–1959 (1984), nummer archiefinventaris 2.04.67, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045851) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de archieven van de Nederlandse gezantschappen te Zweden (Stockholm) (1868) 1910–1946 (1948) en te Finland (Helsinki) 1919–1940, nummer archiefinventaris 2.05.219, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045851) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Bureau Invordering, (1942) 1945–1960 (1976) nummer archiefinventaris 2.04.77, die in [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045851) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer van het archief van het archief van het Militair Gezag in Zuid-Holland, 1944–1947, nummer archiefinventaris 3.09.34, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045851) wordt genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 5 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij de artikelen"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archieven Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000), nummer toegang 2.16.107 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 2904 | 2054 | | 2910 | 2072 | | 2911 | 2071 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot *1 januari* van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 222, 275–277, 283, 285–291, 293–296, 299–304, 1800–1801, 2169, 2171–2175, 2769, 2813 | 2023 | | 223, 281, 292, 297–298, 305–312, 314–315, 317–326, 328–331, 334–335, 337–346, 1802–1805, 2168, 2170, 2176–2178, 2180–2183, 2197, 2770, 2856 | 2024 | | 181, 313, 316, 327, 332–333, 336, 358–377, 1806–1809, 2179, 2199–2203, 2215–2216, 2219, 2222–2224 | 2025 | | 224, 347–357, 378–380, 382–384, 387, 390, 2198, 2204, 2217–2218, 2221, 2226–2227 | 2026 | | 177, 225, 381, 385–386, 388–389, 391, 393–413, 416, 1810–1811, 1813, 1815, 2208–2214, 2220, 2225, 2228, 2230–2231, 2701, 2771–2772 | 2027 | | 226, 392, 415, 417, 420, 422–433, 435–437, 1812, 1814, 1816–1818, 2229, 2237, 2702 | 2028 | | 227, 229, 414, 418–419, 421, 434, 438–448, 455–457, 459–462, 464, 1819, 2205–2207, 2232–2236, 2238–2239, 2844, 2870 | 2029 | | 128–129, 228, 449–454, 458, 463, 465–472, 474–475, 477–480, 484, 494–496, 500, 502, 507–510, 513–514, 516, 1820–1822, 1824, 2184–2191, 2240–2241, 2243–2264, 2773, 2873, 2921 | 2030 | | 130, 473, 476, 481–483, 485, 487–488, 490–493, 497–499, 501, 503–505, 511–512, 515, 517, 519–520, 522–525, 527–529, 531–533, 1823, 1825–1829, 2266–2269, 2271–2272, 3000 | 2031 | | 131, 182, 521, 526, 530, 534–560, 563–564, 566–572, 574, 1830–1831, 1833, 2242"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Bureau Nationale Veiligheid (2.04.80) en Oorlogsmisdadigers (2.09.106) Artikel 1 De openbaarheid van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051248) bij dit besluit genoemde archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Bureau Nationale Veiligheid (1930) 1945–1946 (1980), nummer archiefinventaris 2.04.80, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari van het jaar vermeld in de tweede kolom van de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De openbaarheid van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051248) bij dit besluit genoemde archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer van het archief Oorlogsmisdadigers (1945) 1950–1955 (2002) van het Ministerie van Justitie, nummer archiefinventaris 2.09.106, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari 2034. Artikel 3 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051248) bij de [artikelen 1 tot en met 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051248&artikel=1&z=2025-07-17&g=2025-07-17) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 4 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden vóór dat datum dat de openbaarheidsbeperking conform de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051248) bij dit besluit vervalt, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden BZK Zuivering Ambtenaren (2.04.67), Militair Gezag (2.13.25), BRIOP (2.13.208), Defensie Collectie Zuiveringen (2.13.99), Financiën Bureau Zuivering (2.08.79), BZK Bureau Invordering (2.04.77), Justitie Afdeling Politie (2.09.107), Justitie RVD (2.09.45) en NEFIS (2.10.62) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Zuivering Ambtenaren en Nederlandse Orden, (1940) 1945-1959 (1984), nummer archiefinventaris 2.04.67, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044352) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956), nummer archiefinventaris 2.13.25, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044352) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de collectie archiefbescheiden van de Ordedienst, de Binnenlandse Strijdkrachten, het Militair Gezag en van andere organisaties, gevormd door het Bureau Registratie en Informatie Ontslagen Personeel (BRIOP), (1934) 1940-1947 (2003), nummer archiefinventaris 2.13.208, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044352) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Defensie: Collectie betreffende zuiveringen, 1945-1959, nummer archiefinventaris 2.13.99, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044352) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijk"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Code-archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 (2.05.313) Artikel 1 De openbaarheid van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051250) bij dit besluit genoemde archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers van het Code-archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (1965–1974), nummer archiefinventaris 2.05.313, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari van het jaar vermeld in de tweede kolom van de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051250) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden vóór dat datum dat de openbaarheidsbeperking conform de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051250) bij dit besluit vervalt, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië (2.13.132) en archieven Nederlandse Ambassade in België en Luxemburg (2.05.43) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië (1938 – 1939) 1941 – 1957, nummer archiefinventaris 2.13.132, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0047456) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2028. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de archieven van het Nederlandse Gezantschap / Nederlandse Ambassade in België (en Luxemburg), 1839-1954 (1961), 1924-1954, nummer archiefinventaris 2.05.43, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0047456) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 3 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de [bijlagen bij de artikelen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0047456) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 4 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen die geen afbreuk doet aan de persoonlijke sfeer van mogelijk nog levende derden in het dossier. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Hoofdafdeling Privaatrecht Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 (toegangsnummer 2.09.131) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden, geborgen onder de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046033) genoemde inventarisnummers, van het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 (toegangsnummer 2.09.131) wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer vastgesteld tot 75 jaar na afsluiting van het desbetreffende dossier. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046033&artikel=1&z=2021-12-17&g=2021-12-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046033&artikel=1&z=2021-12-17&g=2021-12-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Ministerie van Justitie: Commissies tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers (COOM), nummer archiefinventaris 2.09.61 Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Ministerie van Justitie: Commissies tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers die genoemd worden in de eerste kolom, wordt beperkt tot het jaar genoemd in de tweede kolom | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | | 1170 | 2027 | | 2029 | 2021 | | 3859 | 2024 | | 4214 | 2027 | | 4239 | 2021 | | 4247 | 2024 | | 4312 | 2024 | | 4317 | 2023 | | 4326 | 2021 | | 4336 | 2023 | | 4361 | 2024 | | 4415 | 2021 | | 4421 | 2023 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt deze inventarisnummers beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden rijksarchieven en collecties NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für Verwaltung und Justiz, nummer archiefinventaris 20, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050441) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft, nummer archiefinventaris 39, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050441) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West), nummer archiefinventaris 77, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050441) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, nummer archiefinventaris 88, die in [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050441) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 5 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Nederlandsche Arbeidsdienst (Nederlandsche Opbouwdienst), nummer archiefinventaris 99, die in [bijlage](https://wetten.overheid.n"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid KNAW Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 184 | 2031 | | 185 | 2047 | | 361 | 2034 | | 362 | 2042 | | 363 | 2047 | Artikel 2 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 164 | 2020 | | 165 | 2021 | | 166 | 2022 | | 167 | 2023 | | 168 | 2024 | | 169 | 2025 | | 170 | 2026 | | 171 | 2027 | | 172 | 2028 | | 173 | 2029 | | 174 | 2030 | | 175 | 2031 | | 176 | 2032 | | 177 | 2033 | | 178 | 2034 | | 179 | 2038 | | 180 | 2040 | | 181 | 2042 | | 182 | 2043 | | 183 | 2044 | | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 335 | 2020 | | 336 | 2021 | | 337 | 2022 | | 338 | 2023 | | 339 | 2024 | | 340 | 2025 | | 341 | 2026 | | 342 | 2027 | | 343 | 2028 | | 344 | 2029 | | 345 | 2030 | | 346 | 2031 | | 347 | 2032 | | 348 | 2033 | | 349 | 2034 | | 350 | 2035 | | 351 | 2036 | | 352 | 2037 | | 353 | 2038 | | 354 | 2039 | | 355 | 2040 | | 356 | 2041 | | 357 | 2042 | | 358 | 2043 | | 359 | 2044 | Artikel 3 De archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042850&artikel=1&z=2019-12-06&g=2019-12-06) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042850&artikel=2&z=2019-12-06&g=2019-12-06) kunnen alleen worden geraadpleegd met toestemming van de beheerder van de archiefbewaarplaats. Verzoeken tot raadpleging dienen schriftelijk te worden ingediend en met redenen omkleed te zijn. De beheerder van de archiefbewaarplaats weegt dez"},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid ministerraad 1996 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ([artikel 15, lid 1, sub a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2047, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 7849 | 2047 | | 7886 | 2047 | | 7869A | 2047 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari 2047, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 7658A | 2047 | | 7661A | 2047 | | 7858A | 2047 | Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1996’."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid notulen en bescheiden ministerraad 1997 Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2073, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. Het betreft stukken die gerelateerd zijn aan de MICIV. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8174 | 2073 | | 8175 | 2073 | | 8176 | 2073 | | 8177 | 2073 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1997’."},{"b":"Besluit beperkingen openbaarheid notulen en bescheiden ministerraad 1998 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen. Op de stukken van de Rijksministerraad (RMR) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8390A | 2074 | | 8391A | 2074 | | 8398A | 2074 | | 8399A | 2074 | | 8400A | 2074 | De bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8475A | 2073 | Het bovengenoemde dossier is ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zal deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048688&artikel=1&z=2023-10-05&g=2023-10-05) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbi"},{"b":"Besluit Beroep in Belastingzaken 1. Algemeen 1.0. Inleiding - 1. Het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) bevat procedurevoorschriften voor de Belastingdienst en de Douane voor het beroep, hoger beroep en beroep in (sprong)cassatie. Het heeft betrekking op belastingzaken, inclusief premieheffing volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, maar geldt dus niet voor toeslagen. - 2. Het BBIB wordt periodiek geactualiseerd. Dit besluit vervangt het [BBIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039489) van 7 april 2017, nr. 2017-59142 (Stcrt. 2017, 22374). De volgende wijzigingen zijn aangebracht: - • In de inleiding (paragraaf 1.0, eerste alinea) is de strekking van het BBIB verduidelijkt. - • De gebruikte begrippen en afkortingen ([paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045025)) zijn uitgebreid en geactualiseerd ter verwerking van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst en de verwerking daarvan in de [Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506). Verwijzingen naar Belastingdienst/Centrum voor kennis en communicatie (B/CKC) zijn achterhaald en zijn daarom telkens vervallen. - • De wijze waarop de rechter de procesmachtiging van de inspecteur kan nagaan is vereenvoudigd. In [paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045025) (procesmachtiging en wraking) is het volmachtregister vervangen door de procedure dat de inspecteur de rechtbank of het gerechtshof desgevraagd een afschrift van zijn machtiging verstrekt (vgl. [artikel 8:24, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:24)). Voorts is deze paragraaf uitgebreid met een regeling voor het uitzonderlijke geval dat de inspecteur een wrakingsverzoek nodig vindt. Hij gaat hier zeer terughoudend mee om. - • In de [paragrafen 2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045025) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045025) (verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken) is geactualiseerd. De Belastingdienst zal in be"},{"b":"Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Reikwijdte - 1. In dit besluit is het beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop [Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&hoofdstuk=VIIIA) (hierna: AWR) van toepassing is. Het besluit is ook van toepassing op regelingen die onder het bereik van dit hoofdstuk van de [AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) zijn gebracht, zoals de werknemersverzekeringen. - 2. Op beboetbare feiten die zijn begaan ná de inwerkingtredingsdatum van dit besluit (zie [§ 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=5&paragraaf=40&z=2026-08-08&g=2026-08-08)) zijn de beleidsregels van dit besluit van toepassing. - 3. Op beboetbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtredingsdatum van dit besluit blijven de (oude) beleidsregels van toepassing, zoals deze luidden ten tijde van het begaan het beboetbare feit. Indien ter zake van deze feiten op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog geen boete is opgelegd of de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, dan zijn de beleidsregels van dit (nieuwe) besluit van toepassing voor zover deze gunstiger zijn voor belanghebbende. - 4. Het voorgaande lid is niet van toepassing op beleidsregels inzake inkeer (zie [§ 7, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=1&paragraaf=7&z=2026-08-08&g=2026-08-08)). - 5. Omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij de paragraafindeling van de voorgangers van dit besluit komen sommige paragraafnummers in dit besluit niet voor. - 6. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 20 december 2019, nr. 2019-22295 (Stcrt. 2019, 66184). De wijziging betrof de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=1&paragraaf=2&z=2026-08-08&g=2026-08-08), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=1&paragraaf=5&z=20"},{"b":"Besluit bestuurlijke boeten BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit beleidsbesluit wordt onder ‘boete’ verstaan een bestuurlijke boete die de inspecteur ingevolge [Hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) kan opleggen bij de heffing en invordering van BES belastingen als bedoeld in [artikel 1.3, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.3), van die wet. 2. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 20 december 2023, nr. 2023-23713 (Stcrt.2023, 32017). De wijziging zag op de artikelen 1 en [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037210&hoofdstuk=II&artikel=6b&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en betrof een verruiming en verduidelijking van het toepassingsbereik van het besluit en het bijwerken van een verwijzing. Artikel 2 Bij het vaststellen van de boete wijkt de inspecteur niet af van de percentages en bedragen, die in dit beleidsbesluit zijn vermeld. De boete kan worden verminderd wanneer sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, of wanneer de omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit buiten de directe invloedssfeer van belanghebbende liggen. De vermindering kan slechts worden verleend wanneer een bezwaarschrift, als bedoeld in [artikel 8.92 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.92) tegen de boete is ingediend. Hoofdstuk II. Verzuimboeten Artikel 3 1. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven, wordt aangemerkt als een verzuim. 2. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een boete op van $ 140. 3. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, als belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur. 4. I"},{"b":"Besluit Bestuurlijke Boeten Douane Dit besluit vervangt en actualiseert het besluit van 24 december 2019, nr. BLKB2011/2611M, Stcrt. 2019, nr. 66181 ([Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042999)) in verband met het toevoegen van de boetebepalingen [artikel 9:1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1a) en [9:1b aan de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1b). Daarnaast is [paragraaf 6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042999) vervallen. Verder zijn enkele aanpassingen van redactionele aard aangebracht. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Reikwijdte - 1. In dit besluit is het beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing en ter naleving van formaliteiten en verplichtingen uit de [Algemene Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746) (hierna: Adw). Het besluit is mede van toepassing op overtredingen neergelegd in bepalingen die krachtens deze wet zijn genomen bij algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling. - 2. Inzake het opleggen van bestuurlijke boeten op grond van [afdeling 9.1. Adw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&afdeling=9.1) zijn, naast de voorschriften van [afdeling 9.2 Adw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&afdeling=9.2) en dit besluit tevens de [paragrafen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=4) en [6 tot en met 15 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=6) (hierna: BBBB) van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 2. Verzuimboeten § 2. Verzuimboeten ingevolge de artikelen 9:1, 9:2, 9:3 en 9:4 Adw - 1. Met betrekking tot de in de [artikelen 9:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1), [9:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:2), [9:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:3) en [9:4 Adw](https://wett"},{"b":"Besluit bestuurlijke boeten Douane- en Accijnswet BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit beleidsbesluit wordt onder ‘boete’ verstaan de sanctie die de inspecteur ingevolge [Hoofdstuk II, titel 8, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&titeldeel=8) (hierna: de Wet), [Hoofdstuk 2, afdeling 2.13, van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&afdeling=2.13) (hierna: het Uitvoeringsbesluit) en [Hoofdstuk 2, afdeling 2.25, van de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029309&afdeling=2.25) (hierna: de Uitvoeringsregeling) kan opleggen met betrekking tot belastingen en handels- en dienstenentrepots als bedoeld in [artikel 1.4 van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.4) overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde regels. Artikel 2 1. Bij het vaststellen van de boete wijkt de inspecteur niet af van de percentages en bedragen, die in dit beleidsbesluit zijn vermeld. 2. De boete kan worden verminderd wanneer sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, of wanneer de omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit buiten de directe invloedssfeer van belanghebbende liggen. De vermindering kan slechts worden verleend wanneer een bezwaarschrift, als bedoeld in [artikel 2.86 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.86) is ingediend. Hoofdstuk II. Verzuimboeten Artikel 3 1. Dit artikel is van toepassing op de verzuimboetebepalingen van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236), het [Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262) en de [Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029309), met uitzondering van de verzuimen als bedoeld in het eerste en tweede lid van [artikel 2.113 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&ar"},{"b":"Besluit bestuursrecht Toeslagen 1. Inleiding Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) besluit Dienst Toeslagen het [Besluit bestuursrecht Toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041450) (2020-246270) zoals laatst gewijzigd op 16 December 2020 in te trekken en te vervangen door dit besluit. 1.1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel (hierna: beleidsbesluit) ziet op de formeelrechtelijke aspecten van de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen door de Dienst Toeslagen. Beleidsregels van de Dienst Toeslagen over procesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen zijn vastgelegd in [Besluit procesrecht herstel toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049945). 1.2. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) - *Awir:* [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) - *Dienst Toeslagen:* ingevolge [art 11 Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=11) het organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen. - *directeur:* de directeur van het organisatieonderdeel Dienst Toeslagen, genoemd in [artikel 3, derde lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3) in samenhang met [artikel 5, eerste lid, van het Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging Belastingdienst/Toeslagen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049018&artikel=5); - *monitoring hoger beroep:* ambtenaren van de Dienst Toeslagen die namens de directie Strategie, Recht en Beleid verantwoordelijk zijn voor de advisering en afstemming van standpunten in hoger beroepen en beslissingen om hoger beroep in te stellen. - *procesvertegenwoordiger:* de medewerker v"},{"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van een aantal rijksarchieven en collecties thans in beheer bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief Zentralauftragstelle, (1933) 1940 – 1945 (1948), nummer archiefinventaris *093*, worden opgeheven. | 121 | 122 | 123 | 124 | 125 | 126 | 127 | 128 | 129 | 130 | 131 | 132 | 133 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 134 | 135 | 136 | 137 | 138 | 139 | 140 | 141 | 142 | | | | | Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief Vredegerechtshof en vrederechters, (1940) 1941–1944, nummer archiefinventaris *101*, worden opgeheven. | 1141 | | --- | Artikel 3 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in de Collectie Nederlandse regering in Londen, 1935–1979, nummer archiefinventaris *233b*, worden opgeheven. | 8 | 41 | 44 | 47 | 54 | 55 | 60 | 64 | 65 | 66 | 74 | 76 | 81 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 82 | 84 | 96 | 97 | 101 | 103 | 111 | 117 | 122 | 123 | 124 | 125 | 126 | | 127 | 128 | 129 | 130 | 131 | 132 | 134 | 135 | 136 | 137 | 139 | 140 | | Artikel 4 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief van dhr. C.W.P.C. de Koning, 1940–1945 [1976], nummer archiefinventaris *235d*, worden opgeheven. | 1 | | --- | Artikel 5 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief Nederlands Informatiebureau – New York, 1941–1949, nummer archiefinventaris *243b*, worden opgeheven. | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 15 | 17 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 4"},{"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Kabinet der Koningin: pakketarchief, 1989–2000 (nummer toegang 2.02.38) Artikel 1 Op de serie Originele wetten en Koninklijke Besluiten, inventarisnummers 19501 t/m 21023 in de archieven van het Kabinet der Koningin over de periode 1989–2000, berust een beperking met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De beperking op een document uit deze serie wordt opgeheven wanneer is vastgesteld dat het document geen persoonsgegevens van natuurlijke personen anders dan de betrokken ambtenaren bevat of wanneer een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris aantoont dat alle betrokkenen die voorkomen in het document zijn overleden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, Verenigingenregister, (1820)1874–1976, toegangsnummer 2.09.12.01, en het Archief van het Ministerie van Justitie, Stichtingenregister, 1957–1976, toegangsnummer 2.09.12.02 Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden berustende in het archief van het Ministerie van Justitie, Verenigingenregister (‘dossiers Verenigingen’), (1820)1874–1976, toegangsnummer 2.09.12.01, en het Archief van het Ministerie van Justitie, Stichtingenregister (‘dossiers Stichtingen’), 1957–1976, toegangsnummer 2.09.12.02, zijn opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan het archief Ministerie van Justitie: Voorwaardelijke Invrijheidstellingen 1950–1978, nummer toegang 2.09.115 Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers | 1 t/m 6 | 210 | 458 | 699 t/m 701 | 952 t/m 958 | | --- | --- | --- | --- | --- | | 8 t/m 12 | 213 t/m 222 | 460 | 703 | 960 t/m 962 | | 14 t/m 20 | 224 t/m 226 | 461 | 704 | 965 | | 22 t/m 28 | 228 t/m 234 | 463 t/m 472 | 706 | 966 | | 30 t/m 40 | 236 t/m 244 | 474 t/m 489 | 708 t/m 714 | 969 t/m 974 | | 44 t/m 50 | 248 | 491 t/m 496 | 716 | 976 t/m 984 | | 52 t/m 55 | 249 | 501 | 719 t/m 738 | 986 t/m 996 | | 57 | 251 t/m 253 | 502 | 740 t/m 743 | 998 t/m 1001 | | 59 t/m 65 | 255 t/m 264 | 504 | 745 | 1003 | | 67 | 266 | 506 t/m 508 | 746 | 1005 t/m 1010 | | 68 | 268 | 510 | 748 t/m 754 | 1012 | | 70 | 272 t/m 280 | 513 | 756 t/m 766 | 1015 t/m 1017 | | 72 | 282 t/m 289 | 515 t/m 522 | 768 t/m 776 | 1019 t/m 1023 | | 74 t/m 77 | 291 | 526 t/m 536 | 779 | 1025 | | 81 | 292 | 538 t/m 545 | 780 | 1026 | | 82 | 294 | 547 t/m 551 | 782 t/m 785 | 1029 | | 86 | 295 | 554 | 787 t/m 792 | 1031 t/m 1039 | | 88 t/m 93 | 298 | 555 | 795 t/m 801 | 1041 t/m 1048 | | 95 | 301 | 557 | 803 t/m 806 | 1050 | | 96 | 303 t/m 307 | 559 | 808 t/m 810 | 1052 t/m 1055 | | 98 t/m 108 | 309 t/m 311 | 562 | 812 | 1058 t/m 1063 | | 110 t/m 111 | 313 | 563 | 814 | 1065 | | 113 | 315 t/m 317 | 565 | 815 | 1066 | | 114 | 319 t/m 325 | 567 t/m 572 | 817 t/m 828 | 1070 | | 116 | 327 t/m 331 | 575 | 830 | 1071 | | 118 t/m 125 | 333 t/m 340 | 577 t/m 579 | 832 t/m 834 | 1073 t/m 1079 | | 127 t/m 133 | 342 t/m 345 | 581 | 836 | 1081 t/m 1088 | | 135 t/m 141 | 347 t/m 357 | 583 t/m 591 | 840 t/m 843 | 1090 t/m 1093 | | 143 | 359 t/m 362 | 595 t/m 595 | 845 t/m 849 | 1095 | | 145 | 364 t/m 374 | 597 t/m 613 | 852 t/m 854 | 1097 | | 147 t/m 152 | 377 t/m 388 | 616 | 857 | 1098 | | 154 | 392 t/m 399 | 617 | 858 | 1"},{"b":"Besluit bevestiging kwalificatie Braziliaanse interest on net equity De Staatssecretaris van Financiën deelt het volgende mee. *In dit besluit wordt verder ingegaan op de kwalificatie van de betalingen van Braziliaanse ‘Interest on net equity’ voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië.* 1. Inleiding In het [Besluit kwalificatie Braziliaanse interest on net equity](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044024) (besluit van 4 augustus 2020, nr. 2020-14853 Stcrt. 2020, 44499) is uiteengezet hoe de betalingen van Braziliaanse ‘Interest on net equity’ voor de toepassing van de op 8 maart 1990 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot het inkomen (hierna: ‘het Belastingverdrag’) dienen te worden gekwalificeerd. Om te bevestigen dat de Braziliaanse en de Nederlandse bevoegde autoriteit beide de mening zijn toegedaan overeenkomstig hetgeen is uiteengezet in het genoemde besluit van 4 augustus 2020, wordt in het onderhavige besluit de tekst gepubliceerd van de uitkomst van een onderlinge overlegprocedure op grond van artikel 25 van het Belastingverdrag. 2. De uitkomst van de onderlinge overlegprocedure COMPETENT AUTHORITY AGREEMENT The competent authorities of Brazil and the Netherlands (hereinafter: the ‘Competent Authorities’) have reached the following mutual agreement (hereinafter: ‘Competent Authority Agreement’) regarding the application of the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Federative Republic of Brazil for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income signed on 8 March 1990 (hereinafter: the ‘Convention’) in relation to payments of interest on net equity (in Portuguese: *Juros sobre o Capital Próprio*, hereinafter: ‘JCP’) by a company which is a resident of Brazil to a resident of the Net"},{"b":"Besluit bevoegde instanties grensoverschrijdende representatieve vorderingen Artikel 1. (definities) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *achterban:* de natuurlijke personen die handelen voor doeleinden die geen verband houden met hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, tot bescherming van wier collectieve belangen een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met zetel in Nederland rechtsvorderingen wil instellen in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte; - – *bevoegde instantie:* bevoegde instantie als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Richtlijn; - – *grensoverschrijdende representatieve vorderingen:* een rechtsvordering ter bescherming van een belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn die een stichting of vereniging instelt in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte dan die waarin zij werd aangewezen; - – *lijst:* de lijst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn; - – *Onze Minister:* Onze Minister voor Rechtsbescherming; - – *Richtlijn:* Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409); - – *wet:* [Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291). Artikel 2. (de aanvraag) 1. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met zetel in Nederland kan een aanvraag doen om te worden aangewezen als bevoegde instantie. 2. De aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister. 3. Bij de aanvraag verschaft de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, ten minste de volgende gegevens en bescheiden: - a. een uittreksel uit het register van de"},{"b":"Besluit bevoegdheid apothekers en apothekersassistenten BES § 1. De verkrijging van de bevoegdheid als apotheker Artikel 1 1. Tot de uitoefening van de artsenijbereidkunde in haar volle omvang als apotheker zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van apotheker hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.6.2 van richtlijn nr. 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien deze is afgegeven door de daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de artsenijbereidkunde uit te oefenen. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in artikel 1a, onderdeel d, bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028456&paragraaf=1&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 [vervallen] Artikel 7 [vervallen] Artikel 8 Zij, die de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunde als apotheker op een der wijzen als bedoeld in dit besluit hebben verkregen, leggen, voordat zij als zodanig worden ingeschreven, in handen van de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam"},{"b":"Besluit bevoegdheid uitoefening van de tandheelkunst BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - *Onze Minister:* Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 1a Tot de uitoefening van de tandheelkunst zijn, behalve de toegelaten geneeskundigen, uitsluitend bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van tandarts hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.3.2 van de richtlijn nr. 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0028359) bij dit besluit, voor zover dit getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien deze is afgegeven door een daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de tandheelkunst uit te oefenen. Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in [artikel 1a, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1a&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1a, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1a&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 Het is aan een tandarts, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1&z"},{"b":"Besluit bevoegdheid verloskundigen BES Artikel 1 1. Tot de uitoefening van de praktijk als verloskundige zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van verloskundige hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over getuigschriften die in bijlage V, onder 5.5.2 van de Richtlijn nr 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties zijn genoemd; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0028370) bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien zij is afgegeven door de daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de verloskunst uit te oefenen. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 Het is aan een verloskundige als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoeld, verboden de praktijk als verloskundige uit te oefenen alvorens: - 1°. hare akte van bevoegdheid, door den Directeur van het departement van Vo"},{"b":"Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. *de wet:* de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - c. *het bevoegd gezag:* voor wat betreft: - 1°. een openbare school: het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam; - 2°. een bijzondere school: het schoolbestuur. Artikel 2 1. Indien voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, kan Onze Minister verklaren, dat een leraar geacht wordt in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs in vakken waarvoor geen bewijzen van bekwaamheid zijn aangewezen, en van een bewijs als bedoeld in [artikel 7.24, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.24). 2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. de leraar komt niet in aanmerking voor een verklaring als bedoeld in [artikel 7.10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.10); - b. de leraar moet tenminste twee schooljaren naar volle tevredenheid van het bevoegd gezag lesgegeven hebben in het desbetreffende vak; - c. het bevoegd gezag vraagt met toestemming van de leraar de verklaring, bedoeld in het eerste lid, aan; - d. de inspectie brengt, na het indienen van het verzoek van het bevoegd gezag, een positief advies uit over het functioneren van de leraar; - e. geen enkel bewijs van bekwaamheid voor het desbetreffende vak voor de desbetreffende schoolsoort is aangewezen; - f. het desbetreffende vak komt niet voor op het, jaarlijks door Onze Minister samen te stellen, overzicht van de vakken waarvoor geen verklaring als bedoeld in het eerste lid, meer zal worden afgegeven. 3. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval aangevraagd indien het de intentie is de leraar na het tweede schooljaar nogmaals met de lessen te belasten. 4."},{"b":"Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *aanbieder:* aanbieder van zorg, hulp of ondersteuning; - – *administratieve kenmerken van een rechtspersoon:* de naam, het adres, de vestigingsplaats, het KVK-nummer, de door ziektekostenverzekeraars gehanteerde administratieve codes van een rechtspersoon en het SKJ-registratienummer; - – *BIG-nummer:* BIG-nummer als bedoeld in[artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=1); - – *burgerservicenummer:* burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - – *cliënt:* een natuurlijke persoon die zorg, hulp of ondersteuning ontvangt; - – *conclusies uit benchmarkgegevens:* conclusies uit analyses die zijn uitgevoerd op een of meerdere verzamelingen van gegevens en geen gegevens bevatten die te herleiden zijn tot individuele natuurlijke personen of rechtspersonen die niet betrokken zijn bij een aanleiding tot een vermoeden van fraude in de zorg; - – *declaratiegegevens:* geaggregeerde gegevens over overeengekomen, in rekening gebrachte, betaalde of geleverde prestaties; - – *gerechtvaardigde overtuiging:* gerechtvaardigde overtuiging als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - – *handelsgegevens:* de omvang van het personeelsbestand, het aantal cliënten, de locaties waar cliënten zorg, hulp of ondersteuning ontvangen, dochterondernemingen, concernrelaties en bestuurders, alsmede overige gegevens die zijn opgenomen in het handelsregister, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=1); - – *identificerende gegevens"},{"b":"Besluit bewaarder van het kadaster en de openbare registers BES tot verlening van mandaat en machtiging ten aanzien van het beslissen op verzoeken tot inschrijving in de openbare registers voor onroerende zaken en voor schepen en luchtvaartuigen, het verstrekken van inlichtingen uit de kadastrale registratie, de registraties voor schepen en luchtvaartuigen en het bijwerken van de kadastrale registratie en registraties voor schepen en luchtvaartuigen in verband met het inwerkingtreden van de Regels met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen en de kadasters op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kadasterwet BES) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de Dienst:* de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - b. *de bewaarder:* de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 9 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=9); - c. *verstrekken van inlichtingen:* het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder g Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=7) juncto [artikel 75 lid 1 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=75); - d. *mandaatverlening:* de bevoegdheid van de bewaarder om op grond van [artikel 10, tweede lid, Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=10) mandaat te verlenen; - e. *mandaat:* bevoegdheid om in naam van de bewaarder besluiten te nemen; - f. *machtiging:* bevoegdheid om in naam van de bewaarder handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - g. *gemandateerde:* ambtenaar die is aangesteld door de Dienst danwel persoon die op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst werkzaamheden verricht voor de Dienst aan wie mandaat is verleend; -"},{"b":"Besluit bewaring inbeslaggenomen voorwerpen BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - *Bewaarder:* de bewaarder, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028375&paragraaf=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) - *het wetboek:* het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681) 2. Dit besluit berust op de [artikelen 141, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=141) en [143 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=143). § 2. De bewaarder Artikel 2 1. Als bewaarder, bedoeld in [artikel 141, tweede lid, van het wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=141), wordt aangewezen de griffier van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. De bewaring van een inbeslaggenomen voorwerp door de bewaarder vindt plaats bij de griffie van het gerecht, bedoeld in het eerste lid. § 3. Inbewaringneming Artikel 3 1. Een inbeslaggenomen voorwerp wordt zoveel mogelijk gesloten en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag van inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie het is inbeslaggenomen, met een korte opgave van de inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien het voorwerp niet geschikt is om in een omslag te worden gesloten, wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet worden voldaan, dan wordt het voorwerp zoveel mogelijk gewaarmerkt. 2. Aan degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, wordt zoveel mogelijk een bewijs van inbeslagneming verstrekt. 3. Aan degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, wordt ten overstaan van een officier of hulpofficier van justitie gevraagd of hij met betrekking tot het voorwerp een verklaring van afstand wil doen. Artikel 4 Een lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven v"},{"b":"Besluit bezoldiging commissie onderzoek elektronisch stemmen Artikel 1 De leden van de commissie onderzoek elektronisch stemmen in het stemlokaal ontvangen een vaste vergoeding afgeleid van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met een deeltijdfactor 0,1. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit beëindiging aansluiting werkgever bij een sector Artikel 1 Een werkgever die de hoedanigheid van werkgever verliest omdat hij geen werknemers meer in dienst heeft en om die reden ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen zes maanden na de dag dat hij ophoudt werkgever te zijn schriftelijk melding bij UWV. Artikel 2 Indien een werkgever niet tijdig de melding als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017216&artikel=1&z=2005-01-01&g=2005-01-01) van dit besluit doet, deelt UWV de werkgever na twee jaar volgende op de dag dat hij ophoudt werkgever te zijn mee dat hij niet meer aangesloten is bij een sector. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beëindiging aansluiting werkgever bij een sector. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005."},{"b":"Besluit beëindiging verplichte periode ATF de verplichting voor KPN tot het aan een ieder aanbieden van ATF 3 te beëindigen. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996. Met ingang van die datum vervalt mijn besluit van 18 augustus 1994, HDTP/94/19246 (Besluit mobiele telecommunicatie ATF 3 verplichte periode) en is mijn besluit van 18 augustus 1994, [HDTP/94/19306](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006874) ([Besluit mobiele telecommunicatie ATF 3 niet verplichte periode en SMF 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006874)) van toepassing op het aanbieden van ATF 3 door KPN."},{"b":"Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar sector Stadstoezicht van de Dienst Milieu en Beheer van de gemeente Leiden 2001 Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen*"},{"b":"Besluit burgerlijke stand BES Hoofdstuk 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand, de registers van de burgerlijke stand, de akten en de dubbelen, de latere vermeldingen, de afschriften en uittreksels en de in verband met het opmaken van bepaalde akten over te leggen bescheiden Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand Artikel 1 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand verrichten hun ambtsbezigheden in het bureau van de burgerlijke stand. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen ook elders binnen het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba ambtsbezigheden verrichten voor zover daartoe gewichtige redenen bestaan. Artikel 2 Het bestuurscollege wijst, voor zoveel nodig, de ambtenaar van de burgerlijke stand aan die belast is met de leiding van de dienst. Artikel 3 Het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschaft de ambtenaren van de burgerlijke stand kantoorruimte alsmede alle materiële voorzieningen welke voor een behoorlijke uitoefening van hun taak vereist zijn. Het bezoldigt voorts het personeel nodig om de ambtenaren van de burgerlijke stand bij te staan. Artikel 4 Het personeel, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028607&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=3&z=2022-04-01&g=2022-04-01), wordt, de ambtenaren van de burgerlijke stand gehoord, door het bestuurscollege benoemd en ontslagen. Het ontvangt van de ambtenaar van de burgerlijke stand, onder wiens leiding het zijn werkzaamheden verricht, zijn instructie en is aan hem of de ambtenaar die hem vervangt, onmiddellijk ondergeschikt. Artikel 5 De ambtenaar van de burgerlijke stand verricht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, onverwijld de werkzaamheden vereist voor het houden der registers. Afdeling 2. De registers van de burgerlijke stand en de dubbelen van de akten Artikel 6 1. De registers van de burgerlijke stand zijn losbladig."},{"b":"Besluit CAK ondermandaat broninhouding bijdrage voor verdragsgerechtigden Artikel 1 1. Aan de in [artikel 69, zevende lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) bedoelde inhoudingsorganen wordt ondermandaat verleend en voor zover nodig de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat om namens het CAK bij beschikking het bedrag van de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet vast te stellen dat zij op door hen verschuldigd pensioen of rente inhouden. 2. Het inhoudingsorgaan, bedoeld in het eerste lid, voert het mandaat uit met inachtneming van [Hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=3). Artikel 2 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit CAK ondermandaat broninhouding bijdrage voor verdragsgerechtigden Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017."},{"b":"Besluit CAK verder ondermandaat en machtiging overgangsregeling WLZ zorg in het buitenland Artikel 1 Aan Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. wordt ondermandaat en machtiging verleend om namens het CAK alle besluiten te nemen en alle werkzaamheden te verrichten die verband houden met de uitvoering van de overgangsregeling als bedoeld in [artikel 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=3.1.2). Artikel 2 Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. voert het ondermandaat en de machtiging uit overeenkomstig de [artikelen 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=3.1.2), de daarop gebaseerde wettelijke uitvoeringsregelingen en de instructies van het CAK. Artikel 3 Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. informeert CAK desgevraagd, al dan niet periodiek, op de door het CAK aangegeven wijze over de manier waarop Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. invulling geeft aan het verleende ondermandaat en de volmacht als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039048&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit CAK verder ondermandaat en machtiging overgangsregeling WLZ zorg in het buitenland."},{"b":"Besluit capaciteitsraming, provinciale opvangopgave en indicatieve verdeling per gemeente 2026 Capaciteitsraming Het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers waaraan in de volgende twee jaren naar verwachting behoefte zal zijn, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2), bedraagt in totaal 88.000 opvangplaatsen. Provinciale opgave De verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) jo. [artikel 2.1, tweede lid van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.1), bedraagt het aantal opvangplaatsen per provincie zoals opgenomen in tabel 1. | Provincie | Provinciale opgave | Al beschikbaar1 | Nog benodigd | | --- | --- | --- | --- | | Drenthe | 2.460 | 1.659 | 801 | | Flevoland | 2.285 | 4.573 | – | | Fryslân | 3.094 | 2.369 | 725 | | Gelderland | 10.749 | 5.810 | 4.939 | | Groningen | 2.483 | 4.933 | – | | Limburg | 5.120 | 3.347 | 1.773 | | Noord-Brabant | 13.476 | 6.287 | 7.189 | | Noord-Holland | 14.905 | 7.229 | 7.676 | | Overijssel | 5.801 | 1.921 | 3.880 | | Utrecht | 7.542 | 4.556 | 2.986 | | Zeeland | 1.910 | 889 | 1.021 | | Zuid-Holland | 18.175 | 6.743 | 11.432 | 1 Betreft het aantal asielopvangplaatsen die op basis van een afgesloten bestuursovereenkomst op 31 december 2028 beschikbaar zijn. Hierbij zijn verwachte openingen meegenomen als deze in de realisatiefase of planvormingsfase zijn, waarbij voor deze laatste groep een onzekerheidsmarge wordt gehanteerd. De peildatum is 1-2-2026. Bron: COA Indicatieve verdeling per gemeente De indicatieve verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per gemeente, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijk"},{"b":"Besluit catalogus basisregistratie topografie Artikel 1 Het op 18 december 2007 door het bestuur van de Dienst genomen besluit tot vaststelling van de catalogus basisregistratie topografie, bedoeld in [artikel 98a, derde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=98a), treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin van dat besluit wordt kennis gegeven, en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 2 1. De bekendmaking van het besluit, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023689&artikel=1&z=2008-03-28&g=2008-03-28), geschiedt door kennisgeving van dat besluit in de Staatscourant. 2. Met ingang van het tijdstip waarop het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023689&artikel=1&z=2008-03-28&g=2008-03-28) genoemde besluit in werking treedt, wordt de catalogus basisregistratie topografie en het onderhavige besluit bij alle kantoren van het Kadaster ter inzage gelegd gedurende de tijden waarop die kantoren voor het publiek zijn geopend, en kan een elektronische versie van die catalogus worden gedownload van de website van het Kadaster (www.kadaster.nl). Van deze terinzagelegging en mogelijkheid tot downloaden wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit catalogus basisregistratie topografie."},{"b":"Besluit College van Beroep inzake Bijzondere Ziektekosten BES Artikel 1 1. Benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van het College van Beroep inzake Bijzondere Ziektekosten geschiedt voor de tijd van zes jaren. De leden en plaatsvervangende leden zijn bij hun aftreden terstond herbenoembaar. 2. Op hun verzoek wordt hen vóór het verstrijken van het in het vorig lid genoemd tijdvak door de tot benoeming bevoegde instantie ontslag verleend. 3. Bij met redenen omkleed besluit van de tot benoeming bevoegde instantie kunnen zij voorts worden ontslagen: - a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld; - b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld; - c. wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij herhaaldelijk gebleken achteloosheid in de uitoefening hunner functie. 4. In geval van tussentijds ontslag of overlijden van een lid of plaatsvervangend lid wordt een nieuw lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid benoemd voor het overblijvende deel der ambtsperiode. Artikel 2 Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de leden en plaatsvervangende leden in handen van de Minister de eed of belofte af dat zij de verplichtingen, aan hun ambt verbonden, naar behoren en getrouw zullen vervullen. Artikel 3 1. Het is de leden en de plaatsvervangende leden vergund reis- en verblijfkosten te declareren wanneer werkzaamheden van het College op een ander eiland dan waarop zij woonachtig zijn dienen plaats te vinden, een en ander conform het bepaalde in de Beschikking van de 20ste juni 1933, no. 700, houdende vaststelling van een regeling der vergoeding voor reis- en teerkosten, gelijk mede voor verhuiskosten binnen de Nederlandse Antillen (P.B. 1958, no. 153). 2. Het Besluit Verzekering Vliegrisico’s 1952 (P.B. 1952, no. 10) is op de leden en plaatsvervangende leden van het College van overeenkomstige toepassing"},{"b":"Besluit controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL) Artikel 1 Als controleprotocol authentieke gegevens, bedoeld in [artikel 7u, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7u), wordt, voor zover betreffend het topografisch bestand TOP10NL, bedoeld in [artikel 1a, tweede lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=1a), vastgesteld het Controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL), dat als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030975) bij dit besluit gaat. Artikel 2 *Wijzigt het Besluit Controleprotocol authentieke gegevens.* Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL)."},{"b":"Besluit correctie 30%-regeling *Dit besluit bevat regels voor toepassing van de 30%-regeling in de aangifte loonheffingen over verstreken loontijdvakken.* *Met ingang van 1 januari 2024 is in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een regeling opgenomen voor de herziening of intrekking van een beschikking 30%-regeling. Ik acht het mede daarom van belang om meer duidelijkheid te scheppen voor de praktijk hoe de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten volgens de 30%-regeling moet worden verwerkt in de aangifte loonheffingen als de beschikking 30%-regeling één of meer loontijdvakken bevat die reeds zijn verstreken.* 1. Inleiding Om gebruik te kunnen maken van de 30%-regeling moeten de inhoudingsplichtige en de werknemer gezamenlijk de inspecteur verzoeken om een beschikking 30%-regeling (hierna: beschikking). De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een toekennende beschikking bevat onder andere de looptijd van de 30%-regeling en de gegevens van de werknemer en van de inhoudingsplichtige. Het komt voor dat de beschikking wordt afgegeven voor een periode die al (deels) is verstreken. Bijvoorbeeld in de situatie dat een beschikking met terugwerkende kracht tot en met de datum van aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer wordt afgegeven1Zie artikel 10ei, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.. Hiernaast is per 1 januari 2024 in het [Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489)2Zie artikel 10ei, derde tot en met vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. een regeling opgenomen voor de herziening of intrekking van een beschikking. Hierdoor komt het voor dat een beschikking wordt herzien of ingetrokken waarbij een periode in het verleden wordt geraakt. In de praktijk is niet altijd duidelijk of en hoe de 30%-regeling kan worden toegepast over loontijdvakken waarvan de aangiftetermijn is verstreken. Een aangifte loonheffingen kan"},{"b":"Besluit correctieverplichting *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 8 maart 2010, nr. DGB2010/565M (* *Stcrt. 2010, nr. 3990* *). Het besluit bevat een goedkeuring voor de loonheffingen om in bepaalde gevallen correctieberichten achterwege te laten. De wijzigingen ten opzichte van het besluit van 8 maart 2010 zijn voornamelijk verduidelijkingen. In onderdeel 3 is de ambtshalve vermindering of teruggaaf expliciet genoemd en zijn er enkele voorbeelden toegevoegd. Het voorbeeld dat een correctie, na afweging van de voorwaarden, achterwege kan blijven bij het maximum premieloon is niet langer opgenomen omdat dit in de praktijk voor onduidelijkheid zorgde. Inhoudelijk is geen wijziging beoogd. De toelichting aan het eind van onderdeel 3 is uitgebreid. Het nieuwe onderdeel 3.1 gaat in op de verhouding tot het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, paragraaf 23 Ambtshalve verminderen of teruggeven. Tot slot maak ik in onderdeel 4 gebruik van de gelegenheid om twee besluiten die hun belang hebben verloren in te trekken. De overige wijzigingen zijn van redactionele aard en hebben geen inhoudelijke betekenis.* 1. Inleiding De Belastingdienst heft naast de loonbelasting en premie volksverzekeringen ook de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). De heffing vindt plaats door middel van het voldoen en inhouden en afdragen van loonheffingen waarvoor de werkgever één gecombineerde aangifte indient. Deze aangifte, met onder meer loongegevens van werknemers, is een belangrijke leverancier voor de zogenoemde polisadministratie. De polisadministratie is een bron van gegevens over arbeids- en uitkeringsverhoudingen voor verschillende partijen, zoals de Sociale Verzekeringsbank, het UWV, de Belastingdienst en het CBS. Dit betekent dat de polisadministratie zoveel mogelijk de juiste en actuele gegevens moet bevatten per werknemer per tijdvak. Om dit te bewerkstelligen is het nodig dat de werkgever"},{"b":"Besluit Coördinatiegroepen alternatieve sancties In ieder arrondissement een Coördinatiegroep alternatieve sancties in te stellen. Taken 1. De Coördinatiegroep alternatieve sancties heeft tot taak: - a. het scheppen van voorwaarden voor het goed doen verlopen van de toepassing en uitvoering van alternatieve sancties, in het bijzonder door het inbrengen van de hen ten dienste staande informatie over deze sancties, door bijdragen te leveren aan het oplossen van knelpunten, en door in voorkomende gevallen de Overleg, en adviescommissie alternatieve sancties te adviseren en daaraan te rapporteren. - b. het scheppen van voorwaarden dat de betrokken autoriteiten en instellingen een gezamenlijk beleid voor alternatieve sancties ontwikkelen. - c. het onderzoeken van mogelijkheden voor de toepassing van alternatieve sancties binnen het eigen arrondissement. - d. het versterken van het draagvlak voor alternatieve sancties binnen het arrondissement, onder meer door het bevorderen van een adequate publieksvoorlichting. Samenstelling 2. De Coördinatiegroep alternatieve sancties bestaat uit ten minste: - a. een lid van het openbaar ministerie in het arrondissement; - b. de directeur van de in het arrondissement werkzame stichting, als bedoeld in artikel 4 van de Reclasseringsregeling 1986 (Stb. 1986, 1) of dien plaatsvervanger. - c. de secretaris van de raad voor de kinderbescherming in het arrondissement of diens plaatsvervanger; 3. In ieder arrondissement wordt een door de President van de rechtbank aan te wijzen lid van de zittende magistratuur uitgenodigd om aan de werkzaamheden van de Coördinatiegroep alternatieve sancties deel te nemen; 4. De onder 2 en 3 bedoelde leden kunnen anderen uitnodigen om aan de werkzaamheden deel te nemen. 5. De onder 2, 3 en 4 bedoelde leden wijzen gezamenlijk een voorzitter en een secretaris aan en treffen een regeling voor hun werkwijze. Procedure 6. De Coördinatiegroep alternatieve sancties komt in de plaats van de bestaande stuurgroep altern"},{"b":"Besluit curateleregister BES Artikel 1 In het ingevolge [artikel 391 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=391) ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, berustende openbaar register wordt aantekening gehouden van de volgende rechtsfeiten: - a. alle rechterlijke beslissingen ingevolge de [artikelen 378](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=378), [380, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=380), [383](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=383), [385](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=385), [387](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=387) en [389 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=389); - b. alle rechterlijke beslissingen, waarbij een onder a bedoelde beslissing wordt bevestigd, vernietigd of herroepen; - c. alle rechterlijke beslissingen tot afwijzing van een verzoek tot ondercuratelestelling in de gevallen, waarin op grond van [artikel 380 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=380) een provisioneel bewindvoerder was benoemd; - d. de benoeming en het ontslag van een bewindvoerder en opheffing van het bewind overeenkomstig [artikel 386](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=386) juncto [artikel 370 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=370). Artikel 2 Voor zover de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028379&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde feiten de griffier van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet ambtshalve bekend zijn, zullen de griffiers die deze ambtshalve hebben vernomen, hem daarvan onverwijld mededeling doen. Artikel 3 1. Elke kaart van het register bevat slechts de gegeven"},{"b":"Besluit d.d. 7 januari 2019 conform artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 houdende regels voor de documentaire informatievoorziening van De Nederlandsche Bank NV (Beheersregels archief DNB 2019) 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. *Afgesloten archief:* een niet meer actueel archief dat betrekking heeft op een voltooid werkproces, dat in principe onveranderlijk is en waarin zich archiefbescheiden bevinden in afwachting van vernietiging of overbrenging naar een archiefbewaarplaats. Voor digitale archiefbescheiden bevindt het afgesloten archief zich in het record management systeem. - 2. *Archief:* geheel van archiefbescheiden ontvangen of opgemaakt door De Nederlandsche Bank NV (DNB) of een onderdeel daarvan. - 3. *Archiefbeheer:* de feitelijke of uitvoerende werkzaamheden om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen, te bewaren of over te brengen, als ook om archiefbescheiden die daar in aanmerking komen te vernietigen. - 4. *Archiefbescheiden: (papier én digitaal):* - a. bescheiden, ongeacht hun vorm, door DNB ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd om onder haar te berusten; - b. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstig bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op DNB zijn overgegaan; - c. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens wet in plaats zijn gesteld van de onder a., b., of c. bedoelde bescheiden of welke op grond van het bepaalde in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041823&artikel=12&z=2019-01-08&g=2019-01-08) zijn vervaardigd. - 5. *Archiefbewaarplaats:* een bewaarplaats die bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) is aangewezen voor de blijvende bewaring van a"},{"b":"Besluit databank media- en opinieonderzoek Artikel 1. (Databank media- en opinieonderzoek) Bij de Rijksvoorlichtingsdienst/Directie Toepassing Communicatietechniek wordt een databank ten behoeve van media- en opinieonderzoek ingericht. Artikel 2. (Reglement) Doel, verantwoordelijkheid, bevoegdheden en de wijze van gebruik met betrekking tot de databank worden vastgelegd in een reglement. Artikel 3. (Auteurs- en databankrechtelijk voorbehoud) 1. Het recht op de databank, bedoeld in [artikel 10, derde lid, Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=10), wordt overeenkomstig [artikel 15, onder b, Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15) uitdrukkelijk voorbehouden. 2. Het recht bedoeld in [artikel 2 Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0010591) wordt overeenkomstig [artkel 8, tweede lid, Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0010591) uitdrukkelijk voorbehouden. Artikel 4. (Inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin wordt geplaatst."},{"b":"Besluit Deelnemingsvrijstelling *Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de deelnemingsvrijstelling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 9 maart 2020, nr. 2020-0000000002 (* *Stcrt. 2020, 15230* *). Gewijzigd of nieuw toegevoegd zijn de onderdelen 2.1.1.2, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.3.1, 2.1.3.2, 2.1.3.3, 2.1.3.4, 2.1.3.5, 2.1.3.6, 2.2.1.3, 2.6, 2.6.1, 2.6.2, 2.7.1, 2.7.4, 2.11.1.6, 2.16.2, 2.17, 2.17.1, 2.17.2, 2.17.3, 6.1, 6.1.1, 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2, 7.1.2, 8.5.2, 8.6.1, 8.9.1, 8.14 en 8.14.1.1. Daarnaast zijn in het besluit redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Ten slotte is als gevolg van de wijziging van artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en het vervallen van de onderdelen 4.2 (oud) en 11.3 (oud) een aantal onderdelen vernummerd.* 1. Inleiding Dit besluit geeft een nadere invulling aan de artikelen die zien op de deelnemingsvrijstelling. Het besluit volgt de volgorde van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). In [onderdeel 2 tot en met 13](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050226) wordt ingegaan op de [artikelen 13 tot en met 13k van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13). De [onderdelen 14](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050226) en [15](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050226) regelen het intrekken van het voorgaande besluit en de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op de zogenoemde hardheidsclausule van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 18 december 2024, nr. 2024-27232, (Stcrt. 2024, 38580). Naast een redactionele aanpassing in de vorm van een vernummering van een voetnoot is de toepassing van [onderdeel 13.2.1.](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050226) vervallen voor fusies per 1"},{"b":"Besluit Defensie mandaat attachés 2020 Artikel 1. Mandaat 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt mandaat verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de overeenkomstige toepassing van de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen 2020 (ACRU) op ambtenaren van Defensie die zijn uitgezonden naar een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland inclusief het behandelen van een daarmee verband houdend bezwaar of beroep. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde mandaat. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de ter zake: - a. door of namens de Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en - b. door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken gegeven instructies. Artikel 2. Ondertekening en vermelding Het krachtens het in het eerste lid bedoelde mandaat ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: de Minister van Defensie, vertegenwoordigd door [functie] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken [handtekening] [naam functionaris] Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na ondertekening en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 en geldt totdat dit door de Minister van Defensie wordt herroepen."},{"b":"Besluit Defensie volmacht en machtiging lokale werknemers Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de overeenkomstige toepassing van de [Legal Status (Local Employees) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045662) inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van werknemers die voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op arbeidsovereenkomst naar lokale voorwaarden in dienst zijn genomen door Defensie. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en - b. door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken gegeven instructies. Artikel 2. Ondertekening en vermelding Het krachtens volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Defensie, vertegenwoordigd door [functie] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken [handtekening] [naam functionaris] Artikel 3. Inwerkingtreding Deze volmacht en machtiging treedt in werking op de dag na ondertekening en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 en geldt totdat deze wordt herroepen."},{"b":"Besluit departementale herindeling innovatie Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van innovatie, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Infrastructuur en Milieuworden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028853&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028853&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit departementale herindeling integratie en inburgering Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van integratie en inburgering, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032187&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032187&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012."},{"b":"Besluit departementale herindeling inzake jeugd en gezin Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt volledig belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van jeugd en gezin waarmee voor 22 februari 2007 uitsluitend Onze Minister van Justitie was belast en die van 22 februari 2007 tot 14 oktober 2010 behoorden tot het aan Onze Minister voor Jeugd en Gezin opgedragen programma, behoudens de gesloten jeugdzorg voor jongeren buiten het strafrechtelijk kader. Artikel 2 De taken van het ministerie van Veiligheid en Justitie en van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028852&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028852&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit departementale herindeling kinderopvang Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kinderopvang, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028850&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028850&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit departementale herindeling kindregelingen Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het kindgebonden budget, de kinderbijslag en de tegemoetkoming ouders thuiswonende gehandicapte kinderen, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister voor Jeugd en Gezin. Artikel 2 De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028851&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028851&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit departementale herindeling rijksvastgoed Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 2 De taken van het ministerie van Financiën en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032186&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032186&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012."},{"b":"Besluit departementale herindeling vreemdelingenzaken Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de grensbewaking inzake vreemdelingenzaken en de Rijkswet op het Nederlanderschap, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032188&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032188&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012."},{"b":"Besluit digitale vervanging aangiftes inkomensheffing Belastingdienst Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. *selectielijst* de [selectielijst van de Belastingdienst voor het onderdeel Belastingregio’s en de fiscale processen vanaf 2007](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031290) (3 februari 2012, nr. NA 12/8962) vastgesteld namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Financiën gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcrt. 2012, nr. 3159). - b. *handboek* Het handboek digitale vervanging aangiftes inkomensheffing Belastingdienst (2012). Artikel 2 Vanaf het verwerkingsjaar 2012 over te gaan tot digitale vervanging van de ontvangen papieren aangiftes inkomensheffing. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het feit dat de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed niet aanwezig wordt geacht aangezien op grond van de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031290) sprake is van vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. Artikel 3 De vervanging vindt plaats door middel van een digitale kopie. De originele papieren archiefbescheiden zullen aansluitend worden vernietigd. De digitaal opgeslagen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijn in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard en na het verstrijken van de vernietigingstermijn worden vernietigd op grond van handeling nummer 14 uit de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031290). Artikel 4 De wijze waarop de vervanging geschiedt is vastgelegd in het handboek."},{"b":"Besluit digitale vervanging archief Artikel 1 1. De digitale vervanging heeft betrekking op de documenten van de organisatieonderdelen die vallen onder het verzorgingsgebied van de minister van Financiën voor zover gevestigd aan het Korte Voorhout 7 te Den Haag, die werken met het documentmanagement systeem Digidoc en die: - a. deel uitmaken van de werkprocessen van de bewindspersonen van het ministerie en die, op grond van de geldende selectielijsten voor de daaronder ressorterende organisatieonderdelen, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen, en - b. worden ontvangen en opgemaakt in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. 2. De vervanging heeft tevens betrekking op alle archiefbescheiden die worden opgenomen in het documentmanagement systeem Digidoc en zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, alsmede op alle documenten die op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgenomen in het documentmanagement systeem Digidoc en nog niet zijn afgedaan. 3. De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 2 1. De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden en documentatie die na vervanging worden opgenomen in het documentmanagement systeem Digidoc, waarbij - a. aan de bepalingen zoals die zijn opgenomen in [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) wordt voldaan; - b. een *Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Financiën* is opgesteld en goedgekeurd door de Chief Information Officer (CIO) van het bestuursdepartement van het ministerie van Financiën. 2. De digital"},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden EZ 2025 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051371) Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. [DBV/1110417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852), tot digitale vervanging van archiefbescheiden; - b. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, [nr. 2013 DB/13133673](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034836) tot digitale vervanging van archiefbescheiden, en - c. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 28 januari 2015, [nr. DB/14188330](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036211) tot digitale vervanging van archiefbescheiden. Artikel 6 Dit be"},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Kadaster (veldwerken, hulpkaarten en Lijsten 78a) Artikel 1 Het bestuur gaat over tot digitale vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen, - a. die: - 1°. zijn opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan, of - 2°. zullen worden opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029735&bijlage=1&z=2011-03-24&g=2011-03-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029735&bijlage=2&z=2011-03-24&g=2011-03-24) behorende bij dit besluit; - c. overeenkomstig de eisen, opgenomen in de [bijlage van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/BWBR0023395), en - d. met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Kadaster (veldwerken, hulpkaarten en Lijsten 78a)."},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KGG 2025 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051372) Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. [DBV/1110417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852), tot digitale vervanging van archiefbescheiden; - b. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, nr. [2013 DB/13133673](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034836) tot digitale vervanging van archiefbescheiden, en - c. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 28 januari 2015, nr. [DB/14188330](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036211) tot digitale vervanging van archiefbescheiden. Artikel 6 Dit b"},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KVK 2021 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de KVK. Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in de [Generieke kaders vervanging papieren documenten en het daarop gebaseerde handleiding](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045087). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KVK 2021. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 januari 2020. De [generieke kaders vervanging papieren documenten en de handleiding](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045087) liggen ter inzage bij KVK, afdeling FHI."},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden LVVN 2025 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051373) Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051373) Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het [Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. DBV/1110417, tot digitale vervanging van archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852); - b. het [Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, nr. 2013 DB/13133673 tot digitale vervanging van archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034836), en - c. het [Besluit van de Minister van Economische Zaken van 28 januari 2015, nr. DB/14188330 tot digitale vervanging van archiefbescheiden](https://wetten.overhei"},{"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatie Stichting 2019 Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de vanaf 1-1-2020 ontvangen of intern vervaardigde analoge archiefbescheiden, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde [Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatiestichting 2019](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042788) Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in 2019. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatiestichting 2019"},{"b":"Besluit digitale vervanging medische documenten Defensie Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Documenten:* archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - b. *selectielijst:* [Generieke Selectielijst voor archiefbescheiden van het Ministerie van Defensie vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034869), Vastgesteld 7 maart 2014, Stcrt. 2014, 5937; - c. *instructie:* Instructie Informatiebeheer Defensie 2015, vastgesteld 12 oktober 2015, DMO/202000963;1In de loop van 2021 wordt deze instructie vervangen door de Aanwijzing DGB Informatiebeheer Defensie - d. *handboek:* Handboek digitale vervanging medische documenten Ministerie van Defensie; Artikel 2. Vervanging De medische documenten van het Ministerie van Defensie worden vervangen met inachtneming van de instructie en het handboek. Artikel 3. Reikwijdte De vervanging wordt uitgevoerd conform het handboek voor alle papieren medische documenten die zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en die moeten worden opgenomen in het medisch dossier. Dit besluit heeft terugwerkende kracht voor documenten die in het kader van het vervangingsproces door het Ministerie van Defensie zijn gescand. Artikel 4. Waarborgen cultureel erfgoed, recht- en bewijszoekende burger, historisch onderzoek Bij de vervanging worden de waarborgen, neergelegd in de selectielijst, de instructie en het handboek in acht genomen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 6. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitale vervanging medische documenten Defensie."},{"b":"Besluit digitale vervanging papieren archiefbescheiden Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 De digitale vervanging heeft betrekking op alle archiefbescheiden van het ministerie die: - a. deel uitmaken van de werkprocessen van de bewindspersonen van het ministerie en die, op grond van de geldende selectielijsten voor de daaronder ressorterende organisatieonderdelen, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen; - b. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 2 1. De digitale vervanging heeft betrekking op archiefbescheiden die na vervanging worden opgenomen in een document-management-systeem, waarbij; - a. aan de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de [Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395) (stcrt 2008, 21) wordt voldaan; - b. een handboek digitale vervanging is opgesteld dat ter goedkeuring is voorgelegd aan de Chief Information Officer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 1. De vervangen archiefbescheiden zullen na een periode van 180 dagen daadwerkelijk worden vernietigd; 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de in de bijlage van de Beheerregeling documentaire informatievoorziening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2014 beschreven categorieën van archiefbescheiden die na vervanging niet zullen worden vernietigd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van afgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende het afgeven en intrekken van aanwijzingen van keurend medisch specialisten (beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten) ARTIKEL I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: *Beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten* *Versie 1.1* Hoofdstuk 1. Toelichting op de beleidsregel In deze beleidsregel staan de eisen die worden gesteld aan medisch specialisten om aangewezen te kunnen worden als voor het CBR keurend medisch specialist in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. Bij het opstellen van de vereisten zijn de volgende informatiebronnen als uitgangspunten genomen: - • Richtlijn Werkgroep Medisch specialistische Rapportages (WMSR), 2008 - • Kwaliteitskader KNMG, 2013 - • [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622); [Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074) en [Regeling eisen geschiktheid 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011362) - • [Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251), [WGBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007021) en [Tuchtrechtbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008688) In deze beleidsregel wordt ingegaan op de positie van de Divisie Rijgeschiktheid, de aanmeldingsprocedure voor de aanwijzing als keurend medisch specialist, de vereisten, de geldigheidsduur, de wijze waarop kwaliteit van de keuringen bewaakt wordt en hoe beroep en bezwaar geregeld zijn. Wijzigingen in deze beleidsregel worden door de Divisie Rijgeschiktheid (periodiek) vastgesteld en actief gecommuniceerd. De keurende medisch specialisten dienen voortdurend te handelen volgens de laatst geldende beleidsregel. Hoofdstuk 2. Positie en werkzaamheden van de Divisie Rijgeschiktheid Het CBR heeft de bevoegdheid om in bepaalde gevallen voor de beoordeling van de rijgeschiktheid van een (aspirant) rijbewijsbezitter een rapport van een medisch specialist te eisen ([Wegenverkeerswet 19"},{"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende het afgeven en intrekken van aanwijzingen van keurend medisch specialisten (CBR beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten) Artikel I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: *CBR Beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten* 1. Kader van deze beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten Deze beleidsregel legt vast aan welke eisen de medisch specialisten moeten voldoen om aangewezen te worden als onafhankelijk keurend specialist voor de keuringen in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. De beleidsregel bevat regels over de aanmeldingsprocedure voor de aanwijzing als keurend medisch specialist, de toepasselijke vereisten, de geldigheidsduur, de wijze waarop kwaliteit van de keuringen bewaakt wordt en hoe bezwaar en beroep geregeld zijn. De medisch adviseur van het CBR heeft de bevoegdheid om in bepaalde gevallen voor de beoordeling van de rijgeschiktheid van een (aankomende) rijbewijsbezitter een rapport van een medisch specialist te verlangen ([Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622), [Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074)). Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de wijze waarop het CBR zijn bevoegdheden uitoefent tot uitvoering van: - • een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in [artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131) (hierna: de Mededelingenprocedure); - • een keuring door een of meer door het CBR aangewezen artsen (in aanvulling op de vragenlijst(en) of het keuringsverslag) als bedoeld in [artikel 101, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=101) (hierna: de Gezondheidsverklaringsprocedure). Waar in de beleidsregel melding wordt gemaakt van de medisch specialist, wordt hiermee de onafhankelijk keurend medisch spe"},{"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende rijbewijskeuringen door keurend artsen Artikel I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: *CBR Beleidsregel rijbewijskeuringen door keurend artsen* 1. Reikwijdte beleidsregel rijbewijskeuringen door keurend artsen In deze beleidsregel is vastgelegd welke eisen worden gesteld aan keurend artsen en de door hen ingevulde vragenlijst, vragenlijsten en of keuringsverslagen in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. Alle verslaglegging in het kader van deze procedure door een keurend arts valt onder de reikwijdte van de beleidsregel, ongeacht of de keurend arts geregistreerd staat bij het CBR. De beleidsregel bevat regels over o.a. de aanmeldingsprocedure als keurend arts, de toepasselijke vereisten en de wijze waarop kwaliteit van de verslaglegging bewaakt wordt. Voor de aanvraag van een verklaring van geschiktheid vraagt het CBR in bepaalde gevallen één of meer vragenlijsten en/of een keuringsverslag, in te laten vullen door een keurend arts (conform [artikel 100 Reglement Rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=100)). Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de wijze waarop het CBR zijn bevoegdheden/verantwoordelijkheden uitoefent binnen het proces dat nodig is voor een beoordeling van de rijgeschiktheid. Voor het opstellen van deze beleidsregel zijn de volgende informatiebronnen als uitgangspunten meegenomen: - – [Beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037647) versie december 2018 - – Wetgeving - ○ [Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622), 01-01-2023 - ○ [Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074), 01-01-2023 - ○ [Regeling Eisen Geschiktheid 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011362), 01-07-2021 - ○ [Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) 01-04-2022, - ○ [WGBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"b":"Besluit draadomroep en kabelinrichtingen BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. *toezicht houdende ambtenaar:* de ambtenaar, bedoeld in [artikel 31a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31a); - c. *kabelinrichting:* een inrichting bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken niet zijnde draadomroepinrichtingen; - d. *aanvullende machtiging:* een machtiging als bedoeld in [artikel 18b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18b); - e. *ontheffing:* een ontheffing als bedoeld in [artikel 19, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=19); - f. *bewijs van goedkeuring:* een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028504&paragraaf=8&artikel=21&z=2022-05-13&g=2022-05-13). Artikel 1a Dit besluit berust op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=13), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18), [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18a), [18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18b), [18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18c), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=19), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=23), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31), en [33 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=33). § 2. Aanvraag 1. Indiening van een aanvraag Artikel 2 Een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing voor een draadomroepinrichting of kabelinrichting dient te geschieden op een door Onze Minister te bepalen wijze."},{"b":"Besluit draaginsigne ‘Nobelprijs VN-militairen’ Artikel 1 Ingesteld wordt het ’Draaginsigne Nobelprijs VN-militairen’. Artikel 2 1. Het draaginsigne is cirkelvormig, heeft een diameter van 25 millimeter en is vervaardigd van mat bronskleurig metaal. 2. Op de voorzijde is in relief aangebracht de beeltenis van de United Nations Service Medal met de letters VN en daarbinnen de beeltenis van Alfred Nobel met links de tekst ‘ALFR. NOBEL en rechts de tekst NAT. MDCCCXXXIII OB. MDCCCXCVI, overeenkomstig de afbeelding op de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036349), behorend bij dit artikel. 3. Het draaginsigne kan worden gedragen op het militaire uniform overeenkomstig het desbetreffende uniformvoorschrift of op de burgerkleding op de linker revers of dienovereenkomstige plaats. Artikel 3 Het draaginsigne wordt toegekend aan degene die: - a. tussen 1956 en 1988 gedurende tenminste 30 dagen aaneengesloten door het Nederlandse Ministerie van Defensie als militair in het buitenland is ingezet ten behoeve van vredesafdwingende of vredeshandhavende taken van de Verenigde Naties; en - b. daarbij in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag heeft betoond. Artikel 4 Bij de uitreiking van het draaginsigne ontvangt de gedecoreerde tevens een oorkonde. Artikel 5 1. Het verzoek om toekenning van het draaginsigne dient schriftelijk te worden ingediend door betrokkene of, indien deze overleden is, door diens nabestaande. 2. De toekenning van het draaginsigne geschiedt namens de Minister van Defensie door de Commandant der Strijdkrachten. Artikel 6 Het draaginsigne wordt eenmalig toegekend. Artikel 7 Het draaginsigne kan postuum worden toegekend. Artikel 8 1. De Minister van Defensie kan de toekenning intrekken op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de toekenning niet zou hebben plaatsgehad. 2. Na intrekking als bedoeld in het eerste lid is betrokkene niet langer gerec"},{"b":"Besluit Earningsstrippingmaatregel 2025 *Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de earningsstrippingmaatregel die is opgenomen in afdeling 2.9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.* 1. Inleiding Sinds 1 januari 2019 bevat [afdeling 2.9a van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.9a) een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel vloeit voort uit de [Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756) en is gericht op het voorkomen van winstverschuiving en grondslaguitholling door middel van rentebetalingen. Daarnaast wordt een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd.1Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 17. De earningsstrippingmaatregel brengt mee dat het saldo van de rentelasten en de rentebaten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst, niet aftrekbaar is voor zover dat saldo meer bedraagt dan 24,5% van de gecorrigeerde winst, of € 1 miljoen indien dit meer is dan 24,5% van de gecorrigeerde winst. Het percentage van 24,5% is van toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Voor de boekjaren 2019 tot en met 2021 bedroeg het percentage 30%. Voor de boekjaren 2022 tot en met 2024 bedroeg het percentage 20%. Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor het waarborgen van de eenheid van beleid en uitvoering bij de toepassing van [artikel 15b Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b). Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering. Dit besluit i"},{"b":"Besluit elektronische handtekeningen, certificaten en certificatiedienstverleners BES § 1. Elektronische handtekening Artikel 1 Aan een elektronische handtekening worden de volgende eisen gesteld: - a. zij is uniek en met uitsluiting van anderen verbonden aan de persoon die zich ervan bedient; - b. zij kan te allen tijde worden geverifieerd; - c. zeggenschap erover berust met uitsluiting van anderen bij de persoon die zich ervan bedient; - d. zij is zodanig aan elektronische gegevens gekoppeld dat indien deze gegevens worden gewijzigd, de elektronische handtekening ongeldig wordt. Artikel 2 1. Voor het aanmaken van elektronische handtekeningen worden de volgende veilige middelen geëist: - a. Gewaarborgd is ten minste dat via passende technieken en procedures: - 1° de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen in de praktijk slechts één keer kunnen voorkomen en de vertrouwelijkheid daarvan redelijkerwijs gegarandeerd is; - 2° de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen, met redelijke zekerheid, niet kunnen worden afgeleid en dat de handtekening beschermd is tegen vervalsing met de thans beschikbare technieken; - 3° de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen gebruik door anderen. - b. De te ondertekenen gegevens mogen niet worden gewijzigd en niet mag worden belet dat deze gegevens vóór de ondertekening aan de ondertekenaar worden voorgelegd. 2. Voordat tot de aanmaak van een elektronische handtekening wordt overgegaan, wordt de ondertekenaar adequaat voorgelicht over de risico’s die aan de gekozen techniek zijn verbonden, zulks mede in vergelijking tot andere technieken. Artikel 3 Tijdens het proces voor het verifiëren van elektronische handtekeningen worden met het oog op de veiligheid met redelijke zekerheid gewaarborgd dat: - a. de voor het verifiëren van een handtekening gebruikte gegevens overeenstemmen met de gegevens die de verifieerde te zien krijgt; - b. de handt"},{"b":"Besluit erkenning geschillencommissie Schadeherstelbedrijven Artikel 1 De Geschillencommissie Schadeherstelbedrijven, die in stand wordt gehouden door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, wordt erkend als geschillencommissie zoals bedoeld in de [Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448); Artikel 2 De Geschillencommissie Schadeherstelbedrijven dient wijzigingen in de gegevens als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=5), zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister van Veiligheid en Justitie door te geven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit etikettering van levensmiddelen BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *etikettering:* de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat respectievelijk die bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft; - b. *instellingen:* voedselbedrijven, zoals restaurants, snacks, ziekenhuizen, kantines en andere soortgelijke instellingen; - c. *verpakking:* het verpakkingsmateriaal waarin een waar wordt verpakt alvorens die waar ten verkoop wordt aangeboden, waarbij dat verpakkingsmateriaal de waar geheel of ten dele bedekt of kan bedekken, maar zodanig dat de inhoud niet kan worden veranderd zonder dat het verpakkingsmateriaal wordt geopend of aangetast; - d. *voorverpakte eet- of drinkwaar:* de verkoopeenheid die bestemd is als zodanig aan de eindverbruiker of aan een instelling te worden afgeleverd en bestaat uit een eet- of drinkwaar en haar verpakking; - e. *verpakte eet- of drinkwaar:* de verkoopeenheid die niet bestemd is als zodanig aan de eindverbruiker of aan instellingen te worden afgeleverd en bestaat uit een eet- of drinkwaar en haar verpakking; - f. *ingrediënt:* iedere grondstof die bij de bereiding van een eet- of drinkwaar is gebruikt en die als zodanig of als omzettingsprodukt in de waar aanwezig is; - g. *technologische hulpmiddelen:* stoffen die op zichzelf niet als ingrediënt worden geconsumeerd, die bij de verwerking van grondstoffen, eet- en drinkwaren of ingrediënten bewust worden gebruikt om tijdens de bewerking of verwerking aan een bepaald technisch doel te beantwoorden en die kunnen leiden tot de onbedoelde maar technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van deze stoffen of derivaten ervan in het eindprodukt, mits deze residuen geen gevaar voor de gezondheid opleveren en geen tech"},{"b":"Besluit extra beslaglegging dienstplichtigen BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *oefenen:* het nabootsen van operationele taken, die door de regionaal bevelhebber als zodanig zijn aangemerkt, waarbij theoretisch onderwezen bekwaamheden in praktijk worden gebracht teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van die taken te vergroten; - b. *(wacht)diensten:* activiteiten die niet behoeven voort te vloeien uit de door de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige vervulde functie doch die zijn vereist voor het functioneren van de militaire organisatie; - c. *werkzaamheden:* activiteiten die voortvloeien uit de door de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige vervulde functie, alsmede andere opgedragen activiteiten die om redenen van dienst dan wel in het algemeen belang noodzakelijk zijn; - d. *continu- of ploegen diensten:* werkzaamheden die door meerdere groepen van militairen regelmatig of vrij regelmatig op ongebruikelijke uren worden verricht, waarbij de roosterperiode de cyclus beslaat waarin alle voorkomende werktijden en roostervrije perioden eenmaal zijn doorlopen; - e. *maximale arbeidsduur:* de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige met inachtneming van [artikel 66, eerste lid, van de Dienstplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028468&artikel=66) werkzaamheden of diensten moet verrichten; - f. *meetperiode:* de periode waarvoor het rooster geldt, doch in beginsel één kalendermaand; - g. *rooster:* een voor een periode van tenminste één week opgesteld en van tevoren bekendgemaakt schema van aanvang en einde der dagelijkse werk- en rusttijden eventueel afzonderlijk vastgesteld voor werkzaamheden en voor diensten; - h. *feest- of gedenkdag:* Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, 5 mei, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag, de beide Kerstda"},{"b":"Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. *directeur van het Kabinet:* directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao of directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten; - c. *Kabinet:* Kabinet van de Gouverneur van Aruba, Kabinet van de Gouverneur van Curaçao of Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten; - d. *secretaris-generaal:* secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - e. *directeur FEZ:* directeur van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - f. *directeur PRIO:* directeur van de directie Personeel, Regie, ICT en Organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. De directeur van het Kabinet zendt de minister jaarlijks vóór 1 januari van een begrotingsjaar een bestedingsplan ten behoeve van de aan de taakvervulling van het Kabinet verbonden uitgaven voor het volgende begrotingsjaar. 2. Voorts zendt de directeur van het Kabinet jaarlijks aan de directeur FEZ: - a. vóór 15 februari een verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Kabinet over de periode van januari tot en met december van het voorgaande jaar; - b. vóór 15 augustus een tussentijdse verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Kabinet over de periode van januari tot en met juni. Artikel 3 1. In aanvulling op [artikel 12, tweede lid, van het Besluit Taak FEZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005333&artikel=12), beschikt de directeur van het Kabinet over het budget met betrekking tot het Kabinet, zoals vastgesteld in de begroting voor de Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten (IIB). 2. De directeur van het Kabinet is, met inachtneming van de [Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl"},{"b":"Besluit Fiscaal Bestuursrecht *Dit besluit actualiseert en vervangt het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) van 15 oktober 2021, nr. 2021-9584 (* *Stcrt. 2021, 44622* *), zoals gewijzigd bij besluit van 18 januari 2023, nr. 2023-26730 (* *Stcrt. 2023, 1519* *). Naar aanleiding van de ontvlechting van de Belastingdienst, Toeslagen en Douane als zelfstandige directoraten-generaal, is verduidelijkt hoe dit besluit uitwerkt voor de Douane. Dit heeft geleid tot diverse technische aanpassingen. Voorts is paragraaf 20 (bewaarplicht) herzien en paragraaf 23, lid 17, vervallen. Afgezien van enkele redactionele aanpassingen is het besluit voor het overige niet gewijzigd.* § 1. Inleiding Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is een verzamelbesluit met beleidsregels op het terrein van het fiscale bestuursrecht. Het besluit heeft vooral betrekking op het formele belastingrecht, maar gaat ook in op enkele civielrechtelijke aspecten. Dit besluit vervangt het [Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 oktober 2021, nr. 2021-9584](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045752) (Stcrt. 2021, 44622), zoals gewijzigd bij besluit van 18 januari 2023, nr. 2023-26730 (Stcrt. 2023, 1519). Op 11 januari 2020 besloot de Minister van Financiën om Toeslagen en Douane een zelfstandige positie te geven als directoraat-generaal, naast het directoraat-generaal van de Belastingdienst waar zij tot dan toe onderdeel van uitmaakten. Het besluit is in lijn gebracht met deze ontvlechting. Dit heeft geleid tot technische aanpassingen in de paragrafen: [2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [5](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [11](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [12](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [19](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [20](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [21](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [23](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [24](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045752), [25](https:"},{"b":"Besluit fiscale behandeling functionarissen van internationale organisaties en diplomaten 1. Inleiding Functionarissen van internationale organisaties hebben vanwege internationale overeenkomsten veelal aanspraak op vrijstelling van nationale belastingheffing over hun loon, zoals bedoeld in [artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10)1Voor (gewezen) ambtenaren van de Europese Unie kan dit begrip ook pensioenen en lijfrenten omvatten., van die internationale organisatie. In het [besluit van 23 september 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017233) nr. IFZ2004/764M was daarom beleid opgenomen ten aanzien van deze doelgroep. In dat beleid werd ingegaan op de gevolgen van het vrijgesteld inkomen van internationale organisaties voor de berekening van het progressievoorbehoud, belastingvoordelen en heffingskortingen. Naar aanleiding van recente gerechtelijke uitspraken is dit beleid aangepast voor zover het de heffingskortingen betreft. Er is een expliciet standpunt opgenomen ten aanzien van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten. Ook is het standpunt ten aanzien van de invloed van het vrijgesteld inkomen op de uitgaven voor inkomensvoorzieningen herzien. Ten aanzien van de andere onderdelen zijn de wijzigingen van redactionele aard en is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Dit besluit bevat beleid voor belastingplichtigen met inkomsten waarbij het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, noopt tot een vrijstelling van inkomstenbelasting op basis van [artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39). Hoewel in dit besluit verder gesproken wordt van functionarissen van internationale organisaties is het besluit van toepassing op alle belastingplichtigen die onder de reikwijdte van artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vallen, waaronder bijvoorbeeld ook diplomaten. 2. Achterg"},{"b":"Besluit fiscale behandeling van aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 februari 2002, nr. IFZ2002/40M. Dit besluit bevat beleid over de heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting over voordelen uit aan werknemers toegekende aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties.* 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Per 1 januari 2023 is door de [Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047709) de fiscale behandeling van aandelenoptierechten gewijzigd. De gevolgen van deze wijziging voor grensoverschrijdende situaties worden in dit besluit nader uitgewerkt. 1.2. Wijzigingen Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het [besluit van 11 februari 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013418), nummer IFZ2002/40M. - – In alle onderdelen zijn wijzigingen doorgevoerd in verband met de invoering van de [Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047709). - – [Onderdeel 6](https://wetten.overheid.nl/BWBR0013418) (oud) is vervallen in verband met een uitgebreidere toelichting op de toerekening van aandelenoptierechten aan verrichte of te verrichten werkzaamheden in het OESO-commentaar. Die toelichting komt overeen met de Nederlandse zienswijze en is opgenomen in paragraaf 12 van het OESO-commentaar1OECD (2019), Model Tax Convention on Income and on Capital 2017 (Full Version), OECD Publishing, Paris. op artikel 15 van het OESO Modelverdrag. - – In [onderdeel 9](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050524) is een goedkeuring opgenomen op grond waarvan de heffing van loonbelasting achterwege gelaten kan worden als het genoten voordeel niet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) (hierna: Wet IB 2001) behoort. Met overige redactionele wijzigingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 2."},{"b":"Besluit forfaitair bedrag en verruiming compensatieregeling *De Staatssecretaris van Financiën heeft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het volgende besloten.* *Dit besluit regelt dat de Belastingdienst/Toeslagen op korte termijn een forfaitair bedrag aan compensatie of tegemoetkoming kan uitkeren aan ouders die gedupeerd zijn door problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Daarnaast regelt dit besluit dat de doelgroep van de compensatieregeling wordt verruimd.* 1. Inleiding De Belastingdienst/Toeslagen probeert in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag – belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen – zo snel en zorgvuldig mogelijk alle gedupeerde ouders recht te doen door het vaststellen van compensaties, tegemoetkomingen en herzieningen van de kinderopvangtoeslag (hierna: compensatie en tegemoetkoming). Om ouders sneller recht te kunnen doen heeft het Kabinet een aantal aanvullende maatregelen aangekondigd. Een van die maatregelen betreft het uitkeren van een forfaitair bedrag van € 30.000 aan alle gedupeerde ouders die een verzoek voor herstel hebben ingediend. Daarnaast zal de compensatieregeling worden verbreed, zodat het onderscheid in de berekening van de compensatie en tegemoetkoming tussen de compensatieregeling en de hardheidsregeling verdwijnt. Dit besluit bevat twee goedkeuringen waarmee vooruitlopend op wetgeving alvast uitvoering wordt gegeven aan deze maatregelen. 2. Forfaitair bedrag aan compensatie en tegemoetkoming 2.1. Doelgroep Op grond van de regelingen van de [artikelen 49 (hardheidsregeling)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49), [49b (compensatieregeling)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49b) en [49c (O/GS-tegemoetkomingsregeling) van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49c) (Awir), de herzieningsmogelijkheid in het kader van herstel kinderopvangtoeslag, bedoeld in de [o"},{"b":"Besluit gebruik stormvloedkering Nieuwe Waterweg Artikel 1 De Stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg (hierna te noemen ’de kering’) wordt vanaf de ingebruikname tot 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.20 m. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 1 van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=1). Artikel 2 De kering wordt vanaf 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.00 m. Artikel 3 Na 1 mei 2003 worden de consequenties van het in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008672&artikel=1&z=2009-12-22&g=2009-12-22) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008672&artikel=2&z=2009-12-22&g=2009-12-22) weergegeven sluitregime geëvalueerd, waarbij enerzijds zal worden bezien of en in welke mate de buitendijks gelegen gebieden hinder hebben ondervonden van wateroverlast en anderzijds of en in welke mate de sluiting nadelige gevolgen heeft gehad voor de haven van Rotterdam en de daarmee verwante scheepvaartbelangen. Artikel 4 Indien op 1 mei 2003 de kering nog niet gesloten is geweest zal de evaluatie plaatsvinden na de eerste sluiting. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 6 Dit besluit kan worden aangehaald als ’Besluit gebruik stormvloedkering Nieuwe Waterweg’."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2008 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2008 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 27.300 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 682.500 | | Gemiddelde percentage | 0,58% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,32% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,74% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,30% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,85% | | Rekenpercentage | 0,57% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,68 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2008. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2009 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2009 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 28.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 705.000 | | Gemiddelde percentage | 0,49% | | Maximumpremie grote werkgevers | 1,96% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,47% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,27% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,71% | | Rekenpercentage | 0,47% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,69 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2009. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2010 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2010 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 29.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 730.000 | | Gemiddelde percentage | 0,53% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,12% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,59% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,59% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,36% | | Rekenpercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,47 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2010. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2011 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2011 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | | | | --- | --- | | Gemiddelde premieplichtig loon | 29.900 | | Grens grote/kleine werkgever | 747.500 | | Gemiddelde percentage | 0,55% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,20% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,65% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,56% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,28% | | Rekenpercentage Correctiefactor werkgeversrisico | 0,62% 1,96 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2011. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2012 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2012 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 30.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 755.000 | | Gemiddelde percentage | 0,53% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,12% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,59% | | Minimumpremie grote werkgevers | 0,13% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,48% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,22% | | Rekenpercentage Correctiefactor werkgeversrisico | 0,55% 1,90 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2012. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2018 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 32.800 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 328.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.280.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,77% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,75% | | Maximumpremie werkgevers | 3,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,41% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,42 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,45% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,41% | | Maximumpremie werkgevers | 1,64% | | Minimumpremie werkgevers | 0,10% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,24% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,45 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 2,00 | |"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2021 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 34.600 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 346.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.460.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,78% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,12% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,52% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,12 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,58% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,32% | | Minimumpremie werkgevers | 0,14% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,35% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,24 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,00 1,00 | | Sectorale premies | Bijlage | Voo"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2022 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 35.300 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 882.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.530.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,84% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,36% | | Minimumpremie werkgevers | 0,21% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,56% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,12 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,68% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,72% | | Minimumpremie werkgevers | 0,17% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,39% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,30 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,00 1,00 | | Sectorale premies | Bijlage | Voo"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie WGA 2007 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2007 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 27.000 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 675.000 | | Gemiddelde percentage | 0,70% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,80% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 2,10% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,40% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 1,39% | | Rekenpercentage | 0,75% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,50 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,14 | | 2 jaar bekend | 2,52 | | 3 jaar bekend | 1,67 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie WGA 2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie WGA 2013 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2013 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 30.300 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 757.500 | | Gemiddelde percentage | 0,52% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,08% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,56% | | Minimumpremie grote werkgevers | 0,13% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,47% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,23% | | Rekenpercentage | 0,54% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,78 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie WGA 2013. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013."},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2014 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 30.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 307.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.070.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,51% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,49% | | Maximumpremie werkgevers | 1,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,27% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,44 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,18% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,17% | | Maximumpremie werkgevers | 0,68% | | Minimumpremie werkgevers | 0,04% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,02% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 2,00 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgeve"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2015 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 31.400 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 314.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.140.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,50% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,48% | | Maximumpremie werkgevers | 1,92% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,28% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,36 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,25% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,24% | | Maximumpremie werkgevers | 0,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,06% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,06% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 2,00 | | Correctiefactoren bij onvolledige"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2016 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 31.900 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 319.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.190.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,48% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,47% | | Maximumpremie werkgevers | 1,88% | | Minimumpremie werkgevers | 0,11% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,27% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,34 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,25% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,24% | | Maximumpremie werkgevers | 0,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,06% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,09% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 2,00 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaa"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2017 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 32.200 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 322.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.220.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,76% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,74% | | Maximumpremie werkgevers | 2,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,39% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,47 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,40% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,35% | | Maximumpremie werkgevers | 1,40% | | Minimumpremie werkgevers | 0,08% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,22% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,42 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 2,00 | | 2 jaar bekend |"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2019 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 33.100 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 331.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.310.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,77% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,75% | | Maximumpremie werkgevers | 3,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,41% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,42 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,47% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,43% | | Maximumpremie werkgevers | 1,72% | | Minimumpremie werkgevers | 0,10% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,26% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,39 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2020 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 33.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 337.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.370.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,76% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,04% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,48% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,18 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,52% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,08% | | Minimumpremie werkgevers | 0,13% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,32% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,21 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,00 1,00 | | Sectorale premies | Bijlage | Voor werkgever"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2023 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond[artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 36.200 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 905.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.620.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,87% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,48% | | Minimumpremie werkgevers | 0,21% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,11 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,66% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,64% | | Minimumpremie werkgevers | 0,16% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,42% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,17 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,00 1,00 | | Sectorale premies | Bijlage | Voor werkgevers in"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2024 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 37.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 942.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.770.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,77% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,08% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,98 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,45% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 1,80% | | Minimumpremie werkgevers | 0,11% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,26% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,30 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 2,00 | | 2 jaar bekend | 1,00 | | 3 jaar bekend | 1,00 | | 4 jaar bekend | 1,00 | |"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2025 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 39.600 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 990.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.960.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,83% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,32% | | Minimumpremie werkgevers | 0,20% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,62% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,01 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,50% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,27% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,39 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 2,00 | | 2 jaar bekend | 1,00 | | 3 jaar bekend | 1,00 | | 4 jaar bekend | 1,00 | |"},{"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2026 Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 43.300 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 1.082.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 4.330.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,96% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,84% | | Minimumpremie werkgevers | 0,24% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,66% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,09 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,56% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,24% | | Minimumpremie werkgevers | 0,14% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,32% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,31 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 2,00 1,00 1,00 1,00 | | Sectorale premies | Bijlage | Voor"},{"b":"Besluit Gedragscode Slimme meters Dat de Gedragscode, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector, een juiste uitwerking vormt van de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens."},{"b":"Besluit gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv Artikel I - a. *tolk:* de in het Rbtv ingeschreven en beëdigde tolk in de zin van [artikel 1 van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=1) dan wel de op de Uitwijklijst geplaatste tolk; - b. *vertaler:* de in het Rbtv ingeschreven en beëdigd vertaler dan wel de op de Uitwijklijst geplaatste vertaler; - c. *Gedragscode:* geheel van waarden en normen voor tolken en vertalers in hun dagelijkse beroepspraktijk aan de hand van heersende opvattingen die door tolken en vertalers in acht moet worden genomen bij de uitoefening van hun beroep, vastgelegd bij dit besluit in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049280&bijlage=1&z=2024-02-01&g=2024-02-01) voor tolken, respectievelijk in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049280&bijlage=2&z=2024-02-01&g=2024-02-01) voor vertalers; - d. *De Wbtv:* de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - e. *De Uitwijklijst:* de lijst in de zin van [artikel 2, derde lid van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2). Artikel II Het [besluit Gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026509) (Stcrt. 2009, nr. 15358) wordt hierbij ingetrokken. Artikel IV Dit besluit met de daarbij behorende bijlagen wordt aangehaald als Besluit gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv en wordt bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant. Artikel V Dit besluit met de daarbij behorende bijlagen treedt in werking op 1 februari 2024. Artikel VI Evaluatie van de gedragscode vindt plaats binnen 10 jaar na inwerkingtreding van dit besluit."},{"b":"Besluit gegevens georganiseerde reizen BES Artikel 1 In de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie, bedoeld in [artikel 501, eerste lid, van Boek 7 van het het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&artikel=501), vermeldt de reisorganisator de volgende gegevens: - a. zijn naam, adres en telefoonnummer; - b. het bedrag of het percentage van de reissom dat als voorschot moet worden betaald, en de termijn waarbinnen het saldo moet worden voldaan; - c. de relevante algemene informatie over de vereiste reisdocumenten en over de formaliteiten op gezondheidsgebied die voor reis en verblijf noodzakelijk zijn; - d. informatie over de mogelijkheid van een annuleringsverzekering; - e. de termijn waarbinnen de reiziger de reisorganisatie ervan in kennis moet stellen dat de reis niet aan zijn verwachtingen voldoet. Artikel 2 Voor zover van toepassing vermeldt de reisorganisator in de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie tevens: - a. ten aanzien van het vervoer: - 1°. een aanduiding van de te gebruiken vervoermiddelen, de kenmerken en eventueel de categorie daarvan; - 2°. en aanduiding van de plaatsen van vertrek en aankomst en een zo nauwkeurig mogelijke tijdsaanduiding daarvan; - b. ten aanzien van het verblijf: - 1°. een aanduiding van de plaats of plaatsen van verblijf; - 2°. een aanduiding van de accommodatie, de kenmerken en eventueel de categorie daarvan alsmede, voor zover het accommodatie betreft in een Lid-Staat van de Europese Unie die wettelijke voorschriften kent inzake de toeristische indeling van accommodatie, een aanduiding van die indeling; - 3°. de verblijfsperiode; - 4°. een vermelding van het aantal en de soort van de inbegrepen maaltijden; - c. de andere toeristische diensten die een significant deel van de reis uitmaken; - d. dat er een minimaal aantal personen voor de reis vereist is en dat het aantal daarvan in de overeenkomst zal worden opgenomen, evenals de uiterste datum waarop de reiziger"},{"b":"Besluit gegevensverstrekking ongebruikelijke transacties BES Artikel 1 Uit het register van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens of inlichtingen worden versterkt aan van overheidswege aangewezen meldpunten in of buiten het Koninkrijk die een vergelijkbare taak hebben als het Meldpunt en die eveneens de bevoegdheid hebben tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen aan het Meldpunt. Artikel 2 Voor de gegevensuitwisseling met meldpunten binnen het Koninkrijk, wordt tussen de bij de uitwisseling betrokken meldpunten een overeenkomst tot stand gebracht, waarin nadere voorwaarden en bepalingen worden opgenomen met het oog op een behoorlijke gegevensuitwisseling. Artikel 3 De gegevens of inlichtingen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028352&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden niet verstrekt indien naar het oordeel van de beheerder van het register, bedoeld in [artikel 4 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028598&artikel=4), de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, alsmede het rechtmatig gebruik van de verstrekte gegevens, niet is gewaarborgd. Artikel 4 1. De gegevens of inlichtingen worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarden dat: - a. deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt; - b. de verstrekte gegevens of inlichtingen in het ontvangende land niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of bewijs ter zake van een telastelegging wegens het witwassen van geld of een daaraan ten grondslag liggend misdrijf door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt dan wel de persoon, werkzaam voor die instelling; - c. de bescherming ingevolge [artikel 15 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028598&artikel=15) ook in het ontvangende land geboden wordt. 2. De beheerd"},{"b":"Besluit geneeskunde BES Artikel 1 1. Uitoefening van de geneeskunde, waaronder wordt verstaan het verlenen van genees- heel-, verlos- of tandheelkundige raad of bijstand als beroep, is alleen geoorloofd aan degenen die de bevoegdheid daartoe volgens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01) bezitten. 2. Onder het verlenen van raad of bijstand in het vorige lid bedoeld, wordt begrepen het als beroep onderzoeken van een orgaan of een deel van het menselijk lichaam, welk orgaan of welk deel in zijn werking tekort schiet of een ander gebrek vertoont, zomede het als beroep aanraden van een middel om aan een zodanig tekort of gebrek tegemoet te komen. 3. Het toepassen van heilgymnastiek en massage op aanwijzing van en in geregeld overleg met een geneeskundige wordt, voorzover zulks volgens het eerste en het tweede lid van dit artikel wél het geval zou zijn, niet geacht te behoren tot de uitoefening van de geneeskunde, evenmin als het verstrekken van brillen en brilleglazen op voorschrift van een geneeskundige. 4. In dit besluit wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 5. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Tot de uitoefening van de geneeskunde in haar volle omvang zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van arts hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.1.1 van de richtlijn nr. 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0028449) bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbi"},{"b":"Besluit geregeld en ongeregeld luchtvervoer BES Artikel 1 1. Een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste en derde lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=8), wordt ingediend bij de Minister. 2. Een vergunningaanvraag wordt in behandeling genomen wanneer de aanvrager: - a. kan aantonen dat in het vervoer waarop de aanvraag betrekking heeft op redelijke wijze kan worden voorzien; - b. aannemelijk kan maken dat hij één of meer in het Nederlandse nationaliteitsregister ingeschreven luchtvaartuigen te zijner beschikking heeft door eigendom of één of andere vorm van huurovereenkomst, mits hij aantoont dat de operationele verantwoordelijkheid bij hem berust; - c. kan aantonen dat het overwegend deel van het aandelenkapitaal en de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming in Nederlandse handen berusten als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=8); en - d. kan aantonen dat de dienstverlening in het publieke belang is. 3. Van de in behandeling genomen aanvraag wordt een afschrift ter inzage gelegd op een plaats en gedurende tijdstippen die door de Minister worden vastgesteld en die bekend worden gemaakt in de Staatscourant. 4. Belanghebbenden kunnen binnen 30 dagen na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, schriftelijk commentaar indienen bij de Minister. 5. De Minister kan de aanvrager en andere belanghebbenden in de gelegenheid stellen de aanvraag en de daarop betrekking hebbende commentaren mondeling toe te lichten. 6. Indien op de aanvraag positief wordt beslist, wordt de daartoe strekkende beschikking gepubliceerd in de Staatscourant. 7. Indien op de aanvraag afwijzend wordt beslist, wordt zulks bij een met redenen omklede beschikking aan de aanvrager medegedeeld. Artikel 2 De documenten of gegevens, als aangegeven in de bij dit besluit behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.n"},{"b":"Besluit gespen Herinneringsmedaille Vredesoperaties Artikel 1 Als gespen behorende bij de Herinneringsmedaille Internationale Missies worden ingesteld: - a. voor deelname aan de United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea en aan operaties ter directe ondersteuning hiervan, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van en in het luchtruim boven Ethiopië, Eritrea en Djibouti, alsmede op de rede en in de haven van Massawa: UNMEE-DJIBOUTI; - b. voor deelname aan de United Nations Peace-Keeping Force in Cyprus, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van Cyprus: UNFICYP; - c. voor deelname aan de United Nations Truce Supervision Organization, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad in Israël, Libanon, Syrië en Egypte: UNTSO; - d. voor deelname aan de United Nations International Police Task Force, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Bosnië-Herzegowina: UNIPTF; - e. voor deelname aan de United Nations Mission in Bosnia and Herzegovina, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Bosnië-Herzegowina: UNMIBH; - f. voor deelname aan de WEU-operatie Multinational Advisory Police Element, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Albanië: WEU MAPE; - g. voor deelname aan de European Union Monitor Mission, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Balkanstaten, Georgië en de grensgebieden van Zuid-Ossetië en Abchazië: EUMM; - h. voor deelname aan operaties van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Albanië: OVSE ALBANIE; - i. voor deelname aan operaties van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Moldavië: OVSE MOLDAVIE; - j. voor deelname aan de NAVO-operatie Stabilization Force, voor zover deze deel"},{"b":"Besluit gezagsregisters BES Artikel 1 1. In het ingevolge [artikel 244 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=244) bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba berustende openbaar register tekent de griffier rechtsfeiten aan, die betrekking hebben op de gezagsuitoefening over in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geboren minderjarigen. 2. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geboren zijn of wier geboorteplaats onbekend is. Artikel 2 1. In het register wordt aantekening gehouden van: - a. alle rechterlijke beslissingen, waarbij in het over minderjarigen uit te oefenen gezag hetzij blijvend, hetzij tijdelijk wordt voorzien of wijziging gebracht ingevolge de [artikelen 77, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=77), 218, 219, [251](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=251), [253](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253), [253b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253b), [253c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253c), [253d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253d), [253g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253g), [253h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253h), [253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253ha), [253n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253n), [253o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253o), [253q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253q), [253r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253r), [266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=266), [269](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=269), [271](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=271), [274](https://wetten.ov"},{"b":"Besluit gezinsvoogdij-instelling Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 1 In dit landsbesluit wordt verstaan onder: - a. *minister:* Onze Minister voor Jeugd en Gezin; - b. *instelling:* de op één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, wier statuten of reglementen de begeleiding van gezinsvoogden en vrij patroons in het bijzonder ten doel stellen, voor zover het bestuur van zodanige vereniging of stichting schriftelijk een bereidverklaring overeenkomstig [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028522&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van dit besluit heeft afgelegd en deze door de minister is aanvaard. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 358 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=358). Artikel 2 1. In de bereidverklaring bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028522&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) wordt opgenomen dat de instelling zich onderwerpt aan de bepalingen van dit besluit, alsmede aan de bepalingen die ter uitvoering van dit besluit zijn of zullen worden gegeven. De bereidverklaring wordt voor onbepaalde tijd afgelegd en is vrij van zegel. 2. De bereidverklaring wordt, onder overlegging van de statuten of reglementen, en onder opgave van de samenstelling van het bestuur van de instelling, ingediend bij de minister. 3. De bereidverklaring, zomede haar aanvaarding, is schriftelijk opzegbaar met inachtneming van een termijn van zes maanden. Artikel 3 Voor elk openbaar lichaam wordt door de minister bij voorkeur de bereidverklaring van slechts één instelling aanvaard. Artikel 4 1. Aanvaarding van de bereidverklaring geschiedt voor onbepaalde tijd. 2. Indien en zolang de instelling niet aan alle wettelijke vereisten voldoet, kan de aanvaarding niet, dan wel voor een bepaalde tijd geschieden. 3. De beschikking tot aanvaarding vermeldt de naam en de zetel van de instell"},{"b":"Besluit goedkeuring tariefschorsing Alaskakoolvis Artikel 1. Alaska koolvis, bevroren, bestemd voor industriële verwerking Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 (hierna: de Verordening), houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur, voorziet in artikel 28, juncto bijlage VI, in een autonome schorsing van het douanerecht voor Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) (goederencodes 0304.2985.10, 0304 9975 10, vóór 1 januari 2007 goederencodes 0304.2085.10, 0304 9061 10). De schorsing geldt voor bevroren Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma), visfilets en visvlees, in de vorm van industriële blokken, bestemd voor verwerking in de visindustrie. Deze schorsing beoogt blijkens artikel 28 ‘een toereikende voorziening van de Gemeenschapsmarkt met grondstoffen voor de verwerkende industrie te waarborgen’. Het begrip ‘industriële blokken’ is in de Verordening niet nader gedefinieerd. Dat begrip zal dus naar maatschappelijke opvattingen moeten worden uitgelegd. Het bevriezen met behulp van een plaatvriezer in platte kartonnen dozen (in een metalen mal) was op het moment dat de Verordening tot stand kwam de gangbare wijze van invriezen voor de Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma). Bij deze werkwijze is bij de toepassing van de Verordening dan ook steeds aangesloten. Inmiddels is de techniek echter voortgeschreden. Om een snelle verwerking mogelijk te maken wordt Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) tegenwoordig dikwijls niet ingevroren in de vorm van een blok, maar individueel. Een voorbeeld daarvan is de methode die wordt aangeduid als IQF (= Individually Quick Frozen), waarbij filets of stukjes vis met behulp van een bandvriezer heel snel individueel worden bevroren met behulp van vloeibare stikstof. Daarbij wordt de vis veelal geglaceerd (= voorzien van een laagje water), zodat de vis niet uitdroogt en niet te veel aan elkaar vriest. Deze methode heeft als voordeel dat de vis vanui"},{"b":"Besluit goedkeuring tarieven Stichting Groene Erkenningen (ZK-0000137503) Artikel 1 De volgende door Stichting Groene Erkenningen in het voorstel van 31 maart 2026 voorgestelde tarieven per 1 september 2026, zoal opgenomen in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052824) behorende bij dit besluit, worden goedgekeurd: a. kwaliteitsbeoordeling en certificering, activiteiten gericht op beoordelen toetsen, officieel erkennen van opleidingen, lesplannen of kwalificaties; b. examens en toets verwerking, taken die te maken hebben met het organiseren, afnemen, verwerken en registreren van toets-of examenresultaten; c. activiteiten die horen bij de administratieve of financiële afhandeling van (na)scholingsbijeenkomsten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en geldt tot 1 januari 2028. Artikel 3 Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"b":"Besluit goedkeuring tarieven Stichting Groene Erkenningen 2026 Artikel 1 De volgende door Stichting Groene Erkenningen in het voorstel van 30 oktober 2025 voorgestelde tarieven voor het kalenderjaar 2026, zoal opgenomen in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052060) behorende bij dit besluit, worden goedgekeurd: a. kwaliteitsbeoordeling en certificering, activiteiten gericht op beoordelen toetsen, officieel erkennen van opleidingen, lesplannen of kwalificaties; b. examens en toets verwerking, taken die te maken hebben met het organiseren, afnemen, verwerken en registreren van toets- of examenresultaten; c. activiteiten die horen bij de administratieve of financiële afhandeling van (na)scholingsbijeenkomsten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en geldt tot en met 31 december 2026. Indien de Staatscourant waarin de mededeling van dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2025, treedt het besluit ¡n werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de mededeling wordt geplaatst, en werkt het besluit terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"b":"Besluit Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat Tot vaststelling van het [Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/BWBR0039539)."},{"b":"Besluit heffing omzetbelasting bij leasing *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M (* *Stcrt. 2007, 24* *). Met deze actualisering is het besluit in lijn gebracht met het belastbaar feit in de bpm. Daarnaast is onderdeel 4 gewijzigd. Dit onderdeel bevat een goedkeuring waardoor geen btw over het bpm-gedeelte van de leasetermijnen wordt berekend. Per 1 juli 2023 treedt de nieuwe bpm-afschrijvingstabel in werking. Onder voorwaarde d van onderdeel 4 wordt beschreven hoe moet worden omgegaan met de nieuwe bpm-afschrijvingstabel voor lopende leasecontracten voor personenauto’s. De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard. Met deze aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.* Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 16 juli 2024 nr. 2024-192658, (Stcrt. 2024-24201). *De wijziging betreft een uitbreiding van de reikwijdte van het besluit naar bestelauto’s en motorrijwielen, nieuw en gebruikt. Voorts wordt de reikwijdte uitgebreid naar alle gebruikte motorrijtuigen, ook als die als gebruikt motorrijtuig zijn gekocht door de leasemaatschappij.* 1. Inleiding In dit besluit komt de heffing van omzetbelasting bij leasing aan de orde. In [onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048325) zijn richtlijnen gegeven over situaties waarbij leasing is te beschouwen als een levering of als een dienst en de verschuldigdheid van omzetbelasting daarbij. In [onderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048325) wordt ingegaan op de maatstaf van heffing bij de doorberekening van bpm bij de leasing van personenauto’s. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen | Bpm | Belasting van personenauto’s en motorrijwielen | | --- | --- | | btw-richtlijn | Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEG L347/1, d.d. 11 december 2006 | | HvJ EU | Hof van Justitie van de Europese Unie | | Motorrijtuigen | Personenauto’"},{"b":"Besluit heffing omzetbelasting en toepassing KOR bij zonnepanelen *Dit besluit actualiseert het besluit van 16 juni 2023, nr. 2023-6393 (Omzetbelasting. Btw-heffing en toepassing KOR bij zonnepanelen).* *Met ingang van 1 januari 2025 wordt de kleineondernemersregeling gewijzigd. Voor dit besluit zijn enkele wijzigingen relevant. De minimale toepassingstermijn van de KOR wordt afgeschaft. Ook wordt de uitsluitingsperiode verkort tot de afloop van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de toepassing van de KOR is beëindigd. Dit besluit is op de wijzigingen aangepast.* *Daarnaast wordt de registratiedrempel verhoogd van € 1.800 naar € 2.200. Deze registratiedrempel wordt opgenomen in artikel 25b van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 25 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Het besluit Omzetbelasting, registratiedrempel voor kleine ondernemers vervalt daarom.* 1. Inleiding Per 1 januari 2025 wordt de KOR toepasbaar in de gehele Europese Unie. Een Nederlandse ondernemer kan vanaf die datum in andere lidstaten de KOR toepassen binnen de in die lidstaten geldende drempels en voor zover de totale omzet in de Unie onder de grens van € 100.000 blijft. Voor in Nederland gevestigde ondernemers (daarmee ook particuliere zonnepaneelhouders) blijft het zo dat de KOR toepasbaar is bij een jaaromzet in Nederland onder € 20.000. De wettelijke regels voor de het bepalen van de jaaromzet en voor de toepassing van de omzetdrempel in Nederland blijven verder ongewijzigd. Een voor particuliere zonnepaneelhouders relevante wijziging is ten eerste dat geen minimale toepassingsperiode van drie jaar meer geldt voor KOR. De KOR kan op elk moment worden opgezegd, met ingang van het kalenderkwartaal dat minimaal vier werken na wederopzegging ligt. Tweede verandering is dat de uitsluitingsperiode na wederopzegging of drempeloverschrijding wordt verkort tot de afloop van het kalenderjaar dat volgt op het tijdstip waarop de KOR wordt beëindigd. 1.1. Gebruikte begrippen e"},{"b":"Besluit heffing van omzetbelasting ter zake van vouchers, waardebonnen en zegels *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit bevat nieuwe beleidsregels voor vouchers en vervangt en actualiseert eerdere besluiten die zien op artikelen 20 en 21 van het uitvoeringsbesluit, telefoonkaarten en cadeaubonnen.* Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 23 augustus 2019, nr. 2019-17629, (Stcrt. [nummer]). De wijziging betreft [onderdeel 2.4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784). Naast een redactionele aanpassing is verduidelijkt dat het bedrag dat door de fabrikant of centrale instantie is betaald, het bedrag exclusief btw is. 1. Inleiding Dit besluit bevat beleidsregels over vouchers, zegels en waardebonnen. Aanleiding voor dit besluit zijn de nieuwe regels over de vouchers en de wijziging van de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=20) en [21 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=21) die op 1 januari 2019 in werking treden. Het besluit bevat de volgende beleidsmatige aanwijzingen en verduidelijkingen: [§ 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784) heeft betrekking op instrumenten die verstrekt worden met het oog op het stimuleren van de verkoop van goederen en diensten en/of het vergemakkelijken van de betaling ervan. In [§ 2.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784) wordt een onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘voucher’, ‘zegel’ en ‘waardebon’. In [§ 2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784) worden de btw-gevolgen beschreven voor instrumenten die door de consument naar keuze ingewisseld of gebruikt kunnen worden voor geld, goederen/diensten en/of als waardebon. In [§ 2.3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784) is goedgekeurd dat [artikel 20 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=20) van overeenkomstige toepassing is op koopzegels. In [§ 2.4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041784) wordt ingegaan op de btw"},{"b":"Besluit heffingskortingen *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 september 2023, nr.* *2023/17530 (* *Stcrt. 2023, 24923* *). In dit besluit zijn goedkeuringen opgenomen voor de toepassing van de heffingskortingen in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen.* 1. Inleiding 1.1. Opzet besluit Dit besluit bevat goedkeuringen met betrekking tot verschillende heffingskortingen in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. [Onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050562) bevat het beleid dat betrekking heeft op alle elementen van de standaardheffingskorting. [Onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050562) bevat verschillende goedkeuringen met betrekking tot de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tot slot bevat [onderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050562) beleid met betrekking tot de korting voor groene beleggingen. 1.2. Wijzigingen besluit Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het [Besluit van 19 september 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), nr. 2023-17530. - − Onderdeel 3 (oud) is vervallen. De goedkeuring in dit onderdeel is niet meer nodig vanwege de wijziging per 1 januari 2025 van [artikel 8.10, tweede lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.10). Voor het bepalen van de hoogte van de algemene heffingskorting wordt door aan te sluiten bij het verzamelinkomen al rekening gehouden met het te conserveren inkomen. - − Onderdeel 4.5 (oud) is vervallen. De goedkeuring in dit onderdeel is niet langer nodig vanwege de wijziging per 1 januari 2025 van [artikel 8.14a, eerste lid van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.14a). Hiermee is niet langer vereist dat een kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven, maar dat het kind en de belastingplichtige tot hetzelfde huishouden behoren. - − Daarnaast zijn enkele go"},{"b":"Besluit herindeling met betrekking tot vastgoed defensie Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt met ingang van 1 januari 2015 belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de Dienst Vastgoed Defensie, voor zover deze zorg voor 1 januari 2015 was opgedragen aan Onze Minister van Defensie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Defensie en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036180&artikel=1&z=2015-01-24&g=2015-01-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036180&artikel=2&z=2015-01-24&g=2015-01-24) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Defensie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2015, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2015."},{"b":"Besluit Herinneringsembleem militaire steun aan Oekraïense strijdkrachten Artikel 1 Ingesteld wordt het ‘Herinneringsembleem militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten’, hierna aangeduid als het Oekraïne-embleem. Artikel 2 Het Oekraïne-embleem wordt toegekend aan de defensiemedewerker die heeft bijgedragen aan de militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten ter verdediging tegen de Russische inval. Dit geldt voor diegene die: - a. op of na 24 februari 2022 in het kader van de dienstuitoefening, daartoe speciaal aangewezen, minimaal 30 dagen aaneengesloten of 45 dagen cumulatief heeft bijgedragen aan militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten; - b. en bij deelname aan die steun in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en goed gedrag heeft betoond. Artikel 3 Het Oekraïne-embleem is bolrond-vormig en heeft een diameter van 27 mm. In het centrum vertoont het insigne het Nationale symbool van Oekraïne in gele kleur op een blauwe achtergrond uitgevoerd in synthetische emaille. Hieronder de wapenspreuk ‘Auxilium Libertatum’. Het geheel binnen een oranje rand. Artikel 4 Degene die in aanmerking komt voor een Oekraïne-embleem ontvangt naast het insigne tevens een op naam gestelde oorkonde. Artikel 5 Uitreiking van het Oekraïne-embleem geschiedt zo mogelijk voor het front van de eenheid waartoe de defensiemedewerker behoort. Artikel 6 Het Oekraïne-embleem wordt eenmalig toegekend. Het embleem kan ook postuum worden toegekend. Artikel 7 1. De toekenning van het Oekraïne-embleem geschiedt, namens de Minister van Defensie, door de commandant van het operationeel commando ten aanzien van het onder hem ressorterende personeel. 2. In bijzondere gevallen geschiedt de toekenning, namens de Minister van Defensie, door de Commandant der Strijdkrachten. Artikel 8 1. Het verzoek om toekenning van het Oekraïne-embleem geschiedt door de commandant van de defensiemedewerker, of door de defensiemedewerker zelf. 2. Het verzoek wordt gedaan door middel van het formulier d"},{"b":"Besluit herinneringsmedaille vrijwillige politie 1948-1998 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. ’de medaille’: de Herinneringsmedaille vrijwillige politie 1948-1998 zoals omschreven in de bij dit besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&bijlage=1&z=1999-02-28&g=1999-02-28); b. ’oorkonde’: de oorkonde zoals omschreven in bijlage 2 van dit besluit. Artikel 2 De medaille wordt toegekend aan: - a. degene die in 1998 vrijwillig ambtenaar van politie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007321&artikel=1), is of is geweest; - b. degene die betrokken is bij de organisatie van het jubileum van de vrijwillige politie in 1998. Artikel 3 De medaille wordt toegekend en uitgereikt door of namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, danwel: - a. de korpsbeheerder aan de onder hem ressorterende personen als bedoeld in [artikel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=2&z=1999-02-28&g=1999-02-28); - b. het hoofdbestuur van de Landelijke Organisatie van Politie Vrijwilligers aan personen als bedoeld in [artikel 2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=2&z=1999-02-28&g=1999-02-28). Artikel 4 1. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de korpsbeheerder of het hoofdbestuur van de Landelijke Organisatie van Politie Vrijwilligers dient een aanvraag voor de medaille, de op naam gestelde oorkonde alsmede de baton als bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=5&z=1999-02-28&g=1999-02-28), in bij de Kanselarij der Nederlandse Orden. 2. In de aanvraag wordt vermeld naam, geslacht, woonplaats, geboortedatum en geboorteplaats van de persoon aan wie de medaille wordt toegekend. 3. De Kanselarij der Nederlandse Orden verstrekt de uitreikende instantie de medaille, de oorkonde en de baton. 4. De verstrekkin"},{"b":"Besluit houdende 29 juni, nr. 09.001709, overgang van de zorg voor het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf Artikel 1 De zorg voor het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf gaat over van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer naar Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009."},{"b":"Besluit houdende aanwijzing toezichthoudende ambtenaren ex artikel 25 van de Warenwet Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) worden aangewezen de inspectieambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit houdende aanwijzing van Duitse militaire bewakers met geweldbevoegdheid Artikel 1 1. Als militairen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738&artikel=1) worden aangewezen: militairen van de Duitse krijgsmacht. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt slechts voor de bewaking van voor de binationale doeleinden van het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps gebruikte faciliteiten of gebouwen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houdende aanwijzing van Duitse militaire bewakers met geweldbevoegdheid."},{"b":"Besluit houdende aanwijzing van personen belast met toezicht als bedoeld in de Spoorwegwet en de Spoorwegwet 1875 en houdende wijziging van het Besluit aanwijzing toezichthoudende en opsporingsambtenaren divisie Vervoer Inspectie Verkeer en Waterstaat 2002 (Besluit aanwijzing toezichthouders spoorwegen) Artikel 1 1. De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=69), van het bepaalde bij of krachtens [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007). 2. In afwijking van het eerste lid worden: - a. voor [artikel 17 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17), de directeur-generaal Mobiliteit en de onder hem werkzame ambtenaren aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, met uitzondering van het bepaalde krachtens de onderdelen a, b en c, van het eerste lid, van dit artikel voor zover dit het toezicht op de veiligheid van de spoorweginfrastructuur betreft; - b. voor de [artikelen 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=19), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=20), en [21, eerste en tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=21), en [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=40), met betrekking tot [artikel 12, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=12), de directeuren van de bedrijfseenheden Inframanagement en Verkeersleiding en de onder hen werkzame medewerkers van ProRail B.V. belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens die artikelen. Artikel 2 1. De directeur-generaal Mobiliteit en de onder hem werkzame ambtenaren worden aangew"},{"b":"Besluit houdende algemene voorwaarden voor omwisseling van Staatsobligaties in strips en vice versa Artikel 1 Uitsluitend door de Minister van Financiën daarvoor aangewezen obligaties van openbare leningen ten laste van de Staat der Nederlanden kunnen bij De Nederlandsche Bank N.V. worden omgewisseld in strips en vice versa. Artikel 2 Een strip is een gedematerialiseerd schuldbewijs dat recht geeft op een deel van de aflossings- of rentetermijnen van obligatieleningen die op een bepaalde datum betaalbaar worden gesteld. Strips worden uitsluitend in girale vorm verkrijgbaar gesteld in coupures van elk euro 0,01. Artikel 3 Omwisseling van obligaties in strips en vice versa is alleen mogelijk door tussenkomst van een instelling die een strips-rekening aanhoudt bij De Nederlandsche Bank N.V.. Een strips-rekening is een effectenrekening waarop strips kunnen worden bij- of afgeschreven. Alleen instellingen die in belangrijke mate hun bedrijf maken van het beheren en administreren van effecten ten behoeve van derden en/of een intermediaire functie in de effectenhandel vervullen kunnen een strips-rekening aanhouden bij DNB. Artikel 4 In strips om te wisselen obligaties dienen te worden bijgeschreven op de effectenrekening van De Nederlandsche Bank N.V. bij Necigef of bij Euroclear, ten gunste van de effectenrekening van het Agentschap van het Ministerie van Financiën bij De Nederlandsche Bank N.V. Het bij te schrijven bedrag aan obligaties dient per bijschrijving ten minste euro 500.000,- te bedragen. Na bijschrijving van de obligaties worden de ingevolge omwisse ling daarvan te verkrijgen strips door De Nederlandsche Bank N.V. bijgeschreven op de strips-rekening van de betrokken instelling. Er worden geen fysieke effecten verkrijgbaar gesteld. Artikel 5 De Minister van Financiën behoudt zich het recht voor om de mogelijkheid tot omwisseling van obligaties in strips te beëindigen of op te schorten, wanneer het nominale bedrag aan obligaties van een lening dat is omgewisseld"},{"b":"Besluit houdende benoeming en vaststelling vergoeding leden van de Adviescommissie udv-subsidies Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 juli 2015 worden voor een periode van zes maanden tot lid van de Adviescommissie udv-subsidies benoemd: - a. de heer drs. J.P.J. Lokker, te Bodegraven, tevens voorzitter; - b. de heer ir. J.T.G.M. Koolen, te Ell. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie udv-subsidies wordt voor de periode, bedoeld in artikel 1, een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,026. 2. Aan de heer ir. J.T.G.M. Koolen van de Adviescommissie udv-subsidies wordt voor de periode, bedoeld in artikel 1, een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,026. Artikel 3 Met ingang van 1 juli 2016 worden voor een periode van zes maanden tot lid van de Adviescommissie udv-subsidies benoemd: - a. de heer drs. J.P.J. Lokker, te Bodegraven, tevens voorzitter; - b. de heer ir. J.T.G.M. Koolen, te Ell. Artikel 4 Het [Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en een lid van de Adviescommissie udv-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036163) (Stcrt. 2015, 915) wordt ingetrokken."},{"b":"Besluit houdende benoeming en vergoeding nationaal comité dierproeven Artikel 1 Met ingang van 18 december 2014 worden voor een periode van vijf jaar tot lid van het nationaal comité dierproeven benoemd: - a. de heer dr. B.W.M. Koeter, tevens voorzitter; - b. mevrouw drs. H.J. Bout; - c. de heer F.C. Dales; - d. de heer prof. dr. C.F.M. Hendriksen; - e. mevrouw prof. dr. F. Ohl; - f. de heer dr. J.B. Prins; - g. de heer prof. dr. P. R. Roelfsema. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het nationaal comité dierproeven wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,22. 2. Aan de andere leden van het nationaal comité dierproeven wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,11. 3. Een gastdeskundige ontvangt een vergoeding per vergadering van € 256,24."},{"b":"Besluit houdende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Algemene Secretarie van de Nederlands-Indische Regering 1922–1950, nummer archiefinventaris 2.10.14 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 3298 | 2025 | | 3314 | 2022 | | 3741 | 2022 | | 3742 | 2023 | | 3744 | 2023 | | 3745 | 2024 | | 3747 | 2024 | | 3748 | 2024 | | 3749 | 2024 | | 3751 | 2025 | | 3752 | 2025 | | 3753 | 2025 | | 3754 | 2025 | | 3755 | 2025 | | 3755 | 2025 | | 3756 | 2025 | | 3759 | 2025 | | 3760 | 2025 | | 3762 | 2025 | | 3763 | 2025 | | 3764 | 2025 | | 3766 | 2025 | | 3769 | 2024 | | 3770 | 2022 | | 3771 | 2023 | | 3772 | 2023 | | 3776 | 2024 | | 3777 | 2024 | | 3778 | 2024 | | 3779 | 2024 | | 3780 | 2024 | | 3781 | 2025 | | 3782 | 2025 | | 3783 | 2025 | | 3786 | 2025 | | 4697 | 2022 | | 4708 | 2025 | | 4757 | 2022 | | 5762 | 2024 | | 4777 | 2025 | | 4781 | 2025 | | 4782 | 2025 | | 4783 | 2025 | | 4784 | 2025 | | 4785 | 2025 | | 4786 | 2025 | | 4787 | 2025 | | 4788 | 2025 | | 4789 | 2025 | | 4790 | 2025 | | 4791 | 2025 | | 4792 | 2025 | | 4793 | 2025 | | 4794 | 2025 | | 4795 | 2025 | | 4796 | 2025 | | 4797 | 2025 | | 4798 | 2025 | | 4799 | 2025 | | 4800 | 2025 | | 4801 | 2025 | | 4802 | 2025 | | 4803 | 2021 | | 5260 | 2025 | | 5263 | 2025 | | 5264 | 2025 | | 5265 | 2025 | | 5266 | 2022 | | 5267 | 2022 | | 5268 | 2022 | | 5269 | 2023 | | 5270 | 2024 | | 5271 | 2024 | | 5272 | 2024 | | 5273 | 2024 | | 5274 | 2024 | | 5275 | 2024 | | 5276 | 2024 | | 5277 | 2024 | | 5278 | 2024 | | 5279 | 2024 | | 5280 | 2024 | | 5281 | 2024 | | 5282 | 2024 | | 5283 | 2024 | | 5284 | 2024 | | 5285 | 2024 | | 5286 | 2024 | | 5287 | 2022 | | 5288 | 2022 | | 5289 | 2021 | | 5290 | 2021 | | 5291 | 2021 | | 5292 | 2022 | | 5293 | 2021 | | 5294 | 2025 | | 5295 | 2021 | | 5296 | 2023 | | 5297 | 2023 | | 5298 | 202"},{"b":"Besluit houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan ambtenaren van de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Artikel 1 Aan de directeur van Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, alsmede aan de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Dienst Regelingen, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen ter afhandeling van schademeldingen die worden ingediend door afnemers van stroom en/of diens verzekeraars die schade hebben geleden naar aanleiding van de stroomstoring die zich als gevolg van het ongeval met een Apache helikopter op 12 december 2007 heeft voorgedaan. Artikel 2 De functionaris, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023474&artikel=1&z=2008-02-16&g=2008-02-16), maakt geen gebruik van de aan hem verleende bevoegdheden zonder voorafgaande instemming van zijn opdrachtgever (Directeur Juridische Dienstverlenging van het Commando DienstenCentra) indien de schademelding een bedrag van EUR 10.000,– te boven gaat. Dit bedrag kan door opdrachtgever worden aangepast voor zover de feitelijke situatie hiertoe aanleiding geeft. Artikel 3 Een document waarin een besluit of een andere handeling als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023474&artikel=1&z=2008-02-16&g=2008-02-16) is vastgelegd bevat aan het slot de volgende formule: DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE voor deze, … (functie, handtekening en naam van de ondertekenaar) Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 januari 2008. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaat, volmacht en machtigingsbesluit Defensie-LNV."},{"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot buitenlandse handel Artikel 1 Onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van buitenlandse handel, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken en van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032185&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032185&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012."},{"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot de coördinatie van de vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de coördinatie van de vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van het ministerie van Financiën worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028854&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028854&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot veiligheid Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van veiligheid behoudens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Veiligheid en Justitie en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028855&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028855&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot vreemdelingenzaken Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de grensbewaking inzake vreemdelingenzaken en de Rijkswet op het Nederlanderschap, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Justitie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028856&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028856&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister voor Immigratie en Asiel, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit houdende herbenoeming en vergoeding leden Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters Artikel 1 Met ingang van 2 juli 2017 worden voor een periode van twee jaar tot lid van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters benoemd: - a) de heer prof. dr. J.W.C.M. Cobbenhagen, te Maastricht, tevens voorzitter; - b) de heer J.F. Beernink, te Enschede; - c) mevrouw drs. ing. E.W.L. Verhulp, te Amsterdam; - d) de heer drs. C. A. Holland, te Arnhem; - e) de heer H. Siemerink, te Amsterdam; - f) de heer J.P. Wolters, te Groningen. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,059. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,059."},{"b":"Besluit houdende het opheffen van de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van een aantal archieven van het voormalig Ministerie van Overzeese Rijksdelen en rechtsvoorgangers Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van de Ronde Tafel Conferentie Nederland – Suriname – Nederlandse Antillen: Serie H, 1951–1956, nummer archiefinventaris 2.10.16, worden opgeheven. Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van de Ronde Tafel Conferentie Indonesië 1949–1950, nummer archiefinventaris 2.10.38, worden opgeheven. Artikel 3 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Codetelegrammen serie X 1945–1963, nummer archiefinventaris 2.10.36.17, worden opgeheven. Artikel 4 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Mailrapporten 1901–1950, nummer archiefinventaris 2.10.36.02, worden opgeheven. Artikel 5 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Kopietelegrammen Nederlands Nieuw-Guinea 1949–1961, nummer archiefinventaris 2.10.36.25, worden opgeheven. Artikel 6 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Indices kabinet geheim, serie A 1900–1962, nummer archiefinventaris 2.10.36.50, worden opgeheven. Artikel 7 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën: openbaar verbaal 1901–1953, nummer archiefinventaris 2.10.36.04, worden opgeheven met uitzondering van de beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de inventarisnummers 4222 tot en met 4227. Artikel 8 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Toegangen openbaar verbaal serie AG 1900–1962, nummer archiefinventaris 2.10.36.11, worden opgeheven met"},{"b":"Besluit houdende het opheffen van de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Kabinet der Koningin 1898–1945 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in de inventarisnummers 8601 t/m 8603, 8632, 8648 t/m 8650, 8661, 8662, 8668B, 8686, 9025, 9035 t/m 9050 en 9079 t/m 9121 van het archief van het Kabinet der Koningin 1898-1945, nummer archiefinventaris 2.02.14 worden opgeheven."},{"b":"Besluit houdende het stellen van een beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 6939A, 6945A en 7258 van het archief van de ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemeene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP), nummer archiefinventaris 2.03.01 Aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 6939A, 6945A en 7258 van het archief van de ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemeene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP), nummer archiefinventaris 2.03.01, wordt met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten een beperking gesteld tot 1 januari 2045."},{"b":"Besluit houdende intrekking van de regeling verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg (NR/REG-1913) en regeling Informatieverstrekking voorheen gebudgetteerde zorgaanbieders van gespecialiseerde ggz (NR/REG-1826) Artikel 1 De [regeling verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041107) met kenmerk NR/REG-1913 wordt ingetrokken. De [regeling informatieverstrekking voorheen gebudgetteerde zorgaanbieders van gespecialiseerde ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040816) met kenmerk NR/REG-1826 wordt ingetrokken Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047837&artikel=1&z=2023-02-01&g=2023-02-01) genoemde regelingen blijven van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regelingen en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regelingen golden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Met inachtneming van [artikel 5, aanhef en onderdeel f, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=5), zal dit besluit in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"b":"Besluit houdende intrekking van het Mandaatbesluit uitvoering Ziektewet en artikel 62 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie en artikel 120 en 125 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement Defensie en vaststelling van overgangsrecht Artikel I Het [Mandaatbesluit Uitvoering Ziektewet en artikel 62 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie en artikel 120 en 125 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046931), waarmee aan ActivaSZ B.V. mandaat is verleend, wordt voor nieuwe instroom vanaf 1 juli 2026 ingetrokken. Artikel II. Overgangsbepaling Ten aanzien van uitkeringsrechten die voor 1 juli 2026 reeds in behandeling zijn genomen door ActivaSZ B.V., behoudt ActivaSZ B.V. de bevoegdheden, genoemd in [artikel 2 van het Mandaatbesluit Uitvoering Ziektewet en artikel 62 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie en artikel 120 en 125 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046931&artikel=2), tot het moment waarop ten aanzien van deze uitkeringsrechten een definitief besluit is genomen dan wel lopende procedures definitief zijn afgerond. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2026."},{"b":"Besluit houdende inwilliging AVV-verzoek onderzoek brancheorganisatie Sierteeltproducten 23 maart 2022 nr. 22081376 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013:* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *Brancheorganisatie Sierteeltproducten:* erkende brancheorganisatie Sierteeltproducten; - c. *Programma Onderzoek en Innovatie:* Programma Onderzoek en Innovatie Bloembollen 2022 – 2027, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=A&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit besluit; - d. *Registratieregeling:* Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking BO Sierteeltproducten, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=B&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling:* Regeling verplichte financiële bijdragen BO Sierteeltproducten, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=C&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit besluit; - f. *niet bij de brancheorganisatie Sierteeltproducten aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in paragraaf 1, onderdeel d van de Registratieregeling en van paragraaf 1, onderdeel c van de Bijdrageregeling, voor zover dit ondernemers betreft die geen lid zijn van één of meer van de organisaties die verbonden zijn aan de brancheorganisatie Sierteeltproducten. Artikel 2 Het Programma Onderzoek en Innovatie Bloembollen 2022 – 2027 is overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van Verordening 1308/2013 verbindend voor niet bij de brancheorganisatie Sierteeltproducten aangesloten marktdeelnemers met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027. Ar"},{"b":"Besluit houdende inwilliging AVV-verzoek onderzoeks- en innovatieagenda BO Akkerbouw 20 april 2021 nr. 21101093 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013:* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *BO Akkerbouw:* de vereniging Brancheorganisatie Akkerbouw; - c. *Programma Onderzoek en Innovatie:* het gewijzigde Programma Onderzoek en Innovatie 2021-2030, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=A&z=2025-03-06&g=2025-03-06) van dit besluit; - d. *Registratieregeling BO Akkerbouw:* Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking programma Onderzoek en Innovatie Brancheorganisatie Akkerbouw 2021-2030, zoals gewijzigd overeenkomstig [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=B&z=2025-03-06&g=2025-03-06) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling BO Akkerbouw:* Regeling verplichte financiële bijdragen programma Onderzoek en Innovatie Brancheorganisatie Akkerbouw 2021-2030, zoals gewijzigd overeenkomstig [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=C&z=2025-03-06&g=2025-03-06) van dit besluit; - f. *niet bij de BO Akkerbouw aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in paragraaf 1, onderdeel d, van de [Registratieregeling BO Akkerbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=B&z=2025-03-06&g=2025-03-06) en paragraaf 1, onderdeel c, van de [Bijdrageregeling BO Akkerbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=C&z=2025-03-06&g=2025-03-06), voor zover dit ondernemers betreft die geen lid zijn van één of meer van de organisaties die lid zijn van de BO Akkerbouw. Artikel 2 Het [Programma Onderzoek en Innovatie](https:"},{"b":"Besluit houdende naamswijziging van het ministerie van Justitie De naam van het ministerie van Justitie te wijzigen in: ministerie van Veiligheid en Justitie."},{"b":"Besluit houdende opheffing van de ministeries van Economische Zaken en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en instelling van een ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Artikel 1 Het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden opgeheven. Artikel 2 Er is een ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 3 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van alle aangelegenheden die voor 14 oktober 2010 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 4 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden dienovereenkomstig vastgesteld. Artikel 5 1. De verplichtingen ten aanzien van het personeel en de zorg voor overige beheersaangelegenheden van het voormalige ministerie van Economische Zaken en het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gaan over op het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. 2. De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in het eerste lid bedoelde overgang worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit houdende opheffing van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en instelling van een ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel 1 Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Verkeer en Waterstaat worden opgeheven. Artikel 2 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van wonen, wijken, integratie en de Rijksgebouwendienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. 2. De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van energie, met inbegrip van de Nederlandse emissie-autoriteit, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt belast met de behartiging van de coördinatie en bevordering van het Europese en internationale milieubeleid, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. De taken van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 5 Er is een ministerie van Infrastructuur en Milieu. Artikel 6 1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt belast met de behartiging van alle aangelegenheden die voor 14 oktober 2010 waren opgedragen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en M"},{"b":"Besluit houdende regels inzake delegatie van kwaliteitsonderzoek aan de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (Delegatie- en uitvoeringsbesluit Verordening Kwaliteitsonderzoek) Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *aanbevelingen:* de aanbevelingen, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=11); - b. *accountant:* de accountant, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - c. *accountantsafdeling:* de accountantsafdeling, bedoeld in de Verordening gedragscode; - d. *accountantskantoor:* het accountantskantoor, bedoeld in de Verordening gedragscode; - e. *College:* het College Kwaliteitsonderzoek, bedoeld in [artikel 21 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=21); - f. *NOvAA:* de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=2); - g. *periodiek onderzoek:* het periodiek onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - h. *systeem van kwaliteitsborging:* het systeem van kwaliteitsborging, bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - i. *vervolgonderzoek:* het vervolgonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1). Artikel 2 1. Aan het bestuur van de NOvAA wordt delegatie en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten op grond van de [Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091) inzake het uitvoeren van het p"},{"b":"Besluit houdende regels inzake mandaat en machtiging aan het College Kwaliteitsonderzoek (Besluit mandaat en machtiging CKO) Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *College:* het College Kwaliteitsonderzoek, bedoeld in [artikel 21 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=21); - b. *incidentenonderzoek:* het incidentenonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - c. *periodiek onderzoek:* het periodiek onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - d. *thematisch onderzoek:* het thematisch onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - e. *vervolgonderzoek:* het vervolgonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); Artikel 2 Aan het College wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten met betrekking tot het opstellen en sturen van een vragenlijst en het aanwijzen van onderzoekers, ter uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=4) en [6 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=6). Artikel 3 Aan het College wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van: - a. het periodiek onderzoek, - b. het vervolgonderzoek, - c. het thematisch onderzoek, en - d. het incidentenonderzoek. Artikel 4 Het College neemt bij de uitvoering van het mandaat en de machtiging de [Beleidsregel Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025090) in acht. Artikel 5 Aan het Colleg"},{"b":"Besluit houdende vaststelling beloning van de voorzitter en leden Taskforce DeeltijdPlus Artikel 1 Aan de voorzitter van de Taskforce DeeltijdPlus, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Taskforce DeeltijdPlus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023744&artikel=2), wordt een vaste beloning toegekend. Deze beloning wordt vastgesteld volgens het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,22. Artikel 2 Aan de leden van de Taskforce DeeltijdPlus, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Taskforce DeeltijdPlus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023744&artikel=2), wordt een vaste beloning toegekend. Deze beloning wordt vastgesteld volgens het maximum van schaal 15 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,17. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2008."},{"b":"Besluit houdende vaststelling Draaginsigne Gewonden 2017 Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - *draaginsigne:* Draaginsigne Gewonden; - *lichamelijke verwonding:* schade aan of beschadiging van het lichaam tengevolge van een van buiten aangrijpend geweld, CBRN-oorlogsvoering of een andere fysische conditie als gevolg waarvan scheiding van de normale samenhang van weefsel optreedt; - *psychisch letsel:* een acuut of chronisch psychiatrisch toestandsbeeld, beschreven in het geldende ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ of in de ‘International Classification of Diseases and related health problems’ en waarvan de diagnose is gesteld door of onder supervisie van een psychiater. Artikel 2. Uiterlijk draaginsigne 1. Er is een Draaginsigne Gewonden. 2. Het draaginsigne is kruisvormig en heeft een zilveren kleur. 3. Op de horizontale balk staat de spreuk ‘VULNERATUS NEC VICTUS’; de verticale balk stelt de door een lauwertak omgeven eerdere Gewondenstreep voor; diagonaal aan het kruis ontspringen ‘vier leeuwen op blok’ uitbeeldend de stoktoppen van de vaandels en standaarden van de krijgsmacht. 4. Bij de uitreiking van het draaginsigne ontvangt de gedecoreerde tevens een oorkonde en een verkleinde versie in de vorm van een reversspeld. Artikel 3. Toekenningscriteria 1. Het draaginsigne wordt toegekend aan de militair of de gewezen militair die: - a. onder oorlogsomstandigheden of daarmee overeenkomende situaties het Koninkrijk der Nederlanden dient of heeft gediend; en - b. gedurende het vervullen van zijn plicht: - 1º. direct betrokken is geweest bij een (mede) tegen hem gerichte gevechtshandeling dan wel (mede) tegen hem gerichte gevechtshandelingen; of - 2º. in persoon (mede) tegen hem gerichte enige andere vorm van excessieve geweldsuitoefening dan wel een dreiging daarvan heeft ondergaan; of - 3º. herhaaldelijk of langdurig in persoon, anders dan het enkel vernemen, horen zeggen of zien is blootgesteld aan de directe afschuwwekke"},{"b":"Besluit houdende vaststelling van de Aanwijzingsregeling 2024 ex. artikelen 4, tweede lid, en 49, eerste lid, onder b, van de Wet militair tuchtrecht Artikel 1. Aanwijzing ex. artikel 4, tweede lid, Wet militair tuchtrecht 1. Als andere militairen, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=4) worden als beklagmeerdere bij de *Bestuursstaf* aangewezen: - a. bij de Defensiestaf: - 1° Bij het Kabinet Defensiestaf: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 2° Bij de Directie Aansturen Operationele Gereedstelling: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 3° Bij de Directie Internationale Militaire Samenwerking: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 4° Bij de Directie Plannen: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 5° Bij de Directie Operaties: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 6° Bij het Defensie Cyber Commando: de Commandant Defensie Cybercommando; - 7° Bij het Special Operations Command: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 8° Voor overig bij de Defensiestaf geplaatst personeel: de Commandant der Strijdkrachten; - 9° Voor de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten: de Commandant der Strijdkrachten. - b. bij het Directoraat-Generaal Beleid: de Commandant der Strijdkrachten; - c. bij de Hoofddirectie Financiën en Control: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - d. bij de Directie Juridische Zaken: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - e. bij de Directie Communicatie: de Commandant der Strijdkrachten; - f. bij het Bureau Secretaris-Generaal: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - g. bij de Directie HR & Bedrijfsvoering: de Commandant der Strijdkrachten; - h. bij de Directie Financiën & Control: de Commandant der Strijdkrachten; - i. bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: de Directeur Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - j. bij de Inspecteur"},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de leden van de Adviescommissie subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Architectuurprijsvraag ontvangt voor het bijwonen van een vergadering geen vergoeding. 2. De andere leden van de Adviescommissie Architectuurprijsvraag ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018741) ontvangen alle leden van de Adviescommissie architectuurprijsvraag uitgezonderd de voorzitter een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 10 minuten per aanvraag."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw ontvangt een vergoeding per vergadering van € 357,= 2. De andere leden van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw ontvangen een vergoeding per vergadering van € 275,= Artikel 2 Dit besluit treedt in werking te rekenen vanaf 15 juli 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen Adviescommissie duurzame scheepsbouw."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,157. 2. Aan de andere leden van de adviescommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,157. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking te rekenen vanaf 15 juli 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen Adviescommissie duurzame scheepsbouw."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het [Besluit EOS: demo en transitie-experimenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017332) ontvangen alle leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 2 uur per aanvraag. Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Economische Zaken van 14 maart 2005, kenmerk nr. E/ESV/5016166, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018108) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie groeifaciliteit artikel Enig 1. De voorzitter van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 391,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 301,00."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het [Besluit innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015925) ontvangen alle leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 1 uur per aanvraag."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,–. 2. De andere leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,–. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021771) ontvangen alle leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 1,5 uur per aanvraag."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het Besluit EOS: lange termijn ontvangen alle leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 120 minuten per aanvraag."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie SKE Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie kennisexploitatie ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie kennisexploitatie ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de subsidieregeling kennis exploitatie ontvangen alle leden van de Adviescommissie kennisexploitatie jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van zes uur per aanvraag. Artikel 3 Het [besluit van 16 december 2004, nr. OI/O/ISM/4078792, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie kennisexploitatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017731), wordt ingetrokken."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie valorisatieprogramma artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie valorisatieprogramma wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,041. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie valorisatieprogramma wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,041."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken Artikel 1 - a. De voorzitter van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. - b. De andere leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van projectvoorstellen op grond van het Programma Samenwerking Opkomende Markten – Economische Zaken ontvangen alle leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een voorbereidingstijd van twaalf uur per vergadering voor de voorzitter en van acht uur per vergadering voor de andere leden."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Mijnraad Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Mijnraad wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van[bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,078. 2. Aan de andere leden van de Mijnraad wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,078. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen voorzitter en leden van de Mijnraad."},{"b":"Besluit houdende vaststelling van twee vergunningen voor digitale omroep zoals deze na de procedure van veiling zullen worden verleend Ingevolge het besluit van de Minister van 5 november 2008 (Stcrt. 2008, 227) worden twee vergunningen voor digitale omroep verdeeld. Beide vergunningen alsmede de voorschriften en beperkingen die hieraan zullen worden verbonden zijn in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=A&z=2009-01-01&g=2009-01-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=B&z=2009-01-01&g=2009-01-01) vastgesteld. Die onderdelen van de vergunning die pas na de procedure van veiling kunnen worden vastgesteld, zijn niet opgenomen in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=A&z=2009-01-01&g=2009-01-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=B&z=2009-01-01&g=2009-01-01). Hierbij valt te denken aan de naam van de toekomstige vergunninghouder. De inhoud van de CD-rom, bedoeld in bijlage III van beide vergunningen, kan tot en met 31 mei 2009 worden geraadpleegd op de website van Agentschap Telecom, www.agentschap-telecom.nl."},{"b":"Besluit houdende vaststelling Veiligheidsmanagementsysteem Defensie Artikel 1 Als Veiligheidsmanagementsysteem Defensie wordt vastgesteld het geheel van procedures en afspraken op het gebied van het veiligheidsmanagement, zoals beschreven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houdende vaststelling Veiligheidsmanagementsysteem Defensie."},{"b":"Besluit houdende vaststelling vergoeding voorzitter en leden Verificatiecommissie monitoring en evaluatie Programma Near Shore Windpark Artikel 1 1. De voorzitter van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangt de voorzitter per vergadering een vergoeding van € 1000,00. Artikel 2 1. De andere leden van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. 2. Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangen alle leden per vergadering een vergoeding van € 1000,00."},{"b":"Besluit houdende verlenging van de instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica Artikel 1 De instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica wordt verlengd tot en met 31 juli 2024. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van deze publicatie."},{"b":"Besluit houdende verlenging van instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica Artikel 1 De instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica wordt verlengd tot en met 31 december 2023. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van deze publicatie."},{"b":"Besluit houdende verlening van mandaat aan het Schadeschap Luchthaven Schiphol van de bevoegdheid op grond van artikel 8.31 van de Wet luchtvaart Artikel 1 De bevoegdheid terzake van de behandeling van en de besluitvorming inzake een aanvraag als bedoeld in [artikel 8.31 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.31), wordt gemandateerd aan de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 19 van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009989&artikel=19). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 20 februari 2003. Dit besluit vervalt met ingang van het tijdstip waarop overeenkomstig [artikel 25 van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009989&artikel=25), het besluit tot wijziging van de genoemde regeling in verband met de overdracht van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 8.31 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.31), aan het algemeen bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol, in werking is getreden."},{"b":"Besluit houdende verlening van mandaat en machtiging in het kader van beperkingengebieden militaire luchthavens en radarverstoringsgebieden 2024 (Mandaat- en machtigingsbesluit beperkingengebieden militaire luchthavens en radarverstoringsgebieden 2024) Artikel 1. Mandaat 1. Aan de directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten in het kader van beperkingengebiedenactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 2. Aan de directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid wordt machtiging verleend tot het geven van adviezen in het kader van beperkingengebiedenactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven en een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 3. Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot: - a. het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift; - b. het beslissen op een bezwaarschrift; - c. het beslissen op een beroepschrift. Artikel 2. Ondermandaat 1. De directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid kan de aan hem verleende bevoegdheden in een daarbij door hem te bepalen omvang door verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris. De directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid kan daarbij toestaan dat verdere doorverlening plaatsvindt. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 3. Ondertekening Een document dat krachtens mandaat of machtiging wordt ondertekend bevat aan het slot de volgende formule: DE MINISTER VAN DEFENSIE voor deze, (functie, handtekening en naam van de ondertekenaar) Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024."},{"b":"Besluit houdende wijziging van het Comité Nederlandse Veteranendag in een Nationaal Comité Veteranendag Artikel 1 Er is een Nationaal Comité Veteranendag voor de jaarlijkse viering van de Nederlandse Veteranendag, verder te noemen het Nationaal Comité, oorspronkelijk ingesteld op als Comité Nederlandse Veteranendag bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie, nr. P/2008008354. Artikel 2 Het Nationaal Comité heeft tot doel het bevorderen van de maatschappelijke erkenning en waardering van Nederlandse veteranen en kent de volgende taken: - a. het jaarlijks op de laatste zaterdag van juni doen organiseren van de Nederlandse Veteranendag; - b. het doen initiëren, coördineren en stimuleren van educatieve activiteiten en producten over Nederlandse veteranen; - c. het doen voeren van een publiekscampagne; - d. het doen organiseren van diverse evenementen; - e. het doen verrichten van alle overige handelingen die dienstig zijn voor het bereiken van de doelstelling, waarbij in het bijzonder het belang van de Nederlandse veteranen in het oog wordt gehouden. Artikel 3 - a. De voorzitter en leden van het Nationaal Comité worden door Onze Minister van Defensie benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. - b. Het Nationaal Comité kan een rooster van aftreden opstellen. - c. Een volgens het rooster aftredend lid van het Nationaal Comité is onmiddellijk herbenoembaar. - d. Aftredende leden worden door Onze Minister van Defensie ontslagen. Artikel 4 - a. Het Nationaal Comité bestaat naast leden die uit hoofde van hun functie bij het Ministerie van Defensie, bij het Veteraneninstituut, of bij het Veteranenplatform worden benoemd, uit ten minste vier leden die op persoonlijke titel worden benoemd. Ook de voorzitter wordt op persoonlijke titel benoemd. - b. De voorzitter en leden die op persoonlijke titel plaatsnemen in het Nationaal Comité worden benoemd op grond van deskundigheid alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. - c. Bij de benoeming van leden va"},{"b":"Besluit huurprijswijziging gesubsidieerde onzelfstandige woonruimte Artikel 1 Van de op of na 1 juli 1993 tot stand gekomen woonruimte, aangewezen in [artikel 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2), zoals dat artikel luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) in verband met de decentralisatie van de subsidiëring van de volkshuisvesting en de liberalisatie van huurprijzen van duurdere woningen (Stb. 1994, 132), is de huurprijs per 1 juli 1994 gelijk aan die op 30 juni 1994. Artikel 2 Van de vóór 1 juli 1993 tot stand gekomen woonruimten, aangewezen in [artikel 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2), zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=1&z=1994-07-01&g=1994-07-01) genoemde wet, is de huurprijs met ingang van 1 juli 1994 die op 30 juni 1994 vermeerderd met 5½%. Artikel 3 Voor de toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=1&z=1994-07-01&g=1994-07-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=2&z=1994-07-01&g=1994-07-01) geldt als tijdstip van totstandkoming de datum waarop de woonruimte voor bewoning is gereedgekomen. Indien dergelijke woonruimte deel uitmaakt van een complex, geldt als tijdstip van totstandkoming de gemiddelde datum waarop de woonruimten in dat complex zijn gereedgekomen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994."},{"b":"Besluit huwelijksgoederenregister BES Artikel 1 1. Wanneer een inschrijving wordt verlangd in het huwelijksgoederenregister, moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd: - a. ter inschrijving van bepalingen in huwelijkse voorwaarden: een authentiek afschrift of uittreksel van de akte waarbij die bepalingen zijn vastgesteld; - b. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de [artikelen 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=86) en [90 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=90): een authentiek afschrift van de uitspraak; - c. ter inschrijving van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap, bedoeld in [artikel 110 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=110): een authentiek afschrift van het verzoekschrift; - d. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de [artikelen 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=112) en [173 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=173): een authentiek afschrift van de uitspraak alsmede de verklaring van de griffier, strekkende tot bewijs dat tegen de uitspraak door geen wettig middel kan worden opgekomen. 2. Van een verklaring houdende afstand van een huwelijksgemeenschap, bedoeld in de [artikelen 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=104) en [105 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=105), maakt de griffier een akte op, die degene die afstand doet in persoon of bij gevolmachtigde ondertekent. 3. Van een verklaring van de echtgenoten dat zij wensen dat de scheiding van tafel en bed door verzoening zal ophouden te bestaan, bedoeld in [artikel 177 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=177), maakt de griffier een akte op, die d"},{"b":"Besluit Hybridemismatches *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de hybridemismatchmaatregelen die opgenomen zijn in afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 oktober 2021, nr. 2021-20014 (Stcrt. 2021, 42915). De actualisering bestaat uit de toevoeging van een additioneel voorbeeld van een situatie waarin onder omstandigheden sprake kan zijn van zogenoemd ‘dubbel in aanmerking genomen inkomen’. In verband hiermee zijn ook redactionele wijzigingen aangebracht.* 1. Inleiding Op 1 januari 2020 is de [Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042934) in werking getreden door opname van zogenoemde ‘hybridemismatchmaatregelen’ in [afdeling 2.2A van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.2a). Deze wetgeving beoogt belastingontwijking door gebruik te maken van hybridemismatches tussen zowel de EU-lidstaten onderling als tussen de EU-lidstaten en derde staten te bestrijden. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Hybridemismatches kunnen ertoe leiden dat - 1) een vergoeding of betaling aftrekbaar is, maar de corresponderende opbrengst nergens wordt belast (aftrek zonder betrekking in de heffing), of - 2) dat één en dezelfde vergoeding, betaling, last of verlies meerdere malen aftrekbaar is (dubbele aftrek). De hybridemismatchmaatregelen hebben als gevolg dat vergoedingen, betalingen, lasten of verliezen bij het bepalen van de winst onder omstandigheden van aftrek worden uitgesloten of tot de winst worden gerekend. De eerste ervaringen met de nieuwe wetgeving hebben geleid tot d"},{"b":"Besluit identiteitskaarten BES Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279); - b. *openbaar lichaam:* het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 1a 1. Het model van de identiteitskaart wordt voor ieder openbaar lichaam vastgesteld bij ministeriële regeling. 2. Onze Minister draagt zorg voor de vervaardiging van de blanco identiteitskaarten en de distributie daarvan naar de gezaghebbers van de openbare lichamen. Onze Minister draagt tevens zorg dat de gezaghebbers beschikken over de apparatuur en overige materialen in verband met het personaliseren van de blanco identiteitskaarten. 3. Een identiteitskaart die wordt verstrekt aan een vreemdeling vermeldt tevens de verblijfsstatus van betrokkene. 4. De op de identiteitskaart aan te brengen foto voldoet aan de daaraan bij ministeriële regeling te stellen vereisten. Bij ministeriële regeling wordt tevens bepaald van welke vereisten kan worden afgezien indien op grond van godsdienstige, levensbeschouwelijke of medische redenen van betrokkene niet kan worden gevergd dat hij daaraan voldoet. Bij gerede twijfel aan de medische redenen kan van betrokkene worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot andere op de identiteitskaart aan te brengen gegevens en gegevensdragers. Artikel 2 1. De gezaghebber van een openbaar lichaam houdt van de ontvangen blanco identiteitskaarten een voorraadadministratie bij. 2. Uit de voorraadadministratie dient te allen tijde, met vermelding van de documentnummers, te blijken hoeveel blanco identiteitskaarten: - a. in de voorraad aanwezig zijn; - b. aan de voorraad zijn toegevoegd; - c. aan de voorraad zijn onttro"},{"b":"Besluit Incidentbestrijdingsplan Noordzee Artikel 1 De bestrijding van schadelijke gevolgen van ongevallen, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=11), wordt georganiseerd en gecoördineerd overeenkomstig het Incidentbestrijdingsplan Noordzee, dat als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031454) bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 *Wijzigt de Regeling uitvoering artikel 11, tweede lid, Wet bestrijding ongevallen Noordzee.* Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Incidentbestrijdingsplan Noordzee."},{"b":"Besluit informatievoorziening in de rijksdienst 1990 (Besluit IVR 1990) Beginselen van het informatievoorzieningsbeleid Artikel 1 De rijksdienst draagt, voor zover mogelijk, zorg voor de inrichting van de informatievoorziening in de openbare sector op grond van de beginselen, die in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=2&z=1990-12-01&g=1990-12-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=3&z=1990-12-01&g=1990-12-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=4&z=1990-12-01&g=1990-12-01) van dit besluit zijn vastgelegd. Artikel 2 Het waarnemen, vastleggen, verzamelen, verwerken, verstrekken en gebruiken van informatie geschiedt uitsluitend voor zover een goede vervulling van de taak daartoe noodzaakt. Artikel 3 1. Informatie over individuele objecten berust zo veel mogelijk op rechtstreeks waarnemen en op inlichtingen van betrokkenen. 2. Het verkrijgen van informatie over individuele objecten uit een informatie-systeem geschiedt zo veel mogelijk in rechtstreeks contact tussen de verkrijger en de verstrekker, volgens eenvoudige en doorzichtige procedures. 3. Waar mogelijk wordt informatie over individuele objecten verkregen uit een basisregistratie. 4. Het waarnemen, vastleggen, verzamelen, verwerken, verstrekken en gebruiken van informatie over individuele objecten geschiedt op locaal niveau of anderszins op een zo laag mogelijk niveau. 5. Het leggen van verbanden tussen informatie over individuele objecten in verschillende informatiesystemen vindt plaats voor het vervullen van specifieke, formeel toegewezen taken en op grond van duidelijke, schriftelijk vastgelegde regels. 6. Het meervoudig vastleggen, verzamelen, verwerken en verstrekken van informatie over individuele objecten wordt zo veel mogelijk vermeden. Artikel 4 1. Gebruik en exploitatie van een informatiesysteem (informatiebeheer) wordt gedecentraliseerd in overeenstemming met de decentralisatie van de uitvoering van taken waarvoor"},{"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens en artikel 4:7, eerste lid, onder a, van het Besluit politiegegevens van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 7765469 van 25 augustus 2026 houdende toestemming aan de korpschef tot het verstrekken van politiegegevens voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek door LEBZ en onderzoekers (Wpg-machtigingsbesluit zedenzaken aan LEBZ en onderzoekers) Artikel 1. Definities - a. *wet:* [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) - b. *besluit:* [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086) - c. *Verordening (EU) 2016/679:* Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG - d. *Landelijk Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken:* een expertisegroep van de politie die geplaatst is onder de Dienst specialistische operaties, bedoeld in [artikel 7 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=7) - e. onafhankelijke kennis- en onderzoeksinstelling: een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instelling die structureel of projectmatig wetenschappelijk onderzoek verricht en die beschikt over een onafhankelijk statuut, een onderzoeks-ethische toetsingsprocedure en een beveiligings- en geheimhoudingsregeling die voldoet aan de normen van de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (VSNU 2018) of een gelijkwaardig equivalent daarvan; - f. *ontvanger:* verwerkingsverantwoordelijke die politiegegevens ontvangt en verwerkt - g. *5-jaarverslagen:* verslagen van het Landelijk Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken over ontwikkelingen en trends met betrekking tot een periode van vijf jaren ten aanzien van bijzondere zedenzaken Artikel 2. Verstrekkingsgrondslag 1. De korpschef kan politiegegevens di"},{"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 3575871 van 22 november 2021 houdende toestemming aan de korpschef tot het verstrekken van politiegegevens aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en wethouders voor hun taak als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 (Wpg-machtigingsbesluit meldpunten niet-acute zorg) Artikel 1 1. Aan de korpschef wordt toestemming gegeven politiegegevens te verstrekken aan een meldpunt dat is ingesteld door één of meerdere colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeester(s) van gemeente(n) gezamenlijk met het oog op de zorg voor maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in [artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijk ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.1), en/of met het oog op de handhaving van de openbare orde, bedoeld in [artikel 172 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172). 2. De in lid 1 bedoelde verstrekking van politiegegevens vindt slechts plaats indien dit noodzakelijk is voor: - a. het doen van meldingen over zorgwekkende situaties, al dan niet in combinatie met mogelijke/dreigende verstoring van de openbare orde, waarin burgers vermoedelijk zorg of ondersteuning nodig hebben met het oog op hun zelfredzaamheid of participatie en niet zelf om hulp vragen; - b. het beantwoorden van informatievragen met betrekking tot het onderzoeken en triëren, door het meldpunt, van meldingen die door de politie of derden zijn gedaan om noodzakelijke zorg of ondersteuning in gang te kunnen zetten; - c. het bieden van maatschappelijke ondersteuning in het kader van het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, het bieden van beschermd wonen en opvang. 3. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitsluitend politiegegevens di"},{"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 4858192 van 3 oktober 2023 houdende toestemming aan de korpschef tot het verstrekken van politiegegevens aan journalisten en publicisten voor journalistieke doeleinden (Wpg-machtigingsbesluit persalarmering) Artikel 1. (verstrekkingsgrondslag) 1. Aan de korpschef wordt toestemming gegeven politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig [artikel 8 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=8) te verstrekken aan journalisten en publicisten met het oog op het zwaarwegend algemeen belang van toegang tot overheidsinformatie in het kader van het recht op persvrijheid. 2. De in het eerste lid bedoelde verstrekking van politiegegevens vindt slechts plaats indien dit noodzakelijk is met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. 3. De in het eerste lid bedoelde verstrekking van politiegegevens vindt slechts plaats aan journalisten en publicisten die beschikken over de door de korpschef vastgestelde voor ontvangst benodigde middelen. 4. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitsluitend politiegegevens die aan de politie bekend worden gemaakt bij een melding waarbij wordt gevraagd om acute inzet van politie als bedoeld in het [eerste lid van artikel 25b van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25b). 5. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitsluitend de volgende incidenten: - a. een aanrijding met letsel, - b. een auto te water, - c. een aanvaring met letsel, - d. een brug die niet sluit, - e. een schip in nood, - f. een ontploffing met gewonden, - g. een spoorweg-, tram- of metro-ongeval, - h. een ongeval waarbij een persoon te water is, - i. een vliegtuigongeval, - j. een demonstratie, - k. een steekincident, - l. een schietincident, - m. een overval op een bedrijf, een instelling of woning, - n. een overval op een geldinstelling of geldl"},{"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 2067091 van 19 mei 2017 houdende toestemming aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als verantwoordelijke voor de Inspectie SZW DO en de Minister van Financiën als verantwoordelijke voor de FIOD, tot het verstrekken van politiegegevens aan de Colleges van burgemeester en wethouders, de Zorgverzekeraars, het CIZ, de NZa en de IGZ ten behoeve van het kunnen nemen van schadebeperkende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude in de zorgsector (Wpg-machtigingsbesluit schadebeperkende maatregelen zorgfraude) Artikel 1 1. Aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën wordt toestemming verleend politiegegevens te verstrekken aan: - a. de Colleges van burgemeester en wethouders, ten behoeve van de uitvoering van de taken in het kader van de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) en de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925); - b. zorgverzekeraars, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1), ten behoeve van de uitvoering van de taken in het kader van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - c. zorgverzekeraars optredend als zorgkantoor, bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1), ten behoeve van de uitvoering van de taken in het kader van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - d. het Centrum Indicatie Zorginstelling, ten behoeve van de taken zoals omschreven in [artikel 7.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.1.2) juncto [3.2.4. van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.4); 2. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitslu"},{"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens, van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 598167, 18 december 2014, houdende verlenging van het Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse waarbij aan de korpschef van het landelijk politiekorps en de verantwoordelijken voor de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toestemming is gegeven tot het verstrekken van politiegegevens aan de partners in de Regionale Informatie en Expertisecentra (RIEC’s) ten behoeve van het verrichten van integrale casusanalyses voor het bepalen van gezamenlijke interventiestrategieën en het uitvoeren daarvan (Verlenging Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse) Artikel 1 1. Het [Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032992) (Stcrt. 2013, nr 6711) wordt verlengd tot en met de dag waarop de aanpassing van het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086) in werking is getreden en tussen de deelnemende bestuursorganen aan de RIEC’s schriftelijke afspraken zijn vastgesteld, zoals bepaald in (het nieuwe) [artikel 4:3, zevende lid, van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:3). 2. De criteria en voorwaarden, die krachtens het [Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032992), aan de verstrekking van politiegegevens aan de partners in de RIEC’s ten behoeve van de aanpak van georganiseerde criminaliteit zijn gesteld, blijven onverkort van toepassing. Artikel 2 Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 januari 2015."},{"b":"Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2016 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert per 1 juli 2016 bij het uitvoeren van de individuele re-integratieovereenkomst de voorwaarden zoals opgenomen in het Inkoopkader 2016-2020 Re-integratiediensten voor klanten met een AG- of ZW-uitkering. Het Inkoopkader is te benaderen via www.uwv.nl/zakelijk. Artikel 2 Het [Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033352), gepubliceerd in de *Staatscourant* van 30 april 2013, nummer 11203, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2016."},{"b":"Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES Artikel 1 1. De door Onze Minister verlangde inlichtingen, bedoeld in de [artikelen 12, tweede lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12) en de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12) omvatten ten minste: - a. de naam en de voornamen van de werknemer, het identificatienummer dat hem op grond van [artikel 8.86, negende lid, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.86) is toegekend dan wel van hem bekend is, het geslacht, het beroep of de functie; - b. de datum van indiensttreding van de werknemer; - c. de hoogte van het van toepassing zijnde uurloon, weekloon, dan wel maandloon per de datum waarop de werknemer als gevolg van ziekte of ongeval niet langer in staat is de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten, de laatste wijziging van het loon en de datum van ingang van de laatste wijziging in het loon van de werknemer; - d. het aantal werkdagen en werkuren per week van de werknemer; en - e. de naam van de werkgever, de naam van het bedrijf of de instelling, het door de inspecteur der belastingen verstrekte identificatienummer van de werkgever, het adres, het telefoonnummer van het bedrijf en het emailadres van de werkgever. 2. De in het eerste lid vermelde gegevens worden uiterlijk binnen twee weken na de melding van de ziekte of het ongeval aan Onze Minister verstrekt door middel van de formulieren, die hiervoor door Onze Minister ter beschikking worden gesteld en, voor zover het betreft het loon van de werknemer, voorzien van schriftelijke bewijsstukken. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 12, vierde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12) en [artikel 12, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12). Artikel 3 Dit besluit word"},{"b":"Besluit inrichtingseisen bpm en mrb *Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213898. In dit besluit zijn enkele verduidelijkingen opgenomen en is een goedkeuring uitgebreid.* 1. Inleiding In dit besluit zijn standpunten aangepast of verduidelijkt over de volgende onderwerpen: - – Meetmethoden laadruimte pick-up ([2.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049452)): verduidelijkt waar de loodlijn te plaatsen omdat dit in de praktijk tot onduidelijkheid leidde. - – Overgangsregelingen ([4.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049452)): uitbreiding van de overgangsregeling voor de VW Transporter naar motorrijtuigen met een DET tot 1-1-2015 omdat de productie buiten Europa verder is gegaan en deze later geproduceerde motorrijtuigen inmiddels ook in Nederland rondrijden. - – Inrichtingseisen voor toepassing gehandicaptenregeling ([6.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049452)): verduidelijking. In de tekst van dit onderdeel was ten onrechte opgenomen dat het in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel in de laadruimte vervoerd moet worden. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen | wet bpm | Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 | | --- | --- | | wet mrb | Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 | | uitvoeringsbesluit bpm | Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 | | uitvoeringsbesluit mrb | Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 | | uitvoeringsregeling bpm | Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 | | uitvoeringsregeling mrb | Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 | | bpm | belasting van personenauto's en motorrijwielen | | mrb | motorrijtuigenbelasting | | AWR | Algemene wet inzake rijksbelastingen | | ondernemer | ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 | | RDW | Dienst Wegverkeer | 2. Inrichtingseisen bestelauto 2.1. Laadruimte 2.1.1. Vlakke laadvloer De vlakke laadvloer moet over de gehele br"},{"b":"Besluit inschrijving Rbtv Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *ALTE:* The Association of Language Testers in Europe; - b. *Besluit btv:* [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - c. *Brontaal:* de taal waaruit getolkt wordt; - d. *Doeltaal:* de taal waarnaar getolkt wordt; - e. *ERK:* Europees Referentiekader voor de Talen; - f. *Kader voor tolktoetsen:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde Kader voor taalgebonden integrale tolktoetsen; - g. *Kader voor vertaaltoetsen:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde Kader voor taalgebonden integrale vertaaltoetsen; - h. *Kader voor toetsing van tolkvaardigheid en -attitude:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde kader voor de toetsing van tolkvaardigheid en -attitude; - i. *Onderwijstaal:* de taal waarin het onderwijs grotendeels wordt aangeboden; - j. *Rbtv:* Register beëdigde tolken en vertalers; - k. *Wbtv:* [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704). Artikel 2 Een tolk of vertaler kan worden ingeschreven in het Rbtv indien hij voldoet aan de formele vereisten die voortvloeien uit de [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) en het [Besluit btv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896) en zich verklaart te houden aan de ‘Gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv’. Tolk Artikel 3 Indien een *tolk* niet beschikt over een diploma van een tolkopleiding op minimaal bachelorniveau, kan hij worden ingeschreven in het Rbtv op *C1-niveau*, als de tolk aantoont te beschikken over: - 1. - a. integriteit; - b. een getuigschrift waaruit blijkt dat de tolk in de betreffende talencombinatie een tolktoets op C1-niveau van het ERK met goed gevolg heeft afgelegd die voldoet aan het Kader voor tolktoetsen; of - 2. - a. integriteit; - b. taalvaardigheid van de brontaal op ten minste C1-niveau van het ERK; - c. taalvaardigheid van de doe"},{"b":"Besluit inschrijving Rbtv Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *ALTE:* The Association of Language Testers in Europe; - b. *Besluit btv:* [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - c. *Brontaal:* de taal waaruit getolkt wordt; - d. *Doeltaal:* de taal waarnaar getolkt wordt; - e. *ERK:* Europees Referentiekader voor de Talen; - f. *Kader voor tolktoetsen:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde Kader voor taalgebonden integrale tolktoetsen; - g. *Kader voor vertaaltoetsen:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde Kader voor taalgebonden integrale vertaaltoetsen; - h. *Kader voor toetsing van tolkvaardigheid en -attitude:* het door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde kader voor de toetsing van tolkvaardigheid en -attitude; - i. *Onderwijstaal:* de taal waarin het onderwijs grotendeels wordt aangeboden; - j. *Rbtv:* Register beëdigde tolken en vertalers; - k. *Wbtv:* [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704). - l. *Brontaal (vertalers):* de taal van waaruit vertaald wordt; - m. *Brontekst:* tekst in de brontaal; - n. *C1-niveau:* C1-niveau van het Europees Referentiekader voor de Talen; - o. *Doeltaal (vertalers):* de taal waarin vertaald wordt: - p. *Doeltekst:* vertaling van de brontekst naar de doeltaal; - q. *Klassieke vertaalopdrachten:* een in opdracht van een opdrachtgever verrichte vertaling op basis van een afgesproken geldelijke vergoeding; - r. *Machine Translation (machinevertaling):* het proces waarbij de tekst machinaal, met behulp van complexe algoritmes automatisch van de ene taal naar de andere vertaald wordt, zonder menselijke tussenkomst; - u. *Post-editing:* het proces waarbij een met Machine Translation vertaalde tekst door een menselijke vertaler gecontroleerd, gecorrigeerd en waar nodig aangepast wordt; - v. *Raad:* Raad voor Rechtsbijstand; - w. *Revisie/reviseren:* het grondig controleren, c"},{"b":"Besluit inschrijvingsvoorwaarden mediators 2017 Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: - a. de vakbekwaamheidseisen die aan de mediator worden gesteld; - b. de mate van gebondenheid aan door de beroepsgroep algemeen aanvaarde normen betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening; - c. de wijze waarop schendingen van de algemene norm betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening worden afgehandeld; - d. de medewerking door de mediator aan onderzoek naar de werking van mediation en aan evaluatie; - e. de verslaglegging door de mediator van de door hem verrichte werkzaamheden; - f. de beroepsaansprakelijkheidsverzekering; - g. de organisatie van het kantoor waar de mediator werkzaam is. In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI. – registermediator te zijn. Deze MfN – registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de Medi"},{"b":"Besluit instelling Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik Artikel 1 Ingesteld wordt de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik, hierna te noemen de Adviescommissie. Artikel 2 De Adviescommissie heeft tot taak de Minister van Defensie op diens verzoek of eigener beweging te adviseren over de verenigbaarheid met het geldende en in ontwikkeling zijnde internationale recht en in het bijzonder het humanitaire oorlogsrecht van: - a. het verwerven, het bezit, en elk gebruik van conventionele wapens en munitiesoorten, inhoudende alle wapens en munitiesoorten anders dan kernwapens en -munitie, - b. strijdmethoden. Artikel 3 1. Tot voorzitter tevens lid van de Adviescommissie wordt benoemd de Commandant der Strijdkrachten. 2. Tot plaatsvervangend voorzitter tevens lid van de Adviescommissie wordt benoemd de Directeur Juridische Zaken. 3. Tot leden worden benoemd de Hoofddirecteur Beleid, de Directeur van de Defensie Materieelorganisatie en de Commandant van de Defensie Gezondheidszorgorganisatie. 4. Aan de Adviescommissie wordt door de Directeur Juridische Zaken een secretaris toegevoegd. Artikel 4 De Adviescommissie is bevoegd adviezen in te winnen bij dan wel studies te doen verrichten door departementale en niet-departementale organisaties en organisatieonderdelen. Artikel 5 De Adviescommissie is bevoegd departementale en niet-departementale deskundigen uit te nodigen om haar te adviseren. Artikel 6 De Adviescommissie stelt haar adviezen aan de Minister vast met eenparigheid van stemmen. Artikel 7 1. Ter ondersteuning van haar werkzaamheden stelt de Adviescommissie een werkgroep in. 2. Als voorzitter tevens lid van de werkgroep wordt aangewezen de secretaris van de Adviescommissie. 3. Als leden van de werkgroep worden aangewezen vertegenwoordigers van: - a. de Hoofddirecteur Beleid; - b. de Directeur Aansturing Operationele Gereedstelling van de Defensiestaf; - c. de Directeur Plannen van de Defensiestaf; - d. de Direc"},{"b":"Besluit instelling adviescommissie voor de oorsprong 1980 Artikel 1 Er is een adviescommissie – in dit besluit nader te noemen commissie – die tot taak heeft om de Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw en Visserij, alsmede de gezamenlijke Kamers van Koophandel en Fabrieken, desgevraagd of uit eigen beweging, van advies te dienen met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in het [Besluit afgifte oorsprongsverklaringen 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003067) (Stb. 605) en de daarop berustende regelingen en met betrekking tot daarmede verband houdende onderwerpen. Artikel 2 1. De commissie bestaat uit ten hoogste 13 leden. 2. De Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw en Visserij wijzen ieder voor zich ten hoogste twee ambtelijke vertegenwoordigers in de commissie aan. De Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland wijst uit het midden van de secretarissen, adjunct-secretarissen of secretariaatsmedewerkers van de Kamers van Koophandel en Fabrieken ten hoogste 6 vertegenwoordigers in de commissie aan. 3. Maast de vertegenwoordigers, bedoeld in het voorgaande lid, wijst de Minister van Economische Zaken een voorzitter van de commissie aan. 4. De Minister van Economische Zaken voorziet in het secretariaat van de commissie. 5. De Ministers en de Vereniging, bedoeld in het tweede lid, kunnen tevens voorzien in de plaatsvervanging van de door hen aangewezen leden van de commissie. 6. De commissie bestaat op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze beschikking uit: - *voorzitter:* mr. F. Weiss; - *voor de Minister van Economische Zaken:* drs. L. Brakel en G. Sonnevelt; - *voor de Minister van Financiën:* A. Almekinders en mr. G. L. A. Richter; - *voor de Minister van Landbouw en Visserij:* mr. J. Goosens en T. W. Koonings; - *voor de Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland:* J. van Gemeren, drs. C. Goldschmeding, mr. F. M. Luyten, mr. J. G. W. Simons, Jhr. mr."},{"b":"Besluit instelling Bedenkingencommissie Herindeling FGR BZK Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *commissie:* commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039535&artikel=2&z=2017-05-11&g=2017-05-11); - b. *de minister:* de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. *het ministerie:* het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. *de medewerker:* de medewerker die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaam is bij het ministerie, met uitzondering van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - e. *bevoegd gezag:* de functionaris die volgens het Mandaatbesluit BZK 2016 of een daarop gebaseerd ondermandaat bevoegd is om het besluit op de tegen het voorgenomen besluit ingediende bedenkingen te nemen; - f. *bedenking:* bedenking tegen een voorgenomen besluit tot herindeling van de functie van de medewerker in het Functiegebouw Rijk. Artikel 2 1. Er is een Bedenkingencommissie Herindeling FGR BZK. 2. De commissie heeft tot taak de medewerker te horen over zijn bedenkingen tegen een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag tot herindeling van zijn functie in het Functiegebouw Rijk en daarover advies uit te brengen aan het bevoegd gezag. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister; - b. ten minste acht overige leden. 2. De voorzitter en de overige leden worden benoemd en ontslagen door de minister. 3. De benoeming geldt, behoudens tussentijds ontslag, voor drie jaar en kan aansluitend eenmaal voor drie jaar worden verlengd. Ingeval van tussentijds ontslag vindt een benoeming plaats van een nieuw lid. Artikel 4 De commissie wordt bijgestaan door een secretaris die wordt aangewezen door het hoofd van het expertisecentrum Organisatie en Personeel/arbeidsjuridisch. Artikel 5 De leden van de commissie verschonen zich van behandeling van zaken waarbij zij in enig opzicht betrokken zijn geweest. Artikel 6 1. De comm"},{"b":"Besluit instelling begeleidingscommissie onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Commissie: de begeleidingscommissie Onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid; - b. de Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een begeleidingscommissie Onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid. Artikel 3 De Commissie heeft tot taak: - a. het bewaken voor de voortgang, uitvoering en kwaliteit van het onderzoek; - b. waar nodig het geven van aanwijzingen en aanbevelingen aan onderzoekers; - c. een antwoord te geven op de vraag, of het onderzoek naar bestuurlijke maatregelen veiligheid op adequate wijze is volbracht. Artikel 4 1. In de Commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: - – de heer R.J.G. Bandell, beheerder van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid, burgemeester van Dordrecht, voorzitter bestuur Nederlands Genootschap van Burgemeesters; - b. als leden: - – de heer drs. E.S.M. Akerboom, Korpschef Politie Brabant Noord; - – de heer prof. mr. J.G. Brouwer, hoogleraar algemene rechtswetenschap/openbare orde, Rijksuniversiteit Groningen; - – de heer mr. P.A.G. Cammaert, burgemeester van Velsen, lid Commissie bestuur en veiligheid, Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - – de heer mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de Raad van State, voormalig hoogleraar bestuursrecht/openbare orderecht; - – de heer prof. mr. B.F. Keulen, hoogleraar strafrecht, Rijksuniversiteit Groningen; - – de heer mr. H.J. Moraal, hoofdofficier van Justitie arrondissement Den Haag; - – twee vertegenwoordigers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - – twee vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie. 2. De Commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris, mr. A.B. Engberts, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 1. De onderzoekers brengen uiterlijk op 1 juni 2007 hun rapport uit aan de Commissie. 2. Indien onvoorziene omst"},{"b":"Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. *het ministerie:* het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. *medewerker:* degene die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaamheden verricht of heeft verricht bij een ministerie. § 2. De Commissie Artikel 2 1. Er is een Bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de minister te adviseren over de te nemen beslissing op een haar voorgelegd bezwaar van een medewerker van het ministerie tegen een besluit; - b. in geval een ander ministerie gebruik maakt van de commissie de betrokken andere minister te adviseren over het bezwaar van een medewerker van dat ministerie. 3. Het tweede lid is niet van toepassing als ingevolge enig wettelijk voorschrift een andere commissie over het betrokken bezwaar adviseert. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister; - b. ten minste tien overige leden. 2. Voor ieder lid van de commissie benoemt de minister ten minste één plaatsvervanger. 3. Van de op grond van het eerste lid, onder b, te benoemen leden worden ten minste twee leden en ten minste twee plaatsvervangende leden benoemd op voordracht van het Departementaal Georganiseerd Overleg, ingesteld voor het ministerie. 4. De leden en de plaatsvervangend leden worden benoemd en ontslagen door de minister. Bij toepassing van [artikel 2, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519&paragraaf=2&artikel=2&z=2009-10-18&g=2009-10-18), vindt de benoeming en ontslag van ten minste één lid en één plaatsvervangend lid plaats op de voordracht van de betrokken andere minister. Op verzoek van de voordragende minister kan een lid tevens tot plaatsvervan"},{"b":"Besluit instelling Bureau REACH Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. directeur: directeur Stoffen, Afvalstoffen, Straling van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. bureau: Bureau REACH als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021645&artikel=2&z=2008-06-01&g=2008-06-01); - c. verordening nr. 1907/2006: Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PbEU L 396); - d. verordening nr. 793/93: Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico’s van bestaande stoffen (PbEG L 84); - e. bevoegde instantie: instantie als bedoeld in artikel 121 van verordening nr. 1907/2006; - f. Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 1. Er is een Bureau REACH. Het bureau is gehuisvest bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. 2. Het bureau ressorteert onder het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Artikel 3 1. Het bureau is samengesteld uit medewerkers die zijn aangesteld bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. 2. De directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu stelt, in overeenstemming met de directeur, één van de in het eerste lid bedoelde medewerkers aan als het hoofd van het bureau. Voorts stelt hij, eveneens in overeenstemming met de directeur,"},{"b":"Besluit Instelling Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie Artikel 1 Er is een Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie, verder te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - 1. het bewaken van de samenhang tussen en de kwaliteit van de verschillende deelonderzoeken van het evaluatieprogramma modernisering rechterlijke organisatie; - 2. het zonodig doen van voorstellen aan de minister van Justitie tot aanvulling van het onderzoeksprogramma; - 3. het jaarlijks rapporteren over de voortgang van de werkzaamheden die in het kader van het evaluatieprogramma worden verricht; - 4. desgevraagd leden af te vaardigen danwel aan te wijzen voor deelname in de begeleidingscommissies van de deelonderzoeken; - 5. een integraal eindrapport op te stellen op basis van de resultaten van de verschillende deelonderzoeken die in het kader van het evaluatieprogramma worden uitgevoerd. Artikel 3 De samenstelling en ondersteuning van de commissie: - a. voorzitter: – drs. W.J. Deetman (burgemeester van de gemeente Den Haag); - b. leden: – mr. J.W. van den Berge (raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden); – prof. dr. M. Herweijer (hoogleraar bestuurskunde Universiteit Groningen); - c. adviserende leden: – drs. H. Andersson (Andersson Elffers Felix); – ir. drs. H.N.J. Smits (Arthur D. Little); - d. secretariaat: – dr. F.C.J. van der Doelen (secretaris, sectorhoofd bij de directie Strategie echtspleging, ministerie van Justitie); – mr. M. Abelman (adjunct-secretaris, wetgevingsjurist bij de directie Wetgeving, ministerie van Justitie); Artikel 4 1. De Commissie bevordert dat het evaluatieprogramma zodanig wordt uitgevoerd dat uiterlijk op 31 december 2006 het eindrapport aan de minister van Justitie ter beschikking wordt gesteld. 2. Met het uitbrengen van het eindrapport is de evaluatiecommissie opgeheven. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit instelling Commissie evaluatie stelsel van speciale eenheden Artikel 1 Ingesteld wordt de Commissie evaluatie stelsel van speciale eenheden (hierna ‘de commissie’). Artikel 2 De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. dhr C.W.M. Dessens, voorzitter - b. dhr M.L.M. Urlings, lid - c. dhr F. Wagenaar, lid - d. dhr mr J.A. Hulsenbek, lid Artikel 3 De Minister van Justitie verschaft de commissie alle benodigde facilitaire ondersteuning. Artikel 4 1. De commissie heeft als taak te onderzoeken of het stelsel van speciale eenheden – Aanhoudingseenheden (hierna: ‘AOE’), Dienst Speciale Interventies (hierna ‘de DSI’) en Unit Interventie Mariniers – functioneert conform de visie van het kabinet in zijn brief van 3 juni 2005 aan de Tweede Kamer en te onderzoeken waar verbeteringen nodig zijn, met vermelding van de consequenties. 2. De commissie onderzoekt in ieder geval de volgende aspecten: - a. de beheersmatige constellatie voor wat betreft de politieonderdelen; - b. het gebruik van ondersteuningsmiddelen van de politie en van Defensie door de DSI; - c. de inzetbaarheid van de DSI als AOE; - d. een mogelijke uitwisselbaarheid van personeel tussen Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) en de DSI. 3. De commissie rondt haar onderzoek af met een eindrapport dat zal worden aangeboden aan de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie. Artikel 5 1. De personen die betrokken zijn bij het stelsel van speciale eenheden verstrekken de commissie – met inbegrip van haar secretariaat – de inlichtingen die de commissie redelijkerwijs voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. 2. De commissie is gerechtigd in het kader van haar onderzoek kennis te nemen van gegevens die berusten bij de betrokken Ministeries en de uitvoerende diensten, ongeacht de merking of rubricering. Een geheimhoudingsverplichting terzake, rustend op personen in dienst bij de betrokken Ministeries of de uitvoerende diensten,"},{"b":"Besluit instelling Commissie evaluatie Wet op het Notarisambt Artikel 1 1. In te stellen een commissie evaluatie [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388). 2. De commissie heeft tot taak te onderzoeken of en in hoeverre: - – de benoemingsvereisten tot notaris adequaat zijn; - – de geïntroduceerde marktwerking in het notariaat de beoogde effecten heeft gehad; - – ten aanzien van de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening de in de wet verankerde mix tussen het publieke domein en het private domein voldoende evenwichtig is met het oog op een efficiënte borging van het publieke belang van rechtszekerheid; - – de mogelijkheid moet bestaan dat een notaris in loondienst werkzaam is van een niet–notaris; - – de wijze waarop de ministerieplicht is vormgegeven voldoet; - – betaling van goodwill bij overname van een notarispraktijk toelaatbaar moet worden geacht; - – invoering van een intercollegiale toetsing in het kader van het borgen van de kwaliteit van de notariële beroepsuitoefening mogelijk is; - – het bestaan van inkoopmacht bij de gebruikers van notariële diensten in overeenstemming is met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de notaris; - – de leeftijdgrens van 65 jaar voor het uitoefenen van het notarisambt voldoet; - – het mogelijk is om via pro-competitieve maatregelen de positie van de consument te versterken door het vergroten van hun keuzevrijheid met betrekking tot de notariële dienstverlening en het bevorderen van transparantie in de verhouding prijs en kwaliteit. Artikel 2 - a. Lid, tevens voorzitter: - – Mr. A. Hammerstein, per 1 augustus 2004 President Gerechtshof Arnhem; - b. als leden: - – Mr. Ir. J. Bezemer, lid Provinciale Staten Noord Holland; - – Mr. F.W.H. van den Emster, president rechtbank Rotterdam; - – Prof. mr. E.H. Hondius, hoogleraar burgerlijk recht aan de Universiteit van Utrecht; - – Prof. mr. M.J.A. van Mourik, hoogleraar notarieel recht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen; - c. als advi"},{"b":"Besluit instelling Commissie grensarbeiders § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een tijdelijke Commissie grensarbeiders. Artikel 2 De Commissie grensarbeiders heeft als taak te adviseren over oplossingsrichtingen voor knelpunten waarmee grensarbeiders in de relatie met België en Duitsland kunnen worden geconfronteerd. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: - prof. dr. A.C. Rijkers, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, 2. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: - mr. P.A.G.M. Cools, Ministerie van Financiën, 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: - drs. H.N. de Bruijn, Ministerie van Financiën, - mw. mr. H.W. Zunderman, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, - mr. P.C. de Lange, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, - mr. S.H. Buijze, Belastingdienst Zuidwest, - mw. mr. S.L.C. Geenen, Sociale Verzekeringsbank, - drs. N. Stiemer, College voor Zorgverzekeringen, - G. Essers, FNV, - I.F.I. Cools, Stichting Grensarbeid, - dhr. W.J.A. Debets, Vereniging Europese Grenslandbewoners, - mw. mr. E.A.C de Jong, Euregio Maas-Rijn, Taskforce grensarbeiders - mr. L. Hereman, Organon BioSciences NV, - mw. A.F.M. de Roey, Philips International BV. Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie zich door tussenkomst van het ministerie van Financiën tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en die derden zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te zetten. Artikel 5 De commissie zal haar bevindingen in een rapport neerleggen. De commissie zal per 1 april 2008 ophouden te functioneren. § 3. Overige bepalingen Artikel 6 De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfskosten volgens de bestaande rijksregelingen, voor zover niet uit anderen hoofde een vergoeding van deze kosten wordt verleend uit ’s-Rijks kas. Artikel 7 Een ieder die betrokken is bij"},{"b":"Besluit instelling Commissie integriteit publieke functionarissen en functioneren overheidsinstituties in Curaçao Artikel 1 Er is een Commissie die tot taak heeft zich op de hoogte te stellen van de oorzaken en ontwikkelingen die hebben geleid tot een situatie waarin de integriteit van publieke functionarissen en het functioneren van belangrijke overheidsinstituties in Curaçao over en weer in opspraak wordt gebracht, en om aanbevelingen te doen omtrent de wijze waarop het aanzien en het gezag van deze instituties kan worden hersteld. Artikel 2 De leden worden benoemd door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg met de Minister-President van Curaçao. Artikel 3 1. De Commissie brengt haar rapport uit aan de Minister-President van Curaçao en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg met de Minister-President van Curaçao daarom verzoekt, of indien de Commissie dit zelf wenselijk acht, brengt de Commissie een tussenrapport uit. 3. Na het uitbrengen van het rapport is de Commissie opgeheven. Artikel 4 De archiefbescheiden van de Commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt drie maanden na de opheffing van de Commissie."},{"b":"Besluit instelling commissie opperbevelhebberschap Artikel 1 Er is een commissie opperbevelhebberschap. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak de Minister van Defensie te adviseren over de vraag of het wenselijk dan wel noodzakelijk is een opperbevelhebber aan het hoofd van de bevelstructuur te plaatsen, alsmede de Minister van Defensie te adviseren omtrent de mogelijke vormgeving van het opperbevelhebberschap. 2. Het advies zal in ieder geval bevatten: - a) een verkenning van de ontwikkeling in taken en bevoegdheden van de chef defensiestaf, in het bijzonder met betrekking tot de verschillende soorten te onderkennen militaire operaties; - b) een verkenning van de situatie ten aanzien van de bevelstructuur, respectievelijk het opperbevelhebberschap in het buitenland alsmede een verkenning omtrent de vraag hoe een opperbevelhebberschap zich verhoudt tot verdere militaire integratie binnen Europa; - c) een verslag van de opgedane ervaring met het opperbevelhebberschap in Nederland; - d) een analyse van de verhouding tussen het opperbevelhebberschap enerzijds en de Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid anderzijds; - e) de consequenties van de verschillende vormen van het opperbevelhebberschap voor de rol en positie van de bevelhebbers, van de ambtenaren van het kerndepartement en voor processen als planning, begroting en verwerving. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie andere leden. 2. De leden van de commissie worden door de Minister van Defensie benoemd en ontslagen. Artikel 4 De leden van de adviescommissie en haar secretariaat zijn gehouden omtrent alle geclassificeerde gegevens, die door hun werkzaamheden voor de adviescommissie bekend worden, geheimhouding te betrachten. Artikel 5 1. De commissie streeft er naar haar advies voor 1 maart 2002 uit te brengen aan de Minister van Defensie. 2. Na het uitbrengen van het advies is de commissie opgeheven. Artikel 6 De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo"},{"b":"Besluit instelling Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne (COVM) Vliegbasis Woensdrecht Artikel 1 Er wordt een Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne Vliegbasis Woensdrecht ingesteld. Artikel 2 1. In de Commissie hebben zitting: - a. een lid, tevens voorzitter, aan te wijzen door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; - b. een lid aan te wijzen door Gedeputeerde Staten van Zeeland; - c. twee leden aan te wijzen door ieder college van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Woensdrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal en Reimerswaal; - d. het hoofd Bureau Geluidhinder, Zonering en Rapportering van het Commando Luchtstrijdkrachten, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - e. de commandant van de vliegbasis Woensdrecht, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - f. de regionaal inspecteur van de Inspectie van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen wiens ambtsgebied het luchtvaartterrein is gelegen, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - g. een vertegenwoordiger aan te wijzen door de directie van Fokker Services B.V. die wordt aangemerkt als gebruiker van luchtvaartuigen welke geregeld op het luchtvaartterrein landen en daarvan opstijgen; - h. een vertegenwoordiger aan te wijzen door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - i. een vertegenwoordiger van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties; - j. een vertegenwoordiger van de luchtverkeersdienstverlening. 2. In de Commissie worden – op voet van gelijkheid met de in het eerste lid onder c bedoelde leden – tevens uitgenodigd twee leden aan te wijzen door het college van Burgemeester en Schepenen van de in België, in de provincie Antwerpen, gelegen gemeente Essen. 3. Elk van de in het eerste lid onder c genoemde colleges ziet er op toe dat tenminste één van de hen vertegenwoordigende leden kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de omwonenden van het luchtvaartterrein. Artikel 3 De Commissie heeft als taak: - a. h"},{"b":"Besluit instelling commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening Artikel 1 Ingesteld wordt de commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening, verder aan te duiden als de Commissie. Artikel 2 1. De Commissie bestaat uit 3 leden. 2. De voorzitter wordt benoemd namens V&W en de interprovinciale samenwerking, één lid wordt benoemd namens V&W en één lid wordt benoemd namens de interprovinciale samenwerking. Artikel 3 De Commissie adviseert aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en aan één of meer provinciale besturen. Artikel 4 De Commissie heeft als opdracht om: - 1. jaarlijks te adviseren over de voortgang van de vergunningverlening voor beton- en metselzand in relatie tot de afgesproken taakstellingen en over de voortgang van het flankerend beleid; - 2. eenmalig te adviseren over de door de interprovinciale samenwerking voorgestelde invulling van de gezamenlijke provinciale taakstelling voor de winning van beton- en metselzand in de periode 1999 t/m 2008; Artikel 5 1. De Commissie streeft ernaar om voornoemd jaarlijks advies voor 1 september uit te brengen en voornoemd eenmalig advies voor 1 juni 2002. 2. De Commissie wordt ingesteld voor de duur van circa 4 jaar en houdt op te bestaan op 31 december 2005. Artikel 6 De archiefbescheiden van de Commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2002. Artikel 8 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit instelling commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening."},{"b":"Besluit instelling Commissie van Advies inzake bezwaar de beoordeling Artikel I. Instelling Er is een Commissie van Advies inzake bezwaar tegen de beoordeling ten behoeve van de behandeling in tweede aanleg van bezwaren van ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Justitie en de Algemene Inspectie van het Korps Rijkspolitie, tegen de over hen uitgebrachte beoordeling. Artikel II. Taakstelling De Commissie van Advies gaat na of er, bij het opmaken van de beoordeling alsmede bij de behandeling van de daartegen ingebrachte bezwaren door de ambtenaren, een juiste interpretatie en hantering van de geldende beoordelingsvoorschriften heeft plaatsgevonden. Voorts of de beoordeling op voldoende feitelijke grondslag berust en of de beoordelaars en de beoordelingsautoriteit, alle overigens relevant te achten omstandigheden in aanmerking hebben genomen. Artikel III. Samenstelling *Voorzitter:* Tot voorzitter van de commissie wordt benoemd: mr. A. B. M. Borgart, raadsheer in het Gerechtshof te 'sGravenhage. *Plaatsvervangend voorzitter:* Tot plaatsvervangend voorzitter van de commissie worden benoemd: mr. J. Borgesius, raadsheer in het Gerechtshof te 's-Gravenhage; mw. mr. G. J. Schlingemann-Vermeulen, raadsheer in het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. *Leden:* Tot leden van de commissie worden benoemd: *A. Aangewezen door de Minister van Justitie:* A. Hagedoorn, Directie Jeugdbescherming en Reclassering van het Ministerie van Justitie; mw. mr. T. J. M. Hollenberg, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp van het Ministerie van Justitie; mr. I. Jansen, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht van het Ministerie van Justitie; B. C. Kroon, Directie Delinquentenzorg en Jeugdinrichting van het Ministerie van Justitie; mr. drs. B. J. M. Leliefeld, Centrale Directie Personeelszaken van het Ministerie van Justitie; mr. J. Lely, Rechtspersonen Nationaliteit en Burgerlijke Staat van het Ministerie van Justitie; mw. mr. E. Portegies-Damave, Directie Politie van het Ministerie va"},{"b":"Besluit instelling Expertgroep drugsprecursoren Artikel 1 1. Er is een Expertgroep drugsprecursoren. 2. De Expertgroep drugsprecursoren heeft tot taak aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd en ongevraagd rapport uit te brengen over de vraag of bij stoffen die in Nederland zijn aangetroffen, dan wel waarvan wegens internationale ontwikkelingen de verwachting bestaat dat deze stoffen in de nabije toekomst in Nederland zullen worden aangetroffen, wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik van chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4a). 3. De taak van de Expertgroep strekt zich niet uit tot geregistreerde stoffen of een op een lijst van niet-geregistreerde stoffen geplaatste stof als bedoeld in Verordening nr. 273/2004 en Verordening nr. 111/2005. Artikel 2 1. De Expertgroep drugsprecursoren bestaat uit: - a. Een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, - b. Een vertegenwoordiger van de Nationale Politie, - c. Een vertegenwoordiger van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, - d. Een vertegenwoordiger van het Nederlands Forensisch Instituut, - e. Een vertegenwoordiger van de Douane, - f. Een vertegenwoordiger van de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, - g. Een vertegenwoordiger van het Verbond van Handelaren in Chemische Producten, 2. De Expertgroep drugsprecursoren stelt haar werkwijze vast. 3. De Expertgroep drugsprecursoren wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. 4. De Minister van Justitie en Veiligheid voorziet in het secretariaat van de Expertgroep drugsprecursoren. 5. De Expertgroep drugsprecursoren kan ten behoeve van de uitvoering van haar taak inlichtingen inwinnen bij deskundige personen en organisaties. Artikel 3 1. De Expertgroep drugsprecursoren brengt binnen tien weken rapport uit nadat zij daartoe een verzoek heeft ontvangen van de M"},{"b":"Besluit instelling Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu van 1 november 2016 § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. *ministerie:* Ministerie van Infrastructuur en Milieu; - c. *secretaris-generaal:* secretaris-generaal van het ministerie; - d. *hoofddirecteur FMC:* hoofddirecteur Financiën, Management en Control van het ministerie; - e. *EC O&P:* Expertisecentrum Organisatie en Personeel, onderdeel van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - f. *medewerker:* degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie; - g. *ongewenste omgangsvormen:* factoren van direct of indirect onderscheid in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen, met inbegrip van intimidatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten; - h. *vertrouwenspersoon:* als zodanig aangewezen persoon; - i. *klacht:* schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen; - j. *commissie:* klachtencommissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038720&paragraaf=3&artikel=3&z=2016-11-18&g=2025-06-30); - k. *klager:* medewerker die een klacht heeft ingediend bij de commissie; - l. *aangeklaagde:* degene op wie de klacht betrekking heeft. § 2. Werkingsgebied Artikel 2 1. De medewerker die wordt of is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen kan zich, al dan niet met behulp van een vertrouwenspersoon, wenden tot zijn manager of een klacht indienen bij de commissie. 3. Een klacht bij de commissie wordt gericht aan de Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu, EC O&P, Postbus 20011, 2500 EA Den Haag. § 3. Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu Artikel 3 Er is een Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu. Artikel 4 1. De commissie wordt telkens na het indienen van een klacht samengest"},{"b":"Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Ministeries:* *de kerndepartementen en de daaronder ressorterende organisaties zonder rechtspersoonlijkheid en andere overheidsorganisaties en hun medewerkers, indien zij met de Commissie afspraken hebben gemaakt om van de diensten van de Commissie gebruik te kunnen maken;* - b. *CAOP:* *Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel;* - c. *ICOP:* *Interdepartementale Commissie Organisatie- en Personeelsbeleid;* - d. *Klachtenregeling:* *Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk;* - e. *De Klachtencommissie:* *Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk;* Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk. 2. De Klachtencommissie heeft als taken; - a. De Klachtencommissie behandelt klachten volgens de regels van de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk. - b. De Klachtencommissie behandelt klachten van (ex) medewerkers van het Rijk en andere organisaties die de CAO-Rijk op hun arbeidsrelaties van toepassing hebben verklaard inzake ongewenste omgangsvormen als bedoeld in artikel 2 onder a van de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk. - c. De Klachtencommissie brengt een rapport van bevindingen en advies uit over de behandelde klachten. - d. De Klachtencommissie draagt zorg voor een onafhankelijke, onpartijdige en zorgvuldige afhandeling van de klacht. - e. De Klachtencommissie draagt zorg voor jaarlijkse rapportages. Artikel 3. Leden Klachtencommissie, benoeming en ontslag 1. De Klachtencommissie bestaat uit een algemeen voorzitter, maximaal 5 plaatsvervangende voorzitters en maximaal 30 leden. 2. De voorzitters, plaatsvervangend voorzitters en leden van de Klachtencommissie worden geworven en geselecteerd door een commissie bestaande uit de GOR Rijk, CAOP en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. De leden van de Klachtencommissie worden n"},{"b":"Besluit instelling Regiegroep Dienstverlening en e-overheid Artikel 1 Er is een Regiegroep Dienstverlening en e-overheid, hierna te noemen: de regiegroep. Deze regiegroep wordt ingesteld voor de periode tot 1 januari 2015. Artikel 2 De regiegroep heeft tot taak: - a. de inhoudelijke coördinatie op het gebied van dienstverlening en e-overheid te verbeteren, - b. de samenhang van initiatieven op het terrein van dienstverlening en e-overheid te bewaken. - c. risico’s en kansen te signaleren en te agenderen op het gebied van de implicaties van het zijn van informatie-Overheid. Artikel 3 1. De regiegroep wordt voorgezeten door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en bestaat uit de leden: - a. de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, - b. drie bestuurlijke vertegenwoordigers namens de gemeenten op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waaronder de voorzitter van de VNG-subcommissie Gemeentelijke Dienstverlening en Informatiebeleid, - c. een lid van de directieraad van de VNG, - d. een bestuurlijk vertegenwoordiger namens de provincies op voordrachtvan het Interprovinciaal Overleg (IPO) , - e. de algemeen directeur van het IPO, - f. een bestuurlijke vertegenwoordiger namens de waterschappen op voordracht van de Unie van Waterschappen (UvW), - g. de algemeen directeur van de UvW, - h. de plaatsvervangend Directeur Generaal Ruimte en Water van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, - i. de Directeur Regeldruk en ICT- beleid van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, - j. de voorzitter van de Manifestgroep. 2. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Algemene Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën, Veiligheid en Justitie en Onderwijs Cultuur en Wetenschap, zijn agendalid en kunnen, op niveau van secretaris- generaal of directeur -generaal, op verzoek aan het overleg van de BRG deelnemen. 3. Het secretar"},{"b":"Besluit instelling Stuurgroep 'Handhaven op niveau' Instelling en taak Artikel 1 Er is een stuurgroep 'Handhaven op niveau', hierna te noemen stuurgroep. Artikel 2 1. De stuurgroep heeft tot taak: - a. initiatieven te nemen ter verbetering van de samenwerking en de professionalisering van de handhaving op het terrein van de ordeningswetgeving; - b. lopende initiatieven ter verbetering van de samenwerking en de professionalisering van de handhaving op het terrein van de ordeningswetgeving te ondersteunen; - c. het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van het actieprogramma 'Handhaven op niveau', met inbegrip van het adviseren omtrent de toekenning van financiële middelen; - d. te adviseren over aangelegenheden betreffende de handhaving van de ordeningswetgeving, voorzover daarin nog niet is voorzien. 2. De stuurgroep neemt bij haar werkzaamheden tot uitgangspunt het kabinetsstandpunt 'Handhaven op niveau' (1999-2000, 26 800 VI, nr. 67). 3. De Minister van Justitie kan de stuurgroep verzoeken bepaalde onderwerpen bij voorrang te behandelen. Samenstelling Artikel 3 In de stuurgroep hebben zitting: - a. als voorzitter, en tevens lid: dr. R.W. Welschen; - b. als leden: ir. P.A.E. van Erkelens, voorzitter van het Waterschap Regge en Dinkel; mr. C. Riezenbos, plaatsvervangend directeur Bestuurlijke en Financiële Organisatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; mr. H.J. Haverkamp, directeur Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD); mevr. drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, burgemeester van de gemeente Hof van Twente; mr. B. Poelert, korpschef Politie Gelderland-Zuid; mr. S. Tempel, hoofd Advocaat-generaal ressortparket Leeuwarden; mr. J.L. de Wijkerslooth, voorzitter van het College van procureurs-generaal; mevr. prof. mr. C.P.M. Cleiren, hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht, Rijksuniversiteit Leiden; prof. mr. drs. F.C.M.A. Michiels, hoogleraar bestuursrecht in het bijzonder omgevingsrecht, Universiteit Utrecht; mr. J. Stam, directeu"},{"b":"Besluit instelling Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt Artikel 1 Er is een Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt zoals wordt beschreven in het beleidsprogramma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad. Artikel 2 De Task Force levert een bijdrage aan het bereiken van de doelstellingen zoals geformuleerd is in het beleidsprogramma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad en richt zich op: - – het ontwikkelen en implementeren van een programmatische aanpak van de georganiseerde hennepteelt die zich richt op de gehele productieketen, waaronder de facilitatoren zoals growhops, voortbouwend op de informatie die reeds is vergaard 1o.a. ‘De wereld achter de wietteelt’, Spapens 2007 en de Pilot ‘hennep en georganiseerde criminaliteit’, Openbaar Ministerie 2007.; - – een zichtbare reductie van de grootschalige hennepteelt in Nederland. Artikel 3 In de Task Force nemen diverse partijen deel die betrokken zijn bij de problematiek van de georganiseerde hennepteelt en die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en aanpakken daarvan. De partijen uit de Task Force nemen deel met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid. Artikel 4 De Task Force heeft als taken: - – het signaleren van knelpunten bij de aanpak van de georganiseerde hennepteelt en deze oplossen dan wel adresseren aan de verantwoordelijke partijen; deelnemers dragen bij aan de oplossing van knelpunten vanuit de eigen verantwoordelijkheid en met oog voor de maatschappelijke noodzaak tot een gemeenschappelijke aanpak van het fenomeen. Hierin speelt de Task Force een aanjagende rol. - – het ondersteunen van de programmatische aanpak met behulp van het barrièremodel. Hierbij ligt de nadruk op de hindernissen die genomen moeten worden om wensen om te zetten in besluiten door onder andere: - – het volgen van een aantal voorbeeldzaken, binnen de bestaande wettelijke kaders die gelden voor de verschillende partijen, waarin de programmatische aanpak wordt toegepast en verder ontwikkeld; - – het uitwissel"},{"b":"Besluit instelling van het Strategisch Overleg Vitale Infrastructuur Artikel 1 Er is een Strategisch Overleg Vitale Infrastructuur. Artikel 2 Het overleg bestaat in ieder geval uit een voorzitter, een deelnemer per vitale sector, een vertegenwoordiger van de Vereniging VNO-NCW en een vertegenwoordiger van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie en Economische Zaken. Artikel 3 Doelstelling van het overleg is het structureel borgen van overleg tussen overheid en bedrijfsleven in het kader van de bescherming van de vitale infrastructuur. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2006. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit SOVI."},{"b":"Besluit instemming overbrenging veroordeelde BES Artikel 1 1. De veroordeelde te wiens aanzien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat hij in aanmerking komt om naar een vreemde staat te worden overgebracht teneinde aldaar een hem door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde, tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie te ondergaan of verder te ondergaan, wordt, alvorens een beslissing tot overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie wordt genomen, in de gelegenheid gesteld te verklaren daarmee in te stemmen. 2. Dit besluit berust op [artikel 599 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=599). Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028354&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde verklaring wordt, op schriftelijke vordering van de procureur-generaal, afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken. 2. De veroordeelde kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een advocaat. Zo nodig, wordt de veroordeelde hierop gewezen door de rechter-commissaris. Artikel 3 1. Een consulaire vertegenwoordiger van de vreemde staat, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028354&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), wordt door de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld bij het afleggen van de verklaring door de veroordeelde tegenwoordig te zijn. 2. De rechter-commissaris kan toestaan dat ook andere vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde staat bij het afleggen van de verklaring tegenwoordig zijn. Artikel 4 De veroordeelde wordt, alvorens hij de verklaring aflegt, door de rechter-commissaris op de mogelijke gevolgen daarvan opmerkzaam gemaakt. Artikel 5 1. De veroordeelde kan de verklaring niet intrekken. 2. Indien de overbrenging van de veroordeelde binnen vier maanden na het tijdstip waarop de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"b":"Besluit interdisciplinaire Regiegroep bestrijding voetbalvandalisme en -geweld Artikel 1. Interdisciplinaire Regiegroep Er is een interdisciplinaire Regiegroep bestrijding voetbalvandalisme en -geweld (verder: de Regiegroep). Artikel 2. Taak De Regiegroep heeft tot taak: - – het formuleren van beleidsuitgangspunten en het afstemmen van het gebruik van beleidsinstrumenten op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld; - – het vormen van een platform voor het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld; - – het initiëren van beleidsontwikkelingen en eventueel daarvoor benodigd onderzoek op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld. Artikel 3. Samenstelling In de Regiegroep hebben zitting: - a. De directeur Politie namens het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als voorzitter tevens lid; - b. De directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden namens het Ministerie van Justitie, als lid; - c. De directeur betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, namens de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond en de Eredivisie C.V., als lid; - d. Een hoofdofficier van Justitie namens het Openbaar Ministerie, als lid; - e. Een afgevaardigde uit de Raad van Hoofdcommissarissen, als lid; - f. Een burgemeester, namens de voetbalburgemeesters, wethouders Sport en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, als lid; - g. Een medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als secretaris; - h. De voorzitter van het auditteam voetbalvandalisme, als toehoorder en adviseur. Artikel 4. Expertgroep 1. De Regiegroep wordt bijgestaan door een Expertgroep. 2. De Expertgroep bereidt de vergaderingen voor van de Regiegroep. 3. In de Expertgroep hebben zitting door de leden van de Regiegroep uit hun organisatie aan te wijzen personen en andere experts die daartoe aangewezen zijn. 4. De Expertgroep wordt voorgezeten door de secretaris van"},{"b":"Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Soesterberg Artikel 1 1. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het aanwijzen van het militaire luchtvaartterrein Soesterberg nr. 260.023/F van 8 juni 1961 (Stcrt. nr. 118), zoals gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk Besluit nr. 42 van 3 juli 1962 (Stcrt. nr. 185), wordt ingetrokken. 2. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het vaststellen van de geluidszone rond het militaire luchtvaartterrein Soesterberg nr. MG93019049/MG93019055 van 22 maart 1993 (Stcrt. nr. 61), nadien gewijzigd door een voorlopige voorziening van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2004 nr. 200403892/1, wordt ingetrokken. Artikel 2 Aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden, wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Soesterberg. Dit besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en in de daarvoor in aanmerking komende plaatselijke bladen, waarbij wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Een exemplaar van dit besluit wordt gezonden aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de besturen van de provincie Utrecht en de gemeenten Amersfoort, De Bilt, Leusden, Soest en Zeist, de commissie bedoeld in [artikel 28 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=28), alsmede aan: - • Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Inspectie Verkeer en Waterstaat; - • Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme"},{"b":"Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Valkenburg Artikel 1 1. Het besluit van de minister van Defensie tot het aanwijzen van het militaire luchtvaartterrein Valkenburg nr. 221.195/T van 4 mei 1960 (Stcrt. 95) en aangevuld met het besluit nr. 221.195/2A van 26 juni 1961 (Stcrt. 128) wordt ingetrokken. 2. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het vaststellen van de geluidszone rond het militaire luchtvaartterrein Valkenburg nr. MG93089854 van 9 november 1993 (Stcrt. 219) wordt ingetrokken. Artikel 2 Aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Valkenburg."},{"b":"Besluit intrekking BAW 2005 Artikel 1 De navolgende beleidsregels en besluiten worden ingetrokken: - – [Beleidsregels aanbesteding van werken 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018877); - – [Besluit invoering Aanbestedingsreglement Werken 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018876). Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033390&artikel=1&z=2013-05-17&g=2013-05-17) aangehaalde beleidsregels houden slechts werking voor opdrachten waarvan de aankondiging of de uitnodiging tot inschrijving is geschied op of voor 31 maart 2013. Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit intrekking BAW 2005."},{"b":"Besluit intrekking enkele regelingen en tariefbeschikkingen in de GGZ Artikel 1. Doel van dit besluit Dit besluit beoogt enkele regelingen en tariefbeschikkingen in de GGZ, die nog niet waren ingetrokken, alsnog in te trekken. Artikel 2. Intrekken regelingen 1. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling bepalingen GGZ-prestaties 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020920) met kenmerk GG/NR-100-050 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 2. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling Verplichte aanlevering minimale dataset GGZ Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031643) met kenmerk NR/CU-519 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 3. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling aanpassing declaratiebepalingen DBC's in de curatieve GGZ met betrekking tot hoofdbehandelaarschap en verblijf 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037673) met kenmerk NR/CU-570 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 4. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling generalistische basis-ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038399) met kenmerk NR/REG-1716 ingetrokken. 5. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Nadere regel ‘Gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038433)’ met kenmerk NR/REG-1729 ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het be"},{"b":"Besluit intrekking UWV-beleid (recht op uitkering bij werkloosheid vanwege vorst en andere buitengewone natuurlijke omstandigheden in bepaalde sectoren) Artikel 1 Het beleid van de bedrijfsverenigingen inzake de toepassing van [art. 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=18) voor de sectoren 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 18, 22, 23, 32, 52 en BV 27, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit Richtlijnen Lisv bij uitvoering beleid, wordt met ingang van 1 april 2009 ingetrokken. Artikel 2 Het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit handhaving en intrekking BV-beleid oktober 1998,wordt met ingang van 1 april 2009 ingetrokken. Artikel 3 Het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit Richtlijnen Lisv bij uitvoering beleid en het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit handhaving en intrekking BV-beleid oktober 1998, blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering dat is ontstaan voor 1 april 2009. Artikel 4 Dit besluit treedt op 1 april 2009 in werking."},{"b":"Besluit intrekking, schorsing en opschorting Wet algemene ouderdomsverzekering BES Artikel 1. Intrekking of herziening van het recht op ouderdomspensioen bij onjuiste of onvolledige informatieverstrekking 1. Indien een ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, dan wel ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verhoogd als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door degene, aan wie het ouderdomspensioen is toegekend of door het orgaan, waaraan op grond van [artikel 14 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=14) ouderdomspensioen wordt uitbetaald, kan Onze Minister de intrekking of de herziening van het ouderdomspensioen laten ingaan op de dag, met ingang waarvan het ouderdomspensioen is toegekend, dan wel is verhoogd. 2. Indien intrekking of herziening van een ouderdomspensioen ten onrechte achterwege is gebleven door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in [artikel 34 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=34), kan Onze Minister de intrekking of de herziening van het ouderdomspensioen laten ingaan op de eerste dag van de maand, volgende op de maand, waarin de verandering van feiten of omstandigheden zich heeft voorgedaan. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die is gehuwd met degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend of een recht op toeslag op het ouderdomspensioen als bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a). Artikel 2. Intrekking of herziening na toekenning van het ouderdomspensioen wegens het ontbreken van premiebetaling 1. Indien Onze Minister na de toekenning van een ouderdomspensioen constateert dat een gepensioneerde schuldig nalatig is geweest premie te betalen, kan Onze Minister het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht intrekken of h"},{"b":"Besluit invoer kleine dieren BES Artikel 1 1. Onder kleine dieren wordt in dit besluit verstaan de tot de hierna genoemde biologische indeling behorende dieren: - a. de hond (canis domesticus) - b. de kat (felis domestica) - c. de familie der hondachtige - d. de familie der katachtige - e. de familie der hyena-achtige - f. de familie der marterachtigen - g. de familie der beren - h. de familie der haasachtige - i. de familie der halfhoevige - j. de familie der eekhoornachtige - k. de familie der muisachtige - l. de orde der apen - m. de orde der vleermuizen. 2. Bij ministeriële regeling kan dit besluit geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard op andere kleine dieren. Artikel 2 1. Het is verboden kleine dieren in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba in te voeren zonder een geldige gezondheidsverklaring. 2. Een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës is bovendien vereist voor het invoeren of doorvoeren van de onder a., b. en e. van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde diersoorten. 3. Een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës kan vereist worden voor het invoeren of doorvoeren van de onder c., d., f., g., h., i., j., k., l. en m. genoemde diersoorten. 4. Bij ministeriële regeling kunnen andere voorschriften worden gegeven waaraan bij de invoer of doorvoer van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde diersoorten moet worden voldaan. Artikel 3 1. Indien niet aan de in of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) gestelde voorwaarden is voldaan, moet het betrokken dier onmiddellijk in quarantaine worden gesteld. In dat geval is de vervoerder die het dier heeft aangebracht, verplicht dit per eerstvolgende gelegenheid terug of door te voeren. 2. De kosten van onderhoud en verpleging van het dier komen gedurende de quarantainetijd ten last"},{"b":"Besluit inwerkingtreding SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 Artikel 1 Het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 treedt in werking op 5 september 2001. Artikel 2 1. Onverminderd het in artikel 1 bepaalde blijft het SER-besluit Fusiegedragsregels 1975 in stand tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de Wet. De Commissie voor Fusieaangelegenheden blijft tot dat tijdstip belast met het toezicht op gedragingen ter zake van openbare biedingen die ingevolge [artikel III van de Wet obe](https://wetten.overheid.nl/BWBR0012349) niet vallen onder [artikel 6a, eerste en derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6a). 2. Met het toezicht op andere fusiezaken dan de in het vorige lid van dit artikel genoemde, welke op de voet van het SER-besluit Fusiegedragsregels 1975 vóór de datum van inwerkingtreding van het SER- besluit Fusiegedragsregels 2000 ter kennis van de Commissie zijn gebracht blijft de Commissie belast tot uiterlijk 5 maart 2002. De alsdan nog niet afgesloten zaken worden per die datum ter afhandeling overgedragen aan het secretariaat van de raad of, voor zoveel nodig, aan de Geschillencommissie Fusiegedragsregels bedoeld in artikel 9 van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000. Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek onderzoek SBK Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013:* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *SBK:* erkende brancheorganisatie Stichting Brancheorganisatie Kalversector; - c. *Onderzoeks- en innovatieprogramma:* Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=A&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - d. *Registratieregeling:* Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=B&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling:* Regeling verplichte financiële bijdragen Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=C&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - f. *niet bij SBK aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in paragraaf 1, onderdeel b van de Registratieregeling en van paragraaf 1, onderdeel b van de Bijdrageregeling, voor zover dit ondernemers betreft die geen lid zijn van één of meer van de organisaties die verbonden zijn aan SBK. Artikel 2 Het Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector is overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van Verordening 1308/2013 verbindend voor niet bij SBK aangesloten marktdeelnemers met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027. Artikel 3 Overeenkomstig artikel 165 van Verordening 1308/2013 zijn Regeling verplichte registra"},{"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek onderzoeks- en innovatieagenda AVINED Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013:* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *AVINED:* erkende brancheorganisatie Stichting AVINED; - c. *Onderzoeks- en innovatieagenda:* Onderzoeks- en innovatieagenda Nederlandse pluimveesector 2021–2027, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=A&z=2021-04-02&g=2021-04-02) van dit besluit; - d. *Registratieregeling:* Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking onderzoeks- en innovatieagenda Nederlandse pluimveesector, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=B&z=2021-04-02&g=2021-04-02) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling:* Regeling verplichte financiële bijdragen onderzoeks- en innovatieagenda voor de Nederlandse pluimveesector, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=C&z=2021-04-02&g=2021-04-02) van dit besluit; - f. *niet bij AVINED aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in [§ 1, onderdeel g, van de Registratieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=B&z=2021-04-02&g=2021-04-02) en in [§ 1, onderdeel f van de Bijdrageregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=C&z=2021-04-02&g=2021-04-02). Artikel 2 De Onderzoeks- en innovatieagenda is overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van Verordening 1308/2013 verbindend voor niet bij AVINED aangesloten marktdeelnemers met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027. Artikel 3 Overeenkomstig artikel 165 van Verordening 1308/2013 zijn de [Registratie"},{"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek POV Nederlandse varkenssector Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013:* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *POV:* de vereniging Producentenorganisatie Nederlandse varkenssector; - c. *Onderzoeks- en Innovatieagenda:* de Onderzoeks- en Innovatieagenda 2021–2027 zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046146&bijlage=A&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - d. *Registratieregeling POV:* Regeling verplichte registratie bijdrage Onderzoeks- en Innovatieagenda Nederlandse varkenssector 2021–2027, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046146&bijlage=B&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling POV:* Regeling verplichte financiële bijdragen Onderzoeks- en Innovatieagenda Nederlandse varkenssector 2021–2027, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046146&bijlage=C&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - f. *niet bij de POV aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in paragraaf 1, onderdeel d, van de Registratieregeling POV en paragraaf 1, onderdeel c, van de Bijdrageregeling POV, voor zover dit ondernemers betreft die geen lid zijn van de POV. Artikel 2 De Onderzoeks- en Innovatieagenda is overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van Verordening 1308/2013 verbindend voor niet bij de POV aangesloten marktdeelnemers met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027. Artikel 3 Overeenkomstig artikel 165 van Verordening 1308/2013 zijn de Registratieregeling POV en de Bijdrageregeling POV van toepassing op niet bij de POV aangesloten marktdeelnemers"},{"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je kas 2026–2027 brancheorganisatie Sierteeltproducten Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Verordening 1308/2013;* Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. *BO Sierteelt:* de vereniging Brancheorganisatie Sierteeltproducten; - c. *Programma KijK:* het Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je Kas zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051786&bijlage=A&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit; - d. *Registratieregeling BO Sierteelt:* Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Brancheorganisatie Sierteeltproducten 2026–2027, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051786&bijlage=B&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit; - e. *Bijdrageregeling BO Sierteelt:* Regeling verplichte financiële bijdragen glastuinbouw t.b.v. Gezamenlijk programma onderzoek en innovatie Kennis in je Kas, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051786&bijlage=C&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit; - f. *niet bij de BO Sierteelt aangesloten marktdeelnemers:* Ondernemers als bedoeld in paragraaf 1, onderdeel d. van de [Registratieregeling BO Sierteelt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051786&bijlage=B&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en paragraaf 1, onderdeel d, van de [Bijdrageregeling BO Sierteelt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051786&bijlage=C&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover dit ondernemers betreft die geen lid zijn van één of meer van de verenigingen die lid zijn van de BO Sierteelt. Artikel 2 Het Programma KijK is overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van Verordening 1"},{"b":"Besluit inzake bekrachtiging besluiten in het kader van de Wbtv en de Wsnp Artikel I tot bekrachtiging van de, door medewerkers in de functie van: - • administratief medewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - • medewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - • stafmedewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - • Hoofd Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers gedurende de periode 13 juli 2016 tot heden, volgende genomen besluiten: op grond van: - – [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. - – de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). - – de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover de bestuurlijke aangelegenheid taken en bevoegdheden in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008 en bevoegdheden met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [art"},{"b":"BESLUIT INZAKE DE TERMIJN VAN BEPERKING VAN DE OPENBAARHEID VAN DE NAAR DE RIJKSARCHIEFBEWAARPLAATS OVER TE BRENGEN DOSSIERS VAN HET ARCHIEF ADOPTIE BUITENLANDSE KINDEREN: DIRECTIE JUSTITIEEL JEUGDBELEID EN TAAKVOORGANGERS VAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE 1971–2005 (2015) Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het [voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050869), kenmerk 5432112, van het archief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te beperken tot en met 100 jaar na de sluiting van het dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers van het archief adoptiedossiers van de raad voor de kinderbescherming, geboortejaren tot en met 1969 (nummer toegang 2.09.163) Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk HBJD OAD'69, van het archief van de Raad voor de Kinderbescherming te beperken tot en met 100 jaar na de geboortedatum van de personen op wie de dossiers betrekking hebben. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers van het archief van de Centrale Adoptieraad (Centrale adoptiedocumentatie) 1957–1999 (nummer toegang 2.09.125) Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 4252484, van het archief van de Centrale Adoptieraad te beperken tot en met 100 jaar na de geboortedatum van de personen op wie de dossiers betrekking hebben. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaatsen over te brengen dossiers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in Bangladesh (1971) 1975–2013 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de volgende naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in Bangladesh (1971) 1975–2013 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt vastgesteld voor 100 jaar na afsluiting van het betreffende dossier: | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 33 | 2082 | | 34 | 2085 | | 437 | 2107 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit inzake lijst van verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) verplicht is, Autoriteit Persoonsgegevens Besluit De Autoriteit Persoonsgegevens, gelet op artikel 35, vierde lid, in samenhang bezien met artikel 57, eerste lid, onder k, van de Algemene verordening gegevensbescherming; gezien de “Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een verwerking “waarschijnlijk een hoog risico inhoudt” in de zin van Verordening 2016/679” d.d. 4 april 2017, laatstelijk gewijzigd en vastgesteld op 4 oktober 2017, van de European Data Protection Board (hierna: de Richtsnoeren); *overwegende:* dat in de Richtsnoeren negen criteria zijn vermeld die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) moet worden uitgevoerd, te weten in het geval dat sprake is van: - 1. Evaluatie of scoretoekenning - 2. Geautomatiseerde besluitvorming met rechtsgevolg of vergelijkbaar wezenlijk gevolg - 3. Stelselmatige monitoring - 4. Gevoelige gegevens of gegevens van zeer persoonlijke aard - 5. Op grote schaal verwerkte gegevens - 6. Matching of samenvoeging van datasets - 7. Gegevens met betrekking tot kwetsbare betrokkenen - 8. Innovatief gebruik of innovatieve toepassing van nieuwe technologische of organisatorische oplossingen - 9. de situatie waarin als gevolg van de verwerking zelf \"betrokkenen [...] een recht niet kunnen uitoefenen of geen beroep kunnen doen op een dienst of een overeenkomst\"; dat voor alle soorten verwerkingen van persoonsgegevens die op de lijst staan, is aangegeven welk criterium uit de Richtsnoeren in aanmerking is genomen; dat voor alle soorten verwerkingen van persoonsgegevens die op de lijst staan, onverkort geldt dat moet worden voldaan aan alle verplichtingen die de Algemene verordening gegevensbescherming stelt; dat de lijst omschrijvingen van soorten verwerkingen bevat waarbij het uitgangspunt is dat de verwerkingsverantwoordel"},{"b":"Besluit inzake projectsubsidies voor ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’ 2026 Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem’ voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen en/of middelbare scholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en/of middelbare scholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen en/of middelbare scholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. Het Algemeen bestuurscollege beslist binnen 13 weken na de datum van ontvangst op de aanvraag. Artikel 3. Omvang en verdeling van de subsidie 1. Het subsidieplafond voor het tijdvak waarin deze regeling geldt is € 100.000,–. 2. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. 3. Een subsidie bedraagt € 4.500,– per ingezette leesconsulent. Er kan per subsidieontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. 4. Een bibliotheek kan maximaal één keer per kalenderjaar een subsidie ontvangen. Artikel 4. Verplichtingen 1. De subsidiabele act"},{"b":"Besluit inzake projectsubsidies voor ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’, Koninklijke Bibliotheek 2023–2024 Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem’ voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. Het Algemeen bestuurscollege beslist binnen 13 weken na de datum van ontvangst op de aanvraag. Artikel 3. Omvang en verdeling van de subsidie 1. Het subsidieplafond voor het tijdvak waarin deze regeling geldt is € 400.000,– 2. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. 3. Een subsidie bedraagt € 4.500,– per ingezette leesconsulent. Er kan per subsidieontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. 4. Een bibliotheek kan maximaal één keer per kalenderjaar een subsidie ontvangen. Artikel 4. Verplichtingen 1. De subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd conform het door d"},{"b":"Besluit inzake volginnovatie 2012 Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvoering van bovengenoemde regelingen, de gegevens gepubliceerd met betrekking tot: *In alle gevallen:* - • Aanvrager/ penvoerder; - • Postcode van aanvrager/ penvoerder; - • Verleend bedrag in euro’s; - • Jaar van verlening; - • Programma of regeling (beleidsinstrument op de Rijksbegroting); *Voor zover door de aanvrager reeds toestemming is verleend:* - • Projecttitel; - • Projectomschrijving; - • Medeaanvragers/ Partner(s); - • Projectvideo; - • Projectdocumentatie; De gegevens worden niet eerder dan drie weken na de bekendmaking van deze beslissing gepubliceerd op website www.agentschapnl.nl en op de website www.volginnovatie.nl . Wanneer binnen die drie weken een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking, vindt verstrekking in elk geval niet eerder plaats dan na de rechterlijke uitspraak op genoemd verzoek. 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, hebben uitsluitend betrekking op rechtspersonen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit inzake volginnovatie 2014 Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvoering van bovengenoemde regelingen, de gegevens gepubliceerd met betrekking tot: In alle gevallen: - • Aanvrager/ penvoerder; - • Postcode van aanvrager/ penvoerder; - • Verleend bedrag in euro’s; - • Jaar van verlening; - • Programma of regeling (beleidsinstrument op de Rijksbegroting); Voor zover door de aanvrager reeds toestemming is verleend: - • Projecttitel; - • Projectomschrijving; - • Medeaanvragers/ Partner(s); - • Projectvideo; - • Projectdocumentatie; De gegevens worden niet eerder dan drie weken na de bekendmaking van dit besluit gepubliceerd op website www.volginnovatie.nl en op de website www.rvo.nl Wanneer binnen die drie weken een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking, vindt verstrekking in elk geval niet eerder plaats dan na de rechterlijke uitspraak op genoemd verzoek. 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, hebben uitsluitend betrekking op rechtspersonen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit Jaarwinst *Dit besluit is een samenvoeging van de volgende vier besluiten over winstbepaling voor de jaarwinst: het besluit van 17 februari 2011, nr. BLKB 2011/178M, het besluit van 26 februari 2020, nr. 2019-129344, het besluit van 8 maart 2010, nr. DGB2010/1188M en het besluit van 16 juli 2014, nr. BLKB 2014/362M. Daarnaast zijn de teksten inhoudelijk en redactioneel aangepast. De inhoudelijke wijzigingen bestaan uit:* - 1. *Aanpassing van het onderdeel ‘NOx- en CO2-emissierechten’ vanwege de afschaffing van het systeem van NOx-emissiehandel per 2014.* - 2. *Aanpassing van de percentages in het onderdeel ‘personeelswoningen’ door gewijzigde wetgeving.* - 3. *Toevoeging van een onderdeel over het toerekenen van aanhorigheden aan gebouwen en de gevolgen voor de afschrijving naar aanleiding van vragen uit de praktijk.* *Met het samenvoegen van de besluiten en de overige aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.* 1. Inleiding In dit besluit zijn vier besluiten over winstbepaling voor de jaarwinst samengevoegd tot een meeromvattend besluit ‘Besluit Jaarwinst’. Ook besluiten die niet in dit besluit zijn samengevoegd kunnen relevant zijn voor het bepalen van de jaarwinst. De besluiten zijn samengevoegd om het overzicht voor en de bekendheid bij de gebruiker te vergroten en het actualiseren te vereenvoudigen. Daarnaast biedt dit besluit in de toekomst ruimte om goedkeuringen en standpunten te publiceren die zien op bepaling van de jaarwinst, maar de omschrijving of inhoud van de afzonderlijke besluiten te buiten gaan. Het gaat om de volgende vier besluiten die achtereenvolgens in dit besluit zijn samengevoegd. - − [Inkomstenbelasting. Vennootschapsbelasting. Winst uit onderneming; voorraadwaardering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029654). Besluit van 17 februari 2011, nr. BLKB 2011/178M. - − [Inkomstenbelasting. Vennootschapsbelasting. Goed koopmansgebruik: Passiefpost; Voorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043267). Besluit"},{"b":"Besluit juridische afsplitsing 2025 *Dit besluit bevat het beleid voor de juridische afsplitsing in de vennootschapsbelasting en vervangt het besluit van 12 augustus 2022, nr. 2022-188692, (Stcr. 2022, 22290). Met de actualisering van dit besluit is het volgende gewijzigd. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur. De beleidsmatige onderdelen van deze tekstblokken zijn in het huidige besluit verwerkt in de hoofdtekst van het besluit, een inhoudelijke beleidswijziging is niet beoogd. Paragraaf 3.3 verduidelijkt dat met het afgeven van een beschikking op grond van artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de inspecteur geen zekerheid verstrekt over de zogenoemde ontgaanstoets van artikel 14a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De toelichting op artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vervallen, omdat de kans klein is dat deze met ingang van 2006 vervallen bepaling via het overgangsrecht nog toepassing vindt. In paragraaf 7.2. geldt geen beperking meer voor de algemene toestemming van de inspecteur voor situaties waarbij de afsplitsende rechtspersoon of verkrijgende rechtspersoon de rechtsvorm heeft van een coöperatie. Voor de situatie dat de verkrijgende rechtspersoon valt onder artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de afsplitsende rechtspersoon niet, is in paragraaf 7.3.2. een (aanvullende) voorwaarde opgenomen. Paragraaf 8 over het meegeven van verliezen is zo geherformuleerd dat als voldaan wordt aan de voorwaarden, de goedkeurende regeling direct van toepassing is. Een voorafgaande beslissing door de inspecteur is niet meer vereist. Door deze aanpassing is het beleid voor het meegeven van verliezen bij juridische afsplitsing nu procedureel gelijk aan dit beleid bij de andere reorganisatiefaciliteiten. De inhoudelijke voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring zijn ongewijzigd. Paragraaf 8.5 ‘Andere subjectgebonden aanspraken’ is"},{"b":"Besluit kleurstoffen in levensmiddelen BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *kleurstoffen:* stoffen welke kleur geven of teruggeven aan eet- of drinkwaren, met inbegrip van natuurlijke bestanddelen van eet- of drinkwaren en andere natuurlijke bronnen, die normaliter niet als eet- en drinkwaar worden gebruikt, alsmede preparaten die uit eet- of drinkwaren en ander natuurlijk uitgangsmateriaal verkregen zijn via een fysische of chemische behandeling die resulteert in een selectieve extractie van de kleurstof met betrekking tot de aromatische of voedingsbestanddelen; - b. *quantum satis:* een hoeveelheid kleurstoffen, toegevoegd aan eet- of drinkwaren overeenkomstig goede produktie-methoden, die niet groter is dan voor het beoogde doel nodig is; - c. *onverwerkte eet- of drinkwaar:* een eet- of drinkwaar die geen behandeling heeft ondergaan welke een ingrijpende wijziging veroorzaakt in de oorspronkelijke staat daarvan, met dien verstande dat die eet- of drinkwaar gesneden, verdeeld, uitgebeend, gehakt, geschild, gewassen, gemalen, schoongemaakt, diepgevroren, ingevroren, gekoeld, ontkorst, gedopt, verpakt of niet-verpakt kan zijn. 2. Dit besluit heeft geen betrekking op: - a. gedroogde of geconcentreerde eet- of drinkwaren, en smaakstoffen die wegens de aromatische, smaakgevende of voedingseigenschappen worden gebruikt voor de bereiding van samengestelde eet- en drinkwaren, en die als bijkomend effect kleur geven aan eet- en drinkwaren; - b. kleurstoffen die worden gebruikt voor het kleuren van niet voor menselijke consumptie bestemde oppervlaktelagen van eetwaren. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619&artikel=3). Artikel 2 Uitsluitend de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028346&bijlage=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde kleurstoffen mogen: - a. worden gebruikt in eet- en drinkwaren; - b. worden gebruikt voor het ter versi"},{"b":"Besluit Korps Mobiele Colonnes 1989 Functie van het Korps Mobiele Colonnes Artikel 1 Het Korps Mobiele Colonnes is een militaire eenheid, die ressorteert onder de Bevelhebber der landstrijdkrachten, en is bestemd om taken te vervullen in het kader van de rampenbestrijding en in het kader van de drinkwatervoorziening in buitengewone omstandigheden. Artikel 2 Het Korps Mobiele Colonnes is belast met: - a. redding; - b. geneeskundige hulpverlening; - c. gewondentransport; - d. nooddrinkwaterleidingvoorziening; - e. waterzuivering. Taken en bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken Artikel 3 De minister van Binnenlandse Zaken stelt in overeenstemming met de minister van Defensie en met inachtneming van het bepaalde in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=9&z=1989-09-21&g=1989-09-21), de hoofdlijnen vast van de organisatie van het Korps Mobiele Colonnes alsmede van de wijze waarop de taken, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=2&z=1989-09-21&g=1989-09-21), worden uitgevoerd. Artikel 4 De minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met de minister van Defensie en met inachtneming van het bepaalde in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=9&z=1989-09-21&g=1989-09-21), met betrekking tot het Korps Mobiele Colonnes regels over de met betrekking tot de opleiding te stellen eindeisen en de geoefendheid van het personeel. Artikel 5 1. De minister van Binnenlandse Zaken draagt met betrekking tot het Korps Mobiele Colonnes, met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=3&z=1989-09-21&g=1989-09-21) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=4&z=1989-09-21&g=1989-09-21) en de hem voor het Korps Mobiele Colonnes ter beschikking staande financiële middelen, zorg voor: - a de aanschaf, de opslag en magazijnruimte, het beheer, het onderhoud en het herstel van de materiële uitrusti"},{"b":"Besluit Kosovo-medaille Artikel 1 Er wordt ingesteld de Kosovo-medaille. Artikel 2 1. De Kosovo-medaille is van bronskleurig metaal vervaardigd en is cirkelvormig met een middellijn van 30 millimeter. De voorzijde van de medaille vertoont vier elkaar kruisende zwaarden, waarvan de lemmeten naar boven zijn gericht, met over de lemmeten een lauwerkrans van twee takken, alles in reliëf. De keerzijde van de medaille vertoont langs de rand een met lint omwonden, gesloten lauwerkrans, met binnen langs de lauwerkrans aan de bovenzijde de woorden ‘UIT ERKENTELIJKHEID’, aan de onderzijde de woorden ‘DE MINISTER VAN DEFENSIE’ en in het midden horizontaal de aanduiding ‘KOSOVO’, alles in reliëf. 2. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint van 27 millimeter breed, verdeeld in banen van gelijke breedte, achtereenvolgens in de kleuren paars, wit, paars, wit en paars. Artikel 3 1. De Kosovo-medaille wordt eenmalig toegekend aan hen die van overheidswege in Nederlands militair verband daadwerkelijk zijn uitgezonden naar en hebben deelgenomen aan een of meer van de volgende operaties in en rond Kosovo: - a. Joint Guarantor/Extraction Force, - b. Eagle Eye/Noble Anvil (NATO Kosovo Verificatie Missie), - c. Allied Force, - d. Allied Harvest, - e. Joint Guardian (KFOR), of - f. Provide Shelter. 2. De in het eerste lid bedoelde personen dienen bij hun deelname en optreden in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag te hebben getoond. 3. De mogelijkheid tot toekenning van de Kosovo-medaille eindigt met ingang van 1 januari 2015. 4. Het derde lid vindt geen toepassing ten aanzien van aanvragen om toekenning van de Kosovo-medaille, die bij het Ministerie van Defensie zijn ontvangen vóór 1 januari 2015. Artikel 4 Bij de uitreiking van de Kosovo-medaille ontvangt de begiftigde tevens een uniformbaton en een op naam gestelde oorkonde. Artikel 5 De Kosovo-medaille kan postuum worden toegekend. Artikel 6 1. De toekenning van de Kosovo-medaille k"},{"b":"Besluit kwalificatie Braziliaanse interest on net equity *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *In dit besluit wordt ingegaan op de kwalificatie van de betalingen van Braziliaanse “Interest on net equity” voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië.* 1. Inleiding In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de kwalificatie van de Braziliaanse “Juros sobre o capital próprio” (in het Engels aangeduid met “Interest on net equity” dan wel “Allowance for corporate equity”) voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot het inkomen1Trb. 1990, nr. 67. (hierna: “het Belastingverdrag”). Deze kwalificatie is van belang in verband met de hoogte van de op basis van het Belastingverdrag door Nederland eventueel te verlenen tax sparing credit. In dit besluit wordt toegelicht hoe deze “Interest on net equity” voor de toepassing van het Belastingverdrag geduid moet worden. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen - *IoNE* Interest on net equity - *TSC* Tax sparing credit - *Wet Vpb* [Wet op de Vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) 2. Kwalificatie van IoNE In Brazilië is het mogelijk om – naast regulier dividend – de aandeelhouders ook een IoNE te betalen. Dit is een vergoeding op basis van de omvang van het (netto) eigen vermogen. Naar Braziliaans civiel recht is deze vergoeding op één lijn te stellen met dividend. Voor Braziliaanse fiscale doeleinden wordt de vergoeding echter behandeld als interest. De betaling is aftrekbaar bij de betalende vennootschap en belast bij de aandeelhouder. Voor Nederlandse fiscale doeleinden wordt de IoNE aangemerkt als een voordeel uit hoofde van aandelenbezit. In de situatie dat dit een voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificerend aandelenbezit betreft was"},{"b":"Besluit kwaliteit drinkwater BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *ISO-norm 17025:* norm 17025, getiteld «Algemene eisen aan de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria» van de Internationale Organisatie voor Standaardisatie; - b. *Onze Minister:* Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op: - a. drinkwater als bedoeld in de [Wet drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028180), behoudens voor zover die bij of krachtens die wet van de werking van die wet zijn uitgesloten; - b. drinkwater verpakt in flessen of andersoortig klein verpakkingsmateriaal, niet zijnde mineraal water; en - c. drinkwater dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, voor zover dit water in direct contact komt of kan komen met deze producten of stoffen. Artikel 3 Bij dit besluit horen de volgende bijlagen: - a. [Bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028642&bijlage=A&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Minimum kwaliteitseisen, omvattende de volgende onderdelen: - Ia. Microbiologische parameters, openbare of interne watervoorziening. - Ib. Microbiologische parameters, drinkwater verpakt in flessen of andersoortig klein verpakkingsmateriaal - II. Chemische parameters - IIIa. Indicatoren – bedrijfstechnische parameters - IIIb. Indicatoren – organoleptische – esthetische parameters - IIIc. Indicatoren – signaleringsparameters; - b. [Bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028642&bijlage=B&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Bewaking en audit bij een openbare of een interne watervoorziening, omvattende de volgende tabellen: Tabel I. Bewaking en audit parameters voor drinkwater geleverd door een openbare of interne watervoorziening Tabel II. Meetfrequenties b"},{"b":"Besluit kwaliteitsaudits Wsnp-bewindvoerderorganisaties - • [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1998, nr. 447); - • [Artikel 3, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=3) en [artikel 7, lid 1 van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=7) (Staatsblad 2001, nr. 80 en Staatsblad 2004, nr. 200); - • [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447); stelt beleid vast ten aanzien van de kwaliteitsaudits voor bewindvoerderorganisaties. - 1. Alle erkende bewindvoerderorganisaties dienen zich te onderwerpen aan periodieke audits, waarbij de kwaliteit van de betreffende bewindvoerderorganisatie wordt getoetst. Dit geldt tevens voor advocatenkantoren, waar bewindvoerders niet-advocaat werkzaam zijn. Deze periodieke audits zullen in principe éénmaal in de drie jaar plaats vinden; - 2. de Raad voor Rechtsbijstand (hierna te noemen: de Raad) behoudt zich het recht voor ook tussentijds een audit af te nemen, indien daartoe aanleiding bestaat; - 3. tijdens de audit wordt getoetst in hoeverre de organisatie voldoet aan de geldende kwaliteitsstandaard Wsnp. Deze wordt vastgesteld door de Raad en is als bijlage opgenomen bij dit besluit; - 4. negatieve auditresultaten kunnen gevolgen hebben voor de erkenning van de organisatie. Daarnaast zijn andere maatregelen denkbaar om de organisatie aan te zetten tot het verbeteren van onvoldoende kwaliteit; - 5. indien de resultaten van de periodieke audit positief zijn, zal de betreffende organisatie een goedkeurende auditverklaring ontvangen; - 6. aan de periodieke audits zijn voor de bewindvoerderorganisaties geen kosten verbonden; - 7. organisaties die werkzaamheden in het kader van de Wsnp willen starten, zullen als on"},{"b":"Besluit landelijk overleg milieuwethandhaving § 1. Het Bestuurlijk landelijk overleg milieuwethandhaving Artikel 1 Er is een Bestuurlijk landelijk overleg milieuwethandhaving, verder te noemen BLOM. Artikel 2 1. Het BLOM heeft tot taak: - a. voorstellen te ontwikkelen voor doelmatige handhaving van meer dan provinciaal belang in Nederland; - b. de samenhang te bevorderen in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van onderdelen van het handhavingsbeleid zoals ketenhandhaving etc.; - c. voorstellen doen voor verbetering van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van regelgeving; - d. afspraken maken over gezamenlijke prioriteiten en de daarvoor benodigde capaciteit. - e. coördineren van handhavingsinspanningen van de handhavende instanties. - f. het coördineren van rapportages met betrekking tot de handhaving van milieuregelgeving aan de Europese Unie. 2. Het BLOM kan daartoe de met de handhaving van milieuregelgeving belaste overheidsorganen gevraagd of ongevraagd adviseren over: - a. de afstemming van hun handhavingsbeleid, waaronder het stellen van prioriteiten voor de handhaving van de milieuregelgeving; - b. hun operationele samenwerking bij de handhaving, waaronder de inzet van capaciteit voor de handhaving van de milieuregelgeving; - c. handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van milieuregelgeving; - d. andere onderwerpen met betrekking tot de handhaving van de milieuregelgeving. Artikel 3 1. Het BLOM stelt eenmaal per twee jaar een beleidsplan vast, waarin afspraken op strategisch niveau worden vastgelegd met betrekking tot de uitvoering van zijn taak. 2. Het BLOM stelt na afloop van de periode waarop een beleidsplan betrekking heeft, een verslag vast over de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven en de resultaten die daarmee zijn bereikt. 3. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt het beleidsplan en het verslag aan de Tweede Kamer. Artikel 4 1. De leden van het BLOM bevorderen dat de afspraken die zijn"},{"b":"Besluit Landelijke Commissie Geestelijke Volksgezondheid Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; b. de commissie: de commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010830&artikel=2&z=1999-11-17&g=1999-11-17); c. deskundige: persoon die de opdracht krijgt tot het schrijven van een essay over een door de commissie bepaald thema dat een relatie heeft met geestelijke volksgezondheid. Artikel 2 1. Er is een Landelijke Commissie Geestelijke Volksgezondheid. 2. De commissie heeft tot taak een analyse uit te voeren van de oorzaken die leiden tot een groeiende hulpvraag in de GGZ en aanbevelingen te doen over de wijze waarop zowel door de overheid als maatschappelijke organisaties kan worden bijgedragen aan verbetering van de geestelijke volksgezondheid. De commissie ontwikkelt hiertoe de volgende activiteiten: - a. een studie verrichten naar de verschijnselen en factoren die een belemmerende invloed hebben op de geestelijke volksgezondheid in Nederland; - b. inzichten en ideeën ontwikkelen die kunnen leiden tot structurele verbeteringen van de geestelijke volksgezondheid en tot een verhoging van de maatschappelijke effecten van de geestelijke gezondheidszorg en andere zorgsystemen; - c. het opdracht geven aan deskundigen tot het schrijven van essays over een aantal thema’s (8 tot 10) die een relatie hebben met geestelijke volksgezondheid. De commissie moet deze thema’s nader vaststellen; - d. het organiseren van meerdere besloten en enkele openbare discussiebijeenkomsten over deze thema’s op basis van de essays; - e. het organiseren van een openbare slotbijeenkomst begin 2001, ter afsluiting van het werk van de commissie; - f. het presenteren van een eindrapport, zoals genoemd in [artikel 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010830&artikel=4&z=1999-11-17&g=1999-11-17). Artikel 3 1. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. de heer mr. P. Kuypers, teve"},{"b":"Besluit Landelijke commissie medische aspecten van het vreemdelingenbeleid Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de staatssecretaris: de Staatssecretaris van Justitie; b. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; c. de commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012480&artikel=2&z=2001-05-13&g=2001-05-13). Artikel 2 1. Er is een Landelijke commissie medische aspecten van het vreemdelingenbeleid, hierna te noemen de commissie. 2. De commissie heeft tot taak na te gaan wat de invloed is van medische aspecten op de toestroom van vreemdelingen tot Nederland en is daartoe belast met: - a. het verrichten van deelonderzoek I (probleemanalyse) voor de periode 1995 tot en met 2000 naar: - i) het aantal vreemdelingen waar medische gronden mede een rol hebben gespeeld bij het verzoek om toelating tot Nederland; - ii) het aantal vreemdelingen waar medische gronden mede een rol hebben gespeeld bij het verkrijgen van een toelating tot Nederland; - iii) het aantal vreemdelingen aan wie in Nederland uitstel van vertrek op medische gronden is verleend; - iv) de aard van de medische gronden waarop toelating tot Nederland is verzocht of verkregen dan wel waarop uitstel van vertrek is verleend; - v) het stadium in de vreemdelingenrechtelijke procedure waarin de vreemdeling een beroep doet op medische gronden voor toelating of uitstel van vertrek; - vi) de ontwikkelingen in de toestroom in de afgelopen 5 jaar; - vii) de consequenties van de toestroom tot Nederland voor de kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg hier te lande; - b. het opdracht geven tot het verrichten van deelonderzoek II (vergelijkende studie) naar: - i. de mate waarin Nederland op grond van nationaal en internationaal recht verplicht is tot de toelating van vreemdelingen op medische gronden en verplicht is tot het doen van onderzoek bij een verzoek van vreemdelingen om toelating op medische gronden; - ii. het toelatingsbeleid e"},{"b":"Besluit levering verkoop, Inspectie Leefomgeving en Transport Juridisch kader Op grond van sectie 5.4.1.1.1 h) van [bijlage 1 (ADR) van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1) (VLG) mag de bevoegde autoriteit van het bij het vervoer betrokken land akkoord gaan om in plaats van de naam van de geadresseerden(n), de woorden *“Levering Verkoop”* op het vervoerdocument aan te geven, indien gevaarlijke goederen worden vervoerd om te kunnen afgeleverd bij diverse geadresseerden die niet geïdentificeerd kunnen worden bij het begin van het vervoer. In [bijlage 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3) (VLG) is de Inspectie Leefomgeving en Transport opgenomen als erkende instantie met betrekking tot de uitvoering van dit voorschrift Besluit: Ik besluit op grond van sectie 5.4.1.1.1 h) van het [ADR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1) akkoord te gaan dat in plaats van de naam en het adres van de geadresseerde(n) *“Levering Verkoop”* op het vervoerdocument mag worden vermeld, indien gevaarlijke goederen worden vervoerd om te worden afgeleverd bij diverse geadresseerden die niet geïdentificeerd kunnen worden bij het begin van het vervoer. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit limitering aansprakelijkheid telecommunicatie BES Artikel 1 De aansprakelijkheid van het openbaar lichaam of de houder van de concessie, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10) strekt zich niet verder uit dan tot: - a. een bedrag van USD 1.117.320,– per gebeurtenis bij schade als gevolg van dood of lichamelijk letsel; - b. een bedrag van USD 1.117.320,– per gebeurtenis bij schade als gevolg van een handelen in strijd met de [artikelen 390](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=390), [390 bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=390bis) en [391 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=391); - c. een bedrag van USD 2800 per benadeelde bij schade als bedoeld in [artikel 10, eerste lid aanhef en onderdeel c, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10), met een maximum van USD 1.117.320,– per gebeurtenis. Artikel 2 Indien ten gevolge van een gebeurtenis als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028336&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) meer dan een vordering ontstaat en de gezamenlijke vorderingen de daarbij per gebeurtenis gestelde maxima te boven gaan worden de vorderingen naar evenredigheid van de omvang daarvan voldaan. Artikel 3 Dit besluit berust op [artikel 10, tweede lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit limitering aansprakelijkheid telecommunicatie BES."},{"b":"Besluit loon- en inkomenssuppletie Artikel 1. Recente schattingsgegevens Bij de berekening van de hoogte van de loon- of inkomenssuppletie aan de hand van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=16) of [17 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=17) wordt uitgegaan van de resterende verdiencapaciteit zoals die bij de meest recente arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is vastgesteld. Artikel 2. Jonggehandicapten jonger dan 18 De resterende verdiencapaciteit van een jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie nog geen arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden, wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon dat hoort bij de leeftijd van de jonggehandicapte. Artikel 3. Dienstbetrekkingen van korte duur Geen loonsuppletie wordt toegekend indien een dienstbetrekking wordt aangegaan voor een kortere duur dan zes maanden. Artikel 4. Kennelijk onbedoeld gebruik Geen loon- of inkomenssuppletie wordt toegekend indien naar het oordeel van het UWV sprake is van kennelijk onbedoeld gebruik. Artikel 5. Intrekking Lisv-mededeling De [Regeling loon- en inkomenssuppletie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011350) (Mededeling M 2000.056 van het Landelijk instituut sociale verzekeringen) wordt ingetrokken, doch blijft van toepassing op aanvragen van loon- of inkomenssuppletie die betrekking hebben op een dienstbetrekking die vóór 29 december 2005 is aangevangen, respectievelijk een herplaatsing of de start of herstart in een zelfstandig beroep of bedrijf die vóór die datum heeft plaatsgevonden. Artikel 6. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van plaatsing in de Staatscourant, en werkt terug tot en met 29 december 2005."},{"b":"Besluit loondispensatie Wajong Artikel 1. Duidelijk verminderde arbeidsprestatie Een duidelijk verminderde arbeidsprestatie als bedoeld in de [artikelen 2:20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:20) en [3:63 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:63) wordt slechts aangenomen indien die prestatie een geldelijke beloning rechtvaardigt die, berekend per gewerkt uur, ten minste 25% lager ligt dan de beloning die voor dezelfde arbeid gebruikelijk is. Artikel 2. Minimale duur Loondispensatie wordt slechts verleend indien naar verwachting gedurende ten minste zes maanden sprake zal zijn van een duidelijk verminderde arbeidsprestatie. Artikel 3. Percentage van minimumloon Bij het verlenen van loondispensatie wordt de aanspraak van de werknemer op een geldelijke beloning voor de door hem verrichte arbeid, berekend per uur, vastgesteld op een percentage van het op grond van de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) voor hem geldende minimumloon per uur. Artikel 4. Aanvang van de loondispensatie Loondispensatie wordt steeds verleend met ingang van de eerste dag van de maand waarin deze is aangevraagd. Artikel 5. Duur van de loondispensatie Loondispensatie wordt verleend voor de periode waarin naar de verwachting van het UWV sprake zal zijn van een duidelijk verminderde arbeidsprestatie, doch ten hoogste voor vijf jaar. Na afloop van deze periode is verlenging mogelijk. Artikel 6. Werknemers jonger dan 18 jaar Ten aanzien van een werknemer jonger dan 18 jaar wordt loondispensatie steeds verleend met de bepaling dat deze eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, tenzij aan die werknemer arbeidsondersteuning als bedoeld in [artikel 2:15 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:15) wordt toegekend. Artikel 7. Intrekking Lisv-mededeling Het Besluit loondispensatie Wet Rea wordt ingetrokken, doch blijft van toepassing op lo"},{"b":"Besluit Luchtverkeer BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *ACAS (Airborne Collision Avoidance System):* een systeem aan boord van een luchtvaartuig, werkend met signalen van transponders en onafhankelijk van installaties op de grond, dat de gezagvoerder advies geeft over mogelijk conflicterende luchtvaartuigen die zijn uitgerust met een transponder; - *AFIS: («Aerodrome flight information service»):* onderdeel van luchtverkeersdienstverlening dat voorziet in het geven van inlichtingen die tot doel hebben een veilig en geregeld verloop van het luchtvaartterreinverkeer op daartoe door de Minister aangewezen luchtvaartterreinen; - *luchtverkeerstroomregeling (air traffic flow management):* een dienstverlening aan het luchtverkeer met het doel een optimale luchtverkeerstroom te verzekeren naar of via gebieden waarin het luchtverkeersaanbod de capaciteiten van het luchtverkeerssysteem overtreft; - *AIS (Aeronautical Information Services):* vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vóór de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - *alarmering:* een dienstverlening met het doel de betrokken instanties te waarschuwen aangaande luchtvaartuigen, die hulp behoeven in de vorm van opsporing en redding en deze instanties bij te staan voor zover dat vereist is; - *algemene luchtverkeersleiding:* het geven van luchtverkeersleiding bij een aangewezen algemene luchtverkeersleidingsdienst; - *algemeen luchtverkeersleidingsgebied (Control Area-CTA):* een luchtverkeerleidings-gebied, dat zich in opwaartse richting uitstrekt vanaf een vastgestelde grens boven het aardoppervlak; - *ATC:* «Air Traffic Control» - *bijzonder luchtverkeersgebied:* een luchtruimte met vastgestelde begrenzingen, waarbinnen nadere voorschriften zijn gesteld ter bescherming van bepaalde soorten luch"},{"b":"Besluit Lucratief belang in internationale situaties *Dit besluit bevat beleid over de lucratiefbelangregeling van artikel 3.92b, 3.95b en 7.2, derde lid, Wet IB 2001 in internationale situaties.* 1. Inleiding Dit besluit bevat beleid over de toepassing van de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de toepassing van een belastingverdrag bij een lucratief belang in internationale situaties. Nationaalrechtelijk geldt als hoofdregel dat het ROW-regime van toepassing is op de voordelen uit lucratief belang. Voor de verdragstoepassing vindt een zelfstandige kwalificatie van de voordelen plaats, waarbij in beginsel ten aanzien van de voordelen het arbeidskarakter voorop staat zodat het inkomen genoten wordt ter zake van niet-zelfstandige arbeid dan wel de voordelen behoren tot de beloning van een bestuurder of commissaris. Het beleid in dit besluit betreft de beantwoording van vragen die op dit onderwerp zijn opgekomen en beschrijft mijn standpunt over onderstaande onderwerpen. - − Buitenlands belastingplichtigen met een Nederlands lucratief belang. - − Verdragstoepassing bij voordelen uit lucratief belang. - − Werkzaamheden in één of meerdere landen. Ten slotte geef ik in dit besluit een goedkeuring, zodat kan worden voldaan aan de doorstootverplichting bij verkoop van een Nederlands middellijk lucratief belang na emigratie. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen - *Wet IB 2001:* [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) - *IW 1990:* [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) - *AB:* Aanmerkelijk belang - *OESO-MV:* Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling- Model Verdrag - *ROW:* Resultaat uit overige werkzaamheden 2. Buitenlands belastingplichtigen met een Nederlands lucratief belang Buitenlands belastingplichtigen zijn belastingplichtig voor het Nederlandse inkomen dat zij genieten. In [artikel 7.2, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001](https://wetten.overheid"},{"b":"Besluit machtiging en volmacht directeur Koninkrijksrelaties Gelet op [artikel 4.6 Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) juncto [artikel 3, eerste lid aanhef en onder a., van de Regeling financieel beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040757&artikel=3); *Overwegende dat:* - − De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, (hierna: de Staat) enig aandeelhouder is van de vennootschap Saba Statia Cable System BV (verder te noemen: SSCS) gevestigd op Bonaire. Deze vennootschap heeft ten doel de aanleg, het beheer, het onderhoud, de reparatie en de exploitatie van 'The Saba and Sint Eustatius cable System'; - − SSCS op dit moment niet beschikt over een raad van commissarissen als gevolg waarvan de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van artikel 16, eerste lid, van de statuten de aan deze raad toegekende bevoegdheden uitoefent; *Besluit:* - 1. Namens de Staat machtiging en volmacht te verlenen aan de directeur Koninkrijksrelaties om de Staat tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van SSCS te vertegenwoordigen, alsmede voor het uitoefenen van de in de statuten aan de RvC toegekende bevoegdheden voor de duur dat er geen RvC is ontstaan, met inachtneming van het hierna bepaalde. - 2. Dat het nemen van principiële of zwaarwegende beslissingen die samenhangen met de onder 1. beschreven vertegenwoordigings-bevoegdheid is onderworpen aan de voorafgaande instemming van de Staat. De Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan de directeur Koninkrijksrelaties ter zake van deze beslissingen een bindende steminstructie geven. - 3. Dat als zwaarwegende of principiële beslissingen worden aangemerkt: beslissingen die wezenlijke gevolgen kunnen hebben voor de zeggenschap en het (financiële) risico van de Staat, zoals in ieder geval: - a. de ondertekening van de jaarrekening en"},{"b":"Besluit machtiging P-Direkt (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *minister:* de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - b. *ministerie:* ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c. *P-Direkt:* de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - d. *machtiging:* de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. - a. In het kader van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) betreft deze machtiging om als bewerker als bedoeld in [artikel 1 van vernoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1), persoongegevens in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e van de wet te verwerken. - b. De verwerking van gegevens als bedoeld in [artikel 36, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36) vindt slechts plaats na een besluit van of namens de minister, als bedoeld in artikel 36, derde lid Wet bescherming persoonsgegevens 3. - a. In het kader van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te vervangen door reproducties, en aldus vervangen papieren documenten te vernietigen overeenkomstig [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); - b. In het kader van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) word"},{"b":"Besluit macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2015 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=4), [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4), van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg), *en meer in het bijzonder:* de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), *alsmede de beleidsregels:* - − ‘Macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2015’, met kenmerk BR/CU-7121. - − Afronding tarieven (AL/BR-0004); *en de nadere regel:* - − ‘Macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2015’ met kenmerk NR/CU-729. *ambtshalve besloten:* - A. *Macro omzetgrens* *Individuele omzetgrens* - 1. dat voor het jaar 2015 een macro omzetgrens, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), wordt vastgesteld; - 2. dat de hoogte van deze macro omzetgrens wordt vastgesteld op € 2.671,2 miljoen (prijspeil 2014); - 3. dat de som van de omzet van huisartsenzorg prestaties1Het gaat in deze beschikking om prestaties huisartsenzorg als opgenomen in de bijlage bij deze beschikking. inclusief de correcties volgend uit de materiële controles voor het jaar 2015 de hiervoor genoemde macro omzetgrens niet mag overschrijden; - 1. dat voor het jaar 2015 per zorgaanbieder een individuele omzetgrens, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), wordt vastgesteld; - 2. dat de omzet van een zorgaanbieder van huisartsenzorg wordt bepaald op basis van schadelastjaarcijfers; - 3. dat de individuele omzetgrens per zorgaanbieder voor het jaar 20"},{"b":"Besluit macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2015 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=4), [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), *en meer in het bijzonder:* de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), *alsmede de beleidsregels:* - − ‘Macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2015’, met kenmerk BR/CU-7120. - − Afronding tarieven (AL/BR-0004); *en de nadere regel:* - − ‘[Macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035967)’ met kenmerk NR/CU-728. *ambtshalve besloten:* - A. *Macro omzetgrens* - 1. dat voor het jaar 2015 een macro omzetgrens, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), wordt vastgesteld; - 2. dat de hoogte van deze macro omzetgrens wordt vastgesteld op € 430,4 miljoen (prijspeil 2014); - 3. dat de som van de omzet van multidisciplinaire zorg prestaties1Het gaat in deze beschikking om prestaties multidisciplinaire zorg als bedoeld in artikel 3.4, van de beleidsregel ‘Macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg’, kenmerk BR/CU-7120. inclusief de correcties volgend uit de materiële controles voor het jaar 2015 de hiervoor genoemde macro omzetgrens niet mag overschrijden; - B. *Individuele omzetgrens* - 1. dat voor het jaar 2015 per zorgaanbieder een individuele omzetgrens, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), wordt vastgesteld; - 2. dat de omzet van een zorgaanbieder van multidisciplinaire"},{"b":"Besluit mandaat aan de SAB Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart Artikel 1 De bevoegdheid tot het afgeven van olie-afgifteboekjes wordt gemandateerd aan de SAB Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart. Artikel 2 De gemandateerde voert bij de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden een ordentelijke en voor de Minister van Verkeer en Waterstaat transparante administratie en verschaft de Minister Verkeer en Waterstaat desgevraagd alle inlichtingen die betrekking hebben op de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit mandaat certificering binnenvaartschepen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *ADN:* Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (ADN); - *bevoegde autoriteit:* de minister, de voorzitter van de commissie van deskundigen, bedoeld in [artikel 1, 19 van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.19), dan wel de bevoegde autoriteit, bedoeld in het [Randnummer 1.16.2 van tabel 1 van bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=4) in samenhang met [artikel 1, onderdeel b, onder 2°, van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&artikel=1); - *inspecteur-generaal:* inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport; - *Minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - *wet:* [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009). Artikel 2 1. De in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=9) bedoelde bevoegdheid tot het afgeven van een certificaat van onderzoek wordt gemandateerd aan: - a. de ‘marine business director’ van ‘Lloyd’s Register of Shipping EMEA (LR)’ te Londen, Verenigd Koninkrijk; - b. de ‘director of Division Classification’ van ‘DNV-GL’ te Hamburg, Duitsland; - c. de ‘secretary’ van ‘Bureau Veritas’ te Parijs, Frankrijk; - d. de directeur van Register Holland BV te Steenwijk; - e. de directeur van het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart te Rotterdam en - f. de directeur van Bureau Scheepvaart certificering (BSC) te Lelystad. 2. De in [artikel 16, aanhef en onder a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=16) bedoelde bevoegdheid tot het intrekken van een certificaat van onderzoek wordt eveneens gemandateerd aan de in het eerste lid genoemde personen. 3. De in [artikel 2.13 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.n"},{"b":"Besluit Mandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen Artikel I Artikel 1 - 1. Aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten: - a. krachtens het [Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065), voorzover deze verband houden met de uitvoering van het programma als bedoeld in artikel 7 van de Regeling milieugerichte technologie 1999; - b. krachtens [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) voorzover deze verband houden met de uitvoering van de Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen. - 2. Aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting wordt tevens mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid. - 3. De functionaris als bedoeld in het eerste en tweed lid wordt tevens gemachtigd tot het doen van alle op de daarin bedoelde besluiten betrekking hebbende stukken. Artikel 2 De directeur-generaal van de Volkshuisvesting kan de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van deze regeling niet uitoefenen, indien hij tevens het besluit waartegen het bezwaar zich richt , krachtens artikel 1, eerste lid, van deze regeling heeft genomen. Artikel 3 De directeur-generaal van de Volkshuisvesting kan onder nader door hem te bepalen voorwaarden onderdelen van de aan hem verleende bevoegdheden mandateren aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Artikel 4 Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 1 van deze regeling, luidt de ondertekening: - de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: De directeur-generaal van de Volkshuisvesting, gevolgd door de handtekening en de naam van de betrokken functionaris. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de da"},{"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen betreffende Tijdelijke bijdrageregeling verbetering management overstroming Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. regeling: [Tijdelijke bijdrageregeling verbetering management overstroming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen met betrekking tot primaire beslissingen inzake: - a. het verlenen van een bijdrage als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=2), alsmede het verlenen van een voorschot als bedoeld in [artikel 6 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=6); - b. het rangschikken van de aanvragen als bedoeld in [artikel 5 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=5); - c. het vaststellen van de bijdrage als bedoeld in [artikel 8 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=8); - d. verzoeken tot vergoeding van wettelijke rente in verband met de vertraagde uitbetaling van een vastgestelde tegemoetkoming; - e. het nemen en ondertekenen van besluiten als bedoeld in [afdeling 4.2.6 ‘Intrekken en wijzigen’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.6) en [afdeling 4.2.7 ‘Betaling en terugvordering’ van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.7). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister met toepassing van [artikel 7, derde en vierde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=7) de aanvrager te verzoeken informatie beschikbaar te"},{"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. Besluit: [Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister besluiten te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot primaire beslissingen inzake: - a. het toekennen van een definitieve bijdrage als bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=22); - b. het toekennen van een voorlopige bijdrage als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=21). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister stukken af te doen met betrekking tot: - a. de ontvangst van de aanmelding, bedoeld in [artikel 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=12); - b. de ontvangst van de declaratie, bedoeld in [artikel 13 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=13); - c. het instellen van een nader onderzoek, bedoeld in [23, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=23); - d. het toekennen en betaalbaar stellen van een voorlopige bijdrage, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=21); - e. het toekennen en betaalbaar stellen van een definitieve bijdrage, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=22"},{"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. besluit: [Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de minister besluiten te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot. primaire beslissingen inzake: - a. het toekennen van een definitieve bijdrage als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - b. het toekennen van een voorlopige bijdrage als bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=20). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van de Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de minister stukken af te doen met betrekking tot: - a. de ontvangst van de aanmelding, als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=3a); - b. de ontvangst van de declaratie, als bedoeld in [artikel 13, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=13); - c. het instellen van een nader onderzoek, als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - d. het toekennen en betaalbaar stellen van een definitieve bijdrage, als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - e. het toekennen en betaalbaar stellen van een voorlopige bijdrage, als bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=20); - f."},{"b":"Besluit mandaat en machtiging havenmeester Rotterdam Artikel 1 1. Aan de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., wordt mandaat en machtiging verleend om voor zover het scheepvaartwegen betreft in beheer bij het Rijk, benedenstrooms kilometerraai 991.7 van de Nieuwe Maas of benedenstrooms kilometerraai 998 van de Oude Maas: - a. beslissingen te nemen met betrekking tot en zorg te dragen voor het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=5), - b. vrijstelling of ontheffing te verlenen als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7) van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken als bedoeld onder a, en - c. besluiten te nemen met betrekking tot bekendmakingen als bedoeld in [artikel 8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8). 2. Aan de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., wordt voorts mandaat verleend tot het op verzoek van de kapitein van een schip verlenen van ontheffing als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=35) van de bij of krachtens [artikel 12c, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=12c) gestelde regels, en tot het maken van aantekening daarvan in het ladingjournaal als bedoeld in [artikel 36, achtste lid, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=36). Artikel 2 De havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., is bevoegd ten aanzien van de aan hem bij dit besluit verleende bevoegdheden ondermandaat te verlenen of de machtiging door te geven. Artikel 3"},{"b":"Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *de staatssecretaris:* De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; - c. *mandaat:* de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, besluiten te nemen; - d. *volmacht:* de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, rechtshandelingen te verrichten; - e. *machtiging:* de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, handelingen te verrichten die een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - f. *de overeenkomsten:* overeenkomsten overdracht taken van de Inspectie Verkeer en Waterstaat aan Kiwa N.V. aangegaan tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d. 10 juli 2009 en 27 mei 2010. Artikel 2 De voorzitter van de directie van Kiwa N.V. is gemandateerd om: - a. besluiten te nemen ten aanzien van de in de [bijlage A1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827&bijlage=A1a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bij dit besluit genoemde bevoegdheden; - b. de in onderdeel a. genoemde besluiten te schorsen of in te trekken als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die bepalend zijn voor de afgifte van de vergunningen; - c. de bij de afzonderlijke ministeriële regelingen vastgestelde tarieven te heffen met betrekking tot de in de [bijlage A1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827&bijlage=A1a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bij dit besluit genoemde bevoegdheden. - d. besluiten te nemen die een directe relatie hebben met het besluitvormingsproces van hetgeen onder a., b. en c. is bepaald. Artikel 3 - a. De voorzitter van de directie van Kiwa N.V. is gemachtigd om handelingen te verrichten die een directe relatie hebben met de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) omschreven bevoegdheden. - b. In situaties waarin besluiten w"},{"b":"Besluit mandaat en machtiging scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder *‘Rijksdienst Caribisch Nederland’* het organisatieonderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bedoeld in het [Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028832). Artikel 2 1. Aan de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland, wordt mandaat verleend om besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de [Meetbrievenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378) en de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642). 2. Aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens machtiging verleend om ter voorbereiding van de in het eerste lid bedoelde besluiten alle benodigde werkzaamheden te verrichten. Artikel 3 1. Het document waarin een besluit of handeling, genomen respectievelijk verricht op grond van dit besluit, wordt vastgelegd, bevat in ieder geval een verwijzing naar de wet- en regelgeving waarop het besluit betrekking heeft. 2. Een document als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vermeldt aan het slot: ‘DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, de scheepvaartinspecteur Rijksdienst Caribisch Nederland’ gevolgd door de naam en de handtekening van de functionaris. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat en machtiging scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland."},{"b":"Besluit mandaat en machtiging Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam inzake RandstadRail Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. RandstadRail: de ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=1) aangewezen locaalspoorweg Den Haag Centraal–Den Haag Laan van NOI–Zoetermeer, met de zijtak Leidschendam–Rotterdam; - b. plusregio: regio als bedoeld in [artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=104). Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van de plusregio waarin het desbetreffende gedeelte van RandstadRail is gelegen wordt mandaat verleend om namens de Minister van Verkeer en Waterstaat besluiten te nemen: - a. tot verlening en intrekking van ontheffingen krachtens [artikel 39 van de Spoorwegwet 1875](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=39); - b. tot verlening, wijziging en intrekking van vergunningen krachtens [artikel 15 van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003083&artikel=15). 2. De voorzitter van het dagelijks bestuur van de desbetreffende plusregio kan van het aan hem in het eerste lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen of aan één of meerdere functionarissen van het bedrijf dat op grond van de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) een concessie is verleend voor het verrichten van openbaar personenvervoer op RandstadRail. 3. Van de verlening van ondermandaat doet de voorzitter van het dagelijks bestuur van de desbetreffende plusregio schriftelijk mededeling aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. 4. Aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van de desbetreffende plusregio wordt een machtiging verleend om ter voorbereiding van de in dit artikel bedoelde besluiten alle benodigde werkzaamheden te verrichten. 5"},{"b":"Besluit mandaat KPMG uitvoering uitkeringsregelingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. *de Minister:* de Minister van Defensie; - b. *KPMG:* KPMG Management Services B.V. gevestigd te Amstelveen; - c. *uitkeringsregelingen:* het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510) en de [Suppletieregeling gedeeltelijke arbeidsongeschikten sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008977). Artikel 2. Mandaat 1. Ter uitvoering van de uitkeringsregelingen is KPMG bevoegd om namens de Minister - a. besluiten te nemen; - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen de besluiten, genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat degene die een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen niet ook de beslissing op het daartegen gerichte bezwaarschrift mag nemen; - c. in rechte op te treden indien tegen een besluit als bedoeld onder b, beroep wordt ingesteld; - d. voorlopig hoger beroep of voorlopig cassatie in te stellen; - e. hoger beroep of cassatie in te stellen tegen rechterlijke uitspraken, met dien verstande dat KPMG deze bevoegdheden niet uitoefent dan na verkregen instemming van de Minister indien het een zaak betreft met een kennelijk aanzienlijk of rechtspositioneel belang; - f. het schriftelijk verlenen van ondermandaat bij KPMG in dienst zijnde functionarissen. 2. De bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, onder b, omvat tevens de bevoegdheid om een hoorprocedure in te richten conform de bepalingen van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). 3. KMPG informeert de Minister over bezwaarschriften, beroepschriften en rechterlijke uitspraken waarin de rechtsgeldigheid van de toegepaste regeling of van onderdelen daarvan ter discussie wordt gesteld. Artikel 3. Ondermandaat 1. KPMG kan ten aanzien van het in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029931&artikel=2&z=2011"},{"b":"Besluit mandaat Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute 2009 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Minister:* Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *ProRail:* ProRail B.V. gevestigd te Utrecht. Artikel 2 Aan de directeur Projecten van ProRail wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen op verzoeken om schadevergoeding in het kader van de [Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008228), met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 3 Aan de directeur Projecten van ProRail wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoeken als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01), met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 4 1. De directeur Projecten van ProRail kan schriftelijk ondermandaat verlenen om bij zijn afwezigheid zijn in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=3&z=2009-10-01&g=2009-10-01) bedoelde bevoegdheid te laten uitoefenen door een plaatsvervanger. 2. Van een ondermandaat als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk kennis gegeven aan de Minister. Artikel 5 Bij de uitoefening van het mandaat neemt de directeur Projecten van ProRail, alsmede de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=4&z=2009-10-01&g=2009-10-01), bedoelde persoon, de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0026432) bij dit besluit opgenomen algemene instructie in acht. Artikel 6 Aan de President-directeur van ProRail wordt mandaat verleend om namens de Minister te beslissen op bezwaar tegen besluiten op grond van [Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"b":"Besluit mandaat Rijksbouwmeester Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. mandaat: bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - b. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Rijksbouwmeester: Rijksbouwmeester, bedoeld in [artikel 13 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&artikel=13); - d. wet: [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189). Artikel 2 Aan de Rijksbouwmeester wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten met betrekking tot: - a. het verlenen van ontheffing wegens ‘uitzonderlijke bekwaamheid’, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9); - b. de aanwijzing van diploma’s, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9). Artikel 3 Een document waarmee op grond van dit mandaat een besluit wordt vastgelegd vermeldt aan het slot: ‘De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: de Rijksbouwmeester,’. Artikel 4 1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat Rijksbouwmeester. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit mandaat Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s en van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen van 11 februari 2020, nr. 2804339 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - – *Rijksdienst voor Ondernemend Nederland:* Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. - − *algemeen directeur:* de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van [artikel 55, tweede tot en met vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=55) en de [artikelen 4 tot en met 11 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) met inbegrip van de ministeriële regelingen, bedoeld in voornoemde artikelen van de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637), alsmede de beleidsregels die betrekking hebben op het verstrekken van een tegemoetkoming in de schade en kosten bij een ramp als bedoeld in [artikel 1 van de Wet Veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle handelingen ter voorbereiding op en ter uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043202&artikel=2&z=2022-03-16&g=2022-03-16) bedoelde besluiten en overeenkomsten; - b. het voeren van procedures bij de rechter over de in [artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043202&artikel=2&z=2022-03-16&g=2022-03-16) 2 bedoelde besluiten en overeenkomsten; - c. het uitgev"},{"b":"Besluit mandaat Sociale Banken Nederland voor de uitvoering van de Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - − *algemeen directeur:* de zelfstandig bevoegd bestuurder van Stichting Sociale Banken Nederland. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a. Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle handelingen ter voorbereiding op en ter uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050331&artikel=2&z=2024-10-26&g=2024-10-26) bedoelde besluiten en overeenkomsten; - b. het verwerken van (persoons)gegevens, waaronder het BSN, voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967). Nadere afsprakenkader rondom verwerken persoonsgegevens zijn opgenomen in verwerkersovereenkomst; - c. het uitwisselen van (persoons)gegevens, waaronder het BSN, met derden mits deze daartoe wettelijk zijn bevoegd of mede-overheidsorganisaties zijn, voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967). Artikel 4 - a. De algemeen directeur is, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050331&artikel=2&z=2024-10-26&g=2024-10-26) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050331&artikel=3&z=2024-10-26&g=2024-10-26), bevoegd tot het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging aan een of meer onder hem ressorterende functionari"},{"b":"Besluit mandaat Stichting kwaliteitsontwikkeling Gehandicaptenzorg Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; b. mandaat: de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen; c. wet: [Kaderwet volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455); d. bekostigingsbesluit; het [Besluit volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009696); e. regeling: de Subsidieregeling volksgezondheid; f. gemandateerde: degene aan wie mandaat is verleend. Artikel 2 1. Aan het bestuur van de Stichting kwaliteitsontwikkeling Gehandicaptenzorg (SkoG) wordt mandaat verleend besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de wet, het bekostigingsbesluit en de regeling, voor zover de besluiten betrekking hebben op de financiering van projecten ten laste van het fonds ten behoeve van de ontwikkeling van kwaliteitssystemen in de gehandicaptenzorg. 2. Van het mandaat is uitgezonderd het beslissen op een bezwaarschrift. Artikel 3 Aan het bestuur van het SkoG wordt machtiging verleend om correspondentie met betrekking tot de subsidieverlening, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=2&z=2000-10-04&g=2000-10-04), namens de minister te ondertekenen. Artikel 4 De gemandateerde is bevoegd aan de directeur ondermandaat en machtiging te verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de bevoegdheden bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=2&z=2000-10-04&g=2000-10-04) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=3&z=2000-10-04&g=2000-10-04). Ondermandaat en machtiging wordt schriftelijk verleend. Artikel 5 1. De gemandateerde beslist op een aanvraag voor subsidie met inachtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de wet, het bekostigingsbesluit, de regeling en de Beleidsregels subsidiebepalingen VWS. 2. De gemandateerde neemt de aanbevelingen die zijn opg"},{"b":"Besluit mandaat toepassing bestuursdwang ex artikel 93 Wet personenvervoer 2000 en artikel 169, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 aan het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; b. de korpschef: de korpschef van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland. Artikel 2 1. Aan de korpschef wordt mandaat verleend tot het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in [artikel 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93) en [artikel 169, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169) ten aanzien van voertuigen waarmee taxivervoer wordt verricht. 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid omvat niet - a. het opleggen van een last onder dwangsom; - b. het beslissen op bezwaarschriften, ingediend tegen beschikkingen die op grond van de in het eerste lid verleende bevoegdheid gegeven zijn. 3. De korpschef oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit met inachtneming van de door de minister vastgestelde Handhavinginstructie wet- en regelgeving taxivervoer van 10 april 2002, nr. IVW/HH/DV/PV02884. 4. De korpschef oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts uit voor zover het gaat om aangelegenheden die naar aard en inhoud niet van zodanig gewicht zijn dat zij behoren te worden afgedaan door de minister. Artikel 3 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013585&artikel=2&z=2002-04-13&g=2002-04-13) bedoelde bevoegdheid wordt eveneens gemandateerd aan de plaatsvervangend korpschef. 2. De plaatsvervangend korpschef maakt van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013585&artikel=2&z=2002-04-13&g=2002-04-13) bedoelde bevoegdheid slechts gebruik bij afwezigheid van de korpschef. Artikel 4 1. De korpschef kan van de hem in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013585&artikel=2&z=2002-04-13&g=2002-04"},{"b":"Besluit mandaat uitvoering Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *minister:* Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. *ProRail:* ProRail B.V., gevestigd te Utrecht. Artikel 2 Aan de projectmanager Spoorzone Delft van ProRail wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister besluiten te nemen op verzoeken om schadevergoeding in het kader van de Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft, met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 3 Aan de projectmanager Spoorzone Delft van ProRail wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoeken als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31), met uitzondering van het beslissen op bezwaar tegen voornoemde besluiten. Artikel 4 1. De projectmanager Spoorzone Delft van ProRail kan van het in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=3&z=2009-12-31&g=2009-12-31) aan hem verleende mandaat schriftelijk ondermandaat verlenen en de in die artikelen bedoelde machtiging doorgeven aan een plaatsvervanger. 2. Van de verlening van ondermandaat en van het doorgeven van de machtiging als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk kennis gegeven aan de minister. Artikel 5 Bij de uitoefening van het mandaat en de machtiging neemt de projectmanager Spoorzone Delft van ProRail of de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde personen de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0026982) bij dit besluit opgenomen algemene instructie in acht. Artikel 6 Aan de Directeur Projecten van ProRail wordt mandaat en machtiging verleend om namens de mini"},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging ambtelijke organisatie Tweede Kamer der Staten-Generaal 2024 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Griffier:* het ambtelijk hoofd van de ambtelijke organisatie Tweede Kamer der Staten-Generaal; - b. *Directeur:* functionaris zoals bedoeld in [artikel 6.3 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.3); - c. *plaatsvervangend Griffier:* de op voordracht van het presidium door de Kamer aangewezen functionaris; - d. *portefeuillehouder:* de Griffier of directeur met onder zich een aantal organisatieonderdelen; - e. *portefeuille:* organisatieonderdelen vallend onder de Griffier dan wel een directeur; - f. *staf:* het team dat rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van een directeur valt en de directeur ondersteunt bij zijn werkzaamheden; - g. *diensthoofd:* leidinggevende rechtstreeks vallend onder een portefeuillehouder; - h. *diensthoofd HR:* diensthoofd van de stafdienst Human Resources; - i. *diensthoofd FEZ:* diensthoofd van de stafdienst Financieel Economische Zaken; - j. *dienst:* organisatieonderdeel dat rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van een diensthoofd valt; - k. *integraal management:* management van directie of dienst met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied; - l. *leidinggevende:* een leidinggevende functie van een organisatieonderdeel anders dan een directeur of een diensthoofd; - m. *team:* onderdeel binnen een dienst dat rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van een leidinggevende valt; - n. *medewerker:* de ambtenaar in de zin van de [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) die werkzaam is bij de Tweede Kamer; - o. *mandaat:* de bevoegdheid om namens de Griffier besluiten te nemen; - p. *volmacht:* de bevoegdheid om namens de Griffier privaatrechtelijke rechtshandelingen t"},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging beheer directeur-secretaris TloKB Artikel 1 Met dit besluit geeft de voorzitter van de TloKB aan directeur-secretaris van de TloKB mandaat, volmacht en machtiging, ten behoeve van het uitoefenen van de dagelijkse leiding over de dienst TloKB, voorzover dit valt binnen het mandaat, volmacht en machtiging van de voorzitter van de TloKB als genoemd in het mandaatbesluit beheer TloKB. Artikel 2 1. De directeur-secretaris van de TloKB is bevoegd ten aanzien van de bevoegdheden zoals genoemd in artikel 1 ondermandaat te verlenen. 2. De ondermandatering gebeurt schriftelijk en wordt ter kennis van het Bestuur gebracht. 3. Overeenkomstig [artikel 10:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:8) kan de voorzitter van de TloKB, daarvan het (onder)mandaat intrekken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst/en werkt terug tot en met 22 april 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging beheer directeur-secretaris TloKB."},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake ondertekening Verklaring van Overeenstemming tussen Nederland en Frankrijk inzake onderlinge coördinatie en wederzijdse bijstand met betrekking tot de nieuwe Gecombineerde Groep die door Air France (AF) en Koninklijke Luchtvaartmaatschappij (KLM) wordt opgericht Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. staatssecretaris: Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; - c. directeur-generaal: de directeur-generaal Luchtvaart van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - d. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, besluiten te nemen; - e. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - f. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 De minister verleent het mandaat, de volmacht en de machtiging aan de directeur-generaal Luchtvaart om namens de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, de Verklaring van Overeenstemming tussen Nederland en Frankrijk te ondertekenen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 oktober 2003. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 14 oktober 2003, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 16 oktober 2003. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake ondertekening Verklaring van Overeenstemming tussen Nederland en Frankrijk. Artikel 6 Het in een docu"},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake samengaan KLM/Air France Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. staatssecretaris: Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; - b. directeur-generaal: de directeur-generaal Luchtvaart van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - c. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, besluiten te nemen; - d. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 De staatssecretaris verleent het mandaat, de volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Luchtvaart om besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, of andere handelingen niet zijnde een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling, om het samengaan tussen de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij en Air France mogelijk te maken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 oktober 2003. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 14 oktober 2003, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 16 oktober 2003. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake samengaan KLM/Air France. Artikel 6 Het in een document vastleggen van een besluit, een privaatrechtelijke rechtshandeling of een andere handeling, dient als volgt te geschieden: ‘DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT, namens deze: DE DIRECTEUR-GENERAAL LUCHT"},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging NCG voor informatieverstrekking ACVG Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om aan het Adviescollege Veiligheid Groningen de informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taak. Artikel 2 De algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen kan aan onder haar werkende medewerkers ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen om aan het Adviescollege Veiligheid Groningen de informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taak. Artikel 3 Met dit besluit wordt bevestigd dat alle eerdere (informatie)verstrekkingen vanaf 1 maart 2025 onder de werking van dit besluit vallen en daarmee alsnog rechtsgeldig worden verklaard. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst."},{"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging secretaris-generaal Algemene Zaken Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. ministerie: Ministerie van Algemene Zaken; b. minister: Minister van Algemene Zaken; c. secretaris-generaal: Secretaris-Generaal van het ministerie, waaronder mede begrepen de functionaris die door de secretaris-generaal schriftelijk is aangewezen om bij afwezigheid van de secretaris-generaal diens functie waar te nemen. d. dienst: Kabinet van de Minister-President, Rijksvoorlichtingsdienst, Bureau van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid; Centrale afdeling Facilitaire en Informatie Aangelegenheden, Centrale Afdeling Financieel-Economische Zaken, Centrale Afdeling Personeel en Organisatie; e. diensthoofd: degene die is belast met de leiding van een dienst; f. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; g. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; h. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de minister blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, neergelegd in een document, gericht tot: - a. de Koningin; - b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) of een daaruit gevormde onderraad of een commissie; - c. een minister of een staatssecretaris; - d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris; - e. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Voorzitter van een uit en van die Kamers gevormde commissie; - f. de Raad van State (van het Koninkrijk); - g. het Presidium van de Algemene Rekenkamer of - h. de Nationale ombudsman. 2. Aan de minister blijft eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van een besluit inzak"},{"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Algemene verordening gegevensbescherming 2018 Artikel 1 1. De algemeen directeuren, landelijk directeuren en directeuren van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, genoemd in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, b1, b2, c1, c2, d en f, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3), hebben mandaat voor het nemen van besluiten op verzoeken krachtens de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, kunnen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hen aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is. Artikel 2 1. De functionarissen, genoemd in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041004&artikel=1&z=2018-06-12&g=2018-06-12), zijn gemachtigd tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken inzake besluiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid. 2. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, zijn bevoegd aan onder hen ressorterende ambtenaren ondermachtiging te verlenen tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken. 3. Indien na een procedure als bedoeld in het eerste lid hoger beroep wordt ingesteld, dan wel de uitspraak van de rechtbank mogelijk aanleiding geeft tot het instellen van hoger beroep, wordt het desbetreffende dossier ter verdere afdoening overgedragen aan het cluster Bedrijf/Juridische zaken van het directo"},{"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Algemene verordening gegevensbescherming SSO Organisatie en Personeel 2018 Artikel 1 1. De directeur van de Shared service organisatie Organisatie en Personeel, thans nog kwartiermaker beoogd directeur, heeft mandaat voor het nemen van besluiten op verzoeken krachtens de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionaris, genoemd in het eerste lid, kan met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hem aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionaris, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is. Artikel 2 1. De functionaris, genoemd in artikel 1, eerste lid, is gemachtigd tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken inzake besluiten als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041114&artikel=1&z=2018-07-06&g=2018-07-06). 2. De functionaris, genoemd in het eerste lid, is bevoegd aan onder hem ressorterende ambtenaren ondermachtiging te verlenen tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken. 3. Indien na een procedure als bedoeld in het eerste lid hoger beroep wordt ingesteld, dan wel de uitspraak van de rechtbank mogelijk aanleiding geeft tot het instellen van hoger beroep, wordt het desbetreffende dossier ter verdere afdoening overgedragen aan het cluster Bedrijf/Juridische zaken van het directoraat-generaal Belastingdienst. Artikel 3 De ondertekening door de functionaris, genoemd in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041114&artikel=1&z"},{"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Wet bescherming persoonsgegevens 2017 Artikel 1 1. De algemeen directeuren, landelijk directeuren en directeuren van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, genoemd in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, b1, b2, c1, c2, d en f, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3), hebben mandaat voor het nemen van besluiten als bedoeld in de [artikelen 30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=30), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=38), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=40) en [41 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=41), alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, kunnen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hen aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is. Artikel 2 1. De functionarissen, genoemd in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039638&artikel=1&z=2017-06-17&g=2017-06-17), zijn gemachtigd tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken inzake besluiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid. 2. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, zijn bevoegd aan onder hen ressorterende ambtenaren ondermachtigin"},{"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Wet bescherming persoonsgegevens BES 2017 Artikel 1 1. De directeur van het organisatieonderdeel Belastingdienst/Caribisch Nederland te mandateren voor het nemen van besluiten als bedoeld in de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=27); [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=28); [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=30); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=32) en [33, van de Wet bescherming persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=33), alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionaris, genoemd in het eerste lid, kan met betrekking tot het nemen van beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit besluit ondermandaat verlenen aan door hem aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionaris, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is. Artikel 2 1. De functionaris, genoemd in artikel 1, eerste lid, is gemachtigd tot de behandeling van procedures bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba inzake besluiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid. 2. De functionaris, genoemd in het eerste lid, is bevoegd aan onder hem ressorterende ambtenaren ondermachtiging te verlenen tot de behandeling van procedures bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 3. Indien na de procedure als bedoeld in het eerste lid hoger beroep wordt ingesteld, dan wel de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg mogelijk aanleiding geeft tot het instellen van hoger beroep, wordt"},{"b":"Besluit mandatering wijzigen ABRO-voorschrift Defensie - 1. De secretaris-generaal mandaat te geven de Beveiligingsautoriteit conform de A-SG-003 aan te wijzen om de volgende taak uit te voeren: Het in samenspraak met de daartoe bevoegde functionaris bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijzigen van het vastgestelde ABRO-voorschrift, waarin beveiligingsmaatregelen zijn omschreven ten aanzien van Bijzondere Opdrachten. - 2. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026. - 3. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"b":"Besluit MAP-tiebreaker *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Per 1 januari 2020 treedt het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving in werking. Een van de maatregelen die hieruit voortvloeit is een onderlinge overlegprocedure tussen verdragspartners om het inwonerschap van niet-natuurlijke personen voor de toepassing van een belastingverdrag vast te stellen. In dit besluit zijn in verband hiermee enkele procedurele regels opgenomen en wordt toegelicht hoe moet worden omgegaan met reeds bestaande situaties.* 1. Inleiding Als gevolg van de inwerkingtreding van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving ( *Trb.* 2017, 86) wordt de zogenoemde MAP-tiebreaker (artikel 4, eerste lid, van het MLI, die inhoudelijk overeenkomt met artikel 4, derde lid, van het OESO-modelverdrag) van toepassing op verschillende belastingverdragen waar Nederland partij bij is. Voor een aantal Nederlandse belastingverdragen zal dit al gelden per 1 januari 2020. De MAP-tiebreaker schrijft voor dat de bevoegde autoriteit van Nederland en de betrokken verdragspartner zich inspannen om in onderling overleg het inwonerschap voor de toepassing van het belastingverdrag te bepalen van niet-natuurlijke personen die fiscaal als inwoner worden aangemerkt van zowel Nederland als van de verdragspartner. [Onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042921) van dit besluit bevat enkele procedureregels voor de toepassing van de MAP-tiebreaker.1Zie ook onderdeel 8.1 van het besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003.[Onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042921) bevat een goedkeuring voor (bestaande) situaties waarin het inwonerschap van niet-natuurlijke personen voor de toepassing van het belastingverdrag al eerder is bepaald. 1.1. Gebruikte begrippen en afk"},{"b":"Besluit maximale aanvangswaarde Regeling herverzekering investeringen Artikel 1 Het bedrag van de maximale aanvangswaarde van de investering, waarvoor herverzekering kan worden verleend vast te stellen op € 46.000.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 oktober 1997."},{"b":"Besluit meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies *Dit besluit betreft de actualisering van de bij mijn besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-11382 (* *Stcrt. 2020, 34991* *), vastgestelde Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies.* 1. Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies De Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, opgenomen als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048112) bij dit besluit, wordt hierbij (opnieuw) vastgesteld. Deze leidraad vervangt de leidraad zoals vastgesteld in mijn [besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-11382 (Stcrt. 2020, 34991)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043757). Deze leidraad bevat een nadere invulling van de [Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043034). 2. Ingetrokken regeling Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: - – het [besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-11382 (Stcrt. 2020, 34991)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043757). 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies."},{"b":"Besluit meldingsvereisten werknemersverzekeringen BES Artikel 1. Meldingsvereisten bij ziekte of ongeval 1. Een werkgever is verplicht formulieren in voorraad te hebben voor de melding van een ongeval of van ziekte in het kader van de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) of de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728). 2. Na de melding van een ongeval of van ziekte is de werkgever verplicht onverwijld een afschrift van een volledig ingevuld en ondertekend formulier aan de werknemer te doen toekomen, ook indien deze bedlegerig is. Artikel 2. Wettelijke grondslag Dit besluit berust op [artikel 13 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=13) en [artikel 13 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13). Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit meldingsvereisten werknemersverzekeringen BES."},{"b":"Besluit middeling *In dit besluit staat het beleid over middeling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 december 2020, nr. 2020-226944 (* *Stcrt. 2020, 62987* *). De goedkeuring voor het jaar van overlijden is aangepast. Een goedkeuring voor het betrekken van het jaar van migratie in het middelingstijdvak is opgenomen in dit besluit.* 1. Inleiding Dit besluit bevat een goedkeuring voor twee situaties waarin het eerste of het laatste middelingsjaar van een tijdvak een deeljaar is. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 19 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044524), nr. 2020-226944 (Stcrt. 2020, 62987). 1.1. Wijzigingen ten opzichte vorige versie Hieronder staan de belangrijkste veranderingen ten opzichte van dat besluit: - – Onderdeel 1.2 gaat in op het afschaffen van de middelingsregeling per 1 januari 2023 en het overgangsrecht. - – In [onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048560) is de goedkeuring die is verleend voor opname van het jaar van overlijden, uitgebreid met een goedkeuring voor opname van het jaar van migratie in het middelingstijdvak. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule dat hier de aanleiding voor is, heeft ook geleid tot een heroverweging van de voorwaarde dat de oorzaak van het hogere belastbare inkomen niet mag zijn gelegen in het overlijden. Die eis is daardoor komen te vervallen. 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen | AWR | Algemene wet inzake rijksbelastingen | | --- | --- | | Wet IB 2001 | Wet inkomstenbelasting 2001 | 1.3. Overgangsrecht De middelingsregeling is per 1 januari 2023 afgeschaft. Via de overgangsregeling van [artikel 10a.28 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.28) blijft [afdeling 3.14 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=3.14) zoals die luidde op 31 december 2022 nog van toepassing op verzoeken om een middelingsteruggaaf over een middelingstijdvak waartoe het kalenderjaar 2022 of een"},{"b":"Besluit militair keuringsreglement BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *keuring:* een onderzoek naar de geschiktheid danwel ongeschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht; - b. *afwijking:* een aandoening of gebrek als bedoeld in de bij dit besluit behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 2 Een keuring omvat: - a. een onderzoek of de opgeroepene voldoet aan de eisen gesteld in de bij dit landsbesluit behorende [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - b. een onderzoek of de opgeroepene voldoet aan de psychologische eisen gesteld in de bij dit landsbesluit behorende [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=III&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. een onderzoek of de opgeroepene afwijkingen heeft. Artikel 3 1. Zij die voor de dienstplicht zijn ingeschreven worden ongeschikt verklaard indien zij: - a. een afwijking hebben, waarvan het herstel binnen een jaar, door de aard van de afwijking dan wel door onwilligheid van de ingeschrevene deze te laten behandelen, niet mogelijk wordt geacht; - b. geen afwijking hebben, doch hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niettemin doet verwachten dat zij niet zullen voldoen aan de eisen van de dienst dan wel niet bestand zullen zijn tegen de belasting van de dienst; - c. niet voldoen aan de eisen, gesteld in de bij dit landsbesluit horende [bijlagen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=III&z=2010-10-10&g=2010-10-10). 2. Onverminderd het bepaalde in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) is het bepaalde in het eerste lid mede van toe-passing op degenen die reeds als dienstplichtigen in werkelijke dienst zijn. Artikel 4 Zij die in werkelijke dienst zijn of zijn geweest, kunnen,"},{"b":"Besluit militair luchthavenluchtverkeer Schiphol Artikel 1 Als gevallen waarin de exploitant van de luchthaven Schiphol luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart moet toelaten op de luchthaven Schiphol, worden aangewezen: - a. regeringsvluchten, - b. humanitair noodzakelijke vluchten, - c. operationeel noodzakelijke vluchten en vluchten in bondgenootschappelijk verband, en - d. vluchten uit hoofde van een algemeen maatschappelijk belang. Artikel 2 Het besluit van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 17 juni 1985, kenmerk LT/L23043, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit militair luchthavenluchtverkeer Schiphol."},{"b":"Besluit minimumtarieven koeriersdiensten BES Artikel 1 1. Het tarief bedoeld in [artikel 12, tweedelid, onder a, 1° van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12) bedraagt per brief tenminste: - a. Voor het vervoer op en tussen het grondgebied van de openbare lichamen USD 6. - b. Voor het vervoer naar overige landen USD 11. 2. In deze bedragen zijn de eventueel door anderen dan de houder van de concessie verschuldigde heffingen en belastingen niet inbegrepen. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 12, tweede lid, onder a, 1°, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit minimumtarieven koeriersdiensten BES."},{"b":"Besluit modelformulieren strafvordering BES Artikel 1 1. Het model van het formulier houdende de mededeling van de rechten van de verdachte, bedoeld in [artikel 82, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=82) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage I tot en met Ic](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=82), [155, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=155), [419](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=419), [420, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=420) en de [artikelen 8, tweede lid, van het Besluit toevoeging in strafzaken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028374&artikel=8). Artikel 2 Het model van het formulier houdende de machtiging tot het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, bedoeld in [artikel 155, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=155) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 Het model van het formulier van de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen, bedoeld in [artikel 419 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=419) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=V&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. Artikel 5 Het model van het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter terechtzitting te verschijnen, bedoeld in [artikel 420, vierde lid, van het Wetboek va"},{"b":"Besluit naamswijziging ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie De naam van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie te wijzigen in: ministerie van Economische Zaken."},{"b":"Besluit nadere voorschriften 6 mei 2025 houdende regels tot wijziging van Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (intrekking COVID-pandemie-gerelateerde standaarden) Artikel I *Wijzigt de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden.* Artikel II Deze nadere voorschriften treden in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel III De [Standaarden 3900N](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049711), [4415N](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049711) en [4416N](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049711) blijven evenwel van toepassing op opdrachten op grond van de NOW-regeling resp. andere Covid-19 gerelateerde subsidieregelingen, voor zover de rapporteringsperiode is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze nadere voorschriften."},{"b":"Besluit neerslag selectielijst handelingen Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie vanaf (2008) 2009 Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie over de periode vanaf (2008) 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Fonds voor de Amateurkunst en Podiumkunsten en voorgangers op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945 (vastgesteld bij [beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/07/1032](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021951) d.d. 19-4-2007 en gepubliceerd in de Staatscourant nr. 101 d.d. 30-5-2007) wordt vanaf 2009 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit No. 98.003882 houdende naamswijziging van het Ministerie van Binnenlandse Zaken Artikel Enig artikel de naam van het ministerie van Binnenlandse Zaken te wijzigen in: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties."},{"b":"Besluit noodmaatregelen coronacrisis *Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (* *Stcrt. 2022, 3142* *).* *Het onderdeel ‘Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld (onderdeel 3.5)’ is gewijzigd. Het is aangevuld met de mogelijkheid voor een langere betalingsregeling. Daarnaast is er de mogelijkheid om op verzoek in kwartaaltermijnen te betalen en een betaalpauze aan te vragen. De mogelijkheid om later aan te vangen met aflossen is vervallen.* *Het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (* *Stcrt. 2022, 3142* *) is ingetrokken.* 1. Inleiding De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis zijn voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. In dit beleidsbesluit geef ik uitvoering aan fiscale maatregelen in de vorm van concrete goedkeuringen. Dit besluit ziet op de volgende onderwerpen: - – Verschuldigdheid van, oninbare vorderingen en teruggaafverzoeken energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie; - – Uitstel van betaling van belastingschulden; - – Mededelingsplicht bodemrecht; - – Verklaring betaalgedrag; - – Melding betalingsonmacht; - – G-rekening; - – Betalingsregeling voor de opgebouwde belastingschuld; - – Betalingsverzuimboeten; - – Urencriterium; - – Continuïteitsbijdragen zorglichamen; - – Zorgvrijstelling: werkzaamheden COVID-19 testen en COVID-19 Rijksvaccinatieprogramma; - – Verlenging overgangsregelingen zorg- en sociale werkbedrijf-lichamen; - – Herinvesteringsreserve: ruiming pelsdieren en overheidsingrijpen; - – Btw-tarief bij online diensten door sportscholen; - – Belastingrente en ‘hulp bij aangifte’ (aangifte 2019 en 2020) - – Uitstel termijnen Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies; - – Voorkomen van dubbele meldingen vanwege het feit dat niet alle lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid de termijnen voor het melden van constructies te verschuiven. De goedkeuringen zijn gebas"},{"b":"Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2026 Artikel 1 Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het toekennen van voorzieningen voor de werksituatie of de onderwijssituatie en bij het toekennen van een tolkvoorziening voor de leefsituatie, de normbedragen zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0052487) bij dit besluit. Artikel 2 UWV indexeert de normbedragen voorzieningen als volgt: - 1. Jaarlijks, per 1 januari: - a. De normbedragen C20-I, C20-III, Z1, Z2 en Z3 met dezelfde index als het maximum premieloon; - b. De normbedragen met de codes C18-II, C18-III, C18-IV, C22, C25-I, C25-V, C25-VI, C26-I, C26-II, C27, C31, C32, C33, C34, C35, C71, E17-A1, G22-I en I12 met de consumentenprijsindex (CPI); - c. De normbedragen met de codes E17-I, E17-II, E17-III, E17-A3, Q1 en Q2 met dezelfde index als de Cao-lonen in de gezondheid- en welzijnszorg; - d. Normbedrag B11 op basis van dezelfde index als het wettelijk minimumloon; - e. Normbedrag Z4 op basis van het door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde percentage. - 2. De aanpassingspercentages per 1 januari 2026 bedragen; - a. Voor de normbedragen die worden geïndexeerd met dezelfde index als het maximum premieloon: 4,67%; - b. Voor de normbedragen die worden geïndexeerd met de CPI: 3,27% Het betreft hier het indexcijfer september 2025; - c. Voor het normbedrag dat wordt geïndexeerd op basis van het wettelijke minimumloon: 4,62%. Dit betreft het aanpassingspercentage zoals opgenomen in het Besluit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2025, Staatsblad 2025, 34131; - d. Voor de normbedragen, die worden geïndexeerd op basis van de CAO lonen in de gezondheid- en welzijnszorg: 5,66%. Het betreft hier het indexcijfer september 2025. - e. Voor normbedrag Z4 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het indexcijfer vastgesteld op 3,0%. Artikel 3 De subsidiebedragen voor interne Jobcoaching voor een proefplaatsing zi"},{"b":"Besluit normbedragen WTS – Maas 2003 De volgende normbedragen vast te stellen ten aanzien van de berekening van de teeltplanschade overeenkomstig [artikel 9 van de regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas januari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014589&artikel=9): Normen in euro’s per ha of anders indien vermeld (per stuk of per m 2 | Granen | | | --- | --- | | Wintertarwe | 1.210,– | | Wintergerst | 1.016,– | | Triticale | 818,– | | | | | Graszaad | | | Engelsraai | 1.320,– | | Italiaansraai | 1.244,– | | | | | Asperges wit zonder bedekking | | | 2e jaar | 3.122,– | | 3e jaar | 13.988,– | | 4e t/m 10e jaar | 22.271,– | | | | | Asperges wit met bedekking | | | 3e jaar | 18.256,– | | 4e t/m 10e jaar | 27.202,– | | | | | Kool | | | Struikboerenkool | 6.257,– | | Savooiekool bewaar | 14.151,– | | Spitskool bewaar | 11.451,– | | | | | Rabarber pollenteelt | | | Rabarber selectie 1-jarig | 12.785,– | | Rabarber selectie 2-jarig | 14.205,– | | | | | Prei | | | Winterprei | 16.688,– | | | | | Uitgestelde teelten | | | Knolselderij | 3.630,– | | Suikerbieten | 3.027,– | | Maïs | 1.296,– | | Zomertarwe | 1.113,– | | Zomergerst | 1.020,– | | | | | Grasland | | | Grassnede 1e | 200,– | | Grassnede 2e | 150,– | | | | | Peren | | | 1715 bomen per ha | 17.974,– | | 2100 bomen per ha | 19.358,– | | 2500 bomen per ha | 20.742,– | | 3000 bomen per ha | 23.510,– | | | | | Zure kersen | | | 800 bomen per ha | 10.156,– | | | | | Heesters volle grond | | | Eenjarig van winterstek | 119.723,– | | Tweejarig van winterstek | 88.553,– | | Eenjarig plantgoed gemakkelijk | 276.916,– | | Eenjarig plantgoed moeilijk | 215.491,– | | Tweejarig plantgoed moeilijk | 157.049,– | | Tweejarig leverbaar van plantgoed | 155.606,– | | Tweejarig leverbaar van doorteelt | 129.583,– | | Eenjarig van handveredeld | 271.240,– | | Tweejarig van handveredeld | 233.625,– | | Tweejarig geënt | 387.932,– | | | | | Coniferen volle grond | | | Eenjarig plantgoed | 210.537,– | | Tweej"},{"b":"Besluit nr. 2011006588, d.d. 01-04-2011, van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de Collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938–1939) 1941–1957 [1960], bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de Collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938–1939) 1941–1957 [1960], beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Inventarisnummers: Beperkt openbaar tot 1 januari: | 1438 | | 2014 | | --- | --- | --- | | 2302 | | 2013 | | 2366 | | 2013 | | 2566 | | 2013 | | 2590 | | 2013 | | 2682 | | 2013 | | 2703 | | 2013 | | 3414 | | 2023 | | 3509 | | 2014 | | 3926 | | 2023 | | 3930 | | 2023 | | 3933 | | 2023 | | 3938 | | 2023 | | 3940 | | 2023 | | 3941 | | 2023 | | 3945–3947 | | 2023 | | 3959–3962 | | 2023 | | 3968 | | 2023 | | 3987–4010 | | 2023 | | 4129 | | 2023 | | 4157–4406 | | 2023 | | 4632–4647 | | 2023 | | 4714 | | 2023 | | 4745 | stuk nr.787/G | 2015 | | 5034–5038 | | 2020 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029836&artikel=1&z=2011-04-17&g=2011-04-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029836&artikel=1&z=2011-04-17&g=2011-04-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt"},{"b":"Besluit nr. DBV / 11066447 van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Interne Zaken en diens taakvoorgangers van het Ministerie van Economische Zaken over de periode 1951–1997 (2002) Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op het moment van overlijden van de persoon op wie het dossier betrekking heeft. Indien het overlijden van die persoon niet is vastgesteld, vervalt de beperking uiterlijk 100 jaar na geboortedatum, in het jaar vermeld in de tweede kolom van onderstaande tabel. | Inventarisnummers | | | --- | --- | | 304 | 2048 | | 305 | 2039 | | 306 | 2030 | | 307 | 2034 | | 308 | 2047 | | 309 | 2038 | | 310 | 2036 | | 311 | 2031 | | 312 | 2031 | | 313 | 2038 | | 314 | 2035 | | 315 | 2032 | | 316 | 2038 | | 317 | 2037 | | 318 | 2040 | | 319 | 2044 | | 320 | 2032 | | 321 | 2025 | | 322 | 2033 | | 323 | 2039 | | 324 | 2038 | | 325 | 2039 | | 326 | 2037 | | 327 | 2039 | | 328 | 2024 | | 329 | 2037 | | 330 | 2035 | | 331 | 2041 | | 332 | 2035 | | 333 | 2040 | | 334 | 2035 | | 335 | 2033 | | 336 | 2035 | | 337 | 2026 | | 338 | 2039 | | 339 | 2034 | | 340 | 2038 | | 341 | 2029 | | 342 | 2041 | | 343 | 2035 | | 344 | 1934 | | 345 | 2039 | | 346 | 2029 | | 347 | 2036 | | 348 | 2040 | | 349 | 2017 | | 350 | 2037 | | 351 | 2037 | | 352 | 2035 | | 353 | 2031 | | 354 | 2038 | | 355 | 2033 | | 356 | 2031 | | 357 | 2037 | | 358 | 2037 | | 359 | 2038 | | 360 | 2034 | | 361 | 2030 | | 362 | 2032 | | 363 | 2030 | | 364 | 2037 | | 365 | 2035 | | 366 | 2030 | | 357 | 2037 | | 358 | 2037 | | 359 | 2038 | | 360 | 2034 | | 361 | 2031 | | 362 | 2019 | | 363 | 2030 | | 364 | 2037 | | 365 | 2035 | | 366 | 2032 | | 367 | 2026 | | 368 | 2017 | | 369 | 2033 | | 370 | 2023 | | 371 | 2038 | | 372 | 2026 | | 373 | 2038 | | 374 | 2031"},{"b":"Besluit nr. DBV / 11104883 van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Personeel Organisatie en Innovatie en diens taakvoorgangers van het Ministerie van Economische Zaken over de periode (1934) 1976–1997 (2004) Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op het moment van overlijden van de persoon op wie het dossier betrekking heeft. Indien het overlijden van die persoon niet is aangetoond, vervalt de beperking uiterlijk 100 jaar na geboortedatum zoals weergegeven in de tweede kolom van onderstaande tabel. | Inventarisnummers | | | --- | --- | | 179 | 2044 | 2. De beperking van het eerste lid geldt niet indien: - a. iemand inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op deze persoon zelf; - b. degene die inzage vraagt kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. degene die inzage vragt een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage. Artikel 2 Raadpleging van de archiefbescheiden waarvan de openbaarheid op grond van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030423&artikel=1&z=2011-09-14&g=2011-09-14) is beperkt, is slechts mogelijk met voorafgaand verkregen schriftelijke toestemming van de algemene Rijksarchivaris. Een verzoek tot inzage kan worden ingediend via de daarvoor bij het Nationaal Archief gebruikelijke formulieren. De algemene Rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten waarvan de openbaarheid is beperkt, is, tot openbaarwording van de documenten slechts mogelijk met toestemming van de algemene Rijksarchivaris. De algemene Rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbin"},{"b":"Besluit nr. DBV / 12020217, van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen Archief van het Bureau Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken over de periode (1914) 1976–1998 (2000) (Besluit als bedoeld in artikel 10 van het archiefbesluit 1995) Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 88 tot 2042 slechts raadpleegbaar na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Artikel 2 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn op grond van [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 437 tot 2056 slechts raadpleegbaar na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Artikel 3 Toestemming tot raadpleging van de onder [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031343&artikel=1&z=2012-03-14&g=2012-03-14) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031343&artikel=2&z=2012-03-14&g=2012-03-14) genoemde archiefbescheiden kan worden verkregen door invulling en ondertekening door de verzoeker van de door het Nationaal Archief voorgeschreven formulieren tot het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de algemene rijksarchivaris het verzoek. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van de archiefbescheiden waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag"},{"b":"Besluit nr. HDIOU-DB/170156 houdende beperking openbaarheid archief Commissariaat Buitenlandse Investeringen In Nederland (CBIN) over de periode 1967–2000 van het Ministerie van Economische Zaken Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 30 jaar na afsluiting van het dossier. De dossiers worden volledig openbaar per datum genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 292 | 1-1-2021 | | 293 | 1-1-2024 | | 294 | 1-1-2025 | | 296 | 1-1-2027 | | 297 | 1-1-2028 | | 298 | 1-1-2028 | | 299 | 1-1-2028 | | 300 | 1-1-2028 | | 301 | 1-1-2030 | | 302 | 1-1-2023 | | 303 | 1-1-2021 | | 304 | 1-1-2023 | | 305 | 1-1-2025 | | 306 | 1-1-2029 | | 307 | 1-1-2024 | | 309 | 1-1-2026 | | 310 | 1-1-2025 | | 311 | 1-1-2027 | | 312 | 1-1-2031 | | 315 | 1-1-2030 | | 316 | 1-1-2022 | | 319 | 1-1-2023 | | 320 | 1-1-2025 | | 321 | 1-1-2028 | | 322 | 1-1-2019 | | 330 | 1-1-2024 | | 332 | 1-1-2030 | | 333 | 1-1-2019 | | 334 | 1-1-2020 | | 335 | 1-1-2029 | | 336 | 1-1-2021 | | 338 | 1-1-2023 | | 340 | 1-1-2018 | | 341 | 1-1-2030 | | 342 | 1-1-2026 | | 343 | 1-1-2021 | | 334 | 1-1-2022 | | 345 | 1-1-2024 | | 346 | 1-1-2022 | | 347 | 1-1-2023 | | 348 | 1-1-2023 | | 349 | 1-1-2023 | | 350 | 1-1-2019 | | 351 | 1-1-2022 | | 352 | 1-1-2023 | | 353 | 1-1-2023 | | 354 | 1-1-2023 | | 355 | 1-1-2023 | | 356 | 1-1-2024 | | 357 | 1-1-2021 | | 358 | 1-1-2021 | | 359 | 1-1-2021 | | 360 | 1-1-2023 | | 361 | 1-1-2023 | | 362 | 1-1-2031 | | 364 | 1-1-2023 | | 365 | 1-1-2023 | | 366 | 1-1-2025 | | 367 | 1-1-2023 | | 369 | 1-1-2023 | | 370 | 1-1-2024 | | 371 | 1-1-2024 | | 372 | 1-1-2025 | | 373 | 1-1-2028 | | 374 | 1-1-2028 | | 376 | 1-1-2024 | | 382 | 1-1-2021 | | 387 | 1-1-2020 | | 388 | 1-1-2026 | | 389 | 1-1-2019 | | 390 | 1-1-2020 | | 393 | 1-1-2025 | | 395 | 1-1-2025 | | 396 | 1-1-"},{"b":"Besluit omzetbelasting terbeschikkingstelling personeel *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 5 juli 2022, nr. 2022-181729 (* *Stcrt. 2022, nr. 18350* *). In dit besluit is verduidelijkt in welke situaties personeel werkzaamheden kan verrichten bij andere ondernemers zonder btw-heffing, naast het geval dat een btw-vrijstelling of een goedkeuring geldt voor het ter beschikking stellen van personeel. Het (tijdelijke) ter beschikking stellen van personeel in het kader van een medische beroepsopleiding is verduidelijkt. De aanwijzingen in het besluit voor het ter beschikking stellen van personeel als nauwsamenhangende prestatie binnen de onderwijsvrijstelling zijn verduidelijkt. Daarbij zijn enkele voorbeelden opgenomen van werkzaamheden die niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van vrijgestelde onderwijsprestaties.* 1. Inleiding Dit besluit gaat over de toepassing van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) op het ter beschikking stellen van personeel. Die prestatie is in beginsel onderworpen aan de btw-heffing.1Zie ook HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1606. In dit besluit is nader toegelicht en verduidelijkt wanneer bij de inzet van personeel bij andere ondernemers geen belastbare prestatie is te zien, daarvoor een btw-vrijstelling geldt, of goedgekeurd wordt dat btw-heffing achterwege mag blijven. In de gevallen waarin btw-heffing achterwege mag blijven op basis van een goedkeuring, dient te worden gehandeld als ware sprake van een btw-vrijstelling en bestaat er in zoverre geen recht op aftrek van voorbelasting. In dit besluit komt ten eerste aan de orde in welke situaties personeel bij andere ondernemers werkzaamheden kunnen verrichten zonder btw-heffing, omdat geen sprake is van een belastbare prestatie tussen ondernemers of de door de werkgever van het personeel verrichte prestatie niet als terbeschikkingstelling van personeel is aan te merken ([onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR004980"},{"b":"Besluit Onderlinge overlegprocedures De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit bevat een nadere beschrijving en invulling van de onderlinge overlegprocedure op grond van de [Wet fiscale arbitrage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042409), een bilateraal belastingverdrag of het EU-arbitrageverdrag. Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1. Afkortingenlijst - *APA:* Advance Pricing Agreement - *Arbitragerichtlijn:* Richtlijn 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie - *AVG:* Algemene Verordening Gegevensverwerking - *AWR:* [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) - *BAPA:* Bilaterale APA - *BFB:* [Besluit Fiscaal Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039576) - *Behandelteam IFZ:* Behandelteam Internationale Fiscale Zekerheid van de Belastingdienst - *Belastingverdrag:* Overeenkomst of bilateraal verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen - *BEPS:* Base Erosion and Profit Shifting - *CGVP:* Coördinatiegroep Verrekenprijzen van de Belastingdienst - *EU-arbitrageverdrag:* Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting ingeval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) - *IW:* [Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) - *MAP:* Mutual agreement procedure (onderlinge overlegprocedure) - *MAP-team Belastingdienst:* MAP-team van de Belastingdienst/directie Grote Ondernemingen - *MAPA:* Multilaterale APA - *MLI:* Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving - *OESO:* Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling - *VDI:* Verbruiksbelastingen, Douane en Internationale aangelegenheden - *WFA:* [Wet fiscale arbitrage](https://wetten.ov"},{"b":"Besluit Ondermandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen Artikel I Artikel 1 De aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting bij artikel 1, eerste en derde lid, van het Beluit Mandaat DGVH [Regeling milieugerichte technologie 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010278) en [Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010544) verleende bevoegdheden worden gemandateerd aan de directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum, het hoofd van de afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen en de hoofden van de clusters Eigen Woningen en Overige Regelingen van het Reken en Administratiecentrum. Artikel 2 De aan directeur-generaal van de Volkshuisvesting bij artikel 1, tweede lid, van het besluit Mandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen verleende bevoegdheid wordt gemandateerd aan de directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum. Artikel 3 De directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum kan de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften als bedoeld in artikel 2 van deze regeling niet uitoefenen, indien hij tevens het besluit, waartegen het bezwaar zich richt, krachtens artikel 1 van deze regeling heeft genomen. Artikel 4 Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 1 of artikel 2 van deze regeling, luidt de ondertekening: de Minister van de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: De directeur-generaal van de Volkshuisvesting, o.l. gevolgd door de functieaanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken functionaris. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Het besluit wordt ter inzage gelegd in de Centrale bibliotheek van VROM. 3. De directeur-generaal van de Volkshuisvesting zendt dit besluit aan de directeu"},{"b":"Besluit ondermandaat en ondervolmacht overgangsregeling Missionarissen CAK Artikel 1 Aan OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar u.a., hierna te noemen CZ, wordt ondermandaat verleend, met de mogelijkheid van verder ondermandaat aan medewerkers van CZ, om namens het CAK alle primaire besluiten te nemen die verband houden met de uitvoering van de regeling als bedoeld in [artikel 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6). Artikel 2 CZ wordt gemachtigd om namens het CAK alle werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en uitvoering van het bepaalde in [artikel 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6) en de daarop gebaseerde regelingen. Artikel 3 CZ past het ondermandaat, bedoeld [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en de machtiging, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), toe overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6), de daarop gebaseerde wettelijke uitvoeringsregelingen en de instructies van het CAK. Artikel 4 CZ informeert het CAK desgevraagd, al dan niet periodiek, op de door het CAK aangegeven wijze over de manier waarop CZ invulling geeft aan het verleende ondermandaat bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en de machtiging bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&a"},{"b":"Besluit ondermandaat ILT-ambtenaren VWS-regelgeving covid-19 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; en - *ondermandaat:* bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen Artikel 2 Aan de in [artikel 1a, eerste lid, van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2021, kenmerk 2361911-1009138-WJZ, houdende aanpassing van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2020, kenmerk 1793063-215168-WJZ, houdende aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19 (Stcrt. 2020, 66366) en het verlenen van mandaat aan de Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044481&artikel=1a) (Stcrt. 2021, nr. 28137) bedoelde ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt ondermandaat verleend om een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bepaalde krachtens [artikel 58p, derde lid, onderdeel a, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58p). Artikel 3 De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045365&artikel=2&z=2021-07-08&g=2021-07-08) bedoelde ambtenaren nemen bij de uitoefening van het aan hun verleende ondermandaat de instructies van de minister in acht. Artikel 4 1. Het in een document vastleggen van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een handeling ter voorbereiding daarvan, geschiedt op briefpapier van het ministerie met het hoofd: MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT WATERSTAAT. 2. De ondertekening van het in het eerste lid bedoelde besluit luidt: DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, namens deze, gevolgd door de aanduiding van de gemandateerde functionaris. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van datum van"},{"b":"Besluit ondermandaat Nederlandse vertegenwoordigingen tot het verlenen van ondermandaat aan: - (1) het hoofd van de afdeling Koninkrijksverhoudingen van de directie Koninkrijksrelaties; - (2) het hoofd van de afdeling Financieel-Economische verhoudingen van de directie Koninkrijksrelaties; - (3) de vertegenwoordiger van Nederland op Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - (4) het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Aruba; - (5) het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Curaçao; en - (6) het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Sint Maarten; met betrekking tot de bevoegdheid van de onder (1) en (2) genoemden: tot het namens de Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties afdoen en tekenen van stukken voor zover deze tot het werkterrein van de betreffend diensteenheid behoren, een organisatorische, procedurele, administratieve of algemeen informatieve strekking hebben, berusten op geldende besluitvorming en beleidsinzichten bij de directie respectievelijk het ministerie, en redelijkerwijs niet behoren to worden voorgelegd aan het hoger gezag. met betrekking tot de bevoegdheid van de onder (3) genoemde: tot het namens de Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties afdoen en tekenen van stukken voor zover deze tot het werkterrein van de betreffend diensteenheid behoren, een organisatorische, procedurele, administratieve of algemeen informatieve strekking hebben, berusten op geldende besluitvorming en beleidsinzichten bij de directie respectievelijk het ministerie, en redelijkerwijs niet behoren to worden voorgelegd aan het hoger gezag; alsmede tot het namens de Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties verrichten van werkzaamheden en het nemen van besluiten inzake kiezers woonachtig op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de verkiezing van de leden van het Europees Parlement alsmede het raadgevend referendum op grond van de [W"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429) van 15 juni 2010. - b. *manager:* de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. *senior functionarissen:* de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. *functionarissen:* de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. Artikel 2. behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 7 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=7) bedoelde bezwaarbehandeling; - – voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - – voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 3. besluiten op bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van alle beslissingen op bezwaar (inzake de in [artikel 2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=2) genoemde eigen bijdragen, de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=3) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=4) genoemde compensatie/tegemoetkomingen en de in [artikel 5 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=5) genoemde schadebesluiten en Wob-besluiten); aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 4. behandelen (hoger) beroepschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Artikel 1. : definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124) van 23 december 2014. - b. *manager:* de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. *senior functionarissen:* de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. *functionarissen:* de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. *mediationvertegenwoordigers:* medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. : behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 12 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=12) bedoelde bezwaarbehandeling; - – voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - – voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 3. : besluiten op bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van alle beslissingen op bezwaar (inzake de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=2) en [3 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=3) genoemde eigen bijdragen, de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=4) en [5 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=5) genoemde ouderbijdrage Jeugdwet, de in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=6) en [7](https:/"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487) van 15 december 2015. - b. *manager:* de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. *senior functionarissen:* de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. *functionarissen:* de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. *mediationvertegenwoordigers:* medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 13 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=13) bedoelde bezwaarbehandeling; - – voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - – voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 3. besluiten op bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van alle beslissingen op bezwaar (inzake de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=2) en [3 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=3) genoemde eigen bijdragen, de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=4) en [5 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=5) genoemde ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), de in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/j"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep CAK Artikel 1. : definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. *manager:* de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. *senior functionarissen:* de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. *functionarissen:* de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. *mediationvertegenwoordigers:* medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. : behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in artikel 13 van het Besluit bedoelde bezwaarbehandeling; - – voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - – voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 3. : besluiten op bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van alle beslissingen op bezwaar (inzake de in artikel 3A en 3B van het Besluit genoemde eigen bijdragen, de in de artikelen 5A en 5B van het Besluit genoemde ouderbijdrage Jeugdwet, de in de artikelen 6 en 7 genoemde compensatie/tegemoetkomingen, de in artikel 8 genoemde Wbp-besluiten en de in artikel 9 van het Besluit genoemde schadebesluiten); aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 4. : behandelen (hoger) beroepschriften en verzoekschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het vertegenwoordigen van het CAK"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Informatie Centrum Burgers Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. *manager:* de manager van de afdeling Informatie Centrum Burgers. - c. *teammanager:* de coördinator van de afdeling Informatie Centrum Burgers, te weten: de heer J.E. Cortjens en de heer M. Kleist. - d. *medewerker:* de medewerker planning en control ICB, te weten: de heer W.J.J. Heimeriks. Artikel 2. primaire besluiten vaststellen en herzien – regeling Gemoedsbezwaarden en Onverzekerbare vreemdelingen De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van primaire besluiten tot het vaststellen of herzien van rechten en verplichtingen in het kader van de burgerregelingen, waartoe het CAK bevoegd is bij of krachtens de [artikelen 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=70) en [122a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=122a) (Zvw); - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het terrein van de primaire besluiten als bedoeld in het eerste onderdeel van dit artikel; aan de teammanager de heer J.E. Cortjens en de medewerker, uitsluitend met betrekking tot de regeling Gemoedsbezwaarden en Onverzekerbare Vreemdelingen. Artikel 3. primaire personeelsbesluiten De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het nemen van besluiten ter uitvoering van de rechtspositieregelingen voor medewerkers van de afdeling die ambtenaar zijn; - – voor het nemen van besluiten tot wijziging van de werktijden en daarmee samenhangende bezoldiging, met inachtneming van de geldende formaties en budgetten; - – voor het nemen van schadebesluiten in verband met betaling, invordering of terugvordering en het vaststellen van beleidsregels, indien deze di"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Verzekering Burgers Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. *manager:* de manager van de afdeling Wanbetalers en Onverzekerden. - c. *teammanager:* de teammanager van de afdeling Wanbetalers, te weten: mevrouw N.A. Klumper. - d. *manager FA:* de manager van de afdeling FA/Grootboek, te weten: mevrouw A. Kooistra-Vink. Artikel 2. primaire besluiten vaststellen en herzien – regeling Wanbetalers en Onverzekerden De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van primaire besluiten tot het vaststellen of herzien van rechten en verplichtingen in het kader van de burgerregelingen, waartoe het CAK bevoegd is bij of krachtens de [artikelen 9a t/m 9d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9a), [18a t/m 18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) (Zvw); - – voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het terrein van de primaire besluiten als bedoeld in het eerste onderdeel van dit artikel; aan de teammanager uitsluitend met betrekking tot de regeling Wanbetalers. Artikel 3. invorderen – burgerregelingen De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van primaire besluiten strekkende tot: - ○ de invordering van de conform [artikel 4A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=4a) genomen besluiten; - ○ het op grond van [artikel 4:94 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:94) verlenen van uitstel van betaling (waaronder het treffen van een betalingsregeling) van de conform [artikel 4A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=4a) g"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging CAK afdeling Buitenland Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Besluit:* het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. *manager:* de manager van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen. - c. *teammanager:* de teammanagers van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten: mevrouw mr. M. de Vos, de heer P. Oostindie, mevrouw I. van der Laan, de heer W. van Barneveld en de heer E. Moes. - d. *adviseur B:* adviseur B binnen Verzekering Burgers/Planning & Control, te weten: de heer J. de Nijs. - e. *adviesmedewerker A:* adviesmedewerker A van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten mevrouw S. Koning; - f. *adviesmedewerker B:* de adviesmedewerkers B van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten: de heer L. Immerzeel, mevrouw J.J. Boon, mevrouw J.M.M. Koppes, mevrouw M.P.P. Schut-van der Meer. Artikel 2. primaire personeelsbesluiten De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - – voor het nemen van besluiten ter uitvoering van de rechtspositieregelingen voor medewerkers van de afdeling die ambtenaar zijn; - – voor het nemen van besluiten tot wijziging van de werktijden en daarmee samenhangende bezoldiging, met inachtneming van de geldende formaties en budgetten; - – voor het nemen van schadebesluiten in verband met betaling, invordering of terugvordering en het vaststellen van beleidsregels, indien deze direct samenhangen met besluiten als bedoeld in het eerste sub; aan de teammanager, de adviseur B, de adviesmedewerker A en de adviesmedewerker B. Artikel 3. informatie De teammanager, de adviseur B, de adviesmedewerker A en de adviesmedewerker B informeren de manager desgevraagd, al dan niet periodiek, over de manier waarop zij invulling geven aan het verleende ondermandaat, de volmacht en de machtiging. Artikel 4. bekendmaking 1. Dit besl"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 van 4 februari 2019, nr. WJZ/18313389, voor de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Artikel 1 1. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 2. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt voorts ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden betreffende: - a. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van [artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=677); - b. het toekennen van een hogere salarisschaal; - c. het verlenen van kortdurend en langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk; - d. het opdragen van een andere functie; - e. het opdragen van tijdelijke a"},{"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen 2021. Besluit van de directeur van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen van 19 februari 2021, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen 2021) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. *de NAK:* de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - c. *de wet:* de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - d. *de regeling:* de Regeling plantgezondheid. Artikel 2 1. Aan de managers, de technisch coördinator, de regiohoofden, de teamleiders en de vakspecialisten van de NAK wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. de registratie, bedoeld in artikel 65 van verordening 2016/2031; - b. het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de verklaring, bedoeld in artikel 10, tweede lid,van de regeling; - c. het opleggen van een teeltverbod en maatregelen als bedoeld in artikel 30, tweede en derde lid, van de regeling en het opheffen van een teeltverbod als bedoeld in artikel 33 van de regeling; - d. het geven van een ontheffing als bedoeld in artikel 41 van de regeling van het verbod in de artikelen 21, eerste lid, 23, 30, eerste lid, 35, eerste lid, en 38, eerste lid, van de regeling. 2. Aan de managers, het hoofd Financiën en de projectleider van de NAK wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband"},{"b":"Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers Artikel 1 De Raad verleent medewerkers in de functie van stafmedewerker Wsnp en Btv en administratief medewerkers Wsnp en Btv ondermandaat ten aanzien van handelingen en bevoegdheden met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). Artikel 2 1. Het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers beslist op bezwaarschriften. Indien het besluit in primo is genomen door het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers wordt het besluit op het bezwaarschrift genomen door de landelijke directie van de Raad voor Rechtsbijstand. 2. In de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de Raad voor Rechtsbijstand in beroep, wordt via een afzonderlijke machtiging voorzien. Artikel 3 Dit besluit is vastgesteld door de Raad. Eventuele wijzigingen behoeven de instemming van de Raad. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en via de internetsite van de Raad voor Rechtsbijstand, Bureau btv (www.bureaubtv.nl), en treedt in werking op de tweede dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als het Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers."},{"b":"Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Wet beëdigde tolken en vertalers Artikel 1 Aan de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand in de functie van stafmedewerker Btv en Wsnp en administratief medewerkers Btv en Wsnp wordt ondermandaat verleend als bedoeld in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. Artikel 2 De in [artikel 4 van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) verleende bevoegdheid tot doorgeven van het mandaat en de machtiging wordt als volgt aangevuld: - 1. Het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers beslist op bezwaarschriften. Indien het besluit in primo is genomen door het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers wordt het besluit op het bezwaarschrift genomen door de landelijke directie van de Raad voor Rechtsbijstand. - 2. In de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de Raad voor Rechtsbijstand in beroep wordt via een afzonderlijke machtiging voorzien. Artikel 3 Dit besluit is vastgesteld door de Raad voor Rechtsbijstand. Eventuele wijzigingen behoeven de instemming van de Raad. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en via de internetsite van de Raad voor Rechtsbijstand, Bureau btv (www.bureaubtv.nl), en treedt in werking op de tweede dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als het Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Wet beëdigde tolken en vertalers."},{"b":"Besluit Ondernemingsfaciliteiten *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit actualiseert het Besluit Ondernemingsfaciliteiten van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 en bevat het beleid over de ondernemingsfaciliteiten in de overdrachtsbelasting. Onderdeel 2.7 uit het besluit van 25 mei 2018 is vervallen. De onderdelen 2.71Dit beleidsonderdeel is mede tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2022:11, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl (en de bijbehorende subonderdelen 2.7.12Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2023:3, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl, 2.7.2 en 2.7.33Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2022:12, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl), 4.2 en 7 zijn nieuw. Verder is onderdeel 3.4 inhoudelijk gewijzigd en is de inleidende tekst van de onderdelen 3.9, 4.1 en 4.2 verduidelijkt. De overige onderdelen zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven en waar nodig uitsluitend redactioneel aangepast. Het besluit van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 en het besluit van 14 november 1997, VB97/1540 worden ingetrokken.* 1. Inleiding De overdrachtsbelasting kent een aantal ondernemingsfaciliteiten in de vorm van vrijstellingen. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in [artikel 15, eerste lid, onderdelen b, e, f, h en q, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). Dit besluit bevat het beleid over de ondernemingsfaciliteiten. Het besluit actualiseert en vervangt het [besluit van 25 mei 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040965), nr. 2018-50125 (Stcrt. 2018, 30213). Dit besluit werd eerder gewijzigd bij besluit van 6 juni 2025, nr. 2025-10082 (Stcrt. 2025, 20464), waarbij de [onderdelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050370) en [2.4](https://wetten.overheid.nl/BWBR"},{"b":"Besluit Onderscheidingsvlag Nederlandse Kustwacht Artikel 1 1. De Onderscheidingsvlag van de Nederlandse Kustwacht bestaat uit drie banen, waarvan de hoogten zich verhouden als 54:10:13, met de kleuren oranje, wit en blauw. Op de oranje baan, bij de broeking, is het embleem van de Nederlandse Kustwacht verbeeld. 2. De omschrijving van het embleem luidt: in een rond schild, bezaaid met blokjes, een leeuw, gekroond met een kroon van drie bladeren en twee parelpunten, in de rechtervoorklauw opgeheven houdend in schuinlinkse stand een zwaard en in de linker- een bundel van zeven pijlen, te samen gebonden met een lint. Het schild is geplaatst op een achtpuntige rozet, gaande over twee schuingekruiste klare ankers en gedekt met de Koninklijke kroon. De blokjes zijn op gelijke onderlinge afstand van elkaar geplaatst, in een gelijkmatige verdeling over het veld. De leeuw heeft een witte staart, voorzien van twee witte kwasten. 3. De vormgeving en de kleurstelling van de Onderscheidingsvlag zijn in overeenstemming met de afbeelding in kleur, die als bijlage bij dit Besluit is gevoegd. Artikel 2 De Onderscheidingsvlag van de Nederlandse Kustwacht wordt gevoerd door de schepen en bij de walinrichtingen van de Kustwacht. Artikel 3 Dit Besluit treedt in werking op de dag na die van de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit Onderscheidingsvlag Nederlandse Kustwacht."},{"b":"Besluit ondertekening convenant handhaving milieuwet- en regelgeving Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. hoofdinspecteur: hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu; c. regionaal inspecteur: regionaal inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu; d. convenant: ter uitvoering van de brief van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, per provincie of per regio gemaakte schriftelijke afspraken met alle binnen de provincie of per regio aanwezige handhavingspartners, ter verbetering van de kwaliteit van de handhaving. Artikel 2 De regionaal inspecteur en de plaatsvervangend regionaal inspecteur worden gemachtigd om namens de Minister convenanten te ondertekenen, voor de provincies welke binnen hun werkgebied vallen. Artikel 3 1. De minister, gehoord de hoofdinspecteur, kan aanwijzingen geven over de uitoefening van de door hem verleende machtiging, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010232&artikel=2&z=1999-02-14&g=1999-02-14). 2. De regionaal inspecteur of de plaatsvervangend regionaal inspecteur verschaft de minister en de hoofdinspecteur, uit eigen beweging of op hun verzoek inlichtingen over de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Artikel 4 Indien toepassing wordt gegeven aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010232&artikel=2&z=1999-02-14&g=1999-02-14), luidt de ondertekening: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, handelend in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan, te dezen vertegenwoordigd door .... (de functie-aanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken functionaris). Art"},{"b":"Besluit ondertekening en mandaat College van Toezicht Auteursrechten Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het College:* het College van Toezicht Auteursrechten; - b. *de voorzitter:* de voorzitter van het College van Toezicht Auteursrechten; - c. *de secretaris:* de secretaris van het College van Toezicht Auteursrechten; - d. *Awb:* [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Artikel 2. Ondertekening besluiten van het College Besluiten van het College worden ondertekend door de voorzitter. Artikel 3. Mandaat 1. Aan de secretaris wordt mandaat verleend tot het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden: - a. het stellen van een termijn ten behoeve van het aanvullen van een aanvraag als bedoeld in [artikel 4:15, eerste lid van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15); - b. het stellen van een termijn ten behoeve van het herstellen van een verzuim op grond van [artikel 6:6 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:6); - c. het nemen van besluit met betrekking tot de dwangsomregeling als bedoeld [artikel 4:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:18); - d. het nemen van een besluit tot verdaging van de beslistermijn op grond van [artikel 7:10 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10); - e. het nemen van een besluit tot verdaging van de beslistermijn op grond van [artikel 6, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=6). 2. Een krachtens mandaat genomen besluit dient te worden ondertekend als volgt: - (1) *Namens het College van Toezicht Auteursrechten,* - (2) *[naam], de secretaris* Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 6. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als Besluit ondertekening en mandaat College van Toe"},{"b":"Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen Artikel 1 Het Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen is niet van toepassing op: - de Nederlandsche Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V.; - de Nederlandsche Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V.; - de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds Amsterdam N.V.; - de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds 's-Gravenhage N.V.; - de N.V. Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij; - de N.V. Industriebank LIOF (Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering); - de Overijsselse Ontwikkelings Maatschappij N.V. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandsche Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 juni 1981."},{"b":"Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden BZK Kerndepartement ondervolmacht te verlenen voor personele aangelegenheden binnen het BZK Kerndepartement zoals vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048700&bijlage=1&z=2023-10-06&g=2023-10-06) bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden BZK Kerndepartement."},{"b":"Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden DGABD ondervolmacht te verlenen voor personele aangelegenheden binnen het directoraat-generaal Algemene Bestuursdienst (DGABD), zoals vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048863) bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden DGABD."},{"b":"Besluit onderwijsvrijstelling omzetbelasting *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 30 juli 2014, nr. BLKB2014/125M. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zijn als volgt.* - – *Het verzorgen van openbaar onderwijs wordt per 19 juni 2020 niet meer aangemerkt als het handelen als overheid (onderdeel 3.1);* - – *Voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor het onderwijs door internationale, buitenlandse en ambassadescholen geldt dat toezicht door een buitenlandse autoriteit of door een erkende accreditatieorganisatie volstaat (onderdeel 3.2);* - – *De diensten die vallen onder ‘het afnemen van examens ter toelating of ter afsluiting van onderwijs’ zijn nader toegelicht (onderdeel 3.3);* - – *Elektronisch, op afstand of online verzorgd onderwijs kan worden beschouwd als ‘het overbrengen van kennis en/of vaardigheden door een leerkracht’ als een mogelijkheid bestaat tot interactie tussen docent en leerling(en) (onderdeel 4.1);* - – *Onder voorwaarden is de vrijstelling van toepassing op door externe ondernemers verrichte onderwijsactiviteiten die behoren tot het curriculum van het reguliere onderwijs (onderdeel 4.1);* - – *Gebarentaalonderwijs is een vorm van taalonderwijs (onderdeel 9);* - – *Scriptiebegeleiding valt onder voorwaarden onder de vrijstelling. Tekstservice valt niet onder de vrijstelling (onderdeel 12.2).* 1. Inleiding 1.1. Algemeen De btw-vrijstelling van [artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) (hierna: de onderwijsvrijstelling) geldt voor het verzorgen van bepaalde vormen van onderwijs. De nauw met dit vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en diensten zijn ook vrijgesteld. In dit besluit komen de reikwijdte van de onderwijsvrijstelling en de ingenomen beleidsmatige standpunten op het terrein van onderwijs en btw aan de orde. 1.2. Verwerking kennisgroepantwoorden In dit besluit is het kennisgroepantwoord KG:210:2022:2 inzake elektronisch, op afstand of on"},{"b":"Besluit onroerende zaken omzetbelasting *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M (* *Stcrt. 2013, 26851* *). De actualisering houdt verband met gewezen jurisprudentie, gewijzigde regelgeving en beleidsmatige wijzigingen.* *De volgende inhoudelijke en beleidsmatige wijzigingen zijn opgenomen.* *§ 2. is geactualiseerd. Onder meer is opgenomen dat voor het begrip ‘onroerende zaak’ de definitie van ‘onroerend goed’ geldt zoals opgenomen in artikel 13 ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2011, L 77) (hierna: uitvoeringsverordening).* *In § 3.2 (voorheen § 3.1.2) is verwerkt artikel 13 ter van de uitvoeringsverordening.* *In § 3.2.1 (voorheen § 3.1.3) is verwerkt artikel 13 ter van de uitvoeringsverordening. Ook is verduidelijkt wanneer klinkerbestrating kwalificeert als een gebouw. Verder is, onder verwijzing naar Hoge Raad (hierna: HR) 5 oktober 2018, nr. 16/04577, opgenomen dat een gebouw door sloop de functie van gebouw kan verliezen, waardoor het restant niet kan worden beschouwd als een oud gebouw.* *In § 3.2.2 (nieuw) zijn de in de uitvoeringsverordening gehanteerde begrippen ‘element’, ‘werktuig’ en ‘machine’ opgenomen.* *§ 3.3.1 (voorheen § 3.2.1) is geactualiseerd. Verduidelijkt is dat bij een opstalrecht waarbij het recht tot het hebben van de opstallen door partijen in de akte van vestiging van het opstalrecht is beperkt tot een deel van het totale perceel waarop het opstalrecht is gevestigd, alleen dit deel in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling of sprake is van een bouwterrein en de bepaling van de waarde in het economische verkeer bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: wet). V"},{"b":"Besluit op basis van artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES Artikel 1 De werknemer die de leeftijd van 16 jaar doch niet die van 21 jaar heeft bereikt, heeft de aanspraak bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8). Artikel 2 Het minimumloon waarop [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028325&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) aanspraak geeft, bedraagt voor de hierna te onderscheiden leeftijdsklassen het daarbij aan te geven percentage van het minimumloon, dat ingevolge [artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9) voor de desbetreffende werknemer zou hebben gegolden indien hij de leeftijd van 21 jaar al zou hebben bereikt: de 16 en 17-jarigen: 65 de 18-jarigen: 75 de 19-jarigen: 85 de 20-jarigen: 90 Artikel 2a Dit besluit berust op [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit op basis van [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8)."},{"b":"Besluit op de weerkorpsen BES Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *bevoegd gezag:* het gezag waaronder een organisatie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), eerste lid, bij een operationeel optreden is gesteld; - b. *korpscommandant:* de korpscommandant, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=5&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Onze Minister kan een organisatie toelaten als weerkorps in de zin van [artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de weerkorpsen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028240&artikel=1). 2. Geen toelating vindt plaats, indien: - a. de organisatie geen rechtpersoonlijkheid bezit of de organisatie niet wordt ondersteund door een rechtspersoon; - b. de statuten, de huishoudelijke en overige reglementen van de organisatie niet de instemming van Onze Minister hebben, en - c. de organisatie niet ten doel heeft het bevoegd gezag bij te staan in de handhaving van de openbare orde en rust en de in- of uitwendige veiligheid, dan wel in de hulpverlening bij rampen en crises. 3. Toelating kan voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij kan te allen tijden worden ingetrokken. Aan de toelating kunnen voorwaarden worden verbonden. 4. Wijziging van de in het tweede lid, onder b, genoemde documenten behoeft de instemming van Onze Minister. Artikel 2a 1. Uit de statuten van een organisatie als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), blijkt dat zij zich aan geen ander dan het wettig gezag dienstbaar zal stellen. 2. In de statuten of overige bedoelde reglementen staan vermeld de verwezenlijking van het doel alsmede de samenstelling en de inrichting van het korps en het beheer. Artikel 3 Ten aanzien van de kleding en uitrusting alsmede de opslag daar"},{"b":"Besluit op grond van artikel 4 Besluit slotallocatie Artikel 1 1. Er is een Coördinatiecomité, nader te noemen comité, dat ten minste uit de volgende leden bestaat: - a. een vertegenwoordiger van het door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 2 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=2) aangewezen volledig gecoördineerde luchtvaartterrein; - b. een vertegenwoordiger van de luchtvaartmaatschappijen die gebruik maken van het luchtvaartterrein, of hun vertegenwoordigende organisaties; - c. een vertegenwoordiger van de Luchtverkeersbeveiligings-organisatie. 2. Als waarnemer wordt tot de vergaderingen van het comité toegelaten: - a. een vertegenwoordiger van de Rijksluchtvaartdienst; - b. de door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 3 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=3) aangewezen coördinator. Artikel 2 Het comité heeft de in [artikel 4 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=4) genoemde taak. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dag waarop het [Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035) in werking is getreden."},{"b":"Besluit op het ter beschikking stellen arbeidskrachten BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet op het ter beschikking stellen arbeidkrachten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028435); - b. *vergunning:* een vergunning als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028435&artikel=2). Artikel 2 De houder van een vergunning vermeldt in de door hem gevoerde correspondentie het nummer en kenmerk van zijn vergunning en draagt er zorg voor dat de vergunning in zijn vestiging of vestigingen op een voor zowel ter beschikking te stellen arbeidskrachten als ondernemingen die voornemens zijn arbeidskrachten in te lenen gemakkelijk toegankelijke plaats zodanig is opgehangen dat deze duidelijk leesbaar is. Artikel 3 De houder van een vergunning stelt een arbeidskracht ten hoogste gedurende een tijdvak van zes maanden aan dezelfde onderneming ter beschikking. Artikel 4 1. Twee opeenvolgende terbeschikkingstellingen door de houder van een vergunning van dezelfde arbeidskracht aan dezelfde onderneming gelden als één doorlopende terbeschikkingstelling, wanneer de duur van het tussenliggende tijdvak minder dan drie maanden bedraagt. 2. In geval een arbeidskracht aan een onderneming ter beschikking wordt gesteld ter vervanging van een eerder door de houder van een vergunning aan de onderneming ter beschikking gestelde arbeidskracht, gelden beide terbeschikkingstellingen als één doorlopende terbeschikkingstelling, wanneer de duur van het tussenliggende tijdvak minder dan drie maanden bedraagt. Artikel 5 Indien een arbeidskracht door de houder van een vergunning aan een onderneming ter beschikking is gesteld en deze arbeidskracht daarna binnen een tijdvak van drie maanden bij dezelfde onderneming werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, stelt de houder van een vergunning deze arbeidskracht niet binnen een tijdvak van drie maanden na het verstrijken van die duur opni"},{"b":"Besluit openstellen elektronische weg indienen bezwaarschriften Ctgb - 1. De elektronische weg voor het indienen van bezwaarschriften als bedoeld in [afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) open te stellen, voor zover het bezwaarschriften gericht tegen besluiten van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft. - 2. Daarbij vast te stellen de volgende nadere eisen: - a. Langs elektronische weg indienen van een bezwaarschrift kan alleen via een e-mail gericht aan post@ctgb.nl. - b. Als tijdstip van ontvangst van een met het onder a. per e-mail ingediend bezwaarschrift wordt aangemerkt het tijdstip waarop het bericht het systeem voor gegevensverwerking van het college heeft bereikt. Aldus besloten in de vergadering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gehouden op 25 januari 2023."},{"b":"Besluit openstelling Deelregeling Internationale Werkreis voor Individuen Fonds Podiumkunsten en vaststelling subsidieplafond Artikel 1. Openstelling en subsidieplafond Aanvragen voor een subsidie binnen de [Deelregeling Internationale Werkreis voor Individuen Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052641) kunnen worden ingediend van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2026. Voor deze openstelling geldt een subsidieplafond van 200.000 euro. Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding Dit besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van 1 juni 2026."},{"b":"Besluit opgedragen telecommunicatiediensten BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 3 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=3). § 2. Opgedragen diensten Artikel 2 De opgedragen diensten met betrekking tot het directe transport van gegevens, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=3), omvatten de in de navolgende paragrafen omschreven vaste telecommunicatiedienst, satelliettelecommunicatiedienst, mobiele telecommunicatiedienst en langeafstandstelecommunicatiedienst. Artikel 3 De opgedragen diensten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028378&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kunnen naar hun aard en omvang in een concessie worden beperkt tot één of meer van deze diensten dan wel delen daarvan. § 3. Vaste telecommunicatiedienst Artikel 4 Onder vaste telecommunicatiedienst wordt verstaan de dienst met betrekking tot het transport van gegevens via de vaste telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie voor: - a. direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer uit een nummerplan als bedoeld in [artikel 44e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44e), en - b. toegang tot het internet en derhalve connectiviteit met vrijwel alle eindpunten van het internet, ongeacht de gebruikte netwerktechnologie en eindapparatuur. § 3a. Satelliettelecommunicatiedienst Artikel 4a Onder satelliettelecommunicatiedienst wordt verstaan de dienst met betrekking tot het transport van gegevens via een combinatie van satellietverbindingen en grondstations, van en naar een locatie op een openbaar lichaam voor: - a. direct of indirect ui"},{"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie, A-dossiers en voorlopers, (1923) 1949–1987 (2005), toegangsnummer 2.09.105 Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de inventarisnummers die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051112) genoemd worden, op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie: Gratie Doodstraffen, nummer toegang 2.09.71 De beperking aan de openbaarheid gesteld aan de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 37 tot en met 177 in het archief Ministerie van Justitie: Gratie Doodstraffen, toegang 2.09.71, wordt ten aanzien van het gratiedossier betreffende een persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden."},{"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archiefbescheiden, inventarisnummer 25357 Code-archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974, nummer toegang 2.05.313 Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummer 25357 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid inventarisnummers 1617 en 2302 archief Ministerie van Justitie, Gratiebeleid en uitvoering, (1827) 1947–1988 (1998), toegangsnummer 2.09.116 Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummers 1617 en 2302 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Kabinet Gouverneur Nederlands Nieuw-Guinea 1945–1962 Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Kabinet Gouverneur Nederlands Nieuw-Guinea 1945–1962, nummer archiefinventaris 2.10.36.13, worden opgeheven met uitzondering van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de volgende inventarisnummers: 2,13,14 en 16"},{"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Ministerie van Koloniën te Londen 1940–1945 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën te Londen 1940–1945, nummer archiefinventaris 2.10.45, worden opgeheven met uitzondering van de beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de onderstaande inventarisnummers. | 260 t/m 263 | 302 | | --- | --- | | 273 | 674 | | 276 t/m 279 | 677 | | 281 | 707 | | 284 t/m 287 | 779 t/m 782 | | 293 | 986 t/m 1014 | | 294 | 1223 |"},{"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Ministerie van Koloniën: Dossierarchief 1945–1963 Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën: dossierarchief 1945–1963, nummer archiefinventaris 2.10.54, worden opgeheven met uitzondering van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de volgende inventarisnummers: | 1921–1926 | 3673 | 6568 | 8806–8808 | 10318–10320 | 11256 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 2035–2058 | 3937 | 6582–6584 | 8832–8835 | 10347 | 11339 | | 2346 | 3939 | 6587 | 8841 | 10370–10372 | 11340 | | 2564 | 4103–4109 | 6610 | 8869–8876 | 10384 | 11373–11379 | | 2597 | 4258–4263 | 6630 | 8881–8884 | 10432–10434 | 11409 | | 2598 | 4385 | 6652 | 8886 | 10479 | 11415 | | 2601–2607 | 4416 | 6655 | 8937–8950 | 10483 | 11422 | | 2618 | 4520 | 6671 | 9033 | 10484 | 11432 | | 2619 | 4557 | 6678 | 9065–9071 | 10527 | 11434 | | 2646 | 4691 | 6797–6799 | 9076–9080 | 10529 | 11578 | | 2660–2666 | 4604–4708 | 6812 | 9113–9114 | 10552 | 11598 | | 2674–2677 | 4866–4868 | 6831 | 9161 | 10555 | 11650 | | 2689 | 5013 | 6834 | 9163 | 10574 | 11669 | | 2710 | 5014 | 6835 | 9241–9248 | 10575–10599 | 11672 | | 2792 | 5087–5095 | 6885 | 9337 | 10616 | 11673–11677 | | 2877 | 5135–5137 | 6914 | 9352 | 10627 | 11724 | | 2916 | 5287 | 6940 | 9362 | 10660 | 11839 | | 3067 | 5368 | 7200 | 9370–9371 | 10661 | 11941 | | 3183–3186 | 5410 | 7215 | 9539 | 10677 | 11942 | | 3192 | 5418 | 7479 | 9554 | 10687 | 11948 | | 3193 | 5426 | 7480 | 9556 | 10697 | 11949 | | 3214 | 5410 | 7486–7491 | 9565 | 10700–10701 | 11952–11954 | | 3241 | 5418 | 7557 | 9326 | 10704 | 11956 | | 3277 | 5426 | 7590 | 9628 | 10762–10763 | 11957 | | 3283 | 5434–5438 | 7722 | 9630 | 10773 | 11968 | | 3298 | 5485 | 7764 | 9632 | 10788 | 11996 | | 3326 | 5515 | 7938 | 9634–9636 | 10811 | 11998 | | 3368 | 5580 | 7951 | 9652 | 10826 | 11999 | | 3370 | 5635 | 8002 | 9667 | 10857 | | | 3371 | 5867 | 8098 | 9674 | 10888 | |"},{"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archief Ministerie van Buitenlandse Zaken: Directie Buitenlandse Dienst 1945–1954, nummer toegang 2.05.51 Artikel 1 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken: Directie Buitenlandse Dienst, worden opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archieven Kabinet der Koningin over de periode 1946–1988 Artikel 1 De beperkingen die, met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen ofwel rechtspersonen danwel van derden, zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de serie Verbaal: Wetten, Besluiten en Kabinetsbrieven in de inventarisnummers 9401-13161 in het archief van het Kabinet der Koningin 1946–1975 worden opgeheven. Artikel 2 De beperkingen die, met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de series Verbaal: Wetten, Besluiten en Kabinetsbrieven, inventarisnummers 9401-13161 en 14000-16388 in de archieven van het Kabinet van de Koningin over de periode 1946–1988 worden opgeheven wanneer een verzoeker aantoont dat deze archiefbescheiden geen persoonsgegevens bevatten of wanneer deze ten genoege van de algemene rijksarchivaris aantoont dat alle betrokkenen die voorkomen in de archiefbescheiden waarop zijn verzoek betrekking heeft, zijn overleden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit opheffen van de beperking aan de openbaarheid van inventarisnummer 9107 in het archief van het KdK 1898–1945 De beperking aan de openbaarheid van het inventarisnummer 9107 in het archief van het Kabinet der Koningin 1898–1945 (toegang 2.02.14) vervalt."},{"b":"Besluit opheffing beperking openbaarheid Ordedienst/Binnenlandse Strijdkrachten en afwikkelingsbureau, 1941–1956 De beperking aan de openbaarheid van inventarisnummers 1918-4823 in het archief Ordedienst/Binnenlandse Strijdkrachten en afwikkelingsbureau, 1941–1956, toegang 2.13.137, wordt ten aanzien van het P-dossier betreffende een persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen gesteld aan openbaarheid archief Sociaal-Economische Raad 1950–1979 De beperking aan de openbaarheid van alle inventarisnummers in het archief Sociaal-Economische Raad 1950–1979 (nummer archieftoegang 2.06.064) wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid archief Rapportage Indonesië De beperking aan de openbaarheid van het archief Ministerie van Koloniën: Rapportage Indonesië 1945–1950, toegang 2.10.29, wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers archief CG Singapore De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 196, 201 en 202 in het archief Consulaat-Generaal Singapore 1945–1954 (2.05.297) wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers archief Commissariaat Indische Zaken De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 2139, 2638, 2653, 2738, 2739, 2787, 2791, 3307, 3323, 3324, 3406, 3424 en 3736–3740 in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken/Commissariaat Indische Zaken (1980–1950), toegang 2.10.49 wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers Code-Archief BuZa De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in de volgende inventarisnummers in het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945–1955, toegang 2.05.117, wordt ten aanzien van het dossier betreffende één persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden: 2041–2050, 2055–2116, 2165–2175, 2196–2201, 2226–2240, 2286–2292, 3592, 3600, 3610, 3602,3604, 3625, 3665, 3669, 3673, 3682, 3684, 3686, 6609, 6611, 6614, 7523, 7527, 7549, 7564, 7717, 7720, 7726, 7729, 7740, 7765, 7843, 7844, 7872, 7874, 7875, 7879, 7882, 7883, 7888, 7892, 7893, 7895, 7898, 7902, 7908, 7927, 7932, 7934, 7937, 7940, 7944, 7945, 7948–7950, 7953, 7954, 7955, 7957, 7958, 7965, 7984, 8332, 8334, 8335, 8341, 8360, 8656, 8768, 8769, 8775, 8951, 9070, 9075, 9085, 12632–12634, 12706, 12708, 12718, 12722, 14071, 20765, 20768, 20769, 20874, 20879, 20894, 20906, 20911, 20913, 20915, 20924, 20942, 20950, 20952, 20954–20956, 20973, 20997, 21041, 21044, 21051, 21054, 21067, 21068, 21070, 21073, 21102, 21120, 21129, 21134, 21136, 21137, 21139, 21152, 21187, 21193, 21248, 21324, 21328, 21331, 21334, 21700, 21701, 21756, 21758, 25112, 25273, 25439, 27018."},{"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers Indisch Archief De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 1-62 en 66-86 van het archief Ministerie van Koloniën: Indisch Archief 1945–1950, toegang 2.10.36.15 wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing openbaarheid archiefbescheiden toegang nummer 2.03.01 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden beschreven onder inventarisnummer 12356 uit het archief Ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP) Kabinet Minister-President, 1924–1979, toegang nummer 2.03.01, wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opheffing openbaarheid enige inventarisnummers archief Directe Verre Oosten De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 1–15, 17, 19–22, 24–29, 31–67, 69, 77–105, 111–121, 127–146, 148–165, 168–172, 174–230, 232, 233, 235–309 en 311–595 in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken/Directie Verre Oosten 1944–1940, toegang 2.05.52 wordt opgeheven."},{"b":"Besluit opkopersregisters BES Artikel 1 1. De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwielhandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn, bedoeld in de [artikelen 457](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=457) en [459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459), is verplicht een register te houden, waarvan de bladen van een doorlopend nummer zijn voorzien en door de gezaghebber van het openbaar lichaam waar betrokkene woonplaats heeft, worden gewaarmerkt. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 457](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=457) en [459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459). Artikel 2 In dit register zal door hem, onmiddellijk nadat de goederen door hem in ontvangst zijn genomen, aantekening worden gedaan van iedere koop, inruiling, aanneming als geschenk of in pand, gebruik of bewaringneming van goederen. Artikel 3 De inschrijving geschiedt zonder witte vakken, gapingen of tussenruimten met aanduiding van de dag waarop, van de persoon van wie of van de verkoop op openbaar gezag, waarbij de goederen verkregen zijn. De schriftelijke toestemming, door of vanwege de bevelvoerende officier, waar zij vereist is, verleend, wordt aan het register gehecht. Artikel 4 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028297&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde personen zullen tevens in het register aantekenen, aan wie en op welke dag de goederen voor henzelf of namens hun lastgever door hen zijn verkocht, verruild, in pand gegeven of op enige andere wijze met hun medeweten of door hun toedoen uit hun bezit zijn geraakt. Artikel 5 De opkoper, bedoeld in [artikel 459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459) is verplicht het door hem als zodanig gehouden register op eerste aanvrage ter inzage te geven aan de gezaghebber of de door deze aangeweze"},{"b":"Besluit opleiding en examens administratieve ambtenaren belastingdienst BES Hoofdstuk I §. De opleiding Artikel 1 Ten behoeve van de administratieve ambtenaren, die werkzaam zijn bij de belastingdienst, kan bij ministeriële regeling in elk van de openbare lichamen een leergang worden ingesteld, opleidende tot het vakexamen voor benoembaarheid tot klerk en tot adjunct-commies als bedoeld in [artikel 10, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=10). Bij die ministeriële regeling kan tevens de vergoeding van de leraren en de cursusleider worden geregeld. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2011-10-09&g=2011-10-09) vermelde leergang bestaat uit twee gedeelten: - a. het eerste gedeelte omvattende het eerste leerjaar en opleidende tot het examen voor benoembaarheid tot klerk als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=III&paragraaf=A&artikel=13&z=2011-10-09&g=2011-10-09); - b. het tweede gedeelte omvattende het tweede, derde en vierde leerjaar en opleidende tot het examen voor benoembaarheid tot adjunct-commies als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=III&paragraaf=A&artikel=14&z=2011-10-09&g=2011-10-09). 2. Het cursusjaar begint gelijktijdig met het schooljaar van de openbare scholen. Artikel 3 De organisatie van en het toezicht op de leergang berusten bij een bij ministeriële regeling aangwezen functionaris die zich daarbij kan doen bijstaan door de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=I&artikel=6&z=2011-10-09&g=2011-10-09) bedoelde cursusleiders. Artikel 4 1. Het leerplan is als bijlage bij dit besluit gevoegd. 2. Een lesuur duurt vijf en veertig minuten. 3. Het rooster van lesuren wordt door een bij ministeriële regeling aangewezen functionaris, na overleg met de leraren, vastgesteld of gewijzigd. 4. De vakanties"},{"b":"Besluit opleiding tot controleur der Belastingen BES Artikel 1 1. Bij ministeriële regeling kan in elk van de openbare lichamen voor de opleiding, vorming en training van ambtenaren bij de Belastingdienst een cursus worden ingesteld voor benoembaarheid tot controleur der Belastingen. 2. Bij die regeling kan tevens de vergoeding van de docenten voor de vakken genoemd in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028492&artikel=9&z=2011-10-09&g=2011-10-09), en de met de dagelijkse leiding van de cursus belaste cursusleider worden vastgesteld. Artikel 2 1. De cursus duurt drie jaren en bestaat uit twee gedeelten: - a. een theoretische vorming die gedurende de gehele cursusduur na kantooruren plaatsvindt; en - b. een praktische vorming die gedurende 1½ jaar tijdens kantooruren plaatsvindt bij verschillende onderdelen van de belastingdienst van de openbare lichamen. 2. De cursusleider bepaalt jaarlijks de tijdvakken waarin de theoretische en de praktische vorming plaatsvindt, met dien verstande, dat de praktische vorming moet zijn voltooid op het tijdstip waarop de theoretische vorming een einde neemt. Artikel 3 1. Er is een Commissie van Toezicht van drie leden welke belast is met de organisatie van en het toezicht op de cursus. Bij ministeriële regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die ambtshalve lid zijn van de commissie, waarbij kan worden bepaald dat een van die functionarissen als voorzitter van de commissie optreedt. De bedoelde functionarissen kunnen een plaatsvervanger aanwijzen. 2. Het derde lid van de commissie wordt op voordracht van de commissieleden bedoeld in het eerste lid door Onze Minister van Financiën benoemd. 3. De cursusleider treedt op als secretaris van de Commissie van Toezicht. Artikel 4 1. Het aantal lesuren voor de vakken, genoemd in [artikel 9l eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028492&artikel=9&z=2011-10-09&g=2011-10-09), alsmede de duur van de lesuren, wordt bij ministeriële regeling vastg"},{"b":"Besluit oprichten en instandhouden basisbedrijvenregister Artikel 1 De directeur ICT van het directoraat-generaal Innovatie is belast met de zorg voor de aanleg en de ontwikkeling van: - a. een basisbedrijvenregister met identificerende gegevens van in Nederland gevestigde bedrijven; - b. een beveiligd netwerk voor het met behulp van telecommunicatie geautomatiseerd verzenden en ontvangen van berichten in verband met het basisbedrijvenregister. Artikel 2 De directeur ICT is belast met de exploitatie van het basisbedrijvenregister. Artikel 3 De directeur ICT van het directoraat-generaal Innovatie draagt er zorg voor dat de gegevens, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014083&artikel=1&z=2003-01-01&g=2003-01-01), uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van publiekrechtelijke taken voor identificatie van bedrijven en verificatie van gegevens over bedrijven door een orgaan van een door de Minister van Economische Zaken aangewezen instelling die met de uitvoering van publiekrechtelijke taken is belast."},{"b":"Besluit Orgaanbeschrijving Regionale Service Organisaties 2015 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. *CdP:* het hoofd van een post; - b. *post:* een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als bedoeld in [artikel 7 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=7); - c. *PSG:* de plaatsvervangend secretaris-generaal; - d. *het PSG-MT:* het managementteam onder leiding van PSG; - e. *DBV:* de directeur Bedrijfsvoering; - f. *directeuren:* de directeur Financieel Economische Zaken, de directeur Consulaire Zaken en Migratiebeleid en de hoofddirecteur Personeel en Organisatie; - g. *RSO:* een Regionale Service Organisatie. Artikel 2. Taken RSO 1. Ter bevordering van de doeltreffendheid, kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid draagt PSG de uitvoering van bedrijfsvoeringstaken en consulaire taken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die niet op het departement worden uitgevoerd zo veel mogelijk op aan de RSO’s. 2. PSG stelt een producten- en dienstencatalogus vast waarin de werkzaamheden van de RSO’s en daaraan verbonden kwaliteitseisen en voorwaarden zijn vastgelegd. Het Hoofd RSO kan door DBV en de directeuren worden belast met aanvullende werkzaamheden behorend tot hun taakgebied wanneer deze naar hun oordeel uit oogpunt van doeltreffendheid, kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid het beste bij het RSO kunnen plaatsvinden. 3. PSG kan een RSO ook belasten met het verlenen van diensten aan andere overheidsorganen van het Koninkrijk. Artikel 3. Hoofd RSO 1. Een RSO staat onder leiding van een Hoofd RSO. Het Hoofd RSO geeft leiding aan diegenen die bij de RSO werkzaam zijn. 2. Het Hoofd RSO is voor zijn taakuitoefening en die van zijn RSO verantwoording schuldig aan DBV en aan directeuren betreffende hun specifieke taakgebieden. 3. Het Hoofd RSO is gehouden aanwijzingen op te volgen en vragen te beantwoorden van DBV en van directeuren betreffende hun specifieke"},{"b":"Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging NZa Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wmg:* [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. *NZa:* Nederlandse Zorgautoriteit, als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. *Raad van Bestuur:* voorzitter en de overige leden van de NZa gezamenlijk, als bedoeld in [artikel 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4); - d. *voorzitter:* voorzitter van de Raad van Bestuur; - e. *portefeuillehouder:* lid dat door de Raad van Bestuur voor een bepaald aandachtsgebied is aangewezen als eerst verantwoordelijk bestuurslid; - f. *directeur:* leidinggevende van een directie; - g. *unitmanager:* leidinggevende van één van de units; - h. *medewerker:* persoon in tijdelijke of vaste dienst of als gedetacheerde bij de NZa werkzaam; - i. *dbc’s:* diagnose-behandelcombinaties; - j. *CIO:* - Chief Information Officer. Artikel 2. Directie Regulering 1. De directie Regulering is voor de zorgmarkten in de langdurige en de curatieve zorg belast met monitoring, tarief- en prestatieregulering, bekostigingsvraagstukken, het vaststellen van de DBC’s en de verwerking daarvan in het DBC-systeem en met advisering op het gebied van marktordeningsvraagstukken. 2. De directie Regulering kent de units Eerstelijnszorg, Tweedelijns Somatische Zorg 1, Tweedelijns Somatische Zorg 2, Beschikbaarheidbijdragen, Geestelijke Gezondheid en Forensische Zorg, Langdurige Zorg 1, Langdurige Zorg 2, Zorgbrede Regulering en Vernieuwing en een Mt-staf. Artikel 3. Directie Toezicht 1. De directie Toezicht is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en met het in [artikel 16 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) bedoelde toezicht en met de beoordeling van aanmerkelijke markt"},{"b":"Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Raad voor Accreditatie Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *De statuten:* De Statuten van de Stichting Raad voor Accreditatie. - b. *Het bestuur:* Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie als bedoeld in [artikel 2 lid 2 Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=2), te weten het bestuursorgaan dat de in de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli (PbEU) L 218 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 339/93 en in voornoemde wet aan de nationale accreditatie-instantie opgedragen taken uitvoert. Daarnaast wordt in het kader van dit besluit onder bestuur verstaan: het orgaan als bedoeld in [artikel 2:291 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=291) en in artikel 4 en artikel 5 van de statuten, te weten het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie. Het bestuur bestaat uit één persoon. De Raad van Toezicht heeft, conform artikel 4 lid 11 van de statuten, aan het bestuur de titel: ‘Algemeen Directeur’ toegekend. - c. *De directie:* de dagelijkse leiding van de Raad voor Accreditatie bestaande uit de algemeen directeur en de operationeel directeur. - d. *Operationeel directeur:* de functionaris die is belast met de dagelijkse leiding van de primaire – en bedrijfsondersteunende processen van de Raad voor Accreditatie. - e. *Manager Strategisch & Technisch Management:* de functionaris die leiding geeft aan Strategisch & Technisch Management. - f. *Unitmanager:* de functionaris die verantwoordelijk is voor het functioneren van de eigen unit. Artikel 2. Organisatie De Raad voor Accreditatie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen. *Het bestuur* Het bestuur als bedoeld in [artikel 1 b](https://wetten.over"},{"b":"Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Raad voor Accreditatie Artikel 1. : Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *De statuten:* De Statuten van de Stichting Raad voor Accreditatie. - b. *Het bestuur:* Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie als bedoeld in [artikel 2 lid 2 Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=2), te weten het bestuursorgaan dat de in de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli (PbEU) L 218) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 339/93 en in voornoemde wet aan de nationale accreditatie-instantie opgedragen taken uitvoert. Daarnaast wordt in het kader van dit besluit onder bestuur verstaan: het orgaan als bedoeld in [artikel 2:291 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=291) en in artikel 4 lid 1 en artikel 5 lid 1 van de statuten, te weten het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie. Het bestuur bestaat uit één persoon. De Raad van Toezicht heeft, conform artikel 4 lid 11 van de statuten, aan het bestuur de titel: ‘Algemeen Directeur’ toegekend. - c. *De directie:* de dagelijkse leiding van de Raad voor Accreditatie bestaande uit de algemeen directeur en de operationeel directeur. - d. *Operationeel directeur:* de functionaris die is belast met de dagelijkse leiding van de primaire- en bedrijfsondersteunende processen van de Raad voor Accreditatie. - e. *Hoofd van de stafafdeling Strategie en Ontwikkeling:* de functionaris die leiding geeft aan de stafafdeling Strategie en Ontwikkeling. - f. *Unitmanager:* de functionaris die verantwoordelijk is voor het functioneren van de eigen unit. Artikel 2. : Organisatie De Raad voor Accreditatie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen. Het bestuur Het bestuur als bedoeld in [ar"},{"b":"Besluit pensioenen Internationale Organisaties *Dit besluit bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van Internationale Organisaties.* 1. Inleiding Inwoners van Nederland die een pensioenuitkering ontvangen van een Internationale Organisatie1Volgens internationale standaarden wordt hieronder verstaan: een bij verdrag opgericht samenwerkingsverband tussen staten met eigen taken en organen., dienen voor het vaststellen van hun belastbaar inkomen te beschikken over gedetailleerde informatie over de opbouwfase van het pensioen.2Zie onder meer het arrest HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264 voor een illustratie van de vaak complexe uitwerking van de geldende (overgangs-)regelgeving voor pensioenen van Internationale Organisaties. In de praktijk is gebleken dat gepensioneerden vaak niet beschikken over deze informatie. Om te komen tot een wetstoepassing die recht doet aan de omstandigheden van het individuele geval heeft de inspecteur met een aanzienlijk aantal gepensioneerden vaststellingsovereenkomsten (VSO) gesloten. Het gaat hierbij in het bijzonder om gepensioneerden van het Europees Octrooibureau (EOB) en om gepensioneerden van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) die een uitkering ontvangen op basis van de zogenoemde Gecoördineerde Pensioenregeling. Van deze VSO bestaan verschillende varianten, waaraan steeds bepaalde uitgangspunten ten grondslag liggen. In dit besluit zijn de in de inmiddels meest gangbare variant gehanteerde uitgangspunten opgenomen. Daarnaast is beschreven onder welke voorwaarden gepensioneerden van EOB en gepensioneerden van de Gecoördineerde Internationale Organisaties die een uitkering ontvangen op basis van de Gecoördineerde Pensioenregeling deze uitgangspunten, ook zonder het sluiten van een VSO, kunnen toepassen in hun aangifte. Genoemde uitgangspunten zijn gebaseerd op de kenmerken van de betreffende pensioenregelingen en kunnen derhalve niet onverkort wo"},{"b":"Besluit permanente educatie Wbtv Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Besluit btv:* [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896) (Stb 2008,555); - b. *deskundige:* een docent met praktijkervaring; - c. *overige activiteit:* relevante activiteit die voldoet aan de voorwaarden uit [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043928&artikel=7&z=2020-07-24&g=2020-07-24); - d. *permanente educatie:* deskundigheidsbevorderende en relevante activiteiten waarmee kennis en vakbekwaamheid op peil worden gehouden of uitgebreid; - e. *Raad:* de Raad voor Rechtsbijstand; - f. *Rbtv:* Register beëdigde tolken en vertalers; - g. *scholingsactiviteit:* relevante scholing verzorgd door een deskundige waarbij kennisoverdracht centraal staat; - h. *relevant:* een activiteit is relevant wanneer deze bijdraagt aan het op peil houden of uitbreiden van de wettelijke competenties uit [artikel 3 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3); - i. *tolk:* een tolk die is ingeschreven in het Rbtv of is geplaatst op de Uitwijklijst; - j. *Uitwijklijst:* een lijst van tolken en vertalers, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - k. *vertaler:* een vertaler die is ingeschreven in het Rbtv of is geplaatst op de Uitwijklijst; - l. *Wbtv:* [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704). Permanente educatie Artikel 2 1. Een tolk of vertaler dient tenminste 80 PE-punten te registreren voor activiteiten die gedurende zijn periode van inschrijving in het Rbtv, dan wel plaatsing op de Uitwijklijst, hebben plaatsgevonden. 2. Tenminste 40 PE-punten dienen te zijn behaald op basis van scholingsactiviteiten. De overige PE-punten kunnen worden behaald door overige activiteiten. Artikel 3 De tolk of vertaler registreert de PE-punten in een door de Raad ter b"},{"b":"Besluit postzendingen BES Artikel 1 Het gewicht en de afmetingen van postzendingen op en tussen het grondgebied van de openbare lichamen, die de houder van de concessie ingevolge [artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2) verplicht is te vervoeren, bedragen, behoudens het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028349&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bepaalde: - a. tien kilogram; - b. wat grootste afmeting betreft honderd centimeter en wat de overige afmetingen betreft vijftig centimeter, zulks met een tolerantie van twee millimeter. Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 De aansprakelijkheid van de houder van de concessie bedoeld, in [artikel 7, vierde lid, van de Wet Post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=7), strekt zich niet verder uit dan tot: - a. een bedrag van USD 45 bij registratie als aangetekende postzending; - b. een bedrag van USD 50 bij registratie als postpakket; - c. het bedrag van de aangegeven waarde bij registratie met aangifte van de waarde van een postzending met dien verstande dat de aansprakelijkheid een bedrag van USD 6705 niet te boven gaat. Artikel 4 Dit besluit berust op de [artikelen 2, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2), en [7, vierde lid, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=7). Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit postzendingen BES."},{"b":"Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven 2003 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Uitzendbedrijven IA* groepen uitzendkrachten met administratieve of (para)medische functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst een schriftelijk beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - b. *Uitzendbedrijven IIA* groepen uitzendkrachten met technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - c. *Intermediaire diensten* intercedenten en consulenten; filiaalhouders en vestigingsmanagers; administratief personeel; directie en stafleden; operationele stafmedewerkers; boekhouding en uitzendadministratie; al het personeel waarvan de werkzaamheden zijn terug te voeren op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden, werkzaam bij uitzendbedrijven; - d. *Uitzendbedrijven IB en IIB* groepen uitzendkrachten met administratieve, (para)medische functies, technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst niet een beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - e. *Detachering* groepen arbeidskrachten die niet vallen onder de hierboven genoemde groepen, werkzaam bij uitzendbedrijven. Artikel 2 Voor de sector Uitzendbedrijven worden de volgende"},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 5,63%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld op 5,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2009 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op 5,85%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2009."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op 5,77%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op 5,10%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2012 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op 5,05%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2012."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2013 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op 4,65%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2013."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2014 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 4,95%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2014."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2015 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 5,25%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2015."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2016 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 5,88%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2016."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2017 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 6,16%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2017."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2018 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 6,27%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2018."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2019 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 6,46%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2019."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2020 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 6,77%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2020."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2021 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,03%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2021."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2022 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,05%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2022."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2023 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,11%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2023."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2024 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 7,54%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2024."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2025 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 7,64%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2025."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026 herzien Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 7,63%. Artikel 2 Het [Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051824) (Besluit van 11 november 2025, Staatscourant 2025, 39955) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026 herzien."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2006 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2006 vastgesteld op 6,38%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2005, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2006. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2006."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2007 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 6,38%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2007."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2008 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld op 6,37%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2008."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2009 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op 6,32%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2009."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2010 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op 6,36%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2010."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2011 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op 5,72%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2011."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2012 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op 5,60%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2012."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2013 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op 5,19%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2013."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2014 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 5,64%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2014."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2015 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 6,00%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2015."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2016 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 6,61%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2016."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2017 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 6,92%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2017."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2018 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 7,04%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2018."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2019 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 7,23%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2019."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2020 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 7,53%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2020."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2021 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,81%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2021."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2022 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,89%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2022."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2023 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,98%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2023."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2024 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 8,31%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2024."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2025 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 8,47%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2025."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026 herzien Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 8,59%. Artikel 2 Het [Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051832) (Besluit van 11 november 2025, Staatscourant 2025, 39960) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026 herzien."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2018 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 9,00%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040268&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 7,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2018."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2019 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 8,25%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041592&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 7,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2019."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2020 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 8,25%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042817&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 7,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2020."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2021 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044399&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2021."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2022 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045942&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2022."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2023 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 9,00%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047549&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2023."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2024 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 9,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049001&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 8,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2024."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2025 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 10,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050512&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 9,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2025."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2026 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 10,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051833&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 9,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2026."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2007 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,87%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,41%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020651&artikel=1&z=2007-01-01&g=2007-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2007 vastgesteld op 5,44%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,41%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2007."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2008 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,54%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023062&artikel=1&z=2008-01-01&g=2008-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2008 vastgesteld op 5,69%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2008."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2009 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,49%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024839&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2009 vastgesteld op 5,59%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2009."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2010 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 7,92%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,54%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026803&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2010 vastgesteld op 6,77%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,54%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2010."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2011 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,70%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,55%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029074&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2011 vastgesteld op 8,32%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,55%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2011."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2012 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,65%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,51%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030692&artikel=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2012 vastgesteld op 8,31%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,51%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2012."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2013 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,80%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032318&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2013 vastgesteld op 8,50%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,50%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2013."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2014 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 9,95%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034409&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 8,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2014."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2015 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 9,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035869&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 8,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2015."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2016 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 9,30%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037289&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 8,25%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2016."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2017 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038842&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2017."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2007 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2007 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 5,21%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2007."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2008 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2008 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 4,58%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2008."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2009 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2009 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,95%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2009."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2010 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2010 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2010."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2011 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2011 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,55%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2011."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2012 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2012 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2012."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2013 Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2013 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2013."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2014 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 1,75%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2014."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2015 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 1,45%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2015."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2016 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 1,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2016."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2017 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 1,55%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2017."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2018 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 1,60%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2018."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2019 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 1,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2019."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2020 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 1,85%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2020."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2021 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 1,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2021."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2022 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 1,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2022."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2023 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 1,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2023."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2024 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 1,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2024."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2025 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 1,30%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2025."},{"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2026 Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 1,10%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2026."},{"b":"Besluit proceskosten bestuursrecht BES Artikel 1 Een vergoeding van de kosten als bedoeld in de [artikelen 50, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=50), en [58, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=58), kan uitsluitend betrekking hebben op: - a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht; - c. reis- en verblijfskosten van een partij; - d. verletkosten van een partij; en - e. kosten van uitreksels uit openbare registers, interinsulaire en internationale telefaxen, interinsulaire en internationale telefoongesprekken alsmede telegrammen. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 50, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=50), en [58, vierde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=58). Artikel 2 1. Het bedrag van de kosten wordt in de uitspraak als volgt vastgesteld: - a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in [artikel 1, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): overeenkomstig het in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0028477) opgenomen tarief; - b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in [artikel 1, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): de vergoeding die ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is verschuldigd; - c. ten aanzien van de kosten bedoeld in [artikel 1, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): overeenkomstig [artikel 15, eerste lid, van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028448&artikel=15); - d. ten aanzien van de kosten bedoeld"},{"b":"Besluit productie en uitvoer producten op basis van melk BES § 1. Algemene voorschriften Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *rauwe melk:* melk die is afgescheiden door de melkklier van een of meer koeien, ooien, geiten of buffelkoeien, en die niet is verwarmd tot boven 40 °C en die evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan; - b. *warmtebehandelde melk:* melk die is verkregen door rauwe melk een warmtebehandeling te laten ondergaan van boven 40 °C of met een gelijkwaardig effect; - c. *producten op basis van melk:* zuivelproducten, dat wil zeggen producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk, en producten die zijn samengesteld uit melk, dat wil zeggen producten waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten; - d. *warmtebehandeling:* elke behandeling door verhitting die, onmiddellijk na de toepassing ervan, een negatieve reactie bij de fosfatasetest tot gevolg heeft; - e. *pasteurisatie:* verhitting van, in [bijlage B, hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028702&bijlage=B&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde melk verkregen uit melkpoeder, gedurende ten minste 15 seconden op een temperatuur van minimaal 71,7 °C, zodat de melk na deze behandeling negatief reageert op de fosfatasetest en positief reageert op de peroxydasetest; - f. *melkverwerkingsinrichting:* een inrichting waar producten op basis van melk worden behandeld, verwerkt en verpakt; - g. *bevoegde autoriteit:* de Inspectie voor de Volksgezondheid BES, zijnde de autoriteit van de openbare lichamen"},{"b":"Besluit project afbouw IBS Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bewindslieden: de Minister en Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Project afbouw IBS: project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen; - d. programmamanager: de programmamanager afbouw IBS; - e. DGW: Directoraat-Generaal Wonen. Artikel 2. Taken en bevoegdheden van het project afbouw IBS 1. Er is een project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen, zijnde een dienstonderdeel van DGW dat in de plaats treedt van de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen. 2. Het project afbouw IBS staat onder leiding van de programmamanager. 3. De taken van het project afbouw IBS zijn: - a. het uitvoeren van de huursubsidiewet tot en met coderegeling 37 (CR37 = tijdvak juli tot en met december 2005); - b. het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van het volkshuisvestingsbeleid; - c. het (administratief en rekenkundig) verwerken van (financiële) beleidsregels op het gebied van de volkshuisvesting tot en met CR37; - d. het zorgdragen voor de gevalsbehandeling betreffende (financiële) beleidsregels op het gebied van de volkshuisvesting, inclusief Awb-zaken, tot en met CR37; - e. het namens het ministerie behandelen van nationale gerechtelijke procedures met betrekking tot huursubsidiezaken tot en met CR37 waaronder het voeren van verweer, het instellen van hoger beroep alsmede het behandelen van verzoeken om voorlopige voorziening; - f. het beoordelen van de noodzaak tot inschakeling van externe juridische ondersteuning en bij inschakeling, het begeleiden van die externe juridische ondersteuner bij de uitvoering van de opdracht; - g. het geven van advies met betrekking tot de onder a tot en met d genoemde taken aan de directeur-generaal Wonen en de bewindslieden; - h. het overdragen van de resterende werkzaamheden, niet beschreven"},{"b":"Besluit projectsubsidies voor ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’ 2022 Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van Bibliotheek *op school’* voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding Bibliotheek *op school* hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag, indieningstijdvak en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. De volledige aanvraag dient uiterlijk op 2 december 2022 door de Koninklijke Bibliotheek te zijn ontvangen op het e-mailadres subsidieloket@kb.nl onder vermelding van *Kinderen met leesproblemen*. 4. Het Algemeen bestuurscollege beslist uiterlijk op 23 december 2022 op de aanvraag. Artikel 3. Omvang en verdeling van de subsidie 1. Voor subsidies op grond van dit besluit is van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 het bedrag van € 200.000,– beschikbaar overeenkomstig het subsidieplafondbesluit van 27 juni 2022. 2. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. 3"},{"b":"Besluit projectsubsidies ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’, Koninklijke Bibliotheek 2025 Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem’ voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. Het Algemeen bestuurscollege beslist binnen 13 weken na de datum van ontvangst op de aanvraag. Artikel 3. Omvang en verdeling van de subsidie 1. Het subsidieplafond voor het tijdvak waarin deze regeling geldt is € 100.000,–. 2. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. 3. Een subsidie bedraagt € 4.500,– per ingezette leesconsulent. Er kan per subsidieontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. 4. Een bibliotheek kan maximaal één keer per kalenderjaar een subsidie ontvangen. Artikel 4. Verplichtingen 1. De subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd conform het door de subsidieontvan"},{"b":"Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV 2020 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het controleren van klanten met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van het afleggen van huisbezoeken, het protocol als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044788) bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035450) (besluit van 22 juli 2014, Staatscourant 13 augustus 2014, nr. 22911) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV 2020."},{"b":"Besluit Raad voor Rechtsbijstand (bekrachtiging besluiten Wbtv en Wsnp 1 januari 2019 tot en met heden) Artikel I tot bekrachtiging van de, door medewerkers in de functie van: - • administratief medewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - • medewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - • stafmedewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - • teamleider [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) gedurende de periode 1 januari 2019 tot heden, volgende genomen besluiten: op grond van: - − [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. - − de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). - − de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover de bestuurlijke aangelegenheid taken en bevoegdheden in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008 en bevoegdheden met betrekking tot de erke"},{"b":"Besluit radio-elektrische inrichtingen BES Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. *toezichthoudende ambtenaar:* de ambtenaar, bedoeld in [artikel 31a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31a); - c. *zendinrichting:* radio-elektrische zendinrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten; - d. *ontvanginrichting:* radio-elektrische ontvanginrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten, niet uitsluitend bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma’s; - e. *vrijstelling van een machtiging:* vrijstelling van het vereiste van een machtiging, bedoeld in [artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15); - f. *machtiginghouder:* degene aan wie machtiging is verleend ten aanzien van een zendinrichting of een ontvanginrichting; - g. *houder:* - 1°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor een machtiging is verleend: de machtiginghouder, en - 2°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor het vereiste van een machtiging niet geldt dan wel ten aanzien waarvan vrijstelling van een machtiging is verleend: degene die deze inrichtingen aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt; - h. *ondernemer:* degene die het vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van zendinrichtingen of ontvang-inrichtingen als beroep of bedrijf uitoefent; - i. *een ontheffing:* een ontheffing als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=12); - j. *technische eisen ten aanzien van zendinrichtingen* - 1°. de technische eisen, bedoeld in [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2022-05-13&g=2022-05-13); en - 2°. te"},{"b":"Besluit radioamateurs BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. *beschikking:* de beschikking waarbij een machtiging is verleend; - c. *bewijs van bevoegdheid:* het door Onze Minister afgegeven bewijs van bevoegdheid als radioamateur uitgereikt na een met goed gevolg afgelegd examen als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&paragraaf=2&artikel=6&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - d. *machtiging:* een machtiging voor een radio-elektrische zend- en ontvanginrichting als bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15), en [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=16) bestemd voor de aanleg, het bezit of het gebruik van een amateurstation; - e. *radioamateur:* een daartoe bevoegd persoon die uit een zuiver persoonlijk oogmerk en zonder enig geldelijk voordeel proeven neemt op telecommunicatiegebied; - f. *amateurstation:* een zend- en ontvanginrichting voor radiotelegrafie of radiotelefonie, bestemd voor het nemen van proeven op telecommunicatiegebied; - g. *radiotelegrafie:* telecommunicatie via de ether door middel van morsetekens; - h. *radiotelefonie:* telecommunicatie via de ether door middel van spraak; - i. *klasse van uitzending:* een aanduiding bestaande uit drie symbolen die respectievelijk de modulatievorm van de draaggolf, het type signaal dat de draaggolf moduleert en de soort informatie die wordt uitgezonden, aangeven. De betekenis van de symbolen is aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&bijlage=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) behorende bij dit besluit; - j. *bandbreedte:* het frequentieverschil tussen de hoogste en de laagste frequentie waarbinnen tijdens modulatie 99% van de uitgezonden energie wordt waargenomen; - k. *ongewenste hoogfrequentuits"},{"b":"Besluit randapparatuur BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. *toezicht houdende ambtenaar:* een ambtenaar als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=8&artikel=19&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - c. *technische eisen:* een document, uitgegeven door een deskundige, onafhankelijke nationale of internationale instelling, waarin technische specificaties voor randapparatuur alsmede methoden voor het testen van randapparatuur aan deze specificaties zijn omschreven; - d. *verklaring van conformiteit:* een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=4&artikel=6&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - e. *verklaring van toelating:* een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=5&artikel=8&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - f. *bewijs van goedkeuring:* een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=7&artikel=9&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - g. *het installeren van randapparatuur:* het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden van randapparatuur. Artikel 1a Dit besluit berust op de artikelen [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=23), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31) en [33, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=33). § 2. Technische eisen Artikel 2 1. Onze Minister stelt per type randapparatuur en voor interne netten technische eisen vast waaraan deze moet voldoen. Deze technische eisen kunnen per openbaar lichaam verschillend zijn. 2. Een besluit tot wijziging van de technische eisen treedt nie"},{"b":"Besluit rechtspositie korps politie BES Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. *[Vervallen]* - c. *ambtenaar van politie:* de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar in opleiding en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie; - d. *aspirant:* degene die toegelaten is tot de basisopleiding; - e. *ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:* de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), met uitzondering van de aspirant; - f. *ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:* de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder b, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - f1. *vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:* de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - f2. *vrijwillige ambtenaar in opleiding:* degene die door Onze Minister is benoemd tot vrijwillige ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie; - f3. *vrijwillige ambtenaar van politie:* de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar in opleiding; - g. *volledige betrekking:* een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week; - h. *dee"},{"b":"Besluit rechtspositie Kustwacht BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder: - a. *belanghebbende:* degene die kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor een aanstelling bij de Kustwacht; - b. *functietoewijzing:* de aanwijzing van de geüniformeerde ambtenaar voor het vervullen van een functie; - c. *inkomen:* de bezoldiging van de geüniformeerde ambtenaar, verhoogd met de eventuele schaalgarantieuitkering bedoeld in [artikel 13 van de Wet rechtspositie Kustwacht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028160&artikel=13), de eventuele kindertoelage, bonus en andere aan de betrekking van de geüniformeerde ambtenaar verbonden toelagen, welke op grond van een organieke regeling der bezoldigingen of ingevolge artikel 26 van de WMABES en [artikel 9 van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028491&artikel=9) worden genoten, continudiensttoelage, vaartoelage en vergoeding van onkosten daaronder niet begrepen; - d. *uurloon:* de bezoldiging, vermenigvuldigd met twaalf en daarna gedeeld door tweeduizend; - e. *varen:* het buiten de thuishaven verrichten van werkzaamheden aan boord van een kustwachtschip; - f. *normvaardigheidsvereisten:* een stelsel van fysieke, politiële en nautische eisen. § 2. Aanstelling Artikel 2 1. Het geneeskundige onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de WMABES alsmede het periodieke onderzoek, naar de geschiktheid voor het ambt van geüniformeerd ambtenaar, geschieden overeenkomstig het daaromtrent gestelde bij of krachtens de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) en het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501). 2. Als geüniformeerd ambtenaar is slechts geschikt de persoon wiens fysieke en psychische toestand doet verwachten, dat hij zal voldoen aan de eisen die aan hem worden gesteld en bestand zal zijn tegen de daaraan verbonden vermoeienissen. Artikel 3 1. Te"},{"b":"Besluit regels samenloop toeslagen ex artikel 16 Toeslagenwet Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder loondervingsuitkering: een uitkering of inkomensvoorziening als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=1). Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op samenloop van loondervingsuitkeringen zowel bij één uitkeringsgerechtigde als bij gehuwden. Artikel 3 Bij samenloop van loondervingsuitkeringen krachtens verschillende wetten wordt de toeslag verleend op de uitkering krachtens de [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394). Bij gebreke van een uitkering op grond van laatstgenoemde wet wordt de toeslag verleend op de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, dan wel de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822). Artikel 4 1. Bij samenloop van loondervingsuitkeringen krachtens één wet wordt de toeslag verleend op de loondervingsuitkering die het eerst is ingegaan. 2. Indien de loondervingsuitkeringen, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig zijn ingegaan, wordt de toeslag verleend op de hoogste loondervingsuitkering. Artikel 5 Indien de loondervingsuitkering, waarop de toeslag ingevolge de artikelen 3 en 4 zou moeten worden verleend, blijvend en geheel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is geweigerd, wordt de toeslag verleend op de uitkering, die tot uitbetaling blijft komen. Artikel 6 Aan gehuwden die beiden een of meer loondervingsuitkeringen"},{"b":"Besluit registratie UWV 2009 Artikel 1 De werknemer, die recht heeft op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II), is verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid, als bedoeld in [artikel 16a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16a). Artikel 2 1. De werknemer, die recht heeft op uitkering op grond van [hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=IV), is verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag na het ingaan van de termijn van opzegging, bedoeld in [artikel 64, eerste lid, onderdeel b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=64). 2. In afwijking van het eerste lid is de werknemer, wiens termijn van opzegging is aangevangen voordat recht ontstaat op uitkering op grond van [hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=IV), verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag waarop dat recht op uitkering ontstaat. Artikel 3 De werknemer, die als werkzoekende bij UWV is geregistreerd, is verplicht de registratie op door of vanwege UWV bepaalde dagen te doen verlengen. Artikel 4 Het [Besluit registratie CWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013939) wordt ingetrokken. Artikel 5 Indien het bij Koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (31514) tot wet is verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. Indien de Staatscourant wa"},{"b":"Besluit Rekencommissie ova voor het VWS-veld Begripsomschrijving Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport; b. de ova: de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling waarvan de bepaling is vastgelegd in het convenant ’nieuwe aanpak voor de ova’; c. de commissie: de commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011099&artikel=2&z=2000-01-26&g=2000-01-26). Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 De taak van de rekencommissie is omschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011099&artikel=5&z=2000-01-26&g=2000-01-26) van het convenant over de nieuwe aanpak voor de bepaling van de ova. Artikel 3 1. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. als voorzitter: drs. H.J. Brouwer, Amsterdam; - b. als lid: prof. dr. J.J.M. Theeuwes, Amsterdam; - c. als lid: prof. dr. A.H.J. Kolnaar, Tilburg. 2. De leden worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar. Herbenoeming is tweemaal mogelijk. Secretariaat Artikel 4 De minister draagt zorg dat aan de commissie een secretariaat ter beschikking staat. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Werkwijze Artikel 5 1. De commissie stelt een reglement omtrent haar werkwijze vast. Het reglement wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie. Het reglement wordt aan de minister gezonden. 2. [Artikel 2:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:5) is van toepassing. Artikel 6 De leden van de commissie ontvangen een vacatiegeld, alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfkosten. De vergoedingen worden vastgesteld overeenkomstig de hoogte van de door de Sociaal Economische Raad gehanteerde vergoedingen voor de leden van de raad en zijn commissies. Slotbepalingen Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de d"},{"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw augustus 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2012, doch niet later dan 15 september 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,722 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2012 en eindigende met 15 september 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen, 3,10 procent."},{"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw december 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2012, doch niet later dan 15 januari 2013 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,654 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2012 en eindigende met 15 januari 2013 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen 3,10 procent."},{"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw november 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2012, doch niet later dan 15 december 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,617 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2012 en eindigende met 15 december 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen 3,10 procent."},{"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw oktober 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2012, doch niet later dan 15 november 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,562 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2012 en eindigende met 15 november 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen 3,20 procent."},{"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw september 2012 Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2012, doch niet later dan 15 oktober 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,698 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2012 en eindigende met 15 oktober 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in aanmerking wordt genomen 3,0 procent."},{"b":"Besluit rente geconsigneerde gelden 2009 - I. de rente, bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) en [artikel 13 van genoemde Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=13) voor het jaar 2009 vast te stellen op 1,06% per jaar. - II. Het hierna volgende te doen opnemen in een van de Nederlandse Staatscouranten, verschijnende in de maand januari 2009. Rente van geconsigneerde gelden. De Minister van Financiën brengt ter algemene kennis dat hij de rente, welke als gevolg van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) en [artikel 13 van de Wet van 27 augustus 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=13) (Stbl. 473), betaald wordt bij uitkering van de in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) bedoelde geconsigneerde geldsommen voor het jaar 2009 heeft vastgesteld op 1,06% per jaar."},{"b":"Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Artikel 1 De bestuurskern van ministerie van Infrastructuur en milieu bestaande uit alle organisatieonderdelen die vallen onder het verzorgingsgebied van SSO/IM waarbij digitale postkamer én DMS/TRIM is ingevoerd; gaat over tot routinematige, digitale vervanging archief bescheiden - A. die; - 1. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken die nog niet zijn afgedaan of - 2. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - B. Volgens die specificaties, vastgelegd in de bijlagen (zoals beschreven in het Handboek digitale vervanging archiefbescheiden ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2011, met de wijzigingen van 11 augustus 2011, versie 4.1) behorende bij dit besluit; - C. Overeenkomstig de eisen, opgenomen in de bijlage van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden (Stcrt. 2008, 21); en - O. Met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is, bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4) (Stcrt. 2008, 21)."},{"b":"Besluit routinematige digitale vervanging personele archiefstukken Defensie Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. [selectielijst ‘Vaststelling van de Generieke Selectielijst Defensie (GSD) over de periode vanaf 1945’](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034869), vastgesteld 7 maart 2014, Stcrt. 2014, 5937; - b. *beleidsregel:* [Beleidsregel digitale vervanging van vernietigbare archiefbescheiden Ministerie van Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963); - c. *instructie:* Instructie informatiebeheer Defensie 2015; - d. *informatieobjecten:* archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). Artikel 2. Vervanging De personele archiefstukken van het Ministerie van Defensie worden met ingang van 1 december 2013 vervangen met inachtneming van de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963) en de instructie. Artikel 3. Reikwijdte - a. De vervanging wordt uitgevoerd conform de instructie voor alle personele archiefstukken die moeten worden opgenomen in het personeelsdossier; - b. Niet vervangen worden: - • informatieobjecten met een rubricering hoger dan departementaal vertrouwelijk; - • informatieobjecten betreffende deelnemers aan het Management Development-traject schaal 16 tot en met 18; - • informatieobjecten betreffende personeelsleden van bijzondere eenheden zoals genoemd in het handboek. Artikel 4. Waarborgen cultureel erfgoed, recht-en bewijszoekende burger, historisch onderzoek Bij de vervanging worden de waarborgen, neergelegd in de selectielijst, de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963) en de instructie in acht genomen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 5. Mandaat *Vervallen* Artikel 6. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum"},{"b":"Besluit routinematige vervanging archiefbescheiden Raad voor Rechtsbijstand 2026 Artikel 1. Vervangen en vernietigen van de archiefbescheiden 1. Over te gaan vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de selectielijst voor de Raad voor Rechtsbijstand voor blijvende bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. De reproductie geschiedt op de wijze en volgens de specificaties zoals omschreven in het Handboek Vervanging Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 2. Reikwijdte 1. De vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt vanaf het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, 2. De van vervanging uitgezonderde analoge archiefbescheiden zijn beschreven paragraaf 3.2 in het Handboek Vervanging Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 3. Bekendmaking Dit besluit wordt bekendgemaakt en gepubliceerd in de Staatscourant, met uitzondering van het Handboek vervanging. Het Handboek Vervanging is digitaal beschikbaar en opvraagbaar bij het CIO-office van de Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige vervanging archiefbescheiden Raad voor Rechtsbijstand 2026."},{"b":"Besluit routinematige vervanging inkomende post KNAW 2021 Artikel 1. Routinematige vervanging - a. Over te gaan tot routinematige vervanging door digitale reproducties van ontvangen analoge archiefbescheiden die op grond van de actuele selectielijst van de KNAW voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna de analoge archiefbescheiden worden vernietigd. Dit houdt in dat papieren archiefbescheiden, ontstaan in het kader van werkprocessen van de KNAW, worden vervangen door digitale reproducties, welke na vernietiging van de papieren stukken als originele archiefbescheiden zullen worden aangemerkt; - b. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde ‘[Handboek voor routinematige vervanging van inkomende post van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045992)’; - c. Dit besluit is niet van toepassing op documenten die, overeenkomstig paragraaf 3.4 van het in onderdeel b genoemde [handboek](https://wetten.overheid.nl/BWBR0045992), van vervanging worden uitgesloten. Artikel 2. Inwerkingtreding - a. Dit besluit vervangt het Besluit tot vervanging van de personeelsdossiers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) van 4 juli 2018 voor zover het de routinematige vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden in de personeelsdossiers betreft. Dat besluit van 2018 blijft wel van toepassing op de retrospectieve vervanging (vervanging met terugwerkende kracht) van de personeelsdossiers; - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. De vervanging geschiedt met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2020. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit routinematige vervanging inkomende post KNAW 2021."},{"b":"Besluit slacht- en vleeskeuring BES Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *slachtvee:* voor onmiddellijke slachting bestemd vee; - b. *vee:* herkauwende dieren, eenhoevige dieren en varkens; - c. *vlees:* gedood of geslacht vee of delen daarvan, al dan niet gekoeld of bevroren, ongeboren vruchten daaronder begrepen, met uitzondering van hoornen, hoeven, klauwen, borstels, haar, wol en huiden, voor zover niet afkomstig van varkens of van de onderpoten van herkauwers; - d. *vleesprodukten:* vlees, dat een behandeling, niet zijnde een koel- of vriesbehandeling, heeft ondergaan, ter bevordering van de houdbaarheid, alsmede toebereid vlees al of niet vermengd met andere stoffen; - e. *slachthuis:* het gebouw c.q. de gebouwen door het openbaar lichaam als openbare slachtplaats ingericht, alsmede het terrein behorend bij dit gebouw of deze gebouwen; - f. *inrichtingen:* slachterijen, winkels, bewaarplaatsen van vlees, uitsnijderijen, vleesproduktenfabrieken, vetsmelterijen, inrichtingen voor het bewaren van bloed en bloedplasma en tot verwerking van bloed tot bloedplasma of bloedplasmapoeder, diervoerderfabrieken en andere inrichtingen bestemd tot of gebruikt voor het bewerken, voorverpakken of verduurzamen van vlees of het bereiden, bewerken of voorverpakken van vleesprodukten; - g. *noodslachting:* het doden van vee dat: - a. door een ernstig ongeval is getroffen; - b. door ziekte in onmiddellijk levensgevaar verkeert; - c. onmiddellijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid, voor de veiligheid van personen of goederen, dan wel voor besmetting van mensen of dieren; - h. *dierenarts:* de door Onze Minister met de keuring van vee en vlees, het toezicht op de be- en verwerking van vlees en op de opslag, het vervoer en de verkoop van vlees en vleesprodukten belaste dierenarts; - i. *keurmeester:* de persoon niet zijnde keuringsdierenarts, die onder toezicht en verantwoordelijkheid van een dierenarts, dez"},{"b":"Besluit slachten en verkopen van vee op Sint Eustatius Artikel 1 In dit besluit wordt begrepen: - 1°. Onder «slager»: ieder persoon, die niet voor uitsluitend eigen gebruik slacht; - 2°. Onder «slachtvee» of kortweg «vee»: runderen, schapen, bokken, geiten en varkens; - 3°. Onder «vleesch»: alle deelen van genoemde dieren met uitzondering van huid, hoornen en klauwen. Artikel 2 Geen vee mag worden geslacht dan na schriftelijke vergunning van Onze Minister, welke vrij van zegel wordt afgegeven. Geen vleesch mag vervoerd worden, zonder dat elk stuk voorzien is van een afdruk van den nader te omschrijven contrôle-stempel. Artikel 3 Van het voornemen om te slachten wordt door of namens den slager bij de door Onze Minister aangewezen ambtenaar of persoon melding gedaan, onder vermelding van: - a. den naam van hem, van wien het dier afkomstig is; - b. de soort, het geslacht, de kleur en het brandmerk van het dier; - c. de plaats waar en den tijd wanneer het zal worden geslacht. De door Onze Minister aangewezen ambtenaar of persoon houdt in een aan te leggen register aanteekening van deze verklaringen en laat ze door den slager of diens gemachtigde onderteekenen. Artikel 4 Onze Minister geeft niet eerder het schriftelijk bewijs van vergunning, dan nadat overtuigend gebleken is, dat de verklaring, in [art. 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoeld, overeenkomstig de waarheid zijn. De slager is verplicht alle inlichtingen te geven, welke van hem vereischt worden door of van wege Onze Minister. Artikel 5 De bepalingen van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) zijn ook van toepassing op hem, die voor eigen huisgezin slacht. Artikel 6 Noch vleesch, noch andere deelen van het geslacht"},{"b":"Besluit slotallocatie burgermedegebruik militair luchtvaartterrein Eindhoven Artikel 1 Het militair luchtvaartterrein Eindhoven wordt ten aanzien van het medegebruik door burgerluchtvaartuigen aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert terzake van de uitvoering van [artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten eerste van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en van [artikel 15, onder b van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=15) een beleid als weergegeven in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0031440) bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit sollicitatieplicht werknemers WW 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031428) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012. Artikel 4 Indien het bij koninklijke boodschap van 27 oktober 2011 ingediende voorstel van wet ‘Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor Werk en Inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere weten in verband met de beëindiging van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van loonkostensubsidies’ (TK 33 065), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking."},{"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2018 – 30 augustus 2017, Ministerie van Veiligheid en Justitie De tarieven en voorwerpen van de thuiskopievergoeding voor 2018 komen als volgt te luiden: | Apparaat/drager | Tarief 2018–2020 | | --- | --- | | PC / Laptop / notebook / server / mediacenter | € 2,60 | | Tablet | € 2,60 | | Smartphone / Telefoon met MP3-speler | € 4,70 | | Portable audio- / videospeler | € 1,20 | | Settopbox met harde schijf / HDD-recorder | € 3,80 | | E-reader | € 0,80 | | Externe Hard Disk Drive (HDD) en Solid State Disk (SSD) | € 0,60 | | USB-stick | € 0,60 | | Wearables met opslagmogelijkheid | € 1,20 | Het tarief op CD-r en DVD-r komt te vervallen."},{"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2021–2023 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor de periode 2021–2023 komen als volgt te luiden: | Voorwerp | Tarief 2021–2023 | | --- | --- | | PC / Laptop / notebook / server / mediacenter | € 2,70 | | Tablet | € 2,20 | | Smartphone | € 7,30 | | Portable audio- / videospeler | € 2,10 | | Settopbox met harde schijf / HDD-recorder | € 3,80 | | E-reader | € 1,10 | | Externe Hard Disk Drive (HDD), Solid State Disk (SSD) en USB-stick >= 256 GB | € 1,00 | | USB-stick < 256 GB | € 0,50 | | Wearables met opslagmogelijkheid | € 0,60 | *Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers, geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel.*"},{"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2023–2024 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor de periode 2023–2024 komen als volgt te luiden: | Voorwerp | Tarief 2023–2024 | | --- | --- | | PC / Laptop / notebook / server / mediacenter | € 2,60 | | Tablet | € 2,60 | | Smartphone | € 5,30 | | Portable audio- / videospeler | € 1,70 | | Settopbox met harde schijf / HDD-recorder | – | | E-reader | € 0,70 | | Externe Hard Disk Drive (HDD), Solid State Disk (SSD) en USB-stick >= 256 GB | € 0,80 | | USB-stick < 256 GB | € 0,40 | | Wearables met opslagmogelijkheid | € 0,40 | *Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers, geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel.*"},{"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2025 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding worden in 2025 gewijzigd zoals weergeven in onderstaande tabel: | Voorwerp | Tarief 2025 | | --- | --- | | PC/Laptop/notebook/server/mediacenter | € 2,80 | | Tablet | € 2,80 | | Smartphone | € 5,70 | | Portable audio-/videospeler | € 1,80 | | Settopbox met harde schijf/HDD-recorder | – | | E-reader | € 0,80 | | Externe HDD, SSD en USB-stick >= 256 GB | € 0,90 | | USB-stick <minder dan 256 GB | € 0,40 | | Wearables met opslagmogelijkheid | € 0,40 | Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel."},{"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2026 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor het jaar 2026 komen als volgt te luiden: | Voorwerp | Tarief 2026 | | --- | --- | | PC/Laptop/notebook/server/mediacenter | € 2,80 | | Tablet | € 2,80 | | Smartphone | € 5,70 | | Portable audio-/videospeler | € 1,80 | | Settopbox met harde schijf/HDD-recorder | --- | | E-reader | € 0,80 | | Externe HDD, SSD en USB-stick >= 256 GB | € 0,90 | | USB-stick <minder dan 256 GB | € 0,40 | | Wearables met opslagmogelijkheid | € 0,40 | Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel."},{"b":"Besluit Specialisatie Specialisatie Artikel 1 Onder de overige specifieke bekwaamheden, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), worden verstaan: bekwaamheden in aanvulling op de competenties genoemd in [artikel 3 van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3) en zoals aangewezen bij het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663). Deze bekwaamheden worden aangeduid als ‘specialisatie’. Het verzoek Artikel 2 Een beëdigde tolk of beëdigde vertaler als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c en d van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=1), kan een verzoek tot het vermelden van een specialisatie in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) indienen. Artikel 3 Het verzoek kan uitsluitend betrekking hebben op door de Raad aangewezen specialisaties, welke zijn neergelegd in het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663). Artikel 4 Het verzoek wordt ingediend door middel van het daarvoor bestemde formulier ‘Verzoek specialisatie’, te vinden op www.bureauwbtv.nl. Artikel 5 Bij het verzoek worden overgelegd: - – de stukken waaruit blijkt dat de tolk of vertaler aan de voor vermelding van de specialisatie vereiste competenties voldoet. Voorwaarden Artikel 6 De voorwaarden en daarmee vereiste competenties voor het vermelden van een specialisatie zijn neergelegd in het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663) en de bijlagen daarbij. Artikel 7 De specialisatie wordt uitsluitend vermeld bij de talencombinatie of vertaalrichting waarop de specialisatie van toepassing is en waarvoor de tolk of vertaler is ingeschreven in het Rbtv en is beëdigd. Bijscholingsverplichting Artikel 8 De vermelding eindigt gelijk met het eindigen van de periode van inschrijving in het Rbtv. Artikel 9 In het [Besluit aanwij"},{"b":"Besluit Staatssecretaris van Defensie Mandaat KPMG Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. De Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Defensie - b. KPMG: KPMG Management Services B.V. gevestigd te Amstelveen - c. Uitkeringsregelingen: - – De Militaire wachtgeldregelingen 1961 (SBK-Standaard); - – Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - – Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - – [Tijdelijk besluit uitstroombevorderende maatregel Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006828) (SBK-WG-UBM, burger en militair); - – Wachtgeld- en uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bij privatisering; - – Het [Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008113); - – Het [Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212). Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan KPMG het volgende mandaat: - 1. KPMG is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. KPMG legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien KPMG gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van KPMG een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. KPMG is bevoegd om te beslissen op bezwaarschriften tegen ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. KPMG is bevoegd om inzake de uitvoering van de uitkeringsregelingen namens de Staatssecretaris in rechte op te treden en om namens de Staatssecretaris"},{"b":"Besluit Staatssecretaris van Defensie Mandaat UWV Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. De Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Defensie - b. UWV: Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen - c. Uitkeringsregelingen: - – De [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955), alsmede het daarop steunende [Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223). Voor zover na die datum nog noodzakelijk, de voor 1 juni 2001 geldende militaire pensioenwetten en -regelingen; - – Het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510); - – De [Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008977). Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan UWV het volgende mandaat: - 1. UWV is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. UWV legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien UWV gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van UWV een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. De Staatssecretaris verleent mandaat aan het hoofd van de afdeling van UWV die expliciet is belast met de afdoening van bezwaar en beroep ten aanzien van de uitkeringsregelingen, om te beslissen op bezwaarschriften aangaande ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. UWV is bevoegd om"},{"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën 20 september 1999, nr. IFZ99/1044 Functionarissen en stafleden van de Verenigde Naties en van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties zijn vrijgesteld van belasting op de salarissen en emolumenten die door de organisatie aan hen betaald worden op grond van artikel V, par. 18, van het verdrag van 13 februari 1946 nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties respectievelijk op grond van artikel VI, par. 19, van het verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties. Op basis van de voorwaarden genoemd in de resolutie van 7 maart 1995, nr. IFZ95/223 inzake belastingheffing van functionarissen en deskundigen van de Verenigde Naties en van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties zijn \"experts on mission\" of \"short term consultants\" niet als stafleden aan te merken en komen daarom niet in aanmerking voor vrijstelling van belastingen op de aan hen betaalde vergoedingen. Om in een concrete situatie te bepalen of wellicht toch sprake is van een staflidmaatschap zijn in genoemde resolutie enkele vuistregels geformuleerd. Hieraan zijn de staffrules van de Wereldbank getoetst. Voor de Wereldbank is nu aan de hand van die staffrules vastgesteld dat de (short term) consultants bij de Wereldbank behandeld worden als stafleden, die in dienstbetrekking staan tot de organisatie, met alle arbeidsrechtelijke rechten en verplichtingen vandien en dat de reglementen voor stafleden van de organisatie op hen van toepassing zijn. Short term consultants van de Wereldbank kunnen daarmee beschouwd worden als functionarissen van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, die ingevolge artikel VI, par. 19, van het VN-verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de VN, vrijstelling genieten van belasting op salarissen en emolumenten. De resolutie van 7 maart 1995, nr IFZ95/223 blijft daarmee onverkort van kracht."},{"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën 7 maart 1995, nr. IFZ95/223, oorspronkelijk 29 juni 1962, nr. B2/9545 (art. V, § 18,Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten VN) Functionarissen van de Verenigde Naties Functionarissen van de Verenigde Naties zijn op grond van artikel V, par. 18, van het verdrag van 13 februari 1946 nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties vrijgesteld van belasting op de salarissen en emolumenten, die door de Verenigde Naties aan hen worden betaald. Het progressie-voorbehoud wordt daarbij niet gemaakt. Bij resolutie 76 (1) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd onder andere de werking van de hierboven genoemde bepaling uitgebreid tot alle stafleden, waaronder wordt verstaan alle personeelsleden van de Verenigde Naties met uitzondering van hen, die plaatselijk worden gerecruteerd en per uur worden betaald. Functionarissen van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties Ook functionarissen van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties komen in aanmerking voor de onder punt 2 bedoelde vrijstelling, en wel op grond van artikel VI, par.19, van het verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties, zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering op 21 november 1947 enerzijds en op verschillende andere tijdstippen door de gespecialiseerde organisaties anderzijds. Niet als staflid aan te merken deskundigen De onder 2 en 3 bedoelde organisaties sluiten soms met deskundigen contracten af tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Dergelijke personen worden wel aangeduid met ,,experts on missions’’ of ,,(short-term) consultants’’. Zij kunnen in beginsel niet als staflid worden aangemerkt. Noch het onder 2 genoemde verdrag, noch het onder 3 genoemde verdrag met bijlagen, voorziet in vrijstelling van belasting voor de vergoeding aan dergelijke deskundigen. Nu is het in theorie niet uitgesloten dat met een tijdelijk aangetrokken"},{"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën van 12 Juli 1994, Nr. IFZ 94/257.2 Mij is een vraag voorgelegd over de verdragsgerechtigdheid van de lichamen die gevestigd zijn te Labuan (Maleisië) en aldaar onderworpen zijn aan de Labuan Offshore Business Activity Tax Act (de zogeheten Lobat Act). Ik heb hierop geantwoord dat het zogenoemde Labuan-lichaam naar mijn mening geen aanspraak kan maken op de voordelen van het belastingverdrag tussen Nederland en Maleisië (hierna: het Verdrag). Ik heb hiervoor de volgende argumenten genoemd. Art. 1 van het Verdrag bepaalt dat het Verdrag van toepassing is op personen die inwoner zijn van een van de staten. In art. 4 van het Verdrag is gedefinieerd wie of wat worden aangemerkt als inwoner van Maleisië. \"Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking \"inwoner van een van de Staten: ... (b) wat Maleisië betreft, een persoon die inwoner van Maleisië is voor de toepassing van de Maleisische belasting.'' Het begrip \"Maleisische belasting'' is gedefinieerd in art. 2, lid 1, letter b, van het Verdrag. De heffing waaraan het Labuan-lichaam is onderworpen, is niet in de opsomming onder dit letter b opgenomen. Ook kan de heffing waaraan het Labuan-lichaam is onderworpen niet worden aangemerkt als een belasting in de zin van art. 2, lid 2 van het Verdrag. In dat tweede lid wordt onder Maleisische belasting tevens begrepen belastingen die gelijk zijn of in wezen gelijksoortig zijn aan de in art. 2, lid 1, letter b, genoemde Maleisische belastingen. In casu is daarvan geen sprake, nu de facto meer sprake is van een jaarlijks vast te betalen bedrag dan van een belasting naar de winst. Op grond van het voorgaande wordt een Labuan-lichaam dat onderworpen is aan de Lobat-act voor het Verdrag niet aangemerkt als persoon die inwoner is van Maleisië en het wordt dan ook niet de verdragsvoordelen deelachtig. Door Nederland wordt dan ook geen vermindering van dividendbelasting verleend, wanneer door een Nederlands lichaam dividend word"},{"b":"Besluit stellen van beperkingen openbaarheid archiefcollectie G.H. Verheyen, nummer archiefinventaris 2.21.443 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 1, 4, 5 en 6 beperkt openbaar. De beperking vervalt op de 1e januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar | | --- | --- | | 1 | 2023 | | 4 | 2021 | | 5 | 2022 | | 6 | 2023 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040759&artikel=1&z=2018-03-28&g=2018-03-28), is tot het moment van vervallen van de beperkingen aan de openbaarheid uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de dossiers geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040759&artikel=1&z=2018-03-28&g=2018-03-28), is tot het moment van het vervallen van de beperkingen aan de openbaarheid uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit Stichting ICTU Artikel 1 In dit Besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid; b. de stichting: de Stichting ICTU, een gezamenlijke ICT-implementatie-organisatie van en voor overheidsorganisaties welke op 11 april 2001 is opgericht door de Staat en de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten; c. het ministerie: het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. De minister verstrekt in 2001 een eenmalige startbijdrage van f 4.000.000,- aan de stichting. 2. De stichting zal deze startbijdrage gebruiken voor de financiering van de noodzakelijke initiële investeringen en uitgaven om ICTU operationeel te krijgen. Daarbij gaat het om investeringen ten behoeve van de nieuwe huisvesting inclusief de bijbehorende ICT-infra-structuur en uitgaven om de organisatie in te richten en op orde te krijgen. 3. Op deze startbijdrage zullen in mindering worden gebracht de uitgaven die het ministerie in 2001 tot een nog nader te bepalen datum ten laste van de startbijdrage reeds heeft gedaan en nog zal doen voor het in het tweede lid genoemde doel. 4. De door het ministerie voor het in het tweede lid genoemde doel aangegane financiële verplichtingen die nog doorlopen na de in het derde lid genoemde, nog nader te bepalen datum, zullen per die datum door de stichting worden overgenomen en door de stichting ten laste van de startbijdrage worden betaald, tenzij in overleg tussen de stichting en het ministerie wordt overeengekomen dat bepaalde doorlopende verplichtingen niet door de stichting zullen worden overgenomen maar nog door het ministerie ten laste van de startbijdrage zullen worden betaald. 5. De startbijdrage zal als voorschot worden verstrekt. 6. De stichting legt in 2002 verantwoording af over de besteding van de startbijdrage in de jaarstukken die de stichting op grond van artikel 13 van de statuten moet opmaken en ter goedkeuring aan de minister moet aanbieden. 7. Op basis van de in het zesde lid g"},{"b":"Besluit subsidieplafond 2025 Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 Artikel 1 Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 als bedoeld in artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 bedraagt € 89.480,–. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2025 Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027."},{"b":"Besluit subsidieplafond 2026 Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 Artikel 1. Vaststelling subsidieplafond Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 als bedoeld in [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050773&artikel=3) bedraagt € 123.789,–. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2026 Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant."},{"b":"Besluit subsidieplafond en indieningstermijn Projectregeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028 Besluit subsidieplafond en indieningstermijn Projectregeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028 - 1. Voor subsidieverlening op grond van de [Projectregeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050434) geldt voor de periode van 2 juni 2025 13.00u tot en met 9 december 2026 13.00u een subsidieplafond van in totaal € 1.000.000,–. - 2. Het in artikel 1 bedoelde subsidieplafond wordt verdeeld in de volgende subsidiedeelplafonds: - a. € 68.285,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf verkenningen voor Aruba. - b. € 29.499,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf verkenningen voor Curaçao. - c. € 0,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf verkenningen voor Sint-Maarten. - d. € 273.139,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf projecten voor Aruba. - e. € 390.311,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf projecten voor Curaçao. - f. € 238.766,– voor aanvragen die betrekking hebben op paragraaf projecten voor Sint-Maarten. - 3. Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend in de periode van 2 juni 2025 13.00u tot en met 9 december 2026 13.00u. - 4. Het Fonds kan de in artikel 3 genoemde indieningstermijn voortijdig sluiten voor één of meerdere subsidiedeelplafonds, als het totaalbedrag van de ingediende aanvragen het desbetreffende subsidiedeelplafond ruimschoots overschrijdt. - 5. Subsidieaanvragen worden per deelplafond behandeld op volgorde van binnenkomst. Het beschikbare budget wordt verdeeld overeenkomstig [artikel 1.8. in de Projectregeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050434&artikel=1.8) en met inachtneming van [artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"b":"Besluit subsidieplafond Projectsubsidies voor Doorontwikkeling Aangepast Lezen 2022 Artikel I Voor het jaar 2022 het volgende subsidieplafond ter zake de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), en [8, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=8) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in het besluit van 2022 vermelde activiteiten bedraagt € 200.000,– voor het jaar 2022. Een subsidie bedraagt € 4.000,– per ingezette leesconsulent. Er kan per subsidie-ontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. Artikel II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van de bekendmaking."},{"b":"Besluit subsidieplafonds en indieningstermijn Projectregeling Co-creatie – Samen werken aan cultuur 2025–2028 Besluit subsidieplafonds en indieningstermijn Projectregeling Co-creatie – Samen werken aan cultuur 2025–2028 - 1. Voor subsidieverlening op grond van de [Projectregeling Co-creatie – Samen werken aan cultuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887) geldt voor de periode van 31 augustus 2026 tot en met 30 september 2026 een subsidieplafond van in totaal € 2.377.773. - 2. Het in artikel 1 bedoelde subsidieplafond wordt verdeeld in de volgende subsidiedeelplafonds: - a. € 299.692 voor aanvragen die betrekking hebben op [paragraaf 2: Proberen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887&paragraaf=2); - b. € 1.578.801 voor aanvragen die betrekking hebben op [paragraaf 3: Ontwikkelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887&paragraaf=3); - c. € 500.000 voor aanvragen die betrekking hebben op [paragraaf 2: Proberen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887&paragraaf=2) of [paragraaf 3: Ontwikkelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887&paragraaf=3) waarbij minimaal 50% van de deelnemers 70 jaar of ouder is. - 3. Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend in de periode van 31 augustus 2026 tot en met 30 september 2026. - 4. Het Fonds kan de in artikel 3 genoemde indieningstermijn voortijdig sluiten voor één of meerdere subsidiedeelplafonds, als het totaalbedrag van de ingediende aanvragen het desbetreffende subsidiedeelplafond ruimschoots overschrijdt. - 5. Subsidieaanvragen worden per deelplafond behandeld op volgorde van binnenkomst. Het beschikbare budget wordt verdeeld overeenkomstig [artikel 1.8 van Projectregeling Co-creatie – Samen werken aan cultuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050887&artikel=1.8) en met inachtneming van [artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25). - 6. Als na afloop van de indieningstermijn budget r"},{"b":"Besluit taakverdeling Bestuur Kadaster 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen De begripsomschrijvingen opgenomen in [artikel 1 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=1) gelden ook voor het onderhavige besluit. Artikel 2. Takenpakket voorzitter Het takenpakket van de voorzitter van het bestuur behelst de algemene leiding van de Dienst en omvat in ieder geval: - a. het leiding geven aan het bestuur met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het Reglement Raad van Bestuur Kadaster 2021; - b. al hetgeen behoort tot de aandachtsgebieden van het bestuur en niet aan de plaatsvervangend voorzitter als taak is opgedragen; - c. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de directie Data, Governance en Vernieuwing, de directie Financiën en Control en de directie Bestuur en Strategie, als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045385&artikel=2); - d. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de Programmadirectie Tactische Beheerorganisatie Omgevingswet, als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045385&artikel=2); - e. het vervangen van de plaatsvervangend voorzitter bij diens afwezigheid of verhindering. Artikel 3. Takenpakket plaatsvervangend voorzitter Het takenpakket van de plaatsvervangend voorzitter van het bestuur omvat in ieder geval: - a. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de directie Operatie, Dienstverlening en Registratie, de directie Personeel en Organisatie en de directie Beheer en Ontwikkeling Informatie Technologie als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045385&artikel=2); - b. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de"},{"b":"Besluit tarief gijzeling 2005 BES Artikel 1 1. Het tarief, bedoeld in [artikel 597, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=597), bedraagt 14 USD per dag of gedeelte daarvan. 2. De rechter is bevoegd om aan behoeftigen gehele of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen van de vergoeding van de kosten van levensonderhoud van de schuldenaar door de schuldeiser. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 597, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=597). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tarief gijzeling 2005 BES."},{"b":"Besluit tarief justitiekosten strafzaken BES Toepasselijkheid Artikel 1 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de kosten die in verband met de behandeling van strafzaken moeten worden gemaakt en de kosten die moeten worden gemaakt in zaken, waarin het openbaar ministerie optreedt en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt. 2. Dit besluit berust op [artikel 59 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=59). Reis- en verblijfkosten Artikel 2 1. Aan getuigen, deskundigen en tolken worden de werkelijke reiskosten vergoed, voorzover hun geen reisbiljet ’s Rijkswege werd verstrekt. 2. De reiskosten worden berekend op basis van de reiskosten die worden vergoed aan ambtenaren die recht hebben op vervoer per tweede klasse vervoermiddelen. In bijzondere gevallen kan de procureur-generaal toestaan, dat een getuige, deskundige of tolk gebruik maakt van de eerste klasse van een vervoermiddel. 3. Voor de berekening van de reiskosten van getuigen, deskundigen en tolken, wordt de plaats van het hoofdverblijf als uitgangspunt genomen. De tijdelijke verblijfplaats kan tot uitgangspunt worden genomen, indien de getuige, deskundige of tolk zich buiten zijn hoofdverblijf ophoudt. Artikel 3 1. Aan getuigen, deskundigen en tolken worden zo nodig verblijfkosten vergoed, berekend op basis van de verblijfkosten, die toegekend worden aan ambtenaren, gerangschikt in de tweede klasse. 2. In bijzondere gevallen kan de procureur-generaal toestaan, dat een getuige, deskundige of tolk wat de vergoeding van verblijfkosten betreft zal worden gelijkgesteld met een ambtenaar, gerangschikt in de eerste klasse. Artikel 4 Indien een getuige, deskundige of tolk de reis- en verblijfkosten niet kan voorschieten, kan het openbaar ministerie de opgeroepene in zijn verblijfplaats een reisbiljet verstrekken. Het openbaar ministerie kan de betaling van de verblijfkosten van de opgeroepene rechtstreeks aan de hotel-, logement- of"},{"b":"Besluit Tarieven Ctgb 2007 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (Stb. 2007, 125); - b. College: het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - c. Onze Minister: de in [artikel 1, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1) bedoelde Minister. Hoofdstuk 2. Gewasbeschermingsmiddelen op basis van in Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen § 1. Aanvraag Artikel 2. algemeen Voor de indiening van de navolgende aanvragen zijn de volgende bedragen verschuldigd: - a. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=28) en [35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=35) alsmede een verlenging daarvan en een voorlopige toelating als bedoeld in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=34): € 4.420,– - b. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel in het kader van een herregistratie nadat een werkzame stof is geplaatst op bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG: € 2.460,– - c. wederzijdse erkenning van een toelating als bedoeld in [artikel 36 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=36): € 1.640,– - d. een afgeleide toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=32) alsmede een verlenging daarvan: € 513,– - e. een toelating van een parallel geïmporteerd gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=33) alsmede een verlenging daarvan: € 513,– - f. een uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten g"},{"b":"Besluit Tarieven Ctgb 2008 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (Stb. 2007, 25); - b. College: het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van ewasbeschermingsmiddelen en biociden; - c. Onze Minister: de in [artikel 1, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1) bedoelde Minister. Hoofdstuk 2. Gewasbeschermingsmiddelen op basis van in Bijlage 1 bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen § 1. Aanvraag Artikel 2. algemeen Voor de indiening van de navolgende aanvragen zijn de volgende bedragen verschuldigd: - a. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=28) en [35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=35) alsmede een verlenging daarvan en een voorlopige toelating als bedoeld in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=34): € 4.420,– - b. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel in het kader van een herregistratie nadat een werkzame stof is geplaatst op bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG: € 2.460,– - c. wederzijdse erkenning van een toelating als bedoeld in [artikel 36 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=36): € 1.640,– - d. een afgeleide toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=32) alsmede een verlenging daarvan: € 513,– - e. een toelating van een parallel geïmporteerd gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=33) alsmede een verlenging daarvan: € 513,– - f. een uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten gew"},{"b":"Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Hof:* het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. *het Gerecht:* het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. *de griffier:* de griffier van het Hof onderscheidenlijk het Gerecht; - d. *Onze Minister:* Onze Minister van Justitie; - e. *het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:* het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 59 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=59). afdeling Eerste. Deurwaarders Artikel 2 1. De deurwaarders mogen, uit welke hoofde en onder welk voorwendsel ook, geen andere of hogere rechten of beloningen vorderen of ontvangen, of doen vorderen of ontvangen, dan die, welke bij dit besluit zijn vastgesteld. 2. Bij overtreding zijn zij tot teruggave en vergoeding van kosten, schaden en interessen verplicht, onverminderd de toepassing van de strafwet, indien daartoe termen aanwezig zijn. Artikel 3 1. Aan de deurwaarder is verschuldigd: - a. voor het doen van elk exploot dat betrekking heeft op een geding voor het Gerecht en voor het Hof, uitgebracht voor de einduitspraak in het geding, of, buiten eigenlijk rechtsgeding, op een zaak voor het Gerecht te behandelen of in behandeling 6 USD, en voor het doen van elk ander exploot 10 USD; - b. voor de redactie van een exploot 3 USD; - c. voor de overhandiging van afschriften van een exploot: 1 USD voor het eerste, 2 USD voor elk volgend afschrift; - d. voor nazoeking, informatie en correspondentie, indien een en ander, of een van deze, moet plaats hebben met het oog op de redactie of het doen van exploten 2 USD; - e. voor bespreking van de zaak met de lastgever, indien deze bespreking voor de redactie of het doen van exploten nod"},{"b":"Besluit tekenbevoegdheid van de minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken 1998 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: 1. tekenbevoegdheid: de bevoegdheid om namens de minister besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen; 2. DGCZ&K: het directoraat-generaal Constitutionele Zaken & Koninkrijksrelaties van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 1. Tekenbevoegdheid bezitten: - a. de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken; - b. de directeur-generaal voor Constitutionele Zaken & Koninkrijksrelaties; - c. de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - d. de directeur Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van het DGCZ&K; - e. de Permanente Vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regering van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba; - f. het hoofd van de Afdeling Coördinatie Europese en Internationale Zaken van het DGCZ&K; - g. het hoofd van de Stafafdeling Beheer van het DGCZ&K; - h. de coördinator van beleidsveld IV van de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - i. de juridisch adviseur van de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - j. de coördinatoren van de beleidsvelden I en II en het hoofd van de Afdeling Projectbeheer van de directie Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van het DGCZ&K; - k. de hoofden van de secties Kennismanagementondersteuning, Financiën en Personeelsondersteuning en Uitzendingen van de Stafafdeling Beheer van het DGCZ&K; - l. het hoofd van de Vestiging Sint Maarten van de Permanente Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering bij de regering van de Nederlandse Antillen. 2. Bij verhindering van een der in het vorige lid genoemde functionarissen heeft diens plaatsvervanger tekenbevoegdheid. Artikel 3 1. Aan de minister is voorbehouden de afdoening en ondertekening van stukken bestemd voor: - a. de Koningin; - b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk; de Raad van Mi"},{"b":"Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken AIVD 2024 Artikel 1 In dit besluit wordt onder tekenbevoegdheid verstaan de bevoegdheid om namens de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277). Artikel 2 De directeur Inlichtingen bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van de in [artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid. Artikel 3 1. Het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van: - a. de in [artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het afgeven van een verklaring van geen bezwaar; - b. de in [artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het weigeren van een verklaring van geen bezwaar; - c. de in [artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek; - d. de in [artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het doen van mededelingen aan een andere mogendheid of aan een volkenrechtelijke organisatie, dan wel het doen van een kennisg"},{"b":"Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 Artikel 1 In dit besluit wordt onder tekenbevoegdheid verstaan de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277). Artikel 2 1. De directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van: - a. het instemmen met het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in [artikel 3 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3); - b. het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - c. het weigeren van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 8 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=8); - d. het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek als bedoeld in de [artikelen 9 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - e. het intrekken van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 10 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10); - f. het doen van mededelingen aan een andere mogendheid of aan een volkenrechtelijke organisatie dan wel het doen van een kennisgeving, als bedoeld in [artikel 13 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=13); - g. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen een besluit tot het weigeren of het intrekken van een verklaring als bedoeld onder c of e, dan wel het doen van een kennisgeving als bedoeld onder f, indien de beslissing op het bezwaarschrift niet afwijkt van het advies van de bezwarencommissie veiligheidsonderzoeken. 2. Bij verhindering van de directeur-generaal van de Algemene Inli"},{"b":"Besluit telecommunicatie scheepvaart BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. *radioreglement:* het bij het op 6 november 1982 te Nairobi gesloten Internationale Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164) behorende bij het op 6 december 1979 te Genève tot stand gekomen Radioreglement 1979 (Trb. 1981, 78); - c. *beschikking:* de beschikking waarbij een machtiging is verleend; - d. *machtiging:* een machtiging voor een radio-elektrische zend- of ontvanginrichting als bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15), en [16, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=16); - e. *bewijs van goedkeuring:* een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=38), [onderscheidenlijk 69, eerste lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=69); - f. *algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, certificaat VHF marifonie:* bewijsstukken van een met goed gevolg afgelegd examen als bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&paragraaf=5&artikel=30&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - g. *marifoon:* een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van mondelinge maritieme VHF- en UHF-radiocommunicatie; - h. *radiotelegraaf:* een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van maritieme MF- en HF-radiocommunicatie door middel van morsetekens of telegrafie bestemd voor de automatische ontvangst; - i. *radiotelefoon:* een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van maritieme telecommunicatie via de ether door middel van spraak; - j. *kuststation:* een op een vaste plaats opgestelde zend- en ontvanginrichting bestemd voor zowel maritieme"},{"b":"Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES Artikel 1 Voor de toepassing van deze algemene maatregel van bestuur wordt verstaan onder «sterke drank»: - (a) drank, die bij een temperatuur van vijftien graden van de honderddelige schaal meer dan een en twintig volumen procenten alcohol bevat; - (b) onvermengde, door overhaling verkregen alcoholhoudende drank, alsmede likeur en bitter, voor zover niet reeds vallende onder de onder (a) bedoelde definitie van sterke drank. Artikel 2 1. Reclame boodschappen voor sterke drank mogen niet gericht zijn tot minderjarigen. 2. Reclame boodschappen voor sterke drank mogen slechts uitgezonden worden tussen 22.00 en 01.00 uur. Artikel 3 De tijdsduur van een reclame boodschap voor sterke drank mag nimmer de duur van 60 seconden overschrijden, terwijl tussen twee zodanige boodschappen tenminste 10 minuten moeten verlopen. Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 1. Het bepaalde in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028414&artikel=2&z=2011-02-17&g=2011-02-17) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028414&artikel=3&z=2011-02-17&g=2011-02-17) geldt evenzeer voor het indirect aanprijzen van sterke drank. 2. Onder indirect aanprijzen van sterke drank wordt onder meer verstaan: - – het aanprijzen van niet- of zwak-alcoholhoudende drank tezamen met sterke drank; - – het uitloven van sterke drank als prijs of geschenk; - – het aanbieden van geschenken of prijzen ter stimulering van de verkoop van sterke drank. Artikel 6 Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2, derde lid, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 24ste november 1972 ter uitvoering van artikel 5, lid 1, onder f, van de Televisie-landsverordening (P.B. 1971, no. 33) (P.B. 1972, no. 237) of op grond van het Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES, geldt tot en met een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het [Mediabesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029602). Artikel 7 Di"},{"b":"Besluit televisiereclame voor geneesmiddelen 2000 BES Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *verpakte geneesmiddelen:* verpakte geneesmiddelen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=1). - b. *exploitant:* de exploitant van een televisie-inrichting als bedoeld in [artikel 1 van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=1). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=1), alsmede op [artikel 1, onderdeel e, van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=1). Artikel 2 1. Het is een exploitant toegestaan reclameboodschappen uit te zenden die betrekking hebben op verpakte geneesmiddelen, tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling verpakte geneesmiddelen aanwijst ten aanzien waarvan geen reclame mag worden uitgezonden. 2. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde is het een exploitant van een betaaltelevisiesysteem verboden reclameboodschappen die betrekking hebben op verpakte geneesmiddelen toe te voegen aan door hem uitgezonden programma’s. 3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt enkel gegeven met het oog op het belang van de algemene volksgezondheid. Artikel 3 1. De exploitant draagt er zorg voor dat steeds direct na een reclameboodschap, de volgende aankondigingen wordt uitgezonden: «Raadpleeg uw huisarts of apotheker, alvorens enige medicijn te gebruiken» en «Lees voor het kopen of gebruiken eerst de aanwijzingen op de verpakking». 2. Deze aankondigingen dienen te geschieden in de landstaal en in de taal welke gebezigd werd in de daaraan voorafgegane reclameboodschap. Artikel 4 1. De reclameboodschappen dienen eerlijk, echt en controleerbaar te zijn. Voorts mogen geen aanduidingen gebezigd worden in woord of beeld die door"},{"b":"Besluit ter uitvoering van art. 7, eerste en vierde lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES Artikel 1 Als havens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7) worden voor het in ontvangst nemen van olierestanten en oliehoudende mengsels afkomstig van schepen aangewezen: In Bonaire: - – de haven van Kralendijk - – de Bopec Oil Terminal In Sint Eustatius: - – de Haven van Oranjestad - – de Statia Oil Terminal In Saba: - – Fortbaai Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7). Artikel 2 Als havens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7) worden voor het in ontvangst nemen van vuilnis afkomstig van schepen, aangewezen de havens bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 3 1. De beheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van een ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) of [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) aangewezen haven wijst personen aan die over voorzieningen beschikken voor het in ontvangst nemen van de stoffen bedoeld in de artikelen 1 en 2. 2. Het is een persoon die niet is aangewezen verboden om de stoffen, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), in ontvangst te nemen. 3. Het is verboden om de stoffen, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [2"},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 16, tweede lid van de Faillissementswet BES Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=16), wordt ingericht volgens het bij dit besluit behoorend model. Alle inschrijvingen in het register worden door den griffier onderteekend. Artikel 2 Registers, welke voldoen aan het model behoorende bij het in het tweede lid van dit artikel bedoeld besluit, kunnen ook verder worden gebezigd, wanneer zij, voor zooveel noodig, met het bij het onderhavige besluit behoorende model in overeenstemming worden gebracht. Register, bedoeld in [art. 16, 2de lid, van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=16). - 1. Jaar en volgnummer gedurende den loop van elk jaar. - 2. Dag van het vonnis houdende faillietverklaring. - 3. Gerecht, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken. - 4. Naam, woonplaats of kantoor en beroep van den gefailleerde en, in geval een vennootschap onder een firma is failliet verklaard, van elk der hoofdelijk voor het geheel verbonden vennooten. - 5. Naam van den rechter-commissaris. - 6. Naam en woonplaats of kantoor van den curator. - 7. Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers. - 8. Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der definitieve commissie uit de schuldeischers. - 9. Dag van het in kracht van gewijsde gegane vonnis houdende opheffing van de faillietverklaring ten gevolge van verzet of hooger beroep. - 10. Dag van het in kracht van gewijsde gegane vonnis waarbij de homologatie van het akkoord is toegestaan. - 11. Summiere inhoud van het akkoord. - 12. Dag van het vonnis houdende ontbinding van het akkoord. - 13. Naam van den rechter-commissaris; naam, woonplaats of kantoor van den curator; naam beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der commissie uit de schuldeischers in het heropend faillissementa. - 14."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 40 Begrafeniswet BES Artikel 1 1. Het vervoer van een lijk naar een der openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba of uit een der openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba is toegelaten mits: - a. het lijk hetzij door balsemen hetzij door toepassing van een andere conserveringsmethode behoorlijk is geconserveerd, besloten is in een van ondoordringbaar materiaal vervaardigde, hermetisch gesloten en van absorberend materiaal voorziene kist, in de kist niets anders wordt vervoerd dan het lijk en bijbehorende kleding, verpakkingsmateriaal en persoonlijke bezittingen van de overledene en de kist, ten genoegen van de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige, deugdelijk is verpakt in een goed sluitende kist; - b. op de kist duidelijk waarneembaar zijn aangebracht de naam, de voornamen en de geboortedatum van de overledene, de datum en plaats van overlijden en de plaats van bestemming; - c. bij aankomst van het lijk worden overgelegd of bij vervoer uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten behoeve van de autoriteiten in het land of eiland van bestemming worden afgegeven: - 1°. een geneeskundige verklaring betreffende de overledene afgegeven door de daartoe bevoegde geneeskundige in het land of eiland waar het overlijden plaatsvond, of een uittreksel van de desbetreffende akte van overlijden of een daarmee overeenstemmend document; - 2°. een verklaring afgegeven door de persoon die het lijk heeft gebalsemd of anderszins heeft geconserveerd met vermelding van de wijze waarop het balsemen of de conservering heeft plaatsgehad; - 3°. een verklaring afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit van het land of eiland waar het overlijden plaatsvond, behelzende de wijze waarop en de route waarlangs het vervoer zal plaatsvinden. 2. De geneeskundige verklaring als bedoeld in het eerste lid onder c, 1° moet tenminste bevatten de naam, de voornamen en de plaats en datum van geboorte van de overledene of de le"},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 448, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 448, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=448) wordt gesteld op telkens 279 USD. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 448, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Faillissementswet BES artikel Enig De in [artikel 5, lid 1 van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=5) bedoelde oproeping door de griffier geschiedt door middel van de post, van de telegraaf of van een dienaar van de openbare macht. Indien de griffier de oproeping per post verzendt, geschiedt de verzending per aangetekende brief. Indien de griffier de oproeping doet door middel van de telegraaf voorziet hij het telegram van de aanwijzing «kennisgeving van aflevering» of «P.C.». Indien de griffier de oproeping verzendt door middel van een dienaar van de openbare macht, doet hij de oproeping in een gesloten omslag, waarop hij als afzender wordt genoemd; zo nodig vermeldt de omslag het adres van de schuldenaar. De bezorging geschiedt tegen een door of namens de geadresseerde te ondertekenen ontvangstbewijs, waarop dag en uur van de ontvangst moeten worden vermeld. Wordt de brief niet aangenomen, dan laat de dienaar van de openbare macht aan het aangewezen adres een kennisgeving achter, dat de brief ter griffie van het in de kennisgeving vermelde gerecht kan worden afgehaald. Zo spoedig mogelijk wordt het ontvangstbewijs of, in geval van niet-afgifte van de brief, deze zelf ter griffie bezorgd. De griffier kan ook aan een dienaar van de openbare macht opdracht geven de oproeping te doen bij exploit. Deze laat afschrift van het exploit aan de persoon of aan de woonplaats van de schuldenaar en doet het oorspronkelijke zo spoedig mogelijk aan de griffier toekomen."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 6 Wet winkelsluiting BES Artikel 1 Het verbod vervat in [artikel 2 van de Wet winkelsluiting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=2) is niet van toepassing op: - a. een winkel, die deel uitmaakt van een woning en bedreven wordt vanuit een raam van die woning, mits de vloeroppervlakte van de ruimte die voor het gebruik als winkel gebezigd wordt niet meer bedraagt dan 16 m2 en de gezamenlijke verkoopwaarde van de voor verkoop bestemde goederen in of op het perceel, waarvan bedoelde winkel deel uitmaakt, niet meer bedraagt dan USD 280; - b. een winkel van waaruit uitsluitend bereide spijzen en dranken te verkrijgen zijn anders dan voor verbruik ter plaatse. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 14 van de Wet winkelsluiting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=14). Artikel 2 Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die zijner afkondiging en werkt terug tot en met 1 juni 1969. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 6 Wet winkelsluiting BES."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=862) wordt gesteld op 5587 USD. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 1. Als ambtenaren, bedoeld bij [artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=878) worden voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de betrokken gezaghebber of een door deze aan te wijzen ambtenaar aangewezen. 2. Bewijzen van onvermogen voor op andere dan in het eerste lid van dit artikel genoemde plaatsen wonende, in [artikel 876 van genoemd Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=876) bedoelde personen worden door de daartoe bevoegde macht hunner woonplaats afgegeven en door de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg op het betrokken eiland voor gezien getekend. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bepaalde in [artikel 993, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=993) geldt tevens, wanneer een beslissing, gegeven door een administratieve autoriteit van een vreemde Staat hier te lande uitvoerbaar is krachtens het op 15 april 1958 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen (Trb. 1959, 187). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 11 en 13 Begrafeniswet BES Artikel 1 De lijken van onvermogenden worden, voor zooveel kerk- of armbestuur of andere instellingen daarvoor niet zorgen, op kosten van de staat begraven op de begraafplaats door den overledene tijdens leven of anders door diens verwanten aan den betrokken ambtenaar van den burgerlijken stand opgegeven; en bijaldien zulks niet mogelijk is of geene opgave geschied is, op de begraafplaats door genoemden ambtenaar bepaald, die daarbij zooveel mogelijk met de godsdienstige gevoelens van den overledene rekening zal houden. Artikel 2 Om in aanmerking te komen voor begraving op kosten van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba leggen de naaste bloedverwanten van de overledene een bewijs van onvermogen over dat is afgegeven door de gezaghebber van het openbaar lichaam. Artikel 3 Het begraven van lijken van personen overleden in inrichtingen, die geheel of gedeeltelijk onder beheer van het openbaar gezag staan, geschiedt door de zorg van het bestuur der betrokken inrichting met inachtneming van de navolgende voorschriften. Artikel 4 Voor zoover er verwanten van den overledene op het betrokken eiland vertoeven, geeft het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028410&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemd bestuur hun binnen twee uren, indien zij zich in hetzelfde district bevinden en anders zoo spoedig mogelijk, kennis van het feit en van het uur van het overlijden, met opgave van de uren waarop het lijk voor hen te bezichtigen is, alsmede in de gevallen, waarin het lijk hun ter begraving kan worden afgegeven, van de bevoegdheid zulks aan te vragen. Artikel 5 Het is [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028410&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemd bestuur geeft, zooveel mogelijk binnen twaalf uren na het overlijden, daarvan kennis aan den betrokken ambtenaar van den burgerlijken stand, met opgave van de klasse waarin de overledene in de inrichting ver"},{"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet medisch tuchtrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542). 2. Tenzij anders bepaald, worden onder de voorzitter en de leden van het College tevens hun plaatsvervangers begrepen. Hoofdstuk I. Het Medisch Tuchtcollege Artikel 2 1. De leden en de secretaris van het College leggen, alvorens met de uitoefening van hun bediening aan te vangen, in handen van de president van het Hof van Justitie, bijgestaan door deszelfs griffier, de navolgende eed of belofte af: «Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de wet, en dat ik mij bij mijn rechtspraak zal laten leiden door het algemeen belang en in ieder bijzonder geval mijn ambt zal vervullen zonder aanzien des persoons». 2. Tijd en plaats der beëdiging worden door de president vastgesteld in overleg met de te beëdigen personen. 3. Van het afleggen van de eed of de belofte wordt proces-verbaal opgemaakt. 4. Door het afleggen van de eed of de belofte aanvaarden de benoemde person en tevens hun bediening. Artikel 3 De [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=10) en [149 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=149) zijn op de leden en de secretaris van het College, alsook op de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van toepassing, met dien verstande, dat van wetenschap, van de persoon over wie geklaagd is of van opgeroepen getuigen of deskundigen afkomstig, voor zover deze personen beklaagde zijn in de zin van het [Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681) in generlei vorm mededeling mag worden gedaan, tenzij zij zelf daartoe toestemming verlenen. Artikel 4 De leden en de secretaris van het College ontvangen voor het bijwonen van bijeenkomsten van het College een door Onze Minister vast te stellen bedrag. Artikel"},{"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 6, tweede lid, van de Schepenwet en 6 van het Schepenbesluit 1965, alsmede de artikelen 23, eerste lid, 36, 48, tweede lid en 59, eerste lid, van het Schepenbesluit 2004 (Besluit erkende organisaties Schepenwet) Artikel 1. Erkende organisaties 1. Als rechtspersonen waarvan de regels kunnen gelden als eisen als bedoeld in [artikel 3a van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3a), worden aangewezen: - a. American Bureau of Shipping (ABS) Europe Ltd te Londen, Verenigd Koninkrijk; - b. Bureau Veritas (BV) te Parijs, Frankrijk; - c. DNV GL AS te Høvik, Noorwegen; - d. Lloyd's Register Group LTD (LR) te Londen, Verenigd Koninkrijk; - e. Nippon Kaiji Kyokai General Incorporated Foundation (ClassNK) te Tokio, Japan; - f. Registro Italiano Navale Services S.p.A. te Genua, Italië; - g. Indian Register of Shipping te Mumbai, India; - h. Korean Register (KR) te Busan, Republiek Korea. 2. De in het eerste lid genoemde rechtspersonen zijn tevens bevoegd tot het verrichten van de bij of krachtens de [artikelen 8 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=8) en [13 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=13) en [19a van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=19a) voorgeschreven onderzoeken. Artikel 2. Bijzondere onderzoeken 1. Onverminderd [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019673&artikel=1&z=2026-01-17&g=2026-01-17), is tot het verrichten van onderzoeken van elektronisch aangedreven liften, personenliften, niet zijnde elektrisch aangedreven liften, en roltrappen tevens bevoegd de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut) te Amsterdam. 2. Als keuringsinstantie voor opblaasbare reddingsmiddelen als bedoeld in voorschrift III/20.8 van het SOLAS-verdrag, worden aangewezen: - a. Peerbolte Lifesaving V.O.F. te Warffum; - b. Survitec Safety Solutions"},{"b":"Besluit ter vaststelling van de waarde van varkensrecht, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Marktprijzen-besluit) - 1. Voor concentratiegebied Oost, zoals aangeduid in [bijlage I van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I), wordt de waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid aan de hand van de marktprijs voor dit varkensrecht op 25 november 2019 vastgesteld op een bedrag van € 52,00. - 2. Voor concentratiegebied Zuid, zoals aangeduid in [bijlage I van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I), wordt de waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid aan de hand van de marktprijs voor dit varkensrecht op 25 november 2019 vastgesteld op een bedrag van € 151,00."},{"b":"Besluit termijn beperking openbaarheid archief adoptiedossiers Raad voor de Kinderbescherming, geboortejaren 1970 tot en met 2001 (nummer toegang 2.09.169) Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, inzake de beperkingen aan de openbaarheid van de adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming, geboortejaren 1970 tot en met 2001, te beperken tot en met 100 jaar na de geboortedatum van de personen op wie de dossiers betrekking hebben of wanneer een geboortedatum ontbreekt tot en met 100 jaar na de sluiting van het dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Besluit termijn beperking openbaarheid van de naar rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers archief Samen Veilig Midden-Nederland, 1995-2005 (nummer toegang 2.09.178) Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het voorgenomen besluit van de bestuurder Samen Veilig Midden-Nederland, inzake de beperkingen aan de openbaarheid van dossiers jeugdreclassering en jeugdhulpverlening, jaren 1995 tot 2005, te beperken tot en met 110 jaar na de geboortedatum van de personen op wie de dossiers betrekking hebben of wanneer een geboortedatum ontbreekt tot en met 110 jaar na de sluiting van het dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de bestuurder Samen Veilig Midden-Nederland zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"b":"Besluit terugbetaling looninkomsten *Dit besluit beschrijft het fiscale beleid voor ten onrechte ontvangen looninkomsten en voor in eerste instantie terecht ontvangen looninkomsten die later op grond van een afdwingbare verplichting terugbetaald moeten worden. Dit besluit vervangt het besluit van 5 augustus 2009, nr. CPP2009/12183.* 1. Inleiding Dit besluit vervangt mijn [besluit van 5 augustus 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026256), nr. CPP2009/12183. De wijzigingen ten opzichte van dat besluit zijn: - − [Onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0026256) en [3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0026256) zijn samengevoegd in [onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048245). Hierin keur ik goed dat ten onrechte ontvangen looninkomsten onder voorwaarden geacht worden niet te zijn genoten. - − [Onderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/BWBR0026256) is vernummerd tot [onderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048245). De verwijzing naar de Wet werk en bijstand heb ik vervangen door een verwijzing naar de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703). De overige wijzigingen zijn redactioneel en daarmee heb ik geen wijziging beoogd. 2. Ten onrechte ontvangen looninkomsten Inkomstenbelasting wordt onder andere geheven over het door een belastingplichtige in een kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning ([artikel 2.3 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.3), hierna: Wet IB 2001). Ten onrechte ontvangen looninkomsten worden geacht niet te zijn genoten als belastingplichtige er binnen redelijke termijn blijk van heeft gegeven dat hij de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet wil behouden (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 21 december 1988, BNB1989/120*). In dat geval is er dus geen sprake van belastbare looninkomsten als bedoeld in [artikel 3.80 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.80). Als belastingplich"},{"b":"Besluit tijdelijke mogelijkheid tot toekenning van een IMSI-nummer voor GSM-R Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. nummerplan: Nummerplan voor identiteitsnummers ten behoeve van internationale mobiliteit (IMSI-nummers); b. GSM-R: Global System for Mobile communications-Railway, digitaal systeem voor mobiele telecommunicatie voor spoorweggerelateerde interne bedrijfstoepassingen gebaseerd op GSM-technologie, zoals door de Union Internationale des Chemins de Fer (UIC) is gespecificeerd. Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in [artikel 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013143&artikel=1&z=2001-12-20&g=2001-12-20), en de bijlage van het nummerplan, een vijf- dan wel zescijferig IMSI-nummer toekennen voor de bestemming GSM-R beginnende met de cijfers 204. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit een IMSI-nummer toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan wel indien het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit eerder in werking treedt, op die eerdere datum van inwerkingtreding van bedoelde nummerplanwijziging. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke mogelijkheid tot toekenning van een IMSI-nummer voor GSM-R."},{"b":"Besluit tijdelijke toekenning carrierselectie-nummers Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. nummerplan: het Nummerplan telefoon-en ISDN-diensten; b. carrierselectie-dienst: dienst die het een gebruiker van de vaste openbare telefoondienst mogelijk maakt om het voor die dienst noodzakelijke transport van gegevens gedeeltelijk door een ander te laten verzorgen dan degene die voor hem de aansluiting op het vaste openbare telefoonnetwerk en de toegang tot de vaste openbare telefoondienst verzorgt, van welke mogelijkheid de gebruiker gebruik kan maken door een daarvoor bestemd nummer te kiezen onmiddellijk voorafgaand aan het nummer, de internationale toegangscode uitgezonderd, waarmee hij had kunnen volstaan indien hij van die mogelijkheid geen gebruik had gemaakt. Artikel 2 1. Indien de carrierselectie-dienst met gebruikmaking van de daarvoor in het nummerplan bestemde, met de cijfers 1 en 6 beginnende viercijferige nummers, naar het oordeel van het college niet naar behoren kan worden verzorgd, kan het college, in afwijking van het bepaalde in bijlage 1 van het nummerplan, voor die bestemming een viercijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 1 en 7. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan wel indien het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit eerder in werking treedt, op die eerdere datum van inwerkingtreding van bedoelde nummerplanwijziging. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning carrier-selectie-nummers."},{"b":"Besluit tijdelijke toekenning internationale signaleringspuntcodes Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. nummerplan: het Nummerplan internationale signaleringspuntcodes; b. internationale netwerkpunten: adressen van telefooncentrales en van de randapparatuur die een rol spelen in het proces van informatie-uitwisseling tussen telefooncentrales. Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in de bijlage van het nummerplan, voor de bestemming internationaal netwerkpunt een vijf-cijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 2-142-0 tot en met 2-142-7. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt op de datum van inwerkingtreding van het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning internationale signaleringspuntcodes."},{"b":"Besluit tijdelijke toekenning van nummers voor mobiele telefonie Artikel 1 In dit besluit wordt onder nummerplan verstaan het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten. Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in bijlage 1 van het nummerplan, voor de bestemming mobiele telefonie, een tiencijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 063. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt op de datum van inwerkingtreding van het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning van nummers voor mobiele telefonie."},{"b":"Besluit tijdelijke voorzieningen voor de periode dat Minister B. van ’t Wout zijn taken als Minister van Economische Zaken en Klimaat niet kan uitoefenen Artikel I 1. Minister B. van ’t Wout voor de periode dat hij niet in staat is zijn taken als Minister van Economische Zaken en Klimaat uit te oefenen, te ontheffen van de leiding van het ministerie Economische Zaken en Klimaat. 2. Minister drs. S.A. Blok voor de in artikel 1 genoemde periode te ontheffen van de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en te belasten met de leiding van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 3. Minister S.A.M. Kaag voor de in artikel 1 genoemde periode te belasten met de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 24 mei 2021."},{"b":"Besluit toebedeling vermogensbestanddelen Artikel 1 Aan het Bureau Financieel Toezicht worden als vermogensbestanddelen in de zin van artikel 130 Wet op het notarisambt toebedeeld: - a. alle rechten die de Staat wat betreft de kosten over de periode van 1 januari 1999 tot en met 1 oktober 1999 kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 73a Wet op het Notarisambt van 1842 en die worden toegerekend aan het Centraal Bureau van Bijstand, voor een bedrag van f 1.357.067,-; - b. de materiële vaste activa voor een bedrag van f 71.027,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 1999."},{"b":"Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat in bijzondere gevallen Artikel 1 De navolgende producten of diensten mogen door het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat aangeboden worden aan organisaties en personen buiten de rechtspersoon Staat: - a. het opslaan van baggerspecie; - b. het (doen) exploiteren van veerverbindingen over rijkswateren; - c. het verrichten van advies- of ingenieursdiensten - 1. voor provincies, gemeenten of waterschappen voor aanleg, beheer of onderhoud van infrastructuur, watersystemen of waterkeringen die één geheel vormen dan wel nauw samenhangen met die waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, en waarvoor het uit dien hoofde doelmatig is deze diensten voor hen te verrichten of - 2. benodigd voor de verdere ontwikkeling en de instandhouding van de opdrachtgeversdeskundigheid van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat of - 3. waarvoor op zich niet unieke deskundigheid alleen binnen het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat organisatorisch gebundeld voorhanden is of - 4. voor de N.V. Westerscheldetunnel voor aanleg en voorbereiding van onderhoud van de Westerscheldetunnel c.a.; - d. het leveren van deskundigheid aan Nederlandse bedrijven die opdrachten (willen gaan) uitvoeren in het buitenland, voorzover deze niet elders in Nederland beschikbaar is; - e. het ter beschikking stellen aan provincies, gemeenten en waterschappen van nationale gegevens(-bestanden) voor beheer of onderhoud van infrastructuuur of verkeersbeheersing daarop; - f. het leveren van onderzoekscapaciteit aan derden wanneer deze niet of niet in voldoende mate elders beschikbaar is of indien het leveren van de capaciteit wenselijk is voor het verder ontwikkelen of instandhouden van de eigen expertise. Artikel 2 1. De tarieven voor de producten en diensten vermeld in [artikel 1 onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012214&artikel=1&z=2001-02-10&g=2001-02-10) c1 tot en met c3, onder d en onder f worden bepaald volgens de binnen het Directoraat-Generaal Rijksw"},{"b":"Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat wegens onlosmakelijke verbondenheid met publieke taak dan wel ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit Artikel 1 Door het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat mogen producten en diensten worden aangeboden aan organisaties en personen buiten de rechtspersoon Staat, mits - a. het activiteiten betreft die onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van de publieke taak van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat en die betrekking hebben op het beschikbaar stellen van overtollige oppervlaktedelfstoffen, materiaal of materieel dan wel op detachering van personeel voor loopbaanontwikkeling, of - b. dit geschiedt ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit en betrekking heeft op het - met gebruikmaking van materieel en apparatuur en dergelijke verzamelen, analyseren en beschikbaar stellen van met weg- en waterbeheer verband houdende gegevens; - beschikbaar stellen van gegevens(bestanden), kaarten, leidraden, foto's en dergelijke of programmatuur; - beschikbaar stellen van grond, kunstwerken of andere objecten voor het aanbrengen van kabels, leidingen en apparatuur voor telecommunicatievoorzieningen; - beschikbaar stellen van ruimte in gebouwen of van capaciteit van werktuigen of materieel, of - verzorgen van berichtgeving inzake wegverkeer, scheepvaartverkeer of waterstanden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2000. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat wegens onlosmakelijke verbondenheid met publieke taak dan wel ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit."},{"b":"Besluit toelating en uitzetting BES Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1. Definitiebepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *luchtvaartuig:* hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267); - b. *schip:* hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=1); - c. *vliegtuig:* hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=1); - d. *zeeschip:* hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=1); - e. *de Wet:* de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571); - f. *herhaalde aanvraag:* een aanvraag die met toepassing van [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8) kan worden afgewezen; - g. *toerist:* iedere vreemdeling die niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht; - h. *vertegenwoordiging:* diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland; - i. *vermissing:* ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gesteld reisdocument of verblijfsdocument, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit; - j. *minderjarigheid:* hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=233). Artikel 1.2 1. In dit"},{"b":"Besluit toepassing voorschriften internationaal belastingrecht in de winstsfeer *De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.* *Dit besluit bevat mijn uitleg van voorschriften die zijn opgenomen in belastingverdragen, het besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en bepaalde artikelen in de Nederlandse heffingswetten in situaties die in de uitvoeringspraktijk ter zake van de belastingheffing in de winstsfeer zijn voorgelegd.* *Een aantal van de hierin opgenomen standpunten is ontleend aan het ingetrokken besluit van 16 november 2004, nr. IFZ 2004/828M.* *Tot slot is in onderdeel 2.8.1 van dit besluit verwerkt onderdeel 4 van het besluit van 4 april 2008, nr. IFZ2008/52M. Dat besluit wordt ingetrokken, omdat de andere onderdelen ervan hun belang hebben verloren.* 1. Inleiding Dit besluit betreft mijn uitleg van bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting en dubbele niet-heffing in situaties die bij de belastingheffing in de winstsfeer in de uitvoeringspraktijk zijn voorgelegd. Het gaat daarbij om de toepassing van de door Nederland gesloten belastingverdragen, de in relatie met de andere landen van het Koninkrijk geldende regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en relevante bepalingen die zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving waaronder het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095). De in dit besluit opgenomen vragen en antwoorden zijn thematisch gerangschikt, met als hoofdindeling: belastingverdragen, waaronder de [Belastingregeling Nederland Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037077) ([Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048320)), het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095) ([Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048320)), de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) en de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353)"},{"b":"Besluit toerekeningssysteem postvervoer 1. Inleiding 1. Met de inwerkingtreding van de nieuwe postregelgeving per 1 juni 2000, is TNT Postgroep N.V. (hierna: TPG), als houder van de postconcessie, verplicht om een financiële verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het postvervoer op te stellen, die is uitgesplitst over: (a) haar activiteiten in het voorbehouden postvervoer bedoeld in [artikel 2a van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=2a), en (b) overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van haar andere activiteiten. Deze verplichting is opgenomen in [onderdeel 6.2 van paragraaf 6 van het Besluit algemene richtlijnen post](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004452&artikel=6) (hierna: Barp). Ten behoeve van deze gescheiden financiële verantwoording dient TPG een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten (hierna: toerekeningssysteem) vast te stellen dat voldoet aan artikel 14, derde lid van de Postrichtlijn1Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. en dat, in overeenstemming daarmee, voldoet aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit (onderdeel 6.3 van het Barp). Het door TPG vastgestelde toerekeningssysteem voor kosten behoeft de goedkeuring van het college dat daaraan voorschriften kan verbinden. TPG heeft op 17 november 2000 het toerekeningssysteem vastgesteld en ter goedkeuring aan het college aangeboden. Het onderhavige besluit strekt tot goedkeuring van het toerekeningssysteem. 2. Het college heeft op 26 juli 2000 beleidsregels2Richtsnoeren over voorschriften te verbinden aan de goedkeuring van het toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten van TPG; Stcrt. 180, 18 september 2000.vastgesteld ten behoeve van de beoordeling van het door TPG vast te stellen"},{"b":"Besluit toevoeging in strafzaken BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - *de Commissie:* de Commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028374&paragraaf=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - *on- of minvermogende:* degene wiens inkomen gelijk is aan of minder bedraagt dan het voor de sectoren, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9) vastgestelde minimumloon; - *het wetboek:* het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681); - *toevoeging:* de toewijzing van een advocaat aan een ieder die daarvoor ingevolge het wetboek in aanmerking komt; - *Onze Minister:* Onze Minister van Justitie; - *rechtskundige bijstand in samenhangende zaken:* de rechtskundige bijstand, door dezelfde advocaat verleend aan één persoon ter zake van verschillende strafzaken, of aan meerdere personen ter zake van dezelfde strafzaak of gelijksoortige strafzaken, welke bijstand in elk van die zaken gelijke of nagenoeg gelijke verrichtingen inhield en gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig is verleend. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=62), [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=63), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=68) en [69 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=69). § 2. De Commissie toevoeging in strafzaken Artikel 2 1. Er is een Commissie toevoeging in strafzaken. 2. De Commissie heeft tot taak: - a. een advocaat toe te voegen aan een ieder die daarvoor ingevolge het wetboek in aanmerking komt; - b. uitvoering te geven aan rechterlijke beslissingen tot toevoeging van een advocaat; - c. richtlijnen vast te stellen inzake de verlening van de rechtskundige bij"},{"b":"Besluit toezicht en opsporing vervoer gevaarlijke stoffen § 1. Toezicht op de naleving van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen Artikel 1 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen de aan de de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing. Artikel 2 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen. Artikel 3 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, derde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen: - a. de ambtenaren van de divisie Scheepvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover het betreft: - 1º het vervoer per zeeschip over de binnenwateren, - 2º bouw, inrichting en uitrusting van schepen; - b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane; - c. de controle-ambtenaren van de Keuringsdienst van Waren, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij inzake vuurwerk bevoegd zijn. § 2. Opsporing Artikel 4 Als ambtenaren, bedoeld in [artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=44), worden aangewezen de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008295&paragraaf=1&artikel=1&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bedoelde ambtenaren, voor zover zij zijn beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 5 Als ambtenaren, bedoeld in [artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=44), worden aangewezen de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Besluit toezicht luchtvaart BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit landsbesluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *AIS (Aeronautical Information Services):* vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vòòr de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - *baan:* een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van luchtvaartuigen; - *bij nacht:* op enig tussen zonsondergang en zonsopgang gelegen tijdstip; - *clearway:* een aangegeven hindernisvrij rechthoekig gedeelte boven grond of water in het verlengde van de baan, zodat het mogelijk is dat een vliegtuig in het beginstadium van de stijgvlucht tot een voorgeschreven hoogte komt; - *drempel:* het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van een verharde baan; - *houder:* degene die recht van gebruik heeft van een luchtvaartuig, anders dan ingevolge een hem in dienstverband verstrekte opdracht; - *instrumentenbaan:* een baan, welke is uitgerust met elektronische hulpmiddelen ten dienste van het opstijgen of landen van luchtvaartuigen; - *instrumentweersomstandigheden:* weersomstandigheden, die uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis, minder zijn dan de voorgeschreven minimumwaarden voor zichtweersomstandigheden; - *kunstvlucht:* een vlucht, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, welke een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen; - *platform:* een gedeelte van het luchtvaartterrein dat bestemd is voor het opstellen van luchtvaartuigen, met het doel passagiers te laten in- of uitstappen, post te laden of te lossen, brandstof in te nemen, te parkeren of eenvoudige onderhoudswerkzaamheden te verrichten; - *rijbaan:* een al dan niet verhard gedeelte van het landin"},{"b":"Besluit toezichthouders Subsidieregeling breedband Kenniswijk Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van [artikel 10 van de Subsidieregeling breedband Kenniswijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013686&artikel=10) zijn belast de medewerkers van het agentschap LASER van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor zover zij binnen LASER belast zijn met het toezicht op de uitvoering van die regeling. Artikel 2 De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezichthouders Subsidieregeling breedband Kenniswijk."},{"b":"Besluit Tolkenpenning Defensie Artikel 1. Instelling Tolkenpenning Ingesteld wordt een Tolkenpenning voor de militaire tolk werkzaam voor de Nederlandse Krijgsmacht. Artikel 2. Criteria Een militaire tolk komt in aanmerking voor toekenning van de Tolkenpenning, indien deze: - a. staat ingeschreven in het Tolkenregister Defensie; en - b. op enig moment vanaf 2001 als militaire tolk is ingezet; en - c. in dat kader heeft deelgenomen aan een door de Minister van Defensie aangewezen missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde; en - d. daarbij een goede plichtsbetrachting en goed gedrag heeft betoond; alsmede - e. ten minste 30 dagen aaneengesloten in het operatiegebied heeft verbleven. Artikel 3. Vormgeving 1. De Tolkenpenning is cirkelvormig, heeft een diameter van 60 millimeter, een randdikte van 3 mm en is vervaardigd van mat bronskleurig metaal. 2. Op de voorzijde zijn in reliëf gesprekslijnen aangebracht, met daar doorheen een rechthoek die de positie van de militaire tolk symboliseert. In cirkelvorm is Latijnse tekst opgenomen bestaande uit de woorden, Sine Translatio Nihil Intellecti, overeenkomstig de afbeelding op de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0040654), behorend bij dit artikel. Op de achterzijde bevindt zich het Koninklijk wapen (Rijkswapen). Artikel 4. Toekenning 1. De toekenning van de Tolkenpenning geschiedt namens de Minister van Defensie door de Commandant der Strijdkrachten. 2. De Tolkenpenning wordt per militaire tolk eenmalig toegekend. 3. De Tolkenpenning kan postuum worden toegekend. Artikel 5. Intrekking 1. De Minister van Defensie kan de toekenning van de Tolkenpenning intrekken op grond van feiten en omstandigheden die bij de toekenning redelijkerwijs niet bekend waren en op grond waarvan toekenning niet zou hebben plaatsgevonden. 2. Na de intrekking is de militaire tolk niet langer gerechtigd de Tolkenpenning te behouden en retourneert hij deze met de oorkonde onverwijld aan het Ministerie van Defensie. Art"},{"b":"Besluit tot aanwijzing RDW toezichthouders ITS Artikel 1 Als toezichthouders op de naleving van hetgeen is bepaald bij of krachtens [artikel 145g van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g) zijn belast de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer, Divisie Registratie & Informatie, afdeling Informatie en Rijbewijzen, unit Informatieverstrekking, die zijn belast met het toezicht gebruik gegevens kentekenregister, als bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a) en de [Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024777)1Stcrt. nr. 234 van 2 december 2008. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing RDW toezichthouders ITS"},{"b":"Besluit tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2.13 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Commissariaat voor de Media 2026) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *bericht:* een officieel bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. *kanaal:* een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzen kanalen 1. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) een specifiek webformulier beschikbaar is, wordt dit betreffende formulier als kanaal aangewezen. 2. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op de [website over De Vaste Boekenprijs](https://devasteboekenprijs.nl/) een specifiek webformulier beschikbaar is, wordt dit betreffende formulier als kanaal aangewezen. 3. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) een specifiek e-mailadres beschikbaar is, wordt dit betreffende e-mailadres als kanaal aangewezen. 4. Voor berichten waarvoor in dit besluit geen kanaal is aangewezen en voor zover de wet niet anders bepaalt, geldt het algemene contactformulier op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) als aangewezen kanaal. Artikel 4. Kanaal voor berichten op verzoek van het Commissariaat voor de Media Voor berichten die op verzoek van het Commissariaat voor de Media worden ingediend, wordt de in de uitnodiging aangewezen elektronische wijze van verzenden als kanaal gebruikt. Artikel 5. Inwerkingtred"},{"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Maastricht - Kerkrade | Maastricht-Randwijck – Maastricht – Meerssen – Houthem-St. Gerlach – Valkenburg – Schin op Geul – Klimmen-Ransdaal – Voerendaal – Heerlen – Landgraaf – Eygelshoven – Chèvremont – Kerkrade Centrum | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Maastricht-Randwijck – Maastricht. 3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 9 december 2006. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Zwolle-Gramsbergen, als onderdeel van de vervoersdienst Zwolle–Emmen | Zwolle, Dalfsen, Ommen, Mariënberg, Hardenberg, Gramsbergen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 8 december 2007. Artikel 2 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Gramsbergen–Emmen, als onderdeel van de vervoersdienst Zwolle–Emmen | Gramsbergen, Coevorden, Dalen, Nieuw-Amsterdam, Emmen Bargeres, Emmen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 8 december 2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Dordrecht – Geldermalsen | Dordrecht – Dordrecht Stadspolders – Sliedrecht – Hardinxveld-Giessendam – Gorinchem – Arkel – Leerdam – Beesd – Geldermalsen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 9 december 2006. Artikel 2 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Gouda – Alphen aan den Rijn – Leiden | Gouda – Waddinxveen – Waddinxveen Noord – Boskoop – Alphen aan den Rijn – Leiden Lammenschans – Leiden | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Alphen aan den Rijn en Leiden. 3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 9 december 2006. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein Artikel 1 1. Het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Rotterdam CS - Hoek van Holland Strand | Rotterdam CS - Schiedam Centrum - Schiedam Nieuwland - Vlaardingen Oost - Vlaardingen Centrum - Vlaardingen West - Maassluis - Maassluis West - Hoek van Holland Haven – Hoek van Holland Strand | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Rotterdam CS en Schiedam Centrum. 3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein met ingang van 9 december 2007. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot digitale vervanging van papieren archiefbescheiden van het Rijksvastgoedbedrijf, onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Vervangingsbesluit archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017) Artikel 1 De originele papieren archiefbescheiden die volgens de, bij Koninklijk Besluit vastgestelde Selectielijsten ‘045 Rijkshuisvesting (Stcrt. 24-09-01/184), [046 Voorlichting van de Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022040) (Stcrt. 14-06-2007/112) en [143 Organisatie van de Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018549) (Stcrt. 16-12-05/245)’ voor vernietiging of voor bewaring in aanmerking komen én na routinematige scanning digitaal zijn opgenomen in het documentmanagementsysteem ‘DigiJust’ (FileNet) van het Rijksvastgoedbedrijf, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041000&artikel=2&z=2018-06-12&g=2018-06-12) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041000&artikel=3&z=2018-06-12&g=2018-06-12) van dit besluit digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het ‘Handboek Digitale Vervanging: archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017’. Het Handboek ligt ter inzage bij het Rijksvastgoedbedrijf. Artikel 3 De digitale vervanging betreft enkel die papieren archiefbescheiden die sinds 1 juli 2017 zijn ontvangen of opgemaakt, dan wel die zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en na het scannen zijn of worden opgenomen in de DigiJust-applicatie van het Rijksvastgoedbedrijf. De papieren exemplaren worden hiermee vervangen door de digitale exemplaren en worden na 4 weken daadwerkelijk vernietigd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017. Dit besluit vervangt de eerdere besluiten voor digitale vervanging van het Rijksvastgoedbedrijf (en voorgangers). Dit besluit tr"},{"b":"Besluit tot het alsnog stellen van beperkingen aan de openbaarheid aan archiefbescheiden van het ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989) Artikel 1 Aan inventarisnummers 7240 en 7244 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) van 25 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017. Artikel 2 Aan inventarisnummer 12544 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) van 12 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017. Artikel 3 Aan de inventarisnummers 7241, 7242, 7243, 7245, 7246 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) van 25 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017."},{"b":"Besluit tot het opheffen en verlengen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Centraal Medisch Tuchtcollege, 1931–1975 (2.09.21) Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers worden opgeheven: 612-613, 615-618, 620, 622-625, 627-629, 631-635, 637, 639-647, 649-652, 654, 656-657, 660-666, 696-670, 672-677, 679-680, 683, 685, 688, 691-692, 694-699, 701-703, 705, 708, 710-712, 715-719, 721-723, 725, 728-730, 732, 734-736, 738-741, 743-744. Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers worden verlengd. | Inventarisnummer | Oorspronkelijk beperkt tot: | Beperkt openbaar tot: | | --- | --- | --- | | 614 | 1-1-2024 | 1-1-2040 | | 619 | 1-1-2024 | 1-1-2059 | | 621 | 1-1-2024 | 1-1-2029 | | 626 | 1-1-2024 | 1-1-2033 | | 630 | 1-1-2024 | 1-1-2036 | | 636 | 1-1-2024 | 1-1-2038 | | 638 | 1-1-2024 | 1-1-2028 | | 648 | 1-1-2024 | 1-1-2071 | | 653 | 1-1-2024 | 1-1-2047 | | 655 | 1-1-2024 | 1-1-2039 | | 658 | 1-1-2024 | 1-1-2025 | | 661 | 1-1-2024 | 1-1-2031 | | 667 | 1-1-2024 | 1-1-2062 | | 668 | 1-1-2024 | 1-1-2036 | | 671 | 1-1-2024 | 1-1-2029 | | 681 | 1-1-2025 | 1-1-2026 | | 682 | 1-1-2025 | 1-1-2043 | | 684 | 1-1-2025 | 1-1-2027 | | 686 | 1-1-2025 | 1-1-2069 | | 687 en 687A | 1-1-2025 | 1-1-2032 | | 690 | 1-1-2025 | 1-1-2042 | | 693 | 1-1-2026 | 1-1-2045 | | 700 | 1-1-2026 | 1-1-2034 | | 704 | 1-1-2026 | 1-1-2034 | | 706 | 1-1-2026 | 1-1-2055 | | 707 | 1-1-2026 | 1-1-2028 | | 709 | 1-1-2026 | 1-1-2026 | | 713 | 1-1-2026 | 1-1-2038 | | 714 | 1-1-2026 | 1-1-2027 | | 720 | 1-1-2026 | 1-1-2040 | | 724 | 1-1-2026 | 1-1-2036 | | 726 | 1-1-2026 | 1-1-2027 | | 727 | 1-1-2026 | 1-1-2032 | | 731 | 1-1-2026 | 1-1-2028 | | 733 | 1-1-2026 | 1-1-2047 | | 737 | 1-1-2026 | 1-1-2044 | | 742 | 1-1-2026 | 1-1-2027 | Artikel 3 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00486"},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid archief Directie van het Openbaar Lichaam De Wieringermeer 1928–1963 Artikel 1 De inventarisnummers 1663, 1666, 1667, 1669, 1671, 1672, 1674, 1675-1677, 1684, 1687, 1693 en 1815 van het archief Directie van het Openbaar Lichaam De Wieringermeer 1928–1963, welke berusten in het RHC Erfgoedcentrum Nieuw Land zijn met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot 75 jaar na einddatum van het dossier. Artikel 2 De rijksarchivaris in de provincie Flevoland kan toestemming verlenen tot raadpleging van de archiefbescheiden geborgen in de bovengenoemde inventarisnummers, onder toepassing van [artikel 24 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=24). Artikel 3 Indien raadpleging conform [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035564&artikel=2&z=2018-06-21&g=2018-06-21) van dit besluit is toegestaan, is het maken van reproducties van de geraadpleegde archiefbescheiden niet toegestaan."},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven Bureau Invordering (2.04.77), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2.19.221), Netherlands Forces Intelligence Service (2.10.37.02), regeringscommissaris voor Repatriëring (2.15.43), Commissie tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers (2.09.61), Commissariaat van Ambonezenzorg (2.27.148) en Kabinet van de Minister-President (2.03.01) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van Binnenlandse Zaken: Bureau Invordering (1942) 1945-1960 (1976), nummer archiefinventaris 2.04.77, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051783) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, nummer archiefinventaris 2.19.221, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051783) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2046. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS), nummer archiefinventaris 2.10.37.02, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051783) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer van het archief regeringscommissaris voor Repatriëring; Afdeling Repatriëring en Opsporing; Missie tot Opsporing van Vermiste Personen uit de Bezettingstijd, nummer archiefinventaris 2.15.43, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051783) in de eerste kolom worden genoemd, wordt"},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven DGBR (2.09.08), COOM (2.09.61), STPD (2.09.42.01), CABR (2.09.09), Bureau Bijzondere Jeugdzorg (2.09.42.02) en de Provinciale Inspecties en Tehuizen voor de Bijzondere Jeugdzorg in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Directoraat Generaal Bijzondere Rechtspleging (nummer archiefinventaris 2.09.08) die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042624) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Commissies Opsporing Oorlogsmisdadigers (nummer archiefinventaris 2.09.61), die in [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042624) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (nummer archiefinventaris 2.09.42.01) die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042624) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, voormalig bekend als de archieven van de NSB, Kring Utrecht (nummer archiefinventaris 2.09.09) die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042624) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 5 De openbaarheid van de archiefbesch"},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (2.09.42.01), Hoge Commissariaat van Nederland in Indonesië (2.05.189), Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht (2.09.159), Zuivering Ambtenaren (2.04.67) en M.H. Gelinck (2.21.281.40) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD) 1945-1951 (1953), nummer archiefinventaris 2.09.42.01, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050443) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2029. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Hoge Commissariaat van Nederland in Indonesië (Jakarta), nummer archiefinventaris 2.05.189, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050443) worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het correspondentiearchief van de onderafdeling Documentatie van de Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht en taakopvolgers van het Ministerie van Justitie, nummer archiefinventaris 2.09.159, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050443) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Zuivering Ambtenaren en Nederlandse Orden (1940) 1945-1959 (1984), nummer archiefinventaris 2.04.67, die in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0050443) in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiedigin"},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van mr. M.H. Gelinck 1946–1974, nummer archiefinventaris 2.21.281.40 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 1 t/m 9, 9A, 11 en 17 van het archief van mr. G.H. Gelinck, nummer archiefinventaris 2.21.281.40. De archiefbescheiden geborgen onder deze inventarisnummers worden openbaar op 1 januari 2025. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042094&artikel=1&z=2019-04-05&g=2019-04-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042094&artikel=1&z=2019-04-05&g=2019-04-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, C-dossiers (1856) 1953–2005 (2012), (1856) 1953–2005 (2012), toegangsnummer 2.09.92. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari: | | --- | --- | | 55 | 2102 | | 56 | 2103 | | 57 | 2102 | | 58 | 2103 | | 59 | 2104 | | 60 | 2104 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052587&artikel=1&z=2026-05-01&g=2026-05-01) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, Gratiebeleid en uitvoering, (1827) 1947–1988 (1998), toegangsnummer 2.09.116 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari: | | --- | --- | | 3059 | 2068 | | 3063 | 2072 | | 3065 | 2053 | | 2844 | 2063 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de [bijlagen bij artikel 1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0051722) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot het stellen van een beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Ministerie van Justitie: Beleidsarchief Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 1945-1955 (2.09.5026) Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 1998 van het archief van het Ministerie van Justitie: Beleidsarchief Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 1945-1955, nummer archiefinventaris 2.09.5026, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2038. Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt dit inventarisnummer beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen die geen afbreuk doet aan de persoonlijke sfeer van mogelijk nog levende derden in het dossier. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot het stellen van een beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de Eerste Kamer over het tijdvak 1986–2002 Artikel 1 Met het oog op de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van de archiefstukken met de griffienummers 115682 en 123311.1. De beperking vervalt op 1 januari van het jaar in de laatste kolom. | Griffienummer | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | | 115682 | 2707A | 2036 | | 123311.1 | 3099A | 2025 | Artikel 2 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van het archiefstuk met het griffienummer 118646.1. De beperking vervalt op 1 januari van het jaar in de laatste kolom. | Griffienummer | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | | 118646.1 | 2835A | 2021 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037178&artikel=2&z=2015-11-14&g=2015-11-14) is, tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging of gebruik kunnen alleen schriftelijk worden ingediend en dienen met redenen omkleed te zijn. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat en volmacht aan APG Service Partners B.V. ter zake van de uitvoering van Regeling voor substantieel bezwarende functies Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *Minister:* Minister voor Wonen en Rijksdienst; - *Opdrachtnemer:* APG Service Partners B.V.; - *Opdrachtgever:* De Staat der Nederlanden, in casu, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk, Directie Organisatie- en Personeelsbeleid; - *Regeling:* [Regeling substantieel bezwarende functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442). Artikel 2 1. Opdrachtnemer is bevoegd om namens de Minister al die besluiten te nemen die Opdrachtgever bij of krachtens de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) bevoegd is te nemen. 2. Opdrachtnemer is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. 3. Opdrachtnemer is bevoegd om inzake de uitvoering van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) namens de Minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent Opdrachtnemer deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister en in voorkomend geval de ex-werkgever van de wederpartij in de desbetreffende zaak. Opdrachtnemer is in dat geval wel bevoegd om vooruitlopend hierop zo nodig voorlopig hoger beroep of cassatie in te stellen. Artikel 3 Opdrachtnemer is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/j"},{"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat en volmacht aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen om namens de minister stukken over overzeese pensioen- en uitkeringsregelingen af te doen en te ondertekenen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. regelingen: regelingen genoemd in de bijlage bij dit besluit; - c. SAIP: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. Artikel 2 De minister verleent aan de SAIP het volgende mandaat en volmacht. - 1. De SAIP is bevoegd om in naam van de minister op basis van de regelingen besluiten te nemen en op die regelingen betrekking hebbende stukken af te doen en te ondertekenen. - 2. De SAIP is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen namens de minister te beslissen op bezwaarschriften, met uitzondering van bezwaarschriften naar aanleiding van een besluit dat door de Raad van Beheer van de SAIP is genomen. - 3. De SAIP is bevoegd om inzake de uitvoering van de regelingen namens de minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. De SAIP stelt de minister tijdig in kennis van een voornemen om hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel daarvan af te zien. Artikel 3 De SAIP is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), de [Wet nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), dan wel verzoeken van gelijksoortig karakter, voor zover die verband houden met de uitvoering van de regelingen, namens de minister af te handelen. Dergelijke zaken worden door de SAIP inhoudelijk voorbereid en formeel door de minister afgehandeld. Artikel 4 De SAIP is bevoegd tot het opvragen en inzien van bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanwezige archieven over regelingen. Artikel 5 1. De"},{"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat ter zake van de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie Artikel 1. Mandaatverlening Aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit tot het verlenen van mandaat ter zake van de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie."},{"b":"Besluit tot het verlenen van ondermandaat aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen van de Dienst Wegverkeer Artikel 1 Aan de Divisiemanager Registratie & Informatie wordt ondermandaat verleend ten aanzien van het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 169 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169), in geval van herhaaldelijke of voortdurende overtreding van de voorschriften van gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 of gedelegeerde verordening (EU) 886/2013 als bedoeld in [artikel 1.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=1.1). Artikel 2 Aan het Hoofd van de Afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken wordt ondermandaat verleend ten aanzien van het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036742&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) van dit besluit. Artikel 3. Beleid volgen De in dit besluit vermelde functionarissen dienen bij de uitoefening van de bevoegdheden het gestelde in het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Wegverkeer inzake handhaving van de gedelegeerde ITS-verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036484), de [ITS-regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478) en het ter zake vastgestelde beleid in acht te nemen. Artikel 4. Ondertekening besluiten De ondertekening van de krachtens het ondermandaat genomen besluiten komt te luiden: De Minister van Infrastructuur en Milieu, namens deze: de Algemeen directeur van de RDW, namens deze (gevolgd door de functieaanduiding, handtekening en de naam van de ondergemandateerde, gevolmachtigde of gemachtigde functionaris) Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat RDW inzake handhaving van de gedelegeerde ITS-verordeningen"},{"b":"Besluit tot het verlenen van ondermandaat inzake de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022 (RINFIN 2022) Artikel 1 Aan de Chief Information Officer Douane (CIO Douane) wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6). Artikel 2 Aan de CIO Douane wordt ondermandaat verleend voor het beheer van overheidsinformatie als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&hoofdstuk=3): - – vervanging, conform [RINFIN2022 artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=11) - – vernietiging, conform [RINFIN2022 artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=12) - – overbrenging naar Nationaal Archief, conform [RINFIN2022 artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=13) - – conversie, migratie en emulatie, conform [RINFIN2022 artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=14) - – vervreemding, conform [RINFIN2022 artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=15) - – overdracht bij organisatieveranderingen conform [RINFIN2022 artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=16) Artikel 3 De CIO is bevoegd de in dit besluit opgenomen bevoegdheden te ondermandateren. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022."},{"b":"Besluit tot instelling Adviescommissie bezwaarschriften bouwfraude V&W Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder - a. de Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. het ministerie: het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de daaronder ressorterende diensten; - c. Commissie: de commissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017655&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01); - d. voorzitter: de voorzitter van de commissie bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017655&artikel=3&z=2005-02-01&g=2005-02-01); - e. besluit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - f. medewerker: personeelslid van het ministerie, aangesteld krachtens het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950); - g. bezwaarde: medewerker die een bezwaarschrift heeft ingediend; - h. bezwaarschrift: een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5). Artikel 2. De Commissie voor de bezwaarschriften 1. Er is een commissie voor de advisering bezwaarschriften bouwfraude. 2. De Commissie heeft tot taak het horen van belanghebbenden en het adviseren van de minister over de te nemen beslissingen op aan haar door de minister voorgelegde bezwaren van medewerkers tegen besluiten en handelingen die jegens hen als zodanig zijn genomen door, namens of op voordracht van de minister, waarbij hun rechtspositioneel belang rechtstreeks is betrokken en die verband houdende met de zogenoemde bouwfraude. Artikel 3. Samenstelling 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. 2. De minister benoemt de voorzitter en de leden van de Commissie voor een door de minister te bepalen termijn. De voorzitter en de leden maken geen deel uit van het ministerie en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister. 3. Een lid va"},{"b":"Besluit tot instelling commissie van deskundigen Kosten Baten Analyse Ruimte voor de Rivier Artikel 1 Er is een commissie van deskundigen Kosten Baten Analyse Ruimte voor de Rivier. Artikel 2 1. De commissie van deskundigen heeft tot taak het toetsen van de in het tweede lid genoemde documenten van het Centraal Planbureau (CPB) in het kader van de uitvoering van de Kosten Baten Analyse (KBA) Ruimte voor de Rivier. 2. De commissie van deskundigen toetst: - a. het werkplan voor de KBA; - b. het veiligheidsonderzoek; - c. eventuele tussenrapporten; - d. het eindrapport. Artikel 3 Tot lid van de commissie worden benoemd: - prof. dr. H. Verbruggen, voorzitter; - prof. dr. J.C.J.M. van den Bergh; - prof. dr. M.A. Hajer; - prof. dr. P. Rietveld; - dr. E.C.M. Ruijgrok, secretaris. Artikel 4 1. De commissie van deskundigen bepaalt de wijze waarop zij haar taak zal uitvoeren. 2. De commissie van deskundigen rapporteert haar bevindingen aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 5 1. De kosten voor het functioneren van de commissie van deskundigen komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 2. De vergoeding voor de leden van de commissie van deskundigen bedraagt per vergadering € 550,- per lid, tot een totaal maximum van € 22.000,- voor de commissie. Per vergadering wordt een vergoeding voor reis- en verblijfskosten van € 25,- per lid van de commissie verstrekt. Meerdere vergaderingen op één dag worden aangemerkt als één vergadering. 3. Voor de extra werkzaamheden van de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding verstrekt van € 4500,-. De vergoeding wordt ver-strekt in drie gelijke delen, te weten na oplevering van het schriftelijk advies van de commissie over de in [artikel 2, tweede lid, onder (a), (b) en (d)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014727&artikel=2&z=2004-10-27&g=2004-1"},{"b":"Besluit tot instelling van een adviescommissie inzake subsidieverlening en een onafhankelijke bezwarenadviescommissie op de voet van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitvoering van Subsidiebeleidsregeling Kleinschalige Voorzieningen voor de regio’s Rotterdam-Rijnmond en Den Haag Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - – *de Adviescommissie:* de Adviescommissie bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043980&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2020-08-05&g=2020-08-05); - – *de Bezwarenadviescommissie:* de Bezwarenadviescommissie bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043980&paragraaf=3&artikel=3:1&z=2020-08-05&g=2020-08-05); - – *de DJI:* de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - – *de plaatsvervangend Hoofddirecteur:* de plaatsvervangend Hoofddirecteur DJI; - – *de plaatsvervangend directeur:* de plaatsvervangend directeur Divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van DJI; - – *de Subsidiebeleidsregeling:* de Subsidiebeleidsregeling Kleinschalige Voorzieningen regio Rotterdam-Rijnmond en Den Haag, zoals gepubliceerd in de Staatscourant, 2020, nr. 31865. Artikel 1:2. Toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht [Artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:5) als ook [afdeling 3.3. Advisering van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3) is van toepassing. Artikel 1:3. Informatie De plaatsvervangend directeur draagt er zorg voor dat de Adviescommissie en de Bezwarenadviescommissie de beschikking heeft over alle informatie die voor de advisering noodzakelijk is. Artikel 1.5. Vergoeding De voorzitter van de Adviescommissie en van de Bezwarenadviescommissie alsmede het onafhankelijke lid van de laatste commissie worden bezoldigd op de voet van het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.ove"},{"b":"Besluit tot instelling van een bemiddelaar in geschillen over toepassing van het vrijstellingsbesluit in het kader van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, 15 februari 2019 (Besluit Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019) Artikel 1. Definities 1. In dit besluit worden overgenomen de begripsbepalingen van het vrijstellingsbesluit als bedoeld in [artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13) (Wet Bpf 2000). 2. In dit besluit wordt voorts verstaan onder: - a. *wet:* [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); - b. *Vrijstellingsbesluit:* vrijstellingsbesluit als bedoeld In [artikel 13, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13); - c. *Vereniging:* Pensioenfederatie; - d. *Verbond:* Verbond van Verzekeraars - e. *raad:* Sociaal-Economische Raad. Artikel 2. Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 1. Er is een bemiddelingsinstantie inzake het vrijstellingsbesluit van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092). 2. De bemiddelingsinstantie is genaamd bemiddelaar [Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094). 3. De bemiddelingsinstantie wordt hierna aangeduid als bemiddelaar. Artikel 3. Taak 1. De bemiddelaar heeft tot taak te bemiddelen in geschillen in het kader van verzoeken van ondernemingen aan bedrijfstakpensioenfondsen om toepassing van het vrijstellingsbesluit, welke geschillen betrekking kunnen hebben op: - a. toepassing van regels voor de meting van de beleggingsperformance; - b. toepassing van de rekenregels inzake verzekeringstechnische aangelegenheden. 2. Bij de uitvoering van deze taak kan de bemiddelaar voor elk van de in het eerste lid genoemde beleidsgebieden worden bijgestaan door twee adviseurs. Voor elk beleidsgebied wordt in d"},{"b":"Besluit tot instelling van een Commissie van onderzoek naar advies over de financiële relaties tussen Aruba en Nederland Artikel 1 Er is een Adviescommissie Samenwerking Aruba ‐ Nederland, hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak: - a. de voorwaarden te formuleren voor vergroting van financiële zelfstandigheid van Aruba binnen de kaders van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en met als uitgangspunt dat Aruba vooralsnog ondersteuning voor overheidsinvesteringen en van Nederlandse deskundigen op tijdelijke basis nodig zal hebben; - b. de huidige relaties tussen Aruba en Nederland met betrekking tot financiële samenwerking te analyseren en te evalueren aan de hand van de onder a genoemde voorwaarden; - c. modaliteiten te beschrijven voor inrichting van de samenwerkingsrelatie tussen Aruba en Nederland op middellange en lange termijn, die voldoet aan de onder a bedoelde voorwaarden; - d. advies uit te brengen aan de minister-president van Aruba en de minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van Nederland over het te voeren beleid ten aanzien van de samenwerkingsrelatie tussen Aruba en Nederland, in het bijzonder de financiële. Artikel 3 1. Voorzitter van de Commissie is de heer mr. B. W. Biesheuvel. Hij is benoemd op persoonlijke titel. 2. De minister-president van Aruba benoemt twee leden van de Commissie en brengt deze benoemingen binnen twee weken na inwerkingtreding van dit besluit ter kennis van de minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van Nederland. 3. De minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van Nederland benoemt twee leden van de Commissie. Hij brengt de benoeming van deze leden binnen twee weken ter kennis van de regering van Aruba. Artikel 4 1. De Commissie bepaalt zelf haar werkwijze. 2. De Commissie is bevoegd de informatie in te winnen, die zij naar eigen oordeel voor een goede vervulling van haar taak nodig acht"},{"b":"Besluit tot instelling van een Werkgroep van advies aan Aruba en Nederland over de inwerkingtreding van een fonds voor de uitvoering van overheidsproject en en de sanering van de Arubaanse overheidsschulden bij Nederland Artikel 1 Er is een Werkgroep Uitvoering samenwerking Aruba - Nederland, die tot taak heeft de inwerkingtreding van een fonds voor overheidsprojecten en de sanering van de Arubaanse overheidsschulden bij Nederland voor te bereiden, hierna te noemen de Werkgroep. Artikel 2 De Werkgroep heeft tot taak om vóór 1 oktober 1999 de invoering van de nieuwe systematiek van steunverlening zover te hebben voorbereid dat daarover politieke besluitvorming kan plaatsvinden. Deze voorbereiding heeft onder meer betrekking op: - a) De noodzakelijke formele regelingen voor de inrichting van het fonds en van het beheer daarvan door de Aruban Investment Bank N.V. (AIB); - b) De richtlijnen, criteria en procedures voor het projectenbeheer van het fonds door de AIB; - c) Een sluitende regeling voor controle en toezicht op, verantwoording over en monitoring en evaluatie van samenwerkingsprojecten die worden bekostigd met middelen uit het fonds; - d) De organisatorische en personele vereisten voor het beheer van het fonds door de AIB, en de wijze waarop de AIB bij dat beheer gebruik kan maken van bestaande kennis en ervaring aan Arubaanse en Nederlandse zijde; - e) De besluiten inzake de benoemingen in de functies, die in het kader van de nieuwe systematiek van steunverlening moeten worden vervuld; - f) Het aanleveren van bouwstenen voor het investeringsprogramma 2000 tot en met 2003, inclusief de voor die jaren door Aruba en Nederland – binnen de afspraken van de politieke beleidsdialoog van 11 maart 1999 – te storten bedragen; - g) Het voorstellen van criteria op basis waarvan jaarlijks ex post het evenwicht kan worden vastgesteld van de begroting van het Land Aruba en van een plan van aanpak, met inachtneming van de afspraken in de Slotverklaring, voor de sanering van d"},{"b":"Besluit tot intrekking aanwijzing B3 status van inactieve B3-lichamen Artikel 1 De aanwijzing van de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0042892) genoemde inactieve lichamen in te trekken als aangewezen lichamen in de zin van [art. 2, derde lid, sub b of c van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=2). Waarbij onder [art. 2, derde lid, sub b van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=2) tevens bedoeld wordt de aanwijzingen van [artikel 3, eerste lid, van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020."},{"b":"Besluit tot intrekking van de Beleidsregels aangaande marktmisbruik Artikel 1 De navolgende beleidsregels worden ingetrokken: - – [Beleidsregel Meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021627); - – [Beleidsregel Positie van onderzoek, onderzoeksrapporten, publicaties en adviezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020749); - – [Beleidsregel Model verplichte reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020756). Artikel 2 Dit is een besluit in de zin van [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 juli 2016. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als *Besluit intrekking Beleidsregels aangaande marktmisbruik.*"},{"b":"Besluit tot intrekking van de Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen en Beleidsregel Derde landenbeleid Artikel 1 De navolgende regeling en beleidsregel worden ingetrokken: - • [Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037744) - • [Beleidsregel Derde landen beleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020811) Artikel 2 Dit is een besluit in de zin van [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking per 3 januari 2018. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als *Besluit tot intrekking van de Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen en Beleidsregel Derde landenbeleid.*"},{"b":"Besluit tot intrekking van diverse besluiten op het terrein van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in verband met het feit dat zij hun betekenis hebben verloren Artikel I. Intrekking besluiten Ingetrokken worden de volgende besluiten: - a. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juni 1993, nr. RJW151858](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006021), tot aanwijzing positie, taak en bevoegdheid Deskundige beroepen Water (Stcrt. 127); - b. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.808/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006679), tot benoeming van de landelijke examencommissie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen Stb. 234) (Stcrt. 103); - c. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.809/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006678), houdende benoeming van de regionale examencommissie voor de Gemeentelijke Dienst Stadsbeheer Gemeente ’s-Gravenhage, belast met het afnemen van de examens voor de regionale kwalificatie Scheveningen, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234) (Stcrt. 103); - d. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.810/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006680), houdende benoeming van de regionale examencommissie voor de Nautische Sector van het Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam, belast met het afnemen van de examens voor de regionale kwalificatie: regio Amsterdam/Noordzeekanaalgebied, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende re"},{"b":"Besluit tot intrekking van nadere regels en beleidsregel 1. Doel van dit besluit Dit besluit beoogt enkele verouderde, onnodige of in onbruik geraakte nadere regels en beleidsregel in te trekken. 2. Intrekking 2.1. Intrekking nadere regels De Nederlandse Zorgautoriteit besluit de volgende nadere regels in te trekken: - – CA/NR 100.045 [Aanlevering en verspreiding scoregegevens ZZP’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021772); - – CA/NR 100.093 [Gezamenlijke aanlevering harmonisatie-opgave dagbesteding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024821); - – CA/NR 100.082 [Gezamenlijke aanlevering ZZP-opgave](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024104); - – NR/CA-300-003 [Regeling capaciteitsmutaties AWBZ 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028025); - – CA/NR 100.100 [Regeling gezamenlijke aanlevering bovenregionale opgave 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026133). 2.2. Intrekking beleidsregel De Nederlandse Zorgautoriteit besluit de volgende beleidsregel in te trekken: - – AL/BR-100.025 Rechtstreeks beroep 3. Overgangsbepaling 3.1. Nadere regels De in [art. 2.1](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034457) genoemde nadere regels blijven van toepassing op gedragingen (handelen en nalaten) van zorgaanbieders die onder de werkingssfeer van die regeling vielen en die zijn aangevangen – en al dan niet beëindigd – in de periode dat die regeling gold. 3.2. Beleidsregel De in [art. 2.2](https://wetten.overheid.nl/BWBR0034457) genoemde beleidsregel blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold. 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge [artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=20) wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot mandatering aan de directeur van het GVB/A van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 15 van het Metroreglement en artikel 39 jo 36, 37 en 38 van de Spoorwegwet Artikel 1 De directeur van GVB, hierna te noemen de directeur van GVB, kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag voor een vergunning voor het op, in, boven of onder een spoorweg aanbrengen, te doen aanbrengen of te hebben van leidingen, werken en andere inrichtingen of beplantingen, dan wel het daarmee verband houdende uitvoeren of te doen uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in [artikel 15 Metroreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003454&artikel=15), voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB. Artikel 1a De directeur van GVB kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in [artikel 14, derde lid, van het Tramwegreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001898&artikel=14). Artikel 2 De directeur van GVB kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=39) j( [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=37) en [38 van de Spoorwegwet 1875](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=38) voor een uitgraving binnen de afstand van zes meter van een spoorweg waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor die spoorweg kan geschieden, voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB. Artikel 3 1. De directeur van GVB oefent het mandaat uit met inachtneming van de algemene instructies, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage. 2. De directeur van GVB oefent het mandaat uit met inachtneming van"},{"b":"Besluit tot opheffing Commissie Watersnood Maas Artikel 1 De Commissie Watersnood Maas wordt opgeheven. Artikel 2 Het archief van de commissie is overeenkomstig [artikel 1 sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007203&artikel=1&z=1995-01-23&g=1995-01-23). van het besluit van 13 mei 1983, nr. A 23146, aanwezig bij de Onderafdeling Algemene Secretarie van de Hoofddirectie van de Waterstaat. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden."},{"b":"Besluit tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995 Artikel 1 De overdracht van de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947–2009) wordt voor een periode van 10 jaar opgeschort. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Besluit tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995’."},{"b":"Besluit tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES § 1. Definities Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet toezicht op krankzinnigen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223); - – *inrichting:* op grond van [artikel 1a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223&artikel=1a) aangewezen instelling. § 2. Het toezicht Artikel 2 1. De procureur-generaal stelt, telkens wanneer de Minister van Justitie zulks nodig oordeelt, in de inrichting een plaatselijk onderzoek in. 2. Dit plaatselijk onderzoek omvat een controle van de bescheiden, welke de wettigheid van de opneming van de verpleegden in de inrichting bepalen. 3. De procureur-generaal doet verslag van zijn bevindingen aan de Minister van Justitie. § 3. Het bestuur Artikel 3 Het bestuur van de inrichting wordt gevoerd door de directeur van de inrichting. § 4. De voorwaarden voor opneming en verpleging Artikel 4 Bij aanvraag tot opneming van een patiënt in de inrichting moet worden overgelegd: - 1. voor alle patiënten: de in de wet gevorderde stukken; - 2. voor personen die voor rekening van derden worden opgenomen: een verklaring waaruit blijkt, wie voor de betaling der verpleeggelden aansprakelijk is; - 3. voor de in [artikel 37A van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223&artikel=37A) bedoelde onvermogenden: een bewijs van onvermogen, afgegeven door of vanwege de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de betrokkene woonplaats heeft. Artikel 5 Met uitsluiting van alle andere kosten zijn in de verpleeggelden begrepen: - a. verpleging en verzorging in de inrichting, alsmede de voeding der patiënten; - b. geneeskundige behandeling, voor zover deze wordt verstrekt door geneeskundigen, verbonden aan de inrichting of door hun vervangers; - c. genees- en verbandmiddelen, voorgeschreven door geneeskundigen verbonden aan de inrichting of door hun vervangers. Artikel 6 [vervallen] Artikel 7 1. De verpleeggelden voor de"},{"b":"Besluit tot uitgifte frequenties voor gebruik niet-landelijke commerciële radio-omroep en middengolf § 1. Inleiding In 2003 zijn op basis van de procedure van vergelijkende toets met een financieel bod door de Minister van Economische Zaken, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vergunningen voor het gebruik van FM-frequentieruimte voor landelijke en niet-landelijke commerciële radio-omroep en voor het gebruik van AM-frequentieruimte verleend. Daarbij is aangekondigd dat voor niet-landelijke commerciële radio-omroep op termijn extra FM-frequentieruimte beschikbaar zou kunnen komen Nadat eerst verzorgingsproblemen van bestaande vergunninghouders zoveel als mogelijk zijn opgelost resteerde een lijst van 12 FM-frequenties die voor uitgifte voor niet- landelijke commerciële radio omroep beschikbaar is. Daarnaast is een vijftal AM-kavels vrijgevallen, wegens niet naleving van de vergunningvoorschriften door de vergunninghouder. Deze vergunningen zijn door de Minister van Economische Zaken ingetrokken. In [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022792) is aangegeven welke kavels beschikbaar zijn gesteld. § 2. Uitgangspunten verdeling radiofrequenties De verdeling van de radiofrequenties voor de niet-landelijke commerciële omroep en de middengolf zal geschieden door middel van een vergelijkende toets met een financieel bod. Bij de eerdere verdeling in 2003 is ook voor een vergelijkende toets met een financieel bod gekozen. De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) schrijft voor dat zolang er in die bestemming nog houders van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte zijn, er bij elke volgende uitgifte van frequentieruimte voor die bestemming een vergelijkbare procedure moet worden toegepast. Wel is besloten de procedure van de vergelijkende toets met financieel bod, vanwege de kortere vergunningperiode en het beperkte aantal frequenties, te vereenvoudigen. Zo wordt van aanvragers geen bedr"},{"b":"Besluit tot vaststelling bedragen per eenheid provinciefonds 2003 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2003 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019578&bijlage=1&z=2006-03-01&g=2006-03-01) bij deze regeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling tijdstip uiterste aanvraagdatum aanvullende compensatie of tegemoetkoming voor werkelijke schade Wet hersteloperatie toeslagen artikel Enig 1. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=6.1), wordt bepaald op 1 april 2026. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 6.1, lid 3a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=6.1), wordt bepaald op 1 oktober 2025."},{"b":"Besluit tot vaststelling van beleidsregels ten aanzien van trillinghinder ten behoeve van de vaststelling van tracébesluiten voor de aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg (Beleidsregel trillinghinder spoor) Artikel 1. definitiebepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - *A1:* streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; - *A2:* grenswaarde voor de trillingssterkte Vmax; - *A3:* grenswaarde voor de trillingssterkte Vper; - *bestaande situatie:* referentiesituatie waarin reeds sprake is van trillingen als gevolg van railverkeer; - *nieuwe situatie:* referentiesituatie waarin geen sprake is van trillingen als gevolg van railverkeer; - *plansituatie:* situatie als gevolg van de ingebruikneming van de infrastructuur die aangelegd of gewijzigd is of opnieuw in gebruik is genomen op basis van het tracébesluit; - *referentiesituatie:* situatie voor uitvoering van het tracébesluit; - *SBR-richtlijn B:* Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting Bouwresearch, deel B, Hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002; - *tracébesluit:* een besluit tot aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg als bedoeld in de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147); - *Vmax:* de maximale trillingssterkte zoals gedefinieerd in paragraaf 5.3 van de SBR-richtlijn B en nader omschreven in hoofdstuk 9 van die richtlijn, met dien verstande dat voor de meettechnische bepaling van de waarde van Vmax de procedure wordt gevolgd, die opgenomen is in de bijlage bij deze beleidsregel; - *Vper:* de gemiddelde trillingssterkte zoals gedefinieerd in de SBR-richtlijn B. Artikel 2. toepasselijkheid SBR-richtlijn B 1. Bij de vaststelling van een tracébesluit is de SBR-richtlijn B van toepassing met uitzondering van paragraaf 9.6, hoofdstuk 10 en bijlage V alsmede van de verwijzingen naar die paragraaf, dat hoofdstuk en die bijlage. 2. De omschrijving van de begrippen, bedoeld in [arti"},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2016 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2016 worden de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041032&bijlage=1&z=2018-06-20&g=2018-06-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2016 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2016 worden de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041033&bijlage=1&z=2018-06-20&g=2018-06-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2007 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2007 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026473&bijlage=1&z=2009-10-08&g=2009-10-08). Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2007 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026473&bijlage=2&z=2009-10-08&g=2009-10-08). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2011 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2011 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032099&bijlage=1&z=2012-10-20&g=2012-10-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2012 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2012 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034214&bijlage=1&z=2013-11-27&g=2013-11-27). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2013 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2013 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035844&bijlage=1&z=2014-12-05&g=2014-12-05). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2014 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2014 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037408&bijlage=1&z=2015-12-24&g=2015-12-24). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2015 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2015 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039226&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2005 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2005 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020305&bijlage=1&z=2006-09-22&g=2006-09-22) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2009 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2009 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027701&bijlage=1&z=2010-06-09&g=2010-06-09) bij dit besluit Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2010 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2010 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030177&bijlage=1&z=2011-07-02&g=2011-07-02) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2011 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2011 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032098&bijlage=1&z=2012-10-20&g=2012-10-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2012 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2012 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034215&bijlage=1&z=2013-11-27&g=2013-11-27). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2013 Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2013 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035846&bijlage=1&z=2014-12-05&g=2014-12-05). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2007 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2007 vastgesteld op 0,087570%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2007 vastgesteld op 0,313179%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2012 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2012 vastgesteld op 0,179398%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2012 vastgesteld op 0,223076%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2014 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2014 vastgesteld op 0,114785%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2014 vastgesteld op 0,208427%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2015 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2015 vastgesteld op 0,113412%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2015 vastgesteld op 0,127436%. Artikel 3 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 januari 2015."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2016 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2016 vastgesteld op 0,102616%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2016 vastgesteld op 0,092033%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2018 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2018 vastgesteld op 0,120123%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2018 vastgesteld op 0,075519%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2023 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2023 vastgesteld op 0,201606%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2023 vastgesteld op 0,192368%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2024 Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2024 vastgesteld op 0,414585%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2024 vastgesteld op 0,251411%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024."},{"b":"Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmtebedrijven 2027 1. Begrippen - 1. Deze RAR bevatten definities die zijn opgenomen in [artikel 1.1 van de Wcw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052212&artikel=1.1). - 2. In deze regulatorische accountingregels warmte (hierna: RAR) wordt verstaan onder: - – *Aansluitcapaciteit:* ook aansluitwaarde genoemd, het overeengekomen maximaal te leveren vermogen (in kilowatt); - – *Activa:* materiële vaste activa en immateriële vaste activa; - – *Activity based costing (ABC):* een kostentoerekening die is gebaseerd op het uitgangspunt dat niet producten, maar activiteiten kosten veroorzaken; - – *Afnemer:* een natuurlijk persoon of rechtspersoon die thermische energie afneemt; - – *Afnemersgroep:* indeling van afnemers in groepen; - – *Afschrijvingen:* waardeverminderingen van activa; - – *Afzet:* geleverde warmte, gemeten in gigajoule; - – *Basislast:* warmteproductie door installaties die primair bedoeld zijn voor continue of langdurige levering en die als eerste in de inzetvolgorde (merit order) worden ingezet; - – *Bijdrage aansluitkosten (BAK):* de bijdrage aansluitkosten is de som van de gereguleerde eenmalige aansluitbijdrage (EAB) en de ongereguleerde kostendekkingsbijdrage (KDB); - – *Bijdragen van derden:* BAK, subsidies en andere bijdragen van derden; - – *Boekjaar:* kalenderjaar waarover de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) informatie uitvraagt op basis van de RAR; - – *Cascadering:* kostentoerekening per netvlak, waarbij de kosten van een hoger netvlak worden toegerekend aan de kosten op een lager netvlak; - – *Collectieve warmtevoorziening:* collectief warmtesysteem of geheel van collectieve warmtesystemen, overeenkomstig [artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052212&artikel=1.1). Voor de toepassingen van deze RAR worden kleine collectieve warmtesystemen uitgezonderd, zoals omschreven onder [hoofdstuk 2](https://wetten.overhei"},{"b":"Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmteleveranciers 2024 1. Begrippen - 1. In deze regulatorische accountingregels warmteleveranciers 2024 (hierna: RAR) wordt verstaan onder: - – *Aansluitcapaciteit:* ook aansluitwaarde genoemd, het overeengekomen maximaal te leveren vermogen (in kilowatt);1Deze definitie is van toepassing voor grootverbruikers, om benodigde netcapaciteit te berekenen. - – *Aansluiting:* centrale aansluiting of individuele aansluiting, zoals gedefinieerd in [artikel 1 lid 1 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=1); - – *Activa:* materiële vaste activa en immateriële vaste activa; - – *Activity based costing (ABC):* een kostentoerekening die is gebaseerd op het uitgangspunt dat niet producten, maar activiteiten kosten veroorzaken. ABC combineert kosten in eerste plaats met de activiteiten die nodig zijn om producten te maken en te verkopen. Bij de meeste ondernemingen zijn de indirecte kosten immers hoger dan de directe productiekosten, dankzij steeds betere productietechnieken. ABC zoekt naar aspecten van activiteiten die kosten veroorzaken. Pas daarna worden kosten van activiteiten toegerekend aan producten. De grondgedachte is dat iedere productie een interne vraag naar activiteiten oplevert. Een kostprijscalculatie volgens de ABC-methode gaat voor elk product na hoeveel van iedere ‘activiteit’ nodig is voor de productie; - – *Afleverset:* installatie waarmee ten behoeve van levering van thermische energie aan een verbruiker energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een binneninstallatie of een inpandig leidingstelsel; - – *Afleverstation:* collectieve afleverset voor thermische energie waarmee ten behoeve van levering van thermische energie aan verbruikers energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een binneninstallatie of een inpandig leidingstelsel; - – *Afnemer:* een persoon die thermische energie afneemt; - – *Afschrijvingen:* waardeverminderingen"},{"b":"Besluit tot vaststelling van het tijdstip met ingang waarvan de strengere lozingsvoorschriften voor het gebied van de Middellandse Zee gaan gelden artikel Enig Voorschrift 5 van Bijlage V van het Verdrag met betrekking tot lozingen in bijzondere gebieden wordt met ingang van 1 mei 2009 van toepassing in het gebied van de Middellandse zee, zoals omschreven in dat voorschrift."},{"b":"Besluit tot verlenen van volmacht t.b.v. Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *PCDS:* Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - b. *volmacht:* bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Artikel 2 Aan de PCDS wordt volmacht verleend om een Protocol van Overdracht tussen Stichting Koninklijk MilitairHistorisch Museum *in liquidatie*, Koninklijke Stichting Defensiemusea en de Staat der Nederlanden, overeenkomstig het ontwerp van het Protocol, gedateerd 7 september 2015, en alle overige documenten, welke naar zijn mening benodigd of wenselijk zijn voor het functioneren van Koninklijke Stichting Defensiemusea (waaronder begrepen, maar niet beperkt tot: de verzelfstandigingsovereenkomst, de beheerovereenkomst en bijbehorende bruikleenovereenkomsten) te ondertekenen, en voorts alle andere rechtshandelingen te verrichten (daaronder begrepen het aanbrengen van tekstuele wijzigingen van ondergeschikte betekenis), die hij in verband met de hiervoor bedoelde rechtshandeling(en) nuttig en/of nodig acht. Artikel 3 De PCDS kan de aan hem verleende bevoegdheden niet doorverlenen aan een onder hem ressorterende functionaris. Artikel 4 Een document dat krachtens volmacht wordt ondertekend bevat aan het slot de volgende formule: DE MINISTER VAN DEFENSIE Voor deze, De Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten ... handtekening ... naam van de ondertekenaar Artikel 5 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit tot verlenging van de opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995 Artikel 1 Bij [besluit van de Raad van Bestuur van 11 januari 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031196) (Stcrt. 2012, 1684) is de overbrenging van de archiefbescheiden (1947–2009) van de Pensioen- en Uitkeringsraad naar het Nationaal Archief voor een periode van 10 jaar opgeschort. Artikel 2 De opschorting van de overdracht van de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor verzetsdeelnemers, oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947–2009) wordt voor een periode van 10 jaar verlengd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Besluit tot verlenging van de opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995’."},{"b":"Besluit tot verlening machtiging voor uitvoering Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen Artikel 1 Aan het hoofd projecten van Architectuur Lokaal wordt machtiging verleend tot het verrichten van handelingen ter uitvoering van de [Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018741). Deze machtiging omvat alleen het verrichten van handelingen tot en met het moment waarop de Adviescommissie subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen advies heeft gegeven aan de Minister van Economische Zaken omtrent aanvragen op grond van bovengenoemde subsidieregeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 september 2005."},{"b":"Besluit tot verlening mandaat, volmacht en machtiging in algemene juridische zaken Belastingdienst (Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemene juridische zaken Belastingdienst), d.d. 28 augustus 2025 Artikel 1. Mandaat Aan het (waarnemend) Afdelingshoofd van de afdeling Juridische zaken van de Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken van het Directoraat-Generaal Belastingdienst wordt ondermandaat verleend voor het namens de bewindspersoon van Financiën nemen van besluiten die verband houden met algemene juridische zaken. Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van (onder)mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a) (onder)volmacht: de bevoegdheid om namens de bewindspersoon, daaronder begrepen namens de bewindspersoon voor de Staat of de Staat der Nederlanden, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b) (onder)machtiging: de bevoegdheid om namens de bewindspersoon, daaronder begrepen namens de bewindspersoon voor de Staat of de Staat der Nederlanden, handelingen te verrichten die een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 3. Ondermandaat Het (waarnemend) Afdelingshoofd van de afdeling Juridische zaken van de Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken van het Directoraat-Generaal Belastingdienst kan het aan hem verleende ondermandaat doormandateren. Artikel 4. Ondertekening 1. De ondertekening in (onder)mandaat luidt: - • DE [MINISTER / STAATSSECRETARIS] VAN FINANCIËN, namens deze, [naam van de (onder)gemandateerde functionaris], 2. De ondertekening luidt indien namens de namens de bewindspersoon voor de Staat of de Staat der Nederlanden wordt getekend: - • NAMENS DE STAAT DER NEDERLANDEN, DE [MINISTER / STAATSSECRETARIS] VAN FINANCIËN, namens deze, [naam van de (onder)gemandateerde functionaris], Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Midden-Nederland 2015 Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Midden-Nederland: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningen. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) zijn: [1.01, onderdeel A 14°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01); [1.09, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.09); [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23); [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.15); [3.20, vijfde lid, onderdelen a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.25); [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.27); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.29); [4.05, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.05); [4.06, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06); [6.08](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.08); [6.21a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.21a); [6.28b, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28b). Voor zover het een schip betreft waarvan de te volgen route is gelegen in meer dan één beheersgebied, is iedere Hoofdingenieur-Directeur voor het geheel van de te bevaren beheersgebieden bevoegd; [6"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Oost-Nederland 2013 Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Oost-Nederland: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningen. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) zijn: [1.01, onderdeel A 14°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01); [1.09, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.09); [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23); [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.15); [3.20, vijfde lid, onderdelen a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.25); [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.27); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.29); [4.05, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.05); [4.06, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06); [6.08](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.08); [6.21a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.21a); [6.28b, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28b). Voor zover het een schip betreft waarvan de te volgen route is gelegen in meer dan één beheersgebied, is iedere Hoofdingenieur-Directeur voor het geheel van de te bevaren beheersgebieden bevoegd; [6.31,"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Zee en Delta 2013 Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) worden mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Zee en Delta: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningverlening; - c. de hoofden van de districten Noord en Zuid. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) zijn: [1.01, onderdeel A 14°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01); [1.09, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.09); [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23); [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.15); [3.20, vijfde lid, onderdelen a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.20); [3.25, derde li](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.25)d; [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.27); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.29); [4.05, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.05); [4.06, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06); [6.08](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.08); [6.21a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.21a); [6.28b, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28b). Voor zover het een schip betreft waarvan de te volgen route is gelegen in meer dan één beheersgebied, is iedere hoofdingenieur-directeur voor het geh"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Zuid-Nederland 2013 Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Zuid-Nederland: - a. de directeur Netwerk Ontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningverlening. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) zijn: [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23); [9.02, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=9.02); [9.03, tweede, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=9.03). 3. Het mandaat verleend aan de directeur Netwerk Ontwikkeling omvat mede de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar, mits het besluit waartegen bezwaar is gemaakt niet door hem in mandaat is genomen. Het mandaat verleend aan het hoofd van de afdeling Vergunningverlening heeft geen betrekking op de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. 4. Bij afwezigheid van de bevoegde functionarissen van RWS Zuid-Nederland is bevoegd een in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RWS Zuid-Nederland 2013 genoemde functionaris op hetzelfde of een hoger niveau. Artikel 2 Het ‘Besluit mandaat beschikkingsbevoegdheid Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat, dienst Limburg d.d. 1 april 2006’ wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Zuid-Nederland 2013."},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Rijnvaartpolitiereglement 1995 Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid 2013 Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Oost-Nederland: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningen. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923) zijn: [1.01, onderdeel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.01); [1.10, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.10); [1.18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.18); [1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.19); [1.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.20); [1.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.22), alleen voor wat betreft de in het tweede lid bedoelde aangelegenhedend; [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.23); [1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.25); [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.17); [3.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.25); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.29); [3.33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.33); [4.05, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=4.05); [5.01, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=5.01); [6.08, tweede lid](https://w"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat inzake procesvertegenwoordiging behandeling bezwaarprocedure ex artikel 51ca Wetboek van Strafvordering (Sv) door de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aan de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 1. (definities) Ressorterende functionarissen: medewerkers bij het CJIB die werkzaam zijn als (senior) jurist (medewerker behandelen en ontwikkelen). Artikel 2. (bevoegdheid) Het mandaat ziet op het optreden als procesdeelnemer en het verrichten van processuele handelingen in bezwaarprocedures ex [artikel 51ca Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ca) en alle daarmee samenhangende beslissingen. Tevens ziet het op de mogelijkheid om ter zitting op te treden. Artikel 3. (mandaat) De ressorterende functionarissen wordt niet toegestaan mandaat te verlenen. Artikel 4. (inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van toewijzing van de taak aan het CJIB in het [Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293). Artikel 5. (aanhaling) Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Mandaat procesvertegenwoordiging bezwaarprocedures afwijzing vertaalverzoek 2024’."},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de kwartiermaker inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane (Mandaatbesluit kwartiermaker inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane), d.d. 23 augustus 2021 (2021-158170) Artikel 1. Verantwoordelijkheid De kwartiermaker is verantwoordelijk voor (de voorbereiding van) de oprichting en inrichting van een inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane, met inachtneming van zijn taakopdracht zoals opgenomen in de bijlage bij de Kamerbrief van 12 februari 2021 (Kamerstukken II, 2020/21, 31 066, nr. 787). Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging 1. Aan de kwartiermaker wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor alle aangelegenheden die vallen binnen zijn verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 1 en de volgende daarbij behorende taken: - a. het vormgeven van de organisatiestructuur van de inspectie; - b. het opstellen van het formatievoorstel; - c. het langs de lijn van de motie Leijten (Kamerstukken II 2020/21, 31 934, nr. 42) aandacht besteden aan de mogelijkheden voor de inspectie om een bijdrage te leveren aan (het toezicht op) de informatievoorziening en informatiehuishouding van de diensten en aan een goede informatievoorziening aan de inspectie en de benodigde informatiebevoegdheden; - d. de uitwerking van de borging van de onafhankelijke positionering en het onafhankelijk functioneren van de inspectie, binnen de kaders van de [Aanwijzingen inzake de rijksinspecties](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037073) en indien nodig met gebruikmaking van de evaluatie van deze Aanwijzingen; - e. de voorbereiding van de benoeming van een Inspecteur-Generaal voor de inspectie door de ministerraad; - f. de financiële onderbouwing van de inspectie (waarbij sprake zal zijn van een apart (sub)begrotingsartikel), inclusief het voorbereiden van een voorstel voor de voorjaarsbesluitvorming; - g. onderzoeken hoe (de vormgeving van) de contacten tussen de inspectie en de T"},{"b":"Besluit tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging in cassatiezaken Douane (Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging in cassatiezaken Douane), d.d. 6 maart 2024 (DLK/HHB/2024/001) Artikel 1. Mandaat Aan de (plv.) Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken van het Directoraat-Generaal Belastingdienst wordt mandaat verleend voor het namens de Staatssecretaris van Financiën nemen van besluiten die verband houden met beroep in cassatie bij de Hoge Raad, zoals bedoeld in [Hoofdstuk V, Afdeling 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=4), in douanezaken. Artikel 2. Volmacht en machtiging De verlening van mandaat betreft mede de verlening van: - a. volmacht: de bevoegdheid om namens de Staatssecretaris van Financiën privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten die verband houden met beroep in cassatie bij de Hoge Raad in douanezaken; en - b. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Financiën handelingen te verrichten die een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn die verband houden met beroep in cassatie bij de Hoge Raad in douanezaken. Artikel 3. Ondertekening De ondertekening in mandaat luidt: DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, Namens deze, [naam van de gemandateerde functionaris], (plv.)Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken Artikel 4. Inwerkingtreding en overgangsregeling Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 29 januari 2020. Beslissingen of handelingen die verband houden met beroep in cassatie bij de Hoge Raad in douanezaken die in de periode van 29 januari 2020 tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit in mandaat zijn genomen of verricht door de (plv.) Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken worden geacht bevoegd te zijn genomen op grond van dit besluit. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beslu"},{"b":"Besluit tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging tot het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging door de Algemeen Directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aan Openbaar Ministerie / LP-Fast Artikel 1. (definities) In deze regeling wordt verstaan onder: - – *CJIB:* het Centraal Justitieel Incassobureau als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder 1° van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2); - – *Openbaar Ministerie / LP-Fast:* het Fugitive Active Search Team (FAST) zoals bedoeld in [artikel 6.2.1 van Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044656). FAST is een landelijk opererend team waarbij de politie (FastNL) en het OM (LP-Fast) intensief samenwerken op het gebied van (internationale) opsporing van voortvluchtigen die onherroepelijk veroordeeld zijn. Het FAST is werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket (LP). Het LP-Fast heeft een landelijke taak ten aanzien van de internationale signalering. - – *Functionarissen:* medewerkers bij het Openbaar Ministerie / LP-Fast werkzaam als: officier van justitie. Artikel 2. (bevoegdheid) De functionarissen zijn bevoegd uitvoering te geven aan de bevoegdheden die de Algemeen Directeur van het CJIB toekomen op basis van het gegeven mandaat voor zover het zaken betreft als bedoeld onder [artikel 18 lid 2 a en onder 1 Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=18) (PPW) en die het LP Fast aangaan. Artikel 3. (gemandateerde bevoegdheden) De aangelegenheden waarvoor bevoegdheid wordt verleend, betreffen: | TAKEN | GRONDSLAG | BEVOEGDHEID | | --- | --- | --- | | Verzoek doen strekkende tot de weigering of vervallenverklaring van een reisdocument, | Artikel 18 lid 2 a en onder 1 PPW | officier van justitie | | Indien nodig aanvullende feitelijke handelingen om uitvoering te geven aan de bevoegdheid zoals hierbove"},{"b":"Besluit tot vervanging personeelsdocumenten/dossiers (P-documenten) DUO Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van **BSD ‘Mens en Werk’** voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. reproductie geschiedt op de wijze zoals beschreven in het vastgestelde Handboek digitale vervanging P-documenten DUO; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in Staatscourant Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit directeur- generaal DUO betreffende vervanging personeelsdocumenten/dossiers (P-documenten) DUO, 2015."},{"b":"Besluit tot vervanging van papieren archiefbescheiden door digitale reproducties AFM 2026 Artikel 1 I. Over te gaan tot routinematige of retrospectieve digitale vervanging van analoge documenten (archiefbescheiden) van de AFM die volgens de geldende selectielijst voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna de analoge documenten worden vernietigd. II. Reproductie, zoals bedoeld in lid 1, geschiedt op de wijze en conform de reikwijdte zoals omschreven in het vastgestelde AFM Handboek Vervanging 2026. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit tot vervanging van papieren archiefbescheiden door digitale reproducties AFM 2026."},{"b":"Besluit tot volmacht Colleges financieel toezicht Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het College:* het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=2) onderscheidenlijk het College Aruba financieel toezicht, bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Landsverordening Aruba Financieel Toezicht en het College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=2); - b. *voorzitter:* voorzitter van het College; - c. *secretaris:* secretaris van het College. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van volmacht gelijkgesteld de verlening van machtiging. Artikel 3 1. Aan de voorzitter wordt volmacht verleend voor aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied. 2. De volmacht heeft geen betrekking op het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten dan wel het aangaan en beëindigen van detacheringsovereenkomsten ten aanzien van medewerkers die aan de secretaris worden toegevoegd en het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen voor medewerkers met salarisschaal 15 of hoger zoals neergelegd in de CAO Rijk. De volmacht voor deze aangelegenheden is voorbehouden aan de directeur-generaal Koninkrijksrelaties. 3. De voorzitter is bevoegd ondervolmacht te verlenen aan de secretaris. Artikel 4 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen of andere handelingen van de voorzitter onderscheidenlijk de secretaris die zijn genomen of verricht in de periode van 1 januari 2018 tot de datum van inwerkingtreding van dit besl"},{"b":"Besluit tot wijziging en inwerkingtreding van Uitvoeringsregeling lange speelfilm en Suppletieregeling filminvesteringen Nederland Artikel I Het subsidieplafond, zoals bedoeld in [artikel 6 van de Uitvoeringsregeling lange speelfilm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005&artikel=6) 15,3 miljoen bedraagt; Artikel II *Wijzigt de Uitvoeringsregeling lange speelfilm.* Artikel III *Wijzigt de Suppletieregeling filminvesteringen Nederland.* Artikel IV Dat de [Uitvoeringsregeling lange speelfilm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005) en de [Suppletieregeling filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008) in werking treden met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit geplaatst is."},{"b":"Besluit tot wijziging van het Mandaatbesluit Dienstonderdelen Openbaar Ministerie van 15 december 1997, nr. 665431/897 Artikel 1. Definities Onder de dienstonderdelen als weergegeven onder artikel 1, sub c, van het Mandaatbesluit dienstonderdelen Openbaar Ministerie d.d. 15 december 1997 dient tevens begrepen te worden de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2005. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit bij het Mandaatbesluit dienstonderdelen Openbaar Ministerie."},{"b":"Besluit Totaalwinst *Dit besluit is een samenvoeging van de volgende vijf besluiten over winstbepaling voor de totaalwinst: Besluit van 24 januari 2006, nr. CPP2005/3134M, Besluit van 20 juni 2018, nr. 2018-81323, Besluit van 13 oktober 2004, nr. CPP2004/1616M, Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-54978, en Besluit van 24 augustus 2004, nr. CPP2004/1912M. Daarnaast is het besluit inhoudelijk en redactioneel aangepast. De inhoudelijke wijzigingen bestaan uit:* - − *Aanpassing van het onderdeel ‘keuzeherziening, bijzondere omstandigheid bij huwelijk met mede-eigenaar’ vanwege de per 1 januari 2018 geldende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.* - − *Verduidelijking van de reikwijdte van het compromisvoorstel over waarde woning bij overbrenging naar privé.* - − *Schrapping van een alinea uit het antwoord over de kwijtscheldingswinstvrijstelling bij verjaring omdat het ten gevolge van jurisprudentie inmiddels geen toegevoegde waarde meer heeft.* - − *Schrapping van het antwoord op de vraag of het voor de kwijtscheldingswinstvrijstelling voldoende is dat sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten van de schuldeiser, omdat het ten gevolge van jurisprudentie geen toegevoegde waarde heeft.* - − *Bevestiging van de geldigheid van mijn eerdere toezegging over de aftrekbeperking en kerstpakketten.* - − *Verduidelijking van de berekening van de gebruiksvergoeding voor bezittingen in box 3 als gevolgen van de wijzigingen in het box 3-stelsel.* 1. Inleiding In dit besluit zijn vijf besluiten over winstbepaling voor de totaalwinst samengevoegd tot een meeromvattend besluit ‘Besluit Totaalwinst’. De besluiten zijn samengevoegd om het overzicht voor en de bekendheid bij de gebruiker te vergroten en het actualiseren te vereenvoudigen. Daarnaast biedt dit besluit in de toekomst ruimte om goedkeuringen en standpunten te publiceren die zien op de winstbepaling voor de totaalwinst, maar de omschrijving of inhoud van de afzonderlijke besluiten te buiten gaan. Het ga"},{"b":"Besluit traditiecommissie krijgsmacht 2016 Artikel 1 Er is een traditiecommissie krijgsmacht, verder te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie is belast met het adviseren van de Minister van Defensie inzake: - a. vaandels en standaarden, met inbegrip van opschriften; - b. ceremonieel en protocol; - c. uniformering bij ceremoniële gebeurtenissen; - d. wet- en regelgeving die raakt aan tradities; - e. emblemen of vlaggen van de krijgsmachtdelen, de Bestuursstaf, het Commando Dienstencentra en de Defensie Materieelorganisatie; - f. krijgsmachtbrede exercitie; - g. brevet- en herinneringsemblemen en andere uitmonsteringen van krijgsmachtbrede gelijke of vergelijkbare aard, gedragen op het uniform; - h. defensiebreed museaal beleid; - i. militaire muziek en muziekkorpsen. 2. De commissie neemt kennis van de besluiten op het gebied van tradities bij de krijgsmachtdelen en coördineert deze met de andere krijgsmachtdelen. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit navolgende leden: - a. een voorzitter, zijnde een vlag- of opperofficier buiten dienst; - b. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marine; - c. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Landmacht; - d. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Luchtmacht; - e. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marechaussee; - f. de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie; - g. een medewerker van de defensiestaf, belast met museale aangelegenheden; - h. de chef kabinet van de Commandant der Strijdkrachten; - i. de Krijgsmachtadjudant; - j. de protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten; - k. een secretaris, op voordracht van de voorzitter aangewezen door de Commandant der Strijdkrachten. 2. Als een krijgsmachtdeel geen traditiecommissie heeft, treedt de chef kabinet van de commandant van het krijgsmachtdeel als lid van de commissie op. 3. De voorzitter wordt door de minister van Defensie benoemd op voordracht van de Commandant der Strijdkrachten. 4."},{"b":"Besluit uitbreiding AVBZ-zorg aan visueel en auditief gehandicapten BES Artikel 1 De in [artikel 5 van de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=5) wordt uitgebreid met de zorg aan visueel en auditief gehandicapten die een zodanige stoornis van het gezichtsvermogen of het gehoor hebben, dat de normale activiteiten van het dagelijks leven niet of nauwelijks meer zelfstandig door die persoon kunnen worden uitgevoerd en deze persoon als gevolg hiervan, voor zijn functioneren sterk afhankelijk is van anderen of van kunst- of hulpmiddelen die het niet of gebrekkig functioneren van het desbetreffende zintuiglijke orgaan zinvol kunnen compenseren. Artikel 2 De verzekerden ingevolge de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) hebben met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens [artikel 5, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=5) naast de vormen van zorg, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met q, van genoemd artikel aanspraak op de volgende vormen van zorg: - a. verzorging en begeleiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028625&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde visueel of auditief gehandicapten in een speciaal daartoe ingericht dagverblijf voor blinden of slechtzienden of dagverblijf voor doven en ernstig slechthorenden, die door het Uitvoeringsorgaan is erkend en waarmee het uitvoeringsorgaan een overeenkomst heeft gesloten; - b. verzorging en begeleiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028625&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde visueel of auditief gehandicapten thuis door een wijkverpleegkundige of een zorgverlener van een integrale thuiszorgorganisatie, indien deze persoon door zijn stoornis van het zichtsvermogen al dan niet in combinatie met andere stoornissen, verpleegbehoeftig is geworden en"},{"b":"Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen BES § 1. Uitbreiding en beperking kring van verzekerden Wet algemene ouderdomsverzekering BES Artikel 1. Uitbreiding kring verzekerden De volgende personen, die de leeftijd van vijftien jaar, doch nog niet die van 27 jaar hebben bereikt en die niet op grond van [artikel 5, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=5) zijn verzekerd, zijn verzekerd op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459): - a. het buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonende kind, voor wie degene, die voldoet aan [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=5), recht heeft op kinderbijslag BES op grond van de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347); - b. het buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonende kind, voor wie een ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba recht heeft op kinderbijslag BES op grond van de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347). Artikel 1a. Uitbreiding kring verzekerden bij studeren in het Europese deel van Nederland *Vervallen* Artikel 2. Beperking kring verzekerden Niet verzekerd op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) is: - a. de ingezetene, die buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba in dienstbetrekking arbeid verricht en ten aanzien van die arbeid op grond van een een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regeling voor de geldelijke gevolgen van ouderdom is verzekerd; - b. degene, die niet geacht kan worden blijvend binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te wonen en die voor binnen de openbare lichamen Bona"},{"b":"Besluit uitstel differentiatie eurovignet Bij de wet van 14 december 2000 (Belastingplan 2001) worden in de [Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678) de tarieven voor het gemeenschappelijk gebruiksrecht (eurovignet) gewijzigd ingaande 1 januari a.s. De tarieven worden gedifferentieerd naargelang de milieuklasse waarin de vrachtwagens kunnen worden gerangschikt (EURO-0, EURO-I of EURO-II en schoner). De differentiatie volgt uit richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 (Pb LG 187/42) betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen. Op grond van die richtlijn dient ook het eurovignetverdrag (Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens) te worden aangepast, dat is gesloten tussen de landen waarin het eurovignet word geheven. Hiertoe hebben de eurovignetlanden een protocol voorbereid, dat op 3 november jl. stilzwijgend door het Parlement is goedgekeurd. Dit protocol moet door alle eurovignetlanden worden geratificeerd. Gebleken is evenwel dat de ratificatie van het protocol is vertraagd in één van de verdragsstaten en aanpassing van het verdrag derhalve niet voor 1 januari a.s. kan plaatsvinden. Dit betekent dat de tarieven voor het eurovignet in het verdrag op die datum nog niet zullen zijn gewijzigd. Gelet hierop keur ik goed dat voorshands de huidige tarieven nog worden toegepast. De nieuwe tarieven zullen worden toegepast nadat de ratificatie is voltooid op een datum die in overleg met de andere eurovignetlanden zal worden bepaald. Van die datum zal twee weken tevoren kennis worden gegeven in de Staatscourant."},{"b":"Besluit uitvoering aangelegenheden door de directeur Financieel- economische zaken op grond van de Comptabiliteitswet Artikel 1 Aan de directeur Financieel-economische zaken wordt, voor zover dat niet bij wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen geregeld is, de zorg opgedragen ten aanzien van aangelegenheden die op grond van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) dienen te worden verricht door de Centrale directie Financieel-economische zaken. Artikel 2 Onder deze aangelegenheden dient in ieder geval te worden begrepen de zorg, als bedoeld in [artikel 21, eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=21), voor de begrotingszaken en de daarmee samenhangende administraties met betrekking tot de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat alsmede de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Infrastructuurfonds. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1997. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit uitvoering aangelegenheden door de directeur Financieel-economische zaken op grond van de Comptabiliteitswet."},{"b":"Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang Artikel 1 Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert terzake de uitvoering van de regeling financiering kinderopvang een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2001. 2. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 juli 2001, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 juli 2001. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang."},{"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen 2015 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), uitvoeringsregels zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037223) bij dit besluit. Artikel 2 De [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037223), bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037223&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeids-juridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Het Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012 is van toepassing op ontslagaanvragen die door UWV voor 1 juli 2015 zijn ontvangen. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen 2015. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid 2015 Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), uitvoeringsregels zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037222) bij dit besluit. Artikel 2 De [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037222), bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037222&artikel=1&z=2023-04-01&g=2023-04-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Het [Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031900) is van toepassing op ontslagaanvragen die door UWV vóór 1 juli 2015 zijn ontvangen. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid 2015. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslagprocedure Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), de Uitvoeringsregels ontslagprocedure zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044012) bij dit besluit. Artikel 2 De [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044012), bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044012&artikel=1&z=2023-04-01&g=2023-04-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslagprocedure. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2020."},{"b":"Besluit Uitwijklijst Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Wbtv:* [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. *Rbtv:* Register beëdigde tolken en vertalers; - c. *Besluit btv:* [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - d. *Uitwijklijst:* een lijst van tolken en vertalers, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - e. *Besluit PE:* [Besluit permanente educatie Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033579); - f. *ALTE:* The Association of Language Testers in Europe; - g. *toetsbaar:* een taal is toetsbaar als: - ○ in Nederland een geaccrediteerde opleiding aanwezig is op ten minste hbo-niveau waarbij de onderwijstaal de desbetreffende taal is; - ○ in Nederland een geaccrediteerde opleiding aanwezig is op ten minste hbo-niveau waarbij de desbetreffende taal aangeboden wordt en het eindniveau van de bron- of doeltaal na toetsing ten minste C1-niveau is; - ○ de Minister onafhankelijke deskundige(n) heeft aangewezen die de kennis van de desbetreffende taal kan (kunnen) toetsen, mits zij gevestigd zijn binnen de Europese Unie1Hieronder wordt ook verstaan: andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland.; - ○ de desbetreffende taal bij één van de ALTE-leden te toetsen is op ten minste C1-niveau. - h. *C1-niveau:* C1-niveau van het Europees Referentiekader voor de Talen; - i. *onderwijstaal:* de taal waarin het onderwijs grotendeels wordt aangeboden; - j. *scholing:* onderwijs waarbij middels een afsluitende toets wordt vastgesteld dat de gedoceerde kennis en vaardigheden beheerst worden; - k. *beroepstolk:* een tolk die per jaar ten minste 200 uur tolkt, waarbij geen rekening wordt gehouden met scholing, reistijd, wachttijd en overige omstandigheden; - l. *beroepsvertaler:* een vertaler die per jaar ten min"},{"b":"Besluit uitzondering van vernietiging in het kader van cultuurhistorisch belang hotspot MH17-casus Artikel 1 Het UWV gaat over tot uitzondering van vernietiging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Artikel 2 De archiefbescheiden zijn nader gespecificeerd in de inventaris die als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041584) bij dit besluit is gevoegd. Artikel 3 De overweging om tot uitzondering van vernietiging over te gaan is gebaseerd op de nieuwe selectiemethode ‘hotspot-monitor’. Deze methode wordt in de Toelichting nader uitgelegd. Vanwege gebleken maatschappelijke relevantie (cultuurhistorisch erfgoed) worden bij de in de inventaris nader gespecificeerde archiefbescheiden bij afsluiting de markering B ingevoerd bij de archiefadministratie, in plaats van de in de bewaartermijnenlijst gestelde V-termijn. Facilitair Bedrijf Documentaire Informatievoorziening behandelt de archiefbescheiden vervolgens als blijvend te bewaren archiefbescheiden. Artikel 4 Deze archiefbescheiden worden overeenkomstig met [artikel 12 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12), nadat de in dit artikel genoemde termijn het in eigen beheer van UWV bewaren verstreken is, door Facilitair Bedrijf Documentaire Informatievoorziening overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel 5 Aan de raadpleging van de in de inventaris gespecificeerde archiefbescheiden zijn beperkende bepalingen verbonden op grond van artikel 9 en 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitzondering van vernietiging."},{"b":"Besluit uurvergoedingen voor geestelijk verzorgers van de niet klassieke denominaties 1. Het [besluit van 25 februari 2008, nr. 55321180/08/DJI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023649), wordt ingetrokken. 2. De uurvergoeding voor de geestelijk verzorgers van de niet-klassieke denominaties bedraagt voor: - – MBO-opgeleiden : € 29,31 - – HBO-opgeleiden : € 35,67 - – WO-opgeleiden : € 42,92. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2009."},{"b":"Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2023 ’Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’ Artikel 1 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelt als subsidiethema vast: ‘Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’, zoals nader uitgewerkt in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048390) bij dit besluit. 2. Maximaal 1 subsidieaanvraag worden gehonoreerd. 3. Het budget voor het in het eerste lid genoemde thema bedraagt in totaal maximaal € 100.000. 4. Verleende subsidie zal ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Arbeidsondersteuningsfonds Jonggehandicapten. Artikel 2 Beknopte subsidieaanvragen kunnen van 17-07-2023 tot uiterlijk 01-09-2023, 12:00 worden ingediend. Aangevulde aanvragen kunnen van 12-10-2023 tot uiterlijk 06-11-2023, 12:00 worden ingediend. Artikel 3 De eisen die UWV stelt aan de subsidieaanvragen en de wijze waarop UWV de subsidieaanvragen beoordeelt zijn beschreven in de ‘[Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125)’ (Stct 2022 – nr. 23 757, 09-09-2022) en in de startnotitie die beschikbaar wordt gesteld via UWV Markplaats. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2023 ’Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’."},{"b":"Besluit UWV Onderzoekssubsidie ‘Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’ Artikel 1 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelt als subsidiethema vast: ‘Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’, zoals nader uitgewerkt in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0048581) bij dit besluit. 2. Maximaal 2 subsidieaanvragen worden gehonoreerd. 3. Het budget voor het in het eerste lid genoemde thema bedraagt in totaal maximaal € 200.000. 4. Verleende subsidie zal ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Arbeidsondersteuningsfonds Jonggehandicapten. Artikel 2 Beknopte subsidieaanvragen kunnen van 31 augustus 2023 tot uiterlijk 6 oktober 2023 12.00 uur worden ingediend. Aangevulde aanvragen kunnen van 26 oktober 2023 tot uiterlijk 20 november 2023 12.00 uur worden ingediend. Artikel 3 De eisen die UWV stelt aan de subsidieaanvragen en de wijze waarop UWV de subsidieaanvragen beoordeelt zijn beschreven in de ‘[Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125)’ (Stct 2022 – nr. 23757, 09-09-2022) en in de startnotitie die beschikbaar wordt gesteld via UWV Markplaats. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Onderzoekssubsidie ’Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’."},{"b":"Besluit UWV Verplicht gebruik formulier transitievergoeding en formulier collectief ontslag Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding:* een verzoek als bedoeld in [artikel 8 van de Regeling UWV Ontslagprocedure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=8); - b. *melding collectief ontslag:* een melding als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=3); - c. *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Wijze van indiening 1. UWV heeft voor de werkgever formulieren vastgesteld voor het indienen van een verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding alsmede voor het doen van een melding collectief ontslag. Deze formulieren stelt UWV via haar website uwv.nl en/of werk.nl beschikbaar. 2. Een verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding en een melding collectief ontslag worden ingediend met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde formulieren. 3. Een verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding of een melding collectief ontslag wordt niet in behandeling genomen als deze niet op de voorgeschreven wijze, bedoeld in het tweede lid, is ingediend. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Verplicht gebruik formulier transitievergoeding en formulier collectief ontslag. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit vacatiegeld Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers Artikel 1 De leden of plaatsvervangend leden van de Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers, zoals bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017532&artikel=1) van 17 november 2004/nr. DIIOS/DTA2004/7058 ontvangen per vergadering een vergoeding van € 135,–. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vacatiegeld Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2004."},{"b":"Besluit vacatiegeld leden kamers Commissie Integraal Toezicht Terugkeer Artikel 1 Aan de leden van de kamers van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer een vacatiegeld toe te kennen van € 200,00 per vergadering. Artikel 2 Dat de leden van de kamers van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer ten behoeve van het bezoeken van vergaderingen in het kader van het werk van een der kamers van de Commissie aanspraak kunnen maken op een vergoeding van reiskosten volgens het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3 Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008."},{"b":"Besluit vacatiegeld Raad van Advies College bescherming persoonsgegevens Artikel 1 Aan de voorzitter van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens een vacatiegeld toe te kennen van € 186,05 per vergadering. Artikel 2 Aan de leden van de Raad van het Advies van het College bescherming persoonsgegevens een vacatiegeld toe te kennen van € 124,79 per vergadering. Artikel 3 Dat de voorzitter en leden van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens ten behoeve van het bezoeken van de vergaderingen van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens aanspraak kunnen maken op een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 4 Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst, doch is in werking getreden met ingang van 15 november 2001. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vacatiegeld Raad van Advies College bescherming persoonsgegevens."},{"b":"Besluit vacatiegelden Adviescommissie benoemingen politie Artikel 1 1. Aan de voorzitter en de leden van de Adviescommissie benoemingen politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Instellingsbesluit Adviescommissie benoemingen politie, wordt, voorzover zij ingevolge [artikel 2, eerste lid, onder a, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=2) daarvan niet zijn uitgesloten, vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt per vergadering voor de voorzitter € 249,58 en voor de leden € 124,79, waarbij twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vacatiegelden Adviescommissie benoemingen politie."},{"b":"Besluit vacatiegelden gebruikersraden CBS Artikel 1. Vergoeding voorzitter en leden gebruikersraden 1. Aan de voorzitters en leden van de in [artikel 19 van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=19) genoemde gebruikersraden wordt vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt voor de leden van de gebruikersraden € 250,– per bijgewoonde vergadering. De vergoeding voor de voorzitters bedraagt € 350,– per bijgewoonde vergadering. Artikel 2. Reiskostenvergoeding De voorzitter en de leden hebben recht op een vergoeding van reiskosten overeenkomstig de bedragen in de CAO Rijk. Artikel 3. Uitsluiting van vergoeding 1. Van de toekenning van vacatiegeld en reiskosten zijn uitgesloten functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel van een instelling welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen. 2. Indien op andere wijze voor hun aandeel in de werkzaamheden van de gebruikersraden worden beloond, wordt aan hen geen vacatiegeld toegekend. Artikel 4. Uitvoering van deze regeling 1. De kosten die voortvloeien uit deze regeling komen ten laste van het CBS. 2. Het CBS is belast met de uitvoering van deze regeling. Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2024. 2. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit vacatiegelden gebruikersraden CBS."},{"b":"Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 [vervallen] Artikel 2 1. Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=1). 2. Voor de toepassing van [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=II&z=2026-04-10&g=2026-04-10) van dit besluit worden niet als ambtenaar beschouwd: - a. het onderwijzend personeel bij het van overheidswege gegeven openbaar onderwijs. Onder onderwijzend personeel wordt mede begrepen de amanuensis werkzaam bij het van overheidswege gegeven openbaar onderwijs; - b. de met volledige dagtaak aan een politieopleidingschool verbonden leerkracht. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 1. Voor de toepassing van dit besluit en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften wordt verstaan onder: - *bevoegd gezag:* - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor wat betreft hoofden van dienst in dienst van de staat; - b. het bestuurscollege, voor wat betreft de hoofden van dienst in dienst van een openbaar lichaam; - c. de Rijksvertegenwoordiger, voor wat betreft het personeel van het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger; - d. het hoofd van de dienst voor wat betreft de bij zijn dienst werkzaam gestelde ambtenaren. - *hoofd van dienst:* de bij besluit van het bevoegd gezag als zodanig aangewezen ambtenaren. - *gezin:* - a. de echtgenoot of echtgenote van de betrokken ambtenaar; - b. de kinderen tot wie de betrokken ambtenaar in familierechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de stief- en pleegkinderen van de betrokken ambtenaar die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de laatsten voor zover de betrokken ambtenaar ten behoeve van deze pleegkinderen kindertoelage geni"},{"b":"Besluit van 1 april 1993, houdende toekenning van een eenmalige uitkering aan wethouders en wijziging van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van artikel 100, derde lid, van de gemeentewet, houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het wethoudersambt Artikel 1 Indien artikel 7, tweede lid, van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van artikel 100, derde lid, van de gemeentewet, houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het wethoudersambt, van toepassing is op wethouders, wordt aan hen een eenmalige uitkering toegekend van 11,3% over de geldende wedde op 30 september 1992, met een maximum van f 431,-, vermenigvuldigd met de tijdfactor zoals deze voor de betreffende wethouder op 30 september 1992 geldt. Artikel 2 *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt, voor wat betreft [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005938&artikel=2&z=1993-04-23&g=1993-04-23), terug tot en met 1 januari 1991."},{"b":"Besluit van 1 april 1993, houdende toekenning van eenmalige uitkeringen aan de leden van gedeputeerde staten Artikel 1 1. Aan de leden van gedeputeerde staten wordt een eenmalige uitkering toegekend van 6% van de feitelijk genoten wedde over de maand september 1992. 2. Indien artikel 7, tweede lid, van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van [artikel 43, tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43), houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van gedeputeerde, van toepassing is op degenen die op 30 september 1992 lid van gedeputeerde staten waren, wordt aan deze leden naast de eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering toegekend van f 431,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 april 2004 tot wijziging van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met kosten algemene voorlichting Artikel I *Wijzigt het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.* Artikel II Ten aanzien van aspirant-adoptiefouders die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het voor bedoeld tijdstip geldende bedrag hebben voldaan of aan wie een verzoek tot betaling daarvan reeds is verzonden, blijft [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=6), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 1 april 2008, nr. CenD/HDJZ/2008/435, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende wijziging van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone Artikel I *Wijzigt de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone.* Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023735&artikel=I&z=2008-04-09&g=2008-04-09) is tot en met 28 februari 2009 niet van toepassing op een aanvraag die gepaard gaat met de gegevens en bescheiden, bedoeld in [artikel 4, eerste en vierde lid, van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017805&artikel=4), voor een activiteit ten aanzien waarvan vóór 1 april 2008 een schriftelijke mededeling als bedoeld in [artikel 7.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.12), is gedaan aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2008."},{"b":"Besluit van 1 april 2010, houdende bepalingen voor een experiment met het oog op het bevorderen van excellentie in het hoger onderwijs (Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. *instellingsbestuur:* het instellingsbestuur van een bekostigde instelling, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - d. *studiejaar:* het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar; - e. *experimenteel programma:* programma binnen een masteropleiding waarvan de duur van het programma gelijk is aan de duur van die masteropleiding en waarvoor aanvullende toelatingseisen of collegegeldverhoging worden toegestaan. Artikel 2. Doelstelling experiment 1. Het is bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, waarvan de daartoe strekkende aanvragen door Onze Minister op grond van dit besluit zijn goedgekeurd met het oog op de stimulering van excellentie in het hoger onderwijs, toegestaan experimenten uit te voeren op het terrein van selectie van studenten en verhoging van collegegeld. 2. Aan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kunnen verplichtingen worden verbonden. Artikel 3. Selectie van studenten voor bacheloropleidingen 1. Onverminderd [artikel 7.37, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.37) kan Onze Minister op aanvraag van het instellingsbestuur goedkeuren dat ten aanzien van een of meer bacheloropleidingen selectie plaatsvindt van de gegadigden voor inschrijving aan die bacheloropleidingen. 2. Indien een goedkeuring als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een bacheloropleiding waarvoor een toelatingsbeperking"},{"b":"Besluit van 1 april 2014, houdende regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder genetisch gemodificeerd organisme: organisme, met uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie. 2. Als genetisch gemodificeerd organisme worden in elk geval aangemerkt organismen die zijn verkregen door middel van technieken als genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&bijlage=1&z=2024-05-18&g=2024-05-18). 3. Als genetisch gemodificeerd organisme worden niet aangemerkt organismen die zijn verkregen door middel van technieken als genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&bijlage=2&z=2024-05-18&g=2024-05-18). Artikel 1.2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij genetisch gemodificeerde organismen worden vervaardigd, in Nederland ingevoerd, toegepast, vervoerd, vernietigd of vermeerderd, dan wel waarbij het betreft het voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van genetisch gemodificeerde organismen, indien bij die activiteit inperkingsmaatregelen worden gebruikt. Artikel 1.3 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder doelbewuste introductie: het op enigerlei wijze opzettelijk in het milieu brengen van een genetisch gemodificeerd organisme of een combinatie van genetisch gemodificeerde organismen zonder dat inperkingsmaatregelen aanwezig zijn of worden toegepast. 2. Onder «doelbewuste introductie» worden in elk geval mede verstaan het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een a"},{"b":"Besluit van 1 april 2015, houdende regels omtrent de aan bijzondere rechters toekomende vergoedingen BES Artikel 1 De hoogte van de vergoeding die wordt toegekend aan bijzondere rechters, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=11), is gelijk aan de hoogte van de vergoeding die wordt toegekend aan een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg op grond van [artikel 10, derde lid, van het Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028548&artikel=10). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010."},{"b":"Besluit van 1 april 2021, houdende regels over elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Besluit elektronische publicaties) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *afkondigingsblad:* door het bestuurscollege uitgegeven publicatieblad; - *bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie:* bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - *bestuurscollege:* bestuurscollege van het openbaar lichaam, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=1); - *dagelijks bestuur van het openbaar lichaam:* dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - *de wet:* de [Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287); - *gemeenschappelijk orgaan:* gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - *MijnOverheid-account:* MijnOverheid-account als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037987&artikel=1); - *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - *publicatiebladen:* in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=1) en [2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=2) genoemde publicatiebladen die elektronisch worden uitgegeven, met uitzondering van het Staatsblad. Hoofdstuk 2. Integriteit beraadslaging en vaststelling Artikel 2.1. Waarborgen Onze Minister, gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks b"},{"b":"Besluit van 1 april 2026 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2026 worden uitgegeven ter gelegenheid van 25 jaar openstelling van het huwelijk Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2026 worden uitgegeven ter gelegenheid van 25 jaar openstelling van het huwelijk, zijn: - a. op de voorzijde van beide munten, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden een cirkel met daarin aan de linkerzijde Onze beeltenis en profil, daaromheen op de linkerhelft de tekst «KONING DER NEDERLANDEN WILLEM-ALEXANDER», met om het woord «DER» links het teken van de muntmeester en rechts het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en aan de rechterbovenzijde het jaartal «2026». - b. op de keerzijde van de vijf-euromunt, overeenkomstig onderstaande afbeelding: een ontwerp dat verticaal in twee gelijke helften is verdeeld met op de rechterhelft vijf concentrische geribbelde halve cirkels in de kleuren, van buiten naar binnen, rood, oranje, geel, groen en blauw, in het midden een kleine geribbelde paarse cirkel met daaromheen een grotere niet-ingevulde cirkel die een tweede even grote cirkel op de rechterhelft overlapt met daarin de tekst «IEDEREEN» en aan de rechterbovenzijde «€ 5», met op de linkerhelft langs de rand de tekst «25 JAAR OPENSTELLING VAN HET HUWELIJK VOOR»; - c. op de keerzijde van de tien-euromunt, overeenkomstig onderstaande afbeelding: een ontwerp dat verticaal in twee gelijke helften is verdeeld met op de rechterhelft vijf concentrische geribbelde halve cirkels, in het midden een kleine geribbelde cirkel met daaromheen een grotere cirkel die een tweede even grote cirkel op de rechterhelft overlapt met daarin de tekst «IEDEREEN» en aan de rechterbovenzijde «€ 10», met op de linkerhelft langs de rand de tekst «25 JAAR OPENSTELLING VAN HET HUWELIJK VOOR»; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ *"},{"b":"Besluit van 1 augustus 1956, ter uitvoering van de Beroepswet Hoofdstuk I. Raden van Beroep Artikel 1 *Vervallen* Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 3a *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen* Artikel 13 *Vervallen* Artikel 14 *Vervallen* Artikel 15 *Vervallen* Artikel 16 *Vervallen* Artikel 17 *Vervallen* Artikel 18 *Vervallen* Artikel 19 *Vervallen* Artikel 20 *Vervallen* Artikel 21 *Vervallen* Artikel 22 *Vervallen* Artikel 23 *Vervallen* Artikel 24 *Vervallen* Artikel 25 *Vervallen* Artikel 26 *Vervallen* Artikel 27 *Vervallen* Hoofdstuk II. De Centrale Raad van Beroep § 1. Algemene bepalingen Artikel 28 *Vervallen* Artikel 28a 1. De rang van ouderdom van dienst tussen hen die eenzelfde ambt bekleden, wordt geregeld naar de dagtekening en zo nodig naar het nummer van de besluiten van benoeming. 2. Zijn verscheidene personen tot éénzelfde ambt benoemd bij één besluit, dan wordt de rang van ouderdom geregeld naar de volgorde waarin zij in het besluit worden genoemd. Artikel 28b *Vervallen* Artikel 28c *Vervallen.* Artikel 29 *Vervallen.* Artikel 30 Zij die de Centrale Raad van Beroep als griffier bijstaan, dragen hetzelfde costuum als de overeenkomstige ambtenaren van een gerechtshof. Artikel 31 De president roept, zo dikwijls hij zulks nodig acht, de Centrale Raad van Beroep in algemene vergadering bijeen. Zoveel mogelijk wonen alle senior raadsheren en raadsheren de vergadering bij. Artikel 31a *Vervallen* Artikel 32 In de gevallen waarin van Onzentwege bij de Centrale Raad van Beroep bericht of advies wordt ingewonnen, zal het antwoord worden vastgesteld in een algemene vergadering. Artikel 33 *Vervallen* Artikel 34 *Vervallen* Artikel 35 *Vervallen* Artikel 36 *Vervallen* Artikel 37 *Vervallen* § 2. De griffie Artikel 38 De griffier is hoofd van de griffie. Voor zover hij niet optreedt tot bijsta"},{"b":"Besluit van 1 augustus 1959, houdende regelen betreffende de samenstelling, benoeming, werkwijze en bevoegdheid der commissies, bedoeld in artikel 6 van de wet van 10 juli 1952 (Stb. 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Artikel 1 De commissies, die krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 10 juli 1952 (*Stb.* 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden in hoogste ressort de schadeloosstellingen vaststellen, bedoeld in artikel 5 van die wet, bestaan ieder uit tien leden en vijf plaatsvervangende leden. Artikel 2 1. Onze Minister van Economische Zaken benoemt de leden en de plaatsvervangende leden der commissies. Hij benoemt voorts uit de leden een voorzitter en een of meer ondervoorzitters. Hij kan de benoemden wederom ontslaan. 2. Een beschikking krachtens het eerste lid wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 1. Onze Minister van Economische Zaken benoemt voor iedere commissie een of meer secretarissen, die geen lid van de commissie zijn. Hij kan de benoemden wederom ontslaan. 2. Onze Minister van Economische Zaken kan aan een secretaris een toelage toekennen. Artikel 4 1. Bij de instelling van een commissie bepalen Wij zo nodig haar gebied. 2. Heeft de schadeloosstelling betrekking op een onroerend goed, dat in het gebied van twee of meer commissies is gelegen, dan wordt zij vastgesteld door die commissie, in welker gebied het grootste gedeelte van het goed gelegen is. Artikel 5 1. De commissies nemen bij de vervulling van hun taak de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002323&artikel=1&z=2012-12-07&g=2012-12-07) genoemde wet en de tot uitvoering daarvan vastgestelde regelingen in acht. 2. Zij bes"},{"b":"Besluit van 1 augustus 1963, houdende wijziging van de taakverdeling van departementen Artikel onbenoemd De aangelegenheden betreffende de bezitsvorming en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie onder te brengen bij het Departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Dit besluit wordt geacht in werking te zijn getreden op 24 juli 1963."},{"b":"Besluit van 1 augustus 1995, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699). Artikel 2 1. Onderzoek bij een persoon in het kader van een bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet mag slechts worden verricht: - a. indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en onderdeel *c* niet van toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de betrokkene; - b. indien de te onderzoeken persoon minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt en onderdeel *c* niet van toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de betrokkene alsmede de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of van zijn voogd; - c. indien de te onderzoeken persoon twaalf jaar of ouder is en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake: met de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of van de voogd dan wel, indien hij meerderjarig is, van de wettelijke vertegenwoordiger of van de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene; - d. indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt: met de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of van zijn voogd. 2. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder *c* en *d*, zich kennelijk verzet tegen een handeling waaraan hij wordt onderworpen wordt de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder *c* en *d*, geacht niet te zijn gegeven. 3. Degene die toestemming heeft gegeven kan deze te allen tijde zonder opgaaf van redenen intrekken. Hij is terzake van de intrekking geen schadevergoeding verschuldigd. Artikel 3 1. Alvorens toestemming wordt gevraagd"},{"b":"Besluit van 1 augustus 1995, houdende Warenwetbesluit motor- en bromfietshelmen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. helm: motor- en bromfietshelm als bedoeld in artikel 60 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - b. reglement 22: de \"Uniform provisions concerning the approval of protective helmets for drivers and passengers of motorcycles\", behorende bij het op 20 maart 1958 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorvoertuigen gesloten (*Trb.* 1959; 83). Artikel 2 Het is verboden helmen te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding. Artikel 3 1. Helmen zijn voorzien van een aanduiding die overeenkomt met de aanduiding die in de bijlage behorende bij dit besluit als model is weergegeven. 2. Helmen zijn uitsluitend van de in het eerste lid genoemde aanduiding voorzien indien deze is aangebracht naar aanleiding van goedkeuring van de helmen op grond van de bepalingen van reglement 22. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op helmen die voldoen aan voorschriften of normen die; op aanvraag van de belanghebbende, door Onze Minister zijn gelijkgesteld aan het veiligheidsniveau van reglement 22. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit motor- en bromfietshelmen."},{"b":"Besluit van 1 augustus 2017 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2017/8563, houdende de aanwijzing van inspecteurs die zijn belast met het toezicht op de naleving van de Kernenergiewet (Besluit aanwijzing ANVS-toezichthouders Kernenergiewet) Artikel 1. Aanwijzing 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Kernenergiewet zijn belast de ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, die overeenkomstig [artikel 10 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=10) aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming ter beschikking zijn gesteld, voor zover het hun werkterrein betreft. 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met het toezicht op de bescherming tegen de risico’s van ioniserende straling van: - a. de eigen werknemers en externe werknemers als bedoeld in [artikel 1.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=1.2) juncto[bijlage 1 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&bijlage=1), in inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) is verleend en - b. elke andere werknemer, zelfstandige en vrijwilliger in de zin van [artikel 1, eerste, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=1) in inrichtingen als bedoeld onder a. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2017. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ANVS-toezichthouders Kernenergiewet."},{"b":"Besluit van 1 december 1958 houdende uitvoering van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Siergewassen Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder *a*, van de [Instellingswet Productschap voor Siergewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002149) (*Stb.* 1954, 447), zijn begrepen: - a. de prijzen van bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; - b. de prijzen van bloemkwekerijprodukten en boomkwekerijprodukten, welke voor afzet aan buitenlandse afnemers zijn bestemd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959."},{"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Produktschap voor Zuivel Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a*, van de [Instellingswet Productschap voor Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002205) (*Stb.* 1956, 93) zijn begrepen de prijzen, waartegen kaas aan buitenlandse afnemers ten minste moet worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959."},{"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 5, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder *a*, van de [Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002220) (*Stb.* 1956, 332) zijn begrepen: - a. de prijzen van mosselen; - b. de prijzen, waartegen aanvoerders - kwekers hieronder begrepen - en importeurs vis, andere dan mosselen, ten minste moeten afzetten; - c. de prijzen, waartegen vis, andere dan mosselen, en visprodukten, een en ander voor zover zij tot menselijk voedsel kunnen dienen, aan buitenlandse afnemers ten minste moeten worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959."},{"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit Artikel 1 1. Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder *a*, van de [Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002148) (*Stb.* 1954, 446), zijn begrepen: - a. de prijzen, waarboven het veilen van groenten en fruit niet mag worden gestaakt; - b. de prijzen, welke een veiling ten hoogste in rekening mag brengen voor het veilen en het verlenen van andere diensten; - c. de prijzen, waartegen groenten en fruit aan buitenlandse afnemers ten minste moeten worden afgezet; - d. de huurprijzen van fust. 2. Een verordening tot regeling of nadere regeling van het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, onder *a*, wordt slechts vastgesteld, indien de belangen van afnemers door het ontbreken daarvan gevaar zouden lopen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959."},{"b":"Besluit van 1 december 1986, houdende regels betreffende de vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360) Artikel 1 Voor het verstrekken van afschriften van bescheiden die betrekking hebben op beslissingen als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=28) (*Stb.* 1986, 360) geldt als tarief van de voor die afschriften verschuldigde vergoeding, het tarief dat ingevolge de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (*Stb.* 1978, 581) is verschuldigd als vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 december 1997 tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op de kansspelen (Kansspelenbesluit) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; raad van bestuur: de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a). Artikel 2 Aan een vergunning, krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) verleend, worden in elk geval de navolgende voorschriften verbonden: - a. er mogen niet meer dan het in de vergunning genoemde aantal bewijzen van deelneming, uitsluitend tegen de daarin aangegeven inleg, worden uitgegeven. - b. De opbrengst van de door de vergunninghouder verkochte deelnemingsbewijzen wordt afgedragen aan bij of krachtens de vergunning aangewezen begunstigden. De afdracht bedraagt ten minste 40% van de nominale waarde van de verkochte deelnemingsbewijzen. - c. De afdracht, bedoeld in onderdeel b, wordt geheel voor het in de vergunning omschreven doel aangewend. - d. Slechts noodzakelijke kosten mogen worden gemaakt. Eventuele provisie aan verkopers van deelnemingsbewijzen dient te worden beperkt tot ten hoogste 10% van de nominale waarde der door hun bemiddeling geplaatste deelnemingsbewijzen. - e. Als deelnemers mogen niet worden toegelaten personen die nog niet de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt. Indien als winnaar van een prijs wordt aangewezen een persoon die ingevolge de vorige volzin niet als deelnemer mocht worden toegelaten, wordt deze deelneming buiten aanmerking gelaten. - f. Op de bewijzen van deelneming alsmede in alle aankondigingen en voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken moet, voorzover praktisch mogelijk, duidelijk worden vermeld: de naam van de vergunninghouder en het adres, waar inlichtingen verkri"},{"b":"Besluit van 1 december 1999 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 *Wijzigt boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.* Artikel 2 *Wijzigt boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.* Artikel 3 De bepalingen van dit besluit zijn voor het eerst van toepassing op de jaarrekening, het bestuursverslag en de daaraan toe te voegen overige gegevens over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2000. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 december 2006, nr. 06.004394, houdende toekenning van een vaste beloning aan de leden van de Commissie van Toezicht Terugkeer Artikel 1 De leden van de Commissie van Toezicht Terugkeer ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding ter grootte van 0,15 maal het salaris conform de hoogste trede van schaal 18 van het [Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). In deze vergoeding zijn de onkosten, waaronder reiskosten, inbegrepen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2006 en vervalt op het moment van de benoeming van een definitieve commissie van toezicht voor het terugkeerproces, zoals bedoeld in [artikel 2, lid 6 van de Regeling Commissie van Toezicht Terugkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019764&artikel=2)."},{"b":"Besluit van 1 december 2014, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van de volksgezondheid in verband met het aanbrengen van wetstechnische aanpassingen in deze besluiten (Reparatiebesluit VWS 2014) Artikel I *Wijzigt het Besluit actieve implantaten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet.* Artikel III *Wijzigt het Besluit in-vitro diagnostica.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit medische hulpmiddelen.* Artikel V *Wijzigt het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.* Artikel VI *Wijzigt het Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006.* Artikel VII Het [besluit van 20 oktober 2006, houdende intrekking van het Besluit volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020448) (Stb. 2006, 556) wordt ingetrokken. Artikel VIII Het [besluit van 6 juli 2004 tot wijziging van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (aanwijzen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als bevoegde minister)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016988) (Stb. 2004, 556) wordt ingetrokken. Artikel IX Dit besluit wordt aangehaald als: Reparatiebesluit VWS 2014. Artikel X 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel V, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035897&artikel=V&z=2014-12-13&g=2014-12-13), werkt terug tot en met 1 januari 2012."},{"b":"Besluit van 1 december 2020 tot wijziging van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (Pb EU 2008, L 97/72) en een andere verordening op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Uitvoeringsbesluit EG-verordening 300/2008) Artikel I *Wijzigt het Besluit beveiliging burgerluchtvaart.* Artikel II *Wijzigt het Besluit politiegegevens.* Artikel III *Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit beveiliging burgerluchtvaart.* Artikel V 1. Dit besluit, met uitzondering van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044668&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01), treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. [Artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044668&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01) treedt in werking met ingang van 31 december 2021. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit EG-verordening 300/2008."},{"b":"Besluit van 1 februari 1952, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur inzake het instellen van een commissie, alsmede van de mogelijkheid van beroep tegen beslissingen van de commissie, als bedoeld in artikel 7 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"militairen\", \"beroepsmilitairen\", \"gewezen militairen\" en \"nagelaten betrekkingen\": hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=1); \"Commissie\": de Commissie bedoeld in [artikel 7 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=7) Artikel 2 Als Commissie treedt op de Garantiewetcommissie, bedoeld in artikel 2 van Ons besluit van 26 mei 1953 (*Stb.* 239), met dien verstande, dat voor de behandeling van zaken, de [Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077) betreffende, de leden en de plaatsvervangende leden door andere leden en plaatsvervangende leden kunnen worden vervangen. Artikel 3 Voor zover daarvan bij dit besluit niet nadrukkelijk wordt afgeweken, zijn de volgende artikelen van Ons besluit van 26 mei 1953 (*Stb.* 239) van overeenkomstige toepassing: - a. op de Commissie: de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002085&artikel=6&z=1997-01-29&g=1997-01-29), 13 tot en met 15, 16, leden 1 en 2, 20, lid 1 en 21, lid 1 sub *b* en lid 2, met dien verstande dat alsdan in artikel 16 in plaats van \"Garantiewet\" moet worden gelezen: \"[Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077)\" en in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002085&artikel=6&z=1997-01-29&g=1997-01-29), in plaats van \"overheidsdienaren of gewezen overheidsdienaren op wie de Garantiewet van toepassing is\": \"militairen of gewezen militairen op wie de [Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077) van toepassing i"},{"b":"Besluit van 1 februari 1990, houdende regelen betreffende de veiligheid van kinderbedden en -boxen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. kinderbed: een slaapmeubel, niet zijnde een wieg, dat bestemd is voor kinderen tot de leeftijd van ongeveer 4 jaar; - b. kinderbox: een meubel bestaande uit of voorzien van één of meerdere opstaande zijde(n) dat bestemd is om de actieradius van een hierin geplaatst kind te beperken; - c. bodem: het horizontale onderdeel van een kinderbed of -box dat bestemd is om als lig-, zit- of stavlak te dienen; - d. kindercentrum: kindercentrum als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1). Artikel 2 1. Het is verboden kinderbedden en -boxen te verhandelen die niet voldoen aan de in of krachtens dit besluit gestelde eisen. 2. Het is verboden kinderbedden en -boxen te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften in of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot het bezigen van vermeldingen. 3. Het is verboden kinderbedden en -boxen te gebruiken in een kindercentrum, indien die bedden en boxen niet voldoen aan de eisen die op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004710&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) worden gesteld met betrekking tot kinderbedden en -boxen die tot doel hebben in een kindercentrum te worden gebezigd. Artikel 3 1. Kinderbedden en -boxen moeten zodanig zijn samengesteld, geconstrueerd en uitgevoerd en een zodanige uitwendige staat en beziging van materiaal hebben, dat zij bij aanwending overeenkomstig redelijkerwijze te verwachten gebruik, geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van een daarin geplaatst kind. 2. Met betrekking tot de samenstelling, constructie, uitvoering, uitwendige staat en beziging van materialen van kinderbedden en -boxen, kunnen bij regeling van Onze Minister nadere regels worden gesteld. Ten aanzien van kinderbedden"},{"b":"Besluit van 1 februari 1999 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de herziening van het fiscale procesrecht ARTIKEL I *Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht.* ARTIKEL II *Vervallen* ARTIKEL III Ten aanzien van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing. ARTIKEL IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 1 februari 2000, houdende hernieuwde vaststelling van het besluit tot instelling van de Herinneringsmedaille voor Humanitaire hulpverlening bij Rampen Artikel 1 Er is een Herinneringsmedaille voor Humanitaire hulpverlening bij Rampen. Artikel 2 De herinneringsmedaille wordt toegekend aan hen die deel uitmakend van of tezamen met de krijgsmacht ter plaatse van een door de Minister van Defensie aangewezen rampgebied daadwerkelijk aan de hulpverlening hebben deelgenomen en daarbij in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag hebben betoond. Artikel 3 1. De herinneringsmedaille wordt toegekend met een gesp. 2. De Minister van Defensie kan gespen instellen die worden verbonden aan de herinneringsmedaille. 3. Aan hen die reeds zijn onderscheiden met de herinneringsmedaille wordt, indien zij opnieuw voor toekenning in aanmerking komen, alleen een gesp toegekend. Artikel 4 De toekenning van de herinneringsmedaille zowel als van een afzonderlijke gesp geschiedt door Onze Minister van Defensie. Artikel 5 De toekenning van de herinneringsmedaille dan wel van een gesp kan postuum geschieden. Artikel 6 1. De herinneringsmedaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 mm.; zij is vervaardigd van gebrand zilver. De voorzijde van de medaille vertoont – op de verticale deellijn – een naar beneden gericht in de schede gestoken zwaard hetwelk is omkranst door een lauwertak. Links onder en rechts boven, iets over het zwaard reikend, twee naar elkaar gerichte rechterhanden in sterk reliëf uitgebeeld. Rechts onder zijn in kapitale letters aangebracht de woorden: DE HELPENDE HAND WERD GEBODEN. De keerzijde van de medaille vertoont het Rijkswapen. 2. De herinneringsmedaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint; het lint, 27 mm. breed, heeft een goudgele ondergrond met aan de boorden diep donkerblauwe banen, overvloeiende in het goudgeel. In het midden drie verticale banen (in de kleuren van de Nederlandse vlag) respectievelijk in de v"},{"b":"Besluit van 1 februari 2007, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2007 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Verdrag van Rome Artikel 1 1. De beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2007 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Verdrag van Rome is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren, tegen de achtergrond van het door Michelangelo ontworpen plaveisel van het Piazza del Campidoglio, het Verdrag van Rome ondertekend door de zes oprichtende lidstaten met boven het Verdrag het woord «EUROPA», onder het plaveisel «KONINKRIJK DER NEDERLANDEN» met daarboven het teken van de muntmeester « », het jaartal 2007 en het teken van de Munt « » en boven het plaveisel «VERDRAG VAN ROME» met daaronder «50 jaar». 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2007."},{"b":"Besluit van 1 februari 2019, nr. 2019000177, houdende de vaststelling tot voortzetting van het financieel toezicht op Curaçao en Sint Maarten Overeenkomstig het advies van de evaluatiecommissie [Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten blijven voor Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) met terugwerkende kracht vanaf 10 oktober 2018 alle verplichtingen die volgen uit de Wet van toepassing."},{"b":"Besluit van 1 juli 1957, houdende verhoging uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een algemene toeslag Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: *uitkering:* het nominale bedrag, zoals dit is of wordt vastgesteld, van een uitkering verleend of te verlenen krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (*Stb.* 1948, I 543) met uitzondering van: - a. de toeslag en de extra-toeslag verleend krachtens Ons besluit van 24 maart 1951 (*Stb.* 87); - b. de toeslag-1954 verleend krachtens Ons besluit van 16 september 1954 (*Stb.* 433); - c. de aanpassingtoeslag verleend krachtens Ons besluit van 15 april 1955 (*Stb.* 184), en - d. de nadere toeslag-1954 verleend krachtens Ons besluit van 27 oktober 1956 (*Stb.* 520); *Regeling:* de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (*Stb.* 1948, I 543). Artikel 2 1. Voor zover het recht op een uitkering op 1 januari 1957 niet is vervallen, worden de uitkeringen te rekenen van 1 januari 1957 of van het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, met inachtneming van de volgende bepalingen, ambtshalve verhoogd met een toeslag, verder te noemen algemene toeslag. 2. Op het tijdstip, met ingang waarvan een uitkering is verhoogd met een algemene toeslag, vervallen de toeslagen welke, krachtens de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002248&artikel=1&z=1963-01-01&g=1963-01-01) genoemde besluiten, op een uitkering zijn verleend, met uitzondering van de extra-toeslag, bedoeld in artikel 5*a* van Ons besluit van 24 maart 1951 (*Stb.* 87). Artikel 3 De algemene toeslag wordt uitgedrukt in een percentage van de uitkering. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002248&artikel=3&z=1963-01-01&g=1963-01-01), bedraagt voor: - a. uitkeringen, welke zijn of worden verleend aan gewezen vrijwillig dienende militairen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling, voor zover die militairen de hieron"},{"b":"Besluit van 1 juli 2003 tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 Artikel I. Wijziging Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 *Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990.* Artikel II. Wijziging Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 *Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.* Artikel III. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. Artikel II, onderdeel B, werkt terug tot en met 1 januari 2003 met dien verstande dat in afwijking van [artikel 22, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=22): - a. de vrijstelling ingaat op 1 januari 2003 indien: - 1°. betrokkene op 1 januari 2003 voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=22), zoals dit artikellid luidt na inwerkingtreding van dit besluit, en - 2°. de aanvraag voor de vrijstelling is ingediend vóór 1 januari 2004; - b. de vrijstelling ingaat op de dag van inwerkingtreding van dit besluit indien: - 1°. betrokkene op 1 januari 2003 voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=22), zoals dit artikellid luidt na inwerkingtreding van dit besluit, en - 2°. de aanvraag voor de vrijstelling is ingediend in de periode gelegen tussen 31 december 2003 en een jaar na de datum waarop dit besluit in"},{"b":"Besluit van 1 juli 2011, houdende wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies in verband met de toevoeging van duurzaamheidsaspecten Artikel I *Wijzigt het Kaderbesluit EZ-subsidies.* Artikel II [Artikel 23, onderdeel j, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), vindt geen toepassing op aanvragen om subsidie die vóór 1 januari 2012 zijn ingediend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012."},{"b":"Besluit van 1 juli 2019, houdende regels inzake het gebruik van het burgerservicenummer door de stichting Slachtofferhulp Nederland (Besluit gebruik burgerservicenummer door Slachtofferhulp Nederland) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428); - b. *registratie:* een registratie als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=3); - c. *slachtoffer:* de persoon, bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - d. *familielid:* een van de personen, bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - e. *authenticatie:* een elektronisch proces voor de verificatie en bevestiging van de identiteit van het slachtoffer of een familielid; - f. *identificatiemiddel:* een middel dat identificatiegegevens bevat waarmee het slachtoffer of een familielid dat toegang wenst tot elektronische dienstverlening of informatieverschaffing geauthentiseerd kan worden. Artikel 2 De stichting Slachtofferhulp Nederland gebruikt het burgerservicenummer van het slachtoffer of van een familielid bij door haar verrichte werkzaamheden ten aanzien van: - a. het bij overheidsorganen opvragen en van hen ontvangen, het vastleggen en raadplegen en het aan overheidsorganen verstrekken van persoonsgegevens van het slachtoffer of een familielid; - b. elektronische dienstverlening en informatieverschaffing aan het slachtoffer of een familielid, waarbij authenticatie plaatsvindt door middel van een identificatiemiddel dat is toegelaten bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Artikel 3 De stichting Slachtofferhulp Nederland is in het kader van de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid."},{"b":"Besluit van 1 juli 2024, houdende instelling van de medaille voor hulpverlening en bijstand bij crises, rampen of grootschalige incidenten § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *Crisis:* een crisis als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - *Gedecoreerde:* de persoon aan wie de medaille en of gesp(en) is toegekend en uitgereikt. - *Grootschalig incident:* incidenten met een gelijkwaardige uitstraling en/of gelijkwaardige impact als een crisis of ramp. - *Kandidaat:* de persoon die wordt voorgedragen voor de medaille. - *Onze minister:* Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - *Ramp:* een ramp als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1). Artikel 2 Er is een medaille voor hulpverlening en bijstand bij crisis, rampen of grootschalige incidenten. Artikel 3 De medaille wordt toegekend aan personen vanwege een buitengewone inzet tijdens een ramp, crisis of grootschalig incident binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden of, in uitzonderlijke gevallen, buiten het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden onder gezag van het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 4 De medaille kan zowel worden toegekend aan Nederlanders, alsmede aan vreemdelingen. Artikel 5 De medaille kan postuum worden toegekend. Artikel 6 1. De medaille is gemaakt van messing en heeft een ronde vorm met een doorsnede van ca. 35 mm. 2. Op de voorzijde van de medaille is een afbeelding te zien van een hulpverlenende hand en de tekst: «onderscheidend in hulpverlening». 3. Op de achterzijde van de medaille is een afbeelding van het rijkswapen te zien. 4. De onderscheiding hangt aan een lint in de kleuren rood, wit en blauw. 5. Het lint is 37 mm breed en voorzien van 11 banen in de kleuren rood, wit en blauw. De banen op het lint zijn respectievelijk blauw 4mm, rood 3mm, wit 3mm, blauw 3mm, wit 1mm, blauw 9mm, rood 3mm,"},{"b":"Besluit van 1 juli 2025, nr. 2025001422 houdende gelijkstelling van 2 januari 2026, 15 mei 2026, 7 mei 2027, 28 april 2028 en 26 mei 2028 met een algemeen erkende feestdag Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 2 januari 2026, 15 mei 2026, 7 mei 2027, 28 april 2028 en 26 mei 2028. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 Juni 1944, houdende vervanging van het Koninklijk besluit van 11 Juni 1940 (Staatsblad, No. A 22), zooals dit is gewijzigd bij Koninklijke besluiten van 8 Augustus 1940 (Staatsblad, No. A 23), van 27 November 1940 (Staatsblad, No. A 24) en van 24 April 1941 (Staatsblad, No. B 101) tot instelling van het Bronzen Kruis Artikel 1 Er wordt ingesteld een Bronzen Kruis. Artikel 2 Het Bronzen Kruis wordt door Ons toegekend aan militairen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die zich door moedig of beleidvol optreden tegenover den vijand hebben onderscheiden. Artikel 3 Het Bronzen Kruis kan, om de redenen, vermeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036406&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01), mede worden toegekend aan: - 1. niet-militairen, Nederlander of Nederlandsch onderdaan zijnde; - 2. vreemdelingen, indien hun optreden heeft gestrekt ten behoeve van den Nederlandschen Staat. Artikel 4 Het Bronzen Kruis, waarvan het model door Ons zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmig bronzen kruis. Het kruis is bevestigd op een oranje zijden lint ter breedte van 37 millimeter, in het midden voorzien van een 6 millimeter breede verticale streep van Nassausch blauw. Artikel 5 Zij, aan wie het Bronzen Kruis reeds eenmaal is toegekend en die daarna wederom door gelijkwaardige daden deze onderscheiding deelachtig worden, dragen het Arabische cijfer \"2\" in goud op het lint van het Bronzen Kruis. Bij een volgende gelijkwaardige daad wordt het cijfer \"2\" verhoogd tot \"3\" en verder. Artikel 5a Het Bronzen Kruis kan, indien dit in bijzondere gevallen door het Hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur wenschelijk wordt geacht, ook posthuum worden toegekend. Artikel 5b Ingaande 1 januari 2017 moet een verzoek om toekenning van het Bronzen Kruis zijn ingediend binnen tien jaar na het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036406&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01) genoemde optreden. Artikel 6 In bijzondere gev"},{"b":"Besluit van 1 Juni 1944, houdende vervanging van het Koninklijk besluit van 20 Februari 1941, No. 1 (Nederlandsche Staatscourant 1941, No. 3), zooals dit besluit sedert is gewijzigd, tot instelling van het Kruis van Verdienste Artikel 1 Er wordt ingesteld een Kruis van Verdienste. Artikel 2 Het Kruis van Verdienste wordt door Ons toegekend aan Nederlanders, Nederlandsche onderdanen of vreemdelingen, die zich in verband met vijandelijke actie door moedig en beleidvol optreden hebben onderscheiden en daarmede het belang van het Koninkrijk hebben gediend. Artikel 3 Het Kruis van Verdienste, waarvan het model door Ons zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmig bronzen kruis. Het kruis is bevestigd aan een zijden lint van Nassausch blauw ter breedte van 37 millimeter, in het midden voorzien van een 6 millimeter breede verticale oranje streep. Artikel 4 Zij, aan wie het Kruis van Verdienste reeds eenmaal is toegekend, en die daarna wederom door gelijkwaardige daden deze onderscheiding deelachtig worden, dragen het Arabische cijfer \"2\" in goud op het lint van het Kruis van Verdienste. Bij een volgende gelijkwaardige daad wordt het cijfer \"2\" verhoogd tot \"3\" en verder. Artikel 4a Het Kruis van Verdienste kan, indien dit in bijzondere gevallen door het Hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur wenschelijk wordt geacht, ook posthuum worden toegekend. Artikel 4a* Ingaande 1 januari 2017 moet een verzoek om toekenning van het Kruis van Verdienste zijn ingediend binnen tien jaar na het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036407&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01) genoemde optreden. Artikel 5 In bijzondere gevallen, te Onzer beoordeeling, kan het Kruis van Verdienste tijdelijk of blijvend worden ontnomen aan hen, die zich dit eereteeken niet langer waardig toonen. Artikel 6 Voorstellen tot het ontnemen van een verleend Kruis van Verdienste kunnen aan Ons worden gedaan door Onzen Minister, van wien de voordracht tot het toekennen der ond"},{"b":"Besluit van 1 juni 1993, houdende Warenwetbesluit Uitvoer van waren Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. waren: andere waren dan die waarop de in artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet (*Stb.* 358) bedoelde besluiten van toepassing zijn; - b. uitvoer: het buiten Nederlands grondgebied brengen van waren; - c. samenstelling: het geheel van kenmerkende ingrediënten of kenmerkende onderdelen van waren; - d. *verordening (EG) 178/2002*: verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31). Artikel 1a Het is verboden ten aanzien van eet- en drinkwaren te handelen in strijd met artikel 12 van verordening (EG) 178/2002. Artikel 2 De krachtens de [artikelen 4 tot en met 9 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4) (*Stb.* 1988, 360) gestelde voorschriften zijn niet van toepassing ten aanzien van waren die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer: - a. voor zover die waren voldoen aan door het land van bestemming ter zake gestelde specifieke voorschriften, dan wel aan ter zake welbepaalde internationale regelingen, aan de totstandkoming waarvan de Nederlandse regering heeft meegewerkt, en die voorschriften onderscheidenlijk regelingen desgevraagd door de belanghebbende zijn overgelegd ten behoeve van de met het toezicht ter zake belaste autoriteit; - b. voor zover, bij gebreke van voorschriften, bedoeld onder a: en de belanghebbende desgevraagd ten behoeve van de met het toezicht ter zake belaste autoriteit alle in zijn bezit zijnde gegevens overlegt, die van nut kunnen zijn voor een feitelijke beoordeling ter zake. - - die waren, voor wat betreft samenstellingseisen die geen verband houden met de veiligheid of de deug"},{"b":"Besluit van 1 juni 2016, houdende regels met betrekking tot de productie en distributie van elektriciteit en drinkwater op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Besluit elektriciteit en drinkwater BES) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsomschrijvingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *leveringspunt voor drinkwater:* plaats waar het drinkwaternet overgaat in een op dat net aangesloten woninginstallatie of installatie als bedoeld in [artikel 3.13, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.13); - *tappunt:* plaats waar drinkwater beschikbaar komt voor gebruik; - *wet:* [Wet elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861). Hoofdstuk 2. Productie en distributie van drinkwater § 2.1. kwaliteitseisen drinkwaterketen Artikel 2.1. (kwaliteitseisen drinkwater) 1. Een producent van drinkwater draagt er zorg voor dat het door hem geproduceerde drinkwater op het leveringspunt voor drinkwater voldoet aan de kwaliteitseisen, opgenomen in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&bijlage=A&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&bijlage=B&z=2016-07-01&g=2016-07-01). 2. Een distributeur van drinkwater draagt er zorg voor dat het door hem aan een afnemer geleverde drinkwater op het leveringspunt voor drinkwater voldoet aan de kwaliteitseisen, opgenomen in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&bijlage=A&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&bijlage=B&z=2016-07-01&g=2016-07-01). 3. De eigenaar van een installatie als bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.13), draagt er zorg voor dat het door hem ter beschikking gestelde drinkwater op het tappunt voldoet aan de kwaliteitseisen, opgenomen in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&bijla"},{"b":"Besluit van 1 juni 2016, nr. 2016000936 houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Waddenzee’ die in 2016 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt ‘Waddenzee’ die worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de achtergrond links Onze beeltenis en face en op de voorgrond aan de linkerkant Onze beeltenis en profil, rechtsonder het koninklijk wapen en langs de rand de tekst ‘WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN’: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: boven het midden afbeeldingen van een scholekster en meeuw met daarboven de teksten ‘*DE WADDENZEE*’ en ‘*NEDERLANDS WERELDERFGOED 2016*’, onder het midden zijn de Waddeneilanden afgebeeld met daarbij de namen van de bewoonde eilanden vermeld, rechts onderin de afbeelding van een zeester, links onderin de waardeaanduiding ‘*5 EURO*’ respectievelijk ‘*10 EURO*’, met rechts hiervan het teken van de Muntmeester en het teken van het Munthuis : 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift ‘GOD * ZIJ * MET * ONS’. 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038015&artikel=1&z=2016-06-10&g=2016-06-10). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 juni 2016. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 9 juni 2016, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met"},{"b":"Besluit van 1 juni 2022, houdende tarieven voor het vervaardigen van kopieën op verzoek op grond van de Wet open overheid (Besluit maximumtarieven open overheid) Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op het verstrekken van informatie op verzoek op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), door een orgaan, persoon of college als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=2.2). Artikel 2 1. Indien op grond van [artikel 8.6, tweede lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=8.6) een vergoeding in rekening wordt gebracht voor de vervaardiging van kopieën van documenten op A4- of A3-formaat, bedraagt deze per afdruk op papier maximaal het bedrag zoals opgenomen in de tarieventabel in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0046755). 2. De bedragen in de tarieventabel kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Artikel 3 Indien een vergoeding in rekening wordt gebracht, wordt de aanvrager hiervan voorafgaand aan het vervaardigen van de kopieën op de hoogte gesteld en wordt een schatting gegeven van de kosten. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [hoofdstuk 4 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&hoofdstuk=4) in werking treedt. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na dat tijdstip, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maximumtarieven open overheid."},{"b":"Besluit van 1 juni 2026 tot wijziging van het Algemeen douanebesluit in verband met de invoering van de Wet gegevensverstrekking douane voor de uitvoering van politie- of toezichtstaken (Besluit gegevensverstrekking douane voor uitvoering van politie- en toezichtstaken) Artikel I *Wijzigt het Algemeen douanebesluit.* Artikel II Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet gegevensverstrekking douane voor uitvoering politie- of toezichtstaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051066) in werking treedt. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gegevensverstrekking douane voor uitvoering van politie- en toezichtstaken."},{"b":"Besluit van 1 maart 1989, tot vaststelling van het ten hoogste toelaatbaar organisch-halogeengehalte van brandstoffen of grondstoffen van brandstoffen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. brandstoffen: stoffen of preparaten, dienende voor verbranding; - b. gehalte aan polychloorbifenylen: gehalte aan de afzonderlijke polychloorbifenyl-congeneren 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; - c. gehalte aan organische halogeenverbindingen: gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor. Artikel 2 1. Het is verboden brandstoffen toe te passen - a. met een gehalte aan polychloorbifenylen van meer dan 0,5 mg/kg per congeneer, of - b. met een gehalte aan organische halogeenverbindingen van meer dan 50 mg/kg. 2. In afwijking van het eerste lid, onder b, mogen vliegtuigbenzines worden toegepast met een gehalte aan organische halogeenverbindingen van meer dan 50 mg/kg, maar niet meer dan 500 mg/kg. 3. Het is verboden organische halogeenverbindingen, of preparaten waarin een van de in het eerste of tweede lid genoemde gehalten wordt overschreden, ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen aan te wenden. Onder het ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen aanwenden van de bedoelde stoffen of preparaten wordt mede begrepen het mengen van deze stoffen of preparaten in brandstoffen. 4. Het is voorts verboden organische halogeenverbindingen, of preparaten waarin een van de in het eerste of tweede lid genoemde gehalten wordt overschreden, als brandstof of ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen in te voeren in Nederland, te bewaren, voorhanden te hebben, ten verkoop aan te bieden, ten verkoop in voorraad te hebben, te verkopen of zich ervan te ontdoen door afgifte. Artikel 3 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004501&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) gestelde verboden gelden niet voor zover het betreft: - a. de toepassing, het bewaren of het voorhanden hebben in of het zich ontdoen door afgifte vanuit par"},{"b":"Besluit van 1 maart 1993, houdende het bijeenroepen van een conferentie over de toekomstige verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk Artikel 1 Er wordt een conferentie bijeengeroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Antillen, de eilandengebieden van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, die zal beginnen op 8 maart 1993 te Willemstad. Artikel 2 De regeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, alsmede de eilandsraden van de eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten benoemen vertegenwoordigers ter deelneming aan de conferentie. Zij kunnen zich doen bijstaan door adviseurs. Artikel 3 De delegaties van regeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, alsmede de onderscheiden eilandgebieden van de Nederlandse Antillen wijzen ieder uit hun midden een woordvoerder aan. Artikel 4 De Staten-Generaal en de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba kunnen uit hun midden waarnemers aanwijzen ter bijwoning van de conferentie. Artikel 5 De voorzitter van de Raad van Ministers van het Koninkrijk is belast met het voorzitterschap van de conferentie. Artikel 6 De voorzitter regelt de orde der werkzaamheden tijdens de vergaderingen. Artikel 7 Bij het begin van haar vergadering stelt de conferentie haar agenda vast. Artikel 8 De conferentie heeft een secretariaat bestaande uit een algemeen secretaris, aangewezen door de voorzitter, en een door ieder van de aan de conferentie deelnemende partijen aan te wijzen secretaris. Artikel 9 1. De besluitvorming vindt plaats in de plenaire vergadering van de conferentie. 2. Bij de besluitvorming ter conferentie brengt elk der landen en elk der eilanden één stem uit. 3. Voor de aanvaarding van voorstellen is overeenstemming tussen alle delegaties vereist. Overeenstemming bestaat ook wanneer geen der landen en der eilanden heeft tegengestemd dan wel wanneer de minderheid verklaart een uitspraak van de meerderheid te aanvaarden. 4. Deze overeenstemming behoe"},{"b":"Besluit van 1 maart 2005, houdende regels omtrent het definiëren, ordenen en beschikbaarstellen van gegevens in het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs (Besluit informatievoorziening WPO/WEC) Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; school: een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) dan wel [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); bevoegd gezag: een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) dan wel [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); centrale dienst: een centrale dienst als bedoeld in de [artikelen 68 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=68) en [69 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=69). Hoofdstuk II. Jaarverslag, bekostiging en beleidsinformatie Artikel 2. Nadere invulling van de onderdelen van het jaarverslag 1. Het jaarverslag, bedoeld in [artikel 165 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165) dan wel [artikel 141 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels. 2. In het bestuursverslag, bedoeld in [artikel 165, eerste lid, onderd"},{"b":"Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit) Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *remigratie-uitkering:* de uitkering, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=4); - b. *wet:* [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424). 2. Onder partner wordt in de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2023-01-13&g=2023-01-13), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=III&artikel=6&z=2023-01-13&g=2023-01-13), [7, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2023-01-13&g=2023-01-13), [8, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2023-01-13&g=2023-01-13), en [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2023-01-13&g=2023-01-13), mede verstaan de bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende echtgenoot of geregistreerde partner. 3. Onder kind wordt in de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2023-01-13&g=2023-01-13), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2023-01-13&g=2023-01-13), [9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2023-01-13&g=2023-01-13), en [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2023-01-13&g=2023-01-13), mede verstaan het bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende minderjarige eigen kind, stiefkind of pleegkind. Hoofdstuk II. Hoogte van de remigratievoorzieningen"},{"b":"Besluit van 1 maart 2014 tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de titels 9.3 en 9.3a van hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer en van enkele op dat hoofdstuk gebaseerde besluiten tot de exclusieve economische zone (Besluit gedeeltelijke uitbreiding toepassingsgebied hoofdstuk 9 Wet milieubeheer tot de EEZ) Artikel 1 [Titel 9.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=9.3) en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische zone. Artikel 2 [Titel 9.3a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=9.3a) en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische zone. Artikel 3 *Wijzigt het Besluit detergentia milieubeheer.* Artikel 4 *Wijzigt het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer.* Artikel 5 *Wijzigt het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer.* Artikel 6 *Wijzigt het POP-besluit milieubeheer.* Artikel 7 *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.* Artikel 8 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014. Artikel 9 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedeeltelijke uitbreiding toepassingsgebied hoofdstuk 9 Wet milieubeheer tot de EEZ."},{"b":"Besluit van 1 mei 1981, tot uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen met betrekking tot andere kapitaalmarktinstellingen dan hypotheekbanken Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van het publiek van gelden, op termijnen van twee jaar of langer opvorderbaar, en van het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, met uitzondering van: - a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *a,* van de [Wet toezicht kredietwezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792); - b. hypotheekbanken als bedoeld in artikel 1 van het Besluit ondertoezichtstelling hypotheekbanken; - c. ondernemingen en instellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (*Pb. E.G.*L 322/30) bij welke naar het oordeel van Onze Minister van Financiën de belangen van crediteuren uit anderen hoofde voldoende beschermd zijn. Artikel 2 De Nederlandsche Bank N.V. houdt toezicht op de ondernemingen en instellingen, waarop dit besluit van toepassing is, in het belang van hun solvabiliteit en liquiditeit. Artikel 3 De artikelen 1, vijfde lid, 2-11, 13, 16, 17, tweede, derde en vierde lid, 18-20, 23-27, 31-41, 44 en 46-50 van de [Wet toezicht kredietwezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792) zijn op de ondernemingen en instellingen, waarop dit besluit van toepassing is, van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen. 2. Het treedt in werking met ingang van 1 juni 1981."},{"b":"Besluit van 1 mei 2001, houdende aanwijzing van overheidsorganen waarvan de archiefbescheiden dienen te worden bewaard in de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, waarin deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest Artikel 1 1. In de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van een provincie worden de archiefbescheiden bewaard van de in het tweede en derde lid bedoelde overheidsorganen, waarvan de functies zich over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt, en die in die provincie gevestigd zijn of zijn geweest. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde overheidsorganen behoren de overheidsorganen van: - a. inrichtingen voor strafrechtstoepassing; - b. justitiële jeugdinrichtingen; - c. instellingen van wetenschappelijk onderzoek, waaronder mede begrepen instellingen van praktijkonderzoek, met uitzondering van de Koninklijke Bibliotheek, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Centraal Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Sociaal en Cultureel Planbureau, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en het Nederlands Instituut te Rome; - d. universiteiten en hogescholen. 3. Tot de in het eerste lid bedoelde overheidsorganen behoren tevens: - a. erkende stamboekverenigingen; - b. keurings- en controle-instellingen ingevolge de [Zaaizaad- en Plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541) en de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755); - c. personen en instellingen die op grond van [artikel 78 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=78) in samenhang met [artikel 14 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=14) gerechtigd zijn tot het afgeven van keuringsrapporten; - d. instellingen die op grond van [artikel 7a, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a) door Onze Minister van Volksgezondhe"},{"b":"Besluit van 1 mei 2003 tot wijziging van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming Artikel I *Wijzigt het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming.* Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [Wet van 26 september 2002 houdende wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met de advies- en meldpunten kindermishandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014071) (Stb. 2002, 515) in werking treedt. 2. In afwijking van het eerste lid, doet de raad voor de kinderbescherming uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding in situaties als bedoeld in [artikel 2a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008125&artikel=2a), mededeling aan het advies- en meldpunt kindermishandeling dat werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft."},{"b":"Besluit van 1 mei 2006, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Artikel I *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel II Indien op het moment waarop dit besluit in werking treedt een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212&artikel=7) is ingediend, is daarop het recht dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 mei 2006."},{"b":"Besluit van 1 november 1971, houdende wijziging van de regeling betreffende de coördinatie van de civiele verdediging en van de taakverdeling van departementen Artikel I 1. De verantwoordelijkheid van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, voor de coördinatie van het beleid met betrekking tot de civiele verdediging gaat over op Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. Uit hoofde van zijn coördinerende taak bevordert hij een evenwichtige opbouw van de civiele verdediging en draagt hij zorg voor de noodzakelijke samenhang van de verschillende activiteiten op het gebied van de civiele verdedigingsvoorbereiding. Hij stelt de algemene beleidsplannen op en wordt betrokken bij de voorbereiding van de daartoe benodigde deelplannen. Hij is bevoegd op de departementen alle informaties in te winnen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van zijn coördinerende taak. Artikel II 1. De Staf voor de Civiele Verdediging staat als centraal coördinerend orgaan ten dienste van Onze minister van Binnenlandse Zaken bij de uitoefening van zijn taak als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002789&artikel=I&z=1971-11-01&g=1971-11-01). 2. De chef van de Staf voor de Civiele Verdediging wordt aangewezen door Ons. Artikel III 1. De Staf voor de Civiele Verdediging gaat van het departement van Algemene Zaken over naar het departement van Binnenlandse Zaken. 2. De personeelsleden van de onder 1 vermelde Staf gaan over in dienst van het departement van Binnenlandse Zaken; de roerende en onroerende zaken van deze staf gaan in materieel beheer over naar dat departement. Artikel IV Ons besluit van 26 september 1960, nr. 2, wordt hierbij ingetrokken. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1971."},{"b":"Besluit van 1 november 1971, houdende wijziging van de regeling betreffende de coördinatie van de civiele verdediging en van de taakverdeling van departementen Artikel I 1. De verantwoordelijkheid van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, voor de coördinatie van het beleid met betrekking tot de civiele verdediging gaat over op Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. Uit hoofde van zijn coördinerende taak bevordert hij een evenwichtige opbouw van de civiele verdediging en draagt hij zorg voor de noodzakelijke samenhang van de verschillende activiteiten op het gebied van de civiele verdedigingsvoorbereiding. Hij stelt de algemene beleidsplannen op en wordt betrokken bij de voorbereiding van de daartoe benodigde deelplannen. Hij is bevoegd op de departementen alle informaties in te winnen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van zijn coördinerende taak. Artikel II 1. De Staf voor de Civiele Verdediging staat als centraal coördinerend orgaan ten dienste van Onze minister van Binnenlandse Zaken bij de uitoefening van zijn taak als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002790&artikel=I&z=1971-11-01&g=1971-11-01). 2. De chef van de Staf voor de Civiele Verdediging wordt aangewezen door Ons. Artikel III 1. De Staf voor de Civiele Verdediging gaat van het departement van Algemene Zaken over naar het departement van Binnenlandse Zaken. 2. De personeelsleden van de onder 1 vermelde Staf gaan over in dienst van het departement van Binnenlandse Zaken; de roerende en onroerende zaken van deze staf gaan in materieel beheer over naar dat departement. Artikel IV Ons besluit van 26 september 1960, nr. 2, wordt hierbij ingetrokken. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1971."},{"b":"Besluit van 1 november 1984, ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk, houdende voorschriften ten opzichte van de staatsraad, benoemd op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Arubaans lid:* het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Aruba bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk; - b. *Curaçaos lid:* het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Curaçao bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk; - c. *Sint Maartens lid:* het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Sint Maarten bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk. Artikel 2 1. De [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=3), en [3a van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=3a) (*Stb.* 1962, 88) zijn niet van toepassing op het Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense lid. 2. Het Arubaanse, Curaçaose of Sint Maartense lid wordt na overleg met de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, ontslagen dan wel op non-actief gesteld overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=13) en [13a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=13a), met dien verstande, dat in plaats van \"procureur-generaal\" en \"Hoge"},{"b":"Besluit van 1 november 2001 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen gerechtsdeurwaarders Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Commissie: de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 6 van de Interim-beleidsregels vestiging gerechtsdeurwaarders en [artikel 6, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=6). Artikel 2 De voorzitter en de leden van de Commissie ontvangen een vaste jaarlijkse vergoeding. Artikel 3 De vergoeding van de voorzitter wordt vastgesteld op € 4.610,–. Artikel 4 De vergoeding van de leden wordt vastgesteld op € 3.688,–. Artikel 5 De vergoeding van de plaatsvervangend leden wordt na rato van deelname vastgesteld op een evenredig deel van de vergoeding van de leden. Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 Indien de voorzitter of een lid van de Commissie niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt de vergoeding, genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012955&artikel=3&z=2025-11-19&g=2025-11-19) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012955&artikel=4&z=2025-11-19&g=2025-11-19) naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 8 De voorzitter en de leden hebben recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten in het binnenland en buitenland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2001. Artikel 10 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen gerechtsdeurwaarders."},{"b":"Besluit van 1 november 2001 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen notariaat Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Commissie: de commissie van deskundigen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid van de Wet op het Notarisambt 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=7). Artikel 2 De voorzitter en de leden van de Commissie ontvangen een vaste jaarlijkse vergoeding. Artikel 3 De vergoeding van de voorzitter wordt vastgesteld op € 7.683,–. Artikel 4 De vergoeding van de leden wordt vastgesteld op € 6.146,–. Artikel 5 De vergoeding van de plaatsvervangend leden wordt naar rato van deelname vastgesteld op een evenredig deel van de vergoeding van de leden. Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 Indien de voorzitter of een lid van de Commissie niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt de vergoeding, genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012954&artikel=3&z=2025-11-19&g=2025-11-19) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012954&artikel=4&z=2025-11-19&g=2025-11-19) naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 8 De voorzitter en de leden hebben recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten in het binnenland en buitenland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2001. Artikel 10 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen notariaat."},{"b":"Besluit van 1 november 2002 betreffende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 30 januari 2003 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 10 december 2002. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 30 januari 2003 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 1 november 2006, houdende wijziging van het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties in verband met aanpassing van enkele bedragen Artikel I *Wijzigt het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties.* Artikel II Ten aanzien van de kostenopslag voor de invordering van uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waartoe vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is overgegaan, blijft het [Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006257) van toepassing zoals dat luidde direct voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 november 2017, houdende regels inzake de conformiteitsbeoordeling van vaste biomassa voor energietoepassingen door erkende conformiteitsbeoordelingsinstanties (Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *accreditatie:* accreditatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, juncto artikel 3 van de verordening; - *beheerseisen:* eisen vastgesteld op grond van [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die een schemabeheerder bij het opstellen of wijzigen van een certificatieschema in acht neemt en die betrekking hebben op de wijze waarop een schema tot stand komt dan wel wordt gewijzigd; - *certificatie:* conformiteitsbeoordeling, uitgevoerd door een conformiteitsbeoordelingsinstantie overeenkomstig het toepasselijke certificatieschema, resulterend in een certificaat; - *certificatieschema:* document waarin beschreven staat op welke wijze en op grond waarvan de conformiteitsbeoordelingsinstantie de certificatie verricht; - *conformiteitsbeoordelingsverklaring:* verklaring, afgegeven door een erkende conformiteitsbeoordelingsinstantie, dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de daarin gespecificeerde vaste biomassa is geproduceerd op een wijze die voldoet aan de daarop van toepassing zijnde duurzaamheidseisen die in de verklaring zijn gespecificeerd; - *duurzaamheidseisen:* eisen voor vaste biomassa ten behoeve van energietoepassingen die zijn vastgesteld op grond van [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en die ten grondslag liggen aan het certificatieschema en het verificatieprotocol waaraan bij de werkzaamheid wordt getoetst in het belang van de bescherming van het milieu; - *erkende conformiteitsbeoordelingsinstantie:*"},{"b":"Besluit van 1 november 2019 nr.2019002307, houdende enkele tijdelijke voorzieningen voor de periode dat minister drs. K.H. Ollongren niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen Artikel 1 Met ingang van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=2&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde datum minister drs. K.H. Ollongren voor de periode dat zij niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen, te ontheffen van de leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de hoedanigheid van Vice-Minister-President. Artikel 2 Drs. R.W. Knops met ingang van de datum van zijn beëdiging voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde periode te benoemen tot Minister en hem te belasten met de leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Met ingang van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=2&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde datum Onze Minister van Defensie, drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde periode tevens te benoemen tot Minister zonder portefeuille en haar in deze hoedanigheid te belasten met de aangelegenheden betreffende de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Artikel 4 Drs. S. van Veldhoven-van der Meer met ingang van de datum van haar beëdiging voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde periode te benoemen tot Minister zonder portefeuille en haar te belasten met de aangelegenheden betreffende Milieu en Wonen. Artikel 5 Met ingang van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=2&z=2019-11-11&g=2"},{"b":"Besluit van 1 oktober 1992, houdende hernieuwde vaststelling van het besluit tot instelling van het Mobilisatie-Oorlogskruis Artikel 1 Er is een Mobilisatie-Oorlogskruis. Artikel 2 1. Het versiersel van het Mobilisatie-Oorlogskruis bestaat uit een vierarmig bronzen kruis, waarvan de armen gevormd worden door facetvormig geslepen zwaardpunten. Tussen de armen van het kruis bevinden zich diagonaalsgewijs gekruist twee stormdolken met de punten naar boven gericht. Op deze dolken rust een helm, omgeven met een lauwerkrans. Als komende uit het hart van het kruis, bevindt zich tussen de kruisarmen een cirkelvormige uitstraling. De lengte der kruisarmen is 21 mm en de grootste breedte is 13 mm. De lengte der dolken is 29 mm, de breedte van het lemmet is 2½ mm en de breedte van de heftknop is 4 mm. De achterzijde van het kruis draagt de tekst \"Den Vaderlant ghetrouwe\" en heeft in het midden een cirkel, die over de helft der kruisarmen valt. De cirkel is begrensd door de achterzijde van de uitstraling en is hol. 2. Het kruis is door middel van een ring verbonden aan een paars lint van 27 mm breed met in het midden een 6 mm brede verticale oranje baan. 3. Het is aan hen, die zijn gerechtigd tot het dragen van het Mobilisatie-Oorlogskruis vergund een kruis van verkleind model onder aan het lint, dan wel het lint alleen te dragen. Artikel 3 1. Het Mobilisatie-Oorlogskruis kan door of namens Onze Minister van Defensie worden toegekend aan: - A. Oud-militairen, destijds in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die behoord hebben tot de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch leger en de Troepen in de Nederlandse Antillen en Aruba, alsmede in het voormalig Koninkrijksdeel Suriname, in werkelijke dienst zijn geweest - a. voor wat Nederland betreft: - 1. in het tijdvak ná 6 april 1939 en vóór 20 mei 1940 gedurende ten minste zes maanden, - 2. in het tijdvak ná 9 mei 1940 en vóór 19 mei 1940 dan wel ná 5 september 1944 en vóór 5"},{"b":"Besluit van 1 oktober 2007 tot wijziging van onder meer het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen in verband met invoering van een gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking ten behoeve van cultuuruitingen Artikel I *Wijzigt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen.* Artikel II 1. Op de subsidies die op grond van het [Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759) zijn verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit blijven de regels van toepassing die golden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. In afwijking van [artikel 37 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) zoals [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de subsidie vast binnen tien maanden na ontvangst van de in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) bedoelde gegevens. Artikel III *Wijzigt het Besluit archeologische monumentenzorg.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 oktober 2007, houdende uitvoering van titel 7.5 (Pacht) van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet grondkamers en de Wet op de rechterlijke organisatie (Uitvoeringsbesluit pacht) Hoofdstuk 1. Uitvoering van artikel 393, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - a. verplichting: verplichting als bedoeld in [artikel 389, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=389); - b. hoogst toelaatbare vergoeding: hoogst toelaatbare vergoeding als bedoeld in [artikel 393, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=393). Artikel 2 De hoogst toelaatbare vergoeding is die welke de grondkamer voor elk geval afzonderlijk vaststelt met inachtneming van dit hoofdstuk. Artikel 3 De hoogst toelaatbare vergoeding voor een verplichting als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022717&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022717&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022717&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01) is de uitkomst van de vermenigvuldiging van de in de onderscheiden artikelen bij die verplichting aangegeven factor, met de voor elk geval afzonderlijk van toepassing zijnde hoogst toelaatbare pachtprijs van het land zonder woningen of andere opstallen, vastgesteld volgens het [Pachtprijzenbesluit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448). Artikel 4 De factor, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022717&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), bedraagt voor de navolgende in een pachtovereenkomst op te nemen verplichtingen ter zake van een beperking van de mestgift: | (Mestgift) Bemestingsniveau (per ha/jaar) | Factor | | --- | --- | | maximaal 200 kg N (stikstof) | 0,26 | | maximaal"},{"b":"Besluit van 1 oktober 2019, houdende regels inzake de opleiding tot orthopedagoog-generalist § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *opleidingsinstelling:* rechtspersoon die een opleiding tot orthopedagoog-generalist verzorgt; - b. *wet:* [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) ingestelde register van orthopedagogen-generalist te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen ter afsluiting van een opleiding tot orthopedagoog-generalist heeft afgelegd, uitgereikt door een krachtens [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042645&paragraaf=3&artikel=7&z=2022-12-01&g=2022-12-01) aangewezen opleidingsinstelling. § 2. Opleiding Artikel 3 1. De opleiding tot orthopedagoog-generalist bestaat uit ten minste 3.600 uren, die als volgt zijn verdeeld: - a. 810 uren theoretisch en praktisch onderwijs op het gebied van de orthopedagogiek, waarvan ten minste 90 uren supervisiesessies; - b. 2.790 uren werkervaring op het gebied van de orthopedagogiek. 2. Het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, omvat in elk geval orthopedagogische diagnostiek ten aanzien van de zorgvrager en zijn opvoedings- en ontwikkelingscontext en het toepassen van orthopedagogische behandelingsmethoden en begeleiding ten aanzien van de volgende categorieën van personen: - a. kinderen en jeugdigen en diegenen die betrokken zijn bij hun opvoeding en ontwikkeling; en - b. volwassenen met een orthopedagogische zorgvraag. 3. De werkervaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gespreid over ten minste twee jaren en wordt in elk geval opgedaan met de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van orthopedagogische behandelings- en begeleidingsmethoden in opvoedings- en ontwikkelsituaties en in"},{"b":"Besluit van 1 september 1995, houdende wijziging van het Vissersvaartuigenbesluit in verband met Richtlijn nr. 93/103/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307) Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II. Overgangsbepalingen 1. De artikelen 150, eerste lid, onderdeel 7, 175, eerste lid, onderdeel 7, 188, vijfde lid, 200, onderdeel 3, 276, vierde tot en met zesde lid, en 358 zijn met ingang van 23 november 1995 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd op of na 23 november 1995 en met ingang van 23 november 2002 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd voor 23 november 1995. 2. Artikel 193*a* is met ingang van 23 november 1995 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd op of na 23 november 1995. 3. Artikel 193*b* is met ingang van 23 november 2002 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd voor 23 november 1995. 4. Artikel 348*a* is van toepassing op alle vissersvaartuigen met ingang van 23 november 1995. 5. Indien een vissersvaartuig gebouwd voor 23 november 1995 ingrijpende reparaties, verbouwingen of veranderingen ondergaat na 23 november 1995, voldoen de onderdelen van dit vissersvaartuig die onderwerp zijn van deze ingrijpende reparaties, verbouwingen of veranderingen aan de bepalingen van dit besluit, met uitzondering van artikel 193*b*. Ingrijpende reparaties, verbouwingen of veranderingen geschieden in overleg met de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor elk der landen van het Koninkrijk verschillend kan worden bepaald."},{"b":"Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Artikel 1 Voor het bepalen van de vergoedingen voor werkzaamheden, wegens tijdverzuim en daarmede verband houdende noodzakelijke kosten voor reis- en verblijfkosten, toekomende aan de deskundigen, bedoeld in [artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810a), is [artikel 2 van het Besluit griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028901&artikel=2) van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. De ouder die op grond van [artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810a) de rechter verzoekt een deskundige te benoemen, is aan de griffier een eigen bijdrage verschuldigd met betrekking tot de vergoedingen en kosten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007534&artikel=1&z=2010-11-01&g=2010-11-01). 2. De eigen bijdrage bedraagt € 45,38, indien het inkomen van de ouder blijkens het door deze over te leggen afschrift van een bewijs van toevoeging, bedoeld in [artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=29), niet meer bedraagt dan in [artikel 2, eerste of tweede lid, telkens onderdeel d, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=2) is bedoeld. 3. De eigen bijdrage bedraagt € 181,51, indien het inkomen van de ouder blijkens het door deze over te leggen afschrift van een bewijs van toevoeging, bedoeld in [artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=29), niet meer bedraagt dan in [artikel 2, eerste of tweede lid, telkens onderdeel e, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"b":"Besluit van 1 september 2005, houdende de overdracht van de zorg voor onderdelen van de Kernenergiewet Artikel 1 1. De zorg voor de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) en voor de op de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) gebaseerde regelgeving en besluitvorming, voorzover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gaat over naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de zorg voor de lozing van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen in oppervlaktewater mede behoren tot de taak van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 september 2010, houdende regels inzake de verstrekking van gegevens ten behoeve van de heffing van eilandbelastingen (Besluit gegevensverstrekking heffing eilandbelastingen BES) Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151); - b. *BES belastingen:* de inkomstenbelasting, de loonbelasting, en de in [artikel 1.2 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.2) genoemde belastingen. 2. In dit besluit wordt verstaan onder informatieplichtige: degene die in het bezit is van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers waarvan de raadpleging, onderscheidenlijk de gegevens- en inlichtingenverstrekking van belang kunnen zijn voor de vaststelling van feiten die van invloed kunnen zijn op de heffing of de invordering van eilandbelastingen van derden, dan wel degene die van deze feiten kennis draagt, met dien verstande dat: - a. voor de belasting, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=43), slechts hieronder wordt begrepen: de eigenaar, bezitter, beperkt of persoonlijk gerechtigde of beheerder van een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 45 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=45), de eigenaar of beheerder van een energie- of waterleidingbedrijf, dan wel van een administratiekantoor dat ten behoeve van een van deze bedrijven werkzaam is; - b. voor de belasting, bedoeld in [artikel 53 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=53), slechts hieronder wordt begrepen: degene die gelegenheid tot verblijf biedt dan wel de eigenaar of beheerder van een terrein waar gelegenheid tot verblijf wordt geboden, lichamen die zich bezighouden met de exploitatie van zeehavens of luchthavens, alsmede de eigenaar of beheerder van een energie- of waterleidingbedrijf, dan wel van een"},{"b":"Besluit van 1 september 2014, houdende regels voor het aanduiden van de hoeveelheid op voorverpakkingen (Warenwetbesluit hoeveelheden voorverpakkingen) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *bedrijfscontrolesysteem:* de wijze waarop bedrijfscontroles als bedoeld in bijlage I, punt 4, vijfde alinea, van Richtlijn 76/211/EEG, worden uitgeoefend; - *derde land:* een staat, die geen lidstaat van de Europese Unie is, geen partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel een staat die geen partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt; - *℮-teken:* het teken bedoeld in bijlage I, punt 3.3, van Richtlijn 76/211/EEG; - *metrologische instantie:* de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen rechtspersoon; - *gedistilleerde drank*: drank als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 110/2008 (PbEU 2019, L 130); - *in de handel brengen:* voor het eerst tegen vergoeding of gratis in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot de douane-unie strekkend Verdrag, dan wel een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekken Verdrag dat Nederland bindt een voorverpakking met daarop een ℮-teken of gedistilleerde drank ter beschikking te stellen met het oog op distributie ervan; - *importeur:* degene die in de uitoefening van een bedrijf dat in Nederland"},{"b":"Besluit van 1 september 2020 tot wijziging van het Waterbesluit (actualisering van bijlagen III en IV) Artikel I *Wijzigt het Waterbesluit.* Artikel II Indien een werk of handeling op het tijdstip, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, niet strijdig was met daarvoor bij of krachtens de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458) geldende regels of voorschriften en daarvoor als gevolg van een wijziging krachtens dit besluit een watervergunning als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=1.1) vereist zou worden, blijft die vergunningplicht buiten toepassing, totdat er een wijziging van dat werk of die handeling plaatsvindt waarvoor een watervergunning vereist is. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 1 september 2021, houdende de vantoepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen op het afstromend water in Limburg ten gevolge van de regenval in juli 2021 Artikel 1 De [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637) is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan door het afstromend water in de provincie Limburg ten gevolge van de regenval in juli 2021. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst."},{"b":"Besluit van 1 september 2022 tot wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie en Besluit bezoldiging politie in verband met de formalisering van afspraken uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2021 en ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk alsmede enkele technische wijzigingen (Verzamelbesluit rechtspositie politie 2022) Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel III *Wijzigt het Besluit medaille trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie.* Artikel IV 1. In 2021 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder b, c, d, e en f van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), die op 1 januari 2021 of op 1 juli 2021 als zodanig zijn aangesteld. 2. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend en bedraagt de som van bruto € 700 en netto € 50 voor de ambtenaar met een aanstelling op 1 januari 2021 en 1 juli 2021 van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 3. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend en bedraagt de som van bruto € 350 en netto € 25 in geval van een aanstelling op slechts een van de data, bedoeld in het tweede lid, van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 4. Indien de ambtenaar slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, heeft dit geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. 5. Geen eenmalige uitkering ontvangen de ambtenaren bedoeld in het eerste lid, die op 1 januari 2021 en op 1 juli 2021 geen bezoldiging ontvingen in verband met buitengewoon onbezoldigd verlof. Indien dit verlof niet volledig genoten wordt, wordt de uitkering naar rato van de daadwerkelijke dienstverrichting berekend. 6. De ambtenaar kan op eigen verzoek afzien"},{"b":"Besluit van 10 April 1838, houdende bepaling van het tijdstip waarop de invoering der nieuwe Nederlandsche Wetgeving en de instelling van den Hoogen Raad zal plaats hebben Artikel 1 Het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838), het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, dat van Strafvordering, mitsgaders de wet van den 15den Mei 1829 (*Staatsblad* no. 28), houdende *algemeene bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk*, en die van den 18den April 1827 (*Staatsblad* no. 20), op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie, benevens de wijzigingen en veranderingen in dezelve wetboeken en wetten gemaakt, en eindelijk de wet van den 10den Mei 1837 (*Staatsblad* no. 21), houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk, zullen worden ingevoerd op den 1sten October 1838, en van verbindende kracht zijn met den klokslag van middernacht tusschen den 30sten September en den 1sten October van dit jaar. Artikel 2 De Hooge Raad der Nederlanden zal worden ingesteld en bijeenkomen op Vrijdag den 1sten Junij van dit loopende jaar, en zich in het tusschenvak zijner installatie tot op het tijdstip voor de invoering der nieuwe Nederlandsche Wetgeving bij het vorig artikel bepaald, *alleen* en bij *uitsluiting* bezig houden met de na te melden werkzaamheden, als: a. Het ontwerpen der verordeningen voortvloeijende uit het bepaalde bij artikel 19 der wet op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie; b. Het opstellen der tarieven, der voordragten en reglementaire verordeningen bij Onze besluiten van den 8sten Junij 1829 (*Staatsblad* no. 42, 43 en 44), en bij dat van den 16den Junij 1830 (*Staatsblad* no. 28) breeder omschreven; mitsgaders het ontwerpen van Reglementen van orde en discipline voor de advokaten en prokureurs bij den Hoogen Raad, de Provinciale Geregtshoven en de Arrondissements-Regtbanken, en eindelijk van reglementen op de organisa"},{"b":"Besluit van 10 april 1999, houdende wijziging van de titel van de begroting voor het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken Artikel 1 1. Aan de in [artikel 1, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=1) genoemde begrotingen wordt een begroting toegevoegd voor Koninkrijksrelaties. 2. De begroting voor Koninkrijksrelaties bevat de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten met betrekking tot de aan de Nederlandse Antillen en Aruba te verlenen hulp en bijstand met uitzondering van de ramingen welke ter zake van deze hulp en bijstand worden opgenomen in een begrotingsartikel «personeel en materieel» van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De in het vorige artikel bedoelde begroting wordt beheerd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Het koninklijk besluit van 31 augustus 1977, houdende toevoeging aan de rijksbegroting van een hoofdstuk voor het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse Zaken (Stb. 518), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en het werkt terug tot en met 1 januari 1999."},{"b":"Besluit van 10 april 2010, houdende nadere regels voor subsidiëring van cultuuruitingen (Besluit op het specifiek cultuurbeleid) Hoofdstuk 1. Subsidies ten behoeve van cultuuruitingen Artikel 1 1. Onze Minister kan ten behoeve van cultuuruitingen als bedoeld in [artikel 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4) projectsubsidies verstrekken. 2. Een projectsubsidie is een subsidie die anders dan per boekjaar wordt verstrekt. Artikel 2 Een subsidie of een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2017-04-11&g=2017-04-11) ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in [artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:34). Artikel 3 1. Onze Minister kan subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende categorieën van activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. 2. Als Onze Minister een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid vaststelt, wordt tegelijkertijd vermeld op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot subsidieverstrekking als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2017-04-11&g=2017-04-11) van dit besluit en de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), [4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4b) en [4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4c). Hoofdstuk 2. Specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten Artikel 5 Specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten ten behoeve van het door het desbetreffende openbaar lichaam te voeren cultuurbeleid worden door Onze Minister verstrekt met inachtneming van de [artikelen 6 tot e"},{"b":"Besluit van 10 april 2010, nr. 10.000954 houdende de vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2010 worden uitgegeven ter gelegenheid van 150 jaar Max Havelaar Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2010 worden uitgegeven ter gelegenheid van 150 jaar Max Havelaar is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: tegen een achtergrond van kleine ruimtelijke blokjes die verschillend gekanteld zijn Onze beeltenis met beginnend bovenin als omschrift ‘BEATRIX’, het teken van de Munt , het teken van de Muntmeester , ‘KONINGIN DER NEDERLANDEN’ en het jaartal 2010; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: vanuit het middelpunt, vanaf het puntje van de kroontjespen in het tweede kwadrant, in concentrische cirkels uitwaaierend de eerste zinnen van het boek ‘Max Havelaar’, in het derde kwadrant de waardeaanduiding 5€ onderscheidenlijk 10€, in het eerste en vierde kwadrant de tekst ‘150 jaar MAX HAVELAAR’, het geheel aan de rand omgeven door figuurtjes die landarbeiders voorstellen. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS * ». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 april 2010, tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de aanpassing van de hoogte van vergoedingen voor bepaalde beroepszaken in vreemdelingenbewaring en de verhoging van de eis van voldoende financieel belang Artikel I *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel II *Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria.* Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006404) zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op aanvragen om een toevoeging die door de raad voor rechtsbijstand zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 april 2015 nr. 2015000645, houdende departementale herindeling met betrekking tot Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming en de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, de daarmee samenhangende beveiliging en waarborgen en de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet, voor zover deze voor 1 mei 2015 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 De taken van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036541&artikel=1&z=2015-05-01&g=2015-05-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036541&artikel=2&z=2015-05-01&g=2015-05-01) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2015."},{"b":"Besluit van 10 december 1970, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende woonschepen naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening artikel Enig De zorg voor de aangelegenheden betreffende woonschepen, thans behorende tot de taak van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (Directoraat-Generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling), gaat met ingang van 1 januari 1971 over naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening."},{"b":"Besluit van 10 december 1992, houdende vaststelling van het warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *bedrijfsruimte:* de ruimte kennelijk bestemd voor het bereiden, behandelen, verpakken of het bewaren van eet- en drinkwaren, alsmede de bij bereiders van eet- en drinkwaren in gebruik zijnde ruimte voor het bewaren van grondstoffen; - – *behandelen:* het bewerken van eet- en drinkwaren na het bereiden en vóór het verpakken ervan, met welke handelingen de aard van de betrokken waar geen verandering ondergaat; - – *bestrijdingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel of biocide, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - – *cafeïne:* coffeïne of coffeïnemonohydraat (cafeïnemonohydraat) zoals omschreven in de Nederlandse Pharmacopee, achtste uitgave, deel II, pagina 535 en 536; - – *cafeïnegehalte:* de som van de gehaltes van de onder de definitie van cafeïne bedoelde stoffen, berekend als coffeïne (cafeïne); - – *decontaminatie-middel:* een proceshulpstof die: - 1°. uitsluitend bedoeld is om in direct contact met eet- en drinkwaren levende micro-organismen die op of in de waar aanwezig zijn, te doden; en - 2°. geen ingrediënt wordt van die waar, maar daarin uitsluitend aanwezig is als onbedoeld maar technisch onvermijdelijk residu; - – *EU-noodmaatregel:* een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte maatregel van de Commissie van de Europese Unie, vastgesteld krachtens artikel 53, eerste lid, onder a, of tweede lid, van verordening (EG) 178/2002, voor zover die maatregel strekt tot bescherming van de gezondheid van de mens; - – *grondstoffen:* grondstoffen, halffabrikaten en ingrediënten, bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren; - – *kinine:* kinine en de zouten van kinine als omschreven in de Nederlandse Pharmacopee, achtste uitgave, deel II, pagina 502 tot en met 504; - – *kinin"},{"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende bepalingen inzake het afleggen van de eed of belofte door en de vergoeding van buitengriffiers en waarnemend griffiers (Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers) Artikel 1 1. De buitengriffier, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=14), legt de eed of belofte af ten overstaan van het bestuur van het gerecht. Bij het afleggen van de eed of belofte is een getuige aanwezig. De eed of belofte wordt afgelegd volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. 2. Na het afleggen van de eed of belofte, bedoeld in het eerste lid, wordt het formulier ondertekend door de buitengriffier, de getuige en een lid van het bestuur ten overstaan van wie de eed of belofte is afgelegd. 3. Het bestuur van het gerecht houdt een register bij waarin de formulieren betreffende de door de buitengriffiers afgelegde eed of belofte worden bewaard. 4. De buitengriffier ontvangt van het bestuur van het gerecht een afschrift van het formulier betreffende de door hem afgelegde eed of belofte. Artikel 2 1. De waarnemend griffier, bedoeld in [artikel 73, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=73), legt de eed of belofte af ten overstaan van de president van de Hoge Raad. Bij het afleggen van de eed of belofte is een getuige aanwezig. De eed of belofte wordt afgelegd volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0013133) bij dit besluit. 2. Na het afleggen van de eed of belofte, bedoeld in het eerste lid, wordt het formulier ondertekend door de waarnemend griffier, de getuige en de president van de Hoge Raad. 3. De president van de Hoge Raad houdt een register bij waarin de formulieren betreffende de door de waarnemend griffiers afgelegde eed of belofte worden bewaard. 4. De waarnemend griffier"},{"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak) Artikel 1 1. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk rechterlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld. 2. Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 3. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 4. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het derde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 5. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid,"},{"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van gerechtsambtenaren en ambtenaren van het bureau van de Raad voor de rechtspraak door het gerechtsbestuur en de Raad voor de rechtspraak (Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak) Artikel 1 1. Het bestuur van een gerecht stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht een afschrift van de vervolgens gedane toekenning aan de Raad voor de rechtspraak. 2. Het bestuur van een gerecht dat voornemens is in het kader van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, een overeenkomst te sluiten als bedoeld in [artikel 670b, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=670b) met die gerechtsambtenaar, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid daarover advies uit te brengen. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van een gerecht een afschrift van de overeenkomst aan de Raad voor de rechtspraak. Artikel 2 *Vervallen* Artikel 2a *Vervallen* Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak."},{"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende regels omtrent de samenstelling en inrichting van het College van afgevaardigden en de afvaardiging van de leden (Besluit College van afgevaardigden) Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. College: het College van afgevaardigden, bedoeld in [artikel 90 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=90); - b. appèlgerechten: de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - c. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013128&paragraaf=2&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01). Paragraaf 2. Samenstelling, inrichting en afvaardiging Artikel 2 1. Het College bestaat uit achtentwintig leden, waarvan - a. dertien leden rechterlijk ambtenaar zijn, niet zijnde rechter in opleiding of officier in opleiding als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1) - b. dertien leden gerechtsambtenaar zijn, en - c. twee leden rechter in opleiding zijn. 2. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden per ressort afgevaardigd. Het aantal leden per ressort bedraagt: - a. namens het ressort Amsterdam: zes; - b. namens het ressort Arnhem-Leeuwarden: acht; - c. namens het ressort Den Haag: zes; - d. namens het ressort 's-Hertogenbosch: zes; waarvan telkens de helft gerechtsambtenaar is. Voor de toepassing van dit besluit wordt de Centrale Raad van Beroep gerekend bij het ressort Amsterdam en het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij het ressort Den Haag. 3. Per ressort wordt ten hoogste één lid van een gerechtsbestuur afgevaardigd. 4. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden aangewezen door de rechters in opleiding. 5. De leden van het College worden afgevaardigd voor een termijn van vier jaar. Zij kunnen na afloop van d"},{"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende regels voor de orde van dienst binnen de gerechten (Besluit orde van dienst gerechten) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definitiebepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «bestuur van een gerecht»: de Hoge Raad, het bestuur van een rechtbank dan wel het bestuur van een gerechtshof. § 2. Zittingen Artikel 2 De dagen waarop de gewone zittingen worden gehouden en de tijdstippen waarop de zittingen aanvangen, worden door het bestuur van een gerecht vastgesteld bij reglement. Voor burgerlijke zaken die met een dagvaarding worden ingeleid, worden in dat reglement de dag en het uur van de rolbehandeling opgenomen. Artikel 3 1. De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer kan bepalen dat in verband met de omstandigheden in een bepaalde zaak voor de behandeling van die zaak op andere dagen, tijdstippen of plaatsen zittingen worden gehouden dan is vastgesteld in het reglement, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013132&hoofdstuk=1&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01). 2. Het bestuur van een gerecht kan bepalen dat voor enig ander doel een buitengewone zitting plaatsvindt. Artikel 4 1. De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer bepaalt de duur van zittingen. 2. Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor het op tijd aanvangen van de zittingen. Artikel 5 1. Iedere rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast is bevoegd aan de procespartijen, advocaten en gemachtigden die optreden in zaken in zijn kamer aanhangig, inlichtingen te vragen naar aanleiding van de processtukken en de mondelinge voordrachten. 2. De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer is belast met de handhaving van de orde tijdens de zittingen. § 3. Indeling kamers Artikel 6 1. Het bestuur onderscheidenlijk de president van de Hoge Raad stelt vast hoe de voorzitter van ee"},{"b":"Besluit van 10 december 2003, houdende uitvoering van artikel 33, tweede, derde en vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Besluit gegevensverwerving CBS) § 1. Aanwijzing semi-publiekrechtelijk rechtspersonen Artikel 1 Krachtens [artikel 33, tweede lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33) worden aangewezen: - a. instellingen die een bij of krachtens de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714) dan wel de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338) geregelde taak uitoefenen; - b. de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer SIEV, gevestigd te Zoetermeer; - c. de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie NIWO, gevestigd te Rijswijk; - d. de Stichting Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg Nivel, gevestigd te Utrecht; - e. het landelijk onderzoeks- en informatiecentrum voor de zorgverzekeraars Vektis CV, gevestigd te Zeist. § 2. Aanwijzing categorieën van ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen Artikel 2 Krachtens [artikel 33, derde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33) worden aangewezen ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen die activiteiten ontplooien op het terrein van: - a. de landbouw, bosbouw en visserij; - b. de winning van delfstoffen; - c. de industrie; - d. de productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht; - e. de winning en distributie van water, het afval- en afvalwaterbeheer en sanering; - f. de bouwnijverheid; - g. de groot- en detailhandel; - h. vervoer en opslag; - i. logies-, maaltijd- en drankverstrekking; - j. uitgeverijen, omroepen en productie en distributie van content; - k. telecommunicatie, computerprogrammering, consultancy, informatica-infrastructuur en andere informatiediensten; - l. de financiële"},{"b":"Besluit van 10 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid) § 1. Begripsomschrijving Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. rijkswet: [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613); - b. scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft geresulteerd in het volgende: - 1°. dodelijk of ernstig letsel aan een persoon overkomen, dat is veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van een schip; - 2°. de vermissing van een persoon vanaf een schip, die is veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van het schip; - 3°. de vermissing, vermoedelijke vermissing of het verlaten van een schip; - 4°. schade aan een schip; - 5°. het stranden of onbruikbaar worden van een schip; - 6°. de betrokkenheid van een schip bij een aanvaring; - 7°. schade die is veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van een schip; - 8°. schade aan het milieu die is veroorzaakt door schade aan een of meerdere schepen, welke het gevolg is van of samenhangt met het functioneren van een schip; - c. zeer ernstig scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft geresulteerd in: - 1°. het overlijden van een persoon, dat het gevolg is van of samenhangt met het functioneren van een schip; - 2°. zeer ernstige schade aan het milieu, die is veroorzaakt door schade aan een of meerdere schepen, welke het gevolg is van of samenhangt met het functioneren van een schip; of - 3°. een schip dat total loss is; - d. ernstig scheepvaartongeval: een gebeurtenis, zijnde een brand, een ontploffing, een stranding, een aanvaring, zwaar weer, ijsgang, het falen van de constructie, of een andere oorzaak, die heeft geresulteerd in: - 1°. schade aan de voortstuwing, of ernstige schade aan accommodatie of de constructie van een schip, die de zeewaardigheid daarvan aantast; - 2°. het onmanoeuvreerbaar worden van een schip waardoor hulp van buiten noodzakelijk is, of - 3"},{"b":"Besluit van 10 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid) § 1. Begripsomschrijving Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder rijkswet: Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid. § 2. Deskundigheid van de raad Artikel 2 1. De keuze van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de rijkswet, geschiedt op zodanige wijze dat in de raad ten minste deskundigheid aanwezig is op het terrein van bestuurlijke zaken, gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie. 2. De keuze van de buitengewone leden van de raad, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de rijkswet, geschiedt op zodanige wijze dat in de raad tenminste deskundigheid aanwezig is op de specifieke terreinen waarop de raad onderzoek verricht. § 3. Eed of belofte Artikel 3 1. Alvorens zitting te nemen legt de voorzitter van de raad ofwel in handen van Onze Minister de eed af waarvan de tekst is weergegeven in het tweede lid, ofwel spreekt hij ten overstaan van Onze Minister de belofte uit, waarvan de tekst is weergegeven in het derde lid. 2. De tekst van de eed luidt: «Ik zweer dat ik het ambt van voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid overeenkomstig de voorschriften bij of krachtens de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid of enige andere wet gegeven, nauwgezet en onpartijdig, zonder aanzien van personen, zal vervullen. Ik zweer dat ik om in dit ambt te worden benoemd geen giften of gunsten heb gegeven of beloofd. Ik zweer dat ik om iets in het ambt te doen of te laten geen geschenken of beloften heb aangenomen of zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.». 3. De tekst van de belofte luidt: «Ik beloof dat ik het ambt van voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid overeenkomstig de voorschriften bij of krachtens de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid of enige andere wet gegeven nauwgezet en onpartijdig, zonder aanzien van personen, zal vervulle"},{"b":"Besluit van 10 december 2007 tot wijziging datum handhaving informatieverplichtingen werkgevers Artikel 1 Voor de datum, genoemd in [artikel 50, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017747&artikel=50) wordt 1 januari 2009 in de plaats gesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 december 2007 van de Minister van Financiën houdende aanpassing van de bijlagen A en B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Eerste wijzigingsbesluit aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie) Artikel I *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.* Artikel II *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.* Artikel III *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.* Artikel IV *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.* Artikel V *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.* Artikel VI 1. Voor de op grond van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023041&artikel=I&z=2007-12-20&g=2007-12-20) aangewezen rechtspersonen geldt dat de toepassing van [artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zodanig in de tijd gefaseerd zal geschieden, dat de op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog op een andere wijze uitgezette liquide middelen van de betrokken rechtspersonen, op een naar het oordeel van de Minister van Financiën doelmatige wijze in ’s Rijks schatkist zullen worden opgenomen. 2. De Minister van Financiën stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit na overleg met de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen voor elke rechtspersoon een tijdschema vast ter uitvoering van het eerste lid. Zo nodig geeft de Minister van Financiën een rechtspersoon een aanwijzing voor de uitvoering. 3. Voor de op grond van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023041&artikel=IV&z=2007-12-20&g=2007-12-20) aangewezen rechtspersonen geldt dat de toepassing van [artikel 45, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zodanig in de tijd gefaseerd"},{"b":"Besluit van 10 december 2007, houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken Artikel I *Wijzigt het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.* Artikel II In strafzaken waarin voor de inwerkingtreding van de [artikelen II, onder O tot en met R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=II), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=III), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=IV) en [VI van de Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=VI) voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig de [artikelen 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [74c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c), de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) en [37 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=37), [artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76) of [artikel 85 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=85), blijven de artikelen die door [artikel I, onder A en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023019&artikel=I&z=2008-02-01&g=2008-02-01), van dit besluit gewijzigd worden, van toepassing zoals zij luidden voor de inwerkingtreding van [artikel I, onder A en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023019&artikel=I&z=2008-02-01&g=2008-02-01), van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt, voor zover het betreft: - a. [artikel I, onder B, C en D, onder 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023019&artikel=I&z=2008-02-01&g=2008-02-01), in werking met ingang van 1 januari 2008, - b. [artikel I, onder D, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023019&artikel=I&z=2008-02-01&g=2008-02-01), in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 21 nove"},{"b":"Besluit van 10 december 2014 tot vaststelling van de tijdstippen, bedoeld in de artikelen 22, eerste en vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 15, derde lid, en 31, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand Artikel 1 1. Als tijdstip, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=22) wordt vastgesteld 31 december 2014. 2. Als tijdstip, bedoeld in de [artikelen 22, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=22), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=15), en [31, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31) wordt vastgesteld 1 oktober 2016. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 december 2015 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter vaststelling van nadere regels voor het toezicht op kredietunies (Besluit toezicht kredietunies) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het uit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezicht kredietunies."},{"b":"Besluit van 10 december 2025, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren vanwege een verbod op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij (Besluit verbod gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij) [KetenID WGK025475] Artikel I *Wijzigt het Besluit houders van dieren.* Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2025, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verbod gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij."},{"b":"Besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.* Artikel II Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op een overeenkomst, voor het leveren van een voorziening door een aanbieder, die voor dat tijdstip is gesloten of die is gesloten naar aanleiding van een aankondiging van een overheidsopdracht als bedoeld in de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203), die voor dat tijdstip is bekendgemaakt, tenzij deze overeenkomst na dat tijdstip door het college of de aanbieder wordt verlengd. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 10 februari 2017, houdende wijziging van tabel 4 in de bijlage bij het Besluit Hersendoodprotocol in verband met het herstel van een omissie Artikel I *Wijzigt het Besluit Hersendoodprotocol.* Artikel II *Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet, enz. (herstellen misslagen en omissies).* Artikel III Indien in de periode van 1 augustus 2016 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij de vastlegging van de wijze van vaststelling van de hersendood gebruik is gemaakt van een verklaring waarvan het model overeenkomt met het in artikel I opgenomen model, wordt dat gebruik gelijkgesteld met gebruikmaking van het bij Besluit van 21 maart 2016, houdende vervanging van de bijlage bij het Besluit hersendoodprotocol (Stb. 2016, 170) vastgestelde model. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 10 februari 2017, nr. DGETM/EI 16177343, tot vaststelling van het percentage duurzame elektriciteit van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door middel van niet-zuivere biomassa in een afvalverbrandingsinstallatie Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035971&artikel=19), bedraagt in kalenderjaar 2017 54 procent. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 februari 2023 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns en enige andere besluiten in verband met implementatie van de horizontale accijnsrichtlijn (EU) 2020/262 en de richtlijn alcoholaccijns (EU) 2020/1151 (Implementatiebesluit richtlijnen accijns 2023) Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns.* Artikel II *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.* Artikel III *Wijzigt het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit energie vervoer.* Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 13 februari 2023. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 12 februari 2023, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 13 februari 2023. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit richtlijnen accijns 2023."},{"b":"Besluit van 10 januari 2022 nr. 2022000017, houdende departementale herindeling met betrekking tot versterking en perspectief Groningen Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van versterking en perspectief Groningen, voor zover deze voor 10 januari 2022 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046203&artikel=1&z=2022-01-19&g=2022-01-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046203&artikel=2&z=2022-01-19&g=2022-01-19) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 januari 2022."},{"b":"Besluit van 10 januari 2022 nr. 2022000018, houdende departementale herindeling met betrekking tot maatschappelijke diensttijd Artikel 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt belast met de behartiging van aangelegenheden op het terrein van maatschappelijke diensttijd voor zover deze voor 10 januari 2022 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046204&artikel=1&z=2022-01-19&g=2022-01-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046204&artikel=2&z=2022-01-19&g=2022-01-19) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 januari 2022."},{"b":"Besluit van 10 juli 1996, houdende regels inzake de verstrekking van gegevens ten behoeve van de waardebepaling en waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken) Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder informatieplichtige: degene die in het bezit is van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers waarvan de raadpleging, onderscheidenlijk de gegevens- en inlichtingenverstrekking van belang kunnen zijn voor de vaststelling van feiten die van invloed kunnen zijn op de bepaling en de vaststelling van de waarde van onroerende zaken ingevolge de [hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=III) en [IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV), dan wel degene die van deze feiten kennis draagt, met dien verstande dat: - a. voor de waardebepaling van een onroerende zaak, bedoeld in [hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=III), en voor de ten behoeve van de waardebepaling uit te voeren marktanalyse, bedoeld in [artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=4), slechts hieronder wordt begrepen: - 1°. de eigenaar, bezitter, beperkt of persoonlijk gerechtigde of beheerder van een onroerende zaak; - 2°. een ieder die bemiddelt bij transacties met onroerende zaken; - 3°. degene die onroerende zaken vervaardigt of doet vervaardigen; - 4°. degene die een onroerende zaak aanmerkt als landgoed op grond van [artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2); - b. voor de waardevaststelling van een onroerende zaak, bedoeld in [hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV), slechts hieronder wordt begre"},{"b":"Besluit van 10 juli 2007, houdende regels over de hoogst toelaatbare pachtprijs (Pachtprijzenbesluit 2007) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. (definities) In dit besluit wordt verstaan onder: - – bedrijveninformatienet: informatienet, waarin de gegevens worden verzameld, bedoeld in verordening nr. 79/65/EEG van de Raad van 15 juni 1965 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Economische Gemeenschap (PbEG 109); - – verpachte waarde: 50% van de waarde van landbouwgrond in onverpachte staat in het jaar voorafgaand aan het jaar, waarin de regeling, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) in werking treedt; - – Standaardopbrengst: maatstaf om de economische bedrijfsomvang vast te stellen, die is gebaseerd op de standaardwaarde van de brutoproductie, die wordt vastgesteld volgens verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PbEU L 335); - – Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - – pachtprijsgebied: gebied als bedoeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0022448) bij dit besluit; - – reële lange kapitaalmarktrente: effectief rendement van de 10-jarige Euro Interest Rate Swap verminderd met de inflatie; - – vergoeding voor eigen arbeid: modaal inkomen vastgesteld door het Centraal Planbureau, zoals dat gold in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling van Onze Minister, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01); - – vrije verkeerswaarde: waarde van land in onverpachte staat die overeenstemt met de prijs bij voortgezet agrarisch gebruik, en die tot stand komt als redelijk handelende partijen op de markt tot koop en"},{"b":"Besluit van 10 juli 2015 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten ter implementatie van de richtlijn solvabiliteit II en de verordening solvabiliteit II (Implementatiebesluit richtlijn en verordening solvabiliteit II) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit reikwijdtebepalingen Wft.* Artikel V *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.* Artikel VIII *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel IX [Artikel 130, tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=130), zoals dat luidde op 31 december 2015, is van toepassing op de verstrekking van de staten over het boekjaar 2015, met inachtneming van de regels die op 31 december 2015 golden, door: - a. entiteiten voor risico-acceptatie en verzekeraars als bedoeld in dat lid, en - b. onderlinge waarborgmaatschappijen waaraan op grond van [artikel 4 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020419&artikel=4), zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, een verklaring was verleend. Artikel X Artikel 314 van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2015, L 12) is van overeenkomstige toepassing op een verzekeraar als b"},{"b":"Besluit van 10 juli 2015, houdende regels met betrekking tot de uitvoering van hoofdstuk IIB van de Bankwet 1998 (Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998) Artikel 1. (aanwijzen organisaties en gegevens) 1. De internationale organisaties, bedoeld in [artikel 9d, eerste lid, aanhef, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d) zijn: - a. het Internationaal Monetair Fonds; - b. de Raad voor Financiële Stabiliteit; - c. de Bank voor Internationale Betalingen. 2. De rechtspersonen, bedoeld in [artikel 9d, eerste lid, onderdeel b, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d), zijn: - a. de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - b. de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2). 3. De categorieën, bedoeld in [artikel 9d, tweede lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d) en de gegevens die de Bank bij hen kan opvragen, zijn: - a. de Stichting Bureau Kredietregistratie gevestigd te Tiel, waarbij gegevens kunnen worden opgevraagd die zijn geregistreerd in haar Centraal Krediet Informatiesysteem, zijnde een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in [artikel 4:32 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:32); - b. financiële ondernemingen als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), waarbij gegevens kunnen worden opgevraagd over balansposten van die ondernemingen en financiële transacties van die ondernemingen met andere partijen, voor zover deze gegevens niet door de Bank kunnen worden verkregen uit hoofde van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - c. ondernemin"},{"b":"Besluit van 10 juli 2019, houdende regels met betrekking tot de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in geval van een faillietverklaring van een verzekeraar (Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement) Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit is van toepassing op de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in faillissement. Artikel 2. Definities 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *verordening solvabiliteit II:* gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2015, L 12); - b. *relevante risicovrije rentetermijnstructuur:* de risicovrije rentetermijnstructuur van spot rentes, berekend overeenkomstig de artikelen 43 tot en met 46 van de verordening solvabiliteit II, zonder matchingsopslag, zonder volatiliteitsaanpassing en zonder gebruikmaking van de ultimate forward rate, met dien verstande dat voor de rentelooptijden waarvoor geen risicovrije spotmarktrente tot stand komt, de relevante risicovrije rentetermijnstructuur berekend wordt met de eenjaars forward rate onder de vooronderstelling dat de eenjaars forward rate voor deze rentelooptijden gelijk is aan de eenjaars forward rate van het laatste liquide punt; - c. *eenjaars forward rate:* het rendement dat hoort bij de verandering van opeenvolgende spot rentes. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: - a. *matchingsopslag:* de matchingsopslag, bedoeld in de artikelen 52 tot en met 54 van de verordening solvabiliteit II; - b. *volatiliteitsaanpassing:* de volatiliteitsaanpassing, bedoeld in de artikelen 49 tot en met 51 van de verordening solvabiliteit II; - c. *ultimate forward rate:* de ultimate forward rate, bedoeld in artikel 47 van de verordening solvabiliteit II. Artikel 3. Geen toezegging"},{"b":"Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving is aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet Artikel 1 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 22.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.4), [22.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.5), [22.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.6), [22.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.16), en [22.17 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.17) en de [artikelen 8.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923&artikel=8.2.2) en [8.2.11 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923&artikel=8.2.11), wordt bepaald op 1 januari 2032. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 22.15 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.15), wordt bepaald op 1 januari 2026. 3. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 4.9, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.9), wordt bepaald op 1 januari 2027. 4. Het tijdstip, bedoeld in [artikel XVI, vijfde lid, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044911&artikel=XVI), wordt bepaald op 1 januari 2032. Artikel 2 [Artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.8) treedt in werking met ingang van 1 januari 2032."},{"b":"Besluit van 10 juli 2023, houdende nadere regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid in evidente gevallen (Besluit evidente staatloosheid) Artikel 1 1. Van evidente staatloosheid als bedoeld in artikel 5 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid is sprake indien de gesteld staatloze: - a. beschikt over een document waaruit de vaststelling van staatloosheid blijkt, verstrekt door een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen; - b. een in Nederland geboren kind is van ouders die staatloos zijn en beschikt over een geboorteakte in de zin van [artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3); - c. een in Nederland geboren kind is wiens vader staatloos is en wiens moeder uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin van [artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3); - d. een in Nederland geboren kind is dat geen vader heeft in de zin van [artikel 199 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=199) en wiens moeder staatloos is of uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin van [artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3); - e. louter de nationaliteit bezit van een staat die door Nederland niet wordt erkend. 2. In de regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen ook regels worden gesteld over de voorwaarden waaraan het document waaruit de vaststelling van staatloosheid blijkt, moet voldoen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit evidente staatloosheid."},{"b":"Besluit van 10 juli 2023, houdende regels ter uitvoering van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES, alsmede houdende wijziging van het Visserijbesluit BES in verband met het uitbreiden van verboden vistuigen en vistechnieken, redactionele verbeteringen en technische wijzigingen (Uitvoeringsbesluit Wgnb BES) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - *haaien en roggen:* dieren van soorten behorend tot de familie van de Elasmobranchii; - *Onze minister:* Onze Minister voor Natuur en Stikstof; - *wet:* [Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434); - *Yarari-reservaat:* gebied dat op grond van [artikel 2a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=2a) door Onze minister is ingesteld als natuurpark ten uitvoering van het SPAW-protocol, ten behoeve van dieren van walvisachtigen, haaien en roggen en hun leefgebieden, en dat de territoriale wateren van de openbare lichamen Saba, Sint-Eustatius en Bonaire omvat, alsmede de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, als bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), voor zover deze betrekking heeft op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt mede verstaan onder verhandelen: aankopen, te koop vragen, verwerven voor commerciële doeleinden, tentoonstellen voor commerciële doeleinden, gebruik met winstoogmerk, verkopen, in bezit hebben met het oog op verkoop, ten verkoop aanbieden of vervoeren met het oog op verkoop, huren, verhuren, ruilen of ten ruil aanbieden. Hoofdstuk 2. Beschermingsmaatregelen Yarari-reservaat Artikel 2 Alle binnen het Yarari-reservaat van nature in het wild voorkomende soorten haaien en roggen die niet al zijn opgenomen in Bijlage II of Bijlage III bij het SPAW-protocol worden aangemerkt als besc"},{"b":"Besluit van 10 juni 1994, houdende regels inzake de taken die de commissaris van de Koning op grond van artikel 126 Grondwet als rijksorgaan vervult Artikel 1 De commissaris bevordert de door hem noodzakelijk geachte samenwerking tussen in zijn provincie werkzame rijksambtenaren en personen deel uitmakend van de krijgsmacht, en tussen deze functionarissen en het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen. Artikel 2 1. De commissaris is bevoegd bij in de provincie werkzame rijksambtenaren en personen deel uitmakend van de krijgsmacht inlichtingen in te winnen en met hen overleg te plegen. Deze functionarissen zijn, behoudens het bepaalde in het tweede lid, verplicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken en aan het overleg deel te nemen. 2. Indien de in het eerste lid bedoelde functionarissen weigeren de op grond van deze ambtsinstructie gevraagde medewerking te verlenen, brengt de commissaris Onze Ministers wie het aangaat, alsmede Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan op de hoogte. 3. De commissaris geeft, indien een ramp, een crisis of een ordeverstoring van meer dan plaatselijke betekenis dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan zulks noodzakelijk maken, de in het eerste lid bedoelde functionarissen, met uitzondering van de ambtenaren van het openbaar ministerie, zoveel mogelijk na overleg met hen, de nodige aanwijzingen met betrekking tot de wijze waarop zij bij de uitoefening van de hun opgedragen taken met elkaar samenwerken en met het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen, de besturen van de veiligheidsregio’s en de waterschapsbesturen. De functionarissen zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen. Onze Minister wie het aangaat kan de aanwijzingen ongedaan maken. Het verzoek daartoe heeft geen schorsende werking. De commissaris kan aan het College van procureurs-generaal verzoeken de ambtenaren van het openbaar ministerie de nodige instructies te geven. Artikel 3 De commissaris brengt met"},{"b":"Besluit van 10 juni 2002, houdende de wijziging van de naam van het Regiment Stoottroepen in Regiment Stoottroepen Prins Bernhard Artikel 1 Het Regiment Stoottroepen wordt met ingang van 29 juni 2002 voortgezet onder de naam: *REGIMENT STOOTTROEPEN PRINS BERNHARD* Artikel 2 Aan het vaandel van het Regiment Stoottroepen wordt een cravate gehecht waarop de naam: *REGIMENT STOOTTROEPEN PRINS BERNHARD* wordt vermeld. Artikel 3 In het Koninklijk Besluit van 12 maart 1977, nummer 101, houdende bepalingen inzake rangschikking, oprichtingsdata en genealogieën van de regimenten en korpsen der Koninklijke Landmacht, wordt «Regiment Stoottroepen» telkens vervangen door: Regiment Stoottroepen Prins Bernhard. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 juni 2010, houdende vaststelling van de grenzen van de exclusieve economische zone van het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden (Besluit grenzen Caribische exclusieve economische zone) Artikel 1 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) wordt de buitengrens van de exclusieve economische zone van het Koninkrijk voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevormd door de lijn, waarvan elk punt gelegen is op een afstand van tweehonderd zeemijlen, zijnde 370 kilometer en 400 meter, gemeten zeewaarts vanaf de basislijnen vanaf welke de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 1. Waar een grens met andere Staten is overeengekomen welke geheel of ten dele landwaarts ligt van de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), is deze grenslijn de buitengrens van de exclusieve economische zone. 2. Waar nog geen grenslijn met andere Staten is overeengekomen en de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), verder weg ligt van de basislijnen dan de middellijn, waarvan elk punt even ver verwijderd is van de dichtstbij gelegen punten van de basislijnen vanaf welke de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten, is de buitengrens van de exclusieve economische zone deze middellijn. Artikel 3 *Wijzigt dit besluit.* Artikel 4 1. De [Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480) treedt voor Aruba en de Nederlandse Antillen in werking op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grenzen Caribische"},{"b":"Besluit van 10 juni 2013, nr. 13.001140 houdende departementale herindeling met betrekking tot visa lang verblijf Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden betreffende de verlening van visa met het oog op de toegang voor een verblijf met een duur van meer dan drie maanden, voor zover deze zorg voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit was opgedragen aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033565&artikel=1&z=2013-06-21&g=2013-06-21) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033565&artikel=2&z=2013-06-21&g=2013-06-21) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2013."},{"b":"Besluit van 10 juni 2020, houdende regels over de onderzoeken die kunnen worden ingezet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter vaststelling van het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden (Besluit rijden onder invloed BES) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *blaastest:* een blaastest als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317&artikel=5a); - b. *bloedonderzoek:* een onderzoek van bloed als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317&artikel=5a); - c. *eilandsverordening:* de verordening van Bonaire, Sint Eustatius of Saba op grond waarvan het een persoon niet is toegestaan een motorrijtuig te besturen of onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen boven de voor alcohol vastgestelde grenswaarde; - d. *opsporingsambtenaar:* een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); - e. *wet:* de [Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317). § 2. Blaastest Artikel 2 1. Een blaastest bestaat uit: - a. een voorlopig ademonderzoek met een ademtester; en - b. een nader ademonderzoek met een ademanalyseapparaat. 2. Een blaastest wordt verricht door een opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. Het voorlopig ademonderzoek geschiedt door het laten blazen van ademlucht in een bij ministeriële regeling aangewezen ademtester. 2. Indien het voorlopig ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan het onderzoek eenmaal opnieuw worden verricht. 3. Indien het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verb"},{"b":"Besluit van 10 juni 2026, houdende de vaststelling van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het primair en speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026), houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met het vaststellen van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het voortgezet onderwijs en houdende wijziging van diverse onderwijsbesluiten in verband met de vaststelling van vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het funderend onderwijs (Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde) [KetenID WGK027201] Artikel I. Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026 *Stelt het Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026 vast.* Artikel II. Wijziging Uitvoeringsbesluit WVO 2020 *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.* Artikel III. Besluit vernieuwde kerndoelen WPO *Wijzigt het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO.* Artikel IV. Besluit kerndoelen WPO BES *Wijzigt het Besluit kerndoelen WPO BES.* Artikel V. Besluit kerndoelen WEC *Wijzigt het Besluit kerndoelen WEC.* Artikel VI. Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel *Wijzigt het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.* Artikel VII. Besluit trekkende bevolking WPO *Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO.* Artikel VIII. Inrichtingsbesluit WPO *Wijzigt het Inrichtingsbesluit WPO.* Artikel IX. Onderwijskundig besluit WEC *Wijzigt het Onderwijskundig besluit WEC.* Artikel X. Uitvoeringsbesluit WHW 2008 *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW 2008.* Artikel XI. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026. Artikel XII. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde."},{"b":"Besluit van 10 juni 2026, houdende de vaststelling van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het primair en speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026), houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met het vaststellen van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het voortgezet onderwijs en houdende wijziging van diverse onderwijsbesluiten in verband met de vaststelling van vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het funderend onderwijs (Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde) [KetenID WGK027201] Artikel 1. Kerndoelen primair en speciaal onderwijs De kerndoelen, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=9) en [artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=13), worden voor de onderwerpen Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052864&bijlage=1&z=2026-08-01&g=2026-08-01) bij dit besluit. Artikel 2. Functionele kerndoelen speciaal onderwijs De kerndoelen, bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=13), voor het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is, worden voor de onderwerpen Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052864&bijlage=2&z=2026-08-01&g=2026-08-01) bij dit besluit. Artikel 3. Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding De kerndoelen, bedoeld in [artikel 14f, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14f), voor het onderwijs in het uitstroomprofiel dagbeste"},{"b":"Besluit van 10 maart 2006, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid) Artikel I *Wijzigt het Bouwbesluit 2003.* Artikel II Voor wegtunnels die zijn opengesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijven de [artikelen 2.218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012727&artikel=2.218) en [2.219 van het Bouwbesluit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012727&artikel=2.219) en de daarop rustende bepalingen tot 1 mei 2014 buiten beschouwing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 10 maart 2010, houdende vaststelling van het eedformulier voor de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Besluit beëdiging Gevolmachtigde Ministers) Artikel 1 Het formulier van de eed (verklaring en belofte) die de Gevolmachtigde Minister van Aruba ingevolge [artikel 9 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=9) aflegt alvorens zijn betrekking te aanvaarden, luidt als volgt: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Gevolmachtigde Minister te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Staatsregeling van Aruba. Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt, getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)» Artikel 2 Het formulier van de eed (verklaring en belofte), die de Gevolmachtigde Minister van Curaçao ingevolge [artikel 9 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=9) aflegt alvorens zijn betrekking te aanvaarden, luidt als volgt: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Gevolmachtigde Minister te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Staatsregeling van Curaçao. Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt, getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en bel"},{"b":"Besluit van 10 maart 2023 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met de introductie van de vergelijkingskaart financiëledienstverleners Artikel I *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel II In afwijking van [artikel 86f van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=86f) is het een financiëledienstverlener toegestaan om gedurende een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, ten aanzien van het verlenen van een financiële dienst inzake een financieel product als bedoeld in [artikel 86c, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=86c) een dienstverleningsdocument te verstrekken in overeenstemming met artikel 86f van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2023 met uitzondering van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047999&artikel=I&z=2023-04-01&g=2023-04-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 mei 1993, houdende bepalingen voor de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichtingen daarop van banken § 1. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop Artikel 1 1. Onder de activa worden afzonderlijk opgenomen: - a. de kas, de tegoeden op girorekeningen en de onmiddellijk opeisbare tegoeden bij centrale banken in landen waar de bank een vestiging heeft; - b. de waardepapieren uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste twee jaar, die herfinancierbaar zijn bij de centrale bank; - c. de vorderingen; - d. de verhandelbare, uitgegeven waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente; - e. de aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren; - f. de deelnemingen; - g. de immateriële activa, op overeenkomstige wijze als bepaald in [artikel 365 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=365); - h. de materiële vaste activa; - i. de overige activa; - j. de van aandeelhouders opgevraagde stortingen; - k. de overlopende activa. 2. Onder de passiva worden afzonderlijk opgenomen: - a. de schulden, al dan niet in verhandelbare schuldbewijzen belichaamd; - b. de overlopende passiva, voor zover zij niet onder de schulden zijn vermeld; - c. de voorzieningen, op de wijze bepaald in [artikel 374 leden 1, 2 en 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=374); - d. de achtergestelde schulden; - e. het eigen vermogen, op overeenkomstige wijze als bepaald in [artikel 373 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=373). 3. Buiten de balanstelling worden opgenomen de voorwaardelijke schulden en de onherroepelijke toezeggingen die tot een kredietrisico kunnen leiden. Artikel 2 1. Vermogens die de bank in eigen naam voor rekening van een ander niet afgescheiden van haar eigen activa en passiva beheert, worden onder de desbetreff"},{"b":"Besluit van 10 mei 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau Hoofdstuk I. Verleningscriteria Artikel 1 1. De Orde van de Nederlandse Leeuw strekt tot onderscheiding van personen wegens bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard jegens de samenleving. 2. Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien: - a. iemand een verantwoordelijkheid heeft gedragen of een bekwaamheid heeft getoond die aanmerkelijk groter is dan de samenleving van hem mocht verwachten; - b. iemand op uitstekende wijze werkzaamheden heeft verricht waarbij de samenleving in zeer belangrijke mate is gebaat, en in het bijzonder indien de maatschappelijke waardering daarvoor niet op andere wijze tot uitdrukking is gekomen of - c. iemand alleen of samen met anderen, al dan niet in opdracht, een zeer uitzonderlijke prestatie heeft verricht. Artikel 2 1. De Orde van Oranje-Nassau strekt tot onderscheiding van personen wegens bijzondere verdiensten jegens de samenleving. 2. Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien: - a. iemand zich geruime tijd ten bate van de samenleving heeft ingespannen of anderen heeft gestimuleerd; - b. iemand een of meer opvallende prestaties heeft geleverd of werkzaamheden heeft verricht die voor de samenleving een bijzondere waarde hebben. 3. Bij de vaststelling van de bijzondere verdiensten, bedoeld in het tweede lid, kan in aanmerking worden genomen dat iemand geruime tijd werkzaamheden heeft verricht op een wijze die betrokkene onderscheidt van anderen en die getuigt van een karaktervolle en voorbeeldige plichtsvervulling. Hoofdstuk II. Onderscheidingstekens § 1. De onderscheidingstekens van de Orde van de Nederlandse Leeuw Artikel 3 In de artikelen 4 en 5 worden onder versiersel en lint verstaan het versiersel en het lint, zoals omschreven in artikel 7 van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw (*Stb.* 1994, 352). Art"},{"b":"Besluit van 10 mei 2001, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Indonesië Artikel 1 Dit besluit verstaat onder de Overeenkomst de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 1973, 53, Trb. 1975, 21 en Trb. 1994, 118), zoals gewijzigd bij het op 22 juli 1991 ondertekende Protocol tot wijziging van de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 1991, 133 en Trb. 1994, 119), zoals dit Protocol nadien is gewijzigd bij het op 23 augustus 1993 ondertekende Protocol tot wijziging van het op 22 juli 1991 ondertekende Protocol tot wijziging van de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen (Trb. 1993, 136 en Trb. 1994, 120), zoals deze Overeenkomst is beëindigd per 1 januari 2001. Artikel 2 Ter voorkoming van dubbele belasting en ter voorkoming van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen vindt de Overeenkomst toepassing als ware de Overeenkomst nog van kracht en voor zover de Overeenkomst overeenkomstig wordt toegepast door de Republiek Indonesië tot de datum waarop een nieuwe overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 4 Dit beslui"},{"b":"Besluit van 10 mei 2010 tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 en enkele andere algemene maatregelen van bestuur (technische aanpassing ten gevolge van modernisering regelgeving milieueffectrapportage) Artikel I *Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.* Artikel II *Wijzigt het Besluit algemene regels milieu mijnbouw.* Artikel III *Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit ontgrondingen in rijkswateren.* Artikel V *Wijzigt het Besluit ruimtelijke ordening.* Artikel VI *Wijzigt het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol.* Artikel VII *Wijzigt het Mijnbouwbesluit.* Artikel VIII Het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op een verzoek als bedoeld in [artikel 5, eerste of tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006788&artikel=5) dat is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IX Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 10 mei 2011, houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en de tien euro die in jaar 2011 worden uitgegeven met het thema «Nederland en schilderkunst» Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2011 worden uitgegeven met het thema «Nederland en schilderkunst» is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis kijkend naar een deel van het schilderij «Gezicht op Delft» van Johannes Vermeer, boven het schilderij de tekst «KONINGIN DER NEDERLANDEN» en onder het schilderij Onze naam; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: op de achtergrond van een deel van het schilderij «Gezicht op Delft»’ van Johannes Vermeer de achterkant van een schilderijlijst met daarop rechts onderin de initialen «PM», boven de schilderijlijst de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO» en in het midden onderin het teken van de Muntmeester , het jaartal «2011» en het teken van de Munt . 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 november 1954, houdende regelen met betrekking tot verbintenissen van reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht Artikel 1 Een tot het reserve-personeel behorende militair, die wenst te worden opgeleid voor een der door Onze Minister van Defensie aan te wijzen functies bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht, kan, indien hij: - a. voldoet aan de eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid gesteld voor de door hem begeerde functie, - b. voldoet aan andere door Onze Minister van Defensie gestelde of nog te stellen eisen, worden toegelaten tot een verbintenis, krachtens welke hij verplicht is: - 1e. de opleiding tot die functie te volgen; - 2e. gedurende vier jaren, na voltooiing van en in aansluiting op de onder 1e bedoelde opleiding, in die functie - afhankelijk van de aard van de te bekleden functie als officier of onderofficier - doorlopende werkelijke dienst te verrichten. Artikel 2 1. Met het sluiten van een verbintenis als bedoeld in dit besluit neemt de militair de uit de verbintenis voorvloeiende verplichting tot het verrichten van doorlopende werkelijke dienst, voor zover deze uitgaat boven de verplichtingen, welke krachtens de [Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883) op hem rusten, vrijwillig op zich. 2. Een verbintenis als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158&artikel=1&z=1960-01-01&g=1960-01-01) geeft aanspraak op een geldelijke uitkering ter zake van doorlopende werkelijke dienst, verricht na het tijdstip, waarop de in dat artikel onder 1e bedoelde opleiding is voltooid, onder voorwaarden en tot een bedrag als nader door Ons zal worden vastgesteld. Artikel 3 1. Van verbintenissen als bedoeld in dit besluit worden akten in tweevoud opgemaakt volgens door Onze Minister van Defensie vast te stellen modellen. 2. Onze Minister van Defensie bepaalt welke autoriteiten bij het sluiten en bij het bekrachtigen van een verb"},{"b":"Besluit van 10 november 1954, houdende vaststelling van een premieregeling voor reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder maand: de periode, gerekend van een datum tot de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand. Artikel 2 1. Een militair of gewezen militair, die een verbintenis als bedoeld in artikel 1, in artikel 5, eerste of derde lid - in het laatste geval hetzij voor de eerste maal, hetzij na verlenging voor een tweede maal - of in [artikel 6, tweede lid, van het Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158&artikel=6), ten volle heeft volbracht, dan wel wiens zodanige verbintenis door een niet van zijn handelen of nalaten afhankelijke oorzaak is geëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand welke hij krachtens de bedoelde - eventueel verlengde - verbintenis, anders dan ter voldoening aan de in artikel 1 onder 1° van het vorengenoemde besluit bedoelde verplichting, in werkelijke dienst heeft doorgebracht, aanspraak op een geldelijke uitkering. 2. De in lid 1 bedoelde geldelijke uitkering bedraagt voor een maand: - a. f 166,- indien de militair of gewezen militair op de laatste dag van die maand een officiersrang bekleedde; - b. f 116,- in alle andere dan de onder *a* bedoelde gevallen. 3. Indien een verbintenis door de in het eerste lid genoemde oorzaak niet ten volle wordt volbracht, wordt voor de berekening van de in dat lid bedoelde geldelijke uitkering een gedeelte van een maand aangemerkt als een volle maand. Artikel 3 Een uitkering als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002159&artikel=2&z=1961-07-27&g=1961-07-27) wordt uitbetaald binnen twee weken nadat daarop aanspraak is ontstaan, tenzij de belanghebbende te kennen geeft, dat hij aan uitbetaling op een later tijdstip of aan uitbetaling in termijnen de voorkeur geeft, in welk geval zulks kan plaats vinden met toepas"},{"b":"Besluit van 10 november 1982, houdende herindeling van de departementale taak met betrekking tot openluchtrecreatie Artikel 1 Met ingang van heden: - 1. Onze Minister van Landbouw en Visserij te belasten met de zorg voor de openluchtrecreatie, voorzover thans opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en de taak van beide departementen dienovereenkomstig te wijzigen. - 2. De organisatorische afwikkeling van zaken, verband houdende met het hierboven bepaalde op te dragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken."},{"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende overgangsrechtelijke bepalingen krachtens hoofdstuk 20 van de Telecommunicatiewet (Besluit overgangsrecht Telecommunicatiewet) § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). § 2. Criteria als bedoeld in artikel 20.1, vierde lid, van de wet Artikel 2 1. Criteria als bedoeld in [artikel 20.1, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.1) zijn: - a. het hanteren van dezelfde tarieven in het gehele land voor gelijke vormen van dienstverlening, - b. verkeersvolume, - c. tijdsduur, - d. tijdstip, - e. afstand of - f. contractduur. 2. Na het voor de eerste maal vaststellen van de hoogte van de tarieven kan de hoogte van de tarieven eenmaal per jaar opnieuw worden vastgesteld, uitgaande van de ramingen van het Centraal Planbureau ten aanzien van de ontwikkeling van de consumptieprijs voor de periode waarin de nieuwe tarieven zullen gelden. § 3. Vergunningen met een in de tijd onbeperkte werking Artikel 3 Deze paragraaf is van toepassing op vergunningen als bedoeld in [artikel 20.3, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.3) die krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met een in de tijd onbeperkte werking zijn verleend. Artikel 4 Een vergunning als bedoeld in [artikel 20.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.3) geldt voor een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing maritiem (grote handelsvaart). Artikel 5 Een vergunning als bedoeld in [artikel 20.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.3) geldt voor een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing: - a. radiozendamateurs, - b. experimenteel radio-onderzoek, - c"},{"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende regels met betrekking tot de technische aftapbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten en de, inzake aftappen, te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen (Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een openbare telecommunicatiedienst; - c. bijzondere last: bevoegd gegeven last tot aftappen; - d. gebruiker: de natuurlijke of rechtspersoon die met de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een netwerk of de levering van een openbare telecommunicatiedienst, alsmede degene die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst; - e. bevoegde autoriteit: - 1°. de opsporingsambtenaar belast met de uitvoering van een bijzondere last, - 2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, - 3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Artikel 2 De aanbieder richt zijn openbare telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst zodanig in dat aan de volgende vereisten wordt voldaan: - a. een bijzondere last wordt uitgevoerd op basis van het daarin door de lastgever vermelde nummer van de af te tappen gebruiker; - b. een bijzondere last wordt onverwijld uitgevoerd op het tijdstip en gedurende de periode die in de bijzondere last is vastgelegd; - c. de uitvoering van een bijzondere last is niet waarneembaar voor gebruikers noch voor anderen die door middel van een openbaar telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst in verbinding staan met gebruikers; - d. telecommunicatie, verkregen door middel van aft"},{"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende regels ter uitvoering van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637). Artikel 2 1. Arbeid in eigen beheer als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder h, onderdeel 2°, en onder i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) wordt berekend over het aantal uren waarin een eigenaar, een mede-eigenaar of een bestuurder van een onderneming dan wel haar personeel de in deze artikelonderdelen genoemde werkzaamheden heeft verricht. 2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald op basis van het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen uurloon. Artikel 3 1. Extra arbeid in eigen beheer als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) wordt berekend over het aantal uren waarin een eigenaar, een mede-eigenaar of een bestuurder van een onderneming dan wel haar personeel de in dit artikelonderdeel genoemde werkzaamheden heeft verricht. 2. Op het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, worden per etmaal in mindering gebracht: - a. 7 uren, voor zover het personeel met een voltijds dienstverband betreft; - b. 3,5 uren, voor zover het personeel met een deeltijds dienstverband betreft. 3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald op basis van het aantal uren dat het resultaat is van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen uurloon. Artikel 4 De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor zover het betreft: - a. de schade, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4), berekend op basis van de kosten van herstel, verminde"},{"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende vaststelling regels ter uitvoering van artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet betreffende nummerportabiliteit (Besluit nummerportabiliteit) Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - – *geografisch nummer:* nummer dat uitsluitend uit cijfers bestaat en krachtens een nummerplan is bestemd voor: - 1. het bereiken van gebruikers van een openbare elektronische communicatiedienst op een vaste locatie, waarbij die dienst wordt geboden via een netwerkaansluitpunt dat zich bevindt in het bij het nummer behorende netnummergebied, of - 2. het bereiken van gebruikers van een openbare elektronische communicatiedienst waarbij de abonnee van die dienst een woon- of vestigingsplaats heeft in het bij het nummer behorende netnummergebied; - – *niet-geografisch nummer:* nummer dat uitsluitend uit cijfers bestaat, niet zijnde een geografisch nummer; - – *nummerplan:* nummerplan als bedoeld in [artikel 4.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1); - – *wet:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2. Aanwijzing categorieën nummers als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, van de wet 1. Als categorieën van nummers als bedoeld in [artikel 4.10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.10), worden aangewezen: - a. geografische nummers, en - b. niet-geografische nummers. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend voor zover het gebruik van het nummer in overeenstemming blijft met de krachtens een nummerplan gestelde bestemming. Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.10) in werking treedt, met uitzondering van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Besluit van 10 november 2011, CDC/IVENT/DCDI/SSA nr. 2011025182 van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de collectie Nederlandse militaire deelname aan de vredesoperaties UNIFIL, MFO en UNTAG van het Ministerie van Defensie, (1968) 1979–1990, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de collectie Nederlandse militaire deelname aan de vredesoperaties UNIFIL, MFO en UNTAG van het Ministerie van Defensie, (1968) 1979–1990, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 110 | 2055 | | 111 | 2055 | | 112 | 2056 | | 113 | 2056 | | 114 | 2056 | | 115 | 2056 | | 116 | 2056 | | 117 | 2057 | | 118 | 2057 | | 119 | 2057 | | 120 | 2057 | | 121 | 2057 | | 122 | 2057 | | 283 | 2055 | | 284 | 2056 | | 285 | 2058 | | 425 | 2059 | | 492 | 2056 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030809&artikel=1&z=2011-12-17&g=2011-12-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030809&artikel=1&z=2011-12-17&g=2011-12-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin h"},{"b":"Besluit van 10 november 2014 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het Waterschapsbesluit in verband met het schrappen van de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten van een ziekteverzekering aan commissieleden die geen raads- of statenlid zijn, wijziging van de hoogte van deze tegemoetkoming en een wijziging van technische aard (Correctiebesluit in verband met het schrappen van de tegemoetkoming ziektekostenverzekering voor commissieleden) Artikel I *Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden.* Artikel II *Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.* Artikel III *Wijzigt het Waterschapsbesluit.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2014. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Correctiebesluit in verband met het schrappen van de tegemoetkoming ziektekostenverzekering voor commissieleden."},{"b":"Besluit van 10 november 2015, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 41 tot en met 46 van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) en van artikel 6 van Richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Besluit rapportage van betalingen aan overheden) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 september 2015, nr. 684628, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 392a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=392a) en [artikel 5:25w, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25w); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2015, nr. W03.15.0328/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 november 2015, nr. 700493; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking behoudens ten aanzien van uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 1, onde"},{"b":"Besluit van 10 november 2017, houdende nadere regels over functionele, technische en organisatorische maatregelen bij elektronische gegevensverwerking door en tussen zorgaanbieders (Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders) § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *elektronisch uitwisselingssysteem:* een elektronisch uitwisselingssysteem als bedoeld in de [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864) in de zorg; - *logging:* de stelselmatige geautomatiseerde registratie van gegevens bedoeld in [artikel 15e van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=15e) alsmede de bestanden waarin die registratie is opgeslagen; - *NEN:* een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm; - *NEN 7510:* norm voor het organisatorisch en technisch inrichten van de informatiebeveiliging in de zorg; - *NEN 7512:* nadere invulling van NEN 7510 betreffende de veiligheid van gegevensuitwisseling tussen partijen in de zorg; - *NEN 7513:* nadere invulling van NEN 7510 betreffende het vastleggen van acties op elektronische patiëntdossiers; - *zorgaanbieder:* zorgaanbieder als bedoeld in de [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864); - *zorginformatiesysteem:* elektronisch systeem van een zorgaanbieder voor het verwerken van persoonsgegevens in een dossier als bedoeld in de [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864), niet zijnde een elektronisch uitwisselingssysteem; - *zorgserviceprovider:* netwerkleverancier van een beveiligde netwerkverbinding tussen een zorginformatiesysteem en een elektronisch uitwisselingssysteem. Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 1. De verantwoordelijke voor een elektronisch uitwisselingssysteem draagt overeenkomstig het b"},{"b":"Besluit van 10 november 2025 tot vaststelling subsidieplafonds voor literair vertalers 2026 en de inkomensgrens Stichting Nederlands Letterenfonds Artikel 1 De van toepassing zijnde inkomensgrens in de deelregelingen bedraagt € 52.500. Artikel 2 Het subsidieplafond zoals genoemd in [artikel 8, derde lid, van de Regeling Projectsubsidies voor literaire vertalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051470&artikel=8) bedraagt € 2.013.000 waarvan € 140.000 voor starters en € 1.873.000 voor gevorderde vertalers. Artikel 3 Het subsidieplafond voor vertalers in het Nederlands, Fries of een andere officiële taal van het Caribisch deel van het Koninkrijk zoals genoemd in [artikel 6, derde lid, van de Regeling ontwikkelbeurzen voor literair vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051468&artikel=6) bedraagt € 325.500. Artikel 4 Het subsidieplafond voor vertalers uit het Nederlands, Fries of een andere officiële taal van het Caribisch deel van het Koninkrijk zoals genoemd in [artikel 6, vierde lid, van Regeling ontwikkelbeurzen voor literair vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051468&artikel=6) bedraagt € 100.000. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026."},{"b":"Besluit van 10 oktober 1985, tot instelling van de Joke Smit-prijs Artikel 1 1. Er is een regeringsprijs op het gebied van gendergelijkheid, genaamd Joke Smitprijs. 2. De Joke Smitprijs bestaat uit de Joke Smit oeuvreprijs en de Joke Smit aanmoedigingsprijs. Artikel 2 1. De Joke Smit oeuvreprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instelling van onbesproken gedrag die een fundamentele en langdurige bijdrage levert of heeft geleverd aan de verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in de Nederlandse samenleving. 2. De Joke Smit oeuvreprijs bestaat uit een geldbedrag van € 10 000 en een kunstvoorwerp. 3. De Joke Smit aanmoedigingsprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instelling van onbesproken gedrag die zich op inspirerende wijze inzet of recent heeft ingezet voor de verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in de Nederlandse samenleving. 4. De Joke Smit aanmoedigingsprijs bestaat uit een geldbedrag van € 1.000. Artikel 3 1. De toekenning van de prijs geschiedt door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nadat hij daarover het advies heeft ingewonnen van een door hem benoemde jury, en in overeenstemming met Onze Minister of Ministers wie zulks mede aangaat. 2. Hij kan daaromtrent nadere regels stellen, waarbij ten aanzien van de Joke Smit aanmoedigingsprijs kan worden afgeweken van de wijze van advies, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4 *Vervallen*"},{"b":"Besluit van 10 oktober 2002, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de huidtherapeut (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied huidtherapeut) § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). § 2. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van huidtherapeut is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor huidtherapie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=3&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=3&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01). § 3. Opleiding Artikel 3 1. Een opleiding voor huidtherapie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de huidtherapeutische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=4&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01): - a. diagnostiek en behandeling; - b. communicatie en samenwerking; - c. preventie en gezondheidsvoorlichting; - d. kwaliteitszorg en innovatie; - e. praktijk- en bedrijfsvoering; - f. beroepsontwikkeling; 2. Het praktische onderwijs omvat ten minste stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in [artikel 5](http"},{"b":"Besluit van 10 oktober 2003 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004) Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Definitiebepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - b. zelfstandige: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a) die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die: - 1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan; - 2°. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in [artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.6), en - 3°. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt; - c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan; - d. boekjaar: de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd; - e. netto inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in [hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&paragraaf=3.4), met toepassing van [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - f. bruto inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen,"},{"b":"Besluit van 10 oktober 2022, houdende regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van het Kiesbesluit ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege (Besluit kiescollege niet-ingezetenen) Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Een lid van het kiescollege krijgt toegang tot de digitale omgeving door: - a. de toegangspagina van de digitale omgeving te betreden op grond van de instructies die hij ontvangt; en - b. de toegangscode in te voeren die hij ontvangt via een elektronisch systeem voor gegevensverwerking waarin hij toegang heeft tot het bericht via een publiek uitgegeven authenticatiemiddel. 2. De griffier van de gemeente ’s-Gravenhage draagt er zorg voor dat elk lid de instructies en de toegangscode afzonderlijk ontvangt. Artikel 2 1. De reis- en verblijfskosten die een lid van het kiescollege maakt, kan het declareren bij de griffier van de gemeente ’s-Gravenhage, tot de hoogte van de bedragen die hiervoor zijn vastgelegd in de ministeriële regeling, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Wet kiescollege niet-ingezetenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=27). 2. De verblijfskosten voor een lid van het kiescollege worden vergoed voor de periode dat het in Nederland verblijft, maar niet voor meer dan zeven dagen, tenzij een lid aannemelijk maakt dat het voor hem niet mogelijk is om binnen deze termijn terug naar zijn werkelijke woonplaats buiten Nederland te reizen. De voorzitter oordeelt of het lid dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Indien dit het geval is, wordt het aantal dagen bedoeld in de eerste volzin verlengd tot tien. 3. Een lid van het kiescollege kan de griffier van de gemeente ’s-Gravenhage verzoeken de reis en het verblijf voor hem te organiseren. In dat geval wendt de gri"},{"b":"Besluit van 10 oktober 2024, houdende vaststelling van het te heffen recht voor de behandeling van nadeelcompensatieaanvragen door bestuursorganen van de centrale overheid (Besluit vaststelling recht nadeelcompensatie bestuursorganen centrale overheid) Artikel 1 1. Van de aanvrager van een vergoeding op grond van [artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:126), kan door een bestuursorgaan van de centrale overheid een recht van € 300 worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag. 2. De aanvrager betaalt het verschuldigde recht binnen vier weken na de indiening van de aanvraag. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling recht nadeelcompensatie bestuursorganen centrale overheid."},{"b":"Besluit van 10 oktober 2024, nr. 2024002233 houdende de aanwijzing als verboden plaats van ruimtes die in gebruik zijn bij de AIVD Artikel 1 Als verboden plaats ingevolge [artikel I van de Wet bescherming staatsgeheime](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I)n worden aangewezen de door de AIVD in gebruik zijnde ruimtes en de daarbij behorende technische ruimtes in het gebouw gelegen in de gemeente Leidschendam-Voorburg, Dokter van der Stamstraat 1. Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050329&artikel=1&z=2024-10-26&g=2024-10-26) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 bedoelde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden – Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074)'. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 10 september 1936, tot uitvoering van artikel 10, tweede lid, van de \"Schepenwet\" te bepalen, dat de Commandanten van Onze Politiekruisers, belast met het toezicht op de visscherij in de Noordzee en de aan boord daarvan geplaatste zeeofficieren ter beschikking worden gesteld van den dienst van de Scheepvaartinspectie voor het houden van toezicht op de naleving van de bij of krachtens de \"[Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876)\" vastgestelde bepalingen."},{"b":"Besluit van 10 september 1984, houdende afwijkingen van het bepaalde in de Wet medezeggenschap onderwijs § A. Algemene bepalingen Artikel A-1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. de wet: de [Wet medezeggenschap onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) (*Stb.* 1981, 778); - c. de medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=4); - d. de voorlopige medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=24); - e. het medezeggenschapsreglement: het reglement, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=3); - f. het bevoegd gezag: voor wat betreft - 1°. een rijksschool: Onze minister; - 2°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - 3°. een bijzondere school: het schoolbestuur. § B. Zeer kleine scholen voor kleuteronderwijs of gewoon lager onderwijs Artikel B-1 In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede, derde en tiende lid, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor die scholen voor kleuteronderwijs en die scholen voor gewoon lager onderwijs, waar de schoolleider de enige aan de school verbonden leidster onderscheidenlijk onderwijzer is. Artikel B-2 1. Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan een school als bedoeld in [artikel B-1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003710&paragraaf=B&artikel=B-1&z=2022-08-01&g=2022-08-01) ten hoogste 3 leden. 2. De medezeggenschapsraad bestaat uit: - a. de schoolleider; - b. een lid dat uit en door de ouders wordt gekozen; en indien het medezeggenschapsreglement dit bepaalt, uit - c. een lid dat wordt gekozen"},{"b":"Besluit van 10 september 2008 houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van twee nieuwe educatieve maatregelen Artikel I *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel II *Wijzigt het Besluit rijonderricht motorrijtuigen.* Artikel III Ten aanzien van de coderingen 10.02 en 78 die voor 30 september 2008 zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister, gelden de bepalingen zoals die golden voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A, B, C, D, G, H, I, J, O en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01). Artikel IV 1. De [artikelen I, onderdelen A, B, C, D, G, H, I, J, O en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01), en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=III&z=2008-10-01&g=2008-10-01) treden in werking met ingang van 30 september 2008. 2. De [artikelen I, onderdelen E, F, K, L, M en N,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=II&z=2008-10-01&g=2008-10-01) treden in werking met ingang van 1 oktober 2008."},{"b":"Besluit van 10 september 2010, houdende regels inzake de structuur van het overleg betreffende de rechtstoestand van ambtenaren (Besluit overlegstelsel BES) Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=1); - c. Sectorale Overlegcommissie BES: de Commissie, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-03-30&g=2021-03-30); - d. Decentrale Overlegcommissie: de Decentrale Overlegcommissie Bonaire, Sint Eustatius respectievelijk Saba, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2021-03-30&g=2021-03-30); - e. bestuurscollege: het bestuurscollege, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=36); - f. openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - g. dienstonderdeel op rijksniveau: het Regionaal Service Centrum, dan wel een door Onze Minister aan te wijzen onderdeel van het Regionaal Service Centrum of de politieorganisatie dan wel enig ander onderdeel door de Minister te bepalen, - h. dienstonderdeel op decentraal niveau: een door het bestuurscollege aangewezen onderdeel van de ambtelijke organisatie. Hoofdstuk 2. Het overleg met de Sectorale Overlegcommissie BES Artikel 2.1. De Sectorale Overlegcommissie BES 1. Er is een Sectorale Overlegcommissie Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die bestaat uit vertegenwoordigers van door Onze Minister tot het overleg toegelaten vakorganisaties met rechtspersoonlijkheid, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren dat zij vertegenwoordigen, als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het al"},{"b":"Besluit van 10 september 2013, houdende aanpassing van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders in verband met aanpassingen van de eigen bijdrage voor de rechtzoekende in geval van verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand en de vergoeding van rechtsbijstandverleners (Besluit aanpassingen eigen bijdrage rechtzoekenden en vergoeding rechtsbijstandverleners) Artikel I *Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.* Artikel II *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel III *Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.* Artikel IV 1. Het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277) zoals dit luidde vóór de inwerkintreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen aangevraagd vóór de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) zoals dit luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2013. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassingen eigen bijdrage rechtzoekenden en vergoeding rechtsbijstandverleners."},{"b":"Besluit van 10 september 2013, houdende regels ter uitvoering van de Warmtewet (Warmtebesluit) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *aanvrager:* degene die een vergunning voor de levering van warmte aanvraagt; - – *vergunning:* de vergunning, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=10); - – *warmte koude systemen:* systemen als bedoeld in [artikel 1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033940&paragraaf=2&artikel=1a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - – *wet:* de [Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729). 2. De in dit besluit en de daarop berustende bepalingen bedoelde tarieven en bedragen zijn inclusief BTW. § 2. Tariefregulering Artikel 1a 1. Als temperatuur categorieën, als bedoeld in [artikel 5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=5), worden aangewezen: - a. de levering van warmte met een temperatuur die direct geschikt is voor ruimteverwarming en voor: - 1°. de verwarming van tapwater, waarbij tapwater wordt verwarmd tot een temperatuur die voldoet aan de norm, bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461&artikel=6.13), of - 2°. de levering van warm tapwater op een temperatuur die voldoet aan de norm, bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461&artikel=6.13); - b. de levering van warmte die uitsluitend direct geschikt is voor ruimteverwarming; - c. de levering van warmte met een temperatuur die niet direct geschikt is voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater; - d. de levering van: - 1°. warmte die uitsluitend bestemd is voor de verwarming van tapwater en een temperatuur heeft die direct geschikt is voor de verwarming van tapwater tot een temperatuur die voldoet aan de norm bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid,"},{"b":"Besluit van 11 april 2011, houdende regels met betrekking tot productvoorschriften voor Lucky Bamboo (Warenwetbesluit Lucky Bamboo) Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *Lucky Bamboo:* een sierplant met de wetenschappelijke naam Dracaena sanderiana die bedrijfsmatig in Nederland wordt ingevoerd, met inbegrip van het materiaal waarin de plant zich bevindt, en met uitzondering van de plant die: - 1°. zich niet in vloeistof bevindt, alsmede - 2°. bestemd is om ontwikkeld te worden tot potplant; - b. *tijgermug:* een insect met de wetenschappelijke naam Aedes albopictus, alsmede de eitjes, de larven en de poppen daarvan; - c. *afgescheiden ruimte:* een ruimte die door dichte afscheidingen van de omgeving gescheiden is. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt een partij Lucky Bamboo gelijkgesteld met een plant. Artikel 2 Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften gesteld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029929&artikel=3&z=2016-02-19&g=2016-02-19) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029929&artikel=4&z=2016-02-19&g=2016-02-19). Artikel 3 Lucky Bamboo: - a. wordt binnen Nederlands grondgebied gebracht en verder vervoerd in gesloten containers, waarbij de eerste opening in Nederland uitsluitend plaatsvindt in een afgescheiden ruimte; - b. verlaat de afgescheiden ruimte niet eerder dan dat afdoende behandeling heeft plaatsgevonden met een biocide of een ander middel dat geschikt is om de planten vrij te maken van de volwassen tijgermug; - c. verlaat de afgescheiden ruimte niet eerder dan dat afdoende behandeling heeft plaatsgevonden met een biocide of een ander middel dat geschikt is om de planten vrij te maken van de larven van de tijgermug; - d. wordt, gedurende de periode dat Lucky Bamboo zich in de afgescheiden ruimte bevindt, bij elke watertoevoeging steeds behandeld met het onder c bedoelde biocide of middel, door dit biocide of middel aan het water toe te voegen; Artikel 4 1. Voor de behandel"},{"b":"Besluit van 11 april 2017, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van tien, twintig en vijftig euro die in 2017 worden uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Koning Willem-Alexander Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van tien, twintig en vijftig euro die worden uitgegeven ter gelegenheid van Onze vijftigste verjaardag zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis omgeven door twee in elkaar gevlochten linten met aan de bovenzijde langs de rand de tekst «KONING DER NEDERLANDEN» en aan de onderzijde langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER 50 jaar»: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: twee linten die door middel van verschillende zeemansknopen aan elkaar gevlochten zijn en langs de rand de tekst «VERTEGENWOORDIGEN SAMENBINDEN AANMOEDIGEN», aan de onderzijde in het midden de waardeaanduiding respectievelijk «TIEN EURO», «TWINTIG EURO» en «VIJFTIG EURO», aan de rechterzijde in het midden het jaartal «2017» en aan de linkerzijde in het midden het teken van de Muntmeester en het teken van het Munthuis : 2. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De twintig-euromunt en de vijftig-euromunt hebben een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039487&artikel=1&z=2017-04-24&g=2017-04-24). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 24 april 2017. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 23 april 2017, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en m"},{"b":"Besluit van 11 april 2018, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018 en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018) Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *verordening:* verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PbEU 2016, L 81); - b. *accreditatie:* hetgeen artikel 3 van de verordening daaronder verstaat; - c. *conformiteitsbeoordeling:* hetgeen artikel 3 van de verordening daaronder verstaat; - d. *EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie:* conformiteitsbeoordelingsinstantie, genoemd in artikel 3 van de verordening; - e. *geharmoniseerde norm:* hetgeen artikel 3 van de verordening daaronder verstaat; - f. *nationale accreditatie-instantie:* nationale accreditatie-instantie als bedoeld in [artikel 3 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=3); - g. *persoonlijk beschermingsmiddel:* hetgeen artikel 3 van de verordening daaronder verstaat; en - h. *wet:* [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969). 2. Dit besluit en de daarop berustende bepalingen is van toepassing op een persoonlijk beschermingsmiddel waarop de verordening van toepassing is. Artikel 2. Algemene verplichtingen 1. Het is verboden zich te gedragen in strijd met de volgende bepalingen van de verordening: - a. artikel 4; - b. artikel 5; - c. artikel 13; - d. artikel 15; - e. artikel 16; - f. artikel 17, eerste tot en met vierde lid; - g. artikel 38, eerste lid, eerste alinea, tweede volzin, en derde lid; - h. artikel 40, tweede lid; - i. artikel 41, eerste lid; en - j. bijlage II. 2. Het is verboden een persoonlijk beschermingsmidd"},{"b":"Besluit van 11 april 2024, houdende regels met betrekking tot het verplicht elektronisch doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken in civiele prejudiciële procedures bij de Hoge Raad (Besluit verplicht elektronisch procederen in civiele prejudiciële procedures Hoge Raad) Artikel 1 Het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken door advocaten bij de Hoge Raad en de uitwisseling van overige berichten en stukken tussen de Hoge Raad en advocaten bij de Hoge Raad in procedures als bedoeld in de [Tiende titel A van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Tiende_A), worden langs elektronische weg gedaan, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Artikel 2 Op een civiele prejudiciële procedure bij de Hoge Raad waarbij vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit door de rechter een beslissing is genomen als bedoeld in [artikel 392, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=392), blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplicht elektronisch procederen in civiele prejudiciële procedures Hoge Raad."},{"b":"Besluit van 11 april 2024, houdende regels waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de Wet basisregistratie personen in het kader van een experiment met beperking van de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen (Besluit experiment dataminimalisatie basisregistratie personen) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *autorisatiebesluit:* besluit als bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.2) of [3.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.3); - *centrale voorziening:* voorziening als bedoeld in [artikel 1.9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.9); - *de wet:* de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - *het experiment:* het experiment, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049596&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2024-04-22&g=2024-04-22); - *informatie:* de uitkomst van de bewerking, bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049596&hoofdstuk=2&artikel=2.3&z=2024-04-22&g=2024-04-22); - *systeembeschrijving:* beschrijving van de aspecten die zijn aangeduid in de tabel die als [bijlage 2 bij het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&bijlage=2) is gevoegd; - *verstrekking op basis van een zoekvraag:* systematische verstrekking van gegevens als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=37). Hoofdstuk 2. Experiment Artikel 2.1. Doel en duur Met het oogmerk om de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie te beperken, vindt voor de periode van vier jaar een experiment als bedoeld in [artikel 4.16a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.16a) plaats. Artikel 2.2. Afwijken van de wet 1. Onverminderd het tweede lid,"},{"b":"Besluit van 11 augustus 2003, houdende bepaling van de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3, achtste lid, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Besluit donorgegevens kunstmatige bevruchting) Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642) Artikel 2 Het maximumaantal moedercodes dat aan een donorcode wordt gekoppeld, bedoeld in [artikel 1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=1), bedraagt twaalf moedercodes. Artikel 3 1. De fysieke kenmerken, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), een en ander zoals bekend op het tijdstip van de terbeschikkingstelling van zaad- of eicellen, betreffen: - a. lichaamslengte; - b. gewicht; - c. huidskleur; - d. kleur van de ogen; - e. haarkleur en type haar. 2. De opleiding als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2) betreft: opleidingen of studies die op het tijdstip van de terbeschikkingstelling van zaad- of eicellen door de donor zijn voltooid dan wel nog worden gevolgd. Het beroep als in genoemd artikelonderdeel bedoeld, betreft het beroep dat de donor op het tijdstip van de terbeschikkingstelling van zaad- of eicellen uitoefent. 3. De gegevens omtrent de sociale achtergrond en een aantal persoonlijke kenmerken, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), een en ander zoals bekend op het tijdstip van de terbeschikkingstelling van zaad- of eicellen, betreffen: - a. leeftijd; - b. burgerlijke staat; - c. gezinssamenstelling; - d. een door de donor zelf opgemaakte beschrijving van hem kenmerkende eigenschappen en karaktertrekken. Artikel 4 1. Ingeval van een verzoek tot verstrekking van geg"},{"b":"Besluit van 11 augustus 2003, houdende wijziging van het Besluit draagkracht vervolgden en het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers tot wijziging van de berekening van de financiële draagkracht Artikel I *Wijzigt het [Besluit draagkracht vervolgden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002888).* Artikel II *Wijzigt het [Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693).* Artikel III Indien de draagkracht van een vervolgde of een burger-oorlogsslachtoffer voor 1 januari 2001 is bepaald en het recht op de tegemoetkoming op deze datum nog bestond, wordt de financiële draagkracht opnieuw bepaald. In afwijking van de eerste volzin van de [artikelen 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht vervolgden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002888&artikel=2) en het [Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693&artikel=2), wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit is of zou worden berekend over de maand januari 2001. Bij het bepalen van de financiële draagkracht in de periode tussen 1 januari 2001 en het moment van inwerkingtreding van dit besluit wordt de in [artikel 3, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693&artikel=3) genoemde vermindering op maandbasis van het vastgestelde inkomen afgetrokken. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft [artikel I, onderdelen B tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015456&artikel=I&z=2003-08-27&g=2003-08-27) en [artikel II, onderdelen B en C, onder 2, tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015456&artikel=II&z=2003-08-27&g=2003-08-27), terug tot en met 1 januari 2001."},{"b":"Besluit van 11 augustus 2012 tot herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard in enkele besluiten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel I *Wijzigt bet Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.* Artikel II *Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen.* Artikel III *Wijzigt het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit milieueffectrapportage.* Artikel V *Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.* Artikel VII *Wijzigt het Binnenvaartbesluit.* Artikel VIII *Wijzigt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen.* Artikel IX *Wijzigt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.* Artikel X *Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement.* Artikel XI *Wijzigt het Waterbesluit.* Artikel XII Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032011&artikel=IV&z=2012-10-23&g=2012-10-23) van dit besluit met betrekking tot activiteiten als bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2): - a. een kennisgeving van het voornemen tot het voorbereiden van een plan als bedoeld in [artikel 7.9, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.9) is gedaan; - b. een aanvraag als bedoeld in [artikel 7.28 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.28) voor een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport dient te worden gemaakt, is ingediend; - c. door het bevoegd gezag ingevolge [artikel 7.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.17), dan wel [artikel 7.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.19) van een beslissing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, on"},{"b":"Besluit van 11 december 1991, houdende een reglement voor de scheepvaart op het Kanaal van Gent naar Terneuzen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Het reglement is van toepassing op: - a. het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met België tot aan de sluizen van Terneuzen, alsmede het gebied van de Westsluis, de Middensluis en de Oostsluis te Terneuzen, de Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden; - b. Zijkanaal *f* en Zijkanaal *g* voor zover gelegen ten zuiden van de denkbeeldige lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van de hoofden van de oude sluis te Sas van Gent; - c. Zijkanaal *a, b, d, e, h,* Zijkanaal *c* tot aan de grens tussen de gemeente Sas van Gent en Axel ter hoogte van Axelse Sassing, Zijkanaal *g* voor zover gelegen ten noorden van de denkbeeldige lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van de hoofden van de oude sluis te Sas van Gent, de Noorder- en Zuiderkanaalhaven, de Massagoedhaven, de Ro-ro-haven en de Zevenaarhaven. 2. Het gebied beschreven in het eerste lid, onder *a*, wordt in dit reglement genoemd: kanaal. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - a. schip: een drijvend voorwerp, met inbegrip van een voorwerp zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of in staat om te worden gebruikt als een middel van verplaatsing te water; - b. zeeschip: een schip dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is; - c. binnenschip: een schip dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is; - d. bovenmaats zeeschip: een zeeschip dat wegens zijn afmetingen met inbegrip van zijn diepgang in verband met de toestand van het vaarwater als dusdanig door de terzake bevoegde autoriteit wordt aangegeven overeenkomstig de door haar vastgestelde en aan varenden bekend gemaakte normen; - e. sleepboot: een werktuiglijk voortbewogen schip dat sleepdienst verricht of as"},{"b":"Besluit van 11 december 1998, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (wijziging BTW-regime voor bad- en zweminrichtingen) ARTIKEL I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.* ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999, met dien verstande dat de aanhef en nummers 11 en 21 van onderdeel b van de bij het [Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633) behorende bijlage B zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1998, van toepassing blijven met betrekking tot die bad- en zweminrichtingen die deze bepalingen reeds toepasten op die datum, en wel uiterlijk tot het tijdstip waarop die bad- en zweminrichtingen ervoor kiezen die bepalingen niet langer op hen van toepassing te doen zijn."},{"b":"Besluit van 11 december 2002, houdende regelen betreffende de inrichting en raadpleging van het boedelregister, bedoeld in artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit boedelregister) Artikel 1 Voor een inschrijving in het boedelregister, bedoeld in [artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=186), moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd, dan wel, in de gevallen bedoeld onder b, d, f, g, h, k en m aan de griffier ter beschikking staan: - a. ter inschrijving van de verklaring, bedoeld in [artikel 18 lid 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=18): een authentiek afschrift of uittreksel van de desbetreffende notariële akte alsmede, indien de verklaring in naam van de echtgenoot is afgelegd, een afschrift van de in genoemde bepaling bedoelde uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht; - b. ter inschrijving van de verlenging van de termijn, bedoeld in [artikel 185 lid 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=185): een authentiek afschrift van de beschikking; - c. ter inschrijving van een notaris die betrokken is bij de afwikkeling van een nalatenschap, als bedoeld in [artikel 186 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=186): de schriftelijke mededeling terzake van de desbetreffende notaris; - d. ter inschrijving van de verklaring houdende zuivere aanvaarding of aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving dan wel verwerping van een nalatenschap, bedoeld in [artikel 191 lid 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=191) en artikel 13 van de verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van besli"},{"b":"Besluit van 11 december 2002, houdende regels inzake beschikbaarstelling van politieambtenaren ten behoeve van de inzet in het kader van vredesmissies Artikel 1 In dit besluit en de daarop gebaseerde regeling wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a en b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die door het bevoegd gezag, bedoeld in het [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516), buitengewoon verlof wordt verleend met behoud van bezoldiging ten behoeve van uitzending ingevolge dit besluit; - c. missiegebied: een door een volkenrechtelijke organisatie of een in het kader van een internationale overeenkomst waarbij Nederland partij is, aangewezen gebied waarin inzet van civiele politie plaatsvindt. Artikel 2 1. De betrokkene kan op zijn verzoek door Onze Minister ter beschikking worden gesteld ten behoeve van uitzending naar een missiegebied. 2. Uitzending naar een missiegebied vindt plaats ten behoeve van het uitvoeren van de politietaak, het geven van opleidingen, ondersteuning bij de opbouw van een civiele politie-organisatie, het leveren van specifieke technische expertise of het uitvoeren van waarnemersmissies. 3. Slechts de betrokkene die is aangesteld voor de politietaak, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), wordt uitgezonden ten behoeve van het uitvoeren van de politietaak. 4. De duur van de uitzending bedraagt een jaar, te verlengen met ten hoogste een jaar. In bijzondere omstandigheden kan van deze termijnen worden afgeweken. Artikel 3 Onze Minister stelt voor de beschikbaarstelling en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt, nadere regels vast die in ieder geval bepalingen bevatten over: - a. medische keuring; - b. werkgeverslasten; - c. de bezoldiging en de toelagen; - d. de v"},{"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende de overdracht van de zorg voor het beleid inzake buisleidingen Artikel 1 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt belast met de zorg voor het beleid ten aanzien van buisleidingen, voor zover die zorg voor de inwerkingtreding van dit besluit bij Onze Minister van Economische Zaken berustte, behoudens voor zover het betreft de zorg voor het beleid met betrekking tot het ten aanzien van buisleidingen bepaalde bij of krachtens: - a. de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), - b. de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440), en - c. de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, indien het daartoe strekkende, bij koninklijke boodschap van 3 maart 2006 ingediende voorstel van wet (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 475, nrs. 1–2) tot wet wordt verheven en in werking treedt. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van het Ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De zorg voor de behandeling van aanvragen om een concessie als bedoeld in [artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001936&artikel=1) en [artikel 1 van de Belemmeringenwet verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001865&artikel=1) die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend, blijft bij de Minister van Economische Zaken berusten, met inbegrip van de behandeling van tegen de beslissing op een dergelijke aanvraag gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen of hoger beroepen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Besluit voorkoming verontreiniging door schepen) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642); - b. olietankschip: een olietankschip als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage I van het Verdrag; - c. passagiersschip: schip als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage IV van het Verdrag. - d. schadelijke vloeistof: een schadelijke vloeistof als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage II van het Verdrag; - e. schadelijke stoffen in verpakte vorm: schadelijke stoffen als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage III van het Verdrag, in verpakte vorm als bedoeld in dat voorschrift, met uitzondering van schadelijke stoffen in verpakte vorm, bestemd voor eigen scheepsgebruik of behorend tot de eigen scheepsuitrusting; - f. sanitair afval: sanitair afval als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage IV van het Verdrag met uitzondering van spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich huisdieren bevinden; - g. Antarctisch gebied: gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte; - h. uitstoot: emissie als bedoeld in voorschrift 2 van Bijlage VI van het Verdrag; - i. GT: de maateenheid bruto-tonnage waarin de totale inhoud van een schip, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122), wordt uitgedrukt; - j. lengte: de overeenkomstig het verdrag, genoemd in onderdeel h, vastgestelde lengte van een schip; - k. internationale reis: een reis tussen twee verschillende landen, waarbij een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat gebied zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Verenigde Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk land wordt aangemerkt; - l. AFS-verdrag: het op 5 oktober 2001 te"},{"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft ter implementatie van richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) en richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) (Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit boetes Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.* Artikel V *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit Marktmisbruik Wft.* Artikel VII 1. Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling berekent volgens een interne modellenmethode is in de boekjaren 2007, 2008 en 2009 ten minste gelijk aan 95, 90 onderscheidenlijk 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen zoals berekend ingevolge de [artikelen 60 tot en met 62 van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=60) zoals deze luidden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel. 2. Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het operationeel risico berekent ingevolge [artikel 78 van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=78) is in de boekjaren 2008 en 2009 ten minste gelijk aan 90 onderscheidenlijk 80 procent van het mi"},{"b":"Besluit van 11 december 2007 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2007 en 2008 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2007 tot en met 28 februari 2009 alsmede de invoering van een flexibel personeelssysteem voor de krijgsmacht Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2007 aan het defensiepersoneel Artikel 1 1. De navolgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige uitkering 2007 ter grootte van 0,40% van het twaalfvoud van de voor hen geldende berekeningsbasis: - a. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op 1 december 2007 in werkelijke dienst was alsmede de ambtenaar op 1 december 2007 was aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn; - b. de militair aangesteld bij het reservepersoneel die in het jaar 2007 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst is geweest; - c. de ambtenaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst die op 1 december 2007 in dienst was van het Ministerie van Defensie; - d. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal en de gewezen ambtenaar, die op 1 december 2007 in het genot waren van wachtgeld ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510&artikel=18); - e. de gewezen militair die op 1 december 2007 een uitkering genoot op grond van de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540) alsmede de gewezen ambtenaar die op 1 december 2007 een uitkering genoot op grond van het [Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006041). 2. De berekeningsbasis, bedoeld in het eerste lid, bedraagt: - a. voor de betrok"},{"b":"Besluit van 11 december 2008, houdende regels inzake de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers (Besluit beëdigde tolken en vertalers) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. *commissie:* de commissie beëdigde tolken en vertalers, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - c. *klachtencommissie:* de klachtencommissie, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=16). Hoofdstuk 2. De commissie beëdigde tolken en vertalers Artikel 2 1. Er is een commissie beëdigde tolken en vertalers. 2. De commissie is belast met de volgende taken: - a. het adviseren over de aanwijzing van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=4&artikel=8&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - b. het adviseren over opleidingen als bedoeld in [artikel 11, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=5&artikel=11&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - c. het adviseren over de competenties, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3). 3. De commissie bestaat uit maximaal acht leden, waaronder de voorzitter. Artikel 3 1. Onze Minister benoemt de voorzitter en de overige leden van de commissie voor een periode van vier jaren. 2. Een lid kan voor een periode van ten hoogste vier jaren worden herbenoemd. 3. Onze Minister kan een lid op diens schriftelijk verzoek tussentijds ontslag verlenen. 4. Onze Minister kan een lid ontslag verlenen bij ziekte dan wel wegens zwaarwichtige redenen zoals ongeschiktheid voor de functie of onverenigbaarheid van functies en belangen. 5. Van een vacature en van besluiten tot benoeming, herbenoeming of ontslag wordt mededeling gedaan in de Sta"},{"b":"Besluit van 11 december 2013 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven Artikel I *Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.* Artikel II *Wijzigt het Besluit OM-afdoening.* Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034380&artikel=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01) heeft geen gevolgen voor gedragingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit hebben plaatsgevonden. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014."},{"b":"Besluit van 11 december 2013, houdende regels ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Besluit pensioen politieke ambtsdragers) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691); - b. *het ABP:* de Stichting Pensioenfonds ABP; - c. *een jaar:* een kalenderjaar, tenzij uit de desbetreffende bepaling anders blijkt; - d. *politieke ambtsdrager:* minister, staatssecretaris, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gedeputeerde, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een waterschap waarvan de aan zijn functie verbonden werkzaamheden geen dagtaak vormen of de Rijksvertegenwoordiger BES, die op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) een pensioen ontvangen of daarop aanspraak maken; - e. *de pensioengrondslag:* de pensioengrondslag, bedoeld in [artikel 13d, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=13d); - f. *de pensioenaanspraak:* de pensioenaanspraak, bedoeld in [artikel 13a, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=13a); - g. *de pensioengerechtigde leeftijd:* de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a); - h. *franchise:* deel van de bezoldiging waarover geen pensioen wordt opgebouwd als bedoeld in [artikel 13d, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=13d). Artikel 1.1.2 Indien in een bepaling in onderhavig besluit wordt verwezen naar een artikel in [hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&hoofdstuk=4) en dat artikel in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) van overeenkomstige toepassing is verklaard op het pensioen in de [hoofdstukken 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"b":"Besluit van 11 december 2013, houdende regels voor de opleiding van registerloodsen, noordzeeloodsen en VTS-operators en de bij die functies behorende bevoegdheden en verplichtingen (Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren) Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder: - – *beloodsingsgebied:* beloodsingsgebied als bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2025-09-01&g=2025-09-01); - – *bevoegd gezag:* gezag als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=2), tenzij bij ministeriële regeling voor een bij die regeling aangeduid gebied een ander bevoegd gezag is aangewezen; - – *bevoegde autoriteit:* de bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 1 van het Loodsplichtbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1); - – *bevoegd tot het geven van verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen:* bevoegdheid tot het aan de scheepvaart geven van verkeersinformatie dan wel tot het geven van verkeersaanwijzingen als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Scheepvaarverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=9); - – *certificaat noordzeeloods:* verklaring dat een persoon voldoet aan de eisen met betrekking tot vakbekwaamheid en geschiktheid krachtens [artikel 5, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=5); - – *certificeringsinstelling:* instelling die beschikt over een bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie of een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar heeft gemaakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardi"},{"b":"Besluit van 11 december 2014 tot het bepalen van het moment en de wijze van het omzetten van het dagloon van uitkeringsrechten gebaseerd op de Werkloosheidswet zoals deze gold voor inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Besluit conversie WW) Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder verdisconteerde arbeidsuren verstaan: gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek in een andere dienstbetrekking of verschillende andere dienstbetrekkingen dan de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, met uitzondering van een of meer dienstbetrekkingen waarvoor de laatstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek waarin het arbeidsurenverlies als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) is ingetreden. Artikel 2. Wijze van omzetting 1. Indien een recht op uitkering op grond van [artikel 130aa, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130aa) wordt omgezet, wordt het dagloon van dat recht opnieuw berekend. 2. Het dagloon, bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt berekend: A + (B/C) x D. Hierbij staat: A voor het dagloon van het om te zetten recht op uitkering; B voor het aantal verdisconteerde arbeidsuren van het om te zetten recht op uitkering; C voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) is ingetreden, dat ten grondslag heeft gelegen aan het recht op uitkering dat is ontstaan op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) zoals deze luidt na de datum waarop [artikel XXVI, onderdeel S, van de Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254&artikel=XXVI"},{"b":"Besluit van 11 december 2014 tot vaststelling van regels over de inhoud van het begrip loon in het kader van de berekening van de hoogte van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 668, derde lid, en 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding) Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *vergoeding:* de door de werkgever aan de werknemer verschuldigde vergoeding, op grond van [artikel 668, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668) of de transitievergoeding, bedoeld in [artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); - b. *vaste looncomponenten:* bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen looncomponenten, waarvan de hoogte niet bepaald wordt door het functioneren van de werknemer of de resultaten van de onderneming; - c. *variabele looncomponenten:* bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen looncomponenten, waarvan de hoogte bepaald wordt door het functioneren van de werknemer of de resultaten van de onderneming. Artikel 2. Loon 1. Voor de toepassing van [artikel 668, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668), en [artikel 673, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673) wordt onder loon verstaan: het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand, of, indien geen of een wisselende arbeidsduur is overeengekomen, het bruto uurloon vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal gewerkte uren per maand: - a. in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt; of - b. indien de duur van de arbeidsovereenkomst korter was dan twaalf maanden, gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst. 2. De"},{"b":"Besluit van 11 december 2014, houdende nadere regels omtrent het begrip passende arbeid zoals genoemd in de artikelen 24, derde lid, van de Werkloosheidswet en 30, vijfde lid, van de Ziektewet (Besluit passende arbeid WW en ZW) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *inkomen:* hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van [artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=16) voor de werknemer, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=1), met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: - 1°. uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in [artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=6), al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat; en - 2°. hetgeen wordt genoten op grond van [artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=629), alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat. - *passende arbeid:* passende arbeid zoals bedoeld in de [artikelen 24, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [30, vijfde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=30); - *WW:* de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); en - *Z"},{"b":"Besluit van 11 december 2014, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden die het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen uitvoert om te beoordelen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (Besluit advisering beschut werk) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - – *college:* het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=40); - – *Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:* Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 1a. Grondslag Dit besluit berust mede op [artikel 73a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73a). Artikel 2. Advies 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 10b, tweede en derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10b), en adviseert het college hierover binnen acht weken nadat het hiertoe van het college of van de persoon, bedoeld in artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet, een verzoek heeft ontvangen. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de vergoeding van de kosten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, door het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 3. Beoordeling 1. In het kader van de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035947&artikel=2&z=2022-07-01&g=2022-07-01), verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onderzoek naar de vraag of de persoon met arbeidsvermogen bij het verrichten van werkzaamheden is aangewezen op: - a. een of meer technische of organisator"},{"b":"Besluit van 11 december 2018 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft en enige andere besluiten (Besluit herstel en afwikkeling van verzekeraars) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit reikwijdtebepalingen Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit herstel en afwikkeling van verzekeraars."},{"b":"Besluit van 11 december 2024 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft en enkele andere besluiten in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten en Verordening (EU) 2023/1113 betreffende informatie bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva (Uitvoeringsbesluit MiCA en TFR) Artikel I *Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel III *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050574&artikel=II&z=2025-02-04&g=2025-02-04) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050574&artikel=III&z=2025-02-04&g=2025-02-04), die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit MiCA en TFR."},{"b":"Besluit van 11 december 2024, houdende regels ter uitvoering van de Wet minimumbelasting 2024 (Uitvoeringsbesluit minimumbelasting 2024) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemeen en definities 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=6.2), [7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.2), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.3), [7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.5), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.3), [8.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.13) en [14.1 van de Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=14.1). 2. In dit besluit wordt onder de wet verstaan: de [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111). Hoofdstuk 2. Bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies (hoofdstuk 6 van de wet) Artikel 2. Keuze voor inbegrepen vermogenswinst of -verlies 1. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan ervoor kiezen om vermogenswinsten of -verliezen als bedoeld in [artikel 6.2, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=6.2) aan te merken als een in het kwalificerende inkomen of verlies begrepen vermogenswinst of -verlies, voor zover die winsten of verliezen voortvloeien uit: - a. een belang ten aanzien waarvan de belanghouder is onderworpen aan een belastingheffing op grond van een waarderingsstelsel op basis van reële waarde of op realisatiebasis en in de belastinglast in de financiële verslaggeving van de belanghouder ook de latente belastinglast is opgenomen die verband houdt met de belastingheffing op grond van dat waarderingsstelsel; - b. een belang in een fiscaal transparante entiteit dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van de belanghouder met toepassing van de nettovermogenswaardemethode; - c."},{"b":"Besluit van 11 februari 1958, tot regeling van de aanwijzing van afgevaardigden van Nederland in de Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie Artikel 1 De aanwijzing van de afgevaardigden uit het Koninkrijk der Nederlanden zal geschieden door de beide Kamers der Staten-Generaal. De wijze van aanwijzing wordt door beide Kamers der Staten-Generaal in onderling overleg vastgesteld. Artikel 2 Ons besluit van 23 augustus 1952 (*Stb.* 452) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van het *Staatsblad,* waarin het is geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 februari 1966, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Artikel 1 Het bepaalde in [artikel 993, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=993) geldt tevens, wanneer een beslissing, gegeven door een administratieve autoriteit van een vreemde Staat, in Nederland uitvoerbaar is krachtens het op 15 april 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen (*Trb.* 1959, 187). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad*, waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 februari 2013, houdende de regeling van enkele onderwerpen van de Aanbestedingswet 2012 (Aanbestedingsbesluit) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *eidas-verordening:* verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn; 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257); - *elektronische handtekening:* elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 10, van de eidas-verordening; - *Europese lijst van syntaxen:* lijst van syntaxen waarvan het referentienummer op grond van artikel 3 van richtlijn 2014/55/EU bekend is gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie; - *Europese norm voor elektronische facturering:* Europese norm als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 1025/2012 voor elektronische facturering waarvan het referentienummer op grond van artikel 3 van richtlijn 2014/55/EU bekend is gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie; - *geavanceerde elektronische handtekening:* elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 11, van de eidas-verordening; - *syntax:* machineleesbare taal of taalvariant die wordt gebruikt om de in een elektronische factuur vervatte gegevenselementen weer te geven; - *verordening (EU) nr. 1025/2012:* Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/4/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 316); - *wet:* de [Aanbestedings"},{"b":"Besluit van 11 februari 2014, houdende de inschrijfvergoeding en retributies voor het handelsregister (Financieel besluit handelsregister 2014) Artikel 1 1. Een onderneming of rechtspersoon die een opgave doet tot eerste inschrijving in het handelsregister, is daarvoor eenmalig een inschrijfvergoeding verschuldigd. 2. Bij ministeriële regeling wordt het bedrag vastgesteld van de inschrijfvergoeding, bedoeld in het eerste lid. De hoogte van de inschrijfvergoeding is gelijk voor alle ondernemingen of rechtspersonen, ongeacht de rechtsvorm van de onderneming of rechtspersoon en de wijze waarop opgave wordt gedaan. Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld die verschuldigd zijn voor het inzien van gegevens uit het handelsregister en de bescheiden die daarbij krachtens wettelijk voorschrift zijn ingeschreven of gedeponeerd. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar: - a. het ten kantore inzien; - b. het door middel van het internet inzien; - c. het door middel van een online-verbinding inzien; - d. het door middel van een speciaal afgeschermd kanaal inzien van gegevens; - e. het telefonisch verstrekken van inlichtingen over hetgeen in het handelsregister is opgenomen. 2. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld die zijn verschuldigd voor het verstrekken van een afschrift of een uittreksel van hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of daarbij krachtens wettelijk voorschrift is gedeponeerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar: - a. het maken van fotokopieën; - b. het maken van afdrukken van een elektronisch bestand; - c. het doen van een schriftelijke mededeling over hetgeen in het handelsregister is opgenomen; - d. het verstrekken van een papieren uittreksel; - e. het verstrekken van een elektronisch gewaarmerkt uittreksel. 3. Bij ministeriële regeling wordt de vergoeding vastgesteld die verschuldigd is voor overzichten van ondernemingen of rechtspersonen. De vergoeding wordt vastgesteld onderscheiden naar het aanta"},{"b":"Besluit van 11 februari 2015, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Infrastructuur en Milieu (Kaderbesluit subsidies I en M) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *aanvrager:* natuurlijk persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt op grond van een ministeriële regeling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01); - *algemene groepsvrijstellingsverordening:* Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard («de algemene groepsvrijstelling») (PbEU 26.6.2014, L187/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - *de-minimis verordening:* Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L352/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun in de visserij -en aquacultuursector (PbEU 28.6.2014, L190), Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 2017 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, (PbEU 1.7.2014, L193) dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - *Europees steunkader:* een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op he"},{"b":"Besluit van 11 januari 1994, tot vaststelling van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. belang: het belang voor de behartiging waarvan de rechtzoekende rechtsbijstand verzoekt voorzover dat belang hem rechtstreeks en individueel aangaat. Artikel 2 Rechtsbijstand kan worden verleend indien de aanvraag daartoe voldoet aan de in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) gestelde criteria en rechtsbijstand op grond van dit besluit niet is uitgesloten. Artikel 3 Rechtsbijstand wordt als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer: - a. voor de instelling waarvan de wettelijke termijn is verstreken of, indien de aanwending van een rechtsmiddel wordt voorgesteld, de termijn waarbinnen deze kan worden aangewend is verstreken; - b. waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft; - c. dat uitsluitend wordt gevoerd om uitstel van betaling of van executie te verkrijgen; - d. waarover reeds eerder door meer dan één rechtsbijstandverlener een advies is gegeven; - e. waarvan gezien de recente rechtspraak redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze geen kans van slagen maakt; - f. dat betrekking heeft op een tweede of volgende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in welk kader redelijkerwijs buiten twijfel is dat de nieuwe feiten of omstandigheden vóór de onherroepelijke beslissing op de eerdere aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar voren hadden kunnen worden gebracht, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de bijzondere omstandigheden van het geval noodzaken tot het verlenen van rechtsbijstand. Artikel 4 1. Rechtsbijstand bestaande uit het geven van eenvoudig rechtskundig advies wordt, als zijnde van onvoldoende belang, niet ver"},{"b":"Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002) Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - a. *wet*: de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876); - b. *Onze Minister:* Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. *Nederlands vissersvaartuig:* een vissersvaartuig dat ingevolge [artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002897&artikel=1) als Nederlands geldt; - d. *vissersvaartuig*: een vissersvaartuig als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=1); - e. *nieuw vissersvaartuig*: een vissersvaartuig waarvoor - 1°. op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund, of - 2°. het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund voor 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd, of - 3°. bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999: - – de kiel wordt gelegd, of - – een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vissersvaartuig, of - – een aanvang wordt gemaakt met de samenbouw die ten minste 50 ton of 1% van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is; - f. *bestaand vissersvaartuig*: een vissersvaartuig dat geen nieuw vissersvaartuig is; - g. *lengte of L*: tenzij anders bepaald, 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is. Bij vissersvaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, e"},{"b":"Besluit van 11 juli 2012 tot vaststelling van regels over de verstrekking van systematische informatie in het kader van interbestuurlijk toezicht (Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie) Artikel 1 In dit besluit en op dit besluit gebaseerde regelingen en provinciale verordeningen wordt verstaan onder: - a. *wettelijke taak:* de wettelijk gevorderde beslissingen, handelingen of resultaten, bedoeld in [artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124) of [artikel 121, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121); - b. *toezicht:* het verzamelen van de informatie door het provinciebestuur of Onze Minister die het aangaat over de vraag of de uitvoering van een wettelijke taak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren; - c. *toezichtinformatie:* informatie die door het provinciebestuur of Onze Minister die het aangaat van het gemeentebestuur of het provinciebestuur wordt gevraagd ten behoeve van het toezicht; - d. *systematische toezichtinformatie:* toezichtinformatie die van meer dan één gemeentebestuur of provinciebestuur wordt gevraagd of die vaker dan één keer wordt gevraagd. Artikel 2 1. Onze Minister die het aangaat kan, voor zover hij met toezicht is belast, met inachtneming van dit besluit bij ministeriële regeling de verplichting opleggen tot het periodiek aan hem verstrekken van systematische toezichtinformatie. 2. Voor zover gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning met toezicht zijn belast, kunnen provinciale staten met inachtneming van dit besluit bij verordening de verplichting opleggen tot het periodiek verstrekken van systematische toezichtinformatie aan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning. 3. Onze Minister die het aangaat, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning kan onderscheidenlijk kunnen, voor zove"},{"b":"Besluit van 11 juli 2014, houdende aanwijzing van twee leden van het College van Toezicht inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning Als leden van het College van Toezicht de volgende twee Nederlanders aan te wijzen: - – Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix Wilhelmina Armgard, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld; - – Jhr. mr. Frans Ferdinand Feyo de Beaufort."},{"b":"Besluit van 11 juli 2014, houdende de aanwijzing aan de Gouverneur van Aruba tot het aanhouden van de vaststelling van de landsverordening tot vaststelling van de begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 en het doen van onderzoek naar de realiteit van de ramingen in de begrotingen en de meerjarige ontwikkeling van de overheidsfinanciën van Aruba Artikel 1 1. De Gouverneur van Aruba houdt de vaststelling van de door de Staten goedgekeurde landsverordening tot vaststelling van de door de Staten goedgekeurde begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 aan en doet onderzoek naar de realiteit van de ramingen in de door de Staten goedgekeurde begrotingen 2014 en de meerjarige ontwikkeling van de overheidsfinanciën van Aruba. De Gouverneur kan voor het onderzoek de hulp inroepen van deskundigen. 2. Het onderzoeksrapport bevat in ieder geval - a. de uiteenzetting of de ramingen in de begroting realistisch zijn; - b. de meerjarige gevolgen van de begroting voor het begrotings- of financieringstekort respectievelijk begrotingsoverschot en de staatsschuld; en - c. de cijfermatige weergave van de verhouding van deze meerjarige tekorten respectievelijk overschotten en de staatsschuld ten opzichte van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingscapaciteit. Artikel 2 1. De Gouverneur zendt het onderzoeksrapport zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen 6 weken na de inwerkingtreding van dit besluit naar de minister van Financiën en Overheidsorganisatie van Aruba en, door tussenkomst van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan de raad van ministers van het Koninkrijk. 2. Indien het onderzoeksrapport daartoe aanleiding geeft, kan de Gouverneur de regering van Aruba uitnodigen binnen drie weken een nieuw voorstel van landsverordening tot vaststelling van de begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 dan wel een"},{"b":"Besluit van 11 juli 2018, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van Justitie en Veiligheid in verband met het doorvoeren van technische verbeteringen (Verzamelbesluit Justitie en Veiligheid 2018) Artikel I. Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht *Wijzigt het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht.* Artikel II. Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen *Wijzigt het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.* Artikel III. Besluit burgerlijke stand 1994 *Wijzigt het Besluit burgerlijke stand 1994.* Artikel IV. Besluit digitale stukken Strafvordering *Wijzigt het Besluit digitale stukken Strafvordering.* Artikel V. Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht *Wijzigt het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht.* Artikel VI. Besluit getuigenbescherming *Wijzigt het Besluit getuigenbescherming.* Artikel VII. Besluit gezagsregisters *Wijzigt het Besluit gezagsregisters.* Artikel VIII. Besluit orde van dienst gerechten *Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten.* Artikel IX. Besluit technische hulpmiddelen strafvordering *Wijzigt het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering.* Artikel X. Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur *Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur.* Artikel XI. Vreemdelingenbesluit 2000 *Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.* Artikel XII. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041232&artikel=IX&z=2019-01-01&g=2019-01-01). 2. Indien artikel I, onderdelen B en D, van de Wet van 6 december 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten strekkende tot aanpassing van enkele bepalingen betreffende de uitvoering van bijzon"},{"b":"Besluit van 11 juni 2004 tot wijziging van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (uitvoering Euratom-richtlijn basisnormen) Artikel I *Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.* Artikel II 1. Op de aanvraag om een vergunning voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) of [29 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijft – behoudens in gevallen als bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin – het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing totdat de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 2. Het in [artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met vervoer of het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen, indien: - a. wordt voldaan aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=2) of [artikel 23 van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=23), zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit en - b. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag om een vergunning als bedoeld in [artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) wordt ingediend, tot twee maanden nadat de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 3. Het in [artikel 27, eerste lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid"},{"b":"Besluit van 11 juni 2009, houdende regels voor het vaststellen van de op grond van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op te leggen bestuurlijke boetes (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder basisbedrag: basisbedrag als bedoeld in [artikel 10e, tweede lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10e), [artikel 9c, tweede lid, van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=9c), [artikel 1:81, tweede en derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [artikel 31, tweede en derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=31), [artikel 55, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55), [artikel 49, tweede lid, Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=49). Artikel 1a Dit besluit berust mede op de [artikelen 1:81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82), [1:88a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:88a) en [1:97, derde lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:97) en [artikel 49, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=49). Artikel 1b 1. Onverminderd de [artikelen 3:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4) en [5:46 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46), houdt de toezichthouder bij het vaststellen van een bestuurlijke boete in ieder geval rekening met de"},{"b":"Besluit van 11 juni 2020, houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen (Besluit Tijdelijke wet Groningen) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *aanvraag om schadevergoeding:* aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=11); - *coördinator:* coördinator als bedoeld in artikel 10l; - *NPR:* door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn; - *programma:* programma van aanpak als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13g); - *rijksambtenaren:* degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - *samenloop:* situatie waarin een gebouw in een programma is opgenomen en de eigenaar van dat gebouw een aanvraag om schadevergoeding heeft ingediend waarop nog niet is beslist; - *tegemoetkoming:* tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&paragraaf=1a&artikel=1b&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - *typologie:* bij ministeriële regeling vastgestelde verzameling gebouwen met dusdanig vergelijkbare constructieve kenmerken dat hun gedrag bij en weerstand tegen aardbevingen zich op een vergelijkbare wijze laat beschrijven; - *versterkingsmaatregelen:* maatregelen als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13j); - *waardedaling:* waardedaling van een woning als gevolg van het risico op beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg; - *wet:* [Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252). § 1a. Andere taken en bevoegdheden van het Instituut Artikel 1a 1. Het Instituut heeft tot taak en is bevoeg"},{"b":"Besluit van 11 maart 1953, houdende de instelling Koninklijke Luchtmacht Enig artikel De luchtstrijdkrachten, behoudens die behorende tot de zeemacht, vormen Onze luchtmacht en zullen als zodanig genaamd zijn de Koninklijke Luchtmacht."},{"b":"Besluit van 11 maart 1982, houdende aanvulling van opschriften op het vaandel van het Regiment infanterie Oranje-Gelderland voor krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea in het jaar 1962 Artikel Enig artikel Het vaandel van het Regiment infanterie Oranje-Gelderland wordt aangevuld met het opschrift: NIEUW-GUINEA 1962 wegens: het deelnemen van zes compagnieën van het 6e Infanterie Bataljon, waarvan het Regiment infanterie Oranje-Gelderland de voortzetting is, aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea. Hierbij hebben deze compagnieën zich in 1962 onder buitengewoon moeilijke omstandigheden bijzonder onderscheiden."},{"b":"Besluit van 11 maart 1987, tot algemeen verbindendverklaring van de regeling omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen als bedoeld in artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen Artikel 1 1. Ten aanzien van ondernemingen en instellingen die spaarbewijzen uitgeven, worden algemeen verbindend verklaard: - a. de overeenkomst van 11 mei 1981 tussen De Nederlandsche Bank N.V. en de representatieve organisaties als bedoeld in [artikel 1, onder *d,* van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=1) inzake een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn uitgegeven na 10 mei 1981 doch voor 2 februari 1987, en - b. de overeenkomst van 2 februari 1987 tussen De Nederlandsche Bank N.V., de representatieve organisaties als bedoeld in [artikel 1, onder *d,* van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=1) en de Postbank N.V., inzake vaststelling van een nader gepreciseerde, uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn of worden uitgegeven na 1 februari 1987. 2. De tekst van de overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid zijn als bijlagen bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 maart 1987, tot algemeen verbindendverklaring van de regeling omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen als bedoeld in artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen Artikel 1 1. Ten aanzien van ondernemingen en instellingen die spaarbewijzen uitgeven, worden algemeen verbindend verklaard: - a. de overeenkomst van 11 mei 1981 tussen De Nederlandsche Bank N.V. en de representatieve organisaties als bedoeld in artikel 1, onder *d*, van de [Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797) inzake een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn uitgegeven na 10 mei 1981 doch voor 2 februari 1987, en - b. de overeenkomst van 2 februari 1987 tussen De Nederlansche Bank N.V., de representatieve organisaties als bedoeld in artikel 1, onder *d*, van de [Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797) en de Postbank N.V., inzake vaststelling van een nader gepreciseerde, uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn of worden uitgegeven na 1 februari 1987. 2. De tekst van de overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid zijn als bijlagen bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 De schadevergoeding die de vervoerder wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van [artikel 1095 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1095) rustende verplichtingen mogelijkerwijs is verschuldigd, is beperkt tot een bedrag van € 3,40 per kilogram. Artikel 2 Het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005015&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde bedrag wordt uitgegaan, is het op de vrachtbrief vermelde gewicht van de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking. Indien geen vrachtbrief is uitgegeven, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking bij haar terbeschikkingstelling ten vervoer had. Bij de berekening van dit aantal kilogrammen wordt rekening gehouden met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005015&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Artikel 3 1. Indien de verpakking van de zaak door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld of de zaken onverpakt ten vervoer ter beschikking zijn gesteld en onverschillig of de verpakking al dan niet verloren is gegaan of beschadigd is, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog. 2. Indien de verpakking van de zaak niet door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld en zij blijkens haar aard bestemd is voor meer dan één vervoer te worden gebezigd, wordt, in geval: - a. de schadevergoeding uitsluitend de zaak betreft, uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog; - b. de schadevergoeding uitsluitend verpakking betreft, uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de verpakking woog; - c. de schadevergoeding zowel de zaak als de verpakking betreft, (i). voor de berekening van het bedrag waartoe de aansprakelijk"},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 1. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van vertraging van een reiziger en verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage, is beperkt tot een bedrag van € 1500. In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55) is de schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van verlies of beschadiging van bagage van een reiziger, beperkt tot een bedrag van € 1500 per stuk. 2. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 1147 van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1147) is beperkt tot een bedrag van € 1.000.000 per reiziger met een maximum van € 15.000.000 per gebeurtenis. In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55), waarbij de schadevergoeding die de vervoerder uit hoofde van artikel 1147 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek is verschuldigd meer bedraagt dan € 15.000.000 per gebeurtenis en de schade voor een reiziger meer bedraagt dan € 220.000, mag de vervoerder zijn aansprakelijkheid niet verder beperken dan tot € 220.000 per reiziger. 3. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente mag het gekapitaliseerde bedrag het bedrag waartoe de aansprakelijkheid is beperkt op grond van het tweede lid niet te boven gaan. Artikel 2 Het besluit van 15 juli 1983, *Stb.* 352, wordt ingetr"},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1182 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 1. De schadevergoeding die de verhuizer op grond van een door hem aangegane verhuisovereenkomst mogelijkerwijs is verschuldigd wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van de [artikelen 1173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1173) en [1174](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1174) rustende verplichtingen, is beperkt tot een bedrag van € 23 000. 2. Indien de verhuizer in één en dezelfde overeenkomst op zich neemt meer dan één inboedel te verhuizen is zijn in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van € 23 000 per inboedel. Artikel 2 Een bedrag van € 23 van de geleden schade blijft voor risico van de opdrachtgever. Artikel 3 Het besluit van 15 juli 1983, *Stb.* 353 wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt."},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 85, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 1. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 81 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=81) is beperkt tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per reiziger. 2. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente mag het gekapitaliseerde bedrag een bedrag van 400.000 rekeneenheden per reiziger niet te boven gaan. Artikel 1a De rekeneenheid, genoemd in dit besluit, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen die in dit besluit zijn uitgedrukt in rekeneenheden, worden omgerekend in euro’s naar de koers van de dag van betaling, danwel, in geval van een gerechtelijke procedure, naar de koers van de dag van de uitspraak. De waarde in euro’s, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt."},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 905 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 De schadevergoeding die de vervoerder wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van [artikel 895 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=895) rustende verplichtingen mogelijkerwijs is verschuldigd, is onder voorbehoud van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01) beperkt tot een bedrag van € 2,70 per kilogram. Artikel 2 Het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde bedrag wordt uitgegaan, is het op de vrachtbrief vermelde gewicht van de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking. Indien geen vrachtbrief is uitgegeven, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking bij haar terbeschikkingstelling ten vervoer had. Bij de berekening van dit aantal kilogrammen wordt rekening gehouden met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Artikel 3 1. Indien de verpakking van de zaak door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld of de zaken onverpakt ten vervoer ter beschikking zijn gesteld en onverschillig of de verpakking al dan niet verloren is gegaan of beschadigd is, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog. 2. Indien de verpakking van de zaak niet door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld en zij blijkens haar aard bestemd is voor meer dan één vervoer te worden gebezigd, wordt, in geval: - a. de schadevergoeding uitsluitend de zaak betreft, uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog; - b. de schadevergoeding uitsluitend verpakking betreft, uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de verpakking woog; - c. de schade"},{"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 974 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=974) is beperkt tot 400.000 rekeneenheden per reiziger. 2. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente mag het gekapitaliseerde bedrag 400.000 rekeneenheden per reiziger niet te boven gaan. Artikel 2 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd in geval van vertraging van een reiziger en verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage, is beperkt tot een bedrag van € 1.500. 2. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan is beperkt tot een bedrag van € 9 100per voertuig of schip. Artikel 2a De rekeneenheid, genoemd in dit besluit, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen die in dit besluit zijn uitgedrukt in rekeneenheden, worden omgerekend in euro’s naar de koers van de dag van betaling, danwel, in geval van een gerechtelijke procedure, naar de koers van de dag van de uitspraak. De waarde in euro’s, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt."},{"b":"Besluit van 11 maart 2002, houdende regels betreffende een communautair energie- efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma) Artikel 1 Het is verboden het gemeenschappelijk logo, bedoeld in artikel 3, onder a, van verordening (EG) nr. 106/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een programma van de Unie voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur te gebruiken anders dan in overeenstemming met deze verordening. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma."},{"b":"Besluit van 11 maart 2010, nr. 2010007597 houdende de instelling van de adviescommissie excellente gebieden innovatieve energiebesparing in de nieuwbouw Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *commissie:* commissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027428&artikel=2&z=2010-03-28&g=2010-03-28), - b. *minister:* Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Artikel 2 Er is een adviescommissie excellente gebieden innovatieve energiebesparing in de nieuwbouw. Artikel 3 De commissie heeft tot taak aan de minister te adviseren over de rangorde binnen de aanvragen en hoogte van de uitkeringen, indien het aantal excellente gebieden of het uitkeringsplafond, zou worden overschreden bij het in overeenstemming met de aanvragen aanwijzen van de excellente gebieden. Artikel 4 De commissie wordt ingesteld voor de duur van uiterlijk één maand, zijnde de periode van 1 maart 2010, zijnde de uiterste datum voor het indienen van voorstellen, tot en met 31 maart 2010, zijnde de uiterste datum voor het doen toekomen van het advies aan de minister. Indien een lid van de adviescommissie is verhinderd tijdens de vergaderingen, zal hij of zij zorgdragen voor een vervanger. Artikel 5 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en zes leden - a. de heer C.A.J. Duijvestein (voorzitter) - b. de heer M. Scheweer (vanuit VNG) - c. de heer J.H. Goosens (vanuit NVB) - d. de heer W.J. Bodewes (vanuit Neprom) - e. mevrouw D. Wickenhagen (vanuit Bouwend Nederland) - f. de heer J. Prins (vanuit Aedes) - g. mevrouw T. Klip-Martin (vanuit IPO) 2. De voorzitter en leden van de commissie worden voor de duur van de commissie benoemd door de minister. 3. De commissie bestaat uit deskundigen op het terrein van het bouwproces en energiebesparing en vormt een afspiegeling van de ondertekenaars van het Lente-akkoord. 4. De commissie wordt bijgestaan door een inhoudelijk secretariaat, verzorgd vanuit Agentschap NL. De secretaris is geen lid van de commissie. Arti"},{"b":"Besluit van 11 maart 2024 tot wijziging van het Besluit Jeugdwet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, houdende regels ter bevordering van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van door gemeenten te bekostigen preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, alsmede enige technische wijzigingen Artikel I *Wijzigt het Besluit Jeugdwet.* Artikel II *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.* Artikel III [Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.4) berust op [artikel 2.6.6, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.6) en [artikel 5.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.1) berust op artikel 2.6.6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel IV 1. Dit besluit heeft geen gevolgen voor contracten die zijn afgesloten voor de datum waarop dit besluit in werking treedt. 2. Dit besluit heeft geen gevolgen voor contracten die na de inwerkingtreding van dit besluit worden gesloten indien de prijzen die in het kader van die contracten worden betaald voor de inwerkingtredingsdatum van dit besluit bekend waren gemaakt. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is dit besluit van toepassing op contracten nadat de initieel afgesproken looptijd ervan verlopen is, behalve voor zover op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds vaststond dat een contract daadwerkelijk verlengd zou worden. 4. Dit besluit heeft geen gevolgen voor subsidies die zijn verleend voorafgaande aan de datum waarop dit besluit in werking treedt. Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld."},{"b":"Besluit van 11 mei 2001, houdende de overdracht van de zorg voor het consumentenkrediet Artikel Enig artikel De zorg voor het consumentenkrediet, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, gaat, met uitzondering van de zorg voor schuldbemiddeling, met ingang van 1 mei 2001 over naar Onze Minister van Financiën."},{"b":"Besluit van 11 mei 2007 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2005, een eenmalige uitkering 2006 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2007, alsmede in verband met enige technische wijzigingen Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2005 aan het defensiepersoneel (Toekenning eenmalige uitkering 2005 defensiepersoneel) Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - a. militair: de militair ambtenaar in de zin van [artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) die is aangesteld bij het beroepspersoneel; - b. peildatum: 1 januari 2006; - c. betrokkene: - 1°. de militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op de peildatum in werkelijke dienst was; - 2°. de burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak heeft op een salaris volgens [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=A) of [B van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=B) en die op de peildatum in dienst van het Ministerie van Defensie was; - 3°. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510&artikel=18) op de peildatum in het genot was van wachtgeld dan wel een uitkering op grond van de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540) genoot; - 4°. de gewezen burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak heeft op salaris volgens [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=A) of [B van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=B) en die ingevo"},{"b":"Besluit van 11 mei 2020 tot vaststelling van het Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat Artikel 1 De vestigingsplaatsen van de kamers voor het notariaat zijn: - a. ressort Amsterdam: Amsterdam; - b. ressort Arnhem-Leeuwarden: Arnhem; - c. ressort Den Haag: ’s-Gravenhage; - d. ressort ’s-Hertogenbosch: ’s-Hertogenbosch. Artikel 2 Het [Besluit vestigingsplaatsen raden van discipline, hof van discipline en kamers voor het notariaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032120) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat."},{"b":"Besluit van 11 mei 2020 tot wijziging van onder meer het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 ter implementatie van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156) (Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn) Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043558) in werking treedt. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn."},{"b":"Besluit van 11 mei 2020, houdende regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Besluit Woningbouwimpuls 2020) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *aanvraagtijdvak:* de termijn waarbinnen een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend; - *betaalbare woning:* - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - 2° huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste: - i. het bedrag als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2); of - ii. het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in [artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden; - 3° betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de geïndexeerde bovengrens, bedoeld in [artikel 7, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=7); - *college:* college van burgemeester en wethouders; - *Onze Minister:* Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - *project:* project als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1."},{"b":"Besluit van 11 mei 2023, houdende aanwijzing van de open informatieveiligheidsstandaarden HTTPS en HSTS voor websites en webapplicaties van bestuursorganen (Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en -webapplicaties) Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *HSTS:* «HTTP Strict Transport Security», IETF RFC 6797; - b. *HTTPS:* «HyperText Transfer Protocol Secure», IETF RFC 9110; - c. *TLS-richtlijnen:* de ICT-beveiligingsrichtlijnen voor Transport Layer Security (TLS), versie 2.1.1, gepubliceerd op https://www.ncsc.nl/documenten/publicaties/2021/januari/19/ict-beveiligingsrichtlijnen-voor-transport-layer-security-2.1; - d. *Webapplicatie-richtlijnen:* de ICT-Beveiligingsrichtlijnen voor Webapplicaties, versie 2015, gepubliceerd op https://www.ncsc.nl/documenten/publicaties/2019/mei/01/ict-beveiligingsrichtlijnen-voor-webapplicaties Artikel 2. Aanwijzing Bestuursorganen als bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1), beveiligen hun publiek toegankelijke websites en webapplicaties door toepassing van HTTPS en HSTS, met dien verstande dat: - a. de standaarden worden geconfigureerd overeenkomstig de instellingen die de status voldoende of goed krijgen in de TLS-richtlijnen; - b. een bezoeker wordt doorverwezen naar de HTTPS-versie op de bezochte domeinnaam voordat naar andere domeinnamen wordt doorverwezen overeenkomstig maatregel 5 bij beveiligingsrichtlijn U/WA.05 van de Webapplicatie-richtlijnen; en - c. een HSTS-geldigheidsduur van tenminste twaalf maanden (max-age=31536000) wordt gehanteerd. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2023 Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en -webapplicaties."},{"b":"Besluit van 11 november 1994, houdende regels ter uitvoering van artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende de bekwaamheid en betrouwbaarheid, beëdiging en instructie van, alsmede het toezicht op buitengewoon opsporingsambtenaren, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëindiging van de opsporingsbevoegdheid en enige andere onderwerpen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - c. akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - d. aanwijzing: de aanwijzing, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - e. aanvullende opsporingsbevoegdheid: de aanvullende opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - f. de akte van beëdiging: de akte van beëdiging, bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&hoofdstuk=4&artikel=19&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - g. politiebevoegdheden: de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); - h. werkgever: de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar; - i. bewijs van bekwaamheid: een bewijs van het met goed gevolg afgelegd hebben van het door Onze Minister goedgekeurde examen; - j. legitimatiebewijs: een bewijs als bedoeld in [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"b":"Besluit van 11 november 2010, nr. 10.003075, houdende departementale herindeling met betrekking tot energie en de Nederlandse Emissieautoriteit Artikel 1 1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van energie, met inbegrip van kernenergie, de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet en de aansturing van de bijbehorende onderdelen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Agentschap NL en van de Kernfysische dienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de Nederlandse Emissieautoriteit, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van het ministerie van Infrastructuur en Milieu worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028988&artikel=1&z=2010-11-27&g=2010-11-27) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028988&artikel=2&z=2010-11-27&g=2010-11-27) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"b":"Besluit van 11 november 2019, houdende vaststelling van de massagrenzen waar beneden een platina, gouden of zilveren voorwerp niet gewaarborgd behoeft te worden (Waarborgbesluit 2019) Artikel 1 De verplichting, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=2) geldt niet voor: - a. platina voorwerpen waarvan de totale massa aan platina minder dan 0,5 gram bedraagt; - b. gouden voorwerpen waarvan de totale massa aan goud minder dan 1 gram bedraagt; - c. zilveren voorwerpen waarvan de totale massa aan zilver minder dan 8 gram bedraagt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Waarborgbesluit 2019."},{"b":"Besluit van 11 november 2025 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met de invoering van een verplichting voor het bestuursorgaan tot het verstrekken van een afschrift aan de minister bij afwijking van het circulair materialenplan, tot wijziging van het begrip landelijk afvalbeheerplan in circulair materialenplan en het nader invulling geven aan het begrip doelmatig beheer van afvalstoffen [KetenID WGK026744] Artikel I *Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving.* Artikel II *Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving.* Artikel III *Wijzigt het Omgevingsbesluit.* Artikel IV *Wijzigt het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.* Artikel V Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het met [artikel III, onderdelen A en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051799&artikel=III&z=2025-12-30&g=2025-12-30), van dit besluit geïntroduceerde [artikelen 10.20a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=10.20a) en [10.22a0 van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=10.22a0) in de praktijk. Artikel VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 11 oktober 1947, tot instelling van een Departement van Algemeen Bestuur, dat de naam zal dragen van Ministerie van Algemene Zaken Artikel *Enig artikel* I. in te stellen een \"Departement van Algemeen Bestuur\", dat de naam zal dragen van \"Ministerie van Algemene Zaken\"; II. aan het Hoofd van het onder I genoemd Departement de zorg op te dragen voor de zaken betreffende het algemeen Regeringsbeleid van het Koninkrijk, voor zover deze zorg niet bepaaldelijk wordt behartigd door een der andere departementen van algemeen bestuur. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag der dagtekening van het *Staatsblad*, waarin het is geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 oktober 1988, houdende een regeling betreffende coördinatie met betrekking tot civiele zeegaande vaartuigen van de rijksoverheid danwel door deze gesubsidieerde stichtingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: vaartuigen: civiele zeegaande vaartuigen, zowel bestaand als in aanbouw, eigendom van of in gebruik bij de rijksoverheid dan wel stichtingen of andere instellingen, die geheel of overwegend door de rijksoverheid worden gesubsidieerd; beheerder: degene die met de verwerving van en het beheer over één of meer vaartuigen is belast, dan wel feitelijk het beheer voert; Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Onze Minister is belast met de zorg voor de coördinatie bij het bevorderen van een doelmatige opbouw en een efficiënt gebruik van de vloot vaartuigen. Artikel 3 Ter uitvoering van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004413&artikel=2&z=1988-11-01&g=1988-11-01) stelt Onze Minister regels inzake de verwerving en het beheer van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004413&artikel=1&z=1988-11-01&g=1988-11-01) bedoelde vaartuigen. Artikel 4 De in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004413&artikel=3&z=1988-11-01&g=1988-11-01) bedoelde regels worden vastgesteld in overeenstemming met de Ministers wie het mede aangaat. Artikel 5 Het Besluit toezicht rijksvaartuigen (*Stb.* 1971, 672) wordt ingetrokken. Artikel 6 De ministeriële regeling van 23 januari 1987, nr. N-01686 (*Stcrt.* 39) houdende de instelling van het Interdepartementaal Overleg inzake Zeegaande Vaartuigen (IOZV), wordt geacht te zijn vastgesteld krachtens dit besluit. Daarbij dient voor \"het Hoofd van de Dienst Vaartuigen\" te worden gelezen: het hoofd van de Afdeling Rijksvaartuigen. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1988."},{"b":"Besluit van 11 oktober 1999, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen Artikel I *Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen.* Artikel II *Wijzigt het Warenwetbesluit Doorstraalde waren.* Artikel III *Wijzigt het Warenwetbesluit Meel en brood.* Artikel IV *Wijzigt het Warenwetbesluit Verduurzaamde vruchtenprodukten.* Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 februari 2000, met dien verstande dat eet- of drinkwaren die vóór 14 februari 2000 zijn geëtiketteerd, nog verhandeld mogen worden tot de voorraden zijn uitverkocht."},{"b":"Besluit van 11 oktober 2002 op grond van de Sanctiewet 1977, inzake het melden van transacties die zouden kunnen duiden op de financiering van terrorisme Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Meldpunt: het meldpunt, bedoeld in [artikel 12 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12); - b. Lijst: de opsomming van personen, groepen en entiteiten, neergelegd in: - 1° de bijlage, behorende bij de artikelen 1 en 4 van het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PbEG L 344); - 2° de lijst, vastgesteld op grond van artikel 2, derde lid, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344); of - 3° bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkingen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (PbEG L 139); - c. Financiële onderneming: - 1°. een bank als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - 2° een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - 3° een beleggingsinstelling of icbe als bedoeld in [artikel 1:1"},{"b":"Besluit van 11 oktober 2004, houdende wijziging van het Warenwetbesluit kosmetische produkten en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten ter implementatie van richtlijn nr. 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PbEG L 151), richtlijn nr. 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PbEU L 66) en richtlijn nr. 2003/80/EG van de Commissie van 5 september 2003 tot vaststelling van het symbool dat de houdbaarheid van cosmetische producten aangeeft, in bijlage VIII bis bij richtlijn 76/768/EEG van de Raad (PbEU L 224) Artikel I *Wijzigt het Warenwetbesluit kosmetische produkten.* Artikel II *Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.* Artikel III De cosmetische producten die: - a. voldoen aan [artikel 4, eerste lid, onderdelen d en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007603&artikel=4), en [artikel 4, vierde lid, van het Warenwetbesluit cosmetische producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007603&artikel=4) zoals dit luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit; en - b. vóór 11 maart 2005 zijn verhandeld; mogen ook na de inwerkingtreding van dit besluit nog worden verhandeld. Artikel IV 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017304&artikel=I&z=2004-12-24&g=2004-12-24) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017304&artikel=III&z=2004-12-24&g=2004-12-24) treden in werking met ingang van 26 november 2004. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017304&artikel=II&z=2004-12-24&g=2004-12-24) treedt in werking acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 oktober 2006 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 (PbEU L 224) Artikel 1 *Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.* Artikel 2 *Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.* Artikel 3 Dit besluit is van toepassing op jaarrekeningen en jaarverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2007. De bepalingen van dit besluit kunnen worden toegepast op de jaarrekening en het bestuursverslag die worden opgesteld over het boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2006. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 11 oktober 2012 tot wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur inzake het participatiebudget, contacturen, referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, examengeld staatsexamen Nederlands als tweede taal en technische wijzigingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs Artikel I. Wijziging Besluit participatiebudget *Wijzigt het Besluit participatiebudget.* Artikel II. Wijziging Uitvoeringsbesluit WEB *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.* Artikel III. Wijziging Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen *Wijzigt het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.* Artikel IV. Wijziging Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal *Wijzigt het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal.* Artikel V. Overgangsbepaling verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2009 tot en met 2012 De [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044&artikel=1) en [3 van het Besluit participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044&artikel=3) zoals luidend op 31 december 2012 blijven van toepassing op uitkeringen over de jaren 2009 tot en met 2012 en daarop betrekking hebbende geschillen. Artikel VI. Overgangsbepaling examengeld staatsexamen Nederlands als tweede taal [Artikel 5, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=5) zoals luidend voor de inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032152&artikel=IV&z=2013-04-04&g=2013-04-04) van dit besluit blijft van toepassing op examens en delen van examens die worden afgenomen voor 1 januari 2013. Artikel VII. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt met uitzondering van [artikel II, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032152&artikel=II&z=2013-04-04&g=2013-04-04), en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032152&artikel=IV&z=2013-04-04&g=2013-04-04) in werking met ingang van 1 januari 2013. 2. [Artik"},{"b":"Besluit van 11 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren naar aanleiding van de evaluatie van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap Artikel I *Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen curatoren,beschermingsbewindvoerders en mentoren.* Artikel II [Artikel I, onderdeel C, eerste onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045699&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), is van toepassing op de werkzaamheden van accountants ten aanzien van jaarrekeningen en jaarverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2021. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022."},{"b":"Besluit van 11 oktober 2021 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs, getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van nascholing in verband met COVID-19 en enkele andere wijzigingen (Tweede tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19) Artikel I *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel II *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdelen A en C tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045687&artikel=I&z=2021-10-13&g=2021-10-13), werkt terug tot en met 1 juli 2021. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19."},{"b":"Besluit van 11 september 1997, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand) Artikel 1 1. Wanneer ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, waar een persoon is geboren of overleden, ontbreekt of niet bereikbaar is, kan een voorlopige akte van geboorte of overlijden worden opgemaakt buiten de registers van de burgerlijke stand door een ambtenaar van de burgerlijke stand van een andere gemeente, een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, de burgemeester, de secretaris of een wethouder van de gemeente waar de geboorte of het overlijden plaatsvond, een notaris, of een ten kantore van een notaris werkzame kandidaat-notaris, een advocaat, een door Onze Minister van Defensie aangewezen officier van de krijgsmacht of een door Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaar. 2. De in het eerste lid bedoelde persoon die de akte opmaakt, beoordeelt of de daar vermelde omstandigheden zich voordoen. 3. Hij neemt bij het opmaken van de akte, zoveel als het naar zijn oordeel mogelijk is, de bepalingen van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=4&z=2014-04-01&g=2014-04-01) tot en met [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=9&z=2014-04-01&g=2014-04-01), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=11&z=2014-04-01&g=2014-04-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=13&z=2014-04-01&g=2014-04-01) en [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=14&z=2014-04-01&g=2014-04-01), in acht. Artikel 2 Wanneer ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar een persoon is geboren of overleden, naar zijn oordeel verhin"},{"b":"Besluit van 11 september 1998, houdende uitzondering respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (Besluit bestuursorganen WNo en Wob) Artikel 1 Als bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1a), zijn uitgezonderd: - a. de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in [artikel 16 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=16), voor zover belast met andere werkzaamheden dan welke voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met de coördinatie van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben gekregen voor landelijke omroep, onderscheidenlijk met het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor de landelijke omroep; - b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de [artikelen 2, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=2), en [3 van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=3), en haar taken en bevoegdheden ingevolge [artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=4), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831), de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) en de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&artikel=2a), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&artikel=5), [8](https://wetten.overhei"},{"b":"Besluit van 11 september 2006 houdende de wijziging van het Kaderbesluit CCMS (Erkenning tot opleider en opleidingsinrichting) Artikel I *Wijzigt het Kaderbesluit CCMS.* Artikel II. Overgangsbepaling 1. De eisen en verplichtingen voor opleiders en opleidingsinrichtingen voortvloeiende uit dit besluit zijn verbindend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. 2. In afwijking van het eerste lid worden ten aanzien van aanvragen voor erkenning ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit de bepalingen omtrent erkenning toegepast die golden ten tijde van de aanvraag. 3. Eisen en verplichtingen te stellen aan de opleider en de opleidingsinrichting aan wie een erkenning is verleend vóór de in het eerste lid genoemde datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn verbindend vanaf de eerstvolgende datum waarop de erkenning als opleider en opleidingsinrichting opnieuw wordt verleend. Tot die datum blijven de bepalingen omtrent erkenning van toepassing die golden op het moment dat de oorspronkelijke erkenning werd verleend. Artikel III. Publicatie 1. Dit besluit wordt gelijktijdig met het besluit van de Minister, inhoudende de goedkeuring van dit besluit, gepubliceerd in de Staatscourant. 2. In het officiële orgaan van de KNMG wordt mededeling gedaan van dit besluit. Artikel IV. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking de dag na die waarop dit met het besluit van de Minister, inhoudende de goedkeuring van dit besluit, bekend is gemaakt."},{"b":"Besluit van 11 september 2014, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 89 en 90 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten) Artikel 1. (definities) In dit besluit wordt verstaan onder: - *bank:* een bank als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - *beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen:* een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in [artikel 2:96 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:96) is verleend, niet zijnde een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen; - *beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten:* een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in [artikel 2:96 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:96) is verleend en die op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel a of b, of vijfde lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, of ten aanzien waarvan de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in [artikel 3:4a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:4a) heeft genomen; - *bijkantoor:* een bijkantoor als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 17, van de verordening kapitaal"},{"b":"Besluit van 11 september 2019 tot toekenning van het vaandelopschrift «Sangin 2007» aan het Garderegiment Grenadiers en Jagers Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Garderegiment Grenadiers en Jagers wordt toegevoegd het opschrift «Sangin 2007» in verband met zijn bijdrage als reservecompagnie van het zuidelijke regionale commando van ISAF bij de inname van Sangin. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2006-2007» aan het Korps Veldartillerie Artikel 1 Aan de opschriften van de standaard van het Korps Veldartillerie wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006-2007» in verband met de inzet van de *Forward Observers* en *Forward Air Controllers* als essentieel onderdeel van de vuursteunketen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2006-2010» aan het Regiment Huzaren van Boreel Artikel 1 Aan de opschriften in de standaard van het Regiment Huzaren van Boreel wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006-2010» in verband met zijn inlichtingen- en manoeuvretaak door de inzet van ISTAR-modules, verkenningspelotons en een infanteriecompagnie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2007-2009» aan het Korps Rijdende Artillerie Artikel 1 Aan de opschriften in de standaard van het Korps Rijdende Artillerie wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007-2009» in verband met de inzet van de *Forward Observers* en *Forward Air Controllers* als essentieel onderdeel van de vuursteunketen, alsmede de inzet van de mortiergroepen in 2007. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Afghanistan 2002–2014» aan de Koninklijke Luchtmacht Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van de Koninklijke Luchtmacht wordt toegevoegd het opschrift «Afghanistan 2002–2014» in verband met het geïntegreerde helikopteroptreden, de inzet van jacht- en transportvliegtuigen en de inzet van het luchtmachtpersoneel van de Explosieven Opruimingsdienst. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Derafshan 2007» aan het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene wordt toegevoegd het opschrift «Derafshan 2007» in verband met diverse gevechtsacties in de Derafshan-vallei. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Noord-Kandahar 2006 en Uruzgan 2006-2009» aan het Regiment Van Heutsz Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Van Heutsz wordt toegevoegd het opschrift «Noord-Kandahar 2006 en Uruzgan 2006-2009» in verband met de verdediging van de *Forward Operating Base* «Martello» in 2006, de gevechtsoperaties in Uruzgan van 2006–2009 alsmede de inzet van de *doorgunners* voor de transporthelikopters. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Noord-Kandahar en Uruzgan 2006» aan het Regiment Infanterie Johan Willem Friso Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso wordt toegevoegd het opschrift «Noord-Kandahar en Uruzgan 2006» in verband met de gevechtsacties in 2006 als onderdeel van de *Deployment Task Force* en *Battle Group*-1 in Noord-Kandahar en Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Sar Regin 2008» aan het Regiment Infanterie Oranje Gelderland Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland wordt toegevoegd het opschrift «Sar Regin 2008» in verband met de gevechten in de omgeving van Sar Regin in de Mirabad-vallei. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2007 & Helmand, Kandahar en Uruzgan 2009–2010» aan het Korps Commandotroepen Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Korps Commandotroepen wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006–2007 & Helmand, Kandahar en Uruzgan 2009–2010» in verband met het uitvoeren van speciale operaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2010» aan het Regiment Geneeskundige Troepen Artikel 1 In het vaandel van het Regiment Geneeskundige Troepen wordt opgenomen het opschrift «Uruzgan 2006–2010» in verband met het leveren van geneeskundige verzorging onder gevechtsomstandigheden in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2010» aan het Regiment Technische Troepen Artikel 1 In het vaandel van het Regiment Technische Troepen wordt opgenomen het opschrift «Uruzgan 2006–2010» in verband met de bijdragen van explosievenopruimingsploegen, alsmede onderhouds-, diagnose- en bergingsgroepen te velde in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2007» aan het Regiment Limburgse Jagers Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007» in verband met de gevechtsoperaties in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2007» aan het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007» in verband met de gevechtsacties in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» aan het Regiment Genietroepen Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Genietroepen wordt toegevoegd het opschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» in verband met de geniesteun te velde, waaronder het opsporen van geïmproviseerde explosieven waarmee het regiment de weg baande. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» aan het Regiment Verbindingstroepen Artikel 1 Aan het opschrift in het vaandel van het Regiment Verbindingstroepen wordt toegevoegd het opschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» in verband met het garanderen van commandovoering te velde en zijn bijdrage met elektronische oorlogvoering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Zuid-Afghanistan 2006–2011» aan het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen Artikel 1 Aan het opschrift in het vaandel van het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen wordt toegevoegd het opschrift «Zuid-Afghanistan 2006–2011» in verband met de logistieke ondersteuning te velde en de bevoorradingskonvooien in Zuid-Afghanistan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019."},{"b":"Besluit van 11 september 2026 tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 en ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/791, en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Implementatiewet herziening MiFID II 2026 (Implementatiebesluit herziening MiFID II en MiFIR 2026) [KetenID WGK027755] Artikel I *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel II *Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit gereglementeerde markten Wft.* Artikel IV De [Implementatiewet herziening MiFID II 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052969) en dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit herziening MiFID II en MiFIR 2026."},{"b":"Besluit van 11 september 2026 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit EU-verordeningen Wft ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2811 en Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2026/374 alsmede ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/2809 met als doel de publieke kapitaalmarkten in de Unie aantrekkelijker te maken voor ondernemingen en de toegang tot kapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken en van Verordening (EU) 2025/914 (benchmarks) en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Implementatiewet noteringen en benchmarks (Implementatiebesluit noteringen en benchmarks) [KetenID WGK027810] Artikel I *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel III *Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft.* Artikel IV De [Implementatiewet noteringen en benchmarks](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052973) en dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit richtlijn noteringen en benchmarks."},{"b":"Besluit van 12 april 2000, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de (plaatsvervangend) voorzitter en de niet-ambtelijke leden van de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb (Besluit vaste beloning V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb) Artikel 1 Aan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en de commissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in artikel 3, eerste lid , onderdeel a en b van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van € 658 per zitting toegekend. Artikel 2 Aan de leden van de commissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb, wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning van € 545 per zitting toegekend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2000. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning V.W.S-commissie bezwaarschiften Awb."},{"b":"Besluit van 12 april 2003, houdende uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Besluit BIBOB) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798). Artikel 2 Als rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), worden aangewezen de zelfstandige bestuursorganen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde rechtspersonen. Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 Het Bureau stelt jaarlijks de bijdrage in de kosten van het advies, bedoeld in [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=16), vast aan de hand van: - a. de werkelijk gemaakte kosten die het Bureau voor de behandeling van de aanvraag heeft moeten maken, - b. het aantal aanvragen dat in het afgelopen kalenderjaar is ingediend, - c. het verwachte totale aantal aanvragen dat in het lopende kalenderjaar zal worden ingediend, - d. het verwachte aantal aanvragen dat in het eerstvolgende kalenderjaar zal worden ingediend. Artikel 6 Als bestuursorganen als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, onderdeel i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=27), worden aangewezen: - a. Onze Minister van Veiligheid en Justitie, voor zover het bestanden betreft waarvan de gegevens worden verwerkt door het Centraal Justitieel Incasso Bureau; - b. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, voor zover het bestanden betreft waarvan de gegevens worden verwerkt door de Inspectie Leefomgeving en Transport, domeinen Transport; - c. de Inspectie Leefomgeving en Transport, domeinen Transport; - d. de Dienst Wegverkeer. Artikel 7 1. De bestuursorganen, genoemd in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014964&artikel=6&z=2020-08-01&g=2020-08-01), en de bestuursorganen, genoemd in [artikel 27, e"},{"b":"Besluit van 12 april 2005, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de inkomsten van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie (Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie) en tot wijziging van enkele besluiten in verband met technische wijzigingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *ambtenaar:* degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld; - b. *Onze Minister:* Onze Minister van Defensie; - c. *hoofd defensieonderdeel:* - 1°. de secretaris-generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando DienstenCentra; - d. *commandant:* een bij ministeriële regeling aangewezen autoriteit; - e. *salaris:* het bedrag, dat in de [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=A&z=2026-08-26&g=2026-08-26) wordt gevonden in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal en salarisnummer, in voorkomend geval verhoogd met de aanvulling op het salaris, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit personenchauffeurs defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010280&artikel=4), of het bedrag, dat wordt gevonden met toepassing van [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=B&z=2026-08-26&g=2026-08-26); - f. *salaris per uur:* 1/165 deel van het salaris bij een voltijdaanstelling; - g. *salarisschaal:* een als zodanig in de [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=A&z=2026-08-26&g=2026-08-26) vermelde reeks van genummerde s"},{"b":"Besluit van 12 april 2017 tot het verlengen van de beperking op de openbaarheid van het archief van het Nederlandse Beheersinstituut – Personeelsdossiers 1945–1967, nummer archiefinventaris 2.09.37 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden berustend in het archief van het Nederlandse Beheersinstituut – Personeelsdossiers 1945-1967, nummer archiefinventaris 2.09.37, verlengd. Artikel 2 De inventarisnummers genoemd in de eerste kolom worden openbaar op 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | | 1 | 2035 | | 2 | 2032 | | 3 | 2031 | | 4 | 2031 | | 5 | 2031 | | 6 | 2026 | | 7 | 2029 | | 8 | 2031 | | 9 | 2031 | | 10 | 2031 | | 11 | 2028 | | 12 | 2030 | | 13 | 2030 | | 14 | 2028 | | 15 | 2030 | | 16 | 2028 | | 17 | 2034 | | 18 | 2025 | | 19 | 2030 | | 20 | 2023 | | 21 | 2029 | | 22 | 2029 | | 23 | 2029 | | 24 | 2026 | | 25 | 2026 | | 26 | 2027 | | 27 | 2032 | | 28 | 2032 | | 29 | 2030 | | 30 | 2029 | | 31 | 2031 | | 32 | 2028 | | 33 | 2028 | | 34 | 2026 | | 35 | 2031 | | 36 | 2029 | | 37 | 2030 | | 38 | 2029 | | 39 | 2030 | | 40 | 2028 | | 41 | 2029 | | 42 | 2028 | | 43 | 2031 | | 44 | 2027 | | 45 | 2027 | | 46 | 2028 | | 47 | 2028 | | 48 | 2030 | | 49 | 2030 | | 50 | 2034 | | 51 | 2028 | | 52 | 2034 | | 53 | 2028 | | 54 | 2027 | | 55 | 2030 | | 56 | 2031 | | 57 | 2031 | | 58 | 2021 | | 59 | 2026 | | 60 | 2028 | | 61 | 2023 | | 62 | 2026 | | 63 | 2029 | | 64 | 2031 | | 65 | 2030 | | 66 | 2031 | | 67 | 2026 | | 68 | 2031 | | 69 | 2030 | | 70 | 2029 | | 71 | 2027 | | 72 | 2032 | | 73 | 2029 | | 74 | 2030 | | 75 | 2029 | | 76 | 2034 | | 77 | 2028 | | 78 | 2028 | | 79 | 2027 | | 80 | 2031 | | 81 | 2033 | | 82 | 2030 | | 83 | 2033 | | 84 | 2030 | | 85 | 2029 | | 86 | 2029 | | 87 | 2027 | | 88 | 2029 | | 89 | 2030 | | 90 | 2030 | | 91 | 2030 | | 92 | 2032 | | 93 | 2028 | | 94 | 2032 | | 95 | 2030 | | 96 | 2028 | |"},{"b":"Besluit van 12 april 2022, houdende regels met betrekking tot de vaststelling door het College van Toezicht van de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon die is of wordt belast met de taken van het orgaan dat de toezichtfunctie uitoefent of de dagelijkse leiding heeft in een collectieve beheersorganisatie en tot wijziging van het Besluit doorberekening kosten College van Toezicht (Stb. 2021, 164) in verband met een aanpassing van overwegend technische aard (Besluit betrouwbaarheid en geschiktheid toezichthouders en bestuurders collectieve beheersorganisaties) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de wet:* de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779); - b. *grote collectieve beheersorganisatie:* een collectieve beheersorganisatie als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=1), waarvan het geïnde bedrag aan vergoedingen in een bepaald kalenderjaar meer bedraagt dan € 50.000.000; - c. *persoon:* een persoon die bij een grote collectieve beheersorganisatie is of wordt belast met taken als bedoeld in de [artikelen 2e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2e), of [2f, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2f). Artikel 2. Toetsing voor een benoeming of herbenoeming 1. De grote collectieve beheersorganisatie meldt het College van Toezicht een voorgenomen benoeming of herbenoeming van een persoon, voorafgaand aan die benoeming of herbenoeming. 2. De grote collectieve beheersorganisatie overlegt aan het College van Toezicht bij de melding, bedoeld in het eerste lid, voorafgaand aan de benoeming van een persoon, in ieder geval de volgende informatie: - a. het curriculum vitae van die persoon; - b. het gebruikte functieprofiel; - c. een beschrijving van de bij de werving van die persoon gevolgde"},{"b":"Besluit van 12 augustus 1968 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Begripsbepalingen Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8), [9, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), [11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, onder 3°, o, onder 2°, en u, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12), [17c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=17c), [17d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=17d), [20, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=20), [29, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29), [29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29a), [33g, tweede, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33g), en [39 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39) en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a). 2. Dit besluit verstaat onder: - a. wet: [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629); - b. belasting: omzetbelasting. Hoofdstuk I. Vergoeding Artikel 2 1. Met kortingen wegens contante betaling wordt voor de bepaling van de vergoeding terstond rekening gehouden, mits op de factuur - ingeval deze wordt uitgereikt - de korting in mindering wordt gebracht op het in rekening te brengen bedrag. 2. In gevallen waarin het eerste lid toepassing heeft gevonden en de korting wegens contante betaling uiteindelijk geheel of ten dele niet wordt genoten, wordt de belasting alsnog verschuldigd over het bedrag van de niet genoten korting. De [artikelen 13](https://wetten.overheid."},{"b":"Besluit van 12 augustus 2009, houdende aanpassing van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria en enkele andere besluiten terzake van een aantal onderwerpen van diverse aard (Verzamelbesluit rechtsbijstand 2009) Artikel I *Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria.* Artikel II *Wijzigt het Subsidiebesluit raden voor rechtsbijstand.* Artikel III *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026271&artikel=III&z=2009-08-26&g=2009-08-26) werkt terug tot en met 1 januari 2009. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit rechtsbijstand 2009."},{"b":"Besluit van 12 december 1979, houdende overgang van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen van het departement van Defensie naar het departement van Verkeer en Waterstaat Artikel I 1. Het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaat van het departement van Defensie over naar het departement van Verkeer en Waterstaat. 2. De personeelsleden van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaan over in dienst van het departement van Verkeer en Waterstaat. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden gaan volgens door Ons te geven regelen personeelsleden over in dienst van het departement van Defensie teneinde te worden ingezet voor taken in het belang van de landsverdediging. 3. De roerende en onroerende zaken van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaan in materieel beheer over naar het departement van Verkeer en Waterstaat. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden gaan volgens door Ons te geven regelen roerende en onroerende zaken in materieel beheer over naar het departement van Defensie, voorzover zulks in verband met de onder 2 genoemde taken gewenst is. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1980."},{"b":"Besluit van 12 december 1995, houdende wijziging Besluit vergoedingen luchtverkeersbeveiliging Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II 1. Voor de periode van drie jaren na inwerkingtreding van dit besluit wordt voor luchtvaartuigen met een MTOW tot en met 2 ton, met uitzondering van de luchthaven Schiphol, jaarlijks een tarief vastgesteld dat gelijk is aan de vergoeding die in het jaar 1995 verschuldigd was vermeerderd met: - a. een vierde gedeelte voor het jaar 1996, - b. twee vierde gedeelte voor het jaar 1997, - c. drie vierde gedeelte voor het jaar 1998, van het verschil tussen de in het jaar 1995 verschuldigde vergoeding en de vergoeding, die ingevolge artikel 6, onderdeel *b*, voor die luchtvaartuigen verschuldigd zou zijn. 2. In afwijking van artikel 6*a* wordt de verschuldigde vergoeding bedoeld in artikel 6*a* in 1996 vastgesteld op fl 100,-. Dit bedrag wordt jaarlijks verhoogd met € 22,69 totdat de vergoeding overeenstemt met de vergoeding bedoeld in artikel 6*a*. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996."},{"b":"Besluit van 12 december 1995, houdende wijziging van het Besluit homeopatische farmaceutische produkten Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III 1. Op homeopatische farmaceutische produkten als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit homeopatische farmaceutische produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005371&artikel=4), welke zijn bereid in overeenstemming met genoemd besluit zoals dat luidde onmiddellijk vóór de datum van inwerkingtreding bedoeld in [artikel IV, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007721&artikel=IV&z=2002-01-01&g=2002-01-01), van dit besluit, is tot vier jaar na die datum: - a. van toepassing het [Besluit homeopatische farmaceutische produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005371), zoals dat tot eerstgenoemde datum luidde; en - b. niet van toepassing artikel 3, vijfde lid, van de wet. 2. Homeopatische farmaceutische produkten, andere dan bedoeld in het eerste lid, welke zijn bereid in overeenstemming met het [Besluit homeopatische farmaceutische produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005371) zoals dat luidde onmiddellijk vóór de datum van inwerkingtreding als bedoeld in [artikel IV, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007721&artikel=IV&z=2002-01-01&g=2002-01-01), van dit besluit, worden in het eerste jaar na bedoelde datum aangemeld bij het College ter beoordeling van geneesmiddelen. De aanmelding wordt door dat college op een lijst van aangemelde homeopatische farmaceutische produkten geplaatst, indien uit de bij de aanmelding overgelegde gegevens ten minste blijkt dat de te vermelden indicatie met betrekking tot het aangemelde homeopatisch farmaceutisch produkt in een doorgaans door de beroepsgroep van homeopatische artsen gehanteerd handboek voor de homeopatische geneeskunde is opgenomen. 3. Voor zover homeopatische farmaceutische produkten zijn opgenomen op de in het tweede lid bedoelde"},{"b":"Besluit van 12 december 1996, houdende wijzigingen van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Financiële-verhoudingswet (Invoeringsbesluit Financiële-verhoudingswet) HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN JUSTITIE Artikel 1 *Wijzigt het Faciliteitenbesluit opvangcentra.* HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Artikel 2 *Wijzigt het Besluit integratie welzijnsmiddelen Gemeentefonds.* Artikel 3 *Wijzigt het Besluit integratie-uitkering voorzieningen gehandicapten Gemeentefonds.* Artikel 4 *Wijzigt het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds.* Artikel 5 *Wijzigt het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen.* Artikel 6 *Wijzigt het Besluit uitkeringen beleidsplannen minderheden vier grote steden.* Artikel 7 *Wijzigt het Besluit uitkering leerlingenvervoer Gemeentefonds.* Artikel 8 *Wijzigt het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984.* HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN FINANCIËN Artikel 9 *Wijzigt het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorog 1994.* HOOFDSTUK 4. MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER Artikel 10 *Wijzigt het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing.* Artikel 11 *Wijzigt het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg.* HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN Artikel 12 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1997. Artikel 13 Dit besluit wordt aangehaald als: Invoeringsbesluit Financiële-verhoudingswet."},{"b":"Besluit van 12 december 1997, houdende enige vrijstellingen voor samenwerkingsovereenkomsten in de detailhandel van het verbod van mededingingsafspraken (Besluit vrijstellingen samenwerkingsovereenkomsten detailhandel) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. detailhandelsonderneming: een onderneming die rechtstreeks roerende zaken aan eindgebruikers pleegt te leveren; - b. samenwerkingsovereenkomst: een overeenkomst tussen een detailhandelsonderneming en een andere onderneming of een ondernemersvereniging, waarin ten minste verplichtingen zijn opgenomen inzake - 1°. het overdragen van technische, commerciële en praktische kennis en het verlenen van bijstand, met betrekking tot de levering van bepaalde categorieën van roerende zaken, aan de detailhandelsonderneming door de andere onderneming of de ondernemersvereniging, - 2°. het gebruik door de detailhandelsonderneming in haar presentatie naar eindgebruikers van een door de andere onderneming of de ondernemersvereniging voorgeschreven huisstijl en embleem, merk of naam, en - 3°. het inrichten van de vestiging of vestigingen van de detailhandelsonderneming op een door de andere onderneming of de ondernemersvereniging voorgeschreven wijze; - c. samenwerkingsverband: een geheel van detailhandelsondernemingen en een andere onderneming of van detailhandelsondernemingen en een ondernemersvereniging, die partij zijn bij twee of meer inhoudelijk gelijke of nagenoeg gelijke samenwerkingsovereenkomsten waarin telkens dezelfde onderneming of ondernemersvereniging de in onderdeel b, onder 1°, bedoelde verplichtingen op zich heeft genomen; - d. wet: [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691). Artikel 2 Artikel 6, eerste lid, van de wet geldt niet voor overeenkomsten waarin partijen bij een samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat de betrokken detailhandelsonderneming gedurende een reclame-actie geen hogere dan in de desbetreffende overeenkomsten aangegeven prijzen aan eindgebruikers berekent"},{"b":"Besluit van 12 december 1997, houdende vaststelling van regels voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de krijgsmacht (Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht) HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606); - b. ontplofbare stoffen en voorwerpen: ontplofbare stoffen en voorwerpen aangewezen bij of krachtens het [Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080); - c. tactische voertuigen: voertuigen ingericht voor het uitvoeren van de operationele taak; - d. logistieke voertuigen: voertuigen ingericht voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen; - e. Onze Minister: Onze Minister van Defensie. Artikel 2 1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2), met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits: - a. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en - b. de bij of krachtens dit besluit of het [Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080) gestelde regels in acht zijn genomen. 2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2), met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft: - a. handelingen door ambtenaren als bedoeld in de [artikelen 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34), en [44, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=44), voor zover verricht in de uitoefening van hun bij of krachtens de wet opgedragen taak; - b. handelingen door personen die d"},{"b":"Besluit van 12 december 2000, houdende actualisering van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO alsmede wijziging van het Besluit informatievoorziening WVO Artikel I. Wijziging Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO.* Artikel II. WijzigingBesluit informatievoorziening WVO *Wijzigt het Besluit informatievoorziening WVO.* Artikel III. Overgangsbepaling afdelingen IOBK Ten aanzien van een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters als bedoeld in [artikel XXXIX van de Wet van 2 april 1998 (Stb. 228)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009525&artikel=XXXIX) is van toepassing het bepaalde in onderdeel m van de tabel in artikel 4, zoals luidend voor inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011936&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01) en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011936&artikel=III&z=2002-01-01&g=2002-01-01), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011936&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01), en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011936&artikel=III&z=2002-01-01&g=2002-01-01) treden in werking met ingang van 1 januari 2001. 3. [Artikel I, onderdelen A en D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011936&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01), treedt in werking met ingang van 1 januari 2002."},{"b":"Besluit van 12 december 2002 tot wijziging van het Besluit tankstations milieubeheer, het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen en het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (financiële zekerheid, keuringsdocumenten en bevoegdgezagorganen) Artikel I *Wijzigt het Besluit tankstations milieubeheer.* Artikel II *Wijzigt het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998.* Artikel III *Wijzigt het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen.* Artikel IV 1. Gedurende een jaar na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014450&artikel=I&z=2004-07-01&g=2004-07-01), blijft KIWA Inspecties BV, gevestigd te Rijswijk, gerechtigd de in het [Besluit tankstations milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006423) onderscheidenlijk het [Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009747) voorgeschreven inspecties uit te voeren met toepassing van het bepaalde bij en krachtens dit besluit, zoals dit luidde voor bedoeld tijdstip. 2. Een met toepassing van het eerste lid uitgevoerde inspectie wordt voor de toepassing van het [Besluit tankstations milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006423) gelijkgesteld met een inspectie, uitgevoerd volgens het bepaalde bij en krachtens dat besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van: - a. de [onderdelen C, E en H van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014450&artikel=I&z=2004-07-01&g=2004-07-01), die in werking treden van ingang van 1 juli van het daarna volgende kalenderjaar; - b. [onderdeel I van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014450&artikel=I&z=2004-07-01&g=2004-07-01), dat op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt."},{"b":"Besluit van 12 december 2008, houdende regels voor de toepassing van artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 122k van de Waterschapswet (Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *geschatte vervuilingswaarde:* geschatte vervuilingswaarde als bedoeld in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025073&artikel=2&z=2026-06-17&g=2026-06-17); - *inspecteur:* ambtenaar, bedoeld in [artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=123) onderscheidenlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, van de Waterwet die voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de plaats treedt van de inspecteur; - *vervuilingswaarde per m3 ingenomen water:* vervuilingswaarde als bedoeld in [artikel 7.3, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.3) en [artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122k). Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 7.5, zesde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.5). Artikel 1b De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd of afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het gehalte totaal organisch koolstof in de geloosde of afgevoerde stoffen. Artikel 2 1. De vervuilingswaarde per m3 ingenomen water kan door de heffingplichtige op zijn kosten op aanvraag, dan wel ambtshalve door de inspecteur op kosten van de betrokken beheerder, worden bepaald aan de hand"},{"b":"Besluit van 12 december 2013 tot vaststelling van subsidieplafond 2014 voor de rondes in de regeling projectsubsidies publicaties van de Stichting Nederlands Letterenfonds Regeling projectsubsidies voor publicaties Voor subsidies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=2) jo [artikel 9, eerste lid, van de Regeling projectsubsidies voor publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=9) gelden in 2014 de volgende subsidieplafonds: - a. voor aanvragers die één dan wel twee literaire titels hebben gepubliceerd (startersronde): € 280.000,–; - b. voor aanvragers die minimaal drie literaire werken hebben gepubliceerd en nog geen vijf subsidies hebben ontvangen op basis van deze, of voorgangers van deze, regeling (oeuvrebouwers): € 990.000,–; - c. voor aanvragers die minimaal vijf subsidies hebben ontvangen op basis van deze, of voorgangers van deze, regeling (ervaren schrijvers): € 1.068.500,–. In totaal € 2.337.500,–."},{"b":"Besluit van 12 december 2013 tot vaststelling van subsidieplafonds 2014 voor enkele deelregelingen van de Stichting Nederlands Letterenfonds (Subsidieplafonds geldend voor 2014) | Naam regeling | Plafond 2014 in euro’s | | --- | --- | | Regeling projectsubsidies voor publicaties | 2.337.500 | | Biografieregeling Nederlands Letterenfonds | 180.000 | | Regeling digitale literaire projecten | 40.000 | | Regeling reiskosten buitenland | 110.000 | | Regeling literaire projecten en manifestaties | 247.650 | | Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2013–20161 | 1.191.560 | | Herziene regeling projectwerkbeurzen voor literaire vertalers | 1.724.745 | 1 inclusief indexatie."},{"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake eindapparaten ter implementatie van richtlijn 2008/63/EG (Besluit eindapparaten) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *eindapparaten:* - i. apparaten of radioapparaten die per draad, per optische vezel of via elektromagnetische golven direct of indirect zijn aangesloten op de netwerkaansluitpunten van een openbaar telecommunicatienetwerk ten behoeve van overbrenging, verwerking of ontvangst van informatie; een aansluiting is indirect wanneer een apparaat of radioapparaat geplaatst is tussen het eindapparaat en het netwerkaansluitpunt van een openbaar telecommunicatienetwerk; - ii. satellietgrondstation-apparaten; - b. *satellietgrondstation-apparaten:* radioapparaten die kunnen worden gebruikt voor uitzenden of voor uitzenden en ontvangen, of uitsluitend voor ontvangen van radiocommunicatiesignalen door middel van satellieten of andere systemen in de ruimte. Artikel 2 Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk publiceert de technische specificaties van de netwerkaansluitpunten op genoegzame wijze op de eigen internetpagina, voordat via deze netwerkaansluitpunten diensten aan het publiek beschikbaar worden gesteld. Artikel 3 Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk zorgt er voor dat eindapparaten die voldoen aan de bij of krachtens het [Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913) onderscheidenlijk het Besluit radioapparaten 2016 gestelde eisen, op daartoe geschikte netwerkaansluitpunten kunnen worden aangesloten en kunnen blijven worden gebruikt. Artikel 4 1. Het is verboden om een eindapparaat op een openbaar telecommunicatienetwerk aan te sluiten indien het niet voldoet aan de bij of krachtens het [Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913) onderscheidenlijk het Besluit radioapparaten 2016 gestelde eisen. 2. Het is verboden om een satellietgrondstation-apparaat op e"},{"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake elektromagnetische compatibiliteit van uitrusting ter implementatie van richtlijn 2014/30/EU (Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016) Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en toepassingsbereik Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. *richtlijn nr. 2014/30/EU:* richtlijn nr. 2014/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) (PbEU 2014, L 96); - c. *richtlijn nr. 2014/53/EU:* richtlijn nr. 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU 2014, L 153); - d. *elektromagnetische verstoring:* elektromagnetische verstoring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 5, van richtlijn nr. 2014/30/EU; - e. *ongevoeligheid:* ongevoeligheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 6, van richtlijn nr. 2014/30/EU; - f. *elektromagnetische omgeving:* elektromagnetische omgeving als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 8, van richtlijn nr. 2014/30/EU; - g. *elektromagnetische compatibiliteit:* elektromagnetische compatibiliteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 4, van richtlijn nr. 2014/30/EU; - h. *lidstaat:* staat die lid is van de Europese Unie; - i. *derde land:* land dat partij is bij een bij ministeriële regeling genoemde overeenkomst; - j. *geharmoniseerde norm:* een geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder c, van verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG,"},{"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake radioapparaten ter implementatie van richtlijn 2014/53/EU (Besluit radioapparaten 2016) Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en toepassingsbereik Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. *richtlijn nr. 2014/53/EU:* richtlijn nr. 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU 2014, L 153); - c. *richtlijn nr. 2014/35/EU:* richtlijn nr. 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (herschikking) (PbEU 2014, L96); - d. *richtlijn nr. 2014/30/EU:* richtlijn nr. 2014/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) (PbEU 2014, L 96); - e. *lidstaat:* staat die lid is van de Europese Unie; - f. *derde land:* land dat partij is bij een bij ministeriële regeling genoemde overeenkomst; - g. *geharmoniseerde norm:* een geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder c, van verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 316); - h. *EU-confo"},{"b":"Besluit van 12 december 2023, teneinde de vaststelling van het cameraplan voor 2024, vereist op grond van artikel 29a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 Inzet vaste camera’s De inspecteur maakt op grond van [artikel 77a, eerste lid van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=77a) (hierna: Wet MRB ’94) gebruik van technische hulpmiddelen. De vaste camera’s zijn Elektronische Camerabeelden (ECB)-camera’s boven de Nederlandse wegen en camera’s op, aan of in flitspalen langs de Nederlandse wegen. Deze camera’s zijn eigendom van de politie en maken deel uit van het reeds bestaande netwerk van politie-camera’s. Het gaat daarbij om technische hulpmiddelen die aangesloten zijn op de technische voorziening “Oogopslag”, zoals ook vastgesteld in het convenant tussen de Belastingdienst en de Politie inzake het medegebruik van ANPR-camera’s. Locaties vaste camera’s De inspecteur maakt in 2024 gebruik van 860 camera’s. Voor het exacte aantal en de locaties van de camera’s verwijst de inspecteur naar de [lijst](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049112) die integraal onderdeel uitmaakt van het cameraplan. Deze lijst wordt ook gepubliceerd op www.belastingdienst.nl. Motivering inzet en locaties Uitgangspunt is dat eenieder de belasting betaalt die hij verschuldigd is. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de Motorrijtuigenbelasting (MRB). Dit draagt bij aan het draagvlak voor de betreffende heffing en aan het continueren van de staatsinkomsten. Daarbij streeft het kabinet ernaar om de controle en het toezicht op de heffing en inning zo efficiënt en effectief mogelijk in te richten. Waar het gaat om de controle en het toezicht op de MRB is het efficiënt om hiervoor mede gebruik te kunnen maken van camerabeelden die gemaakt zijn op de openbare weg. Van deze camera’s is vast komen te staan dat aan alle eisen op het gebied van privacy, beveiliging en kwaliteit voldaan wordt. De locaties van deze camera’s kenmerke"},{"b":"Besluit van 12 december 2023, tot regeling van de bestuurlijke boete Visserijwet 1963 (Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *controleverordening:* Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/98, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU 2009, L 343); - *ernstige inbreuk:* een gedraging die in strijd is met de krachtens [artikel 3a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=3a) vastgestelde voorschriften voor zover die gedraging in de toepasselijke verordening, bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als ernstige inbreuk is omschreven en die op grond van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01), als ernstige inbreuk wordt beschouwd; - *illegale visserij:* vissen zonder of in afwijking van de benodigde vergunning, zonder schriftelijke toestemming, met verboden vistuig, tijdens gesloten tijden, in gesloten gebied of op een verboden soort; - *punten:* punten die aan een eigenaar of kapitein van een vissersvaartuig zijn toegewezen in het kader van het puntensysteem voor ernstige inbreuken, bedoeld in artikel 92 van de controleverordening; - *overtreding:* een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens een bepaling genoemd in [artikel 54c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54"},{"b":"Besluit van 12 februari 2011 tot wijziging van het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet in verband met de wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met vereenvoudiging van het bevoegd gezag, invoering van een verplichting tot financiële zekerheidstelling en enkele andere wijzigingen (Stb. 2010, 18) Artikel I *Wijzigt het Besluit detectie radioactief besmet schroot.* Artikel II *Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.* Artikel III *Wijzigt het Besluit stralingsbescherming.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.* Artikel V *Wijzigt het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.* Artikel VI [Artikel 26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=26), voor zover dit betrekking heeft op de verplichtingen, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30), en artikel 30, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen zijn niet van toepassing op inrichtingen die voor 1 januari 2007 in veilige insluiting zijn gebracht. Artikel VII In afwijking van [artikel 44a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=44a) geldt voor aanvragen om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld als bedoeld in [artikel 15f, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15f) die voor het in [artikel IX, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029677&artikel=IX&z=2011-07-01&g=2011-07-01), bedoelde tijdstip worden ingediend, dat bij het overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontman"},{"b":"Besluit van 12 februari 2013, houdende vaststelling van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de aankondiging van de afstand van de troon door Koningin Beatrix Artikel 1 1. De beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de aankondiging van de afstand van de troon door Koningin Beatrix is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren: Onze beeltenis met op de achtergrond gedeeltelijk zichtbaar de beeltenis van de Prins van Oranje met omgeven door een parelrand het omschrift «WILLEM-ALEXANDER PRINS VAN ORANJE BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN, het teken van de Munt , het jaartal 2013 en het teken van de Muntmeester »; boven het jaartal staat de datum 28 januari: 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 februari 2021, kenmerk 2021000255, houdende vaststelling van een selectielijst Verenigde Vergadering der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Artikel 1 De ‘Selectielijst Verenigde Vergadering der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst van de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal op het beleidsterrein Handelen van de Staten-Generaal 1945–2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019670) (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 77, d.d. 16 maart 2006) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 februari 2021, kenmerk 2021000256, houdende vaststelling van een selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Artikel 1 De ‘Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De met dit besluit vastgestelde selectielijst vervangt de volgende selectielijsten met betrekking tot de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke derhalve komen te vervallen: - • Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal beleidsterrein Cultuurbeheer 1945–2002 (Staatscourant 2006, 77); - • [Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal beleidsterrein Handelen van de Staten-Generaal 1945–2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019668) (Staatscourant 2006, 77). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 februari 2026, houdende invoering van regels met betrekking tot het loopbaanvervolg van bewindspersonen (Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen) [KetenID: WGK026980] Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611). Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van een advies als bedoeld in de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=3), en [4, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=4) regels gesteld met betrekking tot de procedure die wordt gevolgd vanaf het tijdstip dat het verzoek om advies is ingediend tot aan het tijdstip dat het advies is uitgebracht. 2. Een verzoek als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2) wordt enkel in behandeling genomen indien een hiertoe bestemd bij ministeriële regeling vastgesteld formulier is ingevuld, waarin naast naam, adres, woonplaats en telefoonnummer tenminste gegevens zijn opgenomen met betrekking tot: - a. het voormalige ministerie of de voormalige ministeries waarvoor de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon werkzaamheden heeft verricht; - b. beleidsterreinen van het eigen ministerie alsmede van andere ministeries waarbij de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon intensief en meer dan incidenteel betrokken is geweest; - c. het dienstverband dat, of de opdracht die, de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon wenst aan te gaan; - d. in hoeverre en op welke manier er tijdens de ambtsperiode contact is geweest met de toekomstige werkgever of opdrachtgever, en - e. andere relevante informatie die van belang kan zijn voor het advies. 3. Ten behoeve van een advies als bedoeld in de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"b":"Besluit van 12 januari 1967, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende enige instellingen van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk naar het Departement van Onderwijs en Wetenschappen artikel Enig De zorg voor de aangelegenheden betreffende: - a. de Koninklijke Bibliotheek; - b. de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis; - c. het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; - d. de Rijkscommissie van advies inzake het Bibliotheekwezen, en - e. de subsidiëring van het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen, thans behorende tot de taak van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, (Directoraat-Generaal voor de Culturele Zaken) gaat met ingang van 1 januari 1967 over naar het Departement van Onderwijs en Wetenschappen."},{"b":"Besluit van 12 januari 1994, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie en de wijziging van de rechterlijke indeling Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel IV Voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 16 september 1993 (*Stb.* 515) tot wijziging van de rechterlijke indeling kunnen de arrondissementsrechtbanken, voor zover het betreft de enkelvoudige kamers voor strafzaken, terechtzittingen houden in de volgende nevenzittingsplaatsen: - a. de arrondissementsrechtbank te Zutphen: te Deventer; - b. de arrondissementsrechtbank te Zwolle: te Harderwijk; - c. de arrondissementsrechtbank te Rotterdam: te Gouda; - d. de arrondissementsrechtbank te Alkmaar: te Purmerend. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994."},{"b":"Besluit van 12 januari 1999, houdende de van toepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen en de inwerkingtreding van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen Artikel 1 De[Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637) is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998. Artikel 2 Het[Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000) treedt in werking. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 januari 2015, nr. 2015000006, houdende vaststelling van een selectielijst voor de neerslag van het handelen (primaire taken en institutionele aangelegenheden) van de actoren Nationale- en Kinderombudsman (Nationale ombudsman vanaf 1998; Kinderombudsman vanaf 2011) Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[Selectielijst voor de neerslag van het handelen (primaire taken en institutionele aangelegenheden) van de actoren Nationale- en Kinderombudsman (Nationale ombudsman vanaf 1998; Kinderombudsman vanaf 2011)](https://wetten.overheid.nl/BWBR0036237)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 januari 2016, houdende regeling van enkele onderwerpen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van beslissingen van de tuchtrechter voor de advocatuur (Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *hof van discipline:* hof van discipline, bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=51); - – *raad van discipline:* raad van discipline, bedoeld in [artikel 46aa, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46aa); - – *wet:* [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093). Artikel 2 De tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in [artikel 48ab, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ab), of [48ac, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ac) geschiedt door Onze Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 3 Dit besluit berust mede op [artikel 48ac, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ac). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2016. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur."},{"b":"Besluit van 12 juli 1979, houdende regelen krachtens artikel 13, derde lid, Landbouwkwaliteitswet § 1. Algemene Bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"bestuur\"; het orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de leiding, dan wel de dagelijkse leiding van de controle-instelling; \"tuchtgerecht\": orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de uitoefening van de tuchtrechtspraak over de betrokkenen; \"centraal tuchtgerecht\": het orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de behandeling van het beroep tegen een tuchtbeschikking, gegeven door een tuchtgerecht; \"tuchtreglement\": het door de controle-instelling vastgestelde reglement, regelende het aantal, de samenstelling en bevoegdheden van de met de uitoefening van tuchtrechtspraak belaste organen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding; \"voorzitter\": de voorzitter van een tuchtgerecht, onderscheidenlijk centraal tuchtgerecht, dan wel degene die als zodanig optreedt; \"betrokkene\": degene als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13). Artikel 2 De controle-instelling is gehouden bij de vaststelling van haar tuchtreglement het bij dit besluit bepaalde in acht te nemen. Een zodanig reglement behoeft alvorens het in werking treedt de goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 3 1. De controle-instelling kan een of meer tuchtgerechten instellen. 2. Indien de controle-instelling twee of meer tuchtgerechten instelt, stelt zij tevens een centraal tuchtgerecht in. § 2. Samenstelling en bevoegdheid van het tuchtgerecht en het centraal tuchtgerecht Artikel 4 1. Het tuchtgerecht, onderscheidenlijk het"},{"b":"Besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, Bijlage II bij de Crisis- en herstelwet en het Stortbesluit bodembescherming (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, derde tranche) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.* Artikel II *Wijzigt de Crisis- en herstelwet.* Artikel III *Wijzigt het Stortbesluit bodembescherming.* Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031826&artikel=III&z=2016-07-01&g=2016-07-01). 2. [Artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031826&artikel=III&z=2016-07-01&g=2016-07-01) treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, derde tranche."},{"b":"Besluit van 12 juli 2018 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit politiegegevens en het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft (Herstelbesluit financiële markten 2018) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel V *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit politiegegevens.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft.* Artikel VIII Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel IX Dit besluit wordt aangehaald als: Herstelbesluit financiële markten 2018."},{"b":"Besluit van 12 juli 2018, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema Schokland die in 2018 worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Schokland die worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, verbeeld in een vrije lijntekening, met links het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de Muntmeester en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden Schokland, ingelijst door het patroon van de Nederlandse polder, met rechts in het midden de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO», bovenaan in het midden langs de rand het jaartal en langs de rand de tekst «SCHOKLAND NEDERLANDS WERELDERFGOED», met hiertussen icoontjes die de culturele waarden en historie van Schokland representeren. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041325&artikel=1&z=2018-09-07&g=2018-09-07). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 7 september 2018."},{"b":"Besluit van 12 juli 2018, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012, 14 juli 2014 en 8 juli 2016, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2018."},{"b":"Besluit van 12 juli 2021 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met een aanpassing van de eisen aan examenvoertuigen, enkele terminologische aanpassingen en enkele aanpassingen in de procedure betreffende de aanvraag van een verklaring van geschiktheid Artikel I *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel II 1. Examenvoertuigen voor de categorieën C, E bij C, D en E bij D die voor wat betreft de eisen betreffende de lengte, de breedte, en de hoogte, alsmede de eisen betreffende de assen, op 30 juni 2021 voldoen aan de eisen gesteld aan een examenvoertuig van deze categorieën zoals die voor deze onderdelen golden tot dat tijdstip, kunnen tot en met 31 december 2028 als zodanig worden gebruikt. 2. Examenvoertuigen voor de categorieën C en E bij C die voor wat betreft de eis betreffende de feitelijke totale massa op 30 juni 2021 voldoen aan de eis gesteld aan een examenvoertuig van deze categorieën zoals die voor dit onderdeel gold tot dat tijdstip, kunnen tot en met 31 december 2023 als zodanig worden gebruikt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2021, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 juni 2009, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de implementatie van beschikking nr. 2003/33/EG tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen (PbEG L 11) (implementatie Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen) Artikel I *Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.* Artikel II *Wijzigt het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.* Artikel III *Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.* Artikel IV *Wijzigt het Stortbesluit bodembescherming.* Artikel V 1. Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat vergunningen als bedoeld in [artikel 8.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend met betrekking tot stortplaatsen als bedoeld in [artikel 8.47, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.47) op 16 juli 2009 met dit besluit in overeenstemming zijn. 2. Het [Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094) en het [Stortbesluit bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005858), zoals deze luidden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven tot 16 juli 2009 van kracht met betrekking tot stortplaatsen als bedoeld in het eerste lid. 3. De wijzigingen ingevolge [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025980&artikel=II&z=2009-07-21&g=2009-07-21) in [artikel 10 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=10) zijn met ingang van 16 juli 2009 van toepassing op degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon die een stortplaats als bedoeld in het eerste lid drijft. Artikel VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk b"},{"b":"Besluit van 12 juni 2013 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit burgemeesters, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het Waterschapsbesluit en het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met een wijziging in de regeling inzake ambtswoningen en enkele andere wijzigingen Artikel I *Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning.* Artikel II *Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters.* Artikel III *Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.* Artikel IV *Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders.* Artikel V *Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden.* Artikel VI *Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.* Artikel VII *Wijzigt het Waterschapsbesluit.* Artikel VIII *Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.* Artikel IX Voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2013 compenseert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aan de Belastingsdienst verschuldigde nageheven loonbelasting en nagevorderde inkomstenbelasting in verband met de ambtswoning van de commissaris, de burgemeester en de Rijksvertegenwoordiger over deze periode. Artikel X 1. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van [artikel 9 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&artikel=9) aan raadsleden, die uiterlijk aanvangt op de datum van aftreden van de leden van de raad in de oude samenstelling na de raadsverkiezingen van 2014, of een herindelingsverkiezing na publicatie van dit besluit maar vóór de raadsverkiezingen in 2014, wordt verstrekt tegen de voorwaarden van de verordening, zoals die gold op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van"},{"b":"Besluit van 12 maart 1999, houdende regels inzake de in het kader van de Telecommunicatiewet in rekening te brengen vergoedingen (Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - aanbieder: onderneming die openbare elektronische communicatiediensten, openbare elektronische communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten aanbiedt; - vergoeding: vergoeding, bedoeld in [artikel 16.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1) of [artikel 31 van de Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31); - wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - Wtv BES: [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 2 1. De vergoeding dient ter dekking van de kosten van de werkzaamheden of diensten die ingevolge het bepaalde bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) of de [Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469) door Onze Minister worden verricht. 2. De vergoeding bestaat uit: - a. een bedrag dat verband houdt met de eenmalig gemaakte uitvoeringskosten van het verrichten van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) of de [Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469) opgedragen taak; of - b. een bedrag dat verband houdt met de kosten, anders dan die genoemd onder a, van het verrichten van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) of de [Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469) opgedragen taak; of - c. een jaarlijkse bijdrage als bedoeld in [artikel 16.1, derde of vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1). 3. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, worden voor de d"},{"b":"Besluit van 12 maart 2008 tot wijziging van onder meer het Besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering Artikel I *Wijzigt het Besluit bekostiging WPO.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bekostiging WEC.* Artikel III *Wijzigt het Besluit leerlinggebonden financiering.* Artikel IV *Wijzigt het Onderwijskundig besluit WEC.* Artikel V 1. Onverminderd de [artikelen 39, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=39), en [40, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=40) blijft een leerling die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit is ingeschreven op de Rafaëlschool in Sint-Michielsgestel aan deze school ingeschreven tot en met vier schooljaren na inwerkingtreding van dit besluit indien de ouders van de leerling dat wensen. 2. Vanaf de datum waarop de in het eerste lid bedoelde periode is verstreken, kan de inschrijving aan die school uitsluitend gehandhaafd blijven indien een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in [artikel 28c van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28c) heeft bepaald dat die leerling toelaatbaar is tot een onderwijssoort, die binnen die school wordt verzorgd dan wel dat die leerling toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in [artikel 2, vierde lid, onder b, van laatstgenoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=2). Artikel VI De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en bij dat koninklijk besluit kan worden bepaald dat artikelen of onderdelen daarvan terugwerken."},{"b":"Besluit van 12 maart 2009 van de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap van de Sociaal-Economische Raad, houdende machtiging aan de Subcommissie Ontheffingen Structuurwet (Machtigingsbesluit Commissie AOM) § 1. Machtiging Artikel 1 De Subcommissie Ontheffingen Structuurwet is gemachtigd namens de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap advies uit te brengen over verzoeken om ontheffing als bedoeld in de [artikelen 63d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=63d), [156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=156) en [266 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=266). Artikel 2 De machtiging, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025676&paragraaf=1&artikel=1&z=2009-03-22&g=2009-03-22), is niet van toepassing indien de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap besluit dat het advies door de commissie zelf zal worden uitgebracht. § 2. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit Commissie AOM"},{"b":"Besluit van 12 maart 2015 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Lelystad (Luchthavenbesluit Lelystad) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *ATC-slot:* door de luchtverkeersleiding opgegeven aankomst- of vertrektijd (Air Traffic Control-slot); - b. *bedrijfswoning:* woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - c. *bijlage:* bij dit besluit behorende bijlage; - d. *extramurale opslag of verwerking:* opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - e. *gebouw:* gebouw als bedoeld in de [bijlage bij de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885); - f. *geluidsgevoelig gebouw:* gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - g. *kwetsbaar gebouw:* gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I, onder B, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - h. *obstakel:* object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt; - i. *verkeersvlucht:* een vlucht van een luchtvaartmaatschappij die vervoer van passagiers of vracht ten doel heeft; - j. *omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit:* omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1) dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - k. *omgevingsverg"},{"b":"Besluit van 12 mei 1995, houdende uitvoering van de artikelen 41, vijfde lid, 42, tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. commissie: de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid; - d. EER-overeenkomst: de overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (*Trb.* 1992, 132); - e. EER-gebied: het grondgebied van de staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst. Artikel 2 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, alsmede uit minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) genoemd, onderscheidenlijk krachtens [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) aangewezen, beroep. De leden-deskundigen zijn deskundig ter zake van de opleiding tot het desbetreffende beroep of ter zake van de uitoefening van dat beroep. 2. Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de andere leden van de commissie. 3. De leden worden voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De zittingsduur van een tussentijds benoemd lid eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van degene in wiens plaats hij is benoemd, eindigt. 4. De leden, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, worden niet benoemd dan nadat Onze Minister de organisatie die naar zijn oordeel voldoende representatief is voor de instellingen die opleiden tot het desbetreffende beroep onderscheidenlijk voor de beoefenaren van dat beroep, heeft uitgenodigd binnen een door hem aan te geven termijn een voordracht tot benoeming te doen en deze termijn is verstreken. 5. Onze Minister benoemt voor de voorzitter en voor elk van de andere leden een plaatsvervang"},{"b":"Besluit van 12 mei 2006 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enige andere besluiten in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2003/122/Euratom (controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen) Artikel I *Wijzigt het Besluit stralingsbescherming.* Artikel II *Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.* Artikel III *Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.* Artikel IV 1. Tot 30 juni 2006 blijft op hoogactieve bronnen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=1), in verbinding met [bijlage 5 bij het Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&bijlage=5), die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit reeds op de markt zijn gebracht, het [Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702), zoals dat luidde onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing. 2. De ondernemer op wie het eerste lid van toepassing is, verstrekt uiterlijk 31 juli 2006 aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot de hoogactieve bronnen die hij voorhanden heeft: - a. informatie over het volume van die bronnen, de bronhouders en de vaste afscherming van die bronnen; - b. schriftelijk bewijs dat de krachtens [artikel 20d, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=20d) vereiste financiële zekerheid is gesteld; - c. de in [artikel 120a, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=120a) bedoelde gegevens. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 mei 2014, houdende vaststelling van een grenswaarde voor de geluidsbelasting binnen en buiten de geluidszones rond luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede de vaststelling van ruimtelijke beperkingen binnen de geluidszones van deze luchtvaartterreinen (Besluit geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *bedrijfswoning:* woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - *geluidsgevoelig gebouw:* gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie; - *geluidszone:* geluidszone als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); - *Lden:* geluidsbelasting van luchtvaartuigen uitgedrukt in dB(A) Lden en berekend op de wijze bedoeld in [artikel 33, derde lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); - *woning:* gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning, dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd. Artikel 2 1. De grenswaarde voor de toegelaten geluidsbelasting, bedoeld in [artikel 33, tweede lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33), is 56 dB(A) Lden. 2. Ter bepaling van de toelaatbaarheid van bepaalde bestemmingen op gronden gelegen binnen de geluidszone, is de maximale waarde van geluidsbelasting, bedoeld in [artikel 33, tweede lid, onderdeel b, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33), 70 dB(A) Lden. Artikel 3 1. In het gebied dat gelegen is binnen de contour van 70 dB(A) Lden is nieuwbouw van een woning en een geluidsgevoelig gebouw niet toegestaan en worden woningen en geluidsgevoelige gebouwen aan hun bestemming onttrokken. 2. Beëindiging van bestaand g"},{"b":"Besluit van 12 november 1999 tot vaststelling van de selectielijst Nationale ombudsman 1982-1997 Artikel 1 Het bij dit besluit gevoegde \"Basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982 - 1997\" en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 november 2008, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2009 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 10 jaar Economische en Monetaire Unie Artikel 1 1. De beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2009 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 10 jaar Economische en Monetaire Unie is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de buitenring de twaalf Europese sterren met onderin links het teken van de Muntmeester en rechts het teken van de Munt , in de kern in het midden een afbeelding van een primitieve munt met daarboven de tekst ‘NEDERLAND’ en er onder de tekst ‘EMU 1999–2009’. 2. Het randschrift van de twee-euromunt is ‘GOD * ZIJ * MET * ONS *’. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009."},{"b":"Besluit van 12 november 2012, houdende regels inzake diervoeders (Besluit diervoeders 2012) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *ongewenste stoffen:* alle stoffen en producten, met uitzondering van ziekteverwekkers, die aanwezig zijn in of op een product dat bedoeld is voor het voederen van dieren en die een potentieel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier, of voor het milieu, of die de dierlijke productie ongunstig kunnen beïnvloeden; - – *Verordening (EG) nr. 999/2001:* Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG 2001, L 147); - – *Richtlijn 2002/32/EG:* Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PbEG 2002, L 140); - – *Verordening (EG) nr. 178/2002:* Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); - – *Verordening (EG) nr. 1829/2003:* Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEU 2003, L 268); - – *Verordening (EG) nr. 1830/2003:* Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levenmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PbEU 2003, L 268); - – *Verordening (EG) nr. 1831/2003:"},{"b":"Besluit van 12 november 2020, kenmerk 2011002711, houdende vaststelling van de Selectielijst Raad van State voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 september 2010 Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[Selectielijst Raad van State voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 september 2010](https://wetten.overheid.nl/BWBR0044419)’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden afgesloten per 31 augustus 2010: - • *Selectielijst Raad van State inzake advisering over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie*(Staatscourant 3 oktober 2003, nr. 191); - • *Selectielijst voor de handelingen van de Raad van State op het beleidsterrein Tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000*(Staatscourant 18 april 2006, nr.75); - • *Basisselectiedocument Raad van State inzake bestuursrechtspraak vanaf 1994 en algemene taken en bedrijfsvoering vanaf 1945*(Staatscourant 1december 2011, nr. 21590 ). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 12 oktober 1932, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 30a, vijfde lid, der Auteurswet 1912, gelijk deze luidt ingevolge de Wet van 11 februari 1932, Stb. 45 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Justitie; \"de ministerieele toestemming\": de toestemming van Onzen Minister, ingevolge [artikel 30a der Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=30a) vereischt voor het als bedrijf verleenen van bemiddeling in zake muziekauteursrecht. Artikel 2 1. De ministerieele toestemming kan worden verleend voor bepaalden tijd of voor onbepaalden tijd. 2. De voor bepaalden tijd verleende toestemming verliest hare kracht van rechtswege na afloop van den bepaalden tijd, behoudens de mogelijkheid van eerdere intrekking, indien Onze Minister oordeelt, dat degeen, wien de toestemming is verleend, niet meer voldoenden waarborg biedt voor de nakoming van de bepalingen van dit besluit en voor eene behoorlijke uitoefening van zijn bedrijf. 3. De voor onbepaalden tijd verleende toestemming behoudt hare kracht, totdat zij wordt ingetrokken op den in het vorige lid vermelden grond. 4. Bij de intrekking der toestemming wordt het tijdstip bepaald, waarop zij ingaat. Artikel 3 1. Degeen, wien de ministerieele toestemming voor bepaalden tijd is verleend, kan geen overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar van muziekwerken sluiten, welke zouden voortduren na dien bepaalden tijd. 2. Degeen, wien de ministerieele toestemming is verleend, hetzij voor bepaalden tijd, hetzij voor onbepaalden tijd, bedingt in de te sluiten overeenkomsten betreffende de uitvoering van muziekwerken in het openbaar, dat zij, in geval van intrekking van de ministerieele toestemming, van rechtswege eindigen op het tijdstip, waarop die intrekking ingaat. Artikel 4 1. De ministerieele toestemming kan worden verleend algemeen of beperkt, bijvoorbeeld voor bepaalde werken of voor bepaalde streken."},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen met betrekking tot enkele definities uit artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit definitiebepalingen Wft) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico: financiële instrumenten als bedoeld in Bijlage I, Deel C, onderdeel 8 van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145). Artikel 2 Als beleggingsobject in de zin van onderdeel b van de definitie van beleggingsobject in [artikel 1:1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) wordt aangewezen een deelneming in een personenvennootschap door middel waarvan wordt geïnvesteerd in een speelfilm, niet zijnde een financieel product als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie van financieel product in [artikel 1:1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), bij welke verkrijging aan de houder van de deelneming een rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van de speelfilm in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij de personenvennootschap hoofdzakelijk wordt gedreven door een ander dan de houder van de deelneming. Artikel 3 1. Als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij in [artikel 1:1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) worden aangewezen: - a. rechtspersonen of vennootschappen waarvan het balanstotaal voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden € 500.000.000 of meer bedraagt; - b. personen o"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit Reikwijdtebepalingen Wft) Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. Zwitserland: Zwitserse Bondsstaat. Hoofdstuk 2. Reikwijdte Afdeling 2.1. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, aanhef en onderdeel a, en 3:36, zesde lid, van de wet § 2.1.1. Onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* Artikel 10 *Vervallen* Artikel 11 *Vervallen* Artikel 12 *Vervallen* Artikel 13 *Vervallen* § 2.1.2. Ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland Artikel 14 *Vervallen* Afdeling 2.2. Bepalingen ter uitvoering van artikel 1:10, aanhef en onderdeel a, van de wet Artikel 15 Het bepaalde ingevolge de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), [1:45, eerste lid, aanhef en onderdelen h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:45), [1:51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:51), [1:78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:78), [1:104, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:104), [3:38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:38), [3:53, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67), [3:72, derde en vijfde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: *authenticatie:* een procedure waarmee een betaaldienstverlener de identiteit van een betaaldienstgebruiker dan wel de validiteit van het gebruik van een specifiek betaalinstrument kan verifiëren, met inbegrip van het gebruik van persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker; *back-to-back lening:* kredietinstrument waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer; *betaalgegevens:* gegevens die samenhangen met het houden van een betaalrekening en met het uitvoeren van een betalingstransactie vanaf deze rekening; *betalingstransactie op afstand:* betalingstransactie die via het internet of met een voor communicatie op afstand bruikbaar apparaat wordt geïnitieerd; *daggeld:* kortlopende vorderingen die dagelijks opvraagbaar zijn en die uiterlijk twee werkdagen na opvraging dan wel opzegging moeten worden terugbetaald; *ESG-risico’s:* ESG-risico’s als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 52 quinquies, van de verordening kapitaalvereisten; *gemiddeld uitstaand elektronisch geld:* het gemiddelde totale bedrag gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het eind van elke kalenderdag in omloop is, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand. *gevoelige betaalgegevens:* betaalgegevens, waaronder persoonlijke beveiligingsgegevens, met behulp waarvan fraude kan worden gepleegd, met uitzondering van de naam van de rekeninghouder en het rekeningnummer voor zover betaalinitiatie- en rekeninginformatiedienstverleners deze gegevens g"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot aanvullend prudentieel toezicht op banken, levensverzekeraars, schadeverzekeraars en beleggingsondernemingen die tot een financiële groep behoren (Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 De in dit besluit bedoelde financiële ondernemingen passen de in dit besluit beschreven methoden consistent toe. Artikel 2a 1. Een onderneming als bedoeld in [artikel 3:269a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:269a), beschikt over: - a. adequate procedures met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s; - b. gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op de bepaling, meting, bewaking en beheersing van de intragroepsovereenkomsten en -posities en de risicoconcentratie. 2. De onderneming beschikt tevens met het oog op het risicobeheer, bedoeld in [artikel 3:269a, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:269a), over: - a. een gedegen bestuur en beheer, waarin is voorzien in goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategieën en het beleid door de passende bestuursorganen op het niveau van het financiële conglomeraat met betrekking tot alle risico’s die zij aangaan; - b. een adequaat kapitaaltoereikendheidsbeleid om te anticiperen op de gevolgen van de bedrijfsstrategie van de gereglementeerde entiteiten in het financieel conglomeraat voor het risicoprofiel en de kapitaaltoereikendheid, bedoeld in [artikel 3:296 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:296); - c. adequate procedures om te waarborgen dat de risicobewakingssystemen van de gereglementeerde entiteiten in het fin"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1.1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *afsluitprovisie*: - 1°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een aanbieder ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst inzake een betalingsbeschermer, een complex product, een hypothecair krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering, tussen hem en een consument rechtstreeks of middellijk voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst betaalt; of - 2°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een aanbieder van een financieel product dat onderdeel uitmaakt van een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, dat is samengesteld of in de markt verkrijgbaar gesteld door een bemiddelaar, ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en een consument inzake dat financieel product voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt; *bestuurder*: indien het een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder betreft, een ieder die krachtens wet een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder vertegenwoordigt of het beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder bepaalt; *betalingsbeschermer:* verzekering ter dekking van het risico dat de verzekeringnemer betalingsverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst inzake krediet niet kan nakomen; *betalingstermijn*: tijdvak dat ligt tussen: - 1°. het tijdstip waarop een aanbieder ter uitvoering van een overeenkomst inzake krediet een geldsom ter beschikking stelt, of aanvangt met het verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject of met het verlenen van een dienst en het tij"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft) Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *gedelegeerde verordening bijdragen afwikkelingsfonds:* gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PbEU 2015, L 11); - b. groep banken of groep financiële ondernemingen: twee of meer banken onderscheidenlijk financiële ondernemingen die met elkaar zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur; - c. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Hoofdstuk 2. Portefeuilleoverdracht, fusies en splitsingen Bepaling ter uitvoering van artikel 3:116 van de wet Artikel 2 Een aanvraag ter verkrijging van instemming met een overdracht als bedoeld in [artikel 3:112, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:112), [3:113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:113), [3:114, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:114), [3:114a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:114a), [3:115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:115), [3:126, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:126), [3:127, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:127), [3:127a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:127a), [3:130, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:130), [3:131, eerste lid](https://wetten.overhei"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht met betrekking tot de reikwijdte en toegang tot de financiële markten (Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1.1. Definitie Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - *nauwe banden:* situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door: - 1°. een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 procent van de stemrechten of het kapitaal van een rechtspersoon; - 2°. een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een andere rechtspersoon: een dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van de onderneming staat; - *wet:* [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). § 1.2. Procedures Artikel 1a 1. De dienstaanbieder die één of beide activiteiten, als bedoeld in [artikel 1:5a, onderdeel k, onder i en ii, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:5a) verricht, waarbij de totale waarde van de uitgevoerde betalingstransacties in de voorgaande twaalf maanden het bedrag van 1 miljoen euro overschrijdt, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank. 2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van een beschrijving van de aangeboden diensten, waarbij wordt gespecificeerd uit hoofde van welke uitzondering als bedoeld in [artikel 1:5a, onderdeel k, onder i en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:5a), de activiteit geacht wordt te zijn verricht. 3. De dienstaan"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels ter uitvoering van hoofdstuk 5.3 van de Wet op het financieel toezicht voor het melden van stemmen, kapitaal, zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen (Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen) Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 1a *Vervallen* Hoofdstuk 2. Perioden en termijnen Bepaling ter uitvoering van de artikelen 5:34, tweede lid, en 5:35, tweede en vierde lid van de wet Artikel 2 Een melding als bedoeld in [artikel 5:34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:34), of [artikel 5:35, tweede of vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:35) heeft betrekking op een kalenderkwartaal en vindt plaats binnen acht dagen na afloop van het desbetreffende kalenderkwartaal. Hoofdstuk 3. Gegevens die moeten worden verstrekt bij een melding § 3.1. Melding kapitaal en stemmen door een uitgevende instelling Bepalingen ter uitvoering van artikel 5:37 van de wet Artikel 3 1. Bij een melding als bedoeld in [artikel 5:34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:34) of [5:35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:35) verstrekt de meldingsplichtige de volgende gegevens: - a. de naam van de uitgevende instelling; - b. voor zover van toepassing: het nummer van inschrijving van de uitgevende instelling in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007893&artikel=2); en - c. de datum waarop de meldingsplicht is ontstaan. 2. Bij een melding als bedoeld in [artikel 5:34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:34) verstrekt de meldingsplichtige tevens de volgende gegevens: - a. de omvang van het kapitaal op het tijdstip waarop de meldingsplicht is"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels tot uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit marktmisbruik Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. voorwetenschap: informatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening marktmisbruik. - c. privé-transactie: transactie in een financieel instrument voor eigen rekening of ten behoeve van een derde op wiens beleggingen de betrokkene, anders dan uit hoofde van het verlenen van een beleggingsdienst, invloed uitoefent. Artikel 1a Dit besluit berust mede op de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [3:10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [4:11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), en [4:14, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [artikel 143, tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=143) en [artikel 138, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=138). Hoofdstuk 2. Bepalingen ter uitvoering van de verordening marktmisbruik Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 *Vervallen* Artikel 4 *Vervallen* Hoofdstuk 3. Meldingsveprlichtingen, lijsten van personen die toegang hebben tot koersgevoelige informatie en het reglement § 3.1. Melding van transacties Artikel 5 *Vervallen* Artikel 6 *Vervallen* Artikel 7 *Vervallen* Artikel 8 *Vervallen* Artikel 9 *Vervallen* § 3.2. Lijst van personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie en reglement Artikel 10 *Vervallen* A"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2006, tot uitvoering van artikel 2 van de Metrologiewet en ter implementatie van enkele Europese richtlijnen (Meeteenhedenbesluit 2006) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517); - b. SI: het Internationale stelsel van meeteenheden (Système International); - c. SI-grondeenheden: de eenheden, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422&paragraaf=2&artikel=3&z=2020-06-13&g=2020-06-13); - d. afgeleide SI-eenheden: de eenheden, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422&paragraaf=2&artikel=5&z=2020-06-13&g=2020-06-13). § 2. Erkende meeteenheden Artikel 2 1. De erkende meeteenheden om daarin grootheden uit te drukken zijn: - a. de SI-grondeenheden; - b. afgeleide SI-eenheden; - c. de overige eenheden, genoemd in deze paragraaf. 2. Samengestelde eenheden kunnen worden gevormd door een combinatie van de eenheden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. De namen en symbolen van de SI-grondeenheden en de daarbij behorende grootheden zijn: | Grootheid | Eenheid | | | --- | --- | --- | | Naam | Symbool | | | Tijd | seconde | s | | Lengte | meter | m | | Massa | kilogram | kg | | Elektrische stroom | ampère | A | | Thermodynamische temperatuur | kelvin | K | | Hoeveelheid stof | mol | mol | | Lichtsterkte | candela | cd | 2. Verstaan wordt onder: - a. de seconde: de eenheid die volgt uit de vaste numerieke waarde van de cesiumfrequentie , de frequentie van de onverstoorde hyperfijnovergang van het cesium-133-atoom in grondtoestand, die is vastgesteld op 9 192 631 770, uitgedrukt in de eenheid Hz, die gelijk is aan s-1; - b. de meter: de eenheid die volgt uit de vaste numerieke waarde van de snelheid van het licht in vacuüm *c*, die is vastgesteld op 299 792 458, uitgedrukt in m•s-1, waarbij de seconde volgt uit ; - c. de kilogram: de eenhe"},{"b":"Besluit van 12 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de uitvoering van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) (Besluit uitvoering verordening financiële benchmarks) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van artikel II, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2018. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering verordening benchmarks."},{"b":"Besluit van 12 oktober 2021 tot Wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II [Paragraaf 2 van hoofdstuk VII.a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&paragraaf=2) zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op een melding van een vermoeden van een misstand die is gedaan voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Indien het bij koninklijke boodschap van 1 juni 2021 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen (Kamerstukken ) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking."},{"b":"Besluit van 12 september 1996, houdende vaststelling van de Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541); - b. verdragsregister: een buiten Nederland gehouden register als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder ii, van het op 19 juni 1948 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen (Trb. 1952, 86); - c. nationaliteitsregister: register als bedoeld in artikel 17 van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165). Artikel 2 De verplichtingen die krachtens dit besluit rusten op de eigenaar van een luchtvaartuig, rusten, indien het luchtvaartuig toebehoort aan meer personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder. Artikel 2a *Vervallen* Artikel 3 De bewaarder is bevoegd ter zake van het verzoek tot teboekstelling van een luchtvaartuig en ter zake van het verzoek of de aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een luchtvaartuig rechtstreeks in briefwisseling te treden met de houder van het desbetreffende verdragsregister. Hoofdstuk 2. Teboekstelling en doorhaling van de teboekstelling Artikel 4 1. Teboekstelling is slechts mogelijk voor luchtvaartuigen met een maximaal toegelaten startmassa van ten minste 450 kilogram. 2. De teboekstelling van luchtvaartuigen vindt plaats door de inschrijving van het verzoek tot teboekstelling in de openbare registers. 3. De teboekstelling van luchtvaartuigen geschiedt voor ieder luchtvaartuig onder een eigen nummer, welke nummers een ononderbroken reeks vormen. Artikel 5 1. Hij die van een luchtvaartuig de teboekstelling wenst te verkrijgen, biedt de Dienst een daartoe strekkend verzo"},{"b":"Besluit van 12 september 2007, houdende implementatie van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en houdende modernisering van de regels met betrekking tot het openbaar overnamebod (Besluit openbare biedingen Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. volledig bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strekt tot verwerving van alle effecten van de doelvennootschap van dezelfde categorie of klasse, niet zijnde een verplicht bod; - c. partieel bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strekt tot verwerving van minder dan 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van de doelvennootschap; - d. tenderbod: openbaar bod waarbij de bieder de rechthebbenden van effecten van de doelvennootschap uitnodigt om die effecten tegen een door de rechthebbenden te bepalen tegenprestatie aan de bieder aan te bieden en dat strekt tot verwerving van minder dan 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van de doelvennootschap; - e. verplicht bod: openbaar bod dat op grond van [artikel 5:70, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:70), wordt uitgebracht of dient te worden uitgebracht of een openbaar bod dat op grond van het recht van een andere lidstaat wordt uitgebracht of dient te worden uitgebracht en terzake waarvan de Autoriteit Financiële Markten op grond van [artikel 5:74, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:74) het biedingsbericht kan goedkeuren. Artikel 2 1. De [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022511&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2017-07-12&g=2017-07-12), [3 tot en met 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022511&hoofdstuk=1&artik"},{"b":"Besluit van 12 september 2011 houdende wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van dat besluit met de registers van vijf categorieën van beroepsbeoefenaren en houdende wijziging van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid Artikel I *Wijzigt het Besluit periodieke registratie Wet BIG.* Artikel II Indien een ingeschrevene in een register als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d tot en met h, van het Besluit periodieke registratie Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024841&artikel=2) in het bezit is van een getuigschrift, verklaring of erkenning als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), welke is verkregen vóór 1 januari 2012, geldt in afwijking van artikel 8, tweede lid, onder a, van de wet 1 januari 2012 als aanvangsdatum van de eerste vijfjaarlijkse registratieperiode. Artikel III *Wijzigt het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012."},{"b":"Besluit van 12 september 2012, houdende regels over de commissie die adviseert over het doen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de commissie:* de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031994&artikel=2&z=2023-02-01&g=2023-02-01); - b. *de procureur-generaal:* de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in [artikel 111 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=111); - c. *de wet:* het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - d. *Onze Minister:* Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 Er is een commissie die tot taak heeft de procureur-generaal te adviseren over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=461). Artikel 3 1. De leden van de commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031994&artikel=2&z=2023-02-01&g=2023-02-01) bedoelde taak alsmede op grond van hun brede maatschappelijke kennis en ervaring. 2. De commissie bestaat uit vijf leden: - a. twee deskundigen op een voor het werk van de commissie relevant terrein van wetenschapsbeoefening, waarvan er een tevens voorzitter is; - b. een deskundige op het terrein van de politiepraktijk; - c. een advocaat; - d. een lid van het openbaar ministerie. 3. Voor benoeming als lid van de commissie komen ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister niet in aanmerking, met uitzondering van politieambtenaren en ambtenaren van het openbaar ministerie. Artikel 4 1. De commissie verricht haar taak op onpartijdige en onafhankelijke wijze. 2. Elk van de leden van de commissie kan zi"},{"b":"Besluit van 12 september 2023, houdende wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet (Verzamelbesluit Omgevingswet 2023) Artikel I. (Besluit activiteiten leefomgeving) *Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving.* Artikel II. (Besluit bouwwerken leefomgeving) *Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving.* Artikel III. (Besluit kwaliteit leefomgeving) *Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving.* Artikel IV. (Omgevingsbesluit) *Wijzigt het Omgevingsbesluit.* Artikel V. (Invoeringsbesluit Omgevingswet) *Wijzigt het Invoeringsbesluit Omgevingswet.* Artikel VI. (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet) *Wijzigt het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet.* Artikel VII. (Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) *Wijzigt het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.* Artikel VIII. (Besluit basisregistratie ondergrond) *Wijzigt het Besluit basisregistratie ondergrond.* Artikel IX. (Besluit bodemkwaliteit) *Wijzigt het Besluit bodemkwaliteit.* Artikel X. (Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de Richtlijn energieprestatie gebouwen) *Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving.* Artikel XI. (Besluit van 11 maart 2021 tot technische aanpassing van enige algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot burgerluchthavens, militaire luchthavens en buitenlandse luchtvaartterreinen in verband met de invoering van de Omgevingswet) *Wijzigt het Luchthavenbesluit Lelystad, het Besluit burgerluchthavens en het Besluit militaire luchthavens.* Artikel XII. (Inwerkingtreding) 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid treedt"},{"b":"Besluit van 12 september 2024, houdende regels over toegankelijkheid van elektronische communicatiediensten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van de Europese Commissie en de Raad van 17 april 2019 inzake toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften elektronische communicatiediensten) Artikel 1. (Definities) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *geharmoniseerde norm:* geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder c, van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad; - *technische specificaties:* technische specificaties die zijn vastgesteld door de Europese Commissie op grond van artikel 15, derde lid, van richtlijn (EU) 2019/882; - *wet:* [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2. (Uitzondering in verband met fundamentele wijziging of onevenredige last) 1. Iedere dienstverlener die een beroep doet op de uitzondering, bedoeld in [artikel 7a.2, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7a.2), voert een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in bijlage I, afdelingen III en IV, onderdeel a, van richtlijn (EU) 2019/882, tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI van die richtlijn, een onevenredige last oplevert. 2. Indien het beroep betrekking heeft op de uitzondering, bedoeld in [artikel 7a.2, vierde lid, onderdeel b, van de wet](h"},{"b":"Besluit van 13 april 1994, houdende regels over de non-activiteitswedde van rijksambtenaren die lid zijn van de Staten-Generaal of het Europees Parlement en wijziging van enkele rechtspositieregelingen, alsmede inwerkingtreding van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612); - b. bezoldiging: laatstelijk in zijn ambt genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4); - c. loon: het laatstelijk in zijn ambt genoten loon, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, eerste zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4); - d. non-activiteitswedde: non-activiteitswedde, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4). Artikel 2 Indien het loon of de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip waarop betrokkene op non-activiteit is gesteld. Voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan loon of bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij voor het ontstaan van non-activiteit in dienst is geweest. Artikel 3 Indien de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdelen c en d, en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=1), op grond van de voor hem geldende rechtspositieregeling, zijn arbeidsovereenkomst of hetgeen collectief is overeengekomen en op die ambtenaar betrekking heeft, in het genot is van een toelage in verband met het regelmatig of vrij regelmatig verrichten van arbeid in avond of nacht dan wel op andere da"},{"b":"Besluit van 13 april 2023, houdende tijdelijke regels voor een experiment met de inzet van re-integratie-instrumenten voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte personen (Tijdelijk besluit experiment bredere inzet re-integratie-instrumenten) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - *Wajong:* [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - *Wet SUWI:* [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - *Wet WIA:* [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057). Artikel 2. Doelstelling experiment Bij wijze van experiment als bedoeld in [artikel 82a, eerste lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a) wordt in afwijking van de [artikelen 30a, derde lid, onderdelen b en f, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), en [2:30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:30) en [3:73a van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:73a) onderzocht of de inzet van de re-integratie-instrumenten, bedoeld in [paragraaf 4.2 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&paragraaf=4.2) en [afdeling 5 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&afdeling=5) en [afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&afdeling=5), de arbeidsparticipatie stimuleert voor de personen, bedoeld in artikel 30a, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI en de [artikelen 1a:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=1a:1), [2:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:4), en [3:8a, eerste lid, van de Wajong](http"},{"b":"Besluit van 13 augustus 1985, houdende voorschriften omtrent de bekostiging van scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden Titel A. Algemeen Artikel A 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: *wet*: [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); *school*: een basisschool als bedoeld in de [titels B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=B&z=2026-08-01&g=2026-08-01) en [C van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=C&z=2026-08-01&g=2026-08-01), tenzij het tegendeel blijkt; *schooljaar*: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend voor zover in dit besluit niet anders is bepaald. Artikel A 2. Afwijking van bepalingen en van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen van de WPO 1. [Artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=4) is niet van toepassing op een school als bedoeld in dit besluit. [Artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=2) is niet van toepassing op de school, bedoeld in [titel C van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=C&z=2026-08-01&g=2026-08-01). 2. De [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), [10 tot en met 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=10), behoudens de in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=13) bedoelde algemene maatregel van bestuur, [29 tot en met 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=29), [38a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=38a), [40, eerste, tweede en negende tot en met elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=40), [40b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=40b), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=41), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=42), [45a](https://wetten.ove"},{"b":"Besluit van 13 augustus 2010, houdende nadere regels inzake de bij benoeming en herbenoeming van de gezaghebber te volgen procedure (Besluit benoemingsprocedure gezaghebber BES) Artikel 1 1. Wanneer het ambt van gezaghebber van een openbaar lichaam open valt, zendt de Rijksvertegenwoordiger binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor deze functie is opengesteld, een met redenen omklede aanbeveling van ten minste twee personen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. De Rijksvertegenwoordiger verschaft zich de informatie over de sollicitant welke hij nodig acht. De door hem gevraagde en ontvangen inlichtingen alsmede andere ambtsberichten komen niet ter beschikking van de vertrouwenscommissie uit de eilandsraad van het desbetreffende openbaar lichaam. 3. De Rijksvertegenwoordiger verstrekt de vertrouwenscommissie een selectie van kandidaten die hij in beginsel voor benoeming geschikt acht. Hij stelt de vertrouwenscommissie de naar zijn oordeel wenselijke persoonlijke gegevens uit de sollicitatie van de geselecteerde ter beschikking, tenzij de geselecteerde hem heeft laten weten dat verstrekking van die gegevens op bezwaar stuit. 4. Bij het opstellen van de aanbeveling betrekt de Rijksvertegenwoordiger de opvattingen van de vertrouwenscommissie. Het op schrift gestelde oordeel van de vertrouwenscommissie en het verslag van het eventuele gesprek met de vertrouwenscommissie voegt hij bij zijn aanbeveling. Artikel 2 1. De Rijksvertegenwoordiger zendt een voorstel tot herbenoeming van een gezaghebber ten minste vier maanden voor de eerste dag van de maand waarin de herbenoeming dient in te gaan, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij brengt hierbij verslag uit omtrent de wijze van ambtsvervulling van betrokkene gedurende de lopende ambtsperiode. 2. Alvorens een voorstel te doen tot herbenoeming van de gezaghebber, overlegt de Rijksvertegenwoordiger achter gesloten deuren met de eilandsraad over de wijze van ambtsvervull"},{"b":"Besluit van 13 december 1948, houdende hernieuwde vaststelling van een regeling tot toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht § 1. Uitkeringen aan gewezen vrijwillig dienende militairen Artikel 1 Een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die met ingang van een datum vóór 1 Juli 1925 uit de militaire dienst is ontslagen en op de datum van zijn ontslag een werkelijke dienst in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 kon doen gelden van ten minste: - a. tien jaren, voor zover hij vóór 1 Januari 1954 de leeftijd van zestig jaren had bereikt, - b. zeven jaren, voor zover hij op of na 1 Januari 1954 de onder *a* genoemde leeftijd heeft bereikt, - c. vijf jaren, heeft, behoudens het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002044&paragraaf=3&artikel=7&z=1974-07-27&g=1974-07-27), recht op een uitkering, mits: - 1°. hij niet is ontslagen onder omstandigheden, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4 dezer wetten; - 2°. hij niet is of wordt herplaatst in een betrekking, welke uitzicht geeft op pensioen krachtens een der genoemde wetten, de Pensioenwet 1922 (*Stb.* 240), de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (*Stb.* 194), de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet. Artikel 2 1. De uitkering, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002044&paragraaf=1&artikel=1&z=1974-07-27&g=1974-07-27), bedraagt voor - a. een officier met de rang van majoor, luitenant ter zee der eerste klasse of hoger *drie en tachtig* gulden, - b. een officier met de rang van kapitein of luitenant ter zee der tweede klasse *zeven en zeventig* gulden, - c. een officier beneden de rang van kapitein of luitenant ter zee der tweede klasse *drie en zeventig* gulden, - d. een onderofficier met de rang van sergeant of hoger *een en veertig* gulden, - e. een militair met de rang van korporaal *vier en dertig* gulden, - f. een militair met de stand van sold"},{"b":"Besluit van 13 december 1965, houdende regeling van de berichtgeving betreffende het Koninklijk Huis Artikel 1 De Directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst zal Ons en de leden van Ons Huis desgevraagd of op eigen initiatief adviseren in de publiciteitsaangelegenheden Ons Huis betreffende. Artikel 2 De Rijksvoorlichtingsdienst wordt belast met de voorbereiding en de uitvoering van de berichtgeving betreffende Ons Huis. Hiertoe werkt de Directeur, of daartoe aangewezen ambtenaren van die dienst, zo nauw mogelijk samen met de daartoe door Ons aangewezen functionarissen van Ons Huis. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 13 december 1982, houdende aanwijzing van de gevallen waarin het bureau beheer landbouwgronden kan overgaan tot de uitgifte in erfpacht van landbouwgrond Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: \"pleegkind\": degene, die duurzaam als een eigen kind is verzorgd en opgevoed; \"bedrijfsoppervlakte\": de naar kadastrale maat gemeten oppervlakte van de bij een bedrijf in gebruik zijnde percelen landbouwgrond voor zover deze onbebouwd zijn en niet het erf vormen en voor zover dit gebruik geschiedt op grond van een recht van eigendom, een zakelijk recht of een pachtovereenkomst voor tenminste de wettelijke duur. Artikel 2 Het bureau kan, voor zover zulks uit financieringsoverwegingen noodzakelijk is, onder door Onze Minister te stellen regelen op aanvrage in de navolgende gevallen overgaan tot uitgifte in erfpacht van landbouwgrond: - a. opvolging in een bedrijf door één of meer kinderen, aangetrouwde, pleeg- of kleinkinderen, die voor eigen rekening, dan wel met één of meer andere natuurlijke personen voor gezamenlijke rekening, een bedrijf uitoefent, onderscheidenlijk uitoefenen; - b. uitoefening door de pachter van het voorkeursrecht als bedoeld in [afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&afdeling=11); - c. vergroting van de bedrijfsoppervlakte. Artikel 3 1. Onze Minister kan bij in de *Nederlandse Staatscourant* bekend te maken regeling bepalen dat in een of meer gevallen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548&artikel=2&z=2007-10-31&g=2007-10-31) geen aanvragen kunnen worden ingediend tot een nader door hem daarbij te bepalen tijdstip. 2. Onze Minister kan in zijn op grond van het eerste lid genomen regeling bepalen dat wel aanvragen om uitgifte in erfpacht kunnen worden ingediend voor landbouwgrond die bestemd is voor de uitgifte en waarvan het bureau de eigendom heeft verworven vóór het tijdstip van de indiening"},{"b":"Besluit van 13 december 1993, houdende vaststelling van administratieve bepalingen inzake het scheepvaartverkeer Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364); - b. verkeersbesluit: - 1°. een besluit tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de opheffing van een gebod of verbod aangeeft; - 2°. een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld onder 1°. 2. In dit besluit wordt onder bevoegd gezag mede verstaan degene die de desbetreffende bevoegdheid uitoefent vanwege dat gezag. Hoofdstuk 2. Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken § 1. Verkeerstekens Artikel 2 Het bevoegd gezag brengt slechts verkeerstekens aan opgenomen in: - a. voor wat betreft het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628) met uitzondering van de Waddenzee, de bij dat besluit behorende [bijlagen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&bijlage=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&bijlage=8); - b. voor wat betreft het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628) op de Waddenzee, de bij dat besluit behorende [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&bijlage=7) en het IALA betonningssysteem Regio A; - c. voor wat betreft het Rijnvaartpolitiereglement 1995, de bij dat besluit behorende bijlagen 7 en 8; - d. voor wat betreft het [Scheepvaartreglement Eemsmonding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552), de bij dat besluit behorende bijlage 1, hoofdstuk I; - e. voor wat betreft het [Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315), de bij dat besluit behorende [bijlagen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&bijlage=5) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&bijlage=6); - f. voor"},{"b":"Besluit van 13 december 1993, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit Invoer levensmiddelen uit derde landen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *bindend EG-besluit:* een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap met betrekking tot eet- en drinkwaren tot stand gekomen verordening, richtlijn of beschikking, die in het belang van de volksgezondheid regels stelt ten aanzien van de invoer, of het na invoer verhandelen daarvan, in de Europese Unie van eet- of drinkwaren die: - 1°. afkomstig zijn uit of van oorsprong zijn uit een gebied of een land waar een besmettelijke ziekte heerst, die via die eet- of drinkwaren op de mens kan worden overgebracht; of - 2°. een gevaarlijke stof of micro-organisme bevatten, waardoor die eet- of drinkwaren niet geschikt zijn voor menselijke consumptie; - b. *Richtlijn 92/118/EEG* : Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van produkten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (*PbEG* 1993, L 62). 2. Dit besluit is niet van toepassing op een bindend EG-besluit voor zover dat, behoudens op ondergeschikte punten, ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard. Artikel 2 1. Het is verboden krachtens [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006310&artikel=4&z=2019-12-14&g=2019-12-14) aangewezen eet- of drinkwaren binnen Nederlands grondgebied te brengen of te verhandelen. 2. Het is verboden eet- of drinkwaren binnen Nederlands grondgebied te brengen of te verhandelen anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. 3. Het is verboden te handelen i"},{"b":"Besluit van 13 december 1993, waarmede de Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de organisatie van het geneeskundig deel van de rampenbestrijding Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de organisatie van het geneeskundig deel van de rampenbestrijding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1993."},{"b":"Besluit van 13 december 2000, houdende de overdracht van de verbindingsbeveiliging bevorderende taak voor zover deze was opgedragen aan het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging, van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 De taak inhoudende het bevorderen van de beveiliging van verbindingen voor zover deze was opgedragen aan het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging, wordt overgebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Binnen het kader van zijn wettelijke taak wordt de Binnenlandse Veiligheidsdienst belast met het uitvoeren van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011958&artikel=1&z=2001-01-01&g=2001-01-01) bedoelde taak. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001."},{"b":"Besluit van 13 december 2001, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van het tijdstip waarop enige artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen en van het tijdstip waarop het Tijdelijk besluit samenwerking CWI vervalt Artikel 1 De[Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) treedt in werking met ingang van 1 januari 2002, met dien verstande dat: - a. de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=5), voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking treden met ingang van 1 januari 2003; - b. de [artikelen 21, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=21), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=29), voorzover het betreft aanvragen van uitkering op grond van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163), in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; - c. de [artikelen 21, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=21), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=29), voorzover het betreft aanvragen van toeslag op grond van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043), in werking treden met ingang van 1 april 2002; - d. [artikel 30, eerste lid, onderdelen f, g en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30), in werking treden met ingang van 1 april 2002. Artikel 2 De[Invoeringswet Wet structuur uitvoe"},{"b":"Besluit van 13 december 2004 houdende toetsingskader op grond waarvan deelgebieden der geneeskunde als specialismen kunnen worden aangewezen of opgeheven Hoofdstuk A. Algemeen - A.1. Bij het aanwijzen van deelgebieden der geneeskunde als specialisme besluit het Centraal College Medische Specialismen overeenkomstig de criteria genoemd in de [hoofdstukken B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033505&hoofdstuk=B&z=2005-06-04&g=2005-06-04) en [C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033505&hoofdstuk=C&z=2005-06-04&g=2005-06-04). Hoofdstuk B. Criteria voor specialismen in het algemeen - B.1. Het specialisme vormt een deelgebied van de geneeskunde. - B.2. Het specialisme betreft de individuele gezondheidszorg. - B.3. Voor het specialisme bestaat geen alternatief. - B.4. Het specialisme kent een eigen wetenschapsdomein en een eigen wetenschappelijke vereniging. - B.5. Het specialisme voorziet in een opleiding die in hoofdzaak bestaat uit onderdelen die door specialisten uit het eigen vakgebied worden verzorgd. - B.6. Er is een dusdanig aantal beroepsbeoefenaren en patiënten, dat dit aantal het in stand houden van een opleidingsstructuur met daarbij behorende borgingsmechanismen rechtvaardigt. - B.7. Het specialisme omvat de algemene competenties van de specialist. Hoofdstuk C. Specifieke criteria voor het Centraal College Medische Specialismen - C.1. Het specialisme heeft een meerwaarde voor klinieken. - C.2. Voor het specialisme ligt het accent op intra- en extramurale behandeling. - C.3. Het specialisme wordt in een hechte relatie met een ziekenhuis beoefend. Hoofdstuk D. Slotbepalingen - D.1. Besluit ‘toetsingskader ten behoeve van het aanwijzen respectievelijk opheffen van specialismen d.d. 19 mei 1999’ wordt ingetrokken. - D.2. Dit besluit wordt gelijktijdig met het besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, inhoudende de goedkeuring van dit besluit, gepubliceerd in de Staatscourant. - D.3. In het officiële orgaan van de Koninklijke Neder"},{"b":"Besluit van 13 december 2006 tot intrekking van het Kaderbesluit rechtspositie VO en tot wijziging van enkele besluiten in verband met verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden Artikel I. Intrekking Kaderbesluit rechtspositie VO Het [Kaderbesluit rechtspositie VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007495) wordt ingetrokken.. Artikel II. Wijziging Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs *Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs.* Artikel III. Wijziging Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel *Wijzigt het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.* Artikel IV. Wijziging Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs *Wijzigt het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs.* Artikel V. Wijziging Overlegbesluit onderwijspersoneel *Wijzigt het Overlegbesluit onderwijspersoneel.* Artikel VI. Wijziging Rechtspositiebesluit WPO/WEC *Wijzigt het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.* Artikel VII. Overgangsbepaling 1. De regelingen voor uitkeringen wegens werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid die bij of krachtens dit besluit komen te vervallen, blijven voor de duur van de uitkering van toepassing op uitkeringen die zijn ingegaan of hadden moeten ingaan voordat het bevoegd gezag van de school op het desbetreffende gebied regels heeft vastgesteld en deze regels in werking treden. 2. Het [Kaderbesluit rechtspositie VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007495) zoals dit luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing totdat het bevoegd gezag van de school op het desbetreffende gebied regels heeft vastgesteld en deze regels in werking treden. 3. De aanspraken uit de regelingen die op grond van het eerste en tweede lid zijn gehandhaafd, gelden vanaf de datum v"},{"b":"Besluit van 13 december 2007 tot wijziging van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s in verband met de aanpassing van energielabels voor nieuwe personenauto’s met een reeds bij de fabriek geïnstalleerde aardgas- of LPG-installatie Artikel I *Wijzigt het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s.* Artikel II *Vervallen* Artikel III *Wijzigt het Tijdelijk besluit subsidies milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie door middel van warmtekrachtkoppeling.* Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang 1 januari 2008."},{"b":"Besluit van 13 december 2010, houdende regels over de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag als buitengewoon agent van politie alsmede over de verlening van opsporingsbevoegdheid en over de eisen van bekwaamheid, geschiktheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit buitengewone agenten van politie BES) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *politiebevoegdheden:* de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10), juncto [artikel 13 van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=13); - b. *toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden:* de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden; - c. *toets geweldsbeheersing:* de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldbeheersing; - d. *toets schietvaardigheid:* de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van de schietvaardigheid; - e. *toetser:* de ambtenaar die heeft voldaan aan de daartoe strekkende opleiding en is gecertificeerd om de toets geweldbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden of de toets schietvaardigheid af te nemen; - f. *akte van opsporingsbevoegdheid:* de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"b":"Besluit van 13 december 2010, nr. BPR2010/U57175, tot vaststelling formulier basisadministraties persoonsgegevens BES Artikel 1 De formulieren, opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029481&bijlage=I&z=2010-12-15&g=2010-12-15) en [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029481&bijlage=II&z=2010-12-15&g=2010-12-15) bij dit besluit, zijn formulieren als bedoeld in [artikel 30, tweede lid van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&artikel=30) en [artikel 12 van de Regeling basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028605&artikel=12). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 december 2010."},{"b":"Besluit van 13 december 2012 tot vaststelling van subsidieplafonds 2013 voor enkele deelregelingen van de Stichting Nederlands Letterenfonds - 1. Regeling projectsubsidies voor publicaties Voor subsidies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=2) jo [artikel 9, eerste lid, van de Regeling projectsubsidies voor publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=9) gelden in 2013 de volgende subsidieplafonds: - a. voor aanvragers die één dan wel twee literaire titels hebben gepubliceerd: €220.000,= - b. voor aanvragers die minimaal drie literaire werken hebben gepubliceerd en nog geen vijf subsidies hebben ontvangen op basis van deze, of voorgangers van deze, regeling: €930.000,= - c. voor aanvragers die minimaal vijf subsidies hebben ontvangen op basis van deze, of voorgangers van deze, regeling: €1.000.000,= - 2. [Regeling reiskosten buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032528): €110.000,= - 3. [Regeling literaire projecten en manifestaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025031): €285.000,= - 4. [Herziene regeling projectwerkbeurzen voor literaire vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027430): €1.700.000,= - 5. [Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2013 - 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030661) Voor manifestatiesubsidies als bedoeld in [artikel 2.2 van de Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2013 - 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030661&artikel=2.2) geldt in 2013 het volgende subsidieplafond: € 1.010.000,="},{"b":"Besluit van 13 december 2012, houdende aanpassing van diverse besluiten in verband met de vermindering van het aantal ressorten en arrondissementen (Aanpassingsbesluit herziening gerechtelijke kaart) Artikel I *Wijzigt het Beroepsreglement.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken.* Artikel III *Wijzigt het Besluit College van afgevaardigden.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit curateleregister, het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit boedelregister en het Reglement voor de Kamer voor de Binnenvisserij 1964.* Artikel V *Wijzigt het Besluit gezagsregisters.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit openbare biedingen Wft.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten.* Artikel VIII *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel IX Het [Besluit tijdelijke aanwijzing bevoegde rechtbanken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030170) wordt ingetrokken. Artikel X *Wijzigt het Besluit regelen nopens beheer Grootboek 1946.* Artikel XI *Wijzigt het Besluit ex artikel 4 Wet installaties Noordzee.* Artikel XII *Wijzigt het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen.* Artikel XIII *Wijzigt het Besluit ex artikel 2 Uitvoeringswet Europees Verdrag inzake rechtspositie migrerende werknemers.* Artikel XIV *Wijzigt het Besluit vaststelling van het aantal raden van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten, van hun zetel en rechtsgebied, alsmede van hun relatieve bevoegdheid.* Artikel XV *Wijzigt het Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.* Artikel XVI *Wijzigt het Reglement op de Raccordementen 1966.* Artikel XVII *Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden.* Artikel XVIII *Wijzigt het Tramwegreglement.* Artikel XIX *Wijzigt het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet.* Artikel XX *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pacht.* Artikel XXI *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pacht.* Artikel XXII In afwi"},{"b":"Besluit van 13 december 2013, houdende instelling herinneringsmedaille «Medaille bezoek in 2013 aan het Caribisch deel van het Koninkrijk» Artikel 1 Ter gelegenheid van Ons eerste bezoek aan het Caribisch deel van het Koninkrijk na Onze inhuldiging op 30 april 2013 wordt een herinneringsmedaille ingesteld, die de naam zal dragen van «Medaille bezoek in 2013 aan het Caribisch deel van het Koninkrijk» en die op voordracht van Onze Minister die het aangaat bij koninklijk besluit wordt toegekend. Artikel 2 1. De herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1&z=2014-01-31&g=2014-01-31), is met zilver vervaardigd en cirkelrond met een middellijn van 30 millimeter. Zij vertoont aan de voorzijde naar links gewend Onze beeldenaar en aan de keerzijde een gekroond monogram houdende de letters «W» en «A», de tekst «30 april 2013», alsmede als omschrift de woorden «Willem-Alexander Koning der Nederlanden». 2. De herinneringsmedaille wordt op de linkerborst gedragen aan een 27 millimeter breed Nassaublauw moiré lint, met in het midden vier verticale oranje banen, elk van 2 millimeter breed en 2 millimeter uiteen. Artikel 3 1. Het is aan hen, die met de herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1&z=2014-01-31&g=2014-01-31), begiftigd zijn, vergund, deze in verkleinde vorm aan het lint, dan wel alleen het lint te dragen. 2. Het is tevens aan vrouwen, die met de herinneringsmedaille begiftigd zijn, vergund, deze aan een strik van het in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=2&z=2014-01-31&g=2014-01-31), omschreven lint op de linkerschouder te dragen. Artikel 4 Aan de begiftigde wordt een oorkonde uitgereikt, waaruit de toekenning van het herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1&z=2014-01-31&g=2014-01-31), blijkt. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van"},{"b":"Besluit van 13 december 2013, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met de invoering van verplicht schatkistbankieren, de totstandkoming van de Wet houdbare overheidsfinanciën en enkele andere wijzigingen Artikel I *Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit accountantscontrole decentrale overheden.* Artikel III Op de inrichting van de jaarrekening, het jaarverslag en de productenrealisatie van provincies, gemeenten en openbare lichamen of gemeenschappelijke organen als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) met betrekking tot het jaar 2013 blijven de bepalingen van het [Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606) van toepassing zoals die luidden voor inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034527&artikel=I&z=2013-12-25&g=2013-12-25) van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 13 december 2017, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkintreding van artikelen van de Wet basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond en het tijdstip van levering van gegevens door de beheerder van de Registratie Data en Informatie Nederlandse Ondergrond en het Bodemkundig Informatie Systeem Artikel 1 1. Met ingang van 1 januari 2018 treden in werking: - a. de [Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095), met uitzondering van de artikelen [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=7), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=22), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=27), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=32), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=36) en [37,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=37) - b. het [Besluit basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205), met uitzondering van de artikelen [2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205&artikel=2.5.1) en [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205&artikel=3.2). 2. Met ingang van 1 juli 2018 treden de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=27) en [29 van de Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=29) in werking. Artikel 2 De beheerder van de Registratie Data en Informatie Nederlandse Ondergrond dan wel het Bodemkundig Informatie Systeem levert als brondocument aan Onze Minister ter inschrijving in het register brondocumenten onderg"},{"b":"Besluit van 13 december 2019 tot wijziging van het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten ter formalisering en uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2018–2020 inzake onder meer afspraken betreffende het inkomen, de capaciteit en inzetbaarheid, de kwaliteit, loopbaan en onderwijs en de duurzame inzetbaarheid van ambtenaren, werkzaam in de sector Politie Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.* Artikel V *Wijzigt het Besluit rangen politie.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten.* Artikel VII 1. In 2018 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder b, c, d, e en f van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), die op 1 januari 2018 en op 1 november 2018 als zodanig zijn aangesteld binnen de sector Politie. 2. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend, bedraagt € 400 voor de ambtenaar met een aanstelling op 1 januari 2018 van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 3. Indien de ambtenaar slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, heeft dit geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. 4. Geen eenmalige uitkering ontvangen de ambtenaren bedoeld in het eerste lid, die op 1 januari 2018 geen bezoldiging ontvingen in verband met buitengewoon onbezoldigd verlof. Indien dit verlof niet volledig genoten wordt, wordt de uitkering naar rato van de daadwerkelijke dienstverrichting berekend. 5. De ambtenaar kan op eigen verzoek afzien van de uitkering. Artikel VIII 1. In 2019 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [a"},{"b":"Besluit van 13 december 2021 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met kleine beleidsmatige, technische en redactionele wijzigingen (Verzamelbesluit SZW 2022) Artikel I. Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten *Wijzigt het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.* Artikel II. Besluit algemene rechtspositie politie *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel III. Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs *Wijzigt het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs.* Artikel IV. Besluit beslagvrije voet *Wijzigt het Besluit beslagvrije voet.* Artikel V. Besluit garantiebedrag Wajong *Wijzigt het Besluit garantiebedrag Wajong.* Artikel VI. Besluit inburgering *Wijzigt het Besluit inburgering.* Artikel VII. Besluit inburgering 2021 *Wijzigt het Besluit inburgering 2021.* Artikel VIII. Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES *Wijzigt het Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES* Artikel IX. Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang *Wijzigt het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.* Artikel X. Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag *Wijzigt het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag.* Artikel XI. Besluit omgevingsrecht *Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.* Artikel XII. Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten *Wijzigt het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten.* Artikel XIII. Besluit passende arbeid WW en ZW *Wijzigt het Besluit passende arbeid WW en ZW.* Artikel XIV. Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten *Wijzigt het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten.* Artikel XV. Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren *Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenare"},{"b":"Besluit van 13 december 2021, houdende de herziening van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *verbod:* het verbod, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2); - *wet:* [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Hoofdstuk 2. Kennis en talent Artikel 2.1. Kennismigranten, onderzoekers, artsen in opleiding en gastdocenten 1. Het verbod is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van [artikel 8, onderdelen a, b, d, e, k of l, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of een vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel «kennismigrant» waarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) is aangevraagd en die: - a. als kennismigrant als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) in Nederland wordt tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en: - 1°. van wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in geld vastgestelde loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de werkgever ontvangt, indien hij de leeftijd van dertig jaar niet heeft bereikt, ten minste € 4.357 per maand bedraagt, waartoe niet wordt gerekend de door de werkgever te betalen vakantiebijslag, dan wel indien hij dertig jaar of ouder is, ten minste € 5.942 per maand bedraagt, waartoe niet wordt gerekend de door de werkgever te betalen vakantiebijslag; of - 2°. die voldoet aan de voorwa"},{"b":"Besluit van 13 december 2024, houdende wijziging van het Besluit van 6 april 2011, houdende vaststelling van de bedragen waartoe de aansprakelijkheid van de vervoerder bij vervoer door de lucht is beperkt ter uitvoering van de artikelen 1359, 1399 en 1400 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel I *Wijzigt het Besluit vaststelling bedragen ex artikelen 1359, 1399 en 1400 Boek 8 BW (beperking aansprakelijkheid vervoerder bij vervoer door de lucht).* Artikel II Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit schade die zich na de inwerkingtreding van dit besluit heeft voorgedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 december 2024. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 28 december 2024, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 28 december 2024."},{"b":"Besluit van 13 december 2024, teneinde de vaststelling van het cameraplan voor 2025, vereist op grond van artikel 29a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 Inzet vaste camera’s De inspecteur maakt op grond van [artikel 77a, eerste lid van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=77a) (hierna: Wet MRB ’94) gebruik van technische hulpmiddelen. De vaste camera’s zijn Elektronische Camerabeelden (ECB)-camera’s boven de Nederlandse wegen en camera’s op, aan of in flitspalen langs de Nederlandse wegen. Deze camera’s zijn eigendom van de politie en maken deel uit van het reeds bestaande netwerk van politie-camera’s. Het gaat daarbij om technische hulpmiddelen die aangesloten zijn op de technische voorziening ‘Oogopslag’, zoals ook vastgesteld in het convenant tussen de Belastingdienst en de Politie inzake het medegebruik van ANPR-camera’s. Locaties vaste camera’s De inspecteur maakt in 2025 gebruik van 1101 camera’s. Voor het exacte aantal en de locaties van de camera’s verwijst de inspecteur naar de lijst die integraal onderdeel uitmaakt van het cameraplan. Deze lijst wordt gepubliceerd op [www.belastingdienst.nl](http://www.belastingdienst.nl). Motivering inzet en locaties Uitgangspunt is dat eenieder de belasting betaalt die hij verschuldigd is. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de Motorrijtuigenbelasting (MRB). Dit draagt bij aan het draagvlak voor de betreffende heffing en aan het continueren van de staatsinkomsten. Daarbij streeft het kabinet ernaar om de controle en het toezicht op de heffing en inning zo efficiënt en effectief mogelijk in te richten. Waar het gaat om de controle en het toezicht op de MRB is het efficiënt om hiervoor mede gebruik te kunnen maken van camerabeelden die gemaakt zijn op de openbare weg. Van deze camera’s is vast komen te staan dat aan alle eisen op het gebied van privacy, beveiliging en kwaliteit voldaan wordt. De locaties van deze camera’s kenmerken zich door"},{"b":"Besluit van 13 februari 2015, houdende regels omtrent de verstrekking van tijdelijke bijzondere uitkeringen aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor het verbeteren van de leefbaarheid, de re-integratie naar duurzaam betaald werk en het bevorderen van de maatschappelijke participatie (Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - – *bijzondere uitkering:* een uitkering voor het realiseren van integrale projecten; - – *integrale projecten:* projecten die ten minste twee van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=2&z=2017-12-09&g=2017-12-09) genoemde beleidsterreinen omvatten; - – *wet:* [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151). Artikel 2. Verstrekking en doel bijzondere uitkering integrale projecten Onze Minister kan over de kalenderjaren 2014 tot en met 2019 bijzondere uitkeringen verstrekken aan een openbaar lichaam voor integrale projecten die uitsluitend ten doel hebben het verbeteren van de leefbaarheid, de re-integratie naar duurzaam betaald werk en het bevorderen van de maatschappelijke participatie op het beleidsterrein van de arbeidsmarkt, kinderopvang, armoede- en schuldenproblematiek, onderwijs, integrale wijkenaanpak, zorg, sport en jeugd. Artikel 3. Aanvragen bijzondere uitkering 1. De aanvraag voor één of meerdere bijzondere uitkeringen wordt door een bestuurscollege van een openbaar lichaam gedaan aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, middels een door die Minister te verstrekken formulier. 2. De aanvraag vermeldt tenminste de integrale projecten en de wijze waarop deze bijdragen aan de te realiseren doelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=2&z=2017-12-09&g=2017-12-09). 3. Een aanvraag wordt uiterlijk op 15 november van een kalenderjaar, genoemd in [artikel 2](https://wetten.ov"},{"b":"Besluit van 13 januari 2014 tot vaststelling van de bedragen van de bestuurlijke boetes op grond van artikel 9c, derde lid, van de Bankwet 1998 en artikel 11, derde lid, van de Muntwet 2002 (Besluit bestuurlijke boetes echtheids- en geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten en euromunten) Artikel 1 1. Het basisbedrag voor de bestuurlijk boete, bedoeld in [artikel 9c, tweede lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9c) bedraagt: - a. € 25.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de verordening valsemunterij voor zover de overtreding betrekking heeft op eurobankbiljetten; - b. € 15.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 9a, eerste tot en met derde lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9a); - c. € 25.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20). 2. De Nederlandsche Bank N.V. kan het basisbedrag met ten hoogste 100% verlagen of met ten hoogste 50% verhogen, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. 3. De Nederlandsche Bank N.V. kan voorts het basisbedrag met ten hoogste 100% verlagen of met ten hoogste 50% verhogen, indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. Artikel 2 1. Het basisbedrag voor de bestuurlijke boete, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=11) bedraagt: - a. € 12.500, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de verordening valsemunterij voor zover de overtreding betrekking heeft op euromunten; - b. € 7.500, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, eerste lid, van de verordening echtheids- en geschikthe"},{"b":"Besluit van 13 januari 2020, houdende regels over de reikwijdte van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 en de inperking van de verplichting tot het instellen van een cliëntenraad (Besluit Wmcz 2018) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: [Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294). Artikel 2 De [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294) is niet van toepassing op de volgende instellingen: - a. instellingen die onderdeel zijn van de militair geneeskundige dienst, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), en geen zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - b. inrichtingen als bedoeld in de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), instellingen voor de verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de [Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634) en justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756); - c. gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14), voor zover zij geen ambulancezorg leveren als bedoeld in [artikel 5 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=5) alsmede gemeenten die zelf jeugdgezondheidszorg of ouderengezondheidszorg op grond van de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) verlenen; - d. instellingen waar cliënten verblijven waarvan de zorg u"},{"b":"Besluit van 13 januari 2025 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1623 betreffende kapitaalvereisten voor banken (Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten 2025) Artikel I *Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft.* Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2024, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten 2025."},{"b":"Besluit van 13 juli 1981, houdende een verbod aan de deurwaarders om exploiten te doen ter zake van beslagen op of vorderingen verband houdende met de aanwezigheid in Nederland van de fondsen bedoeld in de overeenkomst met de Verenigde Staten van 10 juli 1981 betreffende een garantiefonds Artikel 1 De deurwaarders moeten het doen van exploiten weigeren, indien deze betrekking hebben op enige vorm van beslag op de fondsen, bedoeld in de overeenkomst van 10 juli 1981 tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende een garantiefonds in verband met de beslechting van bepaalde geschillen tussen de Verenigde Staten en Iran, onverschillig of deze fondsen zich bevinden op een of meer rekeningen bij de naamloze vennootschap N.V. Settlement Bank of the Netherlands, dan wel door of vanwege deze vennootschap geplaatst zijn op een of meer rekeningen bij derden. Artikel 2 1. De deurwaarders moeten het doen van exploiten weigeren indien deze betrekking hebben op vorderingen tegen de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. of tegen de naamloze vennootschap N.V. Settlement Bank of the Netherlands ter zake van: - a. de aanwezigheid van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003422&artikel=1&z=1981-11-14&g=1981-11-14) bedoelde fondsen op een of meer rekeningen bij de naamloze vennootschap N.V. Settlement Bank of the Netherlands, dan wel bij derden; - b. de medewerking van deze vennootschappen aan de inrichting en het beheer van de onder *a* bedoelde rekeningen; - c. door deze vennootschappen verrichte of nagelaten handelingen in de uitvoering van de haar in overeenstemming met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003422&artikel=1&z=1981-11-14&g=1981-11-14) genoemde overeenkomst toevertrouwde taken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen ter zake waarvan de aldaar genoemde vennootschappen krachtens de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"b":"Besluit van 13 juli 1982, houdende aanwijzing van medebetrokken ministers Wet agrarisch grondverkeer Artikel 1 In dit besluit wordt onder wet de [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) (*Stb.* 1981, 248) verstaan. Artikel 2 Als ministers bedoeld in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=29), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=32), en [34, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=34), worden aangewezen: - a. Onze Minister van Defensie; - b. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 3 Als ministers bedoeld in [artikel 30, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30), worden aangewezen: - a. Onze Minister van Financiën; - b. Onze Minister van Defensie; - c. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - d. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 13 juli 2002, houdende vrijstelling van de verboden, bedoeld in de artikelen 15 en 29 van de Kernenergiewet, alsmede afwijking van het Besluit stralingsbescherming (Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402); - b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie. Artikel 2 Ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen en uitrustingen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, wordt vrijstelling verleend van het in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) vervatte verbod. Artikel 3 Ten aanzien van radioactieve stoffen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, wordt vrijstelling verleend van het in [artikel 29, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29) vervatte verbod. Artikel 4 Ten aanzien van toestellen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, is [afdeling 3.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&afdeling=3.2) niet van toepassing. Artikel 5 De [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013888&artikel=2&z=2018-02-06&g=2018-02-06), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013888&artikel=3&z=2018-02-06&g=2018-02-06) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013888&artikel=4&z=2018-02-06&g=2018-02-06) zijn van overeenkomstige toepassing op s"},{"b":"Besluit van 13 juli 2006, houdende regels voor de uitvoering van vluchten met luchtvaartuigen (Besluit vluchtuitvoering) Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *EG-verordening 3922/91*: verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373); *helikopter:* gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; *JAR-OPS 3:* sectie 1 van het technisch voorschrift, vastgesteld door de Joint Aviation Authorities, betreffende uitvoering van een vlucht door een helikopter; *luchtschip:* luchtvaartuig, lichter dan lucht, dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting en een besturingsinrichting; *luchtwerk:* een vlucht met een vliegtuig of helikopter waarbij dit of deze gebruikt wordt voor speciale diensten zoals bijvoorbeeld landbouw, fotografie, film, onderzoek, observatie en patrouille, reddingsoperaties of reclame; *modelluchtvaartuig:* luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor luchtvaartvertoning, recreatie of sport; *ROC:* aan een onderneming afgegeven AOC waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om een onbemande RPA en het daarbij horend grondstation, het vereiste besturingssysteem en andere in het type-ontwerp gespecificeerde onderdelen veilig te exploiteren (Remotely piloted aircraft system operator certificate); *RPA:* op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), onbemand, niet zijnde een modelluchtvaartuig; *RPAS:* RPA, het daarbij horend grondstation, het vereiste besturingssysteem en andere in het type ontwerp gespecificeerde componenten; *uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947:* uitvoeringsverordening (EU) nr"},{"b":"Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) Artikel I *Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen Bopz.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel II *Wijzigt het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel III *Wijzigt het Besluit openbare biedingen Wft.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel IV *Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.* *Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten.* Artikel V *Wijzigt het Besluit register schuldsaneringsregeling.* Artikel VI *Dit artikel is gedeeltelijk in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.* *Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.* Artikel VII *Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.* *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel VIII *Wijzigt de Maatregel teboekgestelde schepen 1992.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel IX *Dit artikel is in werking getreden in"},{"b":"Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) Artikel I *Wijzigt het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.* Artikel II Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel IV, onderdeel D, van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038345&artikel=IV) in werking treedt. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht."},{"b":"Besluit van 13 juli 2017, nr. 2022588, strekkende tot vaststelling van de vergoedingen van het College en commissies van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (Vergoedingenregeling NRGD) Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *College:* het College gerechtelijk deskundigen als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=3); - b. *commissies:* de door het College ingestelde commissies als bedoeld in [artikel 7, derde lid, van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=7) en [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=8) en [9 van het van het Bestuursreglement College gerechtelijk deskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=9); - c. *Besluit:* het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279). Artikel 2. Vergoeding werkzaamheden voorzitter en leden van het College 1. De voorzitter van het College ontvangt voor zijn werkzaamheden een vaste vergoeding per maand op basis van het maandsalaris conform de hoogste trede van schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren en een arbeidsduurfactor van 0,2. 2. De leden van het College die niet in dienst zijn van het Rijk ontvangen een vaste vergoeding per maand op basis van het maandsalaris conform de hoogste trede van schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren en een arbeidsduurfactor van 0,1. Artikel 3. Vergoedingen commissies 1. De leden van de commissies ontvangen per vergadering een vergoeding van 3% van de hoogste trede van schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Indien d"},{"b":"Besluit van 13 juli 2020, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012, 14 juli 2014, 8 juli 2016 en 12 juli 2018, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2020."},{"b":"Besluit van 13 juli 2026, houdende tijdelijke economische beperkingen voor het tegengaan van het in stand houden van de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden) [KetenID WGK028298] Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen *In dit besluit wordt verstaan onder:* - – *aankoop:* de koop van goederen op de markt van de Europese Unie; - – *Associatieakkoord EU-Israël:* de op 20 november 1995 tot stand gekomen overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (Trb. 1996, 92); - – *binnenbrengen op Nederlands grondgebied:* iedere handeling die is gericht op het bewerkstelligen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen, met uitzondering van douanevervoer als bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, van het Douanewetboek van de Unie; - – *Douanewetboek van de Unie:* Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269); - – *EU-postcodelijst:* de laatste door de Europese Commissie opgestelde lijst van plaatsen en hun postcodes van waaruit goederen niet in aanmerking komen voor preferentiële behandeling onder het Associatieakkoord EU-Israël, bedoeld in het bericht aan importeurs – Invoer vanuit Israël in de EU (PbEU 2012/C 232/03); - – *goederen:* zaken als bedoeld in [artikel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=2); - – *goederen afkomstig uit een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden:* goederen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052870&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-09-22&g=2026-09-22); - – *in de handel brengen:* goederen voor het eerst op de markt van de Europese Unie aanbieden; - – *koop:* koop al"},{"b":"Besluit van 13 juni 1995, houdende wijziging van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (bijdrageregeling sanering industrielawaai) Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II In afwijking van [artikel 6*c*, derde lid, van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=6c) wordt de bijdrage voor het kalenderjaar 1995 betaald binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de negenentwintigste dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 13 juni 2007, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid (Besluit vaste beloning voorzitter Kennisplatform EVM&G) Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Kennisplatform EMV&G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022111&artikel=2) wordt vastgesteld op 21,01 % van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) per maand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning voorzitter Kennisplatform EVM&G."},{"b":"Besluit van 13 juni 2008, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen, inzake het toevoegen van jodium Artikel I *Wijzigt het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen.* Artikel II Eet- en drinkwaren die voldoen aan [artikel 9a van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008065&artikel=9a) zoals dat luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit, mogen bereid en verhandeld worden tot 20 juni 2009. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 juni 2008."},{"b":"Besluit van 13 maart 2000, houdende regels ter uitvoering van artikel 24a van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie alsmede inwerkingtreding van dat artikel (Besluit klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de commissie: de klachtencommissie, bedoeld in [artikel 24a, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=24a). Artikel 2 1. De commissie is belast met de behandeling van en de advisering over klachten over gedragingen die een vergunninghouder als bestuursorgaan heeft verricht. [Afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.3) is van toepassing. 2. [Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en het eerste lid zijn tevens van toepassing op de behandeling van klachten over gedragingen die een vergunninghouder anders dan als bestuursorgaan heeft verricht. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter. 2. Er kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd. Op hen zijn de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011217&artikel=4&z=2018-08-01&g=2018-08-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011217&artikel=5&z=2018-08-01&g=2018-08-01) van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 1. Onze Minister benoemt de leden voor een periode van vier jaren. 2. De voorzitter en de andere leden kunnen ten hoogste twee maal voor een periode van vier jaren worden herbenoemd. 3. Onze Minister kan de voorzitter of een lid op diens schriftelijk verzoek tussentijds ontslag verlenen. 4. Van een vacature, een besluit tot benoeming, tot herbenoeming of tot ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 5 De leden zijn niet werkzaam of werkzaam geweest onder verantwoordelijkheid van een vergunninghouder, van Onze Minister, van de raad voor de kinderbesche"},{"b":"Besluit van 13 maart 2000, houdende vaststelling van de grenzen van de exclusieve economische zone van Nederland en tot inwerkingtreding van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone (Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone) Artikel 1 De grenzen van de exclusieve economische zone van Nederland vallen samen met: - a. de grens van de territoriale zee van Nederland, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1) en - b. de grenzen van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat. Artikel 2 1. De [Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480) treedt voor Nederland in werking op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone."},{"b":"Besluit van 13 maart 2014, houdende de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (percentage pandbeleningsvergoeding) en de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen (Stb. 2013, 350) Artikel 1 Het percentage bedoeld in [artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=137) bedraagt 4,5. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034949&artikel=1&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedraagt het percentage voor pandbeleningsovereenkomsten, gesloten vóór 1 juli 2015, 9. Artikel 3 De wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen) (Stb. 2013, 350) en dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2014."},{"b":"Besluit van 13 maart 2018 ter uitvoering van het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) (Trb. 2013, 72) Algemene bepalingen Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1065, Boek 8 Burgerlijk Wetboek.* Artikel II *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en milieuverontreiniging.* Artikel III Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 13 maart 2025, houdende bepalingen over het bemannen van zeeschepen (Besluit bemanning zeeschepen) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *andere polaire wateren:* polaire wateren, niet zijnde wateren als bedoeld in de voorschriften 2.5 en 2.10 van de Polar-code; - *beperkte wateren vissersvaartuigen:* gebied omvattende alle wateren tot 30 zeemijlen uit de kust, gemeten vanaf de Franse, Belgische, Nederlandse, Duitse en Deense basislijnen, in het zuiden begrensd door de lijn Calais-Dover en in het noorden begrensd door de parallel van 57° Noorderbreedte, alsmede het gebied omvattende alle wateren tot 30 zeemijlen uit de kust, gemeten vanaf de basislijn van Helgoland; - *bergy wateren:* polaire wateren als bedoeld in voorschrift 1.2.1, deel I-A, van de Polar-code; - *beveiligingstaken:* elke functie of werkzaamheid met betrekking tot de beveiliging aan boord van een zeeschip, zoals omschreven in hoofdstuk XI-2 van de bijlage bij het SOLAS-verdrag en de ISPS-code; - *bijzonder zeeschip:* zeeschip dat in het bijzonder is aangepast aan technische ontwikkelingen of een bijzonder type zeeschip of zeeschip ingezet in een bijzonder soort vaart, als bedoeld in artikel IX van de bijlage bij het STCW-verdrag; - *CFR-nummer:* nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34); - *chemicaliëntankschip:* tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibare producten die zijn opgenomen in hoofdstuk 17 van de IBC-code; - *eerste stuurman:* wachtstuurman die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is en die bevoegd is in overeenstemming met de voorschriften II/2 of II/3 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993; - *gekwalificeerd gezel dek:* gezel die b"},{"b":"Besluit van 13 november 1991, houdende regelen tot uitvoering van de artikelen 8, negende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1986, 386) en 10, vijfde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94) Artikel 1 Onder inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf, als bedoeld in de [artikelen 8, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=8) (*Stb.* 1986, 386) en 10, tweede lid, van de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) (*Stb.* 1984, 94), wordt uitsluitend verstaan: - a. het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (*Stb.* 1986, 540); - b. het loon in de zin van de krachtens [artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14) (*Stb.* 1987, 89) gestelde regelen, met dien verstande dat in afwijking daarvan: - 1. fooien, alsmede het voordeel dat voor de werknemer was gelegen in het gebruik voor privé-doeleinden van een auto of telefoon, waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen, in aanmerking worden genomen, voor zover deze loonbestanddelen voor de loon- of inkomstenbelasting in aanmerking zijn genomen; - 2. het werknemersdeel van de pensioenpremie voor een verplicht pensioenfonds als loon wordt aangemerkt; - 3. vergoeding voor reisuren ook tot het loon wordt gerekend indien door het in aanmerking nemen van deze uren de normale wekelijkse arbeidsduur volgens arbeidsovereenkomst en toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zou worden overschreden. - c. de voor de inkomstenbelasting in aanmerking genomen winst uit onderneming, verminderd met de meewerkaftrek. Artikel 2 De regeling van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 augustus 1984, nr. U-5259 (*Stcrt.* 1984, 164), wordt ing"},{"b":"Besluit van 13 november 1991, houdende wijziging van het Schepenbesluit 1965 Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III. Overgangsbepalingen 1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn op schepen gebouwd vóór 1 januari 1992 de bepalingen van het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501), zoals gewijzigd bij dit besluit, met betrekking tot de constructie, inrichting en de uitrusting, voor zover deze afwijken van die welke voor deze wijziging werden gehanteerd, van toepassing voor zover dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie praktisch uitvoerbaar en redelijk is. 2. De uit het bepaalde in het eerste lid voortvloeiende veranderingen van de constructie en inrichting van in dat lid bedoelde schepen, moeten in overleg met de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, worden uitgevoerd bij belangrijke reparaties en vernieuwingen aan het casco, bij ingrijpende veranderingen in de accommodatie en bij het vernieuwen van installaties. De uit het bepaalde in het eerste lid voortvloeiende veranderingen van de constructie en inrichting behoeven slechts te worden aangebracht aan die delen van het casco dan wel onderdelen van het schip of de installaties, die onderwerp van verandering zijn. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid zijn de bepalingen van het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501), zoals gewijzigd bij dit besluit, met betrekking tot de waterdichte indeling, lekstabiliteit, brandbestijding, en uitrusting onverkort van toepassing op schepen gebouwd vóór 1 januari 1992, die tot passagiersschip worden omgebouwd. 4. In het geval dat de bepalingen van het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) zoals gewijzigd bij dit besluit, tot gevolg hebben dat de uitrusting van een schip als bedoeld in het eerste lid moet worden aangevuld, vervangen dan wel aangepast: - a. moet de verva"},{"b":"Besluit van 13 november 1995, houdende regelen inzake de registratie van beoefenaren van beroepen in de individuele gezondheidszorg Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1). Artikel 2 1. Bij de indiening van een aanvrage om inschrijving in een register als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) worden de volgende bescheiden verstrekt: - a. het desbetreffende door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier, dat door de aanvrager is ingevuld; - b. het desbetreffende in [artikel 105, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=105) bedoelde getuigschrift, de erkenning, bedoeld in [artikel 41, eerste lid, onder a of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), dan wel de verklaring van Onze Minister, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b of [106, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=106); - c. een document niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de aanvrager zijn of haar rechten tot de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend heeft verloren; - d. een bewijs van voldoende beheersing van de Nederlandse taal. 2. Indien het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten, wordt dit vervangen door een attest, niet ouder dan drie maanden, afgegeven door een bevoegde, gerechtelij"},{"b":"Besluit van 13 november 1999, houdende wijziging van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen Artikel I *Wijzigt het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaanden-pensioen.* Artikel II Voor diegenen die aanspraak hebben op een toeslag ingevolge artikel 21 van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen en reeds op de dag vóór de inwerking treding van dit artikel aanspraak hadden op een toeslag ingevolge dat artikel 21, zoals dat op die dag luidde, wordt die toeslag berekend naar ten minste het laatstelijk voor 1 juli 1999 vastgestelde niveau. Artikel III 1. Voor diegenen die op 1 januari 1998 aanspraak hadden op een toeslag ingevolge artikel 21a van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen, zoals dat oorspronkelijk op die dag luidde en aanspraak hebben op een toeslag ingevolge dat artikel, zoals dat thans luidt, blijft eerstgenoemde toeslag van kracht, zolang deze hoger is dan de daarna genoemde toeslag. 2. Behoudens het eerste lid blijft artikel 21a, eerste lid, van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen zoals dat op 31 december 1998 luidde, tot 1 juli 1999 van toepassing, met uitzondering van de daarin bedoelde einddatum voor het recht op een toeslag op een partnerpensioen. 3. Voorzover het in het tweede lid bedoelde artikel op 30 juni 1999 werd toegepast, blijft dit van kracht voor degene die op die dag ingevolge dat artikel ter zake van overlijden recht op een toeslag had, zolang de toepassing daarvan leidt tot een hogere toeslag dan de toeslag bedoeld in dat artikel, zoals dat thans luidt. 4. Bij de toepassing van het derde lid wordt de daar bedoelde hogere toeslag berekend naar het laatstelijk voor 1 juli 1999 vastgestelde niveau. ARTIKEL IV Dit besluit treedt, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat - a. [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010857&"},{"b":"Besluit van 13 november 2007, houdende regels inzake een register met gegevens betreffende ruimtevoorwerpen (Besluit register ruimtevoorwerpen) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. register: het register, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=11); - b. vergunninghouder: de houder van een vergunning voor ruimtevaartactiviteiten als bedoeld in [artikel 3 van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=3). § 2. Register Artikel 2 1. Het register bestaat uit een Verenigde Naties-deel en een nationaal deel. 2. Het Verenigde Naties-deel bevat gegevens betreffende ruimtevoorwerpen waarbij Nederland ten aanzien van het betreffende ruimtevoorwerp de staat van registratie is, bedoeld in artikel I, onderdeel c, van de op 14 januari 1975 te New York tot stand gekomen Overeenkomst inzake de registratie van de in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (Trb. 1981, 39). 3. Het nationaal deel bevat gegevens betreffende ruimtevoorwerpen die gebruikt worden in het kader van ruimtevaartactiviteiten als bedoeld in [artikel 2 van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=2), niet zijnde ruimtevoorwerpen als bedoeld in het tweede lid. 4. Onze Minister draagt zorg voor de verstrekking van de gegevens uit het Verenigde Naties-deel aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel 3 Het register bevat gegevens van het ruimtevoorwerp ten aanzien van: - a. de omschrijving en functie; - b. de baanparameters; - c. land en plaats van lancering; - d. verwachte en werkelijke datum van lancering; - e. verwachte en werkelijke datum van uitdienstneming; - f. gegevens van de vergunninghouder; - g. overige met betrekking tot het ruimtevoorwerp bij ministeriële regeling vast te stellen gegevens. § 3. Verstrekking van gegevens voor het register Artikel 4 1. De vergunninghouder"},{"b":"Besluit van 13 november 2015, houdende vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Uitvoeringsbesluit Wkkgz) Hoofdstuk 1. Definities en grondslag Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *acute zorg:* zorg in verband met een ervaren of geobserveerde mogelijk ernstige of een op korte termijn levensbedreigende situatie als gevolg van een gezondheidsprobleem of letsel dat plotseling is ontstaan of plotseling verergert; - – *andere melding:* andere melding dan bedoeld in [artikel 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11); - – *apotheek:* apotheek als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel oo, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - – *huisartsenpost:* locatie waar huisartsen uit de regio de avond-, nacht- en weekenddiensten verrichten voor huisartsenzorg die niet kan wachten tot de volgende werkdag; - – *incident:* een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg, en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt; - – *Inspectie:* Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - – *interne procedure melden incidenten:* interne procedure als bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=9); - – *klachtenregeling:* regeling inzake opvang en afhandeling van klachten als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=13); - – *medische technologie:* toepassing van georganiseerde kennis en vaardigheden in de vorm van apparaten, medicijnen, vaccins, procedures en systemen die ontwikkeld zijn om gezondheidsproblemen op te lossen en de kwaliteit van leven te verbeteren; - – *melder:* degene die de melding gedaan heeft; - – *ontslag in verband met disfunctioneren:* opzegging, ontbinding of niet-voortzetting van een over"},{"b":"Besluit van 13 november 2017 tot beperking openbaarheid – Afdeling Export- en Importgaranties en opvolger Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 33978 | 2019 | | 33979 | 2020 | | 33980 | 2021 | | 33981 | 2022 | | 33982 | 2023 | | 33983 | 2024 | | 33984 | 2025 | | 33985 | 2026 | | 33986 | 2027 | | 33987 | 2028 | | 33988 | 2029 | | 33989 | 2030 | | 33990 | 2031 | | 33991 | 2032 | | 33992 | 2033 | | 33993 | 2034 | | 33994 | 2035 | | 34001 | 2019 | | 34002 | 2020 | | 34003 | 2020 | | 34005 | 2019 | | 34006 | 2022 | | 34007 | 2024 | | 34008 | 2025 | | 34009 | 2028 | | 34010 | 2020 | | 34011 | 2021 | | 34012 | 2030 | | 34013 | 2034 | | 34014 | 2035 | | 34015 | 2035 | | 34016 | 2024 | | 34017 | 2024 | | 34018 | 2024 | | 34058 | 2021 | | 34059 | 2025 | | 34060 | 2031 | | 34294 | 2035 | | 34295 | 2036 | | 34296 | 2039 | | 34306 | 2037 | | 34315 | 2020 | | 34316 | 2021 | | 34317 | 2022 | | 34318 | 2023 | | 34319 | 2023 | | 34321 | 2023 | | 34328 | 2021 | | 34339 | 2023 | | 34341 | 2024 | | 34342 | 2025 | | 34343 | 2025 | | 34344 | 2026 | | 34345 | 2027 | | 34346 | 2028 | | 34347 | 2028 | | 34348 | 2029 | | 34349 | 2030 | | 34350 | 2030 | | 34351 | 2031 | | 34352 | 2032 | | 34353 | 2032 | | 34354 | 2033 | | 34355 | 2033 | | 34356 | 2034 | | 34357 | 2035 | | 34359 | 2019 | | 34360 | 2021 | | 34361 | 2023 | | 34362 | 2023 | | 34363 | 2024 | | 34364 | 2025 | | 34365 | 2027 | | 34366 | 2028 | | 34367 | 2028 | | 34368 | 2029 | | 34369 | 2030 | | 34370 | 2030 | | 34371 | 2031 | | 34372 | 2032 | | 34373 | 2033 | | 34374 | 2035 | | 34378 | 2020 | | 34379 | 2022 | | 34380 | 2025 | | 34381 | 2027 | | 34382 | 2028 | | 34383 | 2030 | | 34384 | 2030 | | 34385 | 2031 | |"},{"b":"Besluit van 13 november 2019 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs in bepaalde gevallen (Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in bepaalde gevallen) Artikel I *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. 2. De [artikelen 25aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=25aa), [103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103a), [145a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145a), [148a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=148a) en [152a van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=152a) vervallen met ingang van 1 juni 2021. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in bepaalde gevallen."},{"b":"Besluit van 13 november 2023, nr. 2023002190 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van de Verordening (EU) 2023/606 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (Uitvoeringsbesluit wijzigingsverordening Europese langetermijnbeleggingsinstellingen) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 januari 2024. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit wijzigingsverordening Europese langetermijnbeleggingsinstellingen."},{"b":"Besluit van 13 oktober 1964, houdende vaststelling van het Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415); - b. verzekeraar: de verzekeraar, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, der wet; - c. orgaan: de Dienst Wegverkeer, bedoeld in [artikel 4*a* van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - d. erkend bedrijf: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=2) een erkenning is verleend om motorrijtuigen, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. Artikel 2 De verzekeraar verstrekt aan het orgaan de gegevens, bedoeld in artikel 13 dan wel artikel 13*a*, tweede en zesde lid, der wet. Door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen voorschriften worden gegeven inzake de wijze van verstrekking van deze gegevens. Artikel 3 1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel *a*, van de wet, inzake het sluiten van een verzekering moet ten minste bevatten het kenteken en de laatste vier cijfers van het chassisnummer van het motorrijtuig, de naam en het adres van de verzekeraar, het polisnummer en de dagtekening en het jaar van ingang van de dekking, dan wel zodanige aanduidingen, dat de voormelde gegevens hieruit kunnen worden afgeleid. – 2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 13*a*, tweede lid, van de wet, moet ten minste bevatten de naam en het adres van de verzekeraar, het polisnummer en de dagtekening en het jaar van ingang van de dekking, het nummer waaronder het erkende bedrijf is geregistreerd bij het orgaan en het nummer waaronder het erkende bedrijf is ingeschreven in het handelsregister, dan wel zodanige aanduidingen, dat de voormelde gegevens hie"},{"b":"Besluit van 13 oktober 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de fysiotherapeut (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut) § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). § 2. Opleiding Artikel 2 Om in het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) bedoelde register van fysiotherapeuten te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor fysiotherapie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=2&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=2&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit. Artikel 3 1. Een opleiding tot fysiotherapeut als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de fysiotherapeut die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=3&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01): - a. diagnostiek en behandeling; - b. communicatie en samenwerking; - c. preventie en gezondheidsvoorlichting; - d. kwaliteitszorg en innovatie; - e. praktijk- en bedrijfsvoering; - f. beroepsontwikkeling. 2. Het pr"},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012 tot vaststelling van de vestigingsplaatsen van de raad voor rechtsbijstand (Besluit vestigingsplaatsen raad voor rechtsbijstand) Artikel 1 De vestigingsplaatsen van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) zijn: - a. ressort Amsterdam: Amsterdam; - b. ressort Arnhem-Leeuwarden: Arnhem en Leeuwarden; - c. ressort Den Haag: ’s-Gravenhage; - d. ressort ’s-Hertogenbosch: ’s-Hertogenbosch. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vestigingsplaatsen raad voor rechtsbijstand."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende de vaststelling van de verhoging van enige bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget 2013) Artikel 1. Extra verhoging bedragen kindgebonden budget De bedragen, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) worden als volgt verhoogd: - a. het in onderdeel b genoemde bedrag van € 1478,– tot € 1553,–; - b. het in onderdeel c genoemde bedrag van € 1661,– tot € 1736,–; - c. het in onderdeel d genoemde bedrag van € 1661,–, tot € 1736,–. Artikel 2. Intrekking Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget Het [Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029240) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget 2013."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende regels omtrent de rechtspositie van de voorzitters van de veiligheidsregio’s (Besluit rechtspositie voorzitters veiligheidsregio’s) Artikel 1 De voorzitter is van rechtswege geschorst of ontslagen vanaf het tijdstip waarop hij als burgemeester is geschorst onderscheidenlijk ontslagen. Artikel 2 1. De voorzitter kan in het belang van een goede uitoefening van zijn functie als voorzitter van de veiligheidsregio worden geschorst. 2. Een besluit tot schorsing bevat een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. 3. Onze Minister kan, in afwachting van een besluit tot schorsing, bepalen dat de voorzitter zijn functie niet uitoefent. 4. Een besluit als bedoeld in het derde lid vervalt indien niet binnen een maand een besluit tot schorsing is genomen. Artikel 3 De voorzitter wordt op zijn verzoek ontslagen. Artikel 4 Aan de voorzitter kan ontslag worden verleend op grond van: - a. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie als voorzitter; - b. een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur; - c. een verstoorde verhouding met Onze Minister; - d. opheffing van de regio; - e. andere gronden. Artikel 5 De voorzitter onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van de functie schaden of kunnen schaden. Artikel 6 1. De voorzitter vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als voorzitter. 2. De voorzitter meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van het ambt van burgemeester en zijn functie als voorzitter, aan Onze Minister. 3. De voorzitter maakt openbaar welke nevenfuncties hij vervult, anders dan uit hoofde van het ambt van burgemeester en zijn functie als voorzitter. Artikel 7 1. De voorzitter stelt het algemeen bestuur van de veiligheidsregio en Onze Minister in kennis van een afwezigheid die"},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende regels over de bewapening, de uitrusting en de kleding van de politie en de bijzondere bijstandseenheden alsmede regels over de taakuitvoering door de politie en de eisen aan de bekwaamheid van de ambtenaren van politie en van de bijzondere bijstandseenheden (Besluit bewapening en uitrusting politie) Hoofdstuk 1. Bewapening en uitrusting Artikel 1 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *ambtenaar:* de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a of c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met een rang als bedoeld in [artikel 1, onderdelen a tot en met h, van het Besluit rangen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006981&artikel=1); - b. *pistool:* semi-automatisch pistool, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - c. *semi-automatisch schoudervuurwapen:* semi-automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - d. *automatisch schoudervuurwapen:* automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - e. *granaatwerper:* een granaatwerper, kaliber 40mm; - f. *repeteervuurwapen:* een repeteervuurwapen, kaliber 12; - g. *pepperspray:* spuitbus met Oleoresin Capsicum (OC) of Pelargonylvanillylamide (PAVA); - h. *aanhoudings- en ondersteuningsteam:* een aanhoudings- en ondersteuningsteam als bedoeld in [artikel 12, onder a, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=12); - i. *aspirant:* de aspirant en vrijwilliger-aspirant, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - j. *surveillant van politie:* de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a of c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met de rang, bedoeld in [artikel 1, eerste"},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) Hoofdstuk I. Werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en sociale voorzieningen Artikel I *Wijzigt het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.* Artikel II *Wijzigt het Besluit WWB 2007.* Artikel III *Wijzigt het Boetebesluit socialezekerheidswetten.* Hoofdstuk II. Arbeidsbesluiten Artikel IV *Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.* Artikel V *Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit aanwijzing aantal arbeidsverhoudingen die als dienstbetrekking ex artikel 2 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden beschouwd.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.* Artikel VIII *Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.* Artikel IX *Wijzigt het Besluit arbeidsbemiddeling.* Hoofdstuk III. Slotbepalingen Artikel X. Inwerkingtreding 1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel III, onderdelen D, E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032115&hoofdstuk=I&artikel=III&z=2013-01-01&g=2013-01-01) met betrekking tot artikel 6a, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2011. Artikel XI. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 (Wijzigingsbesluit rechtspositie politie) Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.* Artikel V *Wijzigt het Besluit Herinneringsmedaille Vredesoperaties.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit Kroonbenoemingen politie.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit medaille trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie.* Artikel VIII *Wijzigt het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie.* Artikel IX *Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.* Artikel X *Wijzigt het Besluit rangen politie.* Artikel XI *Wijzigt het Besluit rechtspositie vrijwillige politie.* Artikel XII *Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.* Artikel XIII *Wijzigt het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie.* Artikel XIV *Wijzigt het Besluit toekenning eindejaarsuitkering aan politie-ambtenaren in 1996.* Artikel XV *Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ.* Artikel XVI Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel XVII Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit rechtspositie politie."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van onder meer het Besluit zorgverzekering en het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met maatregelen 2013 in het zorgpakket Artikel I *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel II *Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ.* Artikel III *Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG.* Artikel IV 1. Een verzekerde die op 31 december 2012 drieënveertig jaar of ouder was en bij wie een in-vitrofertilisatiepoging uiterlijk op die datum was aangevangen, heeft recht op afronding van die poging voor rekening van de zorgverzekering. 2. [Artikel 11 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=11), zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op vóór 1 januari 2013 door een instelling in bruikleen verstrekte verpleegartikelen tot ten hoogste zesentwintig weken nadat de bruikleen is aangevangen. Artikel V *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel VI *Wijzigt het Invoeringsbesluit ambulancezorg.* Artikel VII 1. Met uitzondering van [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=V&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=VI&z=2013-01-01&g=2013-01-01) treedt dit besluit in werking met ingang van 1 januari 2013. 2. [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=V&z=2013-01-01&g=2013-01-01) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt: - a. wat betreft de wijziging van de [artikelen 2.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.7), [2.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.9), [2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), en [2.16 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.16) terug tot en met 1 januari 2006; - b. wat betre"},{"b":"Besluit van 13 oktober 2020 houdende de oprichting bij de Koninklijke Landmacht van het Wapen van de Informatiemanoeuvre en de oprichting van het daaronder ressorterende Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia en het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane Artikel 1 1. Met ingang van 20 november 2020 worden opgericht: - a. Het Wapen van de Informatiemanoeuvre; - b. Het Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia; en - c. Het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane, 2. Het Wapen van de Informatiemanoeuvre maakt deel uit van de Koninklijke Landmacht. 3. De in het eerste lid, onder b en c genoemde korpsen ressorteren onder het Wapen van de Informatiemanoeuvre. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 november 2020."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2020 tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (vervallen onderscheid II-k en II-v en wijziging procedure gentherapie) Artikel I *Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.* Artikel II *Vervallen* Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044292&artikel=II&z=2021-12-23&g=2021-12-23) vervalt een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2020, houdende het binnen het Wapen der Cavalerie van de Koninklijke Landmacht samenvoegen van het Regiment Huzaren Van Sytzama, het Regiment Huzaren Prins Alexander en het Regiment Huzaren Prins van Oranje tot het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia Artikel 1 1. Het Regiment Huzaren Van Sytzama, het Regiment Huzaren Prins Alexander en het Regiment Huzaren Prins van Oranje worden met ingang van 20 november 2020 samengevoegd tot het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia. 2. Het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia neemt de tradities van de in het eerste lid genoemde regimenten over en zet deze voort. 3. Tot aan de uitreiking van de eigen standaard voert dit regiment de standaard van het Regiment Huzaren Van Sytzama met daaraan gehecht: - a. een cravate met de benaming van de nieuwe eenheid; - b. een cravate met de benaming en de standaardopschriften van het Regiment Huzaren Prins Alexander; en - c. een cravate met de benaming en de standaardopschriften van het Regiment Huzaren Prins van Oranje. Artikel 2 Het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia ressorteert onder het Wapen der Cavalerie van de Koninklijke Landmacht. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 november 2020."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten ter uitvoering van drie Europese verordeningen in het kader van het herstel van de COVID-19-crisis (Uitvoeringsbesluit kapitaalmarkten herstelpakket I) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045743&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2024. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit kapitaalmarkten herstelpakket I."},{"b":"Besluit van 13 oktober 2025 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met het thema Hollandse Waterlinies die in 2025 worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Hollandse Waterlinies die worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de gehele voorzijde in het midden een schematische weergave van de kaart van Nederland met lijnen en driehoeken in de regio Amsterdam en omstreken, met daaromheen de tekst «HOLLANDSE WATERLINIES» en aan de bovenzijde «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO», met daarnaast het jaartal «2025» en rechtsonder de tekst «STELLING VAN AMSTERDAM+NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIES»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil bestaande uit lijnen en vlakken, daaromheen de tekst «WILLEM-ALEXANDER», aan de bovenzijde de tekst «KONING DER NEDERLANDEN» en naast de tekst het teken van de muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051649&artikel=1&z=2025-10-25&g=2025-10-25). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 13 september 1991, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 42, tiende lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet Hoofdstuk 1. Bepaling en gelijkstelling loondagen voor 1 januari 2013 Artikel 1 1. Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15) worden dagen, waarover de werknemer: - a. van zijn werkgever geen loon doch vakantiegeld heeft ontvangen; of - b. tijdens dienstbetrekking vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken bestemd voor die dagen heeft verkregen, gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de in onderdeel b van dat lid bedoelde vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken bestemd zijn voor dagen, waarover recht op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) dan wel [hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7) bestaat of over dagen, waarin dat recht wegens vakantie of het in aanmerking nemen van deze aanspraken wordt onderbroken. Artikel 2 Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15) worden dagen waarover een werknemer geen loon heeft ontvangen wegens werkstaking of uitsluiting gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. Artikel 3 1. Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"b":"Besluit van 13 september 2006 tot heroprichting van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland Artikel 1 Het Regiment Infanterie Oranje Gelderland wordt heropgericht en maakt wederom deel uit van de Koninklijke landmacht. Artikel 2 Het vaandel van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland, dat ingevolge het [koninklijk besluit van 29 juli 1994 tot opheffing van 4 regimenten infanterie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006848) (Stb. 618) werd ingenomen, wordt wederom ter beschikking gesteld aan het Regiment Infanterie Oranje Gelderland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 september 2006. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 13 september 2006, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 14 september 2006."},{"b":"Besluit van 13 september 2024 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Amsterdam Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Amsterdam, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, met rond Onze beeltenis en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», een diagonale lijn van linksboven naar rechtsonder en rechtsboven het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het jaartal «2024» en het teken van de muntmeester; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden drie andreaskruizen, een diagonale lijn van linksonder naar rechtsboven, boven het midden en linksonder het oude stadswapen van Amsterdam, onderaan langs de rand de tekst «750 jaar Amsterdam», rechtsmidden de jaartallen «1275-2025» en rechtsboven «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO»; - 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». - 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050260&artikel=1&z=2024-10-27&g=2024-10-27). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 27 oktober 2024."},{"b":"Besluit van 14 april 1965, houdende instelling van een departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, opheffing van het departement van Maatschappelijk Werk en naamsverandering van departementen Artikel Enig artikel 1. in te stellen een departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; 2. de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk te belasten met de behartiging van alle aangelegenheden tot op heden behorende tot de taak van: - a. het departement van Maatschappelijk Werk, - b. de afdelingen Kunsten, Oudheidkunde en Natuurbescherming, Vrijetijdsbesteding, Jeugdvorming, Bijzonder Jeugdwerk in internaatsverband, Volksontwikkeling, Lichamelijke Vorming en Sport, Radio, Televisie en Pers van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; 3. het departement van Maatschappelijk Werk op te heffen; 4. de naam van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te wijzigen in: departement van Onderwijs en Wetenschappen; 5. de naam van het departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid te wijzigen in: departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening."},{"b":"Besluit van 14 april 2014, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de overname van taken van de bedrijfslichamen Artikel I *Wijzigt het Besluit bestrijding schadelijke organismen.* Artikel II *Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen.* Artikel III *Wijzigt het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.* Artikel IV Archiefbescheiden van de bedrijfslichamen betreffende zaken die op grond van dit besluit worden behartigd door de Minister van Economische Zaken, worden overgedragen aan de Minister van Economische Zaken, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014."},{"b":"Besluit van 14 april 2016 tot wijziging van enige besluiten, in het kader van de uitvoeringsovereenkomst voor de sector Defensie als gevolg van de bovensectorale loonruimteovereenkomst 2015–2016 Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2015 aan het defensiepersoneel Artikel 1 1. De volgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige nominale bruto uitkering 2015 ter grootte van maximaal € 500: - a. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel die op 1 september 2015 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst was alsmede de ambtenaar die op 1 september 2015 met aanspraak op bezoldiging was aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn; - b. de militair aangesteld bij het reservepersoneel die in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst is geweest; - c. de ambtenaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst die op 1 september 2015 met aanspraak op salaris in dienst was van het Ministerie van Defensie; - d. de gewezen militair en de gewezen ambtenaar, die op 1 september 2015 een uitkering genoot ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510&artikel=18); - e. de gewezen ambtenaar die op 1 september 2015 een uitkering genoot op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie; - f. de gewezen militair die op 1 september 2015 een uitkering genoot op grond van de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540). 2. De eenmalige uitkering 2015, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend ter grootte van: - a. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder a, € 500 maal de factor van het voor hem op 1 september 2015 voor deeltijdarbeid afwijkende salaris gedeeld door het voor hem op 1 september 2015 geldende sal"},{"b":"Besluit van 14 april 2016, houdende regels in verband met de deponering van bescheiden in het handelsregister langs elektronische weg (Besluit elektronische deponering handelsregister) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *boekjaar:* boekjaar als bedoeld in [artikel 10a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=10a); - *SBR:* Standard Business Reporting, een nationale standaard voor de digitale uitwisseling van bedrijfsmatige rapportages waarmee door middel van een gemeenschappelijke rapportagetaal gegevens eenmalig op een gestandaardiseerde wijze worden vastgelegd waardoor zij eenvoudig hergebruikt kunnen worden voor verschillende rapportages; - *uitgevende instelling:* uitgevende instelling als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1). Artikel 1a SBR ondersteunt het formaat, genoemd in artikel 3 van de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/815 van de commissie van 17 december 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor de specificatie van een uniform elektronisch verslagleggingsformaat. Artikel 2 1. Een rechtspersoon waarop [artikel 395a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=395a), of [396, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=396) van toepassing is, deponeert de bescheiden, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037858&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), langs elektronische weg via SBR, te beginnen met de bescheiden die zien op het boekjaar ingaande op of na 1 januari 2016. 2. Een rechtspersoon waarop [artikel 397, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=397) van toepassing is, deponeert de bescheiden, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/j"},{"b":"Besluit van 14 april 2016, houdende regels omtrent de eisen waaraan meetinstrumenten moeten voldoen voordat zij in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt, alsmede omtrent conformiteitsbeoordelingen van meetinstrumenten en verplichtingen van marktdeelnemers en tot wijziging van het Meeteenhedenbesluit 2006 (Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *conformiteitsbeoordelingsprocedure:* module A, A2, B, C, C2, D, D1, E, E1, F, F1, G, H of H1 van bijlage II bij de richtlijn meetinstrumenten of module B, D, D1, F, F1, of G bij de richtlijn niet-automatische weegwerktuigen; - *CE-markering:* markering, overeenkomstig het model van bijlage II bij verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218); - *instrumentspecifieke bijlage:* bijlage III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI of XII bij de richtlijn meetinstrumenten; - *niet-automatisch weegwerktuig:* werktuig voor het bepalen van de massa van een lichaam met gebruikmaking van de werking van de zwaartekracht op dat lichaam, waarbij voor het wegen tussenkomst van een bedienaar noodzakelijk is, alsmede zodanige werktuigen die bovendien worden gebruikt voor het bepalen van met de massa verband houdende grootheden, hoeveelheden, parameters of kenmerken; - *richtlijn inzake tapmaatflessen:* richtlijn 75/107/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten inzake flessen, gebruikt als tapmaten (PbEG L 42); - *richtlijn meetinstrumenten:* richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op"},{"b":"Besluit van 14 april 2023, houdende regels voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textielproducten (Besluit uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel) Artikel 1. (definities en reikwijdte) 1. In dit besluit en de erop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *huishoudtextiel:* tafel-, bed- en huishoudlinnen als bedoeld in hoofdstuk 63, deel I, post 6302, van afdeling XI van deel II van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87; - *in de handel brengen:* voor het eerst in Nederland op de markt aanbieden van een product; - *kleding:* consumenten- en bedrijfskleding als bedoeld in de hoofdstukken 61 en 62 van afdeling XI van deel II van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87; - *op de markt aanbieden:* in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik; - *producent:* degene die beroepsmatig, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, textielproducten in de handel brengt; - *textielproducten:* textielproducten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1007/2011; - *textielvezel:* textielvezel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met artikel 5 en bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1007/2011; - *Verordening (EU) nr. 1007/2011:* Verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van Richtlijn 73/44/EEG van de Raad en Richtlijnen 96/73/EG en 2008/121/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2011, L 272); - *Verordening (EEG) nr. 2658/87:* Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief zoals deze luidt in het kalenderjaar waarin de textiel"},{"b":"Besluit van 14 april 2026 houdende uitgestelde openbaarmaking volume uitgevoerde transacties met betrekking tot overheidsschuldinstrumenten in verband met Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 Artikel 1. Toepassingsbereik Dit besluit is van toepassing op transacties in door de Staat der Nederlanden uitgegeven overheidsschuldinstrumenten die zijn ingedeeld in Groep 1, zoals gedefinieerd in Tabel 2.2 van Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/583, Categorie 1, zoals gedefinieerd in Tabel 2.6 van Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/583. Artikel 2. Uitgestelde openbaarmaking Marktexploitanten en beleggingsondernemingen die een handelsplatform exploiteren maken het volume van individuele transacties in de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052598&artikel=1&z=2026-05-04&g=2026-05-04) bedoelde overheidsschuldinstrumenten uiterlijk aan het einde van de handelsdag openbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 4 mei 2026."},{"b":"Besluit van 14 augustus 2003 tot het stellen van regels betreffende de veiligheid van tatoeagekleurstoffen (Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. tatoeëren: huidpenetrerende handeling waarmee kleurstoffen intradermaal worden geïnjecteerd; - b. tatoeagekleurstof: kleurstof, pigment en hulpstoffen, inclusief mogelijke onzuiverheden, die geschikt zijn om bij het tatoeëren te worden gebruikt als kleurstof; - c. pigment: uit deeltjes bestaande, in het toepassingsmedium praktisch onoplosbare verbinding die als kleurstof wordt gebruikt; - d. steriel: vrij van levensvatbare organismen, virussen inbegrepen; - e. houder: verpakking van tatoeagekleurstof die rechtstreeks in aanraking komt met de tatoeagekleurstof; - f. *verordening (EU) 2020/2081:* Verordening (EU) 2020/2081 van de Commissie van 14 december 2020 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft stoffen in inkt voor tatoeage of permanente make-up (PbEU 2020, L 423). Artikel 2 Het is verboden tatoeagekleurstoffen te verhandelen die niet voldoen aan de eisen bij dit besluit gesteld met betrekking tot hun samenstelling, hoedanigheid, eigenschappen of aan te brengen vermeldingen. Artikel 3 Tatoeagekleurstoffen zijn zodanig samengesteld, hebben een zodanige hoedanigheid en eigenschappen en zijn van zodanige vermeldingen voorzien, dat zij bij een gelet op hun bestemming redelijkerwijs te verwachten gebruik, geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens opleveren. Artikel 4 1. Onverminderd [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015471&artikel=3&z=2023-11-10&g=2023-11-10), worden tatoeagekleurstoffen uitsluitend verhandeld indien zij steriel zijn. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor applicatie bij één en dezelfde persoon bereide en gerede hoeveelhei"},{"b":"Besluit van 14 augustus 2015, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten en intrekking van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA in verband met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.* Artikel IV Het [Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008099) wordt ingetrokken. Artikel V Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag voor inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=IV&z=2015-08-27&g=2015-08-27) is gelegen, blijft het [Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008099) gelden zoals dat luidde voor het tijdstip waarop het werd ingetrokken. Artikel VI De [Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA sector Politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020276) wordt ingetrokken. Artikel VII *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel VIII 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=I&z=2015-08-27&g=2015-08-27), terug tot en met 1 december 2004. 3. In afwijking van het eerste lid, werken [artikel I, onderdelen A, B, D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=I&z=2015-08-27&g=2015-08-27), [artikel II, onderdelen A, C, D, E, F, H, I, J, K, L, M, N, O, P, Q en R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=II&z=2015-08-27&g=2015-08-27), en [artikel III, onderdelen B en C"},{"b":"Besluit van 14 augustus 2018 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2018/12015, houdende toelating safeguards inspecteurs van het Internationaal Atoomenergieagentschap en Euratom (Besluit toelaten internationale inspecteurs) Artikel 1. Toelaten inspecteurs De volgende bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming aangemelde personen worden op grond van [artikel 65, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=65) toegelaten: - 1. de in artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie bedoelde inspecteurs of - 2. de personen die door het Internationaal Atoomenergieagentschap zijn aangewezen om de naleving van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, met bijlagen (Trb. 1999, nr. 147), te controleren. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toelaten internationale inspecteurs."},{"b":"Besluit van 14 december 1996, houdende herindeling van departementale taken Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de zorg voor het beleid en de regelgeving gebaseerd op artikel 28 van de Emigratiewet voorzover deze tot 1 januari 1997 was opgedragen aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997."},{"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende aanduiding van de premies die worden gebruikt voor de bekostiging van uitgaven in verband met de invoering van de Werkloosheidswet en Ziektewet voor overheidspersoneel (Besluit bekostiging invoering Werkloosheidswet en Ziektewet voor overheidspersoneel) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267); - b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; - d. uitvoeringsinstelling: de uitvoeringsinstelling die in opdracht van het Lisv belast is met de voorbereiding van de invoering van de Werkloosheidswet en de Ziektewet voor het overheidspersoneel; - e. WW-premies: de vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 op grond van [artikel 89, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=89) ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel [72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=72), gekomen premies; - f. Uitvoeringsfonds voor de overheid: het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in [artikel 104 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=104). Artikel 2 1. De WW-premies worden door het Lisv, in afwijking van artikel 90, eerste lid, van de wet, gebruikt voor de bekostiging van uitgaven in het kader van de voorbereiding in de periode van 1999 tot en met 2002 van de invoering van de Werkloosheidswet en de Ziektewet en de daarop aanvullende boven- en nawettelijke regelingen in verband met werkloosheid en ziekte voor het overheidspersoneel. 2. De in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten zijn opgenomen op een door de uitvoeringsinstelling vastgestelde en door het Lisv goedgekeurde begroting. 3."},{"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende regels inzake het aangaan, verstrekken en garanderen van geldleningen door openbare lichamen (Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden) Artikel 1 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kan door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de wederzijdse betalingsverplichtingen zijn uitgedrukt in euro of in één van de nationale munteenheden van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Artikel 2 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kunnen door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de hoofdsom niet onderhevig is aan enige vorm van indexatie. Artikel 3 Dit besluit is niet van toepassing op: - a. geldleningen met een gemiddelde looptijd korter dan 10 jaar die zijn aangegaan voor de inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de hoofdsom onderhevig is aan enige vorm van indexatie; - b. de voor de inwerkingtreding van dit besluit gegarandeerde nakoming van verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing voortvloeiend uit geldleningen, met een gemiddelde looptijd korter dan 10 jaar en waarvan de hoofdsom onderhevig is aan enige vorm van indexatie; - c. geldleningen die zijn verstrekt voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de[Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden."},{"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit personenvervoer 2000) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - boordcomputerkaart: geheugenkaart met chip voor gebruik in de boordcomputer waarmee de boordcomputer de identiteit van de kaarthouder kan vaststellen; - centrale database taxivervoer: technische voorziening voor het ontvangen van berichten met taxivervoergegevens; - chauffeurskaart: aan een bestuurder afgegeven boordcomputerkaart waarmee de boordcomputer de identiteit van de desbetreffende bestuurder kan vaststellen en waarop gegevens kunnen worden opgeslagen; - chauffeursnummer: nummer dat door Kiwa N.V. wordt uitgegeven aan een persoon die de bevoegdheid voor taxivervoer heeft ontvangen; - EER: Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, - keuringskaart: aan een erkende werkplaats afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende werkplaats identificeert en waarmee gegevens kunnen worden overgebracht; - lidstaat: lidstaat van de Europese Unie, - ondernemerskaart: aan een vervoerder afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende vervoerder identificeert en waarmee de voor deze in de boordcomputer opgeslagen gegevens zichtbaar kunnen worden gemaakt en overgebracht kunnen worden; - passagiersschip: schip als bedoeld in de in [artikel 1 van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&artikel=1) opgenomen definitie van passagiersschip, - realtime: direct, onmiddellijk of zonder enige vertragingsinterval; - registratiemiddel: middel dat voor een bestuurder beschikbaar is om taxivervoergegevens te registreren en versturen aan de centrale database taxivervoer; - richtlijn nr. 2004/18/EG: richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedu"},{"b":"Besluit van 14 december 2005, houdende overdracht van de zorg voor de planbureaufunctie voor milieu en natuur, het Milieu- en Natuurplanbureau en het beheer daarvan Artikel 1 De zorg voor de planbureaufunctie voor milieu en natuur, het Milieu- en Natuurplanbureau en het beheer daarvan gaat, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006."},{"b":"Besluit van 14 december 2005, houdende tijdelijke herindeling van ministeriële taken in geval van een terroristische dreiging met een urgent karakter Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de taken en de uitoefening van de daaruit voortvloeiende bevoegdheden die ingevolge de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0019262) bij dit besluit genoemde bepalingen toekomen aan een andere minister, voorzover de onverwijlde uitoefening daarvan noodzakelijk is om maatregelen te nemen ter voorkoming van een terroristisch misdrijf als bedoeld in [artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83) of om op voorhand de gevolgen daarvan te beperken en indien overleg of overeenstemming over die maatregelen tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie en die andere minister niet mogelijk is binnen de beschikbare tijd. Artikel 2 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat onverwijld in kennis van zijn voornemen [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019262&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toe te passen. 2. Indien de beschikbare tijd waarbinnen de maatregelen genomen moeten worden toepassing van het eerste lid niet toelaat, stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie, onverwijld nadat hij de maatregelen heeft genomen, Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat daarvan in kennis. 3. Zodra de omstandigheden dit toelaten, beëindigt Onze Minister van Veiligheid en Justitie de toepassing van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019262&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en stelt hij Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat daarvan onverwijld in kennis. Artikel 3 In voorkomende gevallen oefent Onze Minister van Veiligheid en Justitie bevoegdheden op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019262&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) uit in overeenstemmi"},{"b":"Besluit van 14 december 2006, nr. 06.004621, houdende wijziging van de beleidsterreinen met de aangelegenheden waarvan Minister zonder portefeuille drs. M.C.F. Verdonk is belast Onze Minister zonder portefeuille mevrouw drs. M.C.F. Verdonk met ingang van 14 december 2006 niet langer te belasten met de aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en haar mede te belasten met de aangelegenheden betreffende Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering."},{"b":"Besluit van 14 december 2007, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politiegegevens (Besluit politiegegevens) Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Definitie In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder wet: de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463). Paragraaf 2. Autorisaties Artikel 2:1. In combinatie verwerken o.g.v. artikel 8, derde lid (artikel 6, zesde lid) Voor het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=8) kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met taken of werkzaamheden op het gebied van de coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van een goede uitvoering van de politietaak. Artikel 2:2. Geautomatiseerd vergelijken en in combinatie zoeken o.g.v. artikel 11, eerste, tweede en vierde lid (artikel 6, zesde lid) 1. Voor het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met de taken of werkzaamheden, bedoeld in [artikel 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&paragraaf=2&artikel=2:1&z=2026-06-12&g=2026-06-12). In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10). 2. Voor het geautomatiseerd vergelijken alsmede het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in [artikel 11, tweede onderscheidenlijk vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat i"},{"b":"Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *opsporingsambtenaar:* een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) en een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 159, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=159), [artikel 86, eerste en tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=86), [artikel 45, eerste en tweede lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=45) en [artikel 11.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.3); - b. *bloedonderzoek:* een onderzoek als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [artikel 27, tweede lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=27), [artikel 4, tweede lid, onder b, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=4), [artikel 41, tweede lid, onder b, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=41) of [artikel 2.12, derde lid, onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.12) dat betrekking heeft op het gebruik v"},{"b":"Besluit van 14 december 2016, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit rechtspositie korps politie BES en het Bezoldigingsbesluit 1998 BES in verband met de formalisering arbeidsvoorwaardenovereenkomst CN 2016–2017 Artikel I *Wijzigt het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.* Artikel II *Wijzigt het Bezoldigingsbesluit 1998 BES.* Artikel III *Wijzigt het Besluit rechtspositie korps politie BES.* Artikel IV 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - a. *overgangsartikel 2012:* [artikel VIII van het besluit van 18 juni 2012, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit vakantie en vrijdstelling van dienst ambtenaren BES, het Besluit rechtspositie korps politie BES, het Bezoldigingsbesluit 1998 BES en het Dienst en werktijdenbesluit brandweerkorps BES in verband met de formalisering arbeidsvoorwaardenovereenkomst CN 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031709&artikel=VIII) (Stb. 2012, 280); - b. *oorspronkelijk artikel 71a:* [artikel 71a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), zoals dat zonder toepassing van [artikel V, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038925&artikel=V&z=2016-12-28&g=2016-12-28), van het onderhavige besluit op 1 juli 2012 luidde - c. *nieuw artikel 71a:* [artikel 71a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), zoals dat in verband met [artikel V, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038925&artikel=V&z=2016-12-28&g=2016-12-28), van het onderhavige besluit sinds 1 juli 2012 luidt. 2. Een ambtenaar die op 1 juli 2012, gelet op het oorspronkelijke [artikel 71a, derde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), geen aanspraak had op een gratificatie op grond van het overgangsartikel 2012 kan op zijn verzoek alsnog een gratificatie op basis van het overgan"},{"b":"Besluit van 14 december 2018, houdende bepalingen voor een experiment met beroepsopleidingen en kwalificaties met een regionale specialisatie in het middelbaar beroepsonderwijs (Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *bekostigde instelling:* instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), die uit ’s Rijks kas wordt bekostigd; - *bestaand keuzedeel:* keuzedeel als bedoeld in [artikel 7.1.3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.3) dat is vastgesteld op grond van [artikel 7.2.4, tweede lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); - *bestaande kwalificatie:* kwalificatie als bedoeld in [artikel 7.1.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.3) die is vastgesteld op grond van [artikel 7.2.4, tweede lid, onder a tot en met c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); - *bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041819) bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01), van dit Besluit, bestaande uit een overzicht van kwalificaties waarop een geregionaliseerde kwalificatie kan worden gebaseerd; - *cohort:* tijdvak lopend van het eerste jaar van een opleiding tot en met het laatste jaar, uitgaande van de studieduur als bedoeld in [artikel 7.2.4a, derde lid, onder b, c, d of e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4a); - *experiment:* tijdelijke mogelijkheid om een geregionaliseerde kwalificatie tot stand te brengen en op basis daarvan een geregionaliseerde beroepsopleiding te verzorgen; - *geregionaliseerde beroepsopleiding:* opleiding als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten"},{"b":"Besluit van 14 februari 1948, houdende vaststelling van het Besluit Demobilisatievoorzieningen 1948 Artikel 1 In dit besluit en in de regelingen ter uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder: - a. *\"demobilisatie\":* het verlenen van ontslag of groot verlof aan, dan wel het ontheffen van de werkelijke dienst van militairen, ongeacht of zij daarbij een vrijwillig dienstverband aangaan om doorlopend werkelijke dienst bij de krijgsmacht te verrichten; - b. *\"maand\":* de periode tussen een datum en de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand, met dien verstande, dat resterende gedeelten van een maand als volle maand worden berekend, voor zover deze gedeelten vijftien of meer dagen betreffen; resterende gedeelten van minder dan vijftien dagen worden niet berekend; - c. *\"zes maanden\":* een periode van 180 dagen; - d. *\"militair inkomen\":* het inkomen, dat voor de militair zou gelden bij dienstvervulling buiten de keerkringen, voor wat het personeel van de Koninklijke Marine betreft bij plaatsing aan wal in Nederland. Dit inkomen wordt berekend naar de rang of stand, laatstelijk in het Oosten bekleed - of, indien de militair daarna mocht zijn bevorderd tot een rang of stand, welke hoger is dan evenbedoelde, naar die rang of stand - waarbij, naar regelen, vast te stellen door Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog, in overleg met Onze Minister van Financiën, vergoedingen of toelagen in aanmerking kunnen worden genomen; - e. *\"het Oosten\":* het grondgebied van het voormalige Nederlandsch-Indië; voorts het Verre Oosten met aangrenzende zeegebieden zomede de Stille Oceaan met inbegrip van de daarin gelegen eilanden en de daaraan gelegen havens. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op militairen der Koninklijke Marine en der Koninklijke Landmacht, die worden gedemobiliseerd, met uitzondering van: - a. militairen, behorende tot het beroepspersoneel, behoudens het bepaalde in [artikel 13, onder 1*b*](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"b":"Besluit van 14 februari 1964, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Wet: de [Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002419); - b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. Europese Economische Ruimte: de gebieden waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden en voorts de grondgebieden van de Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Dit besluit is van toepassing op vervoer van goederen per spoor, over de weg of over de binnenwateren, dat geheel of ten dele in Nederland plaats vindt, almede op zodanig vervoer, dat door een in Nederland gevestigde ondernemer geheel of ten dele in een of meer van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan wel in een of meer der overige staten, die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt verricht, een en ander voor zover de bepalingen van de Wet daarop van toepassing zijn. 2. In dit besluit worden onder goederen niet begrepen de goederen, genoemd in de Bijlagen I en III van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. § 2. Verstrekking gegevens Artikel 3 1. De in Nederland gevestigde ondernemer, die vervoer als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002436&par"},{"b":"Besluit van 14 februari 1998, houdende nadere regels inzake de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen, aan boord van vaartuigen en voor loodsen (Arbeidstijdenbesluit vervoer) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). Hoofdstuk 2. Wegvervoer § 2.1. Algemene bepalingen Definities Artikel 2.1:1 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - a. *Onze Ministers:* Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. *verordening (EG) nr. 561/2006:* verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PbEU L 102); - c. *verordening (EU) nr. 165/2014:* verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60); - d. *vrachtauto:* vrachtauto als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1), alsmede een trekker als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1); - e. *bus:* motorrijtuig als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1); - f. *taxi:* auto, als bedoeld in"},{"b":"Besluit van 14 februari 2018 nr. 2018000251, houdende departementale herindeling met betrekking tot elektrisch vervoer Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van elektrisch vervoer voortvloeiend uit de Europese en nationale regels voor elektrisch vervoer en de Green Deal Elektrisch Vervoer 2016-2020, voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040650&artikel=1&z=2018-02-24&g=2018-02-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040650&artikel=2&z=2018-02-24&g=2018-02-24) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017."},{"b":"Besluit van 14 februari 2019, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2019 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Nederlandse luchtvaart Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Nederlandse luchtvaart zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, samengesteld door puntjes, met daaromheen de tekst «WILLEM-ALEXANDER» langs de linkerzijde en «KONING DER NEDERLANDEN» langs de rechterzijde; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: een landkaart van de zuidelijke helft van Nederland, met een modern vliegtuig dat een schaduw van een vliegtuig van een eeuw geleden werpt op deze kaart, aan de onderzijde langs de rand de tekst «2019», het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het teken van de Muntmeester en de tekst «5 EURO», respectievelijk «10 EURO», aan de bovenzijde langs de rand de tekst «100 JAAR NEDERLANDSE LUCHTVAART». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041972&artikel=1&z=2019-03-14&g=2019-03-14). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 maart 2019. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 13 maart 2019, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 14 maart 2019."},{"b":"Besluit van 14 februari 2024 tot vaststelling van een beperkingengebied voor de buitenlandse burgerluchthaven Weeze en de in dat gebied geldende regels en wijzigingen Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit (Besluit beperkingengebied Weeze en wijzigingen Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *bedrijfswoning:* woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - *gebouw:* gebouw als bedoeld in de [bijlage bij de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885); - *geluidgevoelig gebouw:* geluidgevoelig gebouw als bedoeld in [bijlage I, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&bijlage=I); - *Lden:* geluidbelasting van luchtvaartuigen, uitgedrukt in Lden dB(A) en berekend op de wijze, bedoeld in [artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van het Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=3); - *obstakel:* object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt; - *omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit:* omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - *omgevingsvergunning voor het bouwen:* omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit; - *woning:* gebouw dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd, een woonboot of woonwagen. Artikel 2. Reikwijdte Dit besluit he"},{"b":"Besluit van 14 februari 2024, houdende regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2101 van het Europees Parlement en van de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (PbEU 2021, L 429) (Implementatiebesluit Richtlijn openbaarmaking winstbelasting) Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - *bijkantoor:* duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon of vennootschap die niet valt onder het recht van een lidstaat van de Europese Unie of onder het recht van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; - *fiscale jurisdictie:* jurisdictie van een staat of van een niet-staat, met fiscale autonomie wat de vennootschapsbelasting betreft; - *op zichzelf staande vennootschap:* naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die geen deel uitmaakt van een groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - *uiteindelijke moedermaatschappij:* vennootschap die de geconsolideerde jaarrekening opstelt van de grootste groep; - *vennootschap:* vennootschap, genoemd in de [onderdelen 1° en 2° van artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=2&z=2024-06-22&g=2024-06-22). 2. Voor de toepassing van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=2&z=2024-06-22&g=2024-06-22), [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=3&z=2024-06-22&g=2024-06-22) en [artikel 4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=4&z=2024-06-22&g=2024-0"},{"b":"Besluit van 14 januari 1992, houdende wijziging van het Schepenbesluit 1965 Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel IV *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel V *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel VI *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel VII *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel VIII 1. Op schepen gebouwd vóór 1 februari 1992 zijn ten aanzien van de bij dit besluit gewijzigde constructie en inrichtingsvoorschriften van de [Bijlagen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=III) en [IV van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=IV) van toepassing de bepalingen van die voorschriften, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn tot 1 februari 1999 van toepassing op schepen gebouwd vóór 1 februari 1995: - - hetzij de bij dit besluit ingetrokken radiocommunicatievoorschriften van het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501); - - hetzij de bij [artikel V, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005390&artikel=V&z=1992-02-01&g=1992-02-01), van dit besluit toegevoegde radio-communicatievoorschriften van [Bijlage V van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=V). Per 1 februari 1999 moeten alle schepen voldoen aan de radiocommunicatie-voorschriften van [Bijlage V van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=V). 3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van één of meer bepalingen ten aanzien van de radiocommunicatie, indien de daarmee verband houdende voorzieningen aan wal of de voorschreven radio-installaties niet of onvoldoende beschikbaar zijn. Aan een dergeli"},{"b":"Besluit van 14 januari 1993, houdende vaststelling van een reglement voor het regime in een grenslogies ingevolge artikel 7a, vierde lid, Vreemdelingenwet Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op de ruimten als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) die door Onze Minister als zodanig zijn aangewezen en zijn bestemd voor de opname van vreemdelingen als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - 1. «Grenslogies»: een ruimte als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6). - 2. «Vreemdeling»: een persoon als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) die ingevolge [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848&titeldeel=III&artikel=6&z=2001-04-01&g=2001-04-01), dan wel enige andere bepaling bij of krachtens deze wet is gehouden te verblijven in een grenslogies. - 3. \"Onze Minister\": Onze Minister van Justitie. Titel II. Beheer Artikel 3 1. Het opperbeheer van een grenslogies berust bij Onze Minister. Deze kan bij huishoudelijk reglement nadere regels vaststellen ter uitvoering van en in aanvulling op dit besluit. 2. Met het beheer van een grenslogies is belast een daartoe door Onze Minister aangewezen directeur, die hiertoe wordt bijgestaan door ambtenaren en overige medewerkers. 3. De directeur heeft tot taak het verblijf van de vreemdelingen in het grenslogies te verzekeren, alsmede de veiligheid en de orde aldaar te handhaven. De directeur is bevoegd bevelen te geven aan de ambtenaren en overige medewerkers die met het oog op deze taakuitoefening noodzakelijk zijn. 4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur wordt deze met het oog op de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften"},{"b":"Besluit van 14 januari 1999, houdende regels voor de uitoefening van het burgerluchtverkeer boven de Waddenzee (Besluit beperkingen burgerluchtverkeer Waddenzee) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. kaart: kaart, opgenomen in de bij dit besluit behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0010215); - b. milieubeschermingsgebied Waddenzee: het gedeelte van de Waddenzee dat als zodanig op de kaart is aangegeven; - c. corridor: gedeelte van het luchtruim dat als zodanig op de kaart is aangegeven. - d. reclamesleepvlucht: een vlucht waarbij een sleepnet wordt gesleept. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 5.10, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10). Artikel 2 1. De uitoefening van burgerluchtverkeer met gemotoriseerde luchtvaartuigen boven het milieubeschermingsgebied Waddenzee is tot een hoogte van 450 meter (1500 voet) boven de grond of het water verboden. 2. Bij een wolkenbasis lager dan 450 meter (1500 voet) boven de grond of het water dan wel een vliegzicht van minder dan 8 kilometer, is binnen de corridors de uitoefening van burgerluchtverkeer met gemotoriseerde luchtvaartuigen toegestaan boven een hoogte van 300 meter (1000 voet) boven de grond of het water. Artikel 3 1. Het is verboden een reclamesleepvlucht uit te voeren boven het milieubeschermingsgebied Waddenzee. 2. Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010215&artikel=2&z=2024-02-20&g=2024-02-20) is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing op vluchten van reclamesleepvliegbedrijven, gevestigd op de luchthaven Texel, die rechtstreeks van de luchthaven Texel naar het vaste land of vice versa gevlogen worden. Artikel 4 1. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010215&artikel=2&z=2024-02-20&g=2024-02-20) is niet van toepassing: - a. op het deel van de vlucht, noodzakelijk om op te stijgen van of te landen op een luchthaven, alsmede voor het uitvoeren van nadering- en vert"},{"b":"Besluit van 14 januari 2002, houdende vaststelling van de bestanddelen van de tien-euromunt die in 2002 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje en Máxima Zorreguieta Artikel 1 1. De beeldenaar van de tien-euromunt die in 2002 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje en Máxima Zorreguieta, is op de voorzijde, bij de uitvoering in zilver, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis en ter linkerzijde van de beeltenis het omschrift« BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN». Bij de uitvoering in goud zijn beeltenis en omschrift gespiegeld ten opzichte van de uitvoering in zilver. 2. De beeldenaar is op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: aan de linkerkant het silhouetportret van de Prins van Oranje en aan de rechterkant het silhouetportret van Máxima Zorreguieta met boven de silhouetten aan de linkerkant het Argentijnse zonneteken en aan de rechterkant de 12 Europese sterren en in een omschrift van links naar rechts «TWEE TWEE TWEEDUIZENDTWEE», het teken van de muntmeester, «MÁXIMA WILLEM-ALEXANDER», het teken van de Munt, en«TIEN EURO». 3. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift GOD*ZIJ*MET*ONS*. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 14 januari 2021, houdende regels in verband met de onafhankelijke uitoefening van het toezicht door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (Besluit onafhankelijke uitoefening toezicht Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *ondersteunende taak:* taak, bedoeld in [artikel 17a, eerste lid, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=17a); - *toezichttaak:* taak, bedoeld in [artikel 24, eerste lid, eerste volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=24); - *wet:* [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408). Artikel 2 De centrale commissie draagt ervoor zorg dat de ondersteunende taak en de toezichthoudende taak gescheiden van elkaar worden uitgevoerd. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit onafhankelijke uitoefening toezicht Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Geneesmiddelenwet in verband met de uitvoering van verordening 536/2014 op het gebied van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Stb. 2017, 147) in werking treedt."},{"b":"Besluit van 14 juli 1959, tot uitvoering van artikel 42 van de Gezondheidswet Artikel 1 De kennisgevingen van vestiging, vertrek, overlijden of neerlegging van de praktijk geschieden - a. voorzoveel betreft artsen, tandartsen, vroedvrouwen en tandheelkundigen - door tussenkomst van de geneeskundige hoofdinspecteur van de Volksgezondheid - aan de regionale geneeskundige inspecteur van de Volksgezondheid, - b. voorzoveel betreft apothekers - door tussenkomst van de farmaceutische hoofdinspecteur van de Volksgezondheid - aan de regionale farmaceutische inspecteur van de Volksgezondheid, binnen wiens ambtsgebied de gemeente is gelegen, waarin de vestiging, onderscheidenlijk van waaruit het vertrek, waarin het overlijden of het neerleggen van de praktijk plaatsheeft. Artikel 2 Onder vestiging wordt zowel verstaan de vestiging van een praktijk, waaronder mede wordt begrepen de aanvaarding van een assistentschap of waarneming, dan wel van een functie waarin de praktijk wordt uitgeoefend, al dan niet in de gemeente van inwoning, als het zich metterwoon vestigen in een in Nederland gelegen gemeente, komende uit een buiten Nederland gelegen plaats. Artikel 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid stelt de modellen van de formulieren van kennisgeving vast, voorzover dit niet plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in de bijlage C van de Handleiding Bevolkingsboekhouding, behorende bij de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 juni 1936, nr. 16300, afdeling Binnenlands Bestuur, zoals deze sedert is gewijzigd. Artikel 4 1. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit kennisgeving mutaties Gezondheidswet. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van inwerkingtreding van [artikel 42 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=42)."},{"b":"Besluit van 14 juli 2014, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij [koninklijk besluit van 31 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031894), wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2014."},{"b":"Besluit van 14 juli 2025 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2167 inzake kredietservicers en kredietkopers (Implementatiebesluit richtlijn kredietservicers en kredietkopers) Artikel I *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019.* Artikel V Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers in werking treedt. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit richtlijn kredietservicers en kredietkopers."},{"b":"Besluit van 14 juni 2001, houdende wijziging van het Huursubsidiebesluit en het Besluit vangnetregeling huursubsidie (verklaring huurgegevens, verlaging kostenvergoeding, tolerantiemarge en enkele andere wijzigingen) Artikel l *Wijzigt het Huursubsidiebesluit.* Artikel ll Artikel 2 van het Huursubsidiebesluit blijft van toepassing op de aanvraag om toekenning van huursubsidie, voorzover die aanvraag betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002. Artikel lll *Wijzigt het Besluit vangnetregeling huursubsidie.* Artikel lV Voorzover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002, wordt voor de toepassing van [artikel 3, derde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009632&artikel=3) onder het in dat lid bedoelde tijdstip verstaan het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel V 1. Artikel III, onderdelen A, B, onder 1, C en G, onder 1, van dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2000. 2. De artikelen I, onderdeel A, II, III, onderdeel B, onder 2, en IV van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 2001. 3. De artikelen I, onderdeel B, en III, onderdelen D, E, F en G, onder 2, van dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2001. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2001, treden de artikelen I, onderdeel B, en III, onderdelen D, E, F en G, onder 2, van dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werken zij terug tot en met 1 juli 2001."},{"b":"Besluit van 14 juni 2005, houdende regels over de inhoud, de grenzen en de wijze van toepassing in de jaarrekening van waardering tegen actuele waarde (Besluit actuele waarde) Artikel 1 1. Onder de actuele waarde van activa of passiva wordt verstaan de waarde die is gebaseerd op actuele marktprijzen of op gegevens die op de datum van waardering geacht kunnen worden relevant te zijn voor de waarde. 2. Als actuele waarde waartegen activa en passiva in de jaarrekening kunnen worden gewaardeerd, komt, afhankelijk van de soort activa of passiva dan wel van de omstandigheden, in aanmerking de actuele kostprijs, bedrijfswaarde, marktwaarde of opbrengstwaarde. Artikel 2 Onder de actuele kostprijs wordt verstaan: - a. de actuele inkoopprijs en de bijkomende kosten van een actief, verminderd met afschrijvingen; of - b. de actuele aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten welke rechtstreeks aan de vervaardiging van een actief kunnen worden toegerekend, verminderd met afschrijvingen. In deze kosten kunnen worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente op schulden over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend. Artikel 3 Onder de bedrijfswaarde wordt verstaan de contante waarde van de aan een actief of samenstel van activa toe te rekenen geschatte toekomstige kasstromen die kunnen worden verkregen met de uitoefening van het bedrijf. Artikel 4 Onder de marktwaarde wordt verstaan het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn. Artikel 5 Onder de opbrengstwaarde wordt verstaan het bedrag waartegen een actief maximaal kan worden verkocht, onder aftrek van de nog te maken kosten. Artikel 5a Waardering tegen marktwaarde is niet toegestaan voor een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 395a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten."},{"b":"Besluit van 14 juni 2006, houdende uitvoering van de artikelen 2 en 3 van de Rijkswet instelling aansluitende zone (Besluit grenzen aansluitende zone) Artikel 1 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019966&artikel=2&z=2006-09-01&g=2006-09-01) wordt de buitengrens van de aansluitende zone van het Koninkrijk gevormd door de lijn, waarvan elk punt gelegen is op een afstand van vierentwintig internationale zeemijlen, zijnde vierenveertig kilometer en vierhonderd achtenveertig meter, gemeten zeewaarts vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 1. Waar een grenslijn met andere Staten is overeengekomen welke geheel of ten dele landwaarts ligt van de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019966&artikel=1&z=2006-09-01&g=2006-09-01), is deze grenslijn de buitengrens van de aansluitende zone. 2. Waar nog geen grenslijn met andere Staten is overeengekomen, is de buitengrens van de aansluitende zone de middellijn, waarvan elk punt even ver verwijderd is van de dichtstbijgelegen punten van de basislijn waarvan de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten. Artikel 3 1. De [Rijkswet instelling aansluitende zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018265) treedt in werking op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grenzen aansluitende zone."},{"b":"Besluit van 14 juni 2011 tot herstel van technische gebreken en het aanbrengen van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiebesluit BZK 2011) Artikel I *Wijzigt het Besluit beschikbaarstelling ambtenaren aan Aruba, Curaçao en Sint Maarten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.* Artikel III *Wijzigt het Besluit inburgering.* Artikel IV *Wijzigt het Kiesbesluit.* Artikel V *Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.* Artikel VI Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030154&artikel=I&z=2011-06-28&g=2011-06-28) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030154&artikel=II&z=2011-06-28&g=2011-06-28) terugwerken tot 10 oktober 2010 om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel VII Dit besluit wordt aangehaald als: Reparatiebesluit BZK 2011."},{"b":"Besluit van 14 juni 2011 tot instelling van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba (Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Aruba) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Kabinet van de Gouverneur van Aruba. Artikel 3 Het Kabinet van de Gouverneur van Aruba heeft tot taak: - a. het ondersteunen van de Gouverneur van Aruba in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de regering van Aruba respectievelijk in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk; - b. het behandelen van consulaire aangelegenheden, voor zover niet opgedragen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Aruba, alsmede het verzorgen van het berichtenverkeer met het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. het onderhouden van contacten met andere organen van de overheid, zowel binnen als buiten het Koninkrijk, alsmede de ondersteuning van de Gouverneur met betrekking tot ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Gouverneur; - d. het behandelen van aan de Gouverneur gerichte brieven en verzoekschriften. Artikel 4 1. Het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur van het Kabinet geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met de Gouverneur. 2. Onze Minister verleent volmacht aan de directeur van het Kabinet van de Gouverneur om namens de Staat een arbeidsovereenkomst aan te gaan, te wijzigen en te beëindigen met de medewerkers van het Kabinet. 3. De uitoefening van de volmacht, bedoeld in het derde lid, geschiedt met inachtneming van de door Onze Minister vastgelegde kaders en richtlijnen. 4. De directeur en de medewerkers van het Kabinet van de Gouverneur zijn voor de uitoefening van hun functie uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Gouverneur. Artikel 5 Het [Besluit van 11 september 2006, houdende bepalingen tot instelling van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba](http"},{"b":"Besluit van 14 juni 2013, houdende uitvoering van de Wet wegvervoer goederen en houdende wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Besluit wegvervoer goederen) Artikel 1 1. Het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder is een onevenredig strenge sanctie indien naar het oordeel van de NIWO een door haar vast te stellen minimumaantal veroordelingen en sancties jegens een vervoerder niet is overschreden. Bij het bepalen van dit aantal houdt de NIWO rekening met de aard van de overtreding die ten grondslag ligt aan een veroordeling of sanctie en het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van de vervoerder. 2. Indien het in het eerste lid bedoelde aantal is overschreden, kan de NIWO het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder als een onevenredig strenge sanctie aanmerken indien: - a. de totstandkoming van een aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtreding de vervoerder of de voor hem werkzame personen niet of slechts ten dele kan worden verweten; - b. de wijze waarop de vervoerder de bedrijfsvoering van de vervoeronderneming heeft ingericht dan wel de handelwijze van een of meer leidinggevenden in die onderneming, het begaan van de aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtreding heeft beperkt; of - c. het aantal aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtredingen naar het oordeel van de NIWO niet in redelijke verhouding staat tot de omvang van de vervoeronderneming, gemeten naar het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van die onderneming. 3. Onze Minister beslist over de in [artikel 2.8a, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8a) bedoelde toestemming op grond van de in het tweede lid genoemde gronden. 4. Voor een besluit als bedoeld in [artikel 2.8a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8a) is in het geval, bedoeld in het eers"},{"b":"Besluit van 14 juni 2013, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de verrekeningsbevoegdheid van de raad voor rechtsbijstand bij een proceskostenveroordeling Artikel I *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel II Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 14 juni 2019 tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en het Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PbEU 2017, L 168) (Besluit implementatie prospectusverordening) Artikel I *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel V *Wijzigt het Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft.* Artikel VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel VII Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie prospectusverordening."},{"b":"Besluit van 14 juni 2024, houdende aanwijzing van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Besluit aanwijzing Halt-feiten 2024) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Halt-afdoening: een voorstel tot deelneming aan een project als bedoeld in [artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e). Artikel 2 1. Een Halt-afdoening kan worden aangeboden indien: - a. een strafbaar feit van geringe ernst is begaan; - b. het strafbare feit eenvoudig is vast te stellen; - c. de verdachte het strafbare feit bekent; en - d. het strafbare feit en de verdachte zich lenen voor een pedagogische benadering. 2. Een Halt-afdoening kan ten hoogste twee keer worden aangeboden. Artikel 3 De strafbare feiten waarvoor een Halt-afdoening kan worden aangeboden door de opsporingsambtenaar zijn: - a. de [artikelen 139d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139d), en [139e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139e); - b. [artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), voor zover het betreft openlijk geweld tegen goederen waarbij per dader de schade niet meer dan € 1.150 mag bedragen en de totale schade de € 5.750 niet te boven mag gaan; - c. [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=142); - d. [artikel 231, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=231), voor zover het betreft het in de horeca gebruiken van een identiteitsbewijs op naam van een ander of een eenvoudig vervalst identiteitsbewijs; - e. de [artikelen 310](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=310), [311, eerste lid, onderdeel 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=311), en [321 van het Wetboek van Strafrecht](https://"},{"b":"Besluit van 14 juni 2024, houdende regels met betrekking tot de grondslag van het verplicht elektronisch procederen in civiele zaken (Besluit grondslag verplicht elektronisch procederen in civiele zaken); Artikel 1 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een partij verplicht is langs elektronische weg te procederen, met uitzondering van: - 1. natuurlijke personen; - 2. verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte; tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grondslag verplicht elektronisch procederen in civiele zaken."},{"b":"Besluit van 14 juni 2024, nr. 2024000297, houdende vaststelling en inwerkingtreding van de Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Artikel 1 De Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 wordt vastgesteld zoals deze is opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0049940) bij dit besluit. Artikel 2 De met dit besluit vastgestelde selectielijst vervangt de volgende selectielijst met betrekking tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal, welke derhalve komt te vervallen: - • Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 (Staatscourant 2020, 10766); Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot 5 mei 1945."},{"b":"Besluit van 14 maart 1994, betreffende ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden met ingang van 17 mei 1994. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer zal plaatshebben op dinsdag 22 maart 1994. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer zal plaatshebben op dinsdag 17 mei 1994."},{"b":"Besluit van 14 maart 2002, houdende regels met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht) Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - afzender: natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die gevaarlijke stoffen, in eigendom aan hem toebehorend of afkomstig uit eigen onderneming, aan kan bieden voor vervoer door de lucht; - Annex 18: ingevolge een mededeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gepubliceerd in de Staatscourant van kracht zijnde versie van de op grond van de artikelen 37, 54 en 90 van het op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde Annex 18 (The Safe Transport of Dangerous Goods by Air), zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - expediteur-luchtvrachtagent: natuurlijke persoon of een rechtspersoon die gevaarlijke stoffen door de lucht kan doen vervoeren; - grondafhandelaar: natuurlijke persoon of een rechtspersoon die namens de houder van een luchtvaartuig de acceptatie of het laden en lossen van gevaarlijke stoffen kan verrichten; - logistieke dienstverlener: natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevaarlijke stoffen die hij contractueel voor derden in opslag heeft namens de eigenaar verzendklaar kan maken en als afzender kan aanbieden voor vervoer door de lucht; - Technische Voorschriften: ingevolge een mededeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gepubliceerd in de Staatscourant van kracht zijnde versie van de bij Annex 18 behorende «Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air», Doc 9284, inclusief het Supplement, zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - wet: [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Artikel 2 Als gevaarlijke stoffen, bedoeld in [artikel"},{"b":"Besluit van 14 maart 2014, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die worden uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar De Nederlandsche Bank N.V. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die worden uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar De Nederlandsche Bank N.V. zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis met op de achtergrond een guilloche patroon, langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN» en midden onderin het jaartal «2014»: ; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: tegen de achtergrond van de zich herhalende tekst «Hij die muntspeciën of munt- of bankbiljetten namaakt of vervalst, met het oogmerk om die muntspeciën of munt- of bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.» een guilloche patroon met daaroverheen in het midden de waardeaanduiding 5 EURO respectievelijk 10 EURO, langs de rand bovenin de tekst «DE NEDERLANDSCHE BANK», onderaan de tekst «200 JAAR» met daarboven van links naar rechts het teken van de Muntmeester « », de initialen van de ontwerper «MJG» en het teken van de Munt « »: . 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2014."},{"b":"Besluit van 14 maart 2016, houdende uitvoering van artikel 2 van de Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen Artikel 1 Als Restmechanisme waarop de [Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037361) van toepassing is, worden aangewezen: - a. het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen, ingesteld bij resolutie 1966 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 22 december 2010; - b. het Restmechanisme voor het Speciaal Hof voor Sierra Leone, ingesteld bij een op 11 augustus 2010 tot stand gekomen verdrag tussen de Verenigde Naties en Sierra Leone. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2016."},{"b":"Besluit van 14 maart 2017 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de uitsluiting van subsidie in het geval van negatieve elektriciteitsprijzen en enkele andere wijzigingen Artikel I *Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie.* Artikel II Voor ministeriële regelingen die op grond van het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) zijn vastgesteld en die in werking zijn getreden voor de inwerkingtreding van dit besluit, geldt het Besluit stimulering duurzame energie zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 14 maart 2017, houdende regels ter uitvoering van richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330) (Besluit bekendmaking niet-financiële informatie) Artikel 1 1. Dit besluit is van toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 398 lid 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=398) indien: - a. het gemiddeld aantal werknemers van de rechtspersoon over het boekjaar meer dan 500 bedraagt; en - b. de rechtspersoon op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste een van de vereisten, bedoeld in [artikel 397 lid 1, onderdelen a en b, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=397). 2. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is vrijgesteld van de vereisten van dit besluit indien zijn financiële gegevens en de financiële gegevens die hij zou moeten consolideren zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van een andere rechtspersoon die in zijn bestuursverslag de mededelingen, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039355&artikel=3&z=2017-03-24&g=2017-03-24), heeft gedaan. Artikel 2 1. De rechtspersoon maakt als onderdeel van het bestuursverslag een niet-financiële verklaring openbaar. 2. De verklaring bevat, in de mate waarin dit noodzakelijk is voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten, de positie van de rechtspersoon en de effecten van zijn activiteiten, ten minste de mededelingen, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039355&artikel=3&z=2017-03-24&g=2017-03-24). 3. Indien de rechtspersoon ingevolge [artikel 406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten"},{"b":"Besluit van 14 mei 2001 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken met betrekking tot de verrekening van de waarderingskosten Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.* Artikel II 1. De rekening, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=6), die de afnemers ontvangen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002, is, in afwijking van [artikel 2, tweede lid, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2), gebaseerd op een aandeel in het bedrag van de kosten van de waardering voor het Rijk van 44 percent, voor de waterschappen van 10 percent van dat bedrag voorzover betrekking hebbend op de gebieden die volgens de provinciale verordeningen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=2), in waterschapsverband gelegen zijn en voor de gemeenten het restant. 2. [Artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2), zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2003, is van toepassing op de rekening, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=6), die de afnemers ontvangen op of na 1 januari 2003. 3. De [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=4a) en [6, derde en vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=6) en de"},{"b":"Besluit van 14 mei 2007 tot aanwijzing van instanties met een rechtmatig belang in het kader van Verordening 2006/2004 (Besluit aanwijzing instanties met een rechtmatig belang) Artikel 1 Als aangewezen instantie als bedoeld in [artikel 6.2 van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=6.2) wordt aangewezen de Stichting Reclame Code. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing instanties met een rechtmatig belang."},{"b":"Besluit van 14 mei 2008, houdende regels over de inschrijving en luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de erkenning van bedrijven voor werkzaamheden die de luchtwaardigheid betreffen (Besluit luchtvaartuigen 2008) Hoofdstuk I. Definities en toepassingsgebied Artikel 1 In dit besluit en in de op dit besluit gebaseerde regelingen wordt verstaan onder: *aanvullende geluidsverklaring:* verklaring als bedoeld in [artikel 3.19c, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19c); *aanvullend type-certificaat:* type-certificaat van een aanpassing van het orginele ontwerp zoals vastgelegd in het orginele type-certificaat van het ongewijzigd product; *akkoordverklaring:* door Onze Minister afgegeven verklaring waarmee hij akkoord gaat met het aantonen van de conformiteit van individuele producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig verordening (EU) nr. 748/2012, Part 21, section A, subpart F; *ARC:* certificaat van beoordeling van de luchtwaardigheid dat periodiek wordt afgegeven door Onze minister of een daartoe erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, dat deel uitmaakt van een geldig BvL (EASA Form 15, Airworthiness Review Certificate); *blijvende luchtwaardigheid:* alle processen waarmee gewaarborgd wordt dat het luchtvaartuig gedurende de gehele operationele levensduur voldoet aan de geldende normen voor luchtwaardigheid en zich in een toestand van veilige exploitatie bevindt; *BvL:* Bewijs van Luchtwaardigheid; *certificaat*, als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&hoofdstuk=6&artikel=19&z=2024-02-20&g=2024-02-20): certificaat ten aanzien van werkzaamheden die zijn opgenomen in de erkenning en die verband houden met de luchtwaardigheid en geluidsproductie van producten of onderdelen; *EASA-beperkt-BvL:* bewijs van luchtwaardigheid voor een EASA-luchtvaartuig dat wel aan de eisen betreffende luchtwaardigheid volgens het ICAO-verdrag voldoet,"},{"b":"Besluit van 14 mei 2013, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Besluit modern migratiebeleid in verband met de aanpassing van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen Artikel I *Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.* Artikel II *Wijzigt het Besluit modern migratiebeleid.* Artikel III 1. Dit besluit blijft buiten toepassing op ambtshalve verlening van de vergunning, bedoeld in [artikel 3.56 (oud)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in geval de aanvraag tot een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) voor inwerkingtreding van dit besluit is ingediend tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. 2. Dit besluit blijft buiten toepassing ten aanzien van vreemdelingen die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een vergunning op grond van [artikel 3.56 (oud)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) bezitten, dan wel na inwerkingtreding van dit besluit deze vergunning verleend krijgen, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2013."},{"b":"Besluit van 14 mei 2019 tot vaststelling van de tijdstippen, bedoeld in de artikelen 12.24, 12.25 en 12.26 van de Wet studiefinanciering 2000 en 9.4 van de Wet studiefinanciering BES artikel Enig 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 12.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.24) en [12.25 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.25) en [9.4 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=9.4) wordt vastgesteld op 1 juni 2019. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 12.26 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.26) wordt vastgesteld op 1 september 2019."},{"b":"Besluit van 14 mei 2020, houdende nadere regels voor de uitvoering van pleegzorg op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit pleegzorg BES) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *onze Minister:* Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - – *pleegkind:* persoon die vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar pleegzorg ontvangt en die - 1°. de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft bereikt; - 2°. de leeftijd van eenentwintig jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie is bepaald: - – dat de voortzetting van pleegzorg noodzakelijk is; - – dat na beëindiging van pleegzorg binnen een termijn van een half jaar hervatting van de pleegzorg noodzakelijk is. - – *pleegouder:* persoon die een pleegkind niet zijnde zijn kind of stiefkind, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en daartoe een pleegzorgovereenkomst als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043716&artikel=3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder; - – *pleegzorg:* vorm van jeugdzorg waarbij een pleegouder een pleegkind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; - – *pleegzorgaanbieder:* aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in [artikel 18.4.7a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.7a), die pleegzorg biedt; - – *wet:* [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063). Artikel 2 1. De pleegzorgaanbieder sluit een pleegzorgovereenkomst met een pleegouder indien deze voldoet aan de volgende voorwaarden: - a. de pleegouder heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Van deze voorwaarde kan worden afgeweken als dat naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder wenselijk is in het belang van het pleegkind; - b. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de pleegzorgaanbieder aangeboden voorbereidings- en selectietraject afg"},{"b":"Besluit van 14 november 1945, houdende machtiging tot het vestigen van schuldverplichtingen ten laste van het Rijk Artikel 1. Machtiging. Bedrag 1. Onze Minister van Financiën is gemachtigd tot het vestigen van schuldverplichtingen ten laste van het Rijk, tot een gezamenlijk beloop van ten hoogste twee milliard gulden. 2. De vestiging der in het eerste lid bedoelde schuld kan geschieden, hetzij in eens tot het geheele beloop van het in het vorig lid genoemde bedrag, dan wel achtereenvolgens bij gedeelten van dat bedrag op de tijdstippen, welke Onze Minister van Financiën dienstig zal achten. Artikel 2. Uitvoeringsvoorschriften. Rekening. Schulddelging 1. De voorwaarden, waarop de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002016&artikel=1&z=1945-11-17&g=1945-11-17) bedoelde schuldverplichtingen zullen worden aangegaan, worden, met inachtneming van de voorschriften van dit besluit, door Onzen Minister van Financiën vastgesteld. 2. Van het aangaan der schuldverplichtingen wordt eene rekening afgelegd aan de Algemeene Rekenkamer, die dezelve na accoordbevinding goedkeurt. 3. Onverminderd het bepaalde in het volgend lid, zal de schuld, welke krachtens dit besluit wordt gevestigd, worden gedelgd in ten hoogste 50 jaren. 4. De bevoegdheid tot versterkte delging van de krachtens dit besluit gevestigde schuld en tot inkoop dier schuld beneden pari wordt voorbehouden. Artikel 3. Inschrijving in een Grootboek 1. De krachtens dit besluit gevestigde schuld wordt in een afzonderlijk Grootboek ingeschreven. 2. De inschrijvingen in het Grootboek, in lid 1 bedoeld, worden op een door Onzen Minister van Financiën te bepalen tijdstip, verwisseld in schuldbekentenissen aan toonder. 3. De Grootboekwet 1913 is op het in het eerste lid bedoelde Grootboek niet van toepassing. De voorschriften, op dit Grootboek betrekking hebbende, worden bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld. Artikel 4. Provisie 1. Bij rechtstreeksche tegeldemaking van de in [artikel 1](https://wet"},{"b":"Besluit van 14 november 2006, nr. 6096988, houdende de vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en de leden van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen alle leden een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingstijd van 1,5 uur per aanvraag."},{"b":"Besluit van 14 november 2011, nr. 11.002711 houdende vaststelling van een selectielijst van de Raad van State op het deelbeleidsterrein van bestuursrechtspraak en algemene taken en bedrijfsvoering Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘ [Selectielijst voor de Raad van State inzake bestuursrechtspraak vanaf 1994 en algemene taken en bedrijfsvoering vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/BWBR0030699)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 14 november 2017, houdende regels inzake nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen (Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *verordening (EU) 2015/2283:* verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PbEU 2015, L 327); - b. *verordening (EG) 1829/2003:* verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEU 2003, L 268); - c. *verordening (EG) 1830/2003:* verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PbEU 2003, L 268). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6, tweede lid, en artikel 25 van verordening (EU) 2015/2283. 2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 4, tweede lid, artikel 9, eerste en derde lid, artikel 13, en artikel 31, van verordening (EG) 1829/2003. 3. Het is verboden eet- of drinkwaren te verhandelen anders dan met inachtneming van de bij dit besluit gestelde voorschriften met betrekking tot het bezigen van vermeldingen of voorstellingen betreffende de samenstelling van de waar en de wijze waarop de waar is bereid of behandeld. 4. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van verordening (EG) 1830/2003. Artikel 3 1. De raadpl"},{"b":"Besluit van 14 november 2024 tot vaststelling van een eenmalige uitkering in juli 2022 en een bijzondere beloning in maart 2023 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van hoofdstuk 1 van het arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Defensie over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 en een aantal andere wijzigingen (Wijzigingsbesluit arbeidsvoorwaardenakkoord 21–23) Hoofdstuk 1. Formalisering van een eenmalige uitkering in 2022 aan het defensiepersoneel Artikel 1. Eenmalige uitkering 2022 1. De volgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige uitkering van maximaal € 1.750,– in juli 2022: - a. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel met een lagere rang dan viceadmiraal of luitenant-generaal die op 1 juli 2022 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst was, alsmede de ambtenaar die op 1 juli 2022 met aanspraak op bezoldiging was aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn; - b. de militair die op 1 juli 2022 was aangesteld bij het reservepersoneel die op enig tijdstip in de periode van 1 januari 2021 tot 1 juli 2022 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst is geweest; - c. de ambtenaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst die op 1 juli 2022 met aanspraak op salaris in dienst was van het ministerie van Defensie; - d. de gewezen militair met een lagere rang dan viceadmiraal of luitenant-generaal en de gewezen ambtenaar, die op 1 juli 2022 een uitkering genoot ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510&artikel=18); - e. de gewezen ambtenaar die op 1 juli 2022 een uitkering genoot op grond van het [Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006041); - f. de gewezen militair met een lagere rang dan viceadmiraal of luitenant-generaal"},{"b":"Besluit van 14 oktober 1952, houdende wijziging van de taak van de Departementen van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken artikel Enig De werkzaamheden van het Regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma worden met ingang van 1 November 1952 overgedragen aan de zorg van het Hoofd van het Departement van Buitenlandse Zaken."},{"b":"Besluit van 14 oktober 1966, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende de Indonesische pensioenen e.a. van het departement van Buitenlandse Zaken naar het departement van Binnenlandse Zaken Artikel Enig artikel De zorg voor de aangelegenheden betreffende de Indonesische pensioenen en enige op aanverwant terrein liggende werkzaamheden, tot op heden behorende tot de taak van de Directie Overgangszaken Indonesië van het ministerie van Buitenlandse Zaken, gaan met ingang van 1 januari 1967 over naar het departement van Binnenlandse Zaken."},{"b":"Besluit van 14 oktober 1993, houdende vaststelling van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, \"inspectie\": de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), \"examen\": het staatsexamen Nederlands als tweede taal, \"examenjaar\": het tijdvak dat aanvangt op 1 januari van een jaar en eindigt op 31 december van dat jaar, \"examenonderdeel\": een onderdeel van het examen als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=I&artikel=4&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"examenprogramma\": het examenprogramma, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"examenreglement\": het examenreglement, bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=III&artikel=10&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"College voor toetsen en examens\": College voor toetsen en examens, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), \"examenleider\": degene die door het College voor toetsen en examens is belast met de leiding bij het afnemen van het examen, \"diploma\": het diploma Nederlands als tweede taal, \"certificaat\": een certificaat als bedoeld in [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=V&artikel=16&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"kandidaat\": degene die aan een of meer examenonderdelen deelneemt. Artikel 2. Doelstellingen; programma's 1. Dit besluit regelt het staatsexamen Nederlands als tweede taal. Het examen kent twee programma's: programma I en programma II. 2. Programma I omvat een onderzoek naar de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen of de uitoe"},{"b":"Besluit van 14 oktober 2000, houdende regels omtrent de hoogte van op te leggen administratieve boeten op grond van enkele socialezekerheidswetten alsmede het tijdstip van inwerkingtreding van enkele wettelijke bepalingen (Boetebesluit socialezekerheidswetten) Artikel 1. Begrippen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *ANW:* [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - b. *AOW:* [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221); - c. *AKW:* [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - d. *IOAW:* [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - e. *IOAZ:* [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - f. *IOW:* [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394); - g. *RW:* [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424); - h. *TW:* [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - i. *WAO:* [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - j. *WAZ:* [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - k. *WW:* [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - l. *ZW:* [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - m. *Wajong:* [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - n. *Wet WIA:* [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - o. *Wet SUWI:* [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - p. *benadelingsbedrag:* hetgeen hieronder wordt verstaan in de artikelen, genoemd in o"},{"b":"Besluit van 14 oktober 2015, houdende samenvoeging van de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Tabakswet tot één besluit (Besluit uitvoering Tabakswet) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0037160) bij het Tabaks- en rookwarenbesluit; - *cigarillo:* een type kleine sigaar die per stuk niet meer dan drie gram weegt; - *gecombineerde gezondheidswaarschuwing:* een gezondheidswaarschuwing die bestaat uit een combinatie van een waarschuwende tekst en een corresponderende foto of illustratie, als bepaald bij of krachtens dit besluit; - *gezondheidswaarschuwing:* een waarschuwing betreffende de negatieve effecten op de menselijke gezondheid van een product of betreffende andere ongewenste gevolgen van de consumptie ervan, met inbegrip van waarschuwende teksten, gecombineerde gezondheidswaarschuwingen, algemene waarschuwingen en informatieve boodschappen, als bepaald bij of krachtens dit besluit; - *nieuwsoortig tabaksproduct:* een tabaksproduct dat: - a. niet onder een van de volgende categorieën valt: sigaret, shagtabak, pijptabak, waterpijptabak, sigaar, cigarillo, pruimtabak, snuiftabak, of tabak voor oraal gebruik, en - b. na 19 mei 2014 in de handel wordt gebracht; - *rookloos tabaksproduct:* een tabaksproduct dat niet via een proces van verbranding wordt geconsumeerd, waaronder pruimtabak, snuiftabak en tabak voor oraal gebruik; - *shagtabak:* tabak die door consumenten of detaillisten kan worden gebruikt voor het maken van sigaretten; - *sigaret:* een tabaksrolletje dat geconsumeerd kan worden via een proces van verbranding en: - a. dat geschikt is om als zodanig te worden gerookt en die geen sigaar of cigarillo is, alsmede - b. dat door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling in een huls van sigarettenpapier wordt geschoven of met sigarettenpapier wordt omhuld; - *snuiftabak:* een rookloos tabaksproduct dat via de neus"},{"b":"Besluit van 14 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, en in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (PbEU 2020, L 347) (Uitvoeringsbesluit verordening Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019.* Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 november 2021, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045740&artikel=II&z=2022-11-11&g=2022-11-11), dat in werking treedt met ingang van 11 november 2022. 2. In afwijking van het eerste lid kan bij koninklijk besluit worden bepaald dat [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045740&artikel=II&z=2022-11-11&g=2022-11-11) in werking treedt met ingang van 11 november 2023. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verordening Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven."},{"b":"Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *aanvullende bekostiging:* aanvullende bekostiging als bedoeld in de [artikelen 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.5), [5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) en [5.10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.10); - *accountant:* accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393) of een deskundige als bedoeld in [artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744&artikel=121); - *algemeen vak:* vak, niet zijnde een profielvak of een beroepsgericht keuzevak; - *beroepsgericht keuzevak:* keuzevak als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&hoofdstuk=2&paragraaf=4&sub-paragraaf=4.4&artikel=2.29&z=2026-08-01&g=2026-08-01); - *beroepsgericht programma:* programma als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2026-08-01&g=2026-08-01); - *college:* College voor toetsen en examens; - *cspe:* centraal schriftelijk en praktisch examen in een profielvak; - *eerste schooldag:* 1 augustus of de dag waarop het onderwijs aan de school in enig schooljaar is aangevangen; - *examinator:* examinator als bedoeld in [artikel 2.51, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.51); - *extraneus:* extraneus als bedoeld in [artikel 2.51, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.51); - *gemeenschappelijk deel:* deel van een profiel als bedoeld in [art"},{"b":"Besluit van 14 oktober 2021, houdende wijziging van verschillende besluiten om deze in overeenstemming te brengen met de Wet voortgezet onderwijs 2020 (Aanpassingsbesluit WVO 2020) Hoofdstuk I. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel I. Wijziging Besluit bekostiging WEC 2022 *Wijzigt het Besluit bekostiging WEC 2022.* Artikel II. Wijziging Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel *Wijzigt het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.* Artikel III. Wijziging Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel BES *Wijzigt het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel BES.* Artikel IV. Wijziging Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES *Wijzigt het Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES.* Artikel V. Wijziging Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs *Wijzigt het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs.* Artikel VI. Wijziging Besluit informatievoorziening WPO/WEC *Wijzigt het Besluit informatievoorziening WPO/WEC.* Artikel VII. Wijziging Besluit kerndoelen WEC *Wijzigt het Besluit kerndoelen WEC.* Artikel VIII. Wijziging Besluit medezeggenschap onderwijs *Wijzigt het Besluit medezeggenschap onderwijs.* Artikel IX. Wijziging Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen *Wijzigt het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.* Artikel X. Wijziging Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten *Wijzigt het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.* Artikel XI. Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers *Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.* Artikel XII. Wijziging Besluit studiefinanciering 2000 *Wijzigt het Besluit studiefinanciering 2000.* Artikel XIII. Wijziging Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES *Wijzigt het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES.* Artikel XIV. Wijziging Besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevens *Wijzigt het Besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevens.* Artike"},{"b":"Besluit van 14 september 1838, waarbij worden vastgesteld vier Reglementen, in voldoening aan art. 19 der Wet op de samenstelling van de Rechterlijke macht en het beleid der Justitie Artikel 1 De aan dit besluit gehechte reglementen: - I. Reglement, betreffende de wijze van eeds-aflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de Hoven en Regtbanken; - II. Reglement, betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke Ambtenaren, alsmede het costuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders; - III. Reglement van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs; - IV. Reglement op de organisatie en de dienst der Deurwaarders en verdere regtsbedienden; worden bij deze door Ons goedgekeurd en vastgesteld, en zullen mitsdien, te rekenen van den 1sten October aanstaande, alom in alle zaken, waartoe dezelve betrekkelijk zijn, worden opgevolgd en nageleefd. Artikel 2 Wij behouden Ons voor, om de opgemelde reglementen nader te wijzigen of te veranderen, in dier voege als Ons, in vervolg van tijd, mogt blijken noodzakelijk te zijn."},{"b":"Besluit van 14 september 1971, houdende uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c) en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29). 2. Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). Artikel 2 De in [artikel 5, eerste lid, onderdelen a, e, f, en g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&hoofdstuk=7) omschreven lichamen zijn van de belasting vrijgesteld. Artikel 3 Een in [artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Artikel 4 Een in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits het lichaam van publiekrechtelijke aard is, dan wel, indien dat niet het geval is, het lichaam, zo het winst behaalt, deze uitsluitend kan aanwenden ten bate van een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang. Artikel 5 Een in [artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) omschreven lichaam dat werkzaam is op het gebied van de landbouw is van de belasting vrijgesteld mits: - a. zo winst wordt behaa"},{"b":"Besluit van 14 september 2010, houdende regels met betrekking tot het verlenen van onderstand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit onderstand BES) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *minimumloon:* bruto minimumuurloon, genoemd in [artikel 9 van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9), vermenigvuldigd met 80 uur; - – *Onze Minister:* Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - – *openbaar lichaam/openbare lichamen:* openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - – *pensioengerechtigde leeftijd:* leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459). Artikel 2. Gezamenlijke huishouding 1. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 2. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: - a. zij met elkaar gehuwd zijn of zijn geweest; of - b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. 3. Indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en tussen hen bloedverwantschap bestaat tot en met de tweede graad, kan Onze Minister bepalen dat dit gelet op alle omstandigheden niet wordt aangemerkt als een gezamenlijke huishouding. Artikel 3. Alleenstaande, alleenstaande ouder, gezin en uitreiziger In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *alleenstaande:* de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander; - *alleenstaande ouder:* de ongehu"},{"b":"Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.* Artikel II *Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.* Artikel III *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit lozen buiten inrichtingen.* Artikel V *Wijzigt het Waterbesluit.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit milieueffectrapportage.* Artikel VII *Wijzigt het Besluit algemene regels milieu mijnbouw, het Besluit beheer autowrakken, het Besluit geluidhinder, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens, het Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012, het Invoeringsbesluit Waterwet, het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, het Besluit OM-afdoening en het Vuurwerkbesluit.* Artikel VIII *Wijzigt het Besluit beheer winningsafvalstoffen, het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en het Stortbesluit bodembescherming.* Artikel IX *Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.* Artikel X 1. Een omgevingsvergunning op grond van [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032049&artikel=II&z=2014-01-01&g=2014-01-01), wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet. 2. Onverminderd [artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=6.4) blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning"},{"b":"Besluit van 14 september 2017, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2018 Artikel I *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel II *Wijzigt het Besluit langdurige zorg.* Artikel III 1. [Artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10), zoals dat luidde op 31 december 2017, blijft van toepassing op verzekerden tot achttien jaar die op 31 december 2017 de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verzorging ontvingen op grond van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925). 2. De toepassing eindigt met ingang van 1 januari 2019 of, indien dat eerder is: - a. zodra de periode afloopt waarvoor de verzorging bij beschikking van de gemeente is toegekend, of - b. op het moment waarop de woonplaats, bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1), van de verzekerde wijzigt en de gemeente op grond van die wet daardoor niet meer verantwoordelijk is voor de verzorging. 3. In afwijking van [artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.1) eindigt de toepassing voorts zodra de verzekerde voor het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, zijn zorgverzekeraar schriftelijk te kennen geeft de verzorging onder de dekking van de zorgverzekering te willen laten vallen. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018."},{"b":"Besluit van 14 september 2018, houdende tijdelijke regels ten behoeve van een experiment met de elektronische aanvraag van rijbewijzen Artikel I *Wijzigt het Reglement rijbewijzen.* Artikel II Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III 1. [Hoofdstuk VIIIc van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&hoofdstuk=VIIIc) vervalt 6 jaren na inwerkingtreding van dit besluit. 2. De voorschriften van [Hoofdstuk VIIIc van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&hoofdstuk=VIIIc) blijven, nadat dit hoofdstuk is vervallen, van toepassing op elektronische aanvragen van rijbewijzen die voorafgaand aan dit moment zijn ingediend. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 14 september 2022, tot instelling van het Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep (Besluit instelling Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *adviescollege:* adviescollege, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047213&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01); - *staatssecretaris:* Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Er is een Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep. Artikel 3 Het adviescollege heeft tot taak de staatssecretaris te adviseren over een afgewogen, zoveel mogelijk wetenschappelijk onderbouwd en breed gedragen voorstel voor toelatings- en verantwoordingscriteria voor de landelijke publieke media-instellingen, waarbij de belangen van eigentijdsheid, kwaliteit, representativiteit, pluriformiteit en maatschappelijk draagvlak gewaarborgd blijven. Dit advies bevat in ieder geval: - a. criteria voor toelating en verantwoording voor bestaande en nieuwe omroepen; - b. een uitgewerkt en operationaliseerbaar voorstel voor een beoordelingssystematiek; - c. een beschrijving van de taken en rollen van relevante partijen; en - d. een voorstel voor een systematiek voor periodieke herijking van de toelatings- en verantwoordingscriteria op basis van een integrale afweging, zodat de beheersbaarheid van het bestel in de toekomst meer dan nu kan worden bewaakt. Artikel 4 Het adviescollege bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. Artikel 5 1. Het adviescollege brengt uiterlijk in juli 2023 een eindrapport uit. 2. Het eindrapport wordt voorafgegaan door een tussenrapportage die uiterlijk 1 december 2022 wordt uitgebracht. 3. Indien er onvoorziene omstandigheden zijn die het tijdig uitbrengen van het eindrapport belemmeren, dan stelt het adviescollege de staatssecretaris daar onverwijld van op de hoogte. 4. Het adviescollege wordt opgeheven"},{"b":"Besluit van 15 april 1955, houdende verhoging uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een aanpassingstoeslag Artikel 1 De uitkeringen, welke zijn of worden verleend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (*Stb.* 1948, I 543) worden, voor zover het recht op deze uitkeringen op 1 Januari 1954 niet is vervallen, te rekenen van 1 Januari 1954 of van het later tijdstip, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen ambtshalve met een aanpassingstoeslag verhoogd. Artikel 2 1. De aanpassingstoeslag bedraagt: - a. voor uitkeringen, welke zijn of worden toegekend aan gewezen vrijwillig dienende militairen, bedoeld in artikel 1 van Ons besluit van 13 December 1948 (*Stb.* I 543), 9 % van de uitkering, - b. voor uitkeringen, welke zijn of worden toegekend aan weduwen bedoeld in artikel 4 van Ons Besluit van 13 December 1948 (*Stb.* I 543), 2 % van de uitkering. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder uitkering verstaan het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld met inachtneming van de op 1 Januari 1954 bestaande toestand en geldende bepalingen, doch zonder de toeslag ingevolge Ons besluit van 24 Maart 1951 (*Stb.* 87) en de toeslag-1954 ingevolge Ons besluit van 16 September 1954 (*Stb.* 433). Artikel 3 De aanpassingstoeslag wordt slechts genoten over tijdvakken waarover de uitkering wordt genoten. Artikel 4 De aanpassingstoeslag wordt toegekend door Onze Minister van Oorlog of van Marine, al naar gelang de betrokken militair, mindere geëmployeerde, werkman of bediende heeft behoord tot of is werkzaam geweest bij een inrichting van de Koninklijke landmacht of de zeemacht. Artikel 5 Uitkering en aanpassingstoeslag worden als een eenheid beschouwd, waarop de artikelen 10 en 11 van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002179&artikel=1&z=1955-05-15&g=1955-05-15) genoemde regeling van overeenkomstige toep"},{"b":"Besluit van 15 april 2002 tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap) Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. Rijkswet: de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); - c. optie: verkrijging van het Nederlanderschap, als bedoeld in hoofdstuk 3 en in [artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28), alsmede in [artikel V, eerste lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V); - d. naturalisatie: verlening van het Nederlanderschap, als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=4); - e. intrekking: intrekking van het Nederlanderschap, als bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5); - f. basisadministratie: - 1° de basisregistratie personen, bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715), - 2° de bij Wet basisadministratie persoonsgegevens BES ingestelde basisadministratie persoonsgegevens, of - 3° de bij landsverordening in Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde basisadministratie persoonsgegevens; - g. ingezetene: hij die als zodanig is ingeschreven in de basisadministratie; - h. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 Tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken en tot het uitreiken van uittreksels van naturalisatiebesluiten zijn bevoegd - a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeesters; - b. in de openbare lichamen: Onze Minis"},{"b":"Besluit van 15 april 2002, houdende regels ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit naturalisatietoets) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. verzoeker: vreemdeling die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. de naturalisatietoets: de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2&z=2022-05-26&g=2022-05-26); - d. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 1. Een verzoeker beschikt over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de samenleving van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan functioneren. 2. Of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld aan de hand van een door Onze Minister op te stellen naturalisatietoets. Onze Minister stelt de naturalisatietoets voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten vast na overleg met de Minister van Justitie van het betrokken land. 3. De toets van de kennis van de taal omvat een onderzoek naar: - a. spreekvaardigheid; - b. luistervaardigheid; - c. schrijfvaardigheid; en - d. leesvaardigheid. 4. Onze Minister wijst de ambtenaren, autoriteiten of instellingen aan die de naturalisatietoets afnemen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding ge"},{"b":"Besluit van 15 april 2024 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit toevoeging mediation in verband met de vergoeding van reiskosten en vervolgverhoren, toeslagen, tijdschrijven en enkele andere onderwerpen Artikel I *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel II *Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.* Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), zoals die luidden op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen die zijn afgegeven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en piketzaken waarin rechtsbijstand is verleend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2024."},{"b":"Besluit van 15 augustus 2011, nr. 3589139, houdende aansluiting bij bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de minister:* de minister-president, Minister van Algemene Zaken; - b. *het ministerie:* het ministerie van Algemene Zaken; - c. *medewerker:* degene die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie van Algemene Zaken; - d. *bezwaar:* een bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - e. *de Commissie BZK:* de bezwarencommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in het [Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519); § 2. De Commissie BZK Artikel 2 De Commissie BZK adviseert de minister over de te nemen beslissing op een bezwaar van een medewerker. Artikel 3 Het besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK is van toepassing. Artikel 4 Van de voordrachten van de minister in het kader van [artikel 3, vierde lid, tweede en derde volzin, van het Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519&artikel=3), vindt er ten minste één plaats op basis van een voordracht door het Departementaal Georganiseerd Overleg van het ministerie van Algemene Zaken. § 3. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 5 Over bezwaren waar de bezwarencommissie personele aangelegenheden AZ bij de inwerkingtreding van dit besluit nog geen advies heeft uitgebracht, adviseert de Commissie BZK. Artikel 6 Het besluit van 1 juli 1996 (nr. 96-065) tot instelling van de bezwarencommissie personele aangelegenheden AZ wordt ingetrokken. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 december 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op verdachten die met toepassing van [artikel 539*k* van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=539k) van hun vrijheid zijn beroofd. Artikel 2 1. De ruimte waar de verdachte verblijft moet zodanig zijn ingericht, dat zoveel mogelijk wordt vermeden wat gelegenheid zou kunnen geven tot contact met derden, ontvluchting, vernieling of zelfmoord. 2. De verblijfsruimte mag niet door vochtigheid voor de gezondheid schadelijk zijn en moet aan redelijke eisen van reinheid voldoen. Voor voldoende verwarming en luchtverversing behoort te worden zorg gedragen. 3. In de verblijfsruimte moet een behoorlijk nachtleger aanwezig zijn. Artikel 3 1. In de voeding van de verdachte moet naar behoren worden voorzien. 2. De verdachte moet in staat worden gesteld zich regelmatig te wassen en te verschonen. Artikel 4 Indien de omstandigheden zulks toelaten, wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld zich uit eigen gelden voeding te doen verschaffen, zich bezig te houden met de arbeid die hij verkiest en twee maal per dag gedurende een half uur beweging in de open lucht te nemen. Artikel 5 1. Degene in wiens handen de verdachte zich bevindt kan, nadat hij de verdachte heeft gehoord, wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de goede orde en tucht uitsluitend de volgende disciplinaire straffen opleggen: - a. sluiting in de boeien voor ten hoogste veertien dagen; - b. verstrekking van water en brood in plaats van gewoon voedsel voor ten hoogste vier weken, met dien verstande, dat deze straf, indien zij langer dan twee dagen duurt, slechts om de andere dag wordt toegepast; - c. onthouding van verleende gunsten. 2. Verschillende straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd. Artikel 6 1. Van elke strafoplegging aan boord van een sc"},{"b":"Besluit van 15 december 1994, houdende nieuwe regels inzake de reclassering Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. reclasseringsinstelling: een erkende instelling als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-06-26&g=2019-06-26); - c. penitentiaire inrichting: een gevangenis, huis van bewaring of inrichting voor stelselmatige daders; - d. taakstraf: de taakstraf, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9); - e. klachtencommissie: de commissie, bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&hoofdstuk=5&artikel=29&z=2019-06-26&g=2019-06-26). Artikel 2 1. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden berust bij één of meer door Onze Minister erkende reclasseringsinstellingen. 2. Een reclasseringsinstelling neemt de bij en krachtens dit besluit gestelde regels in acht. 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld: - a. ter zake van de prioriteiten die een reclasseringsinstelling bij haar werkzaamheden in acht neemt, - b. ter zake van de eisen die aan de uitvoering van de werkzaamheden kunnen worden gesteld, - c. ter zake van de informatie die een reclasseringsinstelling periodiek aan Onze Minister verstrekt aangaande de uitvoering van de werkzaamheden, en - d. ter bevordering van een goede uitvoering van reclasseringswerkzaamheden. Artikel 3 1. Een reclasseringsinstelling stelt voor haar personeelsleden een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vast. 2. Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in [artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1). 3. Onder kindermishandeling w"},{"b":"Besluit van 15 december 1994, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden Artikel 1 1. Ten aanzien van voertuigen die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, gelden van het bepaalde bij de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622) de [artikelen 1, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20), [146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=146), [147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147), [149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), [150](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=150), [151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151), [159](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=159), [160 voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde verplichting tot het stilhouden van een motorrijtuig en het vierde tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=160), [162](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=162), [163](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), [165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"b":"Besluit van 15 december 1994, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de artikelen 175, zesde lid, van Boek 6, en 620, onderdeel a, 1030, onderdeel a, 1210, onderdeel a, 1218, 1670, onderdeel a, en 1678 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede tot wijziging van het Besluit van 19 februari 1990 ter uitvoering van artikel 951f van het Wetboek van Koophandel § 1. Aanwijzing gevaarlijke stoffen Artikel 1 Als stoffen die worden geacht aan de omschrijving van [artikel 175, eerste lid, eerste zin, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=175) te voldoen worden aangewezen: - a. de stoffen die zijn opgenomen in Bijlage I bij richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (*PbEG* L 196), zoals gewijzigd door richtlijn nr. 92/32/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 (*PbEG* L 154); - b. de gevaarlijke afvalstoffen aangewezen ingevolge [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), voor zover zij niet reeds onder de in onderdeel *a* bedoelde stoffen vallen. Artikel 2 1. Als gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 620, onderdeel *a*, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangewezen een stof die behoort tot een van de volgende categorieën: - a. olie in bulk als opgenomen in Appendix I van Annex I van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van schepen (*Trb.* 1975, 147) en het bijbehorende Protocol van 1978 (*Trb.* 1978, 188), daaronder begrepen de latere wijzigingen daarvan, voor zover de aansprakelijkheid ter zake van deze olie niet reeds valt onder de [Wet aansprakelijkheid olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002976); - b. schadelijke vloeistoffen in bulk"},{"b":"Besluit van 15 december 1995, houdende regelen ter uitvoering van een aantal bepalingen van de Archiefwet 1995 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - b. selectielijsten: selectielijsten als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) van de wet. Hoofdstuk II. Het ontwerpen van selectielijsten, alsmede de vervanging en vervreemding van archiefbescheiden Artikel 2 1. Bij het ontwerpen en vaststellen van selectielijsten, bij besluiten omtrent de vervanging van archiefbescheiden door reprodukties en bij besluiten omtrent de vervreemding van archiefbescheiden wordt rekening gehouden met: - a. de taak van het desbetreffende overheidsorgaan; - b. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen; - c. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed; en - d. het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. 2. Selectielijsten worden vastgesteld voor de duur van ten hoogste twintig jaar. Artikel 3 1. De zorgdrager betrekt bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste: - a. de persoon die hij binnen zijn organisatie uit hoofde van diens verantwoordelijkheid voor de informatiehuishouding daartoe heeft aangewezen; - b. indien deze is aangewezen de archivaris die de beheerder is van de archiefbewaarplaats die is bestemd of mede is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de zorgdrager; - c. in afwijking van onderdeel b de algemene rijksarchivaris indien de in dat onderdeel bedoelde archiefbewaarplaats een rijksarchiefbewaarplaats is; - d. een deskundige op het terrein van de relatie tussen burger en overheid en de betekenis van overheidsinformatie voor deze relatie. 2. Indien de gedeputeerde staten van twee of meer provincies"},{"b":"Besluit van 15 december 1997, houdende de overgang van de beheersverantwoordelijkheid over het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken, alsmede de overgang van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken Artikel 1 Het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, thans behorende tot de beheersverantwoordelijkheid van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken komt met ingang van 1 januari 1998 onder de beheersverantwoordelijkheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en gaat daarmee over naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 1. Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken is belast met de beleidsmatige aspecten van de coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen en Aruba betreffende en met de beleidsmatige aspecten van de zorg voor de aan de Nederlandse Antillen en aan Aruba te verlenen hulp en bijstand. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de beheersmatige aspecten van de coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen en Aruba betreffende en met de beheersmatige aspecten van de zorg voor de aan de Nederlandse Antillen en aan Aruba te verlenen hulp en bijstand. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1997, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1998."},{"b":"Besluit van 15 december 1999 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken in verband met de invoering van een nieuwe systematiek van verrekening van de waarderingskosten ARTIKEL I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.* ARTIKEL II 1. Voor de verrekening van de waarderingskosten die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 1999 blijven de [artikelen 4, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=4), en [6 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=6) zoals deze luidden op 31 december 1998 van toepassing. 2. De kosten, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder 5°, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=4) kunnen nog worden verrekend in 1998 voor de helft van de in het rekenmodel zoals dat gold op 31 december 1998 opgenomen vaste normbedragen voorzover de bezwaar- en beroepschriften waarop die kosten betrekking hebben, zijn ingediend voor 1 januari 1999 en voor die datum op die bezwaar- en beroepschriften nog geen uitspraak is gedaan. 3. Indien na 31 december 1999 over een object verwerkbare gegevens als bedoeld in [artikel 4, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=4) worden geleverd die hadden moeten worden geleverd in 1999, komt voor het kalenderjaar 1999 voor dat object f 25 als bedrag van de kosten van waardering voor verrekening in aanmerking. ARTIKEL III Bij de toepassing van [artikel 4, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten."},{"b":"Besluit van 15 december 1999, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 126aa, tweede lid, en 126cc, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. geheimhouder: een persoon als bedoeld in [artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=218); - c. officier van justitie: de officier van justitie, belast met de bewaring van de processen-verbaal en andere voorwerpen; - d. de orde: de Nederlandse orde van advocaten, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=17); - e. nummer: het nummer, bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1), van een telefoon of faxapparaat dat een advocaat gebruikt ten behoeve van de dienstverlening als advocaat; - f. nummerherkenning: het geautomatiseerd vergelijken van een nummer, dat verbinding maakt met een nummer dat is betrokken bij de toepassing van de [artikelen 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126m), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126t) of [126zg van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zg), met een nummer dat door de orde is aangemeld, ten behoeve van de vaststelling of die nummers overeenkomen. Artikel 2 1. De processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in [artikel 126cc, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126cc), worden bewaard op een door de officier van justitie aangewezen, beveiligde plaats. Van deze processen-verbaal en andere voorwerpen wordt een registratie bijgehouden. 2. De processen-verbaal, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard in de vorm van een schriftelijk stuk of van e"},{"b":"Besluit van 15 december 2004 tot verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die zijn getroffen krachtens de Kaderwet bestuur in verandering - – de Regeling Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, - – de Gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht, - – de Regeling stadsgewest Haaglanden 1995, - – de gemeenschappelijke regeling stadsregio Rotterdam, - – de Regeling Regio Twente, - – de Gemeenschappelijke regeling Regionaal orgaan Amsterdam, - – de gemeenschappelijke regeling Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen, te verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007."},{"b":"Besluit van 15 december 2004, houdende instemming met de landsverordening van de Nederlandse Antillen van 16 september 2004 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen Met de landsverordening van 16 september 2004 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen wordt ingestemd."},{"b":"Besluit van 15 december 2005, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet (Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet) Hoofdstuk 1. Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel 1.1 *Wijzigt het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.* Artikel 1.2 *Wijzigt het Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten.* Artikel 1.3 *Wijzigt het Besluit donorregister.* Artikel 1.4 1. Het [Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017107) berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de [Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830) op [artikel 16b, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=16). 2. I*Wijzigt het Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ.* Artikel 1.5 *Wijzigt het Besluit opleidingseisen verpleegkundige.* Artikel 1.6 *Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.* Artikel 1.7 *Wijzigt het Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering.* Artikel 1.8 Het [Besluit werkingssfeer maximumtarieven WTG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005343) wordt ingetrokken. Artikel 1.9 *Wijzigt het Besluit werkingssfeer WTG 1992.* Artikel 1.10 *Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ.* Artikel 1.11 *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel 1.12 *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, tweede lid, Kwaliteitswet zorginstellingen, enz.* Artikel 1.13 *Wijzigt het Bijdragebesluit zorg.* Artikel 1.14 *Wijzigt het Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering 1992.* Artikel 1.15 *Wijzigt het Opiumwetbesluit.* Artikel 1.16 *Wijzigt het Registratiebesluit BIG.* Artikel 1.17 *Wijzigt het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven.* Artikel 1.18 *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.* Artikel 1.19 *Wijzigt het Vrijstellingsbesluit W"},{"b":"Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herziening van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.* Artikel II Voor de toepassing van [bijlage B, onderdeel c, bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), wordt: - a. een ondernemer die was genoemd in [bijlage B, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), zoals dat onderdeel luidde onmiddellijk voor 1 januari 2006; - b. een ondernemer aan wie schriftelijk te kennen is gegeven dat het voornemen bestaat om te bevorderen dat de ondernemer zal worden opgenomen in [bijlage B, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), zoals dat onderdeel luidde onmiddellijk voor 1 januari 2006; aangemerkt als een instelling die door de inspecteur is erkend als een instelling van sociale of culturele aard. Hierbij blijven de voorwaarden en beperkingen van kracht die met betrekking tot het verlenen van de vrijstelling zijn gesteld. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van: - a. [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019288&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01); - b. [artikel I, onderdeel E.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019288&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01) voorzover betrekking hebbend op de tweede volzin van de *Algemene aantekening* aan het slot van [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B); en - c. [artikel I, onderdeel E.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019288&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01) voorzover betrekking hebbend op de uitzondering die in de nieuwe derde volzin van de *Algemene aantekening* aan het slot van [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B) i"},{"b":"Besluit van 15 december 2008 tot aanwijzing van voorschriften en vaststelling van boetetarieven als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, onderdelen a en b, en zevende lid, van de Gemeentewet (Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte) Artikel 1 In dit besluit en de daarbij behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0024941) wordt verstaan onder: - a. *wet:* de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416); - b. *college:* het college van burgemeester en wethouders; - c. *bestuurlijke boete:* een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 154b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b). Artikel 2 Geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften als bedoeld in [artikel 154b, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b), voor zover die voorschriften betrekking hebben op: - a. samenscholingen en ongeregeldheden; - b. betogingen op openbare plaatsen; - c. vechten op straat; - d. het meevoeren van inbrekerswerktuigen of van voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstallen te vergemakkelijken; - e. het meevoeren van steekwapens; - f. het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling; - g. bedelen; - h. bestrijding van heling van goederen; - i. hinderlijk drankgebruik; - j. het gebruik van verdovende middelen, met uitzondering van cannabis; - k. drugshandel op straat. Artikel 3 Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften als bedoeld in [artikel 154b, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b), voor zover die voorschriften betrekking hebben op: - a. het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen; - b. het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen; - c. het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen; - d. buite"},{"b":"Besluit van 15 december 2010 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet geldstelsel BES en tot vaststelling van de termijn voor kosteloze omwisseling van Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten Artikel 1 De Wet geldstelsel BES, met uitzondering van de [artikelen 13a tot en met 13z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13a) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=16), treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 2 Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten kunnen tot en met 30 juni 2011 kosteloos ter verwisseling voor wettig betaalmiddel worden aangeboden bij de ingevolge [artikel 13 van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13) aangewezen kantoren."},{"b":"Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven Artikel I *Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.* Artikel II *Wijzigt het Transactiebesluit 1994 en het Besluit OM-afdoening.* Artikel III Een wijziging in de hoogte van de sanctie heeft geen gevolgen voor gedragingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit hebben plaatsgevonden. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012."},{"b":"Besluit van 15 december 2011, houdende een nadere regeling van de Stichting Autoriteit Financiële Markten ter uitvoering van Artikel III van de Regeling van de Minister van Financiën van 26 oktober 2011 tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling (Stcrt. 2011, 19762), zoals deze is gewijzigd bij de Regeling van de Minister van Financiën in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling 14 december 2011 (Stcrt. 2011, 144478) (Nadere regeling informatievereisten bij meldingsplicht beleggingsobjecten) Artikel I De gegevens, bedoeld in [Artikel III, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling van de Minister van Financiën van 26 oktober 2011 tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030599&artikel=III) (Stcrt. 2011, 19762), zoals deze is gewijzigd bij de Regeling van de Minister van Financiën in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling 14 december 2011 (Stcrt. 2011, 144478), zijn: - a. een opgave van de naam, het adres en het telefoonnummer van de aanbieder; - b. een opgave van de rechtsvorm van de aanbieder; - c. een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen van de aanbieder; - d. indien de aanbieder is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving; - e. een opgave van de productnaam van elk beleggingsobject dat door de aanbi"},{"b":"Besluit van 15 december 2011, houdende regels inzake het procesdossier en de kennisneming en de verstrekking van afschriften van processtukken gedurende het voorbereidende onderzoek (Besluit processtukken in strafzaken) Paragraaf 1. Definitiebepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *de wet:* het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. *processtukken:* stukken als bedoeld in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a); - c. *procesdossier:* verzameling van processtukken die tijdens het opsporingsonderzoek aan het dossier zijn of worden toegevoegd. Paragraaf 2. Procesdossier tijdens het opsporingsonderzoek Artikel 2 1. Tijdens het opsporingsonderzoek draagt het openbaar ministerie zorg voor een, naar de stand van het onderzoek, zo volledig mogelijk procesdossier. 2. Het procesdossier wordt eenvormig ingericht. 3. Elk procesdossier bevat een inhoudsopgave, tenzij het dossier, gelet op de aard van de zaak, bestaat uit slechts enkele stukken. Artikel 3 1. Indien het procesdossier een strafzaak betreft van een misdrijf dat met zes jaar gevangenisstraf of meer is bedreigd, draagt het openbaar ministerie ervoor zorg dat uiterlijk op het tijdstip waarop de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend, een proces-verbaal houdende een verslag betreffende verrichte opsporingshandelingen in die strafzaak aan de processtukken wordt toegevoegd. 2. Het proces-verbaal, bedoeld in het eerste lid, wordt aangevuld zodra na voeging nog opsporingshandelingen worden verricht. Dit aanvullende proces-verbaal wordt eveneens zo spoedig mogelijk gevoegd. Paragraaf 3. Kennisneming van stukken Artikel 4 Indien tijdens het voorbereidende onderzoek een verdachte of zijn raadsman op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) bevoegd is kennis te nemen van de processtukken dan wel van de stukken, bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van de we"},{"b":"Besluit van 15 december 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES ter uitvoering van het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22) Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.* Artikel II 1. In afwijking van [artikel 2a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) worden over het kalenderjaar 2014 als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8) aangewezen: de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder (1) tot en met (4), van het FATCA-verdrag, ter zake van Amerikaanse te rapporteren rekeningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel cc, van het FATCA-verdrag, te bepalen met inachtneming van artikel 3, eerste, tweede en vierde lid, van het FATCA-verdrag en de bepalingen in de bijlagen I en II van het FATCA-verdrag. 2. In afwijking van [artikel 2a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) worden over het kalenderjaar 2015 als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8) aangewezen: de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder (1) tot en met (4), (5)("},{"b":"Besluit van 15 december 2014, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van bestaande bouwwerken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES Bouwbesluit) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1.1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *wet:* [Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218). § 1.2. Toepassingbereik voorschriften Artikel 1.2. Nieuwbouw en bestaande bouw 1. Op het bouwen van een bouwwerk zijn de [hoofdstukken 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036000&hoofdstuk=2&z=2017-07-01&g=2017-07-01) van toepassing. 2. Op een bestaand bouwwerk is [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036000&hoofdstuk=5&z=2017-07-01&g=2017-07-01) van toepassing. Artikel 1.3. Verbouw Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de [hoofdstukken 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036000&hoofdstuk=2&z=2017-07-01&g=2017-07-01) van toepassing. Het bestuurscollege kan hiervan ontheffing verlenen. § 1.3. Aanvraagprocedure bouwvergunning Artikel 1.4. Aanvraagprocedure bouwvergunning 1. Een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend door middel van een formulier dat door het bestuurscollege van het openbare lichaam waarin het bouwwerk is of zal zijn gelegen aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld. 2. Het in het eerste lid bedoelde formulier bevat: - – de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; - – het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; - – een omschrijving van de aard en omvang van het project; - – overige gegevens en bescheiden voor zover dit door het bestuurscollege is bepaald. 3. Het in het eerste lid bedoelde formulier wordt ingediend bij h"},{"b":"Besluit van 15 december 2016, houdende nadere regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens in verband met de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - – *bestand:* gestructureerd geheel van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdeel 6, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - – *bereidverklaring:* schriftelijke verklaring van of namens de eigenaar van een woonruimte dat hij bereid is die woonruimte aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning in gebruik te geven; - – *functionaris voor de gegevensbescherming:* functionaris voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 37 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - – *persoonsgegevens:* persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - – *politiechef:* politiechef van de regionale eenheid, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25), die de politietaak uitvoert in het gebied waarbinnen de gemeente gelegen is; - – *woningzoekende:* de persoon of personen die op het tijdstip van de aanvraag van een huisvestingsvergunning de leeftijd van 16 jaar heeft of hebben bereikt en voornemens is of zijn zich te huisvesten in de woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning wordt aangevraagd; - – *woonverklaring:* verklaring van de burgemeester als bedoeld in [artikel 10b, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=10b), die wordt afgegeven aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing indien de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders persoonsgegevens verwerken in het kader van het afgeven van een woonverklaring of in het kader van een besluit op de aanvraag van een huisvestingsvergunning voor een complex, straat of gebied als be"},{"b":"Besluit van 15 december 2017, houdende bepalingen voor een experiment met instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie gericht op onder meer een vermindering van de lasten die gepaard gaan met de accreditatie in het hoger onderwijs (Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - *accreditatiekader:* accreditatiekader als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - *deelnemende instelling:* instelling voor hoger onderwijs die op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040407&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=10&z=2019-02-01&g=2019-02-01) is geselecteerd voor deelname aan het experiment; - *erkenning ITK:* erkenning ITK als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - *instelling voor hoger onderwijs:* instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - *instellingsaccreditatie:* instellingsaccreditatie, verleend op grond van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040407&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=11&z=2019-02-01&g=2019-02-01); - *instellingsbestuur:* instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - *kwaliteitsaspecten I:* - a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en - b. het gerealiseerde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; - *kwaliteitsaspecten II:* - a. voor zover het een deelnemende instelling betreft waaraan een erkenning ITK is verleend: - 1°. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma; - 2°. de kwaliteit van het docententeam; en - 3°. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de stud"},{"b":"Besluit van 15 december 2020 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, het Besluit OM-afdoening en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven Artikel I *Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.* Artikel II *Wijzigt het Besluit OM-afdoening.* Artikel III *Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.* Artikel IV [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044569&artikel=IV&z=2021-01-01&g=2021-01-01) heeft geen gevolgen voor gedragingen die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021."},{"b":"Besluit van 15 december 2021 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de invoering van bijzondere procedurele bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 onder andere voor situaties waarin sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen Artikel I *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel II *Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria.* Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006404) zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022."},{"b":"Besluit van 15 december 2022 tot vaststelling wettelijke rente Artikel 1 De wettelijke rente als bedoeld in [artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=119), wordt vastgesteld op vier procent per jaar. Artikel 2 Het [Koninklijk Besluit van 18 januari 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002744), Stb. 27 vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023."},{"b":"Besluit van 15 februari 1999, houdende de vaststelling van enkele rechtspositionele bepalingen ten aanzien van burgerambtenaren van Defensie, die belast zijn met het vervoer van bewindslieden en hoge ambtelijke functionarissen (Besluit personenchauffeurs defensie) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. personenchauffeur: de krachtens dit besluit door Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren die de functie van personenchauffeur uitoefenen, alsmede de krachtens artikel 1 van het Besluit van 3 mei 1989 (Stb. 1989, 194), houdende een nadere werktijd regeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs aangewezen ambtenaar; - b. het inkomstenbesluit: het [Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191); - c. het reglement: het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040). Artikel 2. Toepasselijkheid reglement en bezoldigingsbesluit [Artikel 30b, tweede lid, van het reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=30b) alsmede de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=22) en [49 van het inkomstenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=49) zijn op de personenchauffeur niet van toepassing. Artikel 3. Verlenging arbeidstijd De arbeidstijd voor de personenchauffeur met een volledige arbeidstijd bedraagt gemiddeld 45 uur per week. Artikel 4. Aanvulling op het salaris 1. De personenchauffeur ontvangt een aanvulling op zijn salaris per maand. 2. Deze aanvulling bedraagt per maand voor de personenchauffeur met een volledige arbeidstijd 30 maal het salaris per uur, bedoeld in [artikel 1 van het inkomstenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=1), vermenigvuldigd met de factor 1,5. 3. De aanvulling wordt berekend over het voor de personenchauffeur geldende salaris per uur, met dien"},{"b":"Besluit van 15 februari 2019 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen (PbEU 2017, L 169) (Besluit implementatie verordening geldmarktfondsen) Artikel I *Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.* Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie verordening geldmarktfondsen."},{"b":"Besluit van 15 januari 1992, houdende een reglement voor de scheepvaart op de Westerschelde Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassingsgebied Dit reglement is van toepassing op de Westerschelde met haar mondingen, met inbegrip van het gedeelte van de territoriale zee dat wordt begrensd door het gemeentelijk ingedeeld gebied van de gemeente Vlissingen (vanaf de kust (51°33’.85 N 003°29’.07 E) naar 51°34’.42 N 003°29’.15 E, vandaar naar 51°36’.98 N 003°27’.15 E, vandaar naar 51°35’.55 N 003°23’.24 E, vandaar naar 51°26’.00 N 003°18’.47 E en vandaar naar grenspaal 369). Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - a. schip: een drijvend voorwerp, met inbegrip van een voorwerp zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of in staat om te worden gebruikt als een middel van verplaatsing te water; - b. zeeschip: een schip dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is; - c. binnenschip: een schip dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is; - d. bovenmaats zeeschip: een zeeschip dat wegens zijn lengte en/of zijn diepgang in verband met de toestand van het vaarwater als dusdanig door de Rijkshavenmeester Westerschelde wordt aangegeven overeenkomstig de door hem vastgestelde en aan varenden bekend gemaakte normen; - e. sleepboot: een werktuiglijk voortbewogen schip dat sleepdienst verricht of assistentie verleent en hiertoe bestemd is; - f. zeilschip: een schip dat onder zeil is mits de voortstuwingswerktuigen, indien aangebracht, niet worden gebruikt; - f.1. zeilplank: klein zeilschip voorzien van een vrij bewegende zeiltuigage die is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare mastvoet en die tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt ondersteund; - g. klein schip: een schip met een lengte van minder dan 20 meter, uitgezonderd een sleepboot, een duwboot en een schip bezig met de uitoefening van de visserij; - g.1. waterscooter: klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische"},{"b":"Besluit van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstandighedenbesluit) Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied Afdeling 1. Definities Artikel 1.1. Definities algemeen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wet: [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346). 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bouwplaats: elke tijdelijke of mobiele arbeidsplaats waar civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht, waarvan een niet-uitputtende lijst is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, bedoeld in [artikel 2.23, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.23&z=2026-08-01&g=2026-08-01); - b. bouwwerk: een civieltechnisch werk of bouwwerk als bedoeld onder a; - c. opdrachtgever: - 1°. voor de toepassing van [hoofdstuk 2, afdeling 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&hoofdstuk=2&afdeling=5&z=2026-08-01&g=2026-08-01), en [artikel 9:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&hoofdstuk=9&afdeling=1&artikel=9.6&z=2026-08-01&g=2026-08-01): - i. degene voor wiens rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht, dan wel; - ii. op wiens initiatief een bouwwerk tot stand wordt gebracht, dan wel; - iii. de onder i en ii bedoelden tezamen; - 2°. voor de toepassing van [artikel 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&hoofdstuk=9&afdeling=1&artikel=9.5&z=2026-08-01&g=2026-08-01): degene voor wiens rekening een zelfstandige of werkgever als bedoeld in [artikel 16, zevende lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), arbeid verricht; - d. opdrachtgever-consument: de natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor wiens rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht; - e. ontwerpende partij: degene die zich jegens de"},{"b":"Besluit van 15 januari 2019, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Gezondheidswet en de Jeugdwet over de openbaarmaking van informatie over naleving en uitvoering van regelgeving (Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet) Artikel 1 In dit besluit en de daarbij behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041861) wordt verstaan onder: - a. *NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit staatstoezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010009&artikel=1); - b. *IGJ:* Inspectie gezondheidszorg en jeugd, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het Besluit staatstoezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010009&artikel=1); - c. *IJenV:* Inspectie Justitie en Veiligheid, bedoeld in [artikel 60 van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=60); - d. *de met openbaarmaking belaste inspectiedienst:* de NVWA, de IGJ of de IJenV voor zover deze in de betreffende onderdelen van de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041861) zijn aangewezen; - e. *communicatiemiddel:* elk medium dat kan worden gebruikt om informatie openbaar te maken; - f. *betrokkene:* degene tot wie het openbaarmakingsbesluit zich richt; - g. *bijlage:* [bijlage](https://wetten.overheid.nl/BWBR0041861) bij dit besluit; - g. *locatie:* een vestiging van een zorgaanbieder, jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling, of indien die vestiging uit meerdere gebouwen bestaat, een vanwege de ligging of functie van een gebouw als afzonderlijke eenheid herkenbaar onderdeel van een zorgaanbieder, jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling; - h. *vakgroep:* een organisatorische eenheid van natuurlijke personen die beroepsmatig zorg verlenen met een bepaald medisch specialisme of gespecialiseerd rond een bepaalde ziekte, aandoening of behandeling. Artikel 2"},{"b":"Besluit van 15 januari 2021, houdende regels over de verkiezing van de bestuursleden van de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES (Kiesbesluit Kamers van Koophandel en Nijverheid BES 2021) Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *het Bestuurscollege:* het Bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de Kamer is gevestigd; - b. *het Gerecht:* het Gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba dat zittingsplaats heeft in het openbaar lichaam waar de Kamer is gevestigd; - c. *de secretaris:* de secretaris van de Kamer; - d. *de verkiezingscommissie:* de commissie, bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=9); - e. *de wet:* de [Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238). Paragraaf 2. Vertegenwoordiger van een onderneming of een rechtspersoon die kiesgerechtigde is Artikel 2 1. De vertegenwoordiger van een onderneming of een rechtspersoon, met uitzondering van verenigingen en stichtingen, bedoeld in de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=3), en [5, vierde lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=5), die de bestuursleden van de Kamers kiest en die in het handelsregister van de betreffende Kamer is ingeschreven als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a, van de wet, is een van de volgende personen: - a. eigenaar van een onderneming of een rechtspersoon of een nevenvestiging, al dan niet tezamen met andere personen, of lid van een vennootschap onder firma, of beherende vennoot van een commanditaire vennootschap; - b. directeur, adjunct- of onderdirecteur, aandeelhouder-bestuurder, lid van een algemeen bestuur of een uitvoerend bestuur, lid van een raad van beheer of raad van toezicht, commissaris, of een persoon bekleed met een andere functie die de bevoegdheid meebrengt omtrent het besturen of het behe"},{"b":"Besluit van 15 juli 1980, houdende aanwijzing van paleizen als bedoeld in artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis Artikel 1 De paleizen, bedoeld in [artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=4) zijn: a. het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage; b. het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage; c. het Paleis op de Dam te Amsterdam. Artikel 2 Het Koninklijk besluit van 24 december 1970, houdende aanwijzing van paleizen, bedoeld in [artikel 23 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=23) (*Stb.* 1970, 629) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 mei 1980."},{"b":"Besluit van 15 juli 1993, houdende wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II 1. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 1*a*.4.2 van het [Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703) handelingen met genetisch gemodificeerde organismen verricht ten aanzien waarvan hij ingevolge die paragraaf verplicht is een kennisgeving te doen, dient in afwijking van die paragraaf deze kennisgeving te doen: - a. indien het een kennisgeving als bedoeld in artikel 1*i* betreft: binnen drie maanden na die inwerkingtreding; - b. indien het een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 1*h* of 1*j* betreft: binnen een jaar na die inwerkingtreding. 2. Indien hij ingevolge voorschriften verbonden aan een vergunning op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) reeds kennisgeving heeft gedaan aan het bevoegd gezag of aan de Voorlopige commissie genetische modificatie van een handeling met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen ten aanzien waarvan kennisgeving is voorgeschreven ingevolge artikel 1*i* van het in het eerste lid genoemde besluit, behoeft hij daarvan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder *a*, niet opnieuw een kennisgeving te doen. 3. Ten aanzien van een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 1*f*, tweede en derde lid, 1*k* en 1*l*, eerste lid, van het in het eerste lid genoemde besluit van overeenkomstige toepassing. 4. In afwijking van § 1*a*.5 van het in het eerste lid genoemde besluit mogen de handelingen waarvan een kennisgeving is gedaan als bedoeld in dat lid, worden voortgezet, tenzij Onze Minister binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving een vergunning heeft verleend waaraan afwijkende voorschriften o"},{"b":"Besluit van 15 juli 1998, houdende nadere regels omtrent vorm en inhoud van het register in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Besluit register schuldsaneringsregeling) Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 294, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294) wordt ingericht volgens het bij dit besluit behorende model. Artikel 2 Indien het op 23 juni 1998 door de Eerste Kamer aanvaarde voorstel van wet, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) (Kamerstukken II 1993/94, 23 429) tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit register schuldsaneringsregeling."},{"b":"Besluit van 15 juli 2014 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten ter implementatie van de richtlijn kapitaalvereisten en de verordening kapitaalvereisten (Implementatiebesluit richtlijn en verordening kapitaalvereisten) Artikel I *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.* Artikel III *Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.* Artikel IV *Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft.* Artikel V *Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.* Artikel VI *Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.* Artikel VII Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de [Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029246) op [artikel 23e, vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=23e). Artikel VIII Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IX Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit richtlijn en verordening kapitaalvereisten."},{"b":"Besluit van 15 juli 2019 ter implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) (Besluit wapens en munitie) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - – *erkende vereniging:* een vereniging die op grond van [artikel 6b, tweede lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6b) door Onze Minister van Justitie en Veiligheid is erkend; - – *korpschef:* de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - – *munitie:* munitie als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=2); - – *Onze Minister:* Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - – *Richtlijn:* de Richtlijn nr. 91/477/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEG L 256/51); - – *verenigingsbeheerder:* de persoon die binnen een erkende vereniging is belast met het beheer van wapens en munitie; - – *vuurwapen:* een vuurwapen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, in samenhang met bijlage I, van de Richtlijn; - – *wapen:* een wapen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=2); - – *wet:* de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804). Artikel 2. Erkenning als museum 1. Onze Minister erkent een museum in de zin van [artikel 4, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=4) slechts indien: - a. sprake is van een instelling met rechtspersoonlijkheid, die voorwerpen verwerft, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt voor historische, culturele, wet"},{"b":"Besluit van 15 juli 2021, houdende vaststelling rechtspositie voorzitters regionale toetsingscommissies euthanasie (Besluit rechtspositie voorzitters regionale toetsingscommissies euthanasie) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 - *coördinerend voorzitter:* de op grond van [artikel 4, eerste lid van het Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013490&artikel=4) als zodanig aangewezen persoon; - *collectieve arbeidsovereenkomst rijksambtenaren:* laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - *Onze Minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - *voorzitters:* op grond van [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=4) als zodanig aangewezen personen, niet tevens zijnde de coördinerend voorzitter; - *vergoeding:* het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045429&paragraaf=3&artikel=3&z=2021-10-01&g=2021-10-01) bedoelde bedrag; - *wet:* [wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410). § 2. Rechtspositie voorzitters Artikel 2 1. Bij besluit van Onze Minister kan aan de voorzitters een vergoeding per vergadering of een vergoeding per maand worden toegekend. 2. Het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279) is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen. 3. Onverminderd het eerste lid ontvangen de in het eerste lid genoemde personen een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. § 3. Rechtspositie coördinerend voorzitter"},{"b":"Besluit van 15 juni 1965, houdende wijziging van de taak van de departementen van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening artikel Enig De zorg voor de bevordering van de doelmatige verdeling van de woongelegenheid over de bevolking gaat met ingang van 15 juni 1965 over naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening."},{"b":"Besluit van 15 juni 2001, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie inzake ouderschapsverlof en meerlingen Artikel I *Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement.* Artikel II *Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.* Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012583&artikel=I&z=2001-07-11&g=2001-07-11) en II zijn mede van toepassing op de militair en de ambtenaar die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit verlof heeft genoten alsmede op de militair en de ambtenaar die op dat tijdstip verlof geniet, mits aan de in [artikel 87a, eerste tot en met derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=87a) respectievelijk [artikel 47, eerste tot en met vierde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=47) gestelde voorwaarden voor de aanspraak op verlof is voldaan. Artikel IV Indien de militair of de burgerambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan of met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, en een of meer van deze kinderen de leeftijd van 8 jaren hebben bereikt dan wel zullen bereiken op een tijdstip gelegen tussen 1 januari 2000 en de datum waarop twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstreken, bestaat in afwijking van [artikel 87a, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=87a) respectievelijk [artikel 47, derde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=47), gedurende twaalf maanden na inwerkingtreding van dit besluit aanspraak op verlof ten aanzien van die kinderen. Artikel V Dit besluit treedt in w"},{"b":"Besluit van 15 juni 2011, houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en de tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Muntgebouw Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Muntgebouw is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis met daarboven in een bloemenlijst de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», ter linker- en ter rechterzijde twee hoofden, een jongere en een oudere medewerker van de Munt representerend en onderin de beeltenis van cherubijntje; in de buitencirkel zijn verschillende elementen en symbolen van het Muntgebouw afgebeeld en in de binnencirkel linksboven de mercuriusstaf, rechtsboven een mand met munten, rechtsonder de brug naast het Muntgebouw en linksonder een smeltoven; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een oude muntpers met daaronder in een gecodeerde tekst die is opgebouwd uit een 3d lijnenspel het jaartal 2011 met links het teken van de Muntmeester en rechts het teken van de Munt , boven het teken van de Muntmeester de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO»; de linkergreep van de muntpers vormt het getal «100» en de rechtergreep het woord «jaar» met daaronder het woord «MUNTGEBOUW», het raam daaronder symboliseert het gehele bouwwerk; tussen de grepen van de muntpers is een digitale vierkante barcode afgebeeld, met boven de barcode het wapenschild van Koningin Wilhelmina, daarboven in Romeinse cijfers het jaartal 1911 en ter linker- en rechterzijde daarvan twee tegelmotieven uit de oude Muntmeesterkamer, de Oranje appeltjes en de Nederlandse leeuw. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het word"},{"b":"Besluit van 15 juni 2016, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 en wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Warenwetbesluit liften 2016 en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *richtlijn:* richtlijn nr. 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur (herschikking) (PbEU 2014, L 189; rectificatie PbEU 2015, L 157); - b. *accreditatie:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - c. *CE-markering:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - d. *conformiteitsbeoordeling:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - e. *distributeur:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - f. *drukapparatuur:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - g. *erkende onafhankelijke instelling:* hetgeen artikel 24 van de richtlijn juncto de onderdelen 3.1.2 en 3.1.3 van bijlage I bij de richtlijn daaronder verstaat; - h. *EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie:* conformiteitsbeoordelingsinstantie, genoemd in artikel 2 van de richtlijn; - i. *EU-keuringsdienst van gebruikers:* keuringsdienst van gebruikers, genoemd in artikel 16 van de richtlijn; - j. *fabrikant:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - k. *geharmoniseerde norm:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - l. *gemachtigde:* hetgeen artikel 2 van richtlijn daaronder verstaat; - m. *importeur:* hetgeen artikel 2 van richtlijn daaronder verstaat; - n. *in bedrijf stellen:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - o. *in de handel brengen:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - p. *marktdeelnemer:* hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verst"},{"b":"Besluit van 15 juni 2018 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de invoering van een stelsel van levensfase-uren (Besluit levensfase-uren politie) Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit levensfase-uren politie. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019. 2. In afwijking van het eerste lid treedt van het [artikel I, onderdeel G, het artikel 30e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041113&artikel=I&z=2019-07-01&g=2019-07-01), in werking met ingang van 1 januari 2019."},{"b":"Besluit van 15 juni 2020, houdende regels over het experiment met een gesloten coffeeshopketen (Besluit experiment gesloten coffeeshopketen) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *aangewezen teler:* krachtens [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5) aangewezen teler; - *aanvraag om aanwijzing als teler:* aanvraag als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5); - *coffeeshophouder:* houder van een coffeeshop die in een deelnemende gemeente door de burgemeester van die gemeente is toegestaan als bedoeld in [artikel 6a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6a); - *deelnemende gemeente:* gemeente als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-04-05&g=2025-04-05), van dit besluit; - *experiment:* experiment als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=2); - *productie van hennep of hasjiesj:* het door een aangewezen teler op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818) telen van hennep en alle andere handelingen in het productieproces die nodig zijn om die hennep te verwerken tot hennep of hasjiesj die aan coffeeshophouders kan worden geleverd, alsmede het verpakken en het opslaan van die hennep of hasjiesj door de aangewezen teler tot het moment waarop het vervoer naar de coffeeshops plaatsvindt; - *wet:* [Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818). § 2. Aanwijzing van deelnemende gemeenten en eisen aan coffeeshophouders Artikel 2. (deelnemende gemeenten) 1. Aan het experiment nemen de volgende gemeenten deel: - a. Almere, - b. Arnhem, - c. Breda, - d. Groningen, - e. Heerlen, - f. Maastricht, - g. Nijmegen, - h. Tilburg, - i. Voorne aa"},{"b":"Besluit van 15 maart 1991, ter uitvoering van artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=105) is beperkt tot een bedrag van: - a. € 1.000.000 per reiziger met een maximum van € 15.000.000 per gebeurtenis in geval van vervoer over de weg of over krachtens [artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=1) aangewezen locaalspoorwegen, of over krachtens [artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2) aangewezen lokale spoorwegen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=3). In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55), waarbij de schadevergoeding die de vervoerder uit hoofde van [artikel 105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=105) is verschuldigd meer bedraagt dan € 15.000.000 per gebeurtenis en de schadevergoeding voor een reiziger meer bedraagt dan € 220.000, mag de vervoerder zijn aansprakelijkheid niet verder beperken dan tot € 220.000 per reiziger; - b. 175.000 rekeneenheden per reiziger in geval van vervoer over krachtens [artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=2) aangewezen hoofdspoorwegen of in geval van vervoer over krachtens [artikel 2, eerste lid van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2) aangewezen lokale spoorwegen, als bedoeld in [artikel 3, d"},{"b":"Besluit van 15 maart 2003, houdende regels met betrekking tot voedingssupplementen (Warenwetbesluit voedingssupplementen) § 1:. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *microvoedingsstoffen*: vitaminen en mineralen; - b. *voedingssupplementen*: eet- of drinkwaren die: - 1° bedoeld zijn als aanvulling op de normale voeding; - 2° een geconcentreerde bron vormen van één of meer microvoedingsstoffen of van andere stoffen met een voedingskundig of fysiologisch effect; en - 3° verhandeld worden in voor inname bestemde afgemeten kleine eenheidshoeveelheden; - c. *richtlijn 2002/46/EG*: richtlijn nr. 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PbEG L 183); - d. *verordening (EU) 1169/2011*: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PbEU 2011, L 304). 2. Dit besluit is niet van toepassing op geneesmiddelen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1). Artikel 2 1. Het is verboden voedingssupplementen te bereiden of te verhandelen die niet voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot hun samenstelling. 2. Het is verboden voedingssupplementen aan de eindverbruiker te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren anders dan als voorve"},{"b":"Besluit van 15 maart 2005 tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in verband met het beheer van afvalstoffen Artikel I *Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.* Artikel II *Wijzigt het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en vergunningenbesluit (besluitvorming van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit).* Artikel III *Wijzigt het Besluit inzamelen afvalstoffen.* Artikel IV Indien de aanvraag tot het geven van een beschikking waarop dit besluit betrekking heeft, is ingediend voor het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, blijft het tot dat tijdstip geldende recht, met uitzondering van de [artikelen 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=2.3), [7.2, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=7.2), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=8.3) en [bijlage III van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&bijlage=III), van toepassing. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 maart 2011, houdende de toekenning van een vaandel aan het Korps Militaire Administratie Artikel 1 Het Korps Militaire Administratie voert een vaandel, bestaande uit een vaandeldoek en een vaandelstang. Artikel 2 1. Het vaandeldoek is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het vaandeldoek zijn zevenentachtig centimeter. 2. Op de voorzijde is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde B, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de B is in goud geborduurd: *KORPS MILITAIRE ADMINISTRATIE* Het geheel van de gekroonde B en de naam is omgeven door een doorlopende oranjetak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het Koninklijk wapen is omgeven door twee met een lint samengebonden takken van sinopel, ter linkerzijde een eikentak, ter rechterzijde een lauwertak. Het lint is uitgevoerd in de kleuren behorende bij het lint van de Militaire Willemsorde. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 1. De vaandelstang is een zwarte stok, lang tweehonderdenvijftig centimeter, waarvan het gedeelte dat boven in de broeking van het vaandel komt, bestaat uit een bus met inwendige schroefdraad waarop de vaandeltop wordt geschroefd. 2. De vaandeltop bestaat uit een doosvormig voetstuk, met een daarop rustende leeuw en daaronder een eikenkrans. 3. De rustende leeuw, liggende op het doosvormige voetstuk, draagt in de rechterklauw een opgeheven zwaard en rust met de linkerklauw op een bundel van zeven pijlen. 4. Op de lange zijden van het voetstuk zijn in een verzonken middenstuk de woorden KONINGIN EN VADERLAND in hoog reliëf aangebracht, omgeven door een gesloten slang. 5. Op de korte zijkanten is in een verzonken middenstuk een gekroonde gestileerde B in hoog reliëf aangebracht. 6. Onder het voetstuk is een eikenkrans aangebracht die van het voetstuk is gescheiden door een ring. Midden door de krans is, in het verlengde va"},{"b":"Besluit van 15 maart 2012 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van het Bouwbesluit 2012 (Aanpassingsbesluit Bouwbesluit 2012) Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 *Wijzigt het Besluit energieprestatie gebouwen.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel 2 *Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte.* Artikel 3 *Wijzigt het Experimentenbesluit excellente gebieden.* Hoofdstuk 2. Ministerie van Defensie artikel Enig *Wijzigt het Besluit militaire luchthavens.* Hoofdstuk 3. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel 1 *Wijzigt het Asbestverwijderingsbesluit 2005.* Artikel 2 *Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.* Artikel 3 *Wijzigt het Besluit burgerluchthavens.* Artikel 4 *Wijzigt het Besluit geluidhinder.* Artikel 5 *Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.* Artikel 6 *Wijzigt het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.* Artikel 7 *Wijzigt het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg.* Artikel 8 *Wijzigt het Drinkwaterbesluit.* Artikel 9 *Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.* Artikel 10 *Wijzigt het Vuurwerkbesluit.* Hoofdstuk 4. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid artikel Enig *Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.* Hoofdstuk 5. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport artikel Enig *Wijzigt het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.* Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 1 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van [hoofdstuk 1, artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031388&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2012-04-24&g=2012-04-24), en [hoofdstuk 3, de artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031388&hoofdstuk=3&artikel=2&z=2012-04-24&g=2012-04-24), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031388&hoofdstuk=3&artikel=3&z=2012-04-24&g=2012-04-24), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031388&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2012-"},{"b":"Besluit van 15 maart 2012, houdende wijziging van het Vuurwerkbesluit en enkele andere algemene maatregelen van bestuur (verbetering uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Vuurwerkbesluit) Artikel I *Wijzigt het Vuurwerkbesluit.* Artikel II *Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.* Artikel III *Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.* Artikel IV *Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.* Artikel V *Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.* Artikel VI 1. Indien voor 1 juli 2012 nog niet is beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1) voor de opslag van consumentenvuurwerk, en met ingang van die datum een zodanige vergunning voor die opslag niet langer vereist is, wordt de aanvraag om de vergunning gelijkgesteld met een melding als bedoeld in [artikel 2.2.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.2.4). 2. Voor een inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan 1 juli 2012 voor de opslag van consumentenvuurwerk een omgevingsvergunning in werking en onherroepelijk was, die met ingang van die datum niet langer vereist is, worden de aan de vergunning verbonden voorschriften, voor zover die betrekking hebben op de opslag van consumentenvuurwerk, gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in [artikel 8.42 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), mits de aan de vergunning verbonden voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Artikel VII Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2012."},{"b":"Besluit van 15 maart 2021, houdende wijziging van het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet Artikel I *Wijzigt het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet.* Artikel II Het [Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861) is niet van toepassing op de uitkomsten van controle en onderzoek die zijn vastgesteld naar een melding als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, onder a, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11), of naar aanleiding van een melding als bedoeld in [artikel 4.1.8, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.8) voor zover het uitkomsten van controle en onderzoek betreft naar meldingen die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld."},{"b":"Besluit van 15 maart 2023, houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/1020 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten (Warenwetbesluit uitvoering markttoezichtverordening) Artikel 1 Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften die gesteld zijn bij artikel 4, eerste, derde en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, en 7, van Verordening (EU) 2019/1020. Artikel 2 Bij ministeriële regeling worden één of meerdere autoriteiten als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen. Artikel 3 *Wijzigt het Warenwetbesluit algemene productveiligheid.* Artikel 4 *Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.* Artikel 5 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 2.5 van de Wet uitvoering markttoezichtverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047943&artikel=2.5) in werking treedt. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit uitvoering markttoezichtverordening."},{"b":"Besluit van 15 maart 2024, houdende regels met betrekking tot de uitvoering en handhaving van EU-verordeningen met betrekking tot de financiële markten of de op die markten werkzame personen (Besluit EU-verordeningen Wft) Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder wet verstaan: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2. Aanwijzing bevoegde autoriteiten 1. Als bevoegde autoriteiten, belast met de uitvoering en handhaving van de in de bijlagen bij dit besluit genoemde verordeningen, worden aangewezen de in de desbetreffende bijlagen vermelde bestuursorganen. 2. De Europese Centrale Bank treedt als bevoegde autoriteit in de plaats van de Nederlandsche Bank, indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287). 3. Als afwikkelingsautoriteit wordt, in de gevallen vermeld in de bijlagen, aangewezen de Nederlandsche Bank. Artikel 3. Handhaving 1. De bevoegde autoriteit kan, ter handhaving van de in de bijlagen aangegeven voorschriften, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen wegens overtreding van het bij of krachtens die voorschriften bepaalde. 2. Het opleggen van een bestuurlijke boete geschiedt met inachtneming van de bij het desbetreffende voorschrift vermelde boetecategorie en, indien van toepassing, het krachtens [artikel 1:81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), of [1:82, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82) geldende boetemaximum of percentage van de netto-omzet. [Paragraaf 1 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204&paragraaf=1) is van overeenkomstige toepassing. 3. De bevoegde autoriteit beschikt in de gevallen, ger"},{"b":"Besluit van 15 mei 1990, houdende regels met betrekking tot aanstelling, schorsing en ontslag van de tot het bureau van de Nationale ombudsman behorende personen Artikel 1 [Artikel 11, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=11) is niet van toepassing op: - a. het aangaan of beëindigen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien het loon dan wel het aan de functie verbonden maximumsalaris van de schaal die voor de functie geldt, lager is dan het maximum van salarisschaal 15, zoals is opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; en - b. het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Artikel 2 Het koninklijk besluit van 25 september 1981, nr. 19, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 mei 2015, houdende vaststelling van de zetel en de organisatie van de raad voor de kinderbescherming (Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015) Artikel 1 1. De raad voor de kinderbescherming is gevestigd te Den Haag. 2. De raad staat onder leiding van een algemeen directeur, die wordt bijgestaan door vier directieleden. Zij vormen gezamenlijk de landelijke directie. 3. De algemeen directeur wordt, waar nodig, vervangen door een van de in het tweede lid bedoelde directieleden. De vervanging wordt in onderling overleg bepaald. Artikel 2 1. De raad heeft een landelijke staforganisatie en is werkzaam in tien gebieden, waarbinnen meerdere locaties de wettelijke taken van de raad uitvoeren. De landelijke staforganisatie heeft tot taak de landelijke directie en de gebieden te ondersteunen bij de uitvoering van hun wettelijke taken. 2. De gebieden en locaties, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. Noord-Nederland met de locaties Leeuwarden en Groningen; - b. Oost-Nederland met de locaties Zwolle, Almelo en Arnhem; - c. Midden-Nederland met de locaties Lelystad en Utrecht; - d. Amsterdam met de locatie Amsterdam; - e. Noord-Holland met de locaties Alkmaar en Haarlem; - f. ’s-Gravenhage met de locatie ’s-Gravenhage; - g. Rotterdam met de locatie Rotterdam; - h. Zeeland-West-Brabant met de locaties Middelburg en Breda; - i. Oost-Brabant met de locaties ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, en - j. Limburg met de locaties Maastricht en Roermond. 3. Elke locatie heeft een vestigingsmanager. Artikel 3 *Wijzigt dit besluit.* Artikel 4 Het [Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019732) wordt ingetrokken. Artikel 5 *Wijzigt het Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming.* Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013, met uitzondering van [artikel 5](https"},{"b":"Besluit van 15 mei 2025, nr. 2025001076, houdende regels met betrekking tot benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten horende personen Artikel 1 De benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten horende personen geschiedt door de commissie, voor zover het aan de functie verbonden salaris niet hoger is dan het maximumsalaris van schaal 16 van de toepasselijke rechtspositieregeling. Artikel 2 Het [Besluit benoeming, schorsing en ontslag personeel commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049305) van 14 december 2023 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 november 1982, houdende nadere uitwerking herindeling van een aantal departementale taken artikel 1 1. De verplichtingen, voor het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voortvloeiende uit het dienstverband met zijn personeel, alsmede de zorg voor de overige beheersaangelegenheden van dat departement zijn met ingang van 4 november 1982 overgegaan op het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Uiterlijk op 1 januari 1983 zullen deze verplichtingen en deze zorg, voor zover samenhangend met de aangelegenheden op het terrein van de Milieuhygiëne zoals bedoeld in onderdeel 2 van Ons Besluit van 4 november 1982 , nr. 102 (*Stb.* 613), bij Koninklijk besluit worden overgedragen aan het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stelt tot uiterlijk de in onderdeel 1, tweede volzin genoemde datum aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het personeel ter beschikking, dat deze nodig heeft voor het behartigen van zijn taak op het terrein van het milieubeheer (de milieuhygiëne). 3. ..., secretaris-generaal van het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne doet voor 1 januari 1983 voorstellen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken met het oog op de afwikkeling van zaken verband houdende met het bepaalde onder 1 tot en met 4 van Ons Besluit van 4 november 1982, nr. 102 (*Stb.* 613). 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt in het kader van de in onderdeel 3 van dit Besluit bedoelde afwikkeling een rechtspositieleidraad vast, voert overleg met het georganiseerd ambtenarenoverleg, overeenkomstig een door hem vastgestelde structuur, en beslist in geschillen tussen de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 5. Bij de afwikkeling, bedoeld onder 3 van dit Besluit, zal worden uitgegaan van een indeling van het"},{"b":"Besluit van 15 november 1982, houdende regelen ter uitvoering van de artikelen 153 lid 4 en 263 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1 Als prijsindexcijfer, bedoeld in de [artikelen 153, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153), en [263, vierde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263) wordt aangewezen de prijsindex van de bruto investeringen in vaste activa van bedrijven. Artikel 2 In aanmerking zal worden genomen de ontwikkeling van deze prijsindex sedert 1971. Artikel 3 Het bedrag, genoemd in [artikel 153, tweede lid onder *a*](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263, tweede lid onder *a*](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263), moet worden afgerond op een veelvoud van twee en een half miljoen gulden. Artikel 4 Het bedrag wordt niet opnieuw vastgesteld wanneer het bedrag waartoe verhoging of verlaging zonder afronding zou leiden, minder dan twee miljoen gulden afwijkt van het laatst vastgestelde bedrag. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 november 2006, houdende nadere vaststelling van de grondslag voor de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 30 november 2006 in verband met aanvaarding in eerste lezing door beide Kamers der Staten-Generaal van voorstellen tot verandering van de Grondwet De ontbinding van de Tweede Kamer op 30 november 2006 zoals bepaald bij [koninklijk besluit van 4 september 2006, houdende ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020256) (Stb. 421 en Stcrt. 184), vindt mede plaats op grond van [artikel 137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137)."},{"b":"Besluit van 15 november 2016 tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere besluiten in verband met onder meer de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2015–2016 Artikel I *Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.* Artikel II *Wijzigt het Besluit rechtspositie leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs CRvB en CBb.* Artikel III *Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.* Artikel IV 1. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 september 2015 als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding waren benoemd, hebben in de maand september 2015 recht op een eenmalige uitkering van € 500. 2. In afwijking van het eerste lid hebben rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 september 2015 geen bezoldiging ontvingen geen recht op de eenmalige uitkering, tenzij er sprake is van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging van maximaal zes weken. 3. Ten aanzien van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld of aangewezen voor een minder dan volledige arbeidsduur, of de rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een meer dan volledige arbeidsduur in de zin van [artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8b) wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor, bedoeld in [artikel 1, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=1). Artikel V 1. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 september 2015 en in juni 2014 als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding waren benoemd en in de maand juni 2"},{"b":"Besluit van 15 november 2016 tot wijziging van het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht in verband met de wijziging van artikel 59 Wetboek van Militair Strafrecht en enkele andere bepalingen Artikel I *Wijzigt het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht.* Artikel II De [Gratieregeling 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003042) wordt ingetrokken. Artikel III In strafzaken waarin voor het in werking treden van [artikel II, onderdeel O, eerste lid, van de Rijkswet van 13 december 2012 tot aanpassing van de Wet militaire strafrechtspraak, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet Militair tuchtrecht in verband met gewijzigde regelgeving en herstel van technische onvolkomenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032826&artikel=II) (Stb. 2013, 25), voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig [artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=59), blijven de artikelen van het [Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010902) gelden zoals zij golden voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip."},{"b":"Besluit van 15 november 2019, nr. DB/19216000, houdende beperking openbaarheid archief afdeling Personeelszaken Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geboortejaren 1835–1976 en 1877–2005 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar per 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 108 | 1-1-2020 | | 126 | 1-1-2020 | | 273 | 1-1-2020 | | 343 | 1-1-2020 | | 432 | 1-1-2020 | | 537 | 1-1-2020 | | 569 | 1-1-2020 | | 600 | 1-1-2020 | | 735 | 1-1-2020 | | 949 | 1-1-2020 | | 1026 | 1-1-2020 | | 1093 | 1-1-2020 | | 1101 | 1-1-2020 | | 1181 | 1-1-2020 | | 1210 | 1-1-2020 | | 1310 | 1-1-2020 | | 1351 | 1-1-2020 | | 1392 | 1-1-2020 | | 1400 | 1-1-2020 | | 1515 | 1-1-2020 | | 1569 | 1-1-2020 | | 1606 | 1-1-2020 | | 1614 | 1-1-2020 | | 1649 | 1-1-2020 | | 1685 | 1-1-2020 | | 1800 | 1-1-2020 | | 2809 | 1-1-2020 | | 1836 | 1-1-2020 | | 1876 | 1-1-2020 | | 1877 | 1-1-2020 | | 1995 | 1-1-2020 | | 2089 | 1-1-2020 | | 2126 | 1-1-2020 | | 2215 | 1-1-2020 | | 2263 | 1-1-2020 | | 2364 | 1-1-2020 | | 2478 | 1-1-2020 | | 2584 | 1-1-2020 | | 59 | 1-1-2021 | | 112 | 1-1-2021 | | 119 | 1-1-2021 | | 150 | 1-1-2021 | | 184 | 1-1-2021 | | 199 | 1-1-2021 | | 337 | 1-1-2021 | | 2760 | 1-1-2021 | | 628 | 1-1-2021 | | 680 | 1-1-2021 | | 1011 | 1-1-2021 | | 1117 | 1-1-2021 | | 1152 | 1-1-2021 | | 1188 | 1-1-2021 | | 1235 | 1-1-2021 | | 1289 | 1-1-2021 | | 2794 | 1-1-2021 | | 1467 | 1-1-2021 | | 1490 | 1-1-2021 | | 1989 | 1-1-2021 | | 2030 | 1-1-2021 | | 2095 | 1-1-2021 | | 2159 | 1-1-2021 | | 2212 | 1-1-2021 | | 2217 | 1-1-2021 | | 2327 | 1-1-2021 | | 2353 | 1-1-2021 | | 2397 | 1-1-2021 | | 2519 | 1-1-2021 | | 2542 | 1-1-2021 | | 143 | 1-1-2022 | | 200 | 1-1-2022 | | 217 | 1-1-2022 | | 237 | 1-1-2022 | | 275 | 1-1-2022 | | 303 | 1-1-2022 | | 333 | 1-1-2022 | | 405 | 1-1-2022 | | 444 | 1-1-2022 | | 618 | 1-1-2022 | | 633 | 1-1-2022 | |"},{"b":"Besluit van 15 oktober 1953, houdende de derde verlenging van de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen (Stb. K 451) eerstbedoelde termijn Artikel artikel 1 De in [artikel 7, eerste lid, der Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065&artikel=7) gestelde termijn van een jaar na de inwerkingtreding van die wet, welke termijn bij Ons besluit van 27 September 1952 (*Stb.* 485) tot drie jaar is verlengd, wordt nader verlengd tot vier jaar na de inwerkingtreding van die wet. Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad*, waarin het is geplaatst."},{"b":"Besluit van 15 oktober 2014, houdende regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning als bedoeld in artikel 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet (Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW) Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *woning:* een gebouwde onroerende zaak, alsmede de onroerende aanhorigheden, die - 1°. een zelfstandige woonruimte is; - 2°. een onvrije etage is; of - 3°. een onzelfstandige woonruimte is, die deel uitmaakt van een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van en aan de huurder verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is, als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die op grond van [artikel 11, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=11) door de Dienst Toeslagen is aangewezen; - b. *woonruimte:* een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; - c. *zelfstandige woonruimte:* een woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; - d. *onvrije etage:* een zelfstandige woonruimte op een etage waarbij de voordeur, het trappenhuis of de lift met andere bewoners wordt gedeeld; - e. *woonwagen:* een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats, dat voldoet aan de eisen, daaraan gesteld krachtens de op grond van [artikel 4.3 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3) gestelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken en dat i"},{"b":"Besluit van 15 oktober 2014, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2015 en wijziging van het Besluit zorgverzekering BES in verband met het zorgpakket BES 2015 Artikel I *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel II *Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG.* Artikel III *Wijzigt het Besluit zorgverzekering BES.* Artikel IV Een instelling die op grond van [artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) uiterlijk op 31 december 2014 is toegelaten voor persoonlijke verzorging als bedoeld in [artikel 1.2, onderdeel 17, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2) of voor verpleging als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel 18, van dat besluit, is met ingang van 1 januari 2015 toegelaten voor verpleging en verzorging als bedoeld in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10). Artikel V *Wijzigt het Besluit zorgverzekering.* Artikel IV* Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015."},{"b":"Besluit van 15 oktober 2018 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2018/20017, tot het vaststellen van een procedureregeling voorkomen en oplossen belangenconflicten Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Procedureregeling belangenconflicten ANVS) Artikel 1. Personeel afkomstig uit sector 1. De Autoriteit zorgt ervoor dat personen, die direct voorafgaande aan hun indiensttreding bij de Autoriteit werkzaam waren bij een vergunninghouder ingevolge de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) of bij een andere (rechts)persoon waarop de Autoriteit toezicht op de naleving van regels op grond van de Kernenergiewet houdt, in de eerste twee jaar na indiensttreding bij de Autoriteit geen werkzaamheden verrichten die betrekking hebben op deze vergunninghouder of (rechts)persoon. 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien schriftelijke afspraken zijn gemaakt die mogelijke belangenconflicten voldoende voorkomen. Artikel 2. Niet-ambtelijk personeel 1. In overeenkomsten met niet-ambtelijk personeel dat onder gezag van de Autoriteit komt te staan, worden bepalingen opgenomen die ertoe leiden dat [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=8) en de Gedragscode Integriteit Rijk 2016 van overeenkomstige toepassing zijn. 2. Het in het eerste lid bedoelde personeel tekent de in de bijlage opgenomen Model Integriteitsverklaring Rijk voor externen van de Gedragscode Integriteit Rijk 2016. Artikel 3. Adviserende of ondersteunende diensten In overeenkomsten die de Autoriteit met externe dienstverlenende instanties of bureaus aangaat, worden voldoende waarborgen opgenomen om belangenconflicten te voorkomen of op te lossen. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. C"},{"b":"Besluit van 15 oktober 2018, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. *gedeputeerde staten:* college van gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie. Hoofdstuk 2. Provincies Afdeling 2.1. Algemeen Artikel 2.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *statenlid:* lid van provinciale staten; - b. *voorzitter:* voorzitter van provinciale staten; - c. *fractievoorzitter:* statenlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; - d. *commissielid:* lid van een commissie als bedoeld in de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=80), [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=81) en [82 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=82), dat niet tevens statenlid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd; - e. *gedeputeerde:* lid van gedeputeerde staten; - f. *commissaris:* commissaris van de Koning. Artikel 2.2 (leeg) Artikel 2.3 (leeg) Artikel 2.4 (leeg) Artikel 2.5 (leeg) Afdeling 2.1. Statenleden Paragraaf 1. Beloning statenlid Artikel 2.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden 1. Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een vergoeding voor de werkzaamheden van € 2.256,23 per maand. 2. Een statenlid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetr"},{"b":"Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten (Paspoortbesluit) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Paragraaf 1. Definities en reikwijdte Artikel 1.1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *basisadministratie:* de basisregistratie personen in het Europese deel van Nederland, dan wel een basisadministratie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=2), dan wel een bij landsverordening van Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde bevolkingsadministratie; - *basisregister reisdocumenten:* het register, bedoeld in [Hoofdstuk 1, paragraaf 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&hoofdstuk=I); - *register paspoortsignaleringen:* het register, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=25); - *register vermiste of vervallen reisdocumenten:* het register, bedoeld in [artikel 4a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=4a); - *reisdocumentenstation:* door Onze Minister beschikbaar gestelde apparatuur en programmatuur, waarin gegevens met betrekking tot aangevraagde en uitgereikte reisdocumenten worden verwerkt en gearchiveerd en waarmee de gegevensuitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de leverancier plaatsvindt; - *wet:* [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212). Artikel 1.2. Andere reisdocumenten Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2) zijn: - a. faciliteitenpaspoort; - b. tweede paspoort. Paragraaf 2. Gegevens ten behoeve van reisdocumenten Artikel 1.3. Vermelding woonplaats en adres De woonplaats en het adres van de houder worden niet vermeld in de reisdocumenten, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overhei"},{"b":"Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels voor het langs elektronische weg procederen in het civiele recht en in het bestuursrecht (Besluit elektronisch procederen) Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op het langs elektronische weg procederen in het civiele recht of in het bestuursrecht bij: - a. de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad; - b. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; - c. de Centrale Raad van Beroep; - d. het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel 2 1. Als bij een rechterlijke instantie in een categorie van zaken een verplichting tot elektronisch procederen geldt, wordt daartoe in een voor die rechterlijke instantie vastgesteld procesreglement een digitaal systeem voor gegevensverwerking aangewezen. 2. Voor andere gevallen kan de rechterlijke instantie in een categorie van zaken de mogelijkheid van elektronisch procederen geheel of gedeeltelijk openstellen door daartoe in een voor die rechterlijke instantie vastgesteld procesreglement een digitaal systeem voor gegevensverwerking aan te wijzen. 3. Een grosse kan niet via een digitaal systeem voor gegevensverwerking worden verzonden. Artikel 3 1. Een op grond van [artikel 2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044275&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking voldoet aan de volgende eisen: - a. de gebruiker van het systeem wordt geïdentificeerd; - b. een procespartij, procesvertegenwoordiger of een bij de procedure betrokken derde die toegang verkrijgt tot het systeem anders dan via een koppeling met een ander digitaal systeem voor gegevensverwerking, wordt geauthenticeerd; - c. na te gaan is wie wordt beschouwd als de indiener van een bericht; - d. na te gaan is of een bericht is gewijzigd na het moment van verzending; - e. na te gaan is op welk tijdstip een bericht door een rechterlijke instantie elektronisch is ontvangen, respectievelijk door de griffie elektronisch is verzonden; - f. d"},{"b":"Besluit van 15 september 1956, tot handhaving van de besluiten en beschikkingen betreffende het technisch hoger onderwijs Artikel 1 De op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet van 7 juni 1956, *Stb.* 310, bestaande Koninklijke besluiten en ministeriële beschikkingen ter uitvoering van de artikelen 33, 36, 38, 52, 120, 121, 122 eerste lid en 125 van de hoger-onderwijswet blijven, voorzover de hoger-onderwijswet niet anders bepaalt, voorlopig van kracht en gelden voor de technische hogescholen."},{"b":"Besluit van 15 september 1988, houdende wijziging van a het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (Stb. 50) b de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (Stb. 1968, 523) c de Regeling betreffende de aanspraken van militairen der zeemacht op een jaarlijkse vakantie-uitkering (Stb. 1954, 607), in verband met de verhoging van de leeftijdsgrens van het volwassenensalaris en verscherping van de staffeling in de jeugdsalarissen Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel IV. Overgangsbepalingen 1. Voor de militair die op 30 september 1988 de leeftijd van 22 jaar nog niet had bereikt en voor wie op die dag een bezoldiging gold als vermeld in de bezoldigingsschaal bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954, dan wel als vermeld in de bijlage A of B behorende bij artikel 28, tweede lid, van de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969, zoals deze luidden op 30 september 1988, geldt, zo lang die militair de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, de hieronder vermelde bezoldiging dan wel wedde: | Diensttijd | MATR3 | MATR2 | MATR1 | KPL | SGT | LTZ3 | LTZ2 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | J16 | 1317 | 1391 | 1707 | - | - | - | - | | J17 | 1475 | 1558 | 1912 | - | - | - | - | | J18 | 1633 | 1725 | 2117 | 2190 | 2265 | 2817 | - | | J19 | 1791 | 1892 | 2321 | 2402 | 2484 | 3090 | - | | J20 | 1949 | 2059 | 2526 | 2614 | 2703 | 3362 | 3513 | | 00 | - | - | - | - | - | 3465 | 3627 | | 01 | 2107 | 2226 | 2731 | 2826 | 2922 | 3635 | 3798 | | 02 | - | - | 2829 | 2895 | 2987 | 3806 | 3969 | | 03 | - | - | 2931 | 2967 | 3058 | 3933 | 4095 | | Diensttijd | sld | sld1 | kpl | kpl1 | sgt | sm | aoo | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | J16 | 1441 | 1466 | 1534 | - | - | - | - | | J17 | 1614 | 1642 | 1718 | 1814 | 1911 | - | 20"},{"b":"Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart Artikel 1 Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Reglement van politie voor de Rijnvaart met de daarbij behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit en dat kan worden aangehaald als \" Rijnvaartpolitiereglement 1995\". Artikel 2 *Vervallen* Artikel 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt wie de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten zijn, bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement 1995. Artikel 4 1. De verplichting van artikel 3.02, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldt voor schepen die niet tot een der oeverstaten of België behoren, alsmede voor kleine schepen in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, niet eerder dan met ingang van 1 januari 1996. 2. De verplichtingen van artikel 4.05, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, tweede volzin, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 gelden tot 1 januari 1998 uitsluitend voor schepen, samenstellen en bijzondere transporten bedoeld in artikel 12.01, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, alsmede voor schepen die op radar varen als bedoeld in artikel 6.32 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995. De verplichting van artikel 4.05, vierde lid, tweede volzin, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldt echter tot 1 januari 1998 tevens voor alle schepen die met een marifooninstallatie als bedoeld in artikel 4.05, derde lid, tweede volzin, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 zijn uitgerust. Artikel 5 Het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 met het daarbij behorende Rijnvaartpolitiereglement 1983, alsmede de ter uitvoering van artikel 1.22, derde lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1983 vastgestelde tijdelijke wijzigingen van dat reglement, worden ingetrokken. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als \"Besluit Rijnvaar"},{"b":"Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. *schip:* een binnenschip met inbegrip van een klein schip en een veerpont, zomede een drijvend werktuig en een zeeschip; - b. *motorschip:* een schip dat gebruik maakt van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine afstand (bijvoorbeeld in havens of op laad- en losplaatsen) of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd; - c. *samenstel:* een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel; - d. *sleep:* een samenstel van één of meer schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat door één of meer motorschepen wordt gesleept; deze laatsten maken deel uit van het samenstel; - e. *duwstel:* een hecht samenstel van schepen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het motorschip, dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel vóór de beide motorschepen, die dienen voor het voortbewegen van het samenstel, en die worden aangeduid als \"duwboot\" of \"duwboten\". Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; - f. *duwbak:* een schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd; - g. *zeeschipbak:* een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren; - h. *gekoppeld samenstel:* een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; - i. *drijvend werktuig:* een drijvend bouwsel, met mechanische werktui"},{"b":"Besluit van 15 september 2004 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Rechtspositiebesluit WRR 2004) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - b. Raad: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; - c. lid: degene die bij koninklijk besluit is benoemd tot voorzitter of lid van de Raad; - d. rijksambtenaren: degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 2 1. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de Raad is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 19 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Het salaris van de overige leden van de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat is verbonden aan het hoogste salarisnummer van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. Het salaris van een lid met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 4. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn salaris. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris. 5. In afwijking van het vierde lid, heeft een lid ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vierde lid, recht op doorbetaling van zijn salaris over het aantal uren dat hij arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden. 6. Bij schorsing als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017208&artikel=6&z=2020-01-01&g=2020-01-01) kan Onze Minister"},{"b":"Besluit van 15 september 2004 tot vaststelling van het tijdstip van herbeoordeling, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en 28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en tot het uitzonderen van bepaalde groepen van personen van die herbeoordeling (Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten) Artikel 1. Tijdstip van herbeoordeling 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=34), [35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=35) en [artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:28), waarop door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als volgt vastgesteld: - a. ten aanzien van personen geboren op of na 1 juli 1956: een tijdstip gelegen in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 december 2006; - b. ten aanzien van personen geboren tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1956: een tijdstip gelegen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 juni 2007. 2. Bij ministeriële regeling kan zonodig worden afgeweken van de in het eerste lid, onderdeel a of b, genoemde data. Artikel 2. Uitzondering op herbeoordeling 1. [Artikel 3:28, vijfde lid, eerste zin, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:28) en [artikel 34, vierde lid, eerste zin, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&a"},{"b":"Besluit van 15 september 2014 houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Kinderdijkse Molens’ die in 2014 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Kinderdijkse Molens’ die in 2014 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: onderaan in het midden Onze beeltenis, rondom het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», geheel zichtbaar de continenten Zuid-Amerika en Afrika en deels zichtbaar de continenten Noord-Amerika en Europa, voorts bovenaan in het midden de letters «*tm*», zijnde de initialen van de ontwerpster Tine Melzer: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden afbeeldingen van negentien verschillende molens met daaronder de tekst «*Kinderdijkse Molens*» en het jaartal «2014», daarboven de waardeaanduiding «*vijf euro*» respectievelijk «*tien euro*», met links van de waardeaanduiding het teken van het Munthuis en rechts het teken van de Muntmeester , rondom het omschrift «NEDERLANDS WERELDERFGOED» en het continent Australië en deels de continenten Azië, Noord- en Zuid-Amerika, met rechts van Azië het logo van de UNESCO : 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 25 september 2014. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 24 september 2014, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 25 september 2014."},{"b":"Besluit van 15 september 2017, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met betrekking tot het aanpassen van de aftrek van vermogensbestanddelen voor het bepalen van het vermogen Artikel I *Wijzigt het Besluit langdurige zorg.* Artikel II *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.* Artikel III De [artikelen 3.3.1.7, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) of [3.7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7), voor zover die betrekking hebben op de bedragen genoemd in de [artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3), en [3.3.2.4a, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.4a) en [3.9a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.9a), [3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), en [3.14a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.14a), blijven buiten toepassing voor het jaar 2018. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018."},{"b":"Besluit van 15 september 2023, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de technische eenmaking van enkele artikelen in enige algemene maatregelen van bestuur (Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering) Artikel I *Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten.* Artikel II *Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.* Artikel III *Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.* Artikel IV *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pacht.* Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering."},{"b":"Besluit van 15 september 2023, houdende regels waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de Wet basisregistratie personen in het kader van een experiment met uitbreiding van de bijhouding van gegevens over niet-ingezetenen in de basisregistratie personen, alsmede van een experiment met het informeren van ingeschrevenen op het woonadres over de inschrijvingen op dat adres (Besluit experimenten bijhouding basisregistratie personen) Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1.1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - *de wet:* de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715). Hoofdstuk 2. Experiment uitbreiding bijhouding gegevens niet-ingezetenen § 1. Algemene bepaling Artikel 2.1. Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - *het experiment:* het experiment, bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048654&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2023-10-01&g=2023-10-01). § 2. Het experiment Artikel 2.2. Doel en duur Met het oogmerk om de bijhouding van gegevens over niet-ingezetenen in de basisregistratie uit te breiden, vindt voor de periode van vier jaar een experiment als bedoeld in [artikel 4.16a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.16a) plaats. Artikel 2.3. Afwijken van de wet 1. Onverminderd het tweede lid, vindt het experiment plaats overeenkomstig hetgeen bij en krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) is bepaald. 2. In het kader van het experiment wordt afgeweken van de [artikelen 2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.65), [2.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.68) en [2.78, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.78). Artikel 2.4. Reikwijdte: college van B&W als aangewezen bestuursorgaan 1. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, genoemd in het zesde lid, zijn bevoegd om Onze Minister een opgave als"},{"b":"Besluit van 15 september 2025, houdende Wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, Besluit bezoldiging politie en het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie in verband met de formalisering van de afspraak over anders roosteren uit het arbeidsvoorwaardenakkoord sector Politie 2022–2024, de afspraak over een overbruggingsregeling voor vervroegd uittreden uit het onderhandelaarsakkoord sector Politie van 9 oktober 2024, alsmede enkele andere wijzigingen van ondergeschikte aard (Verzamelbesluit rechtspositie politie 2025) [KetenID WGK028000] Artikel I *Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.* Artikel II *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* Artikel III *Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.* Artikel IV *Wijzigt het Verzamelbesluit rechtspositie politie 2023.* Artikel V 1. *Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.* 2. *Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.* Artikel VI 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdelen D en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=I&z=2025-09-23&g=2025-09-23) en [artikel II, onderdelen E, G, en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=II&z=2025-09-23&g=2025-09-23), die in werking treden met ingang van 1 november 2025. 2. [Artikel II, onderdelen J, K, L en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=II&z=2025-09-23&g=2025-09-23) en [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=III&z=2025-09-23&g=2025-09-23), werken terug tot en met 1 april 2025. 3. [Artikel II, onderdeel Q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=II&z=2025-09-23&g=2025-09-23), werkt terug tot en met 8 januari 2025. 4. [Artikel II, onderdeel Q, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=II&z=2025-09-23&g=2025-09-23), werkt"},{"b":"Besluit van 16 april 1992, houdende wijziging van a de Bezoldigingsregeling militairen zeemacht 1947, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 november 1947, nr. 45 b het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (Stb. 50) c de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (Stb. 1968, 523) d het koninklijk besluit van 15 september 1988 (Stb. 435) en intrekking van het koninklijk besluit van 24 januari 1955 (Stb. 48), houdende bepalingen betreffende de geldelijke inkomsten van geestelijke verzorgers bij de strijdkrachten, in verband met wijziging van de financiële rechtspositie van militairen per 1 mei 1992 Artikel I *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel II *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel III *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel IV *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel V *Bevat wijzigingen in andere regelgeving.* Artikel VI. Overgangsmaatregel Aan de militair die op 30 april 1992 aanspraak had op bezoldiging volgens de schaal dan wel weddegenietend was, wordt op 1 mei 1992 een diensttijd toegekend, overeenkomend met: - 1. indien hij jonger is dan 22 jaar: zijn leeftijd en de letter J; - 2. indien hij 22 jaar of ouder is: zijn diensttijd geldende voor bezoldiging of voor wedde per 30 april 1992, vermeerderd met één dag. Artikel VII Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1992. Indien het *Staatsblad* waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 30 april 1992 treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 mei 1992."},{"b":"Besluit van 16 april 1996, houdende aanwijzing van de zaken, bedoeld in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb. 155), en aanpassing van lagere regelgeving aan die wet Artikel 1 De in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (*Stb*. 155) bedoelde zaken zijn zaken die uitsluitend betreffen feiten die bij of krachtens de Wegenverkeerswet, de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415), [artikel 80 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=80) – voor zover het in gemeentelijke verordeningen strafbaar gesteld gebruik door motorrijtuigen van een weg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder *b*, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft –, de [Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073), [artikel 101 van de Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=101), of de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) zijn strafbaar gesteld, en andere zaken betreffende de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581). Artikel 2 *Wijzigt Reglement I.* Artikel 3 *Wijzigt Reglement II.* Artikel 4 Het Besluit opleiding verkeersschouten wordt ingetrokken. Artikel 5 *Wijzigt het besluit van de Minister van Justitie van 23 mei 1990 (Stcrt. 107).* Artikel 6 Dit besluit treedt in"},{"b":"Besluit van 16 april 2009 tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met het vaststellen en wijzigen van enkele verdeelmaatstaven Artikel I *Wijzigt het Besluit financiële verhouding 2001.* Artikel II De algemene uitkering zoals deze voor iedere gemeente wordt berekend overeenkomstig dit besluit, wordt - a. in verband met de aanpassing van het verdeelstelsel voor de jaren 2006 en 2007 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=1&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit; - b. in verband met de aanpassing van het verdeelstelsel voor de jaren 2008 en 2009 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=2&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit; - c. voor de compensatie voor het afschaffen van het gebruikersdeel van de OZB voor woningen over de jaren 2006 tot en met 2009 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=3&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten goede van het gemeentefonds. Artikel III Dit besluit treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst, met dien verstande dat - a. [artikel I, onderdeel F, onder 11 en 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21), terugwerkt tot en met 1 januari 2004; - b. [artikel I, onderdeel B en onderdeel F, onder 1, 2, 5, 7, 8, 10, 12, 15, 16 en 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21) terugwerken tot en met 1 januari 2006; - c. [artikel I, onderdeel F, onder 3, 6, 17 en 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21), terugwerkt tot en met 1 januari 2007; - d. [artikel I, onderdeel F, onder 4, 9, 19 en 20](https://wetten.o"},{"b":"Besluit van 16 april 2009, nr. 09.001007, houdende vaststelling van een selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. personeelsdossiers Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[Selectielijst voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier](https://wetten.overheid.nl/BWBR0025927)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 16 april 2014, houdende regels met betrekking tot diergeneeskundigen (Besluit diergeneeskundigen) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *analgesie:* behandeling om pijn weg te nemen of te bestrijden; - – *dierfysiotherapie:* een of meer van de volgende vormen van therapie bij dieren; - a. bewegingstherapie, waaronder wordt verstaan het uitvoeren van bewegingen op dieren; - b. massagetherapie, waaronder wordt verstaan het toepassen van massagetechnieken op dieren; - c. fysische therapie in engere zin, waaronder wordt verstaan het op dieren toepassen van fysische prikkels, niet zijnde ioniserende stralen, door middel van: - 1°. elektrotherapie, bestaande uit middenfrequente en hoogfrequente stromen alsmede magneetveldtherapie; - 2°. ultrageluidtherapie, bestaande uit behandeling met ultrageluid, al of niet in combinatie met chemische middelen of shockwave; - 3°. lichttherapie, bestaande uit behandeling met laser, ultraviolet of infrarood licht; - 4°. thermotherapie, bestaande uit behandeling met warmte- en koude-applicaties; - 5°. hydrotherapie, bestaande uit behandeling met water, gebruik makend van hydrokinetische, hydrostatische en thermodynamische eigenschappen van water; - 6°. balneotherapie, bestaande uit behandeling met baden waaraan een chemisch middel is toegevoegd; - d. dry needling, waaronder wordt verstaan het inbrengen van naalden, niet zijnde holle naalden, in het spierweefsel van dieren; - – *gevoeligheidsbepaling:* test die de gevoeligheid van een bacterie voor antibiotica vaststelt; - – *gnotobiont:* dier waarvan de microflora of microfauna volledig bekend is; - – *geslachtsdimorfisme:* het uiterlijke verschil tussen mannelijke en vrouwelijke dieren van dezelfde diersoort; - – *identificatiecode:* code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035; - – *infraroodmethode:* methode waarbij de snavel van een dier wordt verko"},{"b":"Besluit van 16 april 2015 tot uitvoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs) Hoofdstuk 1. Begrippen Artikel 1:1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. *verwerker:* de verwerker, bedoeld in [artikel 14b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b); - b. *Nederlandse Arbeidsinspectie:* de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in [artikel 14b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b); - c. *wet:* [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616). Artikel 1:2. Berekening loonkosten 1. Onder loonkosten, bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=1), wordt verstaan het loon, dat diegene die de arbeidskracht ter beschikking stelt aan de arbeidskracht betaalt voor de werkzaamheden verricht tijdens de terbeschikkingstelling, verminderd met vakantiebijslag die als loon is uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag, en vermeerderd met: - a. de opbouw van de vakantiebijslag; - b. de opbouw van het arbeidsvoorwaardenbedrag; - c. de opbouw van vakantiedagen; - d. premies werknemersverzekeringen ten laste komend van de werkgever; - e. inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in [artikel 42 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=42); - f. de pensioenpremies ten laste komend van de werkgever; - g. reis- en overige onkostenvergoedingen; en - h. een kostenvergoeding van maximaal 5% van bovenstaande brutoloonkosten voor de werkzaamheden die verbonden zijn aan het optreden als uitlener. 2. Indien collegiale uitleen plaatsvindt door tussenkomst van een bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen rechtspersoon of onderneming zonder winstoogm"},{"b":"Besluit van 16 april 2015 tot wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur in verband met het bewerkstelligen van een efficiënte en maatschappelijk wenselijke verdeling van de capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur en aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen, alsmede in verband met de verlening van de concessie voor het hoofdrailnet 2015–2025 Artikel I *Wijzigt het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur.* Artikel II Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 13 april 2015, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036547&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01). Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 12 april 2015, treedt dit besluit, met uitzondering van artikel I, onderdeel B, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 13 april 2015. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036547&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01), van dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel J, van de wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen, en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaarvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036166&artikel=I) (*Stb.* 2015, 92), in werking treedt."},{"b":"Besluit van 16 april 2026 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties in verband met de verhoging van de grens voor de status van organisatie van openbaar belang (Besluit verhoging grens status organisatie van openbaar belang woningcorporaties) Artikel I *Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties.* Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhoging grens status organisatie van openbaar belang woningcorporaties."},{"b":"Besluit van 16 april 2026, houdende regels voor de openbaar te maken gegevens in geval van openbaarmaking van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom en het behoud van kinderpornografisch materiaal, alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 9 en 12 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal (Besluit bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal) [KetenID WGK027195] Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - – *wet:* [Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813). Artikel 2. Plaats en duur openbaarmaking 1. Indien de Autoriteit besluit tot openbaarmaking van een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete of een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom, wordt de beschikking, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=7) onderscheidenlijk [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=8), door de Autoriteit geplaatst op een website met informatie van de Autoriteit. 2. Onderdelen van de beschikking, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=7) onderscheidenlijk [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=8), die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden bevatten, worden niet op de website gepubliceerd. 3. De beschikking, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=7) onderscheidenlijk [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=8), en de gegevens, bedoeld in [artikel 9, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=9), blijven drie jaar na de datum van het besluit tot openbaarmaking beschikbaar op de website. Artikel 3. Reactie van geadresseerde 1. De mogelijke reactie van"},{"b":"Besluit van 16 augustus 1960, houdende vaststelling van een nieuw reglement op het geneeskundige onderzoek omtrent de geschiktheid voor de militaire dienst Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De geschiktheid of ongeschiktheid voor de militaire dienst in verband met ziekten of gebreken wordt onderzocht en beoordeeld naar de bepalingen van dit besluit. 2. Zij, die bij het geneeskundige onderzoek niet ongeschikt worden bevonden, worden geacht geschikt te zijn. 3. Zij, die de vereiste geschiktheid missen, doch te wier aanzien een heelkundige kunstbewerking uitzicht zou geven op het verkrijgen of herkrijgen van de geschiktheid, worden ongeschikt geacht, indien zij er niet in toestemmen die kunstbewerking te ondergaan. Artikel 2 Dit besluit verstaat onder: - a. Onze minister: Onze minister van defensie; - b. afwijking: een der ziekten of gebreken, vermeld in de bijlage van dit besluit. Artikel 3 1. Voor de toepassing van dit besluit worden de te onderzoeken personen onderscheiden in twee groepen, te weten: groep A: ingeschrevenen voor de dienstplicht en dienstplichtigen; groep B: zij, die krachtens een vrijwillige verbintenis of een benoeming bij de krijgsmacht dienen of wensen te dienen, daaronder begrepen zij, die een verbintenis hebben aangegaan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Dienstplichtwet, en zij, die een zodanige verbintenis wensen aan te gaan. 2. Zij, die zowel tot groep A als tot groep B behoren, worden gerangschikt: onder groep A: indien het gaat om de geschiktheid voor de dienstplicht; onder groep B: indien het gaat om de geschiktheid als vrijwilliger. Hoofdstuk 2. Keuring van groep A (dienstplichtigen enz.) Artikel 4 1. Personen van groep A worden ongeschikt geacht, indien zij: - a. een afwijking hebben, waarvan herstel binnen korte tijd niet mogelijk moet worden geacht; of - b. geen afwijking hebben, doch hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niettemin doet verwachten, dat zij niet zullen voldoen aan de eisen van de dienst of n"},{"b":"Besluit van 16 augustus 1995, houdende bepalingen met betrekking tot houders van een verklaring van vrijstelling van de loodsplicht Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. verklaring: de verklaring van vrijstelling, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit besluit, betreffende de verplichting, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10); - b. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships; - c. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens [artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10); - d. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte daarvan krachtens [artikel 1, onderdeel a, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) aangewezen functionaris; - e. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan krachtens [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) aangewezen bevoegde autoriteit; - f. gelijksoortige zeeschepen: zeeschepen die naar het oordeel van de regionale autoriteit vergelijkbaar zijn, beoordeeld op ten minste de volgende aspecten: - 1°. scheepstype; - 2°. hoofdafmetingen; - 3°. bruginrichting en -uitrusting; - 4°. manoeuvreerbaarheid; - g. zeeschepen met gevaarlijke lading: zeeschepen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1); - h. examencommissie: de commissie voor de verklaringhoudersexamens, bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2014-01-01&g=2014-01-01), of [artikel 11, eerste li"},{"b":"Besluit van 16 augustus 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de loodsplicht Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte daarvan door Onze Minister als zodanig aangewezen functionaris; - b. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens [artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10); - c. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan door Onze Minister aangewezen bevoegde autoriteit; - d. register: het Register loodsplicht kleine zeeschepen, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&hoofdstuk=III&artikel=6&z=2019-04-01&g=2019-04-01); - e. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships; - f. loodsplicht: de verplichting, bedoeld in de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), en [11, eerste lid, onderdelen a en b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=11); - g. zeeschepen met gevaarlijke lading: zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie, gas of chemicaliën in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee geladen, dan wel leeg maar nog niet ontgast of ontdaan van hun gevaarlijke residuen; - h. Rijnschip: zeeschip dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007858&bijlage=B) of van een speciaal certificaat als bedoeld in [bijlage G van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007858&bijlage=G); - i. Denemarkenvaarder: zeeschip dat: - 1°. een lengte over alles heeft van minder dan 80 meter, - 2°. een bruto inhoud heeft van minder dan 1600 ton, of een bruto tonnage van minder dan 1600 en een voortstuwingsvermogen van niet meer"},{"b":"Besluit van 16 augustus 2003, houdende vaststelling van tarieven voor vergoedingen als bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken (Besluit tarieven in strafzaken 2003) § 1. Definitiebepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. dubbelrapportage: een psychiatrische en psychologische rapportage tezamen; - b. milieurapportage: rapportage over de leefomgeving van de onderzochte persoon; - c. monorapportage: een psychiatrische of psychologische rapportage; - d. tripelrapportage: een dubbelrapportage aangevuld met een milieurapportage; - e. de wet: de [Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406); - f. ziekenhuisvoorziening: instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1) die als zodanig is toegelaten dan wel een academisch ziekenhuis als bedoeld in [artikel 1.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.4). 2. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen is voor hetgeen wordt verstaan onder psychiatrisch ziekenhuis en psychiater [artikel 90sexies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90sexies), respectievelijk [artikel 90septies van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90septies) van toepassing. § 2. Vergoedingen voor werkzaamheden en tijdverzuim Artikel 2 1. Het tarief voor de vergoeding van werkzaamheden als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), verricht door geneeskundigen, bedraagt, voor het verrichten van: - a. psychiatrisch onderzoek, ten hoogste € 184,42 per uur; - b. onderzoek van iemand die gestoord is in zijn geestvermogens en afgifte van een verklaring, benodigd voor gedwongen opneming van de patiënt in"},{"b":"Besluit van 16 augustus 2003, houdende wijziging van het Aanduidingenbesluit tabaksproducten Artikel I *Wijzigt het [Aanduidingenbesluit tabaksproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006920).* Artikel II Verpakkingen voor pijptabak met de vermelding DEFACTO kunnen op de markt worden gebracht tot uiterlijk 1 april 2006; verpakkingen voor overige tabaksproducten met de vermelding DEFACTO tot uiterlijk 1 oktober 2004. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"b":"Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. *wet:* [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - b. *IOAW:* [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - c. *IOAZ:* [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - d. *Bbz 2004:* [Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711); - e. *uitkering:* de uitkering, bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=69), inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Bbz 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&artikel=2); - f. *gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW:* de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in [artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17a), in verband met de door het college toegekende algemene bijstand op grond van de wet, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a) behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januar"},{"b":"Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Besluit toezicht accountantsorganisaties) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - beroepsorganisatie: Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=2); - controledossier: geheel van gegevens en bescheiden die zijn vastgelegd tijdens het uitvoeren van een wettelijke controle en waarop de externe accountant zijn verklaring baseert; - groepsaccountant: externe accountant die de verantwoordelijkheid draagt voor het afgeven van een accountantsverklaring bij de jaarrekening die mede de geconsolideerde jaarrekening van een groep ondernemingen of instellingen bevat; - medewerkers: externe accountants en overige personen die werkzaam zijn bij of verbonden zijn aan een accountantsorganisatie en die zijn betrokken bij de uitvoering van wettelijke controles; - verbonden entiteit: onderneming of instelling die met een accountantsorganisatie is verbonden door middel van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur; - wet: [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468). Hoofdstuk 1a. Bepalingen ter uitvoering van artikel 2 van de wet Artikel 1a Als organisaties van openbaar belang als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel l, onder 5°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1) zijn aangewezen: - a. transmissie- en distributiesysteembeheerders als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - b. toegelaten instellingen als bedoeld in [artikel 1 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1), eerste lid, die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, meer dan 20.000 verhuureenhe"},{"b":"Besluit van 16 december 1977, houdende aanvullingen van opschriften op vaandels en standaarden van regimenten van de Koninklijke landmacht voor krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië gedurende de jaren 1945-1949 Artikel 1 Het vaandel van het GARDEREGIMENT GRENADIERS wordt aangevuld met de opschriften: WEST-JAVA 1946-1949 OOST-JAVA 1947-1949 wegens: het deelnemen van vijf bataljons van het Regiment - later Garderegiment - Grenadiers aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië: 3e bataljon op West-Java van 1946 tot 1949; 4e bataljon op Oost-Java van 1947 tot 1949; 5e bataljon op de kleine Soenda-eilanden van 1947 tot 1949; 6e bataljon, ook genaamd 411e Bataljon Infanterie, op West- en Midden-Java van 1948 tot 1949; 7e bataljon, ook genaamd 431e Bataljon Infanterie, op West- en Midden-Java in 1949. Hierbij heeft het 3e bataljon zich bijzonder onderscheiden op West-Java en het 4e bataljon op Oost-Java (onder meer te Kediri). Artikel 2 Het vaandel van het GARDEREGIMENT JAGERS wordt aangevuld met de opschriften: WEST-JAVA 1946-1949 OOST-JAVA 1947-1949 wegens: het deelnemen van vijf bataljons van het Regiment - later Garderegiment - Jagers aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië: 1e bataljon op West-Java en rond Padang (Sumatra's Westkust) van 1946 tot 1948; 3e bataljon op West-Java van 1946 tot 1949; 4e bataljon op Oost-Java van 1947 tot 1949; 5e bataljon op Celebes en Oost-Java van 1947 tot 1949; 6e bataljon, ook genaamd 421e Bataljon Infanterie, op Oost-Java in 1949. Hierbij hebben het 1e en 3e bataljon zich bijzonder onderscheiden op West-Java (het 3e onder meer in Bantam) en het 4e bataljon op Oost-Java. Artikel 3 Het vaandel van het GARDEREGIMENT FUSELIERS \"PRINSES IRENE\" wordt aangevuld met de opschriften: WEST-JAVA 1946-1949 OOST-JAVA 1947-1949 wegens: het deelnemen van vijf bataljons van het Regiment - later Garderegiment - \"Prinses Irene\" aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië: 3e bataljon op W"},{"b":"Besluit van 16 december 1992, houdende aanwijzing van particuliere terreinbeherende organisaties ter uitvoering van het bepaalde in artikel 70a van de Pachtwet Artikel 1 Als particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties als bedoeld in [artikel 70*a* van de Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269&artikel=70a), die de eigendom dan wel erfpacht van landbouwgronden verwerven, teneinde dat gebied als reservaat te beschouwen, worden aangewezen: - a. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland; - b. Provinciale landschappen; - c. Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels; - d. Stichting het Gooisch Natuurreservaat; - e. Stichting Marke Vragenderveen; - f. G. A. van der Lugtstichting; - g. Stichting Edwina van Heek. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993."},{"b":"Besluit van 16 december 1998 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 1999 Artikel 1 1. De overhevelingstoeslag over het jaar 1999 is gelijk aan 2,2% van het loon van de werknemer, met een maximum van f 1 830,=. 2. In afwijking van het eerste lid is de overhevelingstoeslag over het jaar 1999 gelijk aan 5,5 % van de uitkering, met een maximum van f 4576,=., indien het betreft: - a. een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, als bedoeld in [artikel 11, vierde lid onder a, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), gedaan door een lichaam of persoon als bedoeld in artikel 11b van die wet, door het Rijk of door een lager publiekrechtelijk lichaam, indien deze reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, of - b. een uitkering ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), welke ten laste komt van het Rijk of de Stichting Pensioenfonds ABP, behoudens voor zover krachtens [artikel 30 van de Wet Financiële voorzieningen Privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=30) over die uitkering een inhouding inzake arbeidsongeschiktheid plaats heeft gevonden, indien deze reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, of - c. een door een werkgever verstrekte aanvulling op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) of de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), indien die aanvulling reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, en daarover geen premie op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) is geheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999."},{"b":"Besluit van 16 december 1998, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten houdende uitbreiding van de kring van studerenden voor de toepassing van die wet Artikel 1. Uitbreiding van de kring van studerenden 1. Voor de toepassing van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) wordt mede verstaan onder studerende de persoon die niet op grond van [artikel 1:4, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=1:4) als studerende wordt aangemerkt en die: - a. werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen de persoon, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede de persoon die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt; - b. in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal en: - 1°. een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) of [6.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), dan wel een daarmee gelijkwaardige opleiding in of buiten Nederland volgt met een studiebelasting van ten minste 1680 uur per jaar; - 2°. een andere studie of opleiding volgt dan genoemd onder 1°, met een studiebelasting van ten minste 1600 uur per jaar; of - 3°. in het examenjaar van een meerjarige studie of opleiding ten minste gemiddeld 162 klokuren per kwartaal lessen of stages volgt. 2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als studerende aangemerkt degene die een levenlanglerenkrediet ontvangt op grond van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453). Artikel 2. Inwerkingtreding 1. Indien het bij koninklijke boodschap van"},{"b":"Besluit van 16 december 2005, houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005) § 1. Begripsomschrijvingen en toepassingsbereik Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - – *algemene verordening gegevensbescherming:* Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95.46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016 L 119); - – *asbest:* stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: - 1°. actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4); - 2°. amosiet (CAS-nummer 12172-73-5); - 3°. anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5); - 4°. chrysotiel (CAS-nummer 12001-29-5); - 5°. tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6); - 6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4); - – *asbesthoudend product:* product waarin asbest voorkomt; - – *asbestinventarisatie:* inventarisatie als bedoeld in [artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54a); - – *asbestinventarisatierapport:* rapport als bedoeld in [artikel 4.54a, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54a); - – *asbestsanering:* keten van handelingen die tot doel hebben een gebouw, object of terrein, waar asbest of een asbesthoudend product aanwezig is, geheel of gedeeltelijk te saneren en die achtereenvolgens de inventarisatie en verwijdering van het asbest of asbesthoudend product, de eindbeoordeling van het resultaat van de verwijdering en de afvoer en verwerking van het asbestafval omvat; - – *LAVS:* landelijk asbestvo"},{"b":"Besluit van 16 december 2008, houdende bepalingen tot implementatie van richtlijn nr. 2007/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69) (Besluit uitvoeringsrichtlijn transparantie uitgevende instellingen Wft) Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 1a Dit besluit berust mede op de [artikelen 5:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:3) en [5:25c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25c). Hoofdstuk II. Bepalingen over halfjaarlijkse financiële verslaggeving Artikel 2 1. De halfjaarrekening van een uitgevende instelling die niet verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te maken, bevat in de verkorte balans en de verkorte winst- en verliesrekening dezelfde posten, opschriften en subtotalen als die in de laatste algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening zijn opgenomen. 2. Aan de halfjaarrekening, bedoeld in het eerste lid, worden posten toegevoegd ingeval de halfjaarlijkse financiële verslaggeving zonder die toegevoegde posten geen getrouw beeld zou geven van het vermogen, de financiële toestand en de resultaten van de uitgevende instelling. 3. In de halfjaarrekening, bedoeld in het eerste lid, wordt voorts opgenomen: - a. een vergelijkende verkorte balans waarin informatie is opgenomen die betrekking heeft op het eind van het voorgaande boekjaar; en - b. een vergelijkende verkorte winst- en verliesrekening waarin informatie is opgenomen die betrekking heeft op dezelfde periode van het voorgaande boekjaar. 4. De toelichting op de halfjaarrekening, bedoeld in het"},{"b":"Besluit van 16 december 2009 houdende wijziging van enkele rechtspositiebesluiten politieke ambtsdragers in verband met de samenvoeging van inwonersklassen en enkele technische aanpassingen Artikel I *Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters.* Artikel II *Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning.* Artikel III *Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.* Artikel IV *Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden.* Artikel V *Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders.* Artikel VI [Artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is niet van toepassing op burgemeesters die gebruik maken van een regeling die de gemeente op of voor 31 december 2008 heeft getroffen ter verstrekking van een hypothecaire geldlening ter verkrijging van een eigen woning. Artikel VII 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. De [artikelen I, onderdelen B tot en met J en L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [III, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=III&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [IV, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [V, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=V&z=2010-01-01&g=2010-01-01), werken terug tot en met 1 januari 2009. 3. De [artikelen I, onderdeel M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [V, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=V&z=2010-01-01&g=2010-01-01), werken terug tot en met 1 april 2009. 4. [Artikel I, onderdeel N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wo"},{"b":"Besluit van 16 december 2015, houdende Aanpassing van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Arbeidstijdenbesluit en het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met het openbaar maken van inspectiegegevens Artikel I. Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag *Wijzigt het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag.* Artikel II. Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen *Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.* Artikel III. Arbeidsomstandighedenbesluit *Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel IV. Arbeidstijdenbesluit *Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.* *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel V. Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs *Wijzigt het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs.* Artikel VI. Overgangsrecht *Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden* Artikel VII. Slotbepalingen en inwerkingtreding 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037385&artikel=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037385&artikel=II&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037385&artikel=V&z=2016-01-01&g=2016-01-01) van dit besluit treden in werking met ingang van 1 januari 2016. 2. De [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037385&artikel=III&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037385&artikel=IV&z=2016-01-01&g=2016-01-01) van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld."},{"b":"Besluit van 16 december 2020 tot inwerkingtreding van de Wet vliegbelasting Artikel 1 De Wet vliegbelasting treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 2 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden."},{"b":"Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten Artikel I *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.* Artikel II *Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003.* Artikel III *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.* Artikel IV *Wijzigt het Algemeen douanebesluit.* Artikel V *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.* Artikel VI *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.* Artikel VII *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.* Artikel VIII *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.* Artikel IX *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.* Artikel X *Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.* Artikel XI *Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.* Artikel XII *Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.* Artikel XIII Wanneer een aanvraag als bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a) is ingediend voor 1 januari 2021, kan de kennisgever een melding doen als bedoeld in dat lid, indien toepassing van *artikel 7* van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2021, leidt tot een lager belastingbedrag als bedoeld in [artikel 25, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25) dan het belastingbedrag wanneer de voor 1 januari 2021 ingediende aanvraag is dan wel zal worden gevolgd. Artikel XIV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044585&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2020; - b. [artikel XI](https://wette"},{"b":"Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en enkele andere besluiten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet) Hoofdstuk 1. Wijzigingen in enkele algemene maatregelen van bestuur Artikel I. (Wijziging Besluit activiteiten leefomgeving) *Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving.* Artikel II. (Wijziging Besluit kwaliteit leefomgeving) *Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving.* Artikel III. (Wijziging Omgevingsbesluit) *Wijzigt het Omgevingsbesluit.* Hoofdstuk 2. Overgangs- en invoeringsbepalingen Artikel IV. (Overgangsrecht) 1. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor activiteiten als bedoeld in de [artikelen 11.37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.37), [11.39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.39), [11.46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.46), [11.47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.47), en [11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.54), die aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de wijze die is beschreven in een gedragscode als bedoeld in [artikel 3.31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.31), of [9.6, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=9.6), zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel 3.1 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044063&artikel=3.1), waarvoor een"},{"b":"Besluit van 16 december 2021, houdende regels met betrekking tot vergoeding van schade van exploitanten van kolencentrales in verband met de beperking van de CO2-emissie (Besluit nadeelcompensatie productiebeperking kolencentrales) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *maatregel:* maatregel ter beperking van de productie van CO2 bij het opwekken van elektriciteit met behulp van kolen, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=3); - *vergoeding:* vergoeding, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=4); - *wet:* [Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905). Artikel 2. Grondslag van de schadevergoeding 1. De vergoeding wordt berekend voor de periode waarin [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=3) van toepassing is. 2. De vergoeding bedraagt het verschil tussen de contante waarde van de verwachte netto vrije kasstroom zonder dat de maatregel zou worden toegepast en de contante waarde van de verwachte netto vrije kasstroom bij toepassing van de maatregel. 3. Tot de te vergoeden schade behoren tevens: - a. kosten in verband met de niet-nakoming van overeenkomsten die voor 9 december 2020 zijn gesloten als gevolg van de maatregel; - b. aanvullende personeelskosten als gevolg van de maatregel; en - c. redelijke kosten voor het voorkomen of beperken van schade. 4. Voor zover schade ten gevolge van de maatregel voortvloeit uit een beslissing die is genomen na 9 december 2020, wordt deze niet vergoed. 5. Indien de maatregel voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd dat niet in de berekening van de vergoeding is meegenomen, wordt dit voordeel in mindering gebracht op de vergoeding. 6. Een vergoeding van referentierente als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG)"},{"b":"Besluit van 16 december 2021, no. 2021002486, houdende departementale herindeling met betrekking tot de doorvaart en medegebruik van windparken op de Noordzee Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast met de behartiging van aangelegenheden met betrekking tot de doorvaart en medegebruik van windparken op de Noordzee voor zover deze voor 1 januari 2022 waren opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046138&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046138&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022."},{"b":"Besluit van 16 december 2022 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema Willemstad die in 2023 worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Willemstad die worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, op de achtergrond de Koningin Julianabrug, aan de bovenzijde het jaartal «2023», links van het jaartal een ster, rechts van het jaartal drie sterren, aan de rechter onderzijde de tekst «WILLEM-ALEXANDER» en aan de linker onderzijde de tekst «KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de achtergrond het stadsgezicht van Willemstad met de monumenten Kas di Kultura, de Handelskade, de Mikvé Israël-Emanuel synagoge, het Fort Amsterdam en de Emanu-el Tempel en op de voorgrond de Koningin Emmabrug en zeven gestalten, onderin het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, aan de linkerzijde de tekst «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO», bovenin de tekst «WERELDERFGOED» en aan de rechterzijde de tekst «WILLEMSTAD»; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047769&artikel=1&z=2023-02-02&g=2023-02-02). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 2 februari 2023."},{"b":"Besluit van 16 december 2022 tot wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de periodieke registratie van de orthopedagoog-generalist en de klinisch technoloog Artikel I *Wijzigt het Besluit periodieke registratie Wet BIG.* Artikel II 1. Indien een ingeschrevene in een register als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder j of k, van het Besluit periodieke registratie Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024841&artikel=2) in het bezit is van een getuigschrift, verklaring of erkenning als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), welke is verkregen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldt in afwijking van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg de datum van inwerkingtreding van dit besluit als aanvangsdatum van de eerste vijfjaarlijkse registratieperiode. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op beroepsbeoefenaren die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingeschreven in het in dat lid bedoelde register, indien zij de aanvraag voor de inschrijving reeds vóór die datum hebben ingediend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2023."},{"b":"Besluit van 16 december 2025 tot wijziging van met name het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met de uitvoering van de pensioentransitie [KetenID WGK027244] Artikel I. Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling *Wijzigt het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.* Artikel II. Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen *Wijzigt het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.* Artikel III. Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 *Wijzigt het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000.* Artikel IV. Vervallen artikel 15c Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Het in [artikel 15c, achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=15c) bedoelde tijdstip is het tijdstip waarop de Wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel in werking treedt. Artikel V. Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen *Wijzigt het Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen.* Artikel VI. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052001&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is met ingang van 1 januari 2026 en artikel I, onderdeel I terugwerkt tot en met 1 juli 2025 en met uitzondering van de tweede wijziging van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052001&artikel=III&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die in werking treedt op het moment dat de Wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en e"},{"b":"Besluit van 16 januari 1984, houdende vaststelling van een overgangsregeling minimumbezoldiging, ingaande 1 juli 1983, voor militairen der zeemacht Artikel I In dit besluit wordt verstaan onder *belanghebbende*: de militair der zeemacht beneden de leeftijd van 23 jaar, die wordt bezoldigd volgens de schaal, behorende bij het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (*Stb.* 50), en die - a. op 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst was, of - b. na 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst is gekomen of komt en op genoemde datum in een betrekking elders bij de overheid in dienst was, dan wel - c. na 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst is gekomen of komt, voordien in het particuliere bedrijfsleven werkzaam was, en die op genoemde datum een loon genoot van tenminste het minimumjeugdloon of een evenredig deel daarvan. Artikel II Voor een belanghebbende, wiens bezoldiging minder bedraagt dan het bedrag per maand, vastgesteld volgens onderstaande tabel *naar zijn leeftijd op 30 juni 1983*, wordt die bezoldiging verhoogd met een bedrag, gelijk aan het verschil tussen die bezoldiging en het bedrag volgens die tabel. Leeftijd Bedrag per maand 22 jaar f 1843,90 21 jaar f 1639,- 20 jaar f 1434,20 19 jaar f 1229,30 18 jaar f 1075,60 17 jaar f 922,- 16 jaar f 819,50 15 jaar f 717,10 Artikel III Dit besluit blijft op een belanghebbende van toepassing tot het tijdstip waarop toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 voor hem voordeliger is. Artikel IV Dit besluit kan worden aangehaald als \"Overgangsregeling minimumbezoldiging militairen zeemacht 1983\". Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juli 1983."},{"b":"Besluit van 16 januari 1992, nr. IFZ 91/1540 Onlangs heeft de Britse belastingadministratie mij ervan in kennis gesteld dat zij met ingang van 1 april 1991 met betrekking tot interest betaald op obligaties uitgegeven door de Britse overheid een speciale regeling heeft ingevoerd op grond waarvan die interest in de hierna beschreven situatie aan inwoners van Nederland (natuurlijke personen of lichamen) zonder overlegging van een formulier Neth 5/Individual c.q. Neth 5/Company mag worden uitbetaald zonder inhouding van Britse Income Tax. De regeling kan alleen toepassing vinden door tussenkomst van banken en financiele instellingen die namens hun clienten handelen in obligaties uitgegeven door de Britse overhei